Maandelijks archief: oktober 2011

U mag alles over mij schrijven. Interviews met Karel van het Reve

Dit boekje bevat de weerslag van zestien interviews die een klein legertje gerenommeerde Nederlandse journalisten, waaronder Henk Terlingen, Bibeb en Ischa Meijer, tussen 1967 en 1999 afnam van Karel van het Reve. Het is niet belangwekkend.

Vrijwel alle ideeën die in de interviews aan bod komen had Van het Reve al eens uiteengezet in zijn essays – en dan nog stukken helderder en leuker. Een uitzondering op deze regel vormt de toelichting bij de werking van de Herzenstichting, een uitgeverij die tot doel had om Sovjetdissidenten uit de onbekendheid te halen. Ronduit vervelend is dat sommige echo’s uit Van het Reve’s publicaties binnen de geselecteerde interviews meermaals voorkomen. Zoals dat hij de laatste decennia van zijn leven enkel nog poep en gebakken spek kon ruiken.

De gestelde vragen zijn niet allemaal zinvol. Theodor Holman spant hierin de kroon. Hij lijkt wel op bezoek gekomen om zijn poëziealbum te vervolledigen. Van het Reve wordt gevraagd om zijn lievelingskwaliteit, zijn lievelingsbezigheid, zijn lievelingsland, zijn lievelingsschrijvers enzovoort te noemen. Ieder van die vragen wordt onthaald op een weerbarstig ‘ik weet het niet’. Nee, dan liever de vraaggesprekken, in deze bundel niet opgenomen, die Van het Reve met zichzelf voerde. Al was het maar omdat hij zichzelf als interviewer fouten in de mond legde die hij als geïnterviewde met gespeelde pedanterie verbeterde.

Ook wie niet op zoek is naar ideeën, maar dit boek ter hand neemt om meer te weten te komen over het privéleven van Nederlands meest geciteerde essayist, wordt karig bedeeld. Wel komen we te weten dat hij niet beschroomd was om een lezing te houden voor een tweeduizendkoppig publiek, maar wel om de ober te roepen, dat zijn gierigheid dermate legendarisch was dat een journalist zijn interview afsloot met de vraag of hij op subtiele wijze iets hoorde achter te laten voor het hem geoffreerde kopje koffie, dat hij weinig begrip kon opbrengen voor de homofilie van zijn broer, dat hij lid was van een vereniging voor euthanasie die hij ‘de  zelfmoordclub’ noemde, en dat hij op het einde van zijn leven ook geen poep meer, maar enkel nog gebakken spek kon ruiken. Wie dit net te weten is gekomen, mag aan U mag me alles vragen voorbijlopen als ware het een bedelaar met gouden schoenen: zonder geld aan uit te geven.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Karel van het Reve: Verzameld werk 6

Het zesde deel van het Verzameld werk van Karel van het Reve bevat naast ongebundeld werk van de jaren 1985-1994 de heterogene essaybundels ‘De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’, ‘Zie ook onder Mozes’, ‘De ondergang van het morgenland’ en ‘Waarom Russisch leren?’. Voor wie de eerste vijf delen al gelezen had, biedt het weinig verrassingen – wat niet negatief bedoeld is. Van het Reve’s meningen en stokpaardjes zijn grotendeels dezelfde gebleven. In zijn gekende sprankelende stijl ontmaskert hij een nieuwe resem opinions chic, bewondert hij de Russische literatuur en deelt hij pijnlijke sneren uit aan de volgelingen van Jezus, Marx en Freud.

Een geniale ontmaskering, waarover De Wever eens een stukje zou moeten schrijven, is bijvoorbeeld de vaststelling dat altruïstisch gedrag moreel hoogstaand bevonden wordt wanneer het een individu betreft, maar op algemene afkeuring kan rekenen wanneer het gesteld wordt namens een groep.

Nogal wat stof heeft Van het Reve doen opwaaien met het godslasterende essay ‘De slechtheid van het opperwezen’, waarin hij de onverzoenbaarheid van de Almachtigheid en de Goedheid van de god der christenen bewijst. De argumentatie overtuigt, maar is slechts op één punt origineel: hij merkt terecht op dat een mens die zich net als God zou laten welgevallen om in zijn gezicht geprezen te worden om zijn onmetelijke Groots- en Goedheid, door iedereen voor een grote schoft zou worden gehouden. Wel zondigt Van het Reve in dit essay tegen zijn eigen principe dat je bij het polemiseren met je tegenstanders hun argumenten eerder moet aansterken dan afzwakken: het godsbeeld dat hij bestrijdt is in hoge mate karikaturaal – het is namelijk dat van het Vaticaan.

