Militaire Spectator over ‘Vrede aan de wereld!’: ‘Zeer verhelderende bundel, met veel origineel onderzoek’

Op dit ondermaanse zijn er beroepen zoals professor geestelijke verzorging in de krijgsmacht. Dat is wat Eric Sengers doet, aan Tilburg University. En daar ben ik blij om, want in die hoedanigheid heeft hij onlangs een uitgebreide recensie geschreven van het boek Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog), dat ik tezamen met Annemarie Gielen en vele andere slavisten en experts geschreven heb over de Russisch-Oekraïense oorlog.

“Een hele mooie casus van de theorie en methode van Van Liere is de redactiebundel Vrede aan de wereld! van Pieter Boulogne en Annemarie Gielen, die beoogt bij een geïnteresseerd publiek een beter begrip van de achtergronden van de oorlog in de Oekraïne te vormen. Dat lukt voortreffelijk. Het boek kent drie thematische zwaartepunten. Het eerste is de achtergronden van het conflict, dat Rusland volgens Tom Sauer begonnen is omdat het zijn veiligheid bedreigd ziet als Oekraïne in westerse invloedssferen komt. Toch was dat de wens van de meerderheid bij de Oekraïense bevolking, zoals Egbert Fortuin laat zien. Het Russische argument, dat de Russischtalige minderheid beschermd moet worden, gaat volgens hem in zoverre op dat discriminerende taalwetten eerder een gevolg dan de oorzaak van de oorlog zijn. Emmanuel Waegemans schrijft over de twistappel Krim, dat sinds de verovering door de Tsaren een Russisch uithangbord was, in de Krimoorlog werd verdedigd tegen West-Europese aspiraties en in 1954 ongrondwettelijk aan Oekraïne werd toegewezen. De focus van Peter Vermeersch op de politiek-geografische rol van Belarus is een waardevolle aanvulling.

Het tweede zwaartepunt is eerder cultureel van aard. Op het eerste gezicht lijkt dit een beperkte toevoeging aan het thema, maar in tweede instantie zeer waardevol. Zo valt te lezen hoe literatuur (Boulogne en Elena Solonina) en film (Otto Boele) na een periode van vrijheid onder het Poetin-regime enerzijds beknot worden door censuur en anderzijds door subsidies doelbewust worden ingezet voor politieke propaganda en vaderlandsliefde. Regimekritische Russischtalige literatuur bevindt zich in ballingschap, die thematisch wordt voorgesteld door Anna Namestnikov en Ben Dhooge. Verhelderend is ook de vergelijkende bijdrage van Piet van Poucke, die schoolboeken geschiedenis van voor en na de inval van 2022 bekijkt. Die moeten steeds meer duidelijk maken dat Rusland altijd al – en nu nog steeds – aan de juiste kant van de geschiedenis staat en dat omringende landen Rusland kwaad willen doen.

De invloed van deze cultuuroorlog komt naar voren in het derde zwaartepunt, waar het gaat om de politieke en maatschappelijke ondersteuning van en in de oorlog. Joris van Bladel laat bijvoorbeeld aan de hand van opinieonderzoeken zien dat Poetin onder de Russische bevolking nog steeds veel goedkeuring heeft, dat er grote steun is voor de oorlog en dat er veel vertrouwen is in het leger. Dat laat zien dat het post-Poetin tijdperk niet snel tot vrede en democratisering zal leiden. Ook de bijdrage van Koen Schoors over sancties is wat dat betreft niet hoopgevend. Sancties werken op de Russische samenleving als een rode lap die de oppositie tegen ‘het Westen’ versterkt en verdiept. De sancties worden op verschillende manieren ontweken, maar in combinatie met de oorlogseconomie die veel middelen vraagt daalt het welvaartspeil van de gemiddelde Rus, wat het sociaal contract met de machthebbers onder druk zet. Gielen toont aan dat de vredesbeweging monddood is gemaakt. Anna Kisiel schrijft over de oorlogsvluchtelingen in Polen en dat door hen in de media de op Polen gerichte blik is verbreed met meer begrip voor de Europese Unie. Ze schrijft ook over de oude conflicten tussen beide buurvolken (etnische massamoorden) – wat dat betreft had een bijdrage over Hongarije (waar volgens mij soortgelijke animositeit speelt) nog goed in de bundel gepast.

Kortom een zeer verhelderende bundel, met veel origineel onderzoek, in gemakkelijke taal geschreven, waardoor veel achtergronden van de oorlog duidelijk gemaakt worden. Dat komt ook door de lange historische visie die in de bijdragen gepresenteerd wordt: de meeste bijdragen kijken terug naar de Sovjet-periode, de Tweede Wereldoorlog en het einde van het tsaristische rijk; sommige bijdragen gaan zelfs nog langer terug. Daardoor wordt duidelijk dat veel aspecten van de Russisch-Oekraïense oorlog een voortzetting zijn van oude patronen in de Russisch-Oekraïense relaties. De artikelen zijn zo compact geschreven, met veel informatie, dat ze uitnodigen meteen een tweede keer gelezen te worden. Ook de besproken culturele aspecten maken duidelijk wat Van Liere probeerde aan te tonen, namelijk hoe geprobeerd wordt te legitimeren waarom en waartoe geweld wordt gestart en voortgezet. Maar dat gezegd hebbende valt op dat één aspect in de bundel geen aparte aandacht heeft gekregen: religie en kerk. Merkwaardig, want het is niet te ontkennen dat dit in de Russische legitimatie op velerlei manieren een centrale rol speelt.”

Bovenstaande recensie is verschenen in het krijgswetenschappelijke maandblad Militaire Spectator.

Sergej Gorodetski’s gedicht ‘De lentegod Jarilо wordt klaargemaakt’ (1905)

Foto © Charlie De Keersmaecker
Оточили кремневый топор,
Собрались на зеленый ковер,
Собрались под зеленый шатер,
Там белеется ствол обнаженный,
Там белеется липовый ствол.
Липа, нежное дерево, липа —
Липовый ствол
Обнаженный.  

Впереди, седовласый, космат,
Подвигается старый ведун.
Пережил он две тысячи лун,
Хоронил он топор.
От далеких озер
Он пришел.
Ему первый удар
В белый ствол.  

