Vult Dostojevski een boekenkast? Interview met Klara

Omdat Dostojevski tweehonderd jaar geleden geboren werd, mocht ik daarnet, toen ik nog in mijn pyjama zat, de luisteraars van Klara voor zijn werk proberen te enthousiasmeren. Op de tijd die je nodig hebt om twee keer van je espresso te nippen.

Je kan het interview hier beluisteren.


2/12: Gesprek met Aleksandra Boltovskaja in Leuven

Op donderdag 2 december om 19u presenteert Aleksandra Boltovskaja op de Leuvense letterenfaculteit haar boek Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde en trouwde met een Belg, dat ik met veel plezier en gegniffel vertaalde uit het Russisch. We gaan over de Belgische sauzenslurpers in gesprek met elkaar, en met het publiek.

Bij wijze van voorprogramma schetst Daria Dvornikova, doctoraatstudente, een historische achtergrond rond de eerste Russische emigratie (in het Engels).

Toegang is gratis, inschrijving is verplicht, via deze link.

Allerhande besprekingen van het boek vind je hier.

Interview met literair vertaler Aai Prins

Gisterenavond mocht ik in gesprek treden met Aai Prins over haar vertalingen van klassieke en iets minder klassieke Russische literatuur. We hadden het over hervertalingen, duovertalingen, knuffel-Vlamingen, geboortebewijzen, en een tussen duim- en wijsvinger geknelde vinger, en ik stelde ook een woke vraag.

Dit interview werd georganiseerd door het Centrum voor Russische Studies in samenwerking met de Master Literair Vertalen van de KU Leuven. Je kan het hierboven (her)bekijken (de kwaliteit van het geluid overtreft die van het beeld, maar wie zich daaraan stoort is een kniesoor).

Aleksandra Boltovskaja op radio, tv en in ‘de boekskes’ over ‘Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde en trouwde met een Belg’

Het boek Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde en trouwde met een Belg van Aleksandra Boltovskaja, dat ik voor haar uit het Russisch vertaalde, heeft sinds het twee maanden geleden verscheen heel wat inkt doen vloeien en tongen losgemaakt (toegegeven: in de eerste plaats die van Aleksandra zelf). Om een beetje te kunnen meepraten, zal je je er dus toch vertrouwd mee moeten maken – er is geen ontkomen aan.

Hieronder vind je een overzicht van links naar kranten-, tv-, en radio-interviews, en recensies over het boek. Ik heb ze sterretjes gegeven, zodat je een juiste selectie kan maken (niet alles is even belangwekkend). Naar het schijnt verschijnen er later ook nog interviews in Dag Allemaal en Aktief.

Ik ben uitverkocht (zoete broodjes), maar je boekhandelaar of de uitgever heeft vast nog enkele exemplaren van het boek te koop.

Mijn cadeau voor vrouwendag: ‘De idioot’ van Aleksandra Boltovskaja

Om Internationale Vrouwendag te vieren schenk ik jullie, heel toepasselijk, mijn onderstaande vertaling van het non-fictie-verhaaltje van Aleksandra Boltovskaja ‘De idioot’. Het is een van de teksten die we graag gepubliceerd hadden gezien in haar boek Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde en trouwde met een Belg, dat een maand geleden verschenen is bij Borgerhoff & Lamberigts. De uitgever oordeelde daar echter anders over, en in deze hebben we het onderspit gedolven. Nochtans is het, wat mij betreft, een pareltje.

A propos: intussen zijn mijn honderd exemplaren van Sasja’s boek zo goed als allemaal de deur uit – waarvoor grote dank aan alle kapitaalkrachtige lezers. Ik verwijs andere geïnteresseerden dus graag door naar de webshop van de uitgever, of naar je boekhandel (het boek is op dit moment in voorraad in alle 140 Standaard-boekhandels in Vlaanderen). Hier kan je drie verhalen van Aleksandra Boltovskaja lezen bij wijze van voorproef, en hier licht ik een tipje van de sluier op over mijn voorwoord. Emmanuel Waegemans heeft een behoorlijk uitgebreide recensie over het boek geschreven, waarin hij ook aandacht besteedt aan het eerder zeldzame fenomeen ‘geautoriseerde vertaling’.

Dэ idiooТ

Plotsklaps werd ik teruggekatapulteerd naar een voorval dat lang geleden in mijn leven plaatsvond.

Ik ben vijfentwintig, hoogzwanger, en mijn Russische ex (waarmee ik op dat moment getrouwd ben) en ik nemen de bus, in het putje van de winter. We hebben een lange rit voor de boeg. Ik installeer me op een alleenstaand zitje en begin in mijn lievelingsboek te lezen: De idioot van Dostojevski. Boven mij toornt mijn ex uit, en tegenover mij zit een jonge man, met blauwe ogen. Hij draagt een chique berenmuts en slaat aandachtig de scène gade die zich tussen mijn ex en mij afspeelt: ‘Houd ermee op Dostojevski te lezen! Je bent al nerveus genoeg. Dostojevski is schadelijk voor de baby!’ ‘Laat los, ik wil lezen, Dostojevski is helemaal niet schadelijk!’ Mijn ex begint De idioot uit mijn handen te trekken. Plots staat de blauwogige man met de berenmuts recht, neemt hij de krullenkop van mijn ex-man vast en begint hij erin te brullen: ‘Geef haar Do-sto-jev-ski terug!’ Geschrokken laat mijn man het boek los, en zet hij de verdediging in. Na een tijdje staken ze hun worsteling, en beginnen ze een conversatie. Ik vang er flarden van op, zoals dat die jonge man op een gegeven moment tegen mijn man zegt: ‘Bied haar je verontschuldigingen aan, al was het maar pro forma.’

Zoveel jaren later voel ik nog altijd dankbaarheid tegenover die blauwogige nobele onbekende. En nog altijd vind ik het spijtig dat hij heel de weg lang praatte met mijn ex, en niet met mij.  