Dit boek is vooral interessant omdat Van het Reve erin getuigt over de teloorgang van het Sovjetregime, dat al hij al sinds een halve eeuw gadesloeg. Eerst als tienjarig communistje, daarna als één van zijn fervendste tegenstanders. Dat debacle had zelfs hij niet zien aankomen, hoewel hij als één van de eersten doorhad dat er sinds Brezjnev in Rusland amper nog overtuigde communisten te vinden waren. Erop toekijkend wrijft hij zich, vreemd genoeg, niet triomfantelijk in de handen. Ten eerste omdat hij geen gelijk hoeft te krijgen om het te hebben: ook wanneer het Sovjetregime onwankelbaar zou voortbestaan, zou hij het verfoeilijk vinden en de bestrijding ervan noodzakelijk. Ten tweede omdat hij niet goed weet wat van Gorbi’s perestrojka te denken. Hij wijst op tal van contradicties, zoals dat McDonalds in Rusland wordt toegelaten, terwijl de aankoop van een aardbei met het oogmerk om die aardbei met winst te verkopen strafrechtelijk vervolgdbaar blijft.

Hoewel de pagina’s die dit boek uitmaken door Van het Reve op pensioengerechtigde leeftijd geschreven zijn, heb je niet de indruk dat zijn gedachten inboeten aan frisheid. Behalve misschien wanneer hij zich in 1988 afvraagt waarom Nederland geen nationalistische partij heeft zoals het Front National van Le Pen in Frankrijk. Teleurstellend genoeg beantwoordt hij deze vraag geheel clichématig, met de volksaard: het chauvinisme van de Fransen zou de Nederlanders vreemd zijn. Benieuwd wat Van het Reve dan gedacht zou hebben van het fenomeen Wilders.

Tot slot een eigenwijze gedachte: het is spijtig dat Van het Reve’s literaire vertalingen door Van Oorschot niet zijn opgenomen in dit Verzameld werk. Op de keper beschouwd vormen die toch een integraal deel van zijn literair nalatenschap, dat bovendien bekroond is. Dit is kenmerkend: de vertaler is de neger van de literatuur.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

‘Een onbekende, geheimzinnige kracht’ Vsevolod Garsjin: De beren

Wil een idee populair zijn, dan moet het in de eerste plaats aangenaam zijn, terwijl de juistheid er minder toe doet. Een aangenaam en populair, maar niet noodzakelijk juist idee is dat olie boven water drijft, dat de vreemde auteurs die bij ons het meest bekend zijn deze bekendheid ook het meest verdienen. Van een auteur uit het verleden die we niet bij naam kennen, zijn we geneigd te vermoeden dat hij niet zo geweldig veel voorstelt. Het besef dat literaire receptie − de selectie, vertaling, publicatie en kritiek van vreemde literatuur − haar laars lapt aan deze logica, is bij de consument niet diepgeworteld, om niet te zeggen dat het volledig ontbreekt. Men staat er nogal weinig bij stil dat groot talent dat in zijn eigen gemeenschap gevierd wordt niet noodzakelijk ook daarbuiten op enige erkenning mag rekenen. Toch is het zo. Bijvoorbeeld werd Dostojevski, heden wereldwijd gecanoniseerd, bij zijn leven buiten Rusland volstrekt oninteressant bevonden: van hem werd geen enkel werk in geen enkele taal vertaald − behoudens een Duitse versie van Herinneringen uit het dodenhuis, die de uitgever ondanks de beperkte oplage uiteindelijk van de hand moest doen als oud papier. De indruk ontstaat dat deze coryfee voor hetzelfde geld onbekend en onbemind was gebleven. Dat is een beetje het lot van de ongelukkige Russische schrijver Vsevolod Garsjin (1855-1888). Voor de Eerste Wereldoorlog was hij op onze boekenmarkt volledig afwezig. In het interbellum dook zijn naam op in slechts een paar boekpublicaties en vanaf de Tweede Wereldoorlog tot nu werd nog een paar bundels aan hem gewijd. Op grote schaal is hij bij ons nooit gelezen, terwijl de klassieke Russische literatuur toch behoorlijk geliefd is en hij daartoe een meer dan behoorlijke bijdrage heeft geleverd.