Вот две жрицы десятой весны
Старику отданы.
В их глазах
Только страх,
И, как ствол, их белеют тела.
Так бела
Только — нежное дерево — липа.  

Взял одну и повел,
Опрокинул на ствол,
Привязал.
Просвистал топором —
Залился голосок
И упал.
Так ударился первый удар.  

Подымали другие за ним
Тот кровавый топор,
Тот кремневый топор.
В тело раз,
В липу два
Опускали  

И кровавился ствол,
Принимая лицо.
Вот черта — это нос,
Вот дыра — это глаз.
В тело раз,
В липу два.
Покраснела трава,
Заалелся откос,
И у ног
В красных пятнах лежит
Новый бог.  

Geslepen is de vuurstenen bijl
Samenkomst op het groene tapijt
Samenkomst onder het groene zeil
Daar glanst de witte blote bast
Daar glanst de witte lindestam
Lindeboom, tedere boom, linde —
Ontblote linde-
boomstam  

Vooraan schuifelt een tovenaar
Grijsharig, stokoud en stug
Tweeduizend manen achter de rug
Hij had de bijl begraven
Is aan komen draven
Van bij een ver meer
Hij mag de eerste keer
Een slag op de witte stam  

Twee offermeisjes in de tiende lente des levens
Aan die ouwe overgeleverd
In hun blik
Enkel schrik
Hun lijven glanzen wit als de bast
Zo wit is vast
Enkel de linde — tedere boom  

Hij greep er eentje beet
Gooide haar tegen de bast
Bond haar vast
De bijl zwiepte —
Haar stemmetje piepte
En zeeg neer
Zo sloeg de eerste keer toe  

Dan hieven anderen hem op
Die bloedige bijl
Die vuurstenen bijl
Lieten ze neer
Eén op het lijf
Twee op de linde  

En de bast vol bloed
Kreeg een snoet
Deze streep is de neus
Dit gat — een oog
Eén op het lijf
Twee op de linde
Het gras roodgekleurd
Scharlaken de weide
En aan hun voeten
Ligt bevlekt en besmeurd
Hun nieuwe godheid

Oorspronkelijke titel: Ставят Ярило. Vertaald uit het Russisch door Pieter Boulogne in opdracht van Tom Swaak, die als dramaturg van Opera Ballet Vlaanderen onder de titel A Rite of Spring met Benjamin Abel Meirhaeghe een moderne bewerking maakt van Stravinsky’s Le sacré du printemps.

“You better learn to speak Russian!”

Op 14 maart, 9 mei en 5 september kan je tijdens een infodag in Antwerpen komen snuffelen aan onze Russische taalopleiding.

Voor de goede vrede. Ten geleide van het boek ‘Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog)’

Had ik je al een kerstcadeau gegeven? (Misschien zat je er niet op te wachten, maar dat geldt vast ook voor wie straks jouw snuisterij uitpakt.) Tezamen met Annemarie Gielen (Pax Christi Vlaanderen) schreef ik onder de titel ‘Voor de goede vrede’ een inleiding voor de essaybundel Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog). Met dank aan uitgeverij Acco is deze inleiding nu—zij het in lichtjes in ingekorte vorm—verschenen in het onafhankelijk online geschiedenismagazine Historiek.net. De lezers van deze blog hoeven niet achter te blijven.

Sovjetposters met de leuze ‘Vrede aan wereld!’ uit de late Stalintijd en uit de vroege Brezjnevtijd

‘Vrede aan de wereld!’ Zo luidde de slogan die de Sovjetpropaganda tijdens de Koude Oorlog luid liet weerklinken. ‘Миру мир!’, ofwel ‘Miroe mir!’ Het is een klankspelletje, want ‘mir’ betekent zowel ‘vrede’ als ‘wereld’. De leuze deed zijn intrede in de Sovjetpers in de late Stalinjaren, en versierde vlaggen en posters. Wie cynisch is, ziet er niet meer in dan een wanhoopspoging van de Sovjetautoriteiten om het tempo van de wapenwedloop met de Verenigde Staten af te remmen. De slogan om een pacifistische wereldpolitiek te bedrijven stond immers in scherp contrast met de hardhandige onderdrukking van tal van volkeren in de Sovjet-Unie, en met de inval in Afghanistan in 1979. Wat er ook van zij, hele generaties Sovjetonderdanen groeiden ermee op. Intussen is hun land van de wereldkaart verdwenen, en is het verbrokkeld tot een veelheid aan nieuwe staten. Rusland, dat de drijvende kracht achter het imperialistische Sovjetproject was, verkondigt al even geen pacifistische waarden meer. Wel integendeel: wie vandaag in de publieke sfeer de slogan ‘Vrede aan de wereld!’ bovenhaalt, riskeert hardhandige arrestatie en gerechtelijke vervolging.   

Toen de Russische troepen op 24 februari 2022 aan een grootschalige invasie begonnen in Oekraïne, stond de wereld perplex. We hadden dit met zijn allen niet zien aankomen. De waarschuwingen van het Pentagon—dat ook wel aan geloofwaardigheid had verloren door ons destijds voor te liegen over de massavernietigingsplannen van Saddam Hoessein—waren wereldwijd onthaald op scepsis. Ook door de Oekraïense autoriteiten. De Russen zelf wisten evenmin waar ze het hadden. Velen konden niet geloven dat hun land een echte oorlog met Oekraïne was gestart. Per slot van rekening had Poetin zijn oorlogsplannen nooit aan zijn onderdanen voorgelegd. Het was zijn bedoeling geweest om iedereen ermee te verrassen.