Bestel nu je exemplaar van Aleksandra Boltovskaja’s boek ‘Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde en trouwde met een Belg’

Minder dan een jaar geleden kreeg ik een mail waarin dit te lezen stond:

Вы меня, наверное, не помните. Мы вместе учились на курсах переводчиков в Брюсселе, лет 6-7 назад. Я - Александра, русский переводчик. Я сидела напротив. Курс был на тему "переводы шёпотом". А пишу я вам вот зачем. Дело в том, что последние несколько лет я пишу короткие заметки о жизни в Бельгии. Жизнь в Бельгии изнутри глазами эмигранта. Моя подруга Снежана, которая изучает литературу в КU Leuven, прочла мои заметки и считает, что их можно было бы издать. Для того чтобы местные жители услышали наш голос.

[Allicht herinnert u zich mij niet. We hebben samen een tolkcursus gevolgd, een jaar of zeven geleden. Ik ben Aleksandra, tolk Russisch. Ik zat tegenover u. Het was een cursus fluistertolken. Waarom ik u nu schrijf? Sinds enkele jaren schrijf ik korte aantekeningen over mijn leven in België. Over het leven in België door de ogen van een immigrant. Mijn vriendin Snezhana, die aan de KU Leuven letterkunde studeert, heeft mijn aantekeningen gelezen en vindt dat ze het waard zijn te worden uitgegeven, zodat de mensen hier onze stem kunnen horen.]

Vandaag stopte er een vrachtwagen voor mijn deur, om meer dan honderd exemplaren af te leveren van Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde en trouwde met een Belg, het door mij uit het Russisch vertaalde, tragikomische boek van Aleksandra Boltovskaja, over haar cultuurschok in België als Russische immigrante. Die zijn bij lange na niet allemaal voor mij bedoeld, maar vooral voor jullie.

Ik verkoop het boek voor € 22,50, inclusief verzendkosten binnen België (zelfs bol.com kan er niet tegen op). Wie graag een exemplaar wil, mag me een mailtje sturen (pieterboulogne@gmail.com), met vermelding van zijn of haar postadres.

Dit is de blurb (flaptekst) van het boek:

Een Russin over ons land

Als we aan de Russen denken, slaat onze fantasie op hol. We dichten ze een peilloos diepe ziel toe, aders gevuld met wodka en een aangeboren hang naar sterke leiders. Maar hoe kijken Russen eigenlijk naar ons? Dit boek geeft je alvast het sprankelende antwoord van één Russin, een vrouw die met kennis van zaken spreekt: Aleksandra Boltovskaja.

Aleksandra werd geboren in 1966 in Kaliningrad en groeide op nabij Leningrad. In de onzalige jaren negentig, na de implosie van de Sovjet-Unie, leerde ze via briefwisseling een Belgische landbouwer kennen, waarna ze verhuisde naar Limburg, om er met hem te trouwen. Over haar ervaringen als emigrante schreef ze dit tragikomische boek. Het kan gelezen worden als een liefdesverklaring aan haar gastland, België, en als een afrekening met haar moederland, Rusland, maar paradoxaal genoeg is ook het omgekeerde waar. Welkom in het land der sauzenslurpers!

ISBN 9789463933698. Uitgeverij: Borgerhoff & Lamberigts. Softcover. 22×15 cm. 197 pag. €22,99

Voorpublicaties verschenen eerder in de literaire tijdschriften Deus ex machina en Tijdschrift voor Slavische literatuur.

Een tipje over het voorwoord dat ik schreef (jawel, ik heb in Sasja’s boek ingebroken), licht ik hier op.

Met dank aan iedereen die op een of andere manier – door erin te geloven – heeft bijgedragen tot de totstandkoming van dit boek (Eva Parton, Ernest De Clerck, Annelies de hertogh, Sam De Graeve), en natuurlijk in het bijzonder aan de auteur, Sasja.

Pieter Boulogne

‘Ik heb gedood’

In 2003 heb ik een tijdje in Sint-Petersburg gewoond, als uitwisselingsstudent. Het was een fantastische tijd, maar sindsdien loop ik rond met een ei dat ik maar niet gelegd krijg. In 2006 heb ik het plan opgevat om over dat ei (zwart en gedrochtelijk) een stripverhaal te maken, maar ik ben niet verder geraakt dan deze pagina:

“Une occasion manquée se retrouve, tandis qu’on ne revient jamais d’une démarche précipitée,” schrijft Pierre Choderlos de Laclos (weliswaar in een ietwat andere context). Ik heb een nieuwe gelegenheid gevonden om mijn ei alsnog te leggen. Daarvoor heb ik wel moeten inbreken in het boek Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde en trouwde met een Belg van Aleksandra Boltovskaja, dat vandaag of morgen verschijnt.

Ik schreef er een lang voorwoord voor, waarin ik alles uit de doeken doe. Zoals Raskolnikov, de held van Dostojevski’s Misdaad en straf, nadat hij dat oude kreng en haar halfwijze zus Lizaveta met een bijl heeft afgemaakt, de aarde kust, neerbuigt voor de mensheid en zegt ‘ik heb gedood’.

PS: Je kan nu bij mij een exemplaar bestellen. Alle info vind je hier.

Het beeld van de Russische beer in het Westen en in Rusland (online-lezing)

Samen met mijn collega Luc van Doorslaer (University of Tartu, KU Leuven) hield ik gisteren voor het Centrum voor Russische Studies (KU Leuven) een online-lezing over het beeld van de Russische beer in het Westen en in Rusland. Wie er niet bij kon zijn, maar wel graag Russische beren ziet (vanaf een veilige afstand), kan hieronder de opname van de lezing bekijken. Met dank aan Anna Sashchenko, coordinator van het Centrum voor Russische Studies.

