Categorie archief: Recensies

Anna Politkovskaja: Niets dan de waarheid

Intussen moet je wel heel erg scheel kijken om niet te zien hoe het met de Russische autoriteiten gesteld is, maar tot enkele jaren geleden betekende het journalistieke werk van Anna Politkovskaja (1959-2006) voor vele westerse vooruitgangsdenkers, die dachten dat Rusland zich na de implosie van het communisme stapsgewijs zou ontwikkelen tot een democratische rechtstaat, nog een ontnuchterende ontmoeting met de werkelijkheid. Met haar veldonderzoek maakte ze met gevaar voor eigen leven duidelijk dat ogenschijnlijke groeipijntjes in feite symptomatisch waren voor het nieuwe Russische beleid. Met Niets dan de waarheid brengt uitgeverij De Geus, die eerder Politkovskaja’s essaybundel Poetins Rusland en haar Russisch dagboek publiceerde, een uit het Engels vertaalde bloemlezing van stukken die de auteur schreef voor de oppositiekrant Novaja gazeta.

In Niets dan de waarheid richt Politkovskaja haar pijlen naar goede gewoonte op Poetin. Ze ontmaskert hem als een cynische machtsmens, die over lijken gaat om zijn eigen positie te verstevigen. Dat doet ze in een toegankelijke stijl ‒ simplificaties zijn haar niet geheel vreemd ‒ en met gevoel voor sarcasme. Haar stokpaardje is de Russische oorlogspolitiek in Tsjetsjenië en de zogenaamde strijd tegen het terrorisme, waarvan de radicale verzetsstrijders profiteren en de burgerbevolking de dupe is. Haar casestudies tonen het ware gelaat van de oorlog: ontvoeringen, verkrachtingen, standrechtelijke executies en martelingen. Daarbij wordt de maag van de lezer niet gespaard. Politkovskaja vond dat die de plicht had te weten welke wreedheden begaan werden, al dan niet door de Russische troepen. Ook wanneer ze daarvoor een kadaver met afgehakt hoofd en opengereten buik met daarin een hoofd (al dan niet het bijhorende) moest beschrijven. Wat haar niet kwaad, maar ziedend maakte, dat was dat de daders systematisch met rust werden gelaten. Met de in deze bundel opgenomen publicaties oefende ze ‒ in enkele gevallen met succes ‒ druk uit om de schuldigen te vervolgen. Dit maakte haar niet bepaald populair bij de autoriteiten. Te meer daar veel van de wreedheden gepleegd werden (en nog steeds worden) door de clan van Ramzan Kadyrov, een zwak begaafd psychopaat die in ruil voor loyaliteit aan Moskou van Poetin de controle over Tsjetsjenië gekregen heeft.

Met de in Niets dan de waarheid opgenomen artikelen weekte Politkovskaja in eigen land verscheidene reacties los. Mensenrechtenactivisten beschouwden haar als het verloren geweten van Rusland. Talloze Russische patriotten die een sterke staat verkiezen boven hun eigen burgerrechten, versleten haar voor nestbevuiler. De meeste Russen vonden echter helemaal niets van haar. Om de eenvoudige reden dat ze nog nooit van haar hadden gehoord. In de door de staat gecontroleerde media kwam haar stem niet aan bod. Hoewel ze in het Westen al jaar en dag geboekstaafd staat als heldin, kreeg ze pas algemene bekendheid in Rusland nadat ze brutaal afgemaakt was voor haar woning in Moskou. In die zin had Poetin een punt toen hij koketteerde dat haar dood de Russische overheid meer schade toebracht dan haar publicaties hadden gedaan.

[Recensie verschenen in De leeswolf]

Getagged ,

Het kwaad als melkkoe. Jáchym Topol: De werkplaats van de duivel

In de zomer van 2006 heb ik in de hoedanigheid van toerist Krakau bezocht. Als vanzelfsprekend stond ook het nabij gelegen Oświęcim, beter bekend als Auschwitz, op het programma. Ondanks de rijke materiële getuigenissen werd ik niet overdonderd door de gruwel die er heeft plaatsgevonden. Teleurstellend genoeg, want ik was gekomen en had betaald om me te laten choqueren. Het is aangenaam om te denken dat een zelfbeschermingsmechanisme in werking was gesteld. Uiteindelijk werd ik toch enigszins geraakt, verontrust om preciezer te zijn, door een onverwachte gebeurtenis waarvan ik getuige was: op de centrale executieplaats poseerde een jonge vrouw in volle bekoorlijkheid, haar tanden blootlachend en met de handen in de zij, voor haar geliefde, die er gretig op los vuurde met zijn fototoestel. Deze herinnering drong zich aan me op bij het lezen van De werkplaats van de duivel, een eigenzinnige aanzet tot reflectie over de soms zelfgenoegzame behoefte van de mensheid om de massaslachtingen te gedenken die ze in haar eigen gelederen heeft aangericht.