Terwijl er zich na drie jaar wapengekletter een zekere oorlogsmoeheid laat voelen (en onze aandacht in toenemende mate opgeëist wordt door het Israëlisch-Palestijnse conflict), domineerde de Russisch-Oekraïense oorlog de eerste maanden en zelfs jaren onze krantenkoppen en nieuwsberichten. Om het cru te stellen: van de ene dag op de andere veranderde Zelenski in de perceptie van een geslepen komiek met geheime offshore bankrekeningen (zoals bleek uit de Pandora Papers) in een heroïsche oorlogspresident—en zijn natie van corrupte en maffiose Oost-Europeanen in heldhaftige toekomstige mede-Europeanen. Ze kregen onze sympathie en wapens, maar de levens moesten ze zelf aanreiken (op basis van onze pers zouden we bijna gaan geloven dat de Oekraïners ervoor stonden te trappelen). De Russen daarentegen verloren alle sympathie. Opvallend daarbij is dat het onderscheid tussen het Poetinregime en de gewone bevolking onmiddellijk wegviel. Beide werden geviseerd door de economische sancties die door de VS en de EU opgelegd werden. Nochtans was het voor de modale Rus, zeker in de eerste maanden van de oorlog, niet zo eenvoudig om zicht te krijgen op de handelingen van het Russische leger in Oekraïne—laat staan dat die er invloed op zou kunnen uitoefenen. Terwijl je pas moreel verantwoordelijk gesteld kunt worden voor een situatie als je er kennis van hebt en er ook controle over kunt uitoefenen. In hoeverre de Russen dat collectief kunnen in de huidige sfeer van desinformatie en totale repressie, is voer voor discussie.  

Meteen na de invasie kwam van onder iedere steen een zelfverklaarde Ruslandspecialist gekropen. Daarbij was reële, zorgvuldig opgebouwde expertise in de regel van secundair belang. Ook van de journalisten die de oorlog verslaan, wordt niet per se verwacht dat ze de talen van de betrokken partijen enigszins beheersen (denkoefening: beeld je eens een journalist in die de Amerikaanse politiek verslaat zonder een woord Engels te kunnen verstaan of spreken). Sowieso hebben we in Vlaanderen en Nederland een lange traditie waarbij nieuws over Rusland niet zozeer geproduceerd wordt, maar veeleer gekocht—zoals van het Angelsaksische persagentschap Reuters en de Britse krant The Guardian. Een gevolg daarvan is dat de berichtgeving over de oorlog in onze media amper aanleiding gegeven heeft tot een echt debat. Veeleer krijgen nieuwsconsumenten een dagelijkse portie gemeenplaatsen op hun bord. Morele verontwaardiging over de slechtheid en de misdaden van Poetin staat daarbij centraal. In tweede instantie worden ook de ontwikkelingen aan het front ontleed, in tactische en strategische termen. Indien er aandacht gaat naar burgerdoden, dan zijn ze gevallen door Russisch vuur. De burgers die door Oekraïens vuur omkomen, halen amper onze pers—terwijl cluster- en (illegale) vlinderbommen onvermijdelijk ‘collaterale schade’ met zich meebrengen, ook Oekraïense. Omdat de NAVO-landen zelf betrokken partij zijn in deze oorlog, zijn er stemmen die expliciet zeggen dat het nu niet het moment is om al te complexe diepte-analyses te maken. De publieke opinie moet immers overtuigd worden en blijven dat de steun—waarbij de nadruk op militaire middelen ligt—aan Oekraïne gerechtvaardigd en noodzakelijk is.

Het is veelzeggend dat Dominique Minten (2023), buitenlandredacteur van De Standaard, in zijn opiniestuk ‘Over deze oorlog kun je niet onpartijdig schrijven’ reageerde op lezers die de berichtgeving van zijn krant te tendentieus vonden met de eenduidige boodschap: ‘Oekraïne moet de oorlog winnen, zoals alle Europese leiders al snel hebben besloten.’ De vraag stellen of dat eigenlijk wel realistisch is, gold toen nog als defaitistisch en politiek incorrect. Onlangs herhaalde de Nederlandse schrijver Ilja Pfeijffer (2025) in De Morgen dat we maar één ding kunnen doen: ‘Oekraïne helpen de oorlog te winnen.’ Zijn optimisme gaat uit van zijn inzicht dat Rusland zich vanwege de sancties in een ‘nijpende economische situatie’ bevindt. Symptomatisch en problematisch hieraan is dat de Nederlandse schrijver dat—zoals hij ook zelf aangeeft—alleen maar van horen zeggen heeft (wat we schrijven met de grootste sympathie voor zijn persoon en bewondering voor zijn literair talent).

Intussen is ons militair triomfalisme weggeëbd, maar zelfs dat wil niet zeggen dat er veel wordt nagedacht over de-escalatie. Wel integendeel, zoals Willem Schinkel (2025) naar aanleiding van de NAVO-top in Dan Haag in NRC hekelde in zijn stuk ‘De geesten worden klaargemaakt voor een permanente mobilisatie’: kritiek op westerse oorlogstaal wordt gezien als naïef en er is ‘een blind vertrouwen in een industrie die geld verdient met het uiteenrijten van lichamen’. Of om het in de woorden van Europajournalist Paul Goossens (2025) in De Standaard te stellen: ‘Het besef dat te veel militair tuig vooral onveiligheid en roekeloze politiek activeert, is er niet meer.’

Sovjetmonument nabij Vorkoeta, in de Russische deelrepubliek Komi

Zonder twijfel te willen zaaien over de verpletterende morele verantwoordelijkheid die Poetin en zijn trawanten dragen voor het bloedbad dat ze hebben aangericht, denken we dat we toch wat meer moeten doen dan platitudes herkauwen, partij kiezen en ons verschansen in ons moreel superioriteitsgevoel. Hoewel er geen reden is tot optimisme over de termijn, zal er vroeg of laat vrede tussen Rusland en Oekraïne gesloten worden. Naar alle waarschijnlijkheid zal die vrede niet het gevolg zijn van onvoorwaardelijke capitulatie van een van de strijdende partijen, maar wel van diplomatieke onderhandelingen. Een beter begrip van de complexiteit van de Russisch-Oekraïense oorlog kan het vredesproces alleen maar ten goede komen. Inzicht in de manieren waarop dictatoriale regimes in ons hoogtechnologische tijdperk aan oorlogspropaganda vormgeven en met vormen van intern verzet omgaan, kan ons bovendien helpen om onze eigen democratieën te verdedigen en te versterken.