Deze lezing is gebaseerd op het hoofdstuk ‘Russian bears on the move, or how national images are transferred’ dat Luc van Doorslaer en ik geschreven hebben voor het recent verschenen boek Transfer Thinking in Translation Studies: Playing with the black box of cultural transfer. Hier is daarvan de abstract:

This chapter studies how animal images are socially constructed as representations of national or cultural identity, and how they function when they are transferred to other linguistic and cultural areas. While symbol and image attribution are essentially variable and changeable, they potentially carry a high degree of national and cultural image projection. The case study under investigation is that of the bear, which has been used as a symbol for several countries, regions and other collectivities. Whereas features such as wildness and strength often reappear, a bear can also be associated with softer characteristics such as kindness and friendliness. This chapter analyzes the different adaptations of the bear in relation to Russia. On the one hand, especially in the West, a negative hetero-image was/is used, mainly in a context of armed conflicts and geopolitical tensions, and on the other, in today’s Russia, positive auto-images are used, for instance in the logo of the political party United Russia. These diverging contextualizations and interpretations illustrate the flexibility of image attribution through cultural, geographical or temporal transfer.

Drie verhalen van Aleksandra Boltovskaja in Tijdschrift voor Slavische Literatuur

In het laatste nummer van Tijdschrift voor Slavische Literatuur, dat nu ongeveer ter perse gaat, staan drie nieuwe, door mij uit het Russisch vertaalde verhalen van Aleksandra Boltovskaja: ‘De muskusratbonten muts’, ‘Mijn moerastijd’ en ‘Tante Sjoera’. Daarin vertelt ze over het tv-programma Exotische liefde, haar moerassige jeugd in een Sovjetgat bij Leningrad en een kordate buurvrouw aan wie ze als kind plechtig beloofde nooit te zullen trouwen.

Je krijgt ze binnenkort in je brievenbus, als je tenminste geabonneerd bent op Tijdschrift voor Slavische Literatuur. Als dat niet het geval is, kan je ook gewoon bij mij het boek van Aleksandra Boltovskaja kopen, binnen een dikke maand (ofzo). Ik kom er vermoedelijk nog wel eens op terug (heb honderd exemplaren te slijten).

Voorproefje?

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is tsl85.jpg
Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is cover.-aleksandra-boltovskaja.png

Voorproefje van Aleksandra Boltovskaja’s boek ‘Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde (en trouwde met een Belg)’

In het voorjaar van 2021 brengt uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts een boek uit met aantekeningen van Aleksandra Boltovskaja over haar leven in België als Russische emigrante. Ik vertaalde het uit het Russisch.

Bij wijze van voorproefje vind je hieronder de blurb (flaptekst) en drie verhalen, die eerder gepubliceerd werden in het literaire tijdschrift Deus Ex Machina.

De blurb

Als we aan de Russen denken, slaat onze fantasie op hol. We dichten ze een peilloos diepe ziel toe, aders gevuld met wodka en een aangeboren hang naar sterke leiders. Maar hoe kijken Russen eigenlijk naar ons? Dit boek geeft je alvast het sprankelende antwoord van één Russin, een vrouw die met kennis van zaken spreekt: Aleksandra Boltovskaja.

Aleksandra werd geboren in 1966 in Kaliningrad en groeide op nabij Leningrad. In de onzalige jaren negentig, na de implosie van de Sovjetunie, leerde ze via briefwisseling een Belgische landbouwer kennen, waarna ze verhuisde naar Limburg, om er met hem te trouwen. Over haar ervaringen als emigrante schreef ze dit tragikomische boek. Het kan gelezen worden als een liefdesverklaring aan haar gastland, België, en als een afrekening met haar moederland, Rusland, maar paradoxaal genoeg is ook het omgekeerde waar. Welkom in het land der sauzenslurpers!

Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde

Mijn ouders zijn gescheiden toen ik amper drie jaar oud was. Mijn vader wilde helemaal niet scheiden. Hij achtervolgde mijn mama tot in Kaliningrad, waar ze naartoe verhuisd was, en gedurende een aantal jaar leefde hij in hetzelfde appartement als wij, als buurman, achter een wandje. Ik weet nog dat ik met mijn vader erg te doen had. ’s Morgens sloop ik zijn kamer binnen, en fluisterden we elkaar geheimpjes toe. Ik weet nog dat mijn moeder in die halfduistere kamer een gesprek met mijn vader voerde, terwijl op de radio mistroostige cellomuziek speelde. Er rolde een traan over vaders wang. ‘Je bent dus in staat iemand kapot te maken?’ ‘Kennelijk wel,’ antwoordde mijn moeder zonder scrupules. ‘Waarom huil je?’ vroeg ik. ‘Maakt die muziek je soms verdrietig?’ ‘Ja, het komt door die muziek.’ Daarna ging hij weg. Mijn vader missen vrat aan mij. Ik verweet mezelf dat ik niet genoeg van hem gehouden had toen ik hem nog binnen handbereik had, achter dat wandje.

Mijn hele jeugd lang weerklonk het refrein van mama’s lievelingslied: ‘Het huwelijk is een weerzinwekkend instituut!’ Toen ik twintig werd, voegde ze er een thema aan toe: ‘De essentie is dat je een kind maakt, en dan bedankt en de groeten! Aan mannen heb je hoe dan ook geen enkele hulp.’ Mijn moeder is arts, ze is goedhartig en ontwikkeld, leeft mee met zieke mensen en straathonden, maar tussen haar en het huwelijk heeft het nooit geboterd.   

Toen ik wat ouder werd, las ik bij Margaret Mitchell dat iedere moeder bewust of onbewust het verlangen koestert dat haar dochter in haar voetsporen zou treden. Dat is precies wat ik heb gedaan.