Het al bij al sympathieke hoofdpersonage, eerder antiheld dan held, wiens taboeloze getuigenissen dit boek uitmaken heeft geen naam. Hij is geboren en getogen in de Tsjechische vestingstad Theresienstadt, die tijdens WO II door de nazi’s was ingericht als concentratiekamp. Zijn moeder was één van de overlevenden en zijn vader één van de bevrijders, een roemrijke majoor in het rode leger. Hij had dan ook geen andere keuze dan militaire school te lopen. Hij leert er niets behalve Engels, deserteert, en gaat geiten hoeden. Deze dieren beschouwt hij als biologische vechtmachines. Zijn vader-majoor vindt de geiten echter te min en sterft tijdens een slaande ruzie. De verteller wordt voor moord veroordeeld tot een lange gevangenisstraf ‒ of hij schuldig is of niet, is niet helemaal duidelijk. In de gevangenis schopt hij het tot het hulpje van meneer Mára, een computerfreak met een hart voor socialisme die op vraag van de gevangenisdirectie terdoodveroordeelden executeert. Het hoofdpersonage treft de voorbereidingen en maakt schoon achteraf. Hij kan het, dus hij doet het. In ruil voor strafvermindering. Het computerspel dat meneer Mára ontwikkelt vergemakkelijkt de verwerking: ‘ik speelde dat prehistorische spel en vergat waar en wie ik was, ik vergat het geschreeuw en gerochel, in de drukte van de stipjes vergat ik de stront die uit de broekspijpen viel en stroomde, ik vergat de gezichten van de gasten die door de dood een pop werden, ik vergat dat ik zelf een pop was geworden’.

Bij zijn vrijlating wordt het hoofdpersonage opgewacht door oom Kops, die hij al kent sinds zijn kindertijd. Deze charismatische man is in het dodenkamp van Theresienstadt geboren en heeft er zijn missie van gemaakt om de periode te gedenken ‘toen de vestigingstad een gevangenis en martelinrichting en executieplaats was’. Daarom leidt hij archeologische excursies in gangen, bunkers en catacomben. Met zijn kennis van het Engels kan het hoofdpersonage de brug slaan tussen Kops en ‘de britsenspeurders’, westerse jongeren die geobsedeerd zijn door de Holocaust, al dan niet omdat hun voorouders erin stierven. Eén van hen is Sára, op wie het hoofdpersonage verliefd wordt. De naïviteit waarmee ze kennis neemt van het kwaad is aandoenlijk. Wanneer ze getuige is van een lynchpartij zegt ze enthousiast: ‘Mijn eerste pogrom. Dat moet ik toch echt in mijn meisjesdagboek noteren’. Haar praktisch talent helpt om de door Kops geïnspireerde beweging op de kaart te zetten: ze trekt de aandacht van de internationale media en vergaart inkomsten door de verkoop van toeristische souvenirs. Bijzonder succesvol is het T-shirt met opschrift Als Kafka zijn eigen dood had overleefd, was hij hier vermoord. Ook de gettopizza ziet het licht. Het hoofdpersonage neemt de computertechnische kant van de beweging op zich. ’s Avonds luisteren de bristenspeurders, waarvan het aantal groeit, naar de verhalen van Kops, die aanbeden wordt als therapeutische goeroe. Daarna zijn er spelen en dansen, met wijn en cannabis. Door een slechte boekhouding en illegale restauratiewerken roept de beweging de fiscus, de politie en bulldozers over zich heen. In de chaos sticht het hoofdpersonage brand om de sporen van zijn betrokkenheid uit te wissen; een nieuwe gevangenisstraf is voor hem geen optie. Met de hulp van Maruška, de tweede vrouw voor wie hij een zwak heeft, vlucht hij naar Wit-Rusland.