Om die redenen willen we in het boek Vrede aan de wereld! het woord geven aan experts ter zake uit Nederland en Vlaanderen. We nodigden hen uit om in een begrijpelijke taal belangrijke culturele en historische facetten van de oorlog te belichten. Als vertrekpunt voor deze excursie kozen we de vraag welke diepere oorzaken de oorlog heeft, en wat voor Rusland drogredenen waren om die te legitimeren. Hoe ziet het verguisde Oekraïense derussificatie-beleid er nu eigenlijk uit? Waarom hechten de Russen zo aan de Krim? En welke rol heeft de Belarussische dictator Loekasjenko gespeeld in de uitbraak van de oorlog? Een heel belangrijke vraag is ook hoe het Russische regime erin slaagt de oorlogspropaganda op te voeren in tijden van internet. Verschillende auteurs leggen in dit boek uit hoe de Russen met boeken, op school en in de bioscoop warm worden gemaakt om naar het front te trekken—en er desgevallend te sneuvelen. Ook de vlucht van Russische schrijvers uit Rusland en de massale opvang van Oekraïense vluchtelingen in Polen (waar de grootste groep naartoe gevlucht is) willen we onder de loep nemen. En wat vinden de Russen nu zelf van die oorlog? Wat vertellen de sociologische onderzoeken ons? Zijn de Westerse sancties tegen Rusland dan zinvol of onzinnig? En wat hopen de Russische vredesactivisten in de huidige repressieve context nog te bereiken?

We zijn verheugd en dankbaar dat we een dozijn—een klein legertje dus—specialisten bereid gevonden hebben om deze belangrijke vragen te beantwoorden. In alfabetische volgorde gaat het om Otto Boele, Ben Dhooge, Egbert Fortuin, Anna Kisiel, Anna Namestnikov, Tom Sauer, Koen Schoors, Elena Solonina, Joris Van Bladel, Piet Van Poucke, Peter Vermeersch en Emmanuel Waegemans. Ook wij, Pieter Boulogne en Annemarie Gielen, hebben onze duit in het zakje gedaan. Niet toevallig zijn de meesten van ons opgeleid tot slavist. In dat opzicht is ons boek een verwijt aan het adres van wie in 2016 de opleiding slavistiek aan de KU Leuven afschafte. Enkel door de talen, culturen, geschiedenis en tradities van Oost-Europa te studeren en bestuderen, krijg je inzicht in wat er leeft en speelt. Enkel dan is er een kans op uitwisseling, dialoog, samenwerking en al wat nodig is om tot een vredevolle verstandhouding te komen. Dit boek is dus ook een warm pleidooi om de nog bestaande opleidingen slavistiek in Vlaanderen en Nederland te beschermen tegen academische ‘ontvetting’ (lees: kortzichtige besparingsdrift).

In deze inleiding mag een disclaimer niet ontbreken. Wat de auteurs van deze bundel met elkaar gemeen hebben, is dat ze door hun jarenlange wetenschappelijke toewijding aan Oost-Europa of internationale politiek en economie genuanceerde en diepgravende analyses kunnen maken. Toch wil dat niet zeggen dat iedereen op precies dezelfde (geopolitieke) golflengte zit. Bijvoorbeeld verschillen de meningen over het aandeel dat de NAVO had in de escalatie van het Russisch-Oekraïense conflict. Alle uitspraken die in dit boek weerklinken, zijn dan ook voor conto van wie ze gedaan heeft—en dat geldt bij uitstek voor deze alinea’s.

We zijn ervan overtuigd dat de lezers er op intellectueel vlak sowieso hun voordeel mee zullen doen om een keertje andere geluiden te horen en wat dieper te graven dan gewoonlijk. Al was het maar om de argumenten aan te scherpen om het broodnodige debat over de-escalatie van de Russisch-Oekraïense oorlog mee te voeren. Op moreel vlak bieden de bijdragen van dit boek zowel een koude douche als hoop: enerzijds lijkt de mensheid—althans wanneer er belangen van staten mee gemoeid zijn—werkelijk geen lessen te willen trekken uit het verleden, en blijkt de razendsnelle circulatie van informatie en ideeën die het internet biedt toch geen waarborg tegen oorlogsgruwel; anderzijds is er van onderuit grootschalige tastbare solidariteit met de slachtoffers, en blijkt er voor de organisatie van de gruwel een ongeziene hoeveelheid ononderbroken manipulatie en repressie nodig—waar je uit kan afleiden dat mensen niet écht uit zijn op oorlog.

Vrede aan de wereld, we wensen het jou en onszelf toe! 

На воре шапка горит! (‘Wie het schoentje past, trekke het aan!’)

‘Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog)’ Nieuw boek met historische en culturele perspectieven op de Russisch-Oekraïense oorlog

De oorlog van Rusland tegen Oekraïne heeft al veel bloed doen vloeien—en ook veel inkt. Sinds de grootschalige invasie voeren onze media dag na dag kenners allerhande op om in de ziel van Poetin te kijken. Maar een militair conflict is per definitie een complex fenomeen waarover zoveel meer te vertellen valt dan dat de aanstichter ervan door en door slecht is. Daarom wilden we toch nog wat meer inkt doen vloeien. En dat hebben we gedaan: ons boek Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog) is van de drukpersen gerold.

Bart Derwael (uitgeverij Acco), Annemarie Gielen (Pax Christi) en Pieter Boulogne (KU Leuven)

Op donderdag 18 december 2025 stelden we het boek feestelijk voor op de Leuvense letterenfaculteit. Aan het woord kwamen Annemarie Gielen (Pax Christi) en ikzelf, om de avond in te leiden, Bart Derwael, namens uitgeverij Acco, Otto Boele (Universiteit Leiden), om het te hebben over oorlogspropagandafilms, Anna Namestnikov (UGent) en Ben Dhooge (UGent), over Russische literatuur die niet meer welkom is in Rusland, en Manu Waegemans (KU Leuven), die ons vervoerde naar de Krim. We luisterden naar prachtige muziek van het Russisch-Oekraïense duo Lev Adamov (viool) en Oleksii Soldatov (accordeon), alsvorens ons op de wodka en augurken te storten. Met grote dank aan doctorandi Ilya Skokleenko (KU Leuven) en Mariana Myrosh (KU Leuven) om de receptie in goede banen te leiden, aan Marjolein Goris voor de boekenverkoop, en aan het publiek om zo talrijk en zachtmoedig op te dagen. Hieronder deel ik graag enkele foto’s van de boekvoorstelling.