Waardoor literaire receptie dan wel wordt gestuurd, als het niet per se is door een zoektocht naar literaire kwaliteit, is voer voor literatuurwetenschappers. Beroepshalve geloven velen onder hen dat vertaalde literatuur een functionele rol speelt in de ontvangende gemeenschap, dat vreemde schrijvers vertaald, uitgegeven, gelezen en geprezen worden omdat ze door de betrokken vertalers, uitgevers, lezers en critici op de een of andere manier bruikbaar worden geacht. Zo hield de westerse doorbraak van de grote Russische romanciers in de laatste decennia van de negentiende eeuw duidelijk verband met de toenmalige wens van Franse en Duitse critici en lezers, die in woelige sociale tijden leefden, om humanistische ideeën in te lepelen respectievelijk ingelepeld te worden. Naast bruikbaarheid, die heel interessant is om te onderzoeken, speelt stom toeval, dat minder goed te onderzoeken valt, wellicht een niet minder grote rol.

Het is niet duidelijk of de onbekendheid van Garsjin, die in Rusland bij zijn leven grote faam genoot, in onze contreien te wijten is aan zijn relatieve ongeschiktheid tot annexatie − hij liep evenmin op met de revolutionairen als met de reactionairen van zijn tijd, mat zich geen profetenstatus aan en verzette zich met hand en tand tegen iedere ideologische interpretatie van zijn werken − dan wel aan onverklaarbare pech. Aan zijn biografie ligt het alleszins niet: deze is in haar autodestructiviteit spectaculair genoeg.

Vsevolod Garsjin werd geboren als telg van een adelijke familie waarvan de wortels teruggingen tot de Gouden Horde van Dzjengis Khan. Op vijfjarige leeftijd moest hij het stellen zonder moeder, omdat die haar veroordeelde minnaar was gevolgd naar de Noordelijke stad Petrozavodsk. Reeds in zijn kindertijd openbaarde zijn geestelijke toestand zich als zorgwekkend, maar dat nam niet weg dat al wie zijn pad kruiste hem prees om zijn intellect en nobel karakter. In 1877 was hij als student zo onder de indruk van de afgedwongen offers van zijn leeftijdsgenoten dat hij zich vrijwillig opgaf als kanonnenvoer in een veldtocht tegen de Turken. Eenmaal gewond, schreef hij op basis van zijn ervaringen als militair het kortverhaal Vier dagen, dat hem prompt een zekere morele en literaire autoriteit opleverde in eigen land. Het is een rauw document zonder heroïek over de zieligheid van een soldaat die zwaargewond op het slagveld is achtergebleven, bij het ontbindende lijk van de door hem gedode tegenstander. Door de ogen van die sukkelaar wordt de lezer een blik gegund op het ware gelaat van de oorlog: ‘Ja, hij ziet er vreselijk uit. Zijn haar is begonnen uit te vallen. Zijn donkere lichaamskleur is nu helemaal verbleekt, geel geworden. De huid van zijn opgezwollen gezicht is zo strak komen te staan dat hij achter één oor gesprongen is. Daar krioelen maden. Zijn voeten, vastgesnoed in korte laarzen, zijn zo dik geworden dat er enorme blaren zijn gekomen tussen de veterhaakjes. Zijn hele lichaam is opgebmazen, volumineus. Hoe zal de zon er vandaag op inwerken?’ Garsjin nam zijn gezondheidstoestand te baat om zich terug te trekken uit de oorlog, die hij eigenlijk nooit als rechtvaardig had beschouwd. Hij oefende verschillende jobs uit en bleef schrijven, vooral korte verhalen. Zijn productie was echter laag, want hij kampte met voorjaarsdepressiviteit, waarvan hij telkens pas in de herfst herstelde. Enkele malen werd hij opgenomen in een krankzinnigengesticht. Als jonge dertiger probeerde hij een einde aan zijn lijden te maken door zich van de derde verdieping van zijn huurkazerne te werpen. Dat was een halfslachtig succes: hij overleed pas enkele dagen later aan zijn verwondingen.