Al snel wordt duidelijk dat niet het hoofdpersonage voor Wit-Rusland, maar wel Wit-Rusland voor het hoofdpersonage heeft gekozen. Maruška, die hem vakkundig doorheen de douanecontroles en de volksdemonstraties tegen de dictatuur gidst, is een lokgeitje. Ze heeft van Kagan de opdracht gekregen om hem naar Minsk te halen. Kagan staat aan het hoofd van een ondergrondse Wit-Russische organisatie die de massagraven openlegt. Hun oogst is niet min, aangezien er tijdens WO II met name in Wit-Rusland lelijk is huisgehouden. Het gebied fungeerde een soort van laboratorium waarin het naziregime uittestte in hoeverre het mogelijk was om ook de Slavische bevolking uit te roeien. Ook de plaatselijke bevolking en de Sovjets hebben deelgenomen aan het kwaad, zo verneemt de verteller. Het is de overtuiging van de organisatie dat Chatyn beter nog dan Auschwitz geschikt is om toeristisch geëxploiteerd te worden. Het museum in oprichting is gedoopt ‘De werkplaats van de duivel’. Het hoofdpersonage is er vooral bijgehaald voor de USB-stick die hij bij zich draagt: deze bevat databases met de contacten en sponsoren van Theresienstadt. Met trots geeft een handlanger van Kagan inzage in de toekomstige museumcollectie. Hiertoe behoren tot robots geprepareerde lijken die aan de bezoekers getuigen over wat ze meegemaakt hebben. Groot is de ontsteltenis van het hoofdpersonage wanneer hij ook oom Kops, die in de chaos van Theresienstadt verdwenen was, tussen deze robots ontwaart. Zelfs voor hem, anders zo laconiek, blijkt de dosis gruwelijkheden onverteerbaar geworden. Bovendien vreest hij voor zijn leven. Door moord en brandstichting weet hij aan de organisatie te ontsnappen. Vertroosting vindt hij bij Ula, zijn derde liefje, aan wiens zijde hij sereen de dood tegemoet treedt.

Jáchym Topol (1962)

In het dankwoord van De werkplaats van de duivel verontschuldigt Jáchym Topol (1962) zich dat hij ‘niet volkomen realistisch over demonen kan schrijven’. Toch zijn niet alle groteske gebeurtenissen in dit boek volledig uit de lucht gegrepen, zo verduidelijkte de Praagse dichter, romancier en journalist tijdens een interview in Amsterdam op 13 april. Enkele jaren geleden werd Theresienstadt echt overspoeld door mediagenieke leden van wat men in vakliteratuur bestempelt als de derde Holocaust-generatie. Eén van hen was een meisje dat model stond voor Sára. Hun carnaval zonder einde op de ruines van de dood stootte op onbegrip, waarna ze verjaagd werden. Topol zelf neemt een ambigu houding aan tegenover deze jongeren. Enerzijds deelt hij hun fascinatie voor het aangerichte kwaad, voor de vraag of het opnieuw kan gebeuren. Anderzijds toont hij begrip voor het onbegrip van wie een meer serene manier van gedenken voorstaat. Deze houding is kenmerkend voor zijn schrijverschap: op geen enkel ogenblik zwaait hij met het moraliserende vingertje. Hij roept veel vragen op, maar onthoudt zich van sluitende antwoorden. Hij straalt de overtuiging uit dat het beantwoorden van vragen niet tot zijn takenpakket als schrijver behoort.

Het naar liefde en zelfbehoud strevende, weinig intellectuele hoofdpersonage, dat met zijn selectieve krachtdadigheid wel een neefje van Jaroslav Hašeks brave soldaat Švejk lijkt, is een uiterst geschikt instrument om het thema van het kwaad te bevragen. Wat Topol betreft is hij een exponent van de Oost-Europese opvoeding. Hij is gehard door de totalitaire wreedheden waarmee hij is opgegroeid en heeft geleerd om zijn emoties voor zich te houden. Daarnaast is hij ‘een stamlid’: hij geeft slechts om degenen die deel uitmaken van zijn eigen clan, zoals Kops en de britsenspeurders. Afhankelijk van de omstandigheden is hij assistent van de beul of romanticus. De afwezigheid van een glasheldere oppositie tussen goed en kwaad en van voorgekauwde verontwaardiging verheft dit boek mijlen boven het gros van de Holocaustliteratuur. Het maakt Topol ook een stuk minder toegankelijk dan zijn landgenoot Milan Kundera, die met zijn politiek correcte helden, dissidenten met hersenen en sexappeal, ons aller hart veroverde. Door de Wit-Russische vrienden van Topol zelf wordt De werkplaats van de duivel alvast weinig geapprecieerd, hoewel dit boek de nog weinig bekende gruwelen die in Wit-Rusland tijdens WO II plaatsvonden onder de aandacht brengt. De schrijver wijt dit aan het in Wit-Rusland heersende totalitarisme, dat aan de literatuur een manicheïstische logica opdringt. Het is ook pas na het communistisch debacle in eigen land dat hij zichzelf hiervan heeft weten te bevrijden.