Mijn eerste huwelijk was vanaf dag één ten dode opgeschreven, maar hoewel ik de tragische afloop voorvoelde, liep ik in rechte lijn mijn ongeluk tegemoet, net een auto met kapotte remmen. Niet alleen pasten we noch uiterlijk, noch innerlijk bij elkaar, ook werden we al van het prille begin geteisterd door allerhande tegenslagen. Mijn man en ik raakten op hetzelfde ogenblik onze baan kwijt. Meteen daarna raakte ik zwanger, terwijl de onzalige jaren negentig al om de hoek piepten. En toen kreeg ik het boek Je kunt je leven helen van Louise Hay in handen. Ik onthield er maar één zinnetje van, maar het zette mijn voorgeprogrammeerde brein helemaal op zijn kop. Hier heb je het: ‘Als je ontevreden bent met je leven of jezelf, stel je dan iets voor waarmee je wel tevreden kunt zijn, wens het uit alle macht, richt je wens tot de ruimte, en de krachten van het heelal komen je te hulp gesneld!’ Dat was nog niet alles. Je moest ook actie ondernemen, niet enkel maar dromen, en uitzinnig blij zijn dat je wensen spoedig gingen uitkomen.  

Toen heb ik zo hard ik maar kon iets gewenst. Mijn wens was eenvoudig: ik wilde het door mijn moeder uitgedokterde plan saboteren, door een gezin te stichten. Ik wilde iemand tegenkomen die ik niet als een zoontje zou moeten bemoederen, maar een man, een vriend, misschien zelfs de vader die ik heel mijn leven lang zo heb gemist. Ik stelde mij hem voor, riep hem aan, en soms geloofde ik dat in mijn brievenbus al een brief van hem op mij lag te wachten. Al die tijd bleef mijn ex in de aangrenzende kamer wonen, precies zoals mijn eigen vader lang daarvoren had gedaan. Ik voelde me rustig en evenwichtig. Ik verspreidde zelfs het gerucht dat ik al iemand was tegengekomen. Zo verkondigde ik het ook tegenover mijn ex: ‘Ik ben al iemand tegengekomen.’ Diezelfde dag ontving ik een brief van mijn vader. Ik herinner me als de dag van gisteren hoe mijn ex die brief uit de bus haalde en hem rennend in een vlaag van jaloezie openscheurde, terwijl ik hem op de trap achterna naliep.  

De rest ging vanzelf. Op een bepaald ogenblik begon de Sint-Peterburgse krant Soroka een rubriek met advertenties voor PenPals, terwijl ik maar al te graag met iemand in het Engels wilde corresponderen. Ik had altijd al graag brieven geschreven, en was net beginnen bijverdienen met het geven van Engelse les. Een pennenvriend kon ik wel gebruiken! Eerst correspondeerde ik met een Noor, daarna besloot ik om zelf een advertentie te plaatsen. Al snel werd ik bedolven onder brieven uit alle hoeken van de wereld! De briefschrijvers waren allemaal mannen. Tot de eerste zwerm zwaluwen behoorde de brief van een man die ik bij mezelf ‘the Belgian farmer’ doopte. De brief was kort en kundig geschreven. Zijn tweede brief bevatte een zelfgemaakte prentkaart met gedroogde kersenbloesems die hij op rood karton had geplakt, en een fotootje – zodra ik er een blik op wierp, begreep ik dat dit mijn toekomstige man was.

Tijdens mijn adolescentie was ik er in mijn naïviteit vanuit gegaan dat ik alleen maar zou kunnen trouwen met iemand die van Dostojevski, Mozart en nog een hoop andere dingen hield. Op mijn twintigste had ik mijn lijstje nog aangevuld met de rockmuzikant Boris Grebensjtsjikov. En daar stond ik dan met een Belgische landbouwer.  

Een gewone man, zonder pathologische kenmerken. Dit was geen kalverliefde, maar de doordachte beslissing van een volwassen vrouw, die moe was. Zoals een paard moe wordt dat als veulen al wordt geslagen en opgeladen, en daarbij te horen krijgt: ‘Kijk eens om je heen! We lopen allemaal in het gareel. We zijn allemaal knollen die met zakken aardappels over een modderpaadje lopen te zeulen. Je raakt het wel gewend. Het hoort nu eenmaal bij het leven.’    

De trap

‘Op reis ga je ofwel voordat je kinderen krijgt, ofwel erna,’ zei mijn man. ‘Zie je trouwens niet dat ik mijn handen vol heb met ons Huis? Als het allemaal af is en de kinderen groot zijn, dan gaan we op reis.’

Ik knikte en keek aandachtig om mij heen. Ons Huis was groot, onaf, met de droevige charme van de oude tijd, die me altijd al aangetrokken had, al sinds ik een klein kindje was, boekjes van Dickens las – oude uitgaven, met prentjes erin. Die schoorstenen met hun eiken mantels, waarop oude schoorsteenklokken toornden, hun slagen, die zoldering van eiken balken, verdonkerd door de tijd… Driehonderd jaar geleden was dit Huis een klooster geweest, en daarna had het onderdak geboden aan een burgemeester. Joost mag weten welke drama’s zich binnen deze muren hebben afgespeeld, welke smeekbeden deze gewelven en deze ruwe muren zich nog herinneren. De muren zijn dan wel vervangen, alles is afgebroken en baksteen per baksteen opnieuw opgebouwd, maar de energie is gebleven. 

Op twee en een half uur rijden had je Parijs, Berlijn en Wenen. Iets verder lagen Londen, Venetië, Rome en Milaan, Madrid en Barcelona. Ze loerden min of meer om de hoek, die aanlokkelijke steden die ik vroeger enkel was tegengekomen in boeken en die ik zo hartstochtelijk graag wilde bezoeken.  

Nu leefde ik zelf in het hartje van Europa, in het glanzende Koninkrijk België. Dat piepkleine landje lag daar op een zilveren schoteltje met zijn neus in de boter tussen Parijs en Berlijn.