Zijn weinig opbeurende leven heeft er toe bijgedragen dat Garsjin in literatuurgeschiedenissen herinnerd wordt als een voorloper van het donkere Russische symbolisme, zoals dat beleden werd door Brjoesov, Blok, Sologoeb, Bely, Balmont, Gippius en Merzjkovski. Deze indeling is alleszins gerechtvaardigd in de zin dat hij de knoopjes afrukte van het keurslijf der realistische beschrijving en psychologische analyse, waarin de verbeeldingskracht van de Russische schrijver in de tweede helft van de negentiende eeuw verstrikt was geraakt.

Om zijn fantasie ongehinderd te kunnen botvieren beoefende Garsjin een ouderwets genre als de fabel. De bekendste voorbeelden zijn De bereisde kikker en Attalea princeps. De eerste fabel, die voorgelezen wordt aan Russische kinderen, gaat over een kikker die op het geniale idee komt om zich met zijn mond bengelend aan een takje door eenden naar het Zuiden te laten vervoeren, maar uiteindelijk naar beneden stort omdat ze haar mond niet kan houden over haar geniale idee. De laatstgenoemde fabel gaat over een exotische palmboom in een serre die uit protest tegen zijn gevangenschap letterlijk uit het dak groeit, en daarom omgezaagd wordt. Nog leuker, want absoluut gespeend van zedenlessen, is het absurde verhaal Er was eens. Daarin wordt filosofisch nagedacht door een ‘klein maar zeer gewichtig’ gezelschap, bestaande uit een slak, een mestkever, een hagedis, een rups, een mier, een krekel, enkele vliegen en een paard. Hun beleefde, maar levendige discussie wordt abrupt afgebroken wanneer een nietsvermoedende Anton toevallig met zijn enorme laars het gezelschap verplettert, waarbij slechts de vliegen en het paard ongedeerd blijven. De hagedis, die net het woord had genomen, behoudt zijn leven, maar verliest zijn staart. Naar eigen zeggen omdat hij ‘voor zijn overtuiging uitkwam’. Tijdgenoten van Garsjin lazen deze fabel als een socialistisch pamflet, maar de auteur verzekerde iedereen bij hoog en bij laag dat hij bij het beschrijven van pakweg die vlieg enkel maar had gedacht aan een vlieg, en dan nog aan ‘een heel gewone, met pootjes en vleugeltjes’.

De slechte afloop van Garsjins fabels vind je ook terug bij zijn realistisch aandoende verhalen. Daarin reserveerde hij een grote rol voor het onverklaarbare, dat bij hem de vorm aanneemt van zelfopoffering, obsessie en gekte. Zo is de hoofdpersoon van het autobiografisch geïnspireerde kortverhaal De rode bloem, de kroon van zijn nalatenschap, een geestesgestoorde in een psychiatrische kliniek. Die wil koste wat het kost de mensheid redden door enkele papaverbloemen, die volgens hem een kwaad incarneren, te vernietigen. De semi-afstandelijke stijl verhaal dwingt de lezer in een spagaathouding. Enerzijds beseft hij dat de patiënt lotje getikt is. Anderzijds hoopt hij vurig op een succesvolle uitvoering van de dwanggedachte, die evenwel niet geduid wordt. In ‘De kunstenaars’ worden twee kunstschilders tegen elkaar uitgespeeld. Eén ervan gaat op zoek naar de klassieke schoonheid en maakt grote carrière, de andere raakt geobsedeerd door de uitbeelding van sociale misstanden en komt naar het schijnt slecht terecht. Het sein gaat over een seinbediende, één van de ontelbare sukkelaartjes die de klassieke Russische literatuur rijk is, die de schuld op zich neemt wanneer een collega van hem uit protest tegen zijn bazen de sporen heeft gesaboteerd. Aandoenlijk is ook het titelverhaal, De beren, over zigeuners die door de Russische overheid verplicht worden om hun beren te doden. Het verhaal krijgt een nieuwe dimensie door een eindnoot van de vertaler. Die leert dat Garsjin volgens de getuigenis van een tijdgenoot schreef over het doodschieten van beren omdat de censuur hem verbood ‘om over het ophangen van mensen te schrijven’.