De werkplaats van de duivel is een sterk verontrustend boek, in de meest lovenswaardige betekenis van het woord. Behalve in de originele, fantasierijke uitwerking van de thematiek van het kwaad ligt de hypnotiserende kracht besloten in de vakkundige compositie en in de krachtige vertelstijl. Deze roman bestaat in feite uit twee op elkaar lijkende verhalen, waarvan het tweede een karikaturale reflectie is van het eerste. De in oorsprong goed bedoelde, maar op den duur degoutante toeristische exploitatie van het aangerichte kwaad in Theresienstadt wordt in het tweede deel van dit boek getransponeerd naar Wit-Rusland, waar dit uitmelken nog absurdere vormen aanneemt. Het gedenken van de massale slachtpartijen wordt er de motor voor nieuwe moorden, alsof het kwaad bij uitstek in een totalitaire context een bacterie is, die je besmet als je je er te lang over buigt. De tegenstelling tussen Tsjechië en Wit-Rusland manifesteert zich ook in de architectuur en landschappen, die in dit boek bijna aparte personages te noemen zijn. Tegenover de smalle, kronkelige straten van Praag staan de lijnrechte, brede lanen van Minsk. Tegenover de wallen, bunkers en mangaten van Theresienstadt staan de koude bossen de Chatyn. Beide verhalen eindigen met een door het hoofdpersonage gesticht apocalyptisch vuur. De vertelstijl van De werkplaats van de duivel doet door zijn spreektaligheid denken aan andere meesterwerken uit de Tsjechische literatuur. In het bijzonder aan Bohumil Hrabal, wiens ‘levende taal’ voor Topol destijds een openbaring was. In de vertaling van Edgar de Bruin komt de muzikale, levende taal van Topols verteller, die gedragen wordt door vele komma’s en herhalingen, volledig tot zijn recht. Zijn ironievolle stem zorgt voor een lichtzinnige toets, die wonderbaarlijk genoeg nergens vloekt met de beschreven gruwel. Die maakt van dit boek een zeer genietbaar cultuurproduct. Het is een zeldzame verdienste om dit te bereiken met zo’n zware thematiek, zonder te vervallen in schaamteloze smakeloosheden à la La vita è bella van Roberto Benigni.

[Recensie verschenen in De leeswolf]

Getagged ,

Wladimir Kaminer: Seks bestond niet in de Sovjet-Unie

Het is niet iedereen gegeven om een bestseller te schrijven in een andere taal dan je moedertaal. Toch was het dat wat Wladimir Kaminer deed. Hij werd als Russische jood in 1967 geboren in Moskou, volgde een opleiding tot geluidtechnicus en tot dramaturg, emigreerde in 1990 naar het pas herenigde Berlijn en brak daar in 2000 loeihard door met zijn Russendisco. Met deze bundel kortverhalen over zijn multiculturele leefomgeving plaatste hij zichzelf op de kaart als een van de grote talenten van de Duitse popliteratuur – een reputatie die de bundel Seks bestond niet in de Sovjet-Unie evenmin beschadigt als consolideert.

Ieder van de tweeëndertig verhalen die de bundel Seks bestond niet in de Sovjet-Unie uitmaken beslaat slechts enkele pagina’s. Dit verklaart de auteur met de bewering dat hij zijn werken geschreven heeft uit verveling in treinen zonder stopcontacten en dat de accu van zijn laptop het nu eenmaal niet langer dan driekwartier uithoudt – net de tijd die hij nodig heeft voor één kortverhaal. De aankoop van een tweede accu heeft zijn verhalen wat langer gemaakt, maar een roman zit er volgens hem nog steeds niet in. Zoals het altijd is met Kaminer, weet je niet of je geloof mag hechten aan wat hij vertelt, maar enigzins geestig is het wel. Wat er ook van zij, op een romanschrijver lijkt hij in de verste verte niet. Hij heeft niet de ambitie om uitgesponnen intriges te fabriceren. Bovendien houdt hij altijd tenminste één been in de realiteit.

De realiteit die Kaminer het meeste bezighoudt, is het dagelijkse leven in de Sovjet-Unie, enkele jaren voor de implosie. Zijn verhaaltjes hierover lijken flarden van lichtjes benevelde cafémonologen, overduidelijk aangedikte en verwrongen herinneringen aan vroeger die hun charme precies ontlenen aan het feit dat ze overduidelijk aangedikt en verwrongen zijn. Soms zijn ze hilarisch, zoals wanneer Kaminer het heeft over de snor die hij als jonge soldaat tot zijn grote spijt niet mocht laten staan omdat de kolonel enkel ‘echte snorren’ tolereerde en ‘geen schaamhaar op het gezicht’. Of over het wortel-appel-dieet van zijn tante: ‘Binnen de kortste keren werd haar gezicht helemaal geel en maakte ze permanent een aangeschoten indruk omdat, naar later bleek, bij het verteren van de vele wortels en appels in de maag een soort alcohol ontstaat, die vierentwintig uur per dag voor een licht benevelde toestand zorgt.’ De auteur vervolgt in de droogkomische stijl die hem eigen is: ‘Volgens mij begon mijn tante onder invloed van dat wortel-appel-dieet gedichten te schrijven en onbenullige middagprogramma’s van de tv op te nemen’. De meeste verhalen van Seks bestond niet in de Sovjet-Unie laten de lezer echter onverschillig – wat ook weer niet zo’n ramp is, aangezien ze stuk voor stuk pretentieloos zijn.