Vrede aan de wereld! is een bundel (300 p.) met dertien hoofdstukken, geschreven door in totaal veertien regiospecialisten en andere deskundigen uit Vlaanderen en Nederland om de culturele en historische gelaagdheid van de Russisch-Oekraïense oorlog in beeld te brengen. Behalve de genoemde sprekers, hebben ook Egbert Fortuin (Universiteit Leiden), Anna Kisiel (KU Leuven), Tom Sauer (UAntwerpen), Koen Schoors (UGent), Elena Solonina (VUB), Joris Van Bladel (Egmontinstituut), Piet Van Poucke (UGent) en Peter Vermeersch (KU Leuven) prikkelende bijdragen geleverd.

Het vertrekpunt van onze gezamenlijke tocht is de vraag welke diepere oorzaken de oorlog heeft, en wat voor Rusland drogredenen waren om die te legitimeren. Hoe ziet dat verguisde Oekraïense derussificatiebeleid er nu eigenlijk uit? We besteden ook aandacht aan de massale opvang van Oekraïense vluchtelingen in Polen en aan de uittocht van schrijvers uit Rusland. In historisch perspectief ontleden we de propaganda die de Russen op school en in de bioscoop warm moet maken om naar het front te trekken—en er desgevallend te sneuvelen. Werkt dat? Wat vinden de Russen nu zelf van die oorlog? Zijn de Westerse sancties tegen Rusland dan zinvol of onzinnig? En wat hopen de Russische vredesactivisten in de huidige repressieve context in godsnaam nog te bereiken?

‘Gezocht dichters! Poetins literatuur- en cultuurbeleid sinds de invasie in Oekraïne (2022-2025)’ in rekto:verso

In de online editie van het Vlaamse cultuurmagazine rekto:verso kan je vanaf nu het volledige essay lezen dat ik tezamen met wapenzuster Elena Solonina gewijd heb aan het literatuur- en cultuurbeleid van Poetin, onder de titel ‘Gezocht: dichters!’

Dit stuk is het tweede deel van een tweeluik dat op rekto:verso verschijnt als voorpublicatie bij de essaybundel Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog), in redactie van Annemarie Gielen en mezelf, met historische en culturele perspectieven op de Russisch-Oekraïense oorlog. 

‘Gezocht: dichters! Poetins literatuur- en cultuurbeleid voor de invasie in Oekraïne (2000-2022)’ in rekto:verso

Reclamepaneel met de tekst ‘wij zoeken dichters’ (foto: Aleksandr Gronski)

Een van de onderbelichte effecten van de Russisch-Oekraïense oorlog is dat de belangstelling van de Russische autoriteiten voor literatuur een kwantitatieve sprong heeft gemaakt. In de online editie van het Vlaamse cultuurmagazine rekto:verso kan je vanaf nu een essay lezen dat ik tezamen met wapenzuster Elena Solonina gewijd heb aan het literatuur- en cultuurbeleid van Poetin, onder de titel ‘Gezocht: dichters!’.

Dit stuk is het eerste deel van een tweeluik dat op rekto:verso verschijnt als voorpublicatie bij de essaybundel Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog), in redactie van Annemarie Gielen en mezelf, met historische en culturele perspectieven op de Russisch-Oekraïense oorlog. Het tweede deel, over Poetins cultuurpolitiek sinds de grootschalige invasie, komt er volgende week.

Je kan het boek Vrede aan de wereld! aankopen aan de speciale prijs van € 28,50 (inclusief verzending binnen België), door bij de betaling op rekeningnummer IBAN BE47 0018 6697 6780 (Pieter Boulogne) je adres te vermelden. Meer informatie? Stuur gerust een mailtje: pieterboulogne@gmail.com.

18/12 @ KU Leuven: boekvoorstelling ‘Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog)’

Het is (bijna) zover: ons boek Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog) is vertrokken naar de drukker. Op donderdag 18 december 2025 om 19u stellen we het aan je voor op de Leuvense letterenfaculteit.

Vrede aan de wereld! is een bundel culturele en historische perspectieven op de Russisch-Oekraïense oorlog die ik tezamen met Annemarie Gielen (Pax Christi Vlaanderen) heb bijeengesprokkeld op vraag van Bart Derwael van uitgeverij Acco. Het bevat een inleiding en twaalf hoofdstukken, geschreven door in totaal veertien regiospecialisten en andere deskundigen uit Vlaanderen en Nederland om de culturele en historische gelaagdheid van de Russisch-Oekraïense oorlog in beeld te brengen. Otto Boele (Universiteit Leiden), Ben Dhooge (UGent), Egbert Fortuin (Universiteit Leiden), Anna Kisiel (KU Leuven), Anna Namestnikov (UGent), Tom Sauer (UAntwerpen), Koen Schoors (UGent), Elena Solonina (VUB), Joris Van Bladel (Egmontinstituut), Piet Van Poucke (UGent), Peter Vermeersch (KU Leuven) en Emmanuel Waegemans (KU Leuven) hebben de handschoen opgenomen—waarvoor we hun heel erkentelijk zijn. Ook Annemarie en ikzelf hebben onze duit in het zakje gedaan. Om ons verhaal af te maken, voegde Nicolas Severyns een knappe illustratie van eigen hand toe.

Het vertrekpunt van onze gezamenlijke excursie is de vraag welke diepere oorzaken de oorlog heeft, en wat voor Rusland drogredenen waren om die te legitimeren. Hoe ziet dat verguisde Oekraïense derussificatiebeleid er nu eigenlijk uit? De auteurs besteden ook aandacht aan de massale opvang van Oekraïense vluchtelingen in Polen en aan de uittocht van schrijvers uit Rusland. In historisch perspectief ontleden we de propaganda die de Russen op school en in de bioscoop warm moet maken om naar het front te trekken—en er desgevallend te sneuvelen. Werkt dat? Wat vinden de Russen nu zelf van die oorlog? Zijn de Westerse sancties tegen Rusland dan zinvol of onzinnig? En wat hopen de Russische vredesactivisten in de huidige repressieve context nog te bereiken?