Hoewel Garsin heel wat personages opvoert die enkele treden hoger op de morele ladder staan dan wat je op een doordeweekse dag op straat of in de spiegel tegenkomt, is zijn mensbeeld veel donkerder dan in zijn tijd voor acceptabel werd gehouden. Terwijl de Russische intelligentsia het erover eens was dat het leven in Rusland geweldig veel beter kon worden en zich concentreerde op de vraag hoe die geweldige vooruitgang verwezenlijkt moest worden – door westerse waarden als constitutie en parlementaire democratie te implementeren dan wel door een spirituele zoektocht naar de Russische eigenheid – schreef Garsjin cultuurpessimistische zinnen als: ‘We werden voortgedreven door een onbekende, geheimzinnige kracht, de sterkste die de mensheid beheerst. Indien elk van ons voor zich had geleefd zou hij naar huis zijn teruggekeerd, maar als massa konden wij niet anders dan gaan, gehoorzamend niet aan de discipline die ons werd opgelegd, niet aan een zaak die wij als gerechtvaardigd beschouwden, niet aan motieven van haat jegens een vijand die we niet kenden, en niet aan de stem van de angst om te worden gestraft, maar aan de onbekende en onbewuste drijfveer waardoor de mens zich nog lang, heel lang van bloedbad naar bloedbad zal laten voeren – de voornaamste oorzaak van alle rampspoed en lijden’. Interessant aan het verhaal Uit de herinneringen van soldaat Ivanov, waaruit dit fragment is overgenomen, is dat de hoofdpersoon ondanks zijn inzicht in de volstrekte onzinnigheid van de oorlog, er al bij al toch enthousiast aan deelneemt.

Het is nog maar de vraag of de publicatie van De beren en andere verhalen Vsevolod Garsjin uit de onbekendheid zal halen waarin onze literatuurgeschiedenis hem geheel ten onrechte heeft ondergedompeld. Misschien maakt dat ook niet zoveel uit. In ieder geval komt Hans Boland, die de genoemde fabels en verhalen heeft geselecteerd, vertaald en toegelicht, de verdienste toe de lezer die in klassieke Russische literatuur geïnteresseerd is de kans te bieden om enkele uren aangenaam door te brengen. Zijn aanwezigheid is in dit boek dermate markant aanwezig, dat hij aanspraak maakt op althans een deel van het auteurschap ervan – het is dan ook logisch dat ook zijn naam op de voorflap prijkt: door zijn gedurfde vertaalkeuzes – hij is allergisch voor onnodig ouderwets taalgebruik – krijgen we bij het lezen van sommige passages de indruk tijdgenoten van Garsjin te zijn. Overigens heeft Boland dit boek ook voorzien van een toetje: een prachtige vertaling van het al even prachtige verhaal Zwakke zenuwen, over een student met al te romantische opvattingen over prostitutie, dat Tsjechov schreef ter nagedachtenis van Garsjin.

Vsevolod Garsjin, De beren en andere verhalen. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Vladimir Makanin: Asan

Als 23ste titel van de serie Oorlogsdomein, die geheel in het teken staat van één van de meest verwerpelijke, maar ook meest menselijke bezigheden, brengt uitgeverij De arbeiderspers Asan van de Russische schrijver Vladimir Makanin uit. Op het eerste gezicht is dit plezierig nieuws voor de liefhebbers van de Russische literatuur – Makanin is immers één van haar meest vooraanstaande nog levende coryfeeën, die bovendien bekend staat om zijn subtiele gevoel voor humor. Bij nader inzien valt er aan dit boek weinig plezier te beleven.

Asan heeft in Rusland behoorlijk wat stof doen opwaaien. Het boek behandelt wat de achillespees van de russofilie is (of toch tenminste zou moeten zijn): de oorlog in Tsjetsjenië. Het gaat niet over de veldslagen, maar over de mens in de oorlog. Eerder al schreef Makanin hierover het kortverhaal De gevangene van de Kaukasus, met een knipoog naar het gelijkaardige verhaal van Lev Tolstoj. Hierin wordt een Russische soldaat verliefd op een Tsjetsjeen, die hij uiteindelijk toch naar de andere wereld helpt. In Asan wordt het thema van de Tsjetsjeense oorlog vanuit een totaal ander perspectief benaderd. Het is de stream of consiousness van de egoïstische, maar niet antipathieke majoor Zjilin – een naamgenoot van het hoofdpersonage van het genoemde kortverhaal van Tolstoj, maar deze verwijzing wordt niet verder uitgewerkt. Hij verrijkt zich door brandstof te transporteren en te verkopen aan wie het kan betalen – of het nu federale troepen zijn of Tsjetsjenen. Hij begrijpt dat het in oorlog om niets draait, behalve om geld. Hij heeft zich goed weten aan te passen aan de wereld van ontvoeringen, verkrachtingen, afrekeningen, lijkenhandel, slavernij en verraad, maar slaagt er niet in zijn leven te behouden.