[Recensie gepubliceerd in De leeswolf 2011, Nr. 4, p. 262]

Kaminer, Vladimir. Seks bestond niet in de Sovjet-Unie. 2010. Hoorn: Hoogland & van Klaveren. 154 p. ISBN: 9789089670526.

Getagged ,

Biecht van een Ruslandjunk. Elif Batuman: De bezetenen

Wie ‘Rusland’ zegt, zegt naast ‘autocratie’ ‒ tsarisme, socialisme, poetinisme ‒ gelukkig ook ‘Russische literatuur’ ‒ Poesjkin, Dostojevski, Tsjechov. Het is moeilijk een ander land te bedenken met een imago dat in gelijke mate steunt op schrijvers en hun geesteskinderen. Misschien wel nog meer voor het beeld dat de Russen van zichzelf hebben, geldt dat voor het beeld dat wij, westerlingen, van hen ophangen. De Russische literatuur, vooral dan die van vóór de bolsjevistische staatsgreep, trekt een diep spoor door het bewustzijn van de westerse lezer. De voornaamste reden is haar vermeende diepgang. De hedendaagse situatie buiten beschouwing gelaten, hebben de Russische schrijvers nooit gekampt met een tekort aan ambitie. In overeenstemming met hun zelf aangemeten profetenstatus hebben ze de grote vraagstukken van ons bestaan min of meer expliciet gethematiseerd, in die mate dat de grens met essayistiek en ideologische propaganda soms vervaagt. Russische schrijvers manifesteren zich als aanhalige gesprekpartners, die ons niet zoet willen houden, maar liever onze zedelijke, existentiële en spirituele opvattingen uitdagen. In de beste gevallen levert dat een verrijkende verstoring van onze gemoedsrust op. Een tweede verklaring voor de betoverende kracht van de Russische literatuur is wellicht dat ze de onze niet is. Ze wordt als voldoende exotisch ervaren om onze verbeelding te prikkelen, om de romantici in ons te voeden, maar is toch niet ontoegankelijk. Waar we onszelf herkennen, kunnen we gewag maken van universele reikwijdte. Wat ons daarentegen onbegrijpelijk voorkomt, kunnen we tot onze eigen tevredenheid in verband brengen met de raadselachtige Russische ziel. Tot slot ontleent de Russische literatuur een deel van haar kracht aan de omvang van sommige van haar gecanoniseerde romans. Om De broers Karamazov of Oorlog en vrede te doorworstelen moet je gedurende talloze uren je sowieso al krappe zitje in de trein en misschien ook wel je bed delen met de overeenkomstige bebaarde auteur. De samen doorleefde tijd creëert onvermijdelijk een affectieve band.

De combinatie van het bovenstaande met de idiosyncratische talenten van de afzonderlijke Russische auteurs, maakt het risico reëel dat gedurende een zekere periode in je leven aan de Russische literatuur, en bij uitbreiding aan de Russische cultuur ten prooi valt. Wie deze problematiek herkent als de zijne, hoeft evenwel niet te wanhopen. Welwillende academici, voor de gelegenheid vermomd als travel writers, hebben namelijk een rijke zelfhulpliteratuur bijeengeschreven. In 2008 publiceerde Johan de Boose zijn ‘passieboek’ Het geluk van Rusland. Reis naar het eenzaamste volk op aarde. Ook Rachel Polonsky werd door literaire belangstelling naar Rusland gedreven. Zij kwam terug met het erudiete Molotovs toverlantaarn. Een reis door de Russische geschiedenis. Dit rijtje is nu aangevuld met De bezetenen. Avonturen met Russische literatuur en haar lezers van Elif Batuman.