Maar mijn man kon het allemaal worst wezen! Omdat hij hier geboren was, was hij het allemaal gewoon en wond hij zich er niet over op. En ik die had gedacht dat hij me meteen na ons trouwfeest Parijs zou laten zien, of toch op zijn minst enkele Belgische steden. Ik had hem toch ook mijn stad laten zien, toen we nog verloofd waren! Maar dat deed er niet toe. Mijn man had genoeg aan ons Huis, zijn ‘hoogstpersoonlijke koninkrijkje’. Zoals hij voor ons huwelijksfeest ’s weekends met zijn kruiwagen in de weer was geweest om bakstenen te verslepen, zo ging hij ook daarna verder. Net Knor uit het sprookje De drie biggetjes. Met dat verschil dat huizen in sprookjes snel af raken. Terwijl onze verbouwingen maar bleven voortduren, ze strekten zich uit over een heel mensenleven.  

Jawel, ook ik begon te helpen bij de verbouwingen. Zo lang het me lukte, want ik raakte al snel zwanger. Daarna kregen we kinderen, en de bouw ging verder in een slakkengang. Beetje bij beetje kreeg ik aan dat Huis van ons een bloedhekel. Ik kreeg het gevoel uit alle hoeken en gaten aangestaard te worden door schimmen uit het verleden: hardvochtige nonnen, moeder-oversten, de burgemeester en zijn eerbare echtgenote, die me over van alles en nog wat verwijten maakten, over mijn kinderachtigheid, mijn gebrek aan kracht, mijn ochtendmisselijkheid en -tranen.

Ik moest en zou me van die muren losrukken. Er tussenuit knijpen. Om de een of andere reden dacht ik toen dat andere stellen de ene reis na de andere maakten! Ik snakte naar adem in dat Huis.

Toen herinnerde ik me dat ik vroeger ook zo gestemd was geweest, toen ik thuis, in Rusland leefde, onder een dak met mijn moeder. ‘Ik voel me hier gevangen,’ zo beklaagde ik me tegenover mijn man. ‘Je zit niet hier gevangen, maar in jezelf,’ antwoordde hij. ‘Heb geduld, zodra het huis af is, gaan we op reis.’

Maar ons Huis was allesverslindend: het slokte cement op, zand, bakstenen, platen en panelen, dakpannen, parket, nieuwe ramen, een trap naar de bovenverdieping, terrastegels,… Mijn man bouwde alles met hoogwaardige materialen: ieder stukje schrijnwerk vroeg om eik, alle beglazing moest dubbel, en op de grond kon niets anders komen te liggen dan parket met vloerverwarming.      

Er verstreken jaren waarin de verbouwingen aan ons Huis zo traag vorderden dat het voor mij glashelder werd dat een mensenleven zich sneller voltooit. ‘Is dat soms wat ik wilde?’ vroeg ik me af. ‘Dat het leven voorbij gaat als een droom, en ik hier verslijt zonder iets te hebben gezien of gekend?’

Toen begon ik zelf een leven te leiden, zonder het einde van de werf af te wachten. Ik vond een baan waarvoor ik op verschillende plekken kwam en mensen ontmoette, ik vond bezigheden die me voldoening gaven, en ’s avonds keerde ik tevreden terug naar ons Huis, dat mij niet langer vijandig gezind was, maar een levend thuis werd.

Toen ten lange leste de eiken trap naar de bovenverdieping geleverd en geplaatst was, met zijn ronde balusters en gekrulde leuning, ging ik erbij staan. Ik streelde zachtjes de leuning en fluisterde ons Huis toe: ‘Ben je nu blij, oudje? Ook ik heb een eigen trap, in mijn hoofd. Onzichtbaar voor het oog, maar hij is er wel. Ik klim erop met dezelfde opstandigheid als de fantast Baron von Münchhausen op zijn kanonskogel in de Sovjetfilm The Very Same Munchhausen, wanneer hij naar de maan vliegt om te bewijzen dat hij wel degelijk Münchhausen is: ‘Glimlach toch, dames en heren, glimlach! Jullie zijn veel te ernstig! Het is met zulke ernstige gezichten dat we op Aarde al onze stommiteiten begaan.’  

De kunst van het overleven

Wie kinderen heeft, denkt dat er na de dood van een kind onmogelijk nog kan worden geleefd. Zo denkt wie zelf geen kind verloren heeft. Want zoiets kan niemand zich voorstellen. Dat is het verschrikkelijkste, ondragelijkste, afschuwelijkste wat je als ouder maar kan meemaken. Als zoiets gebeurt, dan wordt het stil. De verweesde ouder kan alleen maar overleven. Overleven, maar niet leven.

Welnu, beste lezers, jullie hebben het mis. Ook na zo’n rampspoed is er leven. Dat zeg ik jullie als moeder die een dochter verloren heeft. Begraven heeft. Hoewel ik op dat moment, wanneer ik haar zo koud zag liggen, met gekruiste armen, met voor altijd gesloten ogen, niet kon geloven dat dit mij overkwam, ik weigerde te geloven dat dit een feit, werkelijkheid was.         

Ik zei mezelf: nee, dit klopt niet, dit is niet zij. Dit is niet mijn Emilia. Dit is een leeg omhulsel, haar ziel is weggevlogen, die heeft wat anders te doen. En wat ik moet doen, dat is mij herpakken en verder gaan met het leven. Niet overleven, maar leven. Horen jullie dat? Leven!!! Al is het dan verweesd. Al is het dan van haar gescheiden. Maar wel leven. En zelfs redenen vinden om blij te zijn. In de wetenschap dat al onze scheidingen van korte duur zijn. Dat er een moment komt waarop alle dierbaren en geliefden elkaar opnieuw zullen ontmoeten, herkennen, samen zijn. Maar voorlopig moeten wij moedig onze taak des levens uitvoeren, niet eeuwig treuren. 