Nu is Makanin niet de enige schrijver in Rusland die niet in een grote boog rond het thema van de Tsjetjeense oorlog heenloopt, maar hij is wel de enige die er een werk over gepubliceerd krijgt en daarbij ook nog in de prijzen valt: in 2008 werd Asan bekroond met de prijs ‘Groot boek’. De lezende Russen reageerden verdeeld. Zoals te verwachten, waren er heel wat die de schrijver versleten voor nestbevuiler, omdat er in het boek geen enkele poging ondernomen wordt om de campagne te rechtvaardigen of op te smukken. Gelijkaardige reacties oogstte de vermoorde journaliste Anna Politkovskaja met haar veldonderzoek: een teleurstellend groot aantal Russen vond dat ze teveel mekkerde over wat misliep, in plaats van ook eens te kijken naar de verwezelijkingen van het regime.

Er waren er echter ook die Makanin met scherpere argumenten te lijf gingen. Een van de meest interessante aanvallen was afkomstig van Arkadi Babtsjenko, die zelf enkele sterke verhalen over Tsjetsjenië op zijn naam heeft staan – zoals het in het Nederlands vertaalde De kleur van de oorlog. Met  onverholen trots over zijn eigen militaire expertise verwijt hij Makanin, die aan de oorlog niet zelf heeft deelgenomen, dat het beschrevene niet strookt met wat werkelijk voorgevallen is. Het is een nogal flauw verwijt, dat Makanin terecht van de hand deed als misplaatst. Inderdaad voldoet geen enkel literair werk aan de eis van getrouwheid aan de historische realiteit. Het is de schrijver dan ook niet te doen om de vraag wat er precies gebeurd is, maar wel om de waarheid van de oorlog. Ook wat dat betreft was Babtsjenko echter ontevreden over Asan: de verdierlijking van de soldaten zou onvoldoende aan bod komen. Zo vindt hij het psychologisch onjuist dat het hoofdpersonage in staat blijft om schoonheid te appreciëren. Inderdaad blijft majoor Zjilin mens. Hij voelt zelfs medelijden met zijn troepen, al probeert hij deze gevoelens te onderdrukken: ‘Ik maakte net aanstalten om naar het veldje te gaan en mijn vrouw te bellen maar betrapte me erop dat ik niet aan mijn familie, niet aan ons dacht. Niet aan mijn dochtertje en mijn vrouw maar aan die schizoïde gabbers in Zimins onbetrouwbare colonne. Ik maakte me zorgen over hen. Ik besefte ineens tot mijn verbazing dat mijn hart ineenkromp. Asjemenou! Ik dacht net zoveel aan vreemden als aan mijn eigen familie. Dat mag niet, majoor, schold ik mezelf uit.’

Het is moeilijk te zeggen of het komt door de door Babtsjenko aangewezen zwakten, maar als literair werk is Asan niet overtuigend. De lezer moet zichzelf bijna met de zweep bedreigen om nog eens een paar hoofdstukjes te lezen. Terwijl ander proza van Makanin bekoort door prachtige beeldspraak, is dit boek geschreven in een soms stroeve stijl. Dat het zich zo moeilijk laat lezen komt wellicht ook deels doordat het beschreven universum één van de meest onaangename plekken op dit ondermaanse is. Daarbij zijn de eilandjes om uit te rusten van de lelijkheid in dit boek zeer schaars. Nochtans had Makanin van zijn Tolstoj kunnen leren dat wanneer je een ernstig boek over oorlog schrijft, je ten behoeve van de lezer zo nu en dan ook wat vrede moet aanreiken.

[Gepubliceerd in De leeswolf]