Op haar blog (www.elifbatuman.net) ‒ zeker een bezoekje waard, al was het maar om de uitnodiging tot deelname aan de ‘Kafka porn contest’ [sic] ‒, vat Batuman zichzelf samen met de woorden ‘a relatively obscure writer’. Aan haar loopbaan mogen best wel wat meer woorden vuil gemaakt worden. Batuman werd in 1977 geboren in een Turks gezin in New York City en groeide op in New Jersey. Ze woont tegenwoordig in Twin Peaks bij San Francisco, en doceert aan de Stanford University, waar ze haar doctorstitel in de comparatieve literatuurwetenschap behaalde. Gebeten door een hardnekkige schrijfmicrobe, verzorgde ze journalistieke stukken over Isaak Babel, Russische ijspaleizen en thaiboksen voor prestigieuze bladen als New Yorker. Als veelbelovend vrouwelijk talent sleepte ze in 2007 de Rona Jaffe Foundation Writers’ Award in de wacht. Ze kondigde aan het prijzengeld te gebruiken om haar eerste boek te schrijven en te voltooien. Het zou een soort van verwrongen Bildungsroman worden ‘about learning from books ‒ about learning even, under the much-maligned auspices of the University’. Na de voltooiing werd de werktitel My Apprenticeship, die onwillekeurig doet denken aan slecht betaalde handenarbeid onder de auspiciën van een baas die het stukken beter weet, vervangen door het speelsere The Possessed. Adventures with Russian Books and the People Who Read Them. Daarnaast werd een bijna ridicule, laagdrempelige stripachtige omslagillustratie ontworpen (die is in het geval van de Nederlandse vertaling vervangen door een koekjesdooswaardige print van een in 1882 met olie op doek vereeuwigde Tolstoj). De Amerikaanse critici lieten de publicatie niet onopgemerkt voorbijgaan. Integendeel  wedijverden ze met elkaar in het bedenken van complimenten aan het adres van de Stanfordse academica. Dit heeft er toe bijgedragen dat de mogelijkheid hiertoe nu ook aan critici van ons taalgebied geboden wordt.

Bij wijze van inleiding vraagt Batuman zich hardop af hoe het kan ‘dat iemand die geen echte academische aspiraties koestert, uiteindelijk zeven jaar lang in een stad in Californië de vorm van de Russische roman bestudeert’. Hoewel de auteur het over niemand anders dan zichzelf heeft en te raden valt dat deze vraag zonder afdoend antwoord zal blijven, is de belangstelling van de lezer meteen geprikkeld. Dat heeft alles te maken met de manier waarop de auteur aan deze vraag vorm geeft. Ze ontspint namelijk een parallel tussen haar eigen situatie en die van het hoofdpersonage van De toverberg van Thomas Mann, die zijn neef een kort bezoek wilde brengen in een Zwitsers sanatorium en er op de ene of andere manier zeven jaar lang bleef rondhangen. In principe maakt zo’n vergelijking tussen realiteit en fictie deel uit van de retorische trukendozen die je aantreft in de uitverkoop van de literatuurwetenschap. Het is een beetje zoals bij een goochelshow: eenmaal je doorhebt waarop een illusie gebaseerd is, maakt verveelde droefheid zich van je meester. Voor Batuman gaat dit echter niet op. Ze bezit namelijk de zeldzame gave om haar retoriek de schijn te geven van eenvoud en ongekunsteldheid. Dure woorden zijn aan haar niet besteed. Haar beschrijvingen van fictieve en reële figuren komen authentiek over, zelfs als ze hyperbolisch of grotesk zijn ‒ wat eerder regel dan uitzondering is. In enkele pennenstreken wordt een personage tot leven gewekt en een glimlach op het gezicht van de lezer getoverd. Dit illustreert de passage waarin Batuman haar Russische vioolleraar opvoert: ‘Mijn docent, Maxim, droeg een zwarte coltrui, speelde op een oranjegekleurde viool met een warme toon en leek hevig gepreoccupeerd met menselijke beschouwingen en overwegingen die het normale menselijke begrip ver te boven gingen. Zo zei hij op een keer tegen het einde van een les dat hij tien minuten eerder moest stoppen, en besteedde vervolgens de volle tien minuten aan het ontvouwen van een logische maar omslachtige verklaring, die inhield dat hij mij niet tekortdeed.’ De toon van De bezetenen is gezet.

Na het lezen van de aantrekkelijk geschreven inleiding verklaart de lezer zich bereid om Batuman op haar avonturen te volgen voor de duur van het hele boek, hoewel hij nog altijd geen benul heeft waarover het precies zal gaan. Enigszins problematisch is dat dit achteraf beschouwd ook niet zo gemakkelijk te zeggen valt ‒ wat ook wel eigen is aan de gekozen genre, dat zich op het hectische kruispunt bevindt van reisliteratuur, autobiografie en gevulgariseerde literatuurwetenschap. Verschillende geografische ruimtes wisselen elkaar af: Californië, Moskou, Petersburg en de Oezbeekse stad Samarkand, waar de auteur respectievelijk deelneemt aan congressen, journalistiek bedrijft en een langdurig studieverblijf doorbrengt. De gemeenschappelijke noemer is de Russische literatuur. Niet de Russische literatuur in haar geheel, maar toevallig geselecteerde prozafragmenten en biografische feiten, zoals die door de auteur worden herinnerd, geïnterpreteerd, en in verband gebracht met haar eigen leven. De schrijvers die haar stokpaardjes uitmaken zijn geen onbekenden: Poesjkin, Dostojevski, Tolstoj, Tsjechov en Babel. Veel nieuwe feitelijkheden kom je over hen ook niet te weten. Tenzij je geloof hecht aan de door Batuman ontwikkelde hypothese dat Tolstoj geen natuurlijke dood is gestorven, maar die kans is, gezien haar eigen zelfrelativeringsvermogen, verwaarloosbaar klein.