 
Op de dag van de begrafenis bekeek ik het hele gebeuren als vanop een zijlijn. Daar stonden ze dan, mijn aangetrouwde familieleden: mijn schoonmoeder Yvette, mijn schoonbroer, net Van Eyck, met zijn vrouw en drie zonen, mijn schoonzus Arlette en haar man Adolf, militair op rust. Een grote familie: verre tantes en ooms, die ik van haar nog pluim kende, maar met een onderling vriendschappelijke omgang, hoopten daar aan de linkerzijde van de tafel bijeen. Mij kwam niemand iets zeggen, ik zat in de rechterhoek, omringd door mijn Russische vriendinnen. Deze rampspoed trof hun familie, en ik was niemand, een aangetrouwde Russische, een fokkoe. Zoals ik twintig jaar geleden, toen ik met hun zoon, broer of neef trouwde niemand was, zo ben ik ook vandaag niemand. In die kudde Vlamingen ben ik een vreemde eend in de bijt gebleven. Als ik dat niet vanop afstand bekeken had, alsof dit niet toen, dan en met mij gebeurde, dan zou het me erg hebben gekwetst. Misschien zou mijn hart ervan hebben gebloed.       

Maar ik weet dat het de gewone gang van zaken is, dit heeft niets met mij te maken. En als het toch met mij te maken heeft, dan nog heb ik dit pad zelf gekozen. Dan had mijn ziel die wrange ervaring, die pijn, die beproevingen nodig. Ik weet: niets gebeurt zomaar, toevallig, god zendt ons zo veel beproevingen als onze zielen kunnen uithouden. Niet meer en niet minder.

Het is februari, in onze streek de meest winderige maand. Stormen en rukwinden volgen elkaar in ijltempo op. Ze zijn met velen en zijn zo sterk dat ze zelfs namen hebben gekregen. Twee weken geleden tierde de storm Chiara, gisteren Dennis, en volgend weekend is het de beurt aan Ellen – net afleveringen van een televisieserie. Op het huis, als op een schip in volle zee, beuken natuurkrachten in. De regen striemt en de wind huilt in de ramen, als een wild dier, velt bomen, breekt waslijnpalen, verbrijzelt vensterglas. Enorme bomen met zware stammen worden met wortel en al uitgerukt, en enkel tegen de aarde aangedrukte zwakke sprietjes halen het. Het lijkt wel alsof de aarde zelf op het punt staat open te scheuren en onder onze voeten weg te zinken. ‘Het leven dat daarnet nog naar rechts slingerde, slingert nu naar links’.

Ik ben een zwak sprietje, ik zal volhouden. Als ik in de herfst verdor en ’s winters afsterf, weet dan: in het voorjaar steekt mijn ziel opnieuw de kop op!    

PS: Je kunt nu bij mij een exemplaar bestellen. Alle info vind je hier.

Verhalen van Aleksandra Boltovskaja in Deus Ex Machina

Het julinummer van Deus Ex Machina

Aleksandra Boltovskaja verhuisde in 1996 uit Sint-Petersburg naar een dorp in Limburg. Ze houdt aantekeningen bij over haar leven als immigrant in België.

Haar verhalen, tragikomische non-fictie, kunnen worden gelezen als een afrekening met Rusland en een liefdesverklaring aan België, of Vlaanderen, maar ook het omgekeerde is waar. De lezer weze gewaarschuwd: ze vormen een spiegel waarin we naar hartenlust onze eigen smoelen kunnen bewonderen.

Met een beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat Boltovskaja Günter Wallraff is, die zich in de jaren tachtig de fictieve identiteit van een Turkse gastarbeider aanmat en Ik (Ali) schreef. Alleen hoeft ze als rosharige Russin geen zwarte pruik op te zetten en donkere lenzen te dragen om ons iets te verduidelijken over onze samenleving. Het volstaat ruimschoots dat ze zichzelf is.

Voor het julinummer van Deus Ex Machina vertaalde ik drie verhalen van Sasja. Later meer nieuws over veel meer verhalen.

Het literair tijdschrift Deus Ex Machina is te koop in de betere boekhandel, of online te bestellen.

PS: Je kunt nu bij mij een exemplaar van Aleksandra Boltovskaja’s boek bestellen. Alle info vind je hier.

Naar Jesenin

Salut, mijn lieve vriend, salut.

Ik bewaar je in mijn ziel.

Altijd stond afscheid op het menu,

als belofte van ons weerzien.

Zonder hand of woord, salut.

Geen Egidius, waer bestu bleven.

Sterven is op aard heel déjà vu,

maar dat geldt ook voor leven.

Lotte Loncin recenseert Kirill Medvedevs dichtbundel Biopolitiek voor Poëziekrant

Volgens de Russen zit niemand te wachten op de sneeuw van vorig jaar. Volgens mijn vader is er niets zo oud als de krant van gisteren. Een recensie van een dichtbundel lijkt me daarentegen prima bestand tegen de tand des tijds. Gisteren stootte ik op de onderstaande recensie van Kirill Medvedevs Biopolitiek (Leesmagazijn, 2017), geschreven door Lotte Loncin voor het nummer van Poëziekrant van mei 2018.

imag4037imag4038

 

CETRA Chair Professor of 2020: Brian James Baer

baerNow that the 31st edition of our Research Summer School in Translation Studies lays behind us, it is our pleasure to announce that the Board of CETRA – Centre for Translation Studies at KU Leuven has chosen the next CETRA Chair Professor:

Brian James Baer, Professor of Russian and Translation Studies at Kent State University and Leading Research Fellow at National Research University Higher School of Economics in Moscow, will be the CETRA Chair Professor of our 2020 Research Summer School in Translation Studies. The Summer School will take place at our Leuven campus from 17 until 28 August 2020.  A detailed provisional program and information about the application procedure (two rounds) will be made available in due time on the official web page of CETRA and on our blog.