Tijdens de boekvoorstelling komen Annemarie Gielen, Otto Boele, Ben Dhooge, Anna Namestnikov, Emmanuel Waegemans en ikzelf aan het woord om alvast een tipje van de sluier op te lichten. Met live muziek van Lev Adamov (viool) en Oleksii Soldatov (accordeon).

Je kan je inschrijven via https://acco.be/landing-page/boekvoorstelling-vrede-aan-de-wereld/

Pieter

17/12 @ KU Leuven: Public Lecture by Linor Goralik, editor-in-chief of ROAR, about Poetry and Activism during the Russo-Ukrainian War

On Wednesday 17 December, my colleague Ilya Skokleenko and I organise a Public Lecture by Linor Goralik, editor-in-chief of ROAR (Resistance and Opposition Arts Review), about Poetry and Activism during the Russo-Ukrainian War.

Free entrance. Free vodka and pickles. Registration is mandatory.

‘Poëzie van de achterblijver’: Obe Alkema bespreekt ‘Metro en mobilisatie’ voor NRC

Ruim een jaar na de publicatie van de door mij uit het Russisch vertaalde dichtbundel Metro en mobilisatie, van de vervloekte dichter Igor Bobyrev, verscheen vandaag in NRC een volgens mij behoorlijk moedige recensie van criticus en dichter Obe Alkema.

Onder de titel ‘Oekraïense poëzie laat de oorlog zien die meestal buiten beeld blijft’ plaatst hij ‘Metro en mobilisatie’ naast de door Arie van der Ent uit het Oekraïens vertaalde bundel Ik hoor dat je in Nederland bent… van Daria Lysenko. ‘Twee dichters uit Oekraïne met schijnbaar onverenigbare posities schrijven over een uitzichtloze oorlog. Het levert aangrijpende bundels op over aspecten die tot nu toe buiten beeld bleven.’

‘Poëzie van de achterblijver’, zo noemt Alkema ‘Metro en mobilisatie’. ‘Het gevaar komt […] van alle kanten en dat maakt de vraag waarom hij niet vertrokken is [uit Donetsk] (of alsnog vertrekt) des te schrijnender. Bobyrev bevindt zich in een krankzinnige situatie, al suggereert de zakelijke toon van zijn babbelende regels dat hij het gelaten ondergaat. Maar dat is schijn, want het kolkt in zijn binnenwereld.’

Zowaar vijf sterren, krijgt Bobyrevs Metro en mobilisatie van Alkema in NRC. En wat belangrijker is: zijn recensie doorprikt de infantiele dichotomie tussen ‘good guys’ en ‘bad guys’ (sorry guys!).

Met Sacha Popowycz: ‘Poëzie uit Oekraïne’ in de Poëziekrant

Oorlog verscheurt alles, ook dichtersgemeenschappen (niet dat het er in poëzieland anders zo vredevol aan toegaat).

Tezamen met dichter, vertaler en slavist Alexandre (Sacha) Popowycz schreef ik voor het dossier ‘Poëzie en oorlog’ van de Poëziekrant (2025, nr. 5, pp. 16-23) het essay ‘Poëzie uit Oekraïne’. Aan de hand van, onder anderen, Joelija Sjeket, Anna Hroever, Ija Kiva, Galina Rymboe en Igor Bobyrev werpen we een blik op de identitaire discours in Oekraïne, die sinds de Majdanrevolutie en de grootschalige invasie alleen maar aan scherpte hebben gewonnen. De scheidslijnen worden bepaald door factoren als etniciteit, ideologische positionering, en uiteraard taal.

In voorbereiding: ‘Vrede aan de wereld! (en toen werd het oorlog)’

Ik weet niet wat je afgelopen zomer gedaan hebt, maar ik heb katten zitten geselen—met de knoet.

Een van de boekprojecten die, als het wat meezit, op korte termijn verwezenlijkt worden, is getiteld Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog). Het is een bundel die ik met slaviste Annemarie Gielen (Pax Christi Vlaanderen) heb bijeengesprokkeld voor uitgeverij Acco naar aanleiding van onze lezingenreeks over de Russisch-Oekraïense oorlog.

We wilden graag het woord geven aan een dozijn regiospecialisten en andere deskundigen uit Vlaanderen en Nederland om de culturele en historische gelaagdheid van de Russisch-Oekraïense oorlog in beeld te brengen. Otto Boele (Universiteit Leiden), Ben Dhooge (UGent), Egbert Fortuin (Universiteit Leiden), Anna Kisiel (KU Leuven), Anna Namestnikov (UGent), Tom Sauer (UAntwerpen), Koen Schoors (UGent), Elena Solonina (VUB), Joris Van Bladel (Egmontinstituut), Piet Van Poucke (UGent), Peter Vermeersch (KU Leuven) en Emmanuel Waegemans (KU Leuven) hebben de handschoen opgenomen—waarvoor we hun heel erkentelijk zijn.

Het vertrekpunt van onze gezamenlijke excursie is de vraag welke diepere oorzaken de oorlog heeft, en wat voor Rusland drogredenen waren om die te legitimeren. Hoe ziet dat verguisde Oekraïense derussificatiebeleid er nu eigenlijk uit? De auteurs besteden ook aandacht aan de massale opvang van Oekraïense vluchtelingen in Polen en aan de uittocht van schrijvers uit Rusland. In historisch perspectief ontleden we de propaganda die de Russen op school en in de bioscoop warm moet maken om naar het front te trekken—en er desgevallend te sneuvelen. Werkt dat? Wat vinden de Russen nu zelf van die oorlog? Zijn de Westerse sancties tegen Rusland dan zinvol of onzinnig? En wat hopen de Russische vredesactivisten in de huidige repressieve context nog te bereiken?

Vrede aan de wereld! (En toen werd het oorlog) legt bloot dat oorlog niet enkel gaat om tanks en raketten, maar ook—en vooral—om mensen en de verhalen die ze elkaar en zichzelf vertellen.