De kijk van Batuman op de behandelde werken, waartoe onder meer Evgeni Onegin, Anna Karenina, De rode ruiterij en Oblomov behoren, is enigszins verfrissend. Diepgravende analyses zijn in De bezetenen echter dun bezaaid ‒ dat maakt de auteur in het slot goed door tezamen met René Girard op zoek te gaan naar de mimentische begeerte in Duivels. Het leerrijkst van al zijn de bladzijden die strikt genomen niets met de Russische literatuur te maken hebben. Zoals de uitleg over de verschillende alfabetten die het Oezbeeks in de Sovjettijd ten beurt vielen. Dat soort onderricht had De bezetenen gerust nog wat meer mogen bevatten. Maar goed, Batuman schept er duidelijk meer plezier in om met de lezer haar hyperindividuele indrukken, gedachten en dromen dan haar kennis te delen. Haar grote kracht ontleent ze aan haar speelse onverbloemdheid, die soms de vorm van onwelvoeglijke snedigheid aanneemt. De academische wereld komt er niet zonder kleerscheuren vanaf. Zo ontstaat de indruk dat onderzoeksprojecten worden geconcipieerd in functie van de snoepreisjes. Tal van academici worden met naam en toenaam genadeloos geportretteerd. Zo wordt de politicoloog Dan geschetst als ‘onbeschrijflijk gemiddeld, alsof hij een soort compositietekening was’ en de Oezbeekse conrector Safarof als ‘een personage wiens ijskastachtige bouw, rubberen gezicht en zware oogleden deden denken aan een antropomorf stuk huisraad uit een Disneyfilm’. Die beschrijvingen zijn ongetwijfeld bijzonder vermakelijk als je de mensen in kwestie kent, minstens in gelijke mate vervelend als je één van hen bent, maar toch iets minder belangwekkend voor wie noch het een noch het ander opgaat. Dat maakt dat je soms het gevoel hebt dat Batuman haar boek, hoewel onderhoudend voor een groot publiek, in de eerste plaats voor zichzelf en haar vrienden heeft geschreven.

[Recensie gepubliceerd in De Leeswolf, 2010, Nr. 8]

Batuman, Elif. De bezetenen. Amsterdam: Atlas. Vertaald door Henk Schreuder. 336 p. ISBN: 978-90-450-1678-8

Getagged

Jevgeni Zamjatin: Wij

Jevgeni Zamjatin (1884-1937) begon aan de twintigste eeuw zoals het een Rus van zijn tijd met gevoel voor fatsoen betaamde: als een enthousiaste revolutionair. Na de bolsjewistische staatsgreep bekleedde hij een dominante positie in het literaire landschap. Hij fungeerde onder meer als mentor van de vrijheidslievende Serapionbroeders. Voor fellowtravellers als hij, die zich tegen beter weten en hun eigen natuur in enthousiast probeerden te tonen over de richting waarin het Sovjetregime zich ontwikkelde, werd de situatie echter langzaamaan onhoudbaar. In het geval van Zamjatin brak de hetze los na de publicatie van Wij in een Tsjechisch tijdschrift in 1927 – begrijpelijk ook, aangezien daarin de leninistische idee dat een revolutie de allerlaatste kan zijn onderuit wordt gehaald. Na een vrijmoedige brief aan Stalin verkreeg hij het recht om naar het Westen te reizen – de wegen van de leider zijn ondoorgrondelijk, anderen werden voor minder getrakteerd op een nekschot. De rest van zijn leven is hij wijselijk in Parijs gebleven.