Brian James Baer is the author of the monographs Other Russias: Homosexuality and the Crisis of Post-Soviet Identity (2009), winner of an ALA Choice Award, Translation and the Making of Modern Russian Literature (2016), and Queer Theory and Translation Studies: Language, Politics, Desire (forthcoming). He is founding editor of the journal Translation and Interpreting Studies (TIS) and co-editor, with Michelle Woods of the book series Literatures, Cultures, Translation (Bloomsbury). He has also edited a number of collected volumes, such as Contexts, Subtexts and Pretexts: Literary Translation in Eastern Europe and Russia (2011), Russian Writers on Translation. An Anthology, with Natalia Olshanskaya (2013), and Researching Translation and Interpreting, with Claudia Angelelli (2015). He is also the translator of Juri Lotman’s final book-length work, The Unpredictable Workings of Culture (2013), and of a forthcoming collection of essays by Lotman on cultural memory. He is currently working on an annotated translation of Andrei Fedorov’s 1953 Introduction to Translation Theory, for which he won the 2014 EST Translation Prize.

Baer is the current president of the American Translation and Interpreting Studies Association (ATISA), president of the Midwest Slavic Association, and a member of the advisory board of the Shanghai Jiao Tong Mona Baker Centre for Translation and Intercultural Studies.

‘in mijn eierstok leeft een monster’ en andere voor Poetry International vertaalde gedichten van Galina Rymboe

62595221_10217264639721289_3826711634764627968_n

Galina Rymboe te gast op het Rotterdam Poetry International Festival 2019

Wie er, zoals ikzelf, tijdens het afgelopen Poetry International Festival te Rotterdam niet bij kon zijn om Galina Rymboe aan het werk te zien, kan hieronder de vertalingen lezen die ik op vraag van de organisatie uit het Russisch maakte (met dank aan Ann Catteeuw voor haar kritische blik).

Het gaat om de gedichten ‘Mijn vader ligt te slapen op de grond’, ‘In mijn eierstok leeft een monster’ en ‘Het boek van de teloorgang (fragment)’, die niet opgenomen waren in de bundel tijd van de aarde (Perdu, 2019). De originele teksten zijn beschikbaar op de festivalwebsite


IN MIJN EIERSTOK LEEFT EEN MONSTER

in mijn eierstok leeft een monster; complex gemaakt,
maar van mijn bloedeigen embryonale weefsels;
’s nachts laat het van zich horen,
ik word wakker en wil mezelf iets aandoen.
als vast stond dat dood kan worden gestreden,
zou mijn tweelingbroertje of -zusje, gegroeid in een klein orgaan,
vrij zijn –
in de aarde of in de organische stoffen van as . . .
ik geloof dat we enkel wanneer we weg zijn
stenen kunnen liefkozen en onze blik op bomen kunnen laten rusten,
de tijd zwijgt, afgekeerd in zichzelf
en achter het vensterglas gaat de Ruimtevaartlaan tekeer,
dronkaards uitspuwend op slijkpaadjes. ik droom
dat mijn boezem rot en dat ik dan toch vrouw geworden ben . . .
en dat alle dieren van de wereld zich door mij laten strelen.

voor het slapengaan scheen mijn zoon me op mijn buik met het lampje van mijn mobieltje.
hij gelooft dat we een raket kunnen bouwen om naar de ruimte te vliegen,
en ik krijg hem maar niet uitgelegd dat de ruimte er is voor een select clubje,
en zelfs niet nu, maar als toekomstperspectief.

dat de ruimtehuizen die hier op aarde al gebouwd worden
en de robottentoonstellingen waar hij zo dol op is
en de complexe gadgets die voor nieuwe dichters machinale poëzie produceren
gemaakt worden voor een select clubje, in naam van een select clubje,
al geen mensen meer, geen materie, maar een troebele zwerm systemen
die onze milieus als gezwellen overwoekeren.

dat er mensen zijn die geen documenten kunnen krijgen,
dat er mensen zijn die nergens heen kunnen reizen,
ze liggen als zieke monsters, in dichte kuilen gemaakt van werk en honger
hun taal is schraal

dat opeenstapelingen van regeringen als afvalbergen zijn op onze Aarde,
dat er nog wat anders bestaat dan in kamers geperste tijd,
dat lichamen nog wat anders bevatten dan woorden en gedachten . . .


MIJN VADER LIGT TE SLAPEN OP DE GROND

mijn vader ligt te slapen op de grond en wij zitten te wachten
op zijn salaris, als op een wonder, als op de Messias, als kleine kinderen,
als op het einde van de wereld,
het moment waarop we allen samen zullen vreten tot we barsten en sterven
en het aureool van de wereld aanschouwen buiten de tijd – zo zitten we te wachten,
avond na avond onze blikken persend door het enige venster in onze enige kamer, bedekt met een grijze folie tegen de zomerzon;

mijn vader ligt te slapen op de grond
in de keuken, terwijl mijn moeder, mijn zoon en ik in de kamer liggen en het is alsof we synchroon ademhalen en elkaar horen als we ’s nachts wakker worden;
in warmtekrachtcentrale TETS-5 gaan ze opnieuw door de schoorstenen
en weerklinkt hun gebulder,
en bij momenten ook het gebrul van de dikste schoorsteen
het verspreidt zich over onze wijk – alsof het uit de hemel gesprongen komt
en over onze rotte aarde raast, als een boze geest. en augustus
jaagt zijn blauwe stieren de duistere hemel door, langs drukke vuilnisbeltheuvels,
langs overwoekerde vijvers en pompeuze paleizen
van afgelegen supermarkten –
tot bij onze complexe gemeenschappen, opeengepakt in één huis, één verstandelijke stroom,
die de aarde omspoelt met idiote tranen,
en wij zitten te wachten op vaders salaris en bekvechten
omdat het er nog steeds niet is en wij de schuldigen niet gewoon kunnen vermoorden,
vragen weg te gaan; daarom willen we soms gewoon elkaar vermoorden,
wanneer augustus met zijn zwarte flonkering ons brein openscheurt,
wanneer de bomen tot leven komen en aan de rand van de stad dronkaards omhelzen,
hen wiegen, als kleintjes, om hen daarna zachtjes in de vuilnisbakken neer te laten,
wanneer de oude kat in de keuken op gedroogde dille knauwt en jankt, onduidelijk waarom net als een dier;