Daarnet is een eerste deel van het manuscript naar de uitgever vertrokken, binnenkort ligt het boek op je nachttafeltje, keukenaanrecht en badrand. Toch?

‘Lastige, ongemakkelijke vragen’ Bespreking van Bobyrevs ‘Metro en Mobilisatie’ door Lars Meijer

De lezers van deze blog weten dat in de herfst van 2024 de poëziebundel Metro en Mobilisatie van Igor Bobyrev, die in de door oorlog geteisterde stad Donetsk woont, bij Leesmagazijn is verschenen. Ik vertaalde hem uit het Russisch, omdat de poëzie me had geraakt, tezamen met het lot van de auteur (die uit angst voor de mobilisatie en de bommen twee jaar lang zijn appartement niet uitkwam). En ook omdat die dwars ingaat tegen de narratieven van beide strijdende partijen (wat bevrijdend werkt). Bobyrev is namelijk openlijk homoseksueel, noemt Poetin een tiran, maar schetst de burgerbevolking van Donetsk wel als slachtoffer van het Oekraïense regime. Ik geloof dat het door die ambiguïteit komt, dat Vlaamse en Nederlandse poëzierecensenten—als ze überhaupt nog bestaan—in een grote bocht om hem heen zijn gelopen. Ben dan ook blij verrast (en zelfs dankbaar) dat enkele dagen geleden een mooie bespreking werd gepubliceerd door dichter en schrijver Lars Meijer, die iets aan Metro en Mobilisatie gehad lijkt te hebben: “De bundel zet aan tot denken. Hij stelt de lezer voortdurend lastige, ongemakkelijke vragen, en wellicht nog belangrijker, hij weigert te bevestigen wat die ene dichter in P. die avond zei: dat poëzie onbelangrijk zou zijn.”

“L‘Internationale” on the move: case studies on the world’s most translated anthem

Together with Elke Brems and Jack McMartin I had the pleasure to guest edit a focus issue of the journal Chronotopos, titled “L‘Internationale on the move: case studies on the world’s most translated anthem,” which today has been published in open access.

Just over a hundred and fifty years ago, Paris was taken over by insubordinate soldiers of the National Guard. They attempted to create a new political system, a working-class community, which separated church and state, introduced social housing, abolished child labour, and gave employees the right to take over abandoned enterprises. After two months, this Paris Commune was violently ended by the French army. But the dream of addressing social injustice would not be forgotten. Immediately after the defeat of the Commune, one of its members, Eugène Pottier, commemorated it in a poem, written in French, which he named “L’Internationale”. In 1888, the Belgian socialist and composer Pierre De Geyter set Pottier’s poem to music. “L’Internationale”, previously a poem, was (re)born a song.

If the song “L’Internationale” has since become and still is a worldwide symbol of social struggle, it is because it was translated and often retranslated into dozens of languages and made to serve in many contexts. Our focus issue presents new research on versions of “L’Internationale” in different languages, historical contexts, social settings and media and explores the transnational and transmedial links between them. In doing so, we want to demonstrate how insights from (song) translation studies, reception studies, cultural memory studies and social history can be combined productively to explore the worldwide circulation and myriad social uses of one of the world’s most iconic, impactful and widely translated songs.

My own article, titled “Translated by Arkadiy Kots” Weaponization, Consecration, Monumentalization and Reincarnation of the Russian “Internationale”, deals with the impact of Arkadiy Kots as the translator of “L’Internationale” on Russian society. His Russian song translation, which emerged as a product of the counterculture, was first weaponized by Lenin to motivate workers to engage in the Russian Revolution. Then, it became the object of consecration: it was made the first anthem of the Soviet Union. However, with the passing of time, the song became an ideological and diplomatic issue, which under Stalin was solved by its monumentalization. As an established monument, Kots’s translation remained a fixture in Soviet culture until the very collapse of the empire. It is obvious that the failure of the Soviet experiment heavily damaged Kots’s cultural value. Nevertheless, his song translation remains present in post-Soviet Russia as the anthem of the Communist Party of the Russian Federation. At the same time, Kots also serves as an inspiration for the protest band that under his name has translated “L’Estaca”, which, as the most popular protest song of our time, could be seen as a reincarnation of “L’Internationale”.

These are the other articles included in our special issue:

Elke Brems & Francis Mus: The poetic, the personal and the political. Two Dutch translations of “L’Internationale”

Laura Cernat: Sinister Ironies. The Romanian translation of “L’Internationale” from an anthem of the oppressed to the last words of a tyrant

Erwin Snauwaert: “L’Internationale” and its Spanish Versions. Between Translation and Adaptation

Jan Ceuppens: “Die Internationale”: from Protest Song to Official Anthem and Back. Aspects of the German Reception of “L’Internationale” in the Early 1900s and After 1945

Christophe Declercq: “You have nothing if you have no rights” Reiterations of communal freedom through Billy Bragg’s translation of “The Internationale”

Jack Mc Martin: Representing translation in a documentary about one of the world’s most translated songs ‘Translatedness’ in Peter Miller’s The Internationale (2000)

You can read the full issue here.

Many thanks to all contributors, and to Stefanie Kremmel for her meticulous coordination of this issue.

English translation of laudation for Skorobogatov

The English translation of Sergeant Betrand

On Wednesday 12 March 2025, Aleksandr Skorobogatov, the Belgian writer of Belarussian origin and Russian expression, was awarded an honorary medal from my university by Professor Luc Sels, our rector.

On this occasion, I had the pleasure to deliver a laudation on Skorobogatov’s works of fiction, followed by a laudation by Professor Martin Kolrausch, who focused on his merits as a columnist. The whole ceremony was in Dutch, but the KU Leuven Forum on Central and Eastern Europe now has translated our speeches into English.

I began with a reference to Isaac Babel, who brilliantly thematized the struggle to become a writer.


Ladies and gentlemen, dear colleagues, students, but most of all:

Esteemed Aleksandr Skorobogatov,

“To be in Tiflis in spring, to be twenty years old, and not to be loved—that is a catastrophe. Such a catastrophe befell me.” Such are the opening words of the short story My First Fee. For clarity’s sake: not written by Skorobogatov, but by Isaac Babel, the Jewish-Russian writer from Odessa.