Wij is één van die boeken waarvan velen de titel kennen, maar dat weinigen gelezen hebben. Deze blinde vlek kan worden weggewerkt nu Atlas een ietwat gedateerde vertaling, als eerste druk verschenen in 1970, vanonder het stof heeft gehaald. In de literatuurgeschiedenis staat Wij geboekstaafd als uitermate belangrijk. Eerst en vooral omdat dit de allereerste anti-utopische roman zou zijn die ooit geschreven werd. Deze kwalificatie hangt echter af van de gehanteerde definitie van anti-utopie. Wij bouwt namelijk onmiskenbaar voort op Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse, waarin het utopisch-positivistische concept van het kristallen paleis zwaar onder vuur wordt genomen. Op zijn beurt heeft Zamjatins boek vrijwel zeker als inspiratiebron gediend voor Aldous Huxleys Brave new world – nog zo’n bekend boek dat vrijwel niemand uit eigen leeservaring kent – en voor George Orwells 1984 – het enige van dit rijtje dat op grote schaal gelezen is geworden.

Nu is originaliteit wel een verdienste waarmee je als auteur sinds de romantiek het hoogste respect krijgt, de lezer geniet hier enkel van als hij bij het lezen van boeken de historische chronologie respecteert. Wanneer je eerst 1984 en dan pas Wij leest, dan maakt het laatstgenoemde werk – hoe onrechtvaardig ook – alles behalve een vernieuwende indruk. Beide boeken hebben met elkaar gemeen dat ze een toekomstige totalitaire maatschappij schetsen waarin iedere uiting van individualiteit met harde hand van bovenaf bestreden wordt. De parallel gaat verder: in beide verhalen komt een mannelijke hoofdpersoon onder invloed van een vrouw waarop hij verliefd is in opstand tegen het regime, dat uiteindelijk toch het laatste woord heeft. Waar Winston op het einde van 1984 gehersenspoeld wordt, krijgt  de hoofdpersoon van Wij, D-503, een Grote Operatie, die zijn fantasie van hem afneemt – een enigszins flauwe wending, die geen recht doet aan het feit dat dictaturen precies bestaan bij gratie van het inbeeldingsvermogen van hun onderdanen, meer bepaald de inbeelding dat men het zo slecht nog niet heeft en dat de leider beter is dan een ander, of onafzetbaar.

Er zijn echter cruciale verschillen tussen Wij en 1984. Zo is het door Zamjatin in het leven geroepen regime een satirische uitbeelding van religie in het algemeen en van de katholieke kerk in het bijzonder – een maatschappijkritische dimensie die in 1984 ontbreekt. Ook bestaat Wij uit de aantekeningen die D-503 heeft bijgehouden, terwijl 1984 geschreven is vanuit het standpunt van een alwetende verteller. Dat maakt Zamjatin psychologisch interessanter, maar ook een stuk minder toegankelijk dan Orwell. De lezer moet namelijk niet alleen zelf de leegtes opvullen, hij staat ook voor de opdracht om de poëtisch-wiskundige taal van D-503 te decoderen en hem te volgen in zijn filosofische redeneringen. Bijvoorbeeld ontspint zich de volgende gedachtegang: ‘Is het soms niet duidelijk dat het besef van de eigen persoon niets anders is dan ziekte? Misschien ben ik wel geen fagocyt meer die kalm en nuchter microboden verslindt (met een azuurblauwe slaap en sproetige): misschien ben ik wel een microbe, en misschien zijn er al wel een duizendtal onder ons die evenzeer als ik doen alsof zij fagocyten zijn…’

Behalve om zijn originaliteit wordt Wij algemeen bewonderd omdat het een profetie zou bevatten die intussen is uitgekomen: het zou bij uitstek het totalitaire regime van Stalin hebben aangekondigd. Deze appreciatie is echter problematisch. Ten eerste was het, gezien de macht van de partij, geen grote kunst om te raden hoe de Sovjetmaatschappij zich zou ontwikkelen. Ten tweede had Stalin zich op zijn vijftigste verjaardag ook kunnen verslikken in een pirog, waardoor de geschiedenis een andere loop had kunnen nemen. Het is twijfelachtig of Wij dan post factum een stuk van zijn artistieke waarde zou hebben verloren. De eis van getrouwheid aan de realiteit (de echte of de geprojecteerde, de historische, de eigentijdse of de toekomstige) is precies wat de officiële Sovjetliteratuur zo dodelijk saai maakte. Terwijl het in literatuur niet gaat om wat is, maar om wat zou kunnen zijn als je van de realiteit abstractie maakt. Om het met de woorden van Zamjatin zelf te zeggen: ‘Echte literatuur kan enkel daar bestaan waar ze niet door uitvoererende en goedhartige ambtenaren gemaakt wordt, maar door gekken, afvalligen, ketters, dromers, opstandelingen en sceptici.’ Dat Wij hieraan voldoet, is voelbaar op iedere pagina.

[Recensie gepubliceerd in De leeswolf 2011, Nr. 4, p. 268]

Zamjatin, Jevgeni. Wij. Amsterdam: Atlas. Vertaald door Dick Peet. 187 p. ISBN: 978-90-450-1861-4

Getagged , ,