wij willen elkaar vermoorden, als gezin, maar slapen opnieuw in,
en zelfs in onze dromen zitten mama en ik te wachten op papa’s salaris,
om shampoo en douchegel te kunnen kopen, met mijn zoon bootje te kunnen varen,
de minibus te nemen, de bloemententoonstelling in het centrum te bezoeken,
en tot slot ook nog om te kunnen eten waar we zin in hebben, eten en nog eens eten,
zolang er nog tijd rest; en papa ligt te slapen in de keuken en te hoesten,
zijn longen openen zich niet als een scharlaken bloem, zoals in poëzie, ze klotsen vanbinnen dof, de geur van de nacht pijnigt de huid;
hij ligt te slapen en heeft zelf niets te melden over zijn salaris,
hij spreekt in zijn slaap Moldavisch met zijn broer.


HET BOEK VAN DE TELOORGANG (FRAGMENT)

de zon komt zwart op in plaats van helder, de wereld geselend, we wachten
op de gemeenschap; het einde – wij lopen als lichtdraden, ieder voor zich, ons van de plaatsen wegdenkend,
mijn mobieltje is bijna leeg, ik schrijf dit om vast te leggen: de rand van de nacht,
alsof kleverig schuim in onze ooghoeken naar beneden glijdt.
we hebben de grenzen bereikt.niemand van mijn geliefden zal de ogen openen.
niemand van de overlevenden zal dezelfde zijn.rode gezichten in oliefonteinen . . . zwartgeblakerde gebouwen . . .ik heb werelden gekend waar men van de dorst de zoute gele aarde likte,
waar men doodde zonder om te zien naar bloed
en werelden, waar men lucht in ere hield, genietend van de glinstering van zonnepanelen,
waar onder een regenboogkoepel gekoelde prosecco gedronken werd . . .
we hebben de grenzen bereikt.de laatste insecten bestuiven op verschillende uiteinden van de wereld een bruine bloemknop:haat.mijn mobieltje is bijna leeg, ik schrijf om vast te leggen: de rand van de nacht
anders, in ander gezelschap, en alweer
het boek der teloorgang dat open is gespat,
vlakbij het vuur.

De dichter Frank Keizer (uitgeverij Perdu) over Galina Rymboe:

“Galina Rymboe (1990) is dichter, feminist en activist. Ze schreef de dichtbundels De beweegbare ruimte van de omwenteling (Moskou, 2014) en tijd van de aarde (Charkov, 2018), dat in het Nederlands vertaald werd en verscheen bij Uitgeverij Perdu. Haar poëzie werd in Rusland en daarbuiten bekroond; een vertaling van haar gehele oeuvre tot nu toe naar het Engels is in voorbereiding bij Ugly Duckling Press. Dat ze de wereld rondreist met haar poëzie, is onwaarschijnlijk, zoals ze zelf toegaf in een interview in BOZAR in Brussel. Ze werd in 1990, tijdens de nadagen van de Sovjet-Unie, geboren in de Siberische industriestad Omsk, in een arbeidersgezin; iedereen om haar heen werkte in de zwaar vervuilende industrie. Een ander leven, laat staan een leven als dichter, leek onvoorstelbaar.

Met haar poëzie wil Galina Rymboe echter meer doen dan een achtergelaten milieu beschrijven. Als haar gedichten zich in een milieu afspelen, dan eerder in de betekenis die de Franse filosoof Gilles Deleuze aan dat woord geeft: een ruimte waarop allerlei ritmes, geschiedenissen en verhalen met elkaar verstrengeld raken. Haar werk is dan ook geen ontsnapping uit de wereld, maar eerder ernaartoe: een poging contact te maken met bijna vergeten herinneringen, gewoonten en oude structuren, met de rivieren die opdrogen en leven dat afsterft, de lege fabrieken en verlaten opgravingsterreinen die de ingestorte Sovjet-Unie en het huidige Russische roofkapitalisme kenmerken. In deze dystopische en gure ruïnes zoekt Rymboe naar vormen van liefde en intimiteit. Hoe verwoest ook, ze wil de “terreinen van de nederlaag”, zoals ze het in tijd van de aarde noemt, bewoonbaar maken.

Daarmee waagt deze poëzie zich aan de voorstelling van een leven voorbij het repetitieve geweld van uitsluiting, uitputting en ontginning van lichamen en werelden die ons maatschappelijke systeem bepaalt. Rymboe’s tijd van de aarde kan dan ook gelezen worden als een utopisch gebaar. Het is niet louter een verwijzing naar het tijdperk van het Anthropoceen waarin we volgens geologen en klimaatwetenschappers inmiddels leven, waarin de mens, na eeuwenlange uitputting van haar natuurlijke bronnen onuitwisbare sporen in de aarde heeft aangebracht. De tijd van de aarde dwingt ons ook om onze relatie tot de grond onder ons en tot elkaar te herzien. Vaak wordt het Anthropoceen beschreven als een grote acceleratie, de periode waarin de uitgestrekte tijdsschalen van de geologie de tijd van de mens achterhalen en hem onttronen als middelpunt van het universum. Wat Rymboe’s werk doet is net anders, omdat ze het verhaal vertelt dat erdoor overschaduwd wordt: bij haar staat niet de veroverende man-mens centraal, maar altijd al diegenen, niet eens alleen mensen, die door de drang tot vooruitgang in de steek werden gelaten en vertrapt. Haar poëzie laat juist andere ritmes klinken dan we gewend zijn, traag, polyfoon, voorbij het menselijke; het zijn precies die ritmes, zo suggereert deze schitterende poëzie, die de lezer kunnen sensibiliseren voor een leven te midden van de ineenstorting van wat we ooit beschaving noemden.”

Getagged , , , , , ,