At first glance, these words seem to express the protagonist’s lack of love, as he shares a house with a newlywed couple. But if you read carefully, between the lines, you realize they speak of his irresistible urge to become a writer—and his frustration that he is not one. Not yet. But how the hell does one become a writer? Babel’s story teaches us that having good material in mind is not enough. It also has to come out—and for that, you need to master various techniques. You must know which words to choose, what information to give the reader, at what moment, and what to withhold. The art of transforming fabula into syuzhet is what separates a wannabe writer from a true writer. This art does not simply come to you; it must be acquired.

“To be in Tiflis in spring, to be twenty years old, and not to be loved—that is a catastrophe.” In Babel’s story, the narrator manages to overcome the catastrophe thanks to his perseverance, a great deal of courage, and his inventiveness. And most of all, thanks to his first reader—the one who inspires and motivates him. Because a writer without an audience is a Don Quixote.

Today, I want to paraphrase Babel’s opening line, his aphorism, and say: To be a Russian-speaking writer and to find yourself in exile—that is a catastrophe. Such a catastrophe befell Aleksandr Skorobogatov.


Not even twenty, while studying at the Theater Institute in Minsk, he felt the call to be a writer. In the suffocating context of Soviet censorship, that was easier said than done. A deep ideological chasm separated him from Soviet publishers, forcing him to write for the drawer—i.e. with no prospect of immediate publication.

In 1985, during the first year of perestroika, fate was on his side: he was admitted to Litinstitut, the prestigious Gorky Institute of Literature. After completing his studies, he worked as a journalist while continuing to write. In 1989, he broke through as a literary author with the publication of his story Palatch (The Executioner) in the renowned Soviet literary magazine Yunost. The story was so well received that the magazine asked him for another one.

The story Skorobogatov submitted was the phenomenal novella Sergeant Bertrand, about an Afghan War veteran who is loved by his wife, believes he loves her too, but falls prey to blind jealousy. The unreliable, deranged narrator is reminiscent of Gogol’s Diary of a Madman and many of Dostoevsky’s characters, who are engaged in an existential struggle with themselves and with the entire world. In the case of Skorobogatov, this struggle was so dark, that Soviet censors felt the need to impose modifications. But the young and proud writer refused to accept them. Against all odds, the story got published anyway. And it won the award for the best novel of the year 1991.

1991 was—as you know—the year the Soviet empire collapsed, ushering in the turbulent 1990s. For Russian-speaking writers, these years were a catastrophe, both economically and creatively. Censorship had been abolished, but dissidents had lost their raison d’être, and the book market was flooded with pulp fiction.

In 1992, Skorobogatov, together with his novella, ended up in the Dutch-speaking world. Ever since, he has been living and working in Antwerp.

A writer ending up in a country where he does not speak or write the language—that is, obviously, a catastrophe. Even without exile, there is a fundamental incompatibility between society and the artist. In exile, far from their readership and far from Russia—a place about which one can say many things, but not that it lacks inspiration—most Russian-speaking writers feel too miserable (or too comfortable) to write. Yet writing is their entire identity.

To take another job would be to abandon the calling. (A century ago, in Babel’s time, many Russian émigré writers became taxi drivers in Paris.)

One could, of course, switch languages. But not everyone was raised, as the nobleman Nabokov, “a perfectly normal trilingual child”.  

There is another solution—one we find particularly honorable. It is a solution of which Skorobogatov is a remarkable example: translation. Thanks to translation, on Belgian soil, Skorobogatov has not only managed to remain a Russian-speaking writer, but also to become a Belgian writer—one who weaves his Belgian experiences into his novels and speaks also to a Belgian audience.

On Belgian soil, Skorobogatov has written and published five new books, each of which is a testament to his unmistakable gift for storytelling.

In 1994, his novel Audiëntie bij de vorst (Audience with the Prince) was published. It sets primarily in Antwerp, but is populated by Russian characters—such as the criminal protagonist Nikita, who is morbidly obsessed with the boy Sanya.

His next novel, Earth Without Water, written between 1996 and 2001 in Moscow and Antwerp—and published in Dutch translation in 2002, under the title Aarde zonder water—carries a similarly thriller-like atmosphere: what begins as a romantic escapade spirals into an assassination and a murder.

In 2015, Skorobogatov published Portrait of an Unknown Girl, about two teenagers experiencing young love in the alcohol-drenched Belarusian Soviet Republic.

In 2017, Cocaine appeared—a novel true to its name, as it’s a trip. The narrator is an exhausted man who is sent by his wife to buy baby formula. From that moment, he hurtles forward like a whirlwind. And the reader rushes along, hypnotized, without even knowing why. Eventually, it turns out we are searching for his former sweetheart.

In 2020, Skorobogatov completely reinvented himself with The Raccoon (in Dutch: De wasbeer), a hefty novel composed of short chapters, chronicling the hilarious misadventures of a gentle raccoon, who seems to be a modern reincarnation of Akaky Akakievich, the main character of Gogol’s Overcoat. The creature embarks on an absurd odyssey and becomes the bravest version of itself.


The universe of these books, whether they are set predominantly in Russia or not, is thoroughly Russian, even if the Russian couleur locale is sometimes made into a caricature. In the novel Cocaine, for example, we encounter bearded men with bowl haircuts who drink tea from a samovar, and “chatter their teeth while biting into a yellowish sugar cone, half of which is wrapped in a piece of newspaper.” The narrator exclaims: “Never in my life have I seen muzhiks looking more Russian than them, not even on TV!”

Skorobogatov’s universe is often absurd—even chairs can burst into laughter. But above all, it is dark, bleak, and violent. This is not necessarily due to the Russian setting. In Earth Without Water, the protagonist flees, but emigration offers no solace. In the end, he concludes that everywhere you go, you have “the same underground world beneath your feet, with all the scum that inhabits it.” Addressing the reader, he asks: “Tell me, where is the guarantee that in America, Asia, Africa, Australia, Canada, and so on, the disgust will be any less nauseating than in Europe, which already sickens me, or in the utterly criminal Russia?”

The darkness of this universe is entirely linked to the author’s view of humanity. This earthly realm is populated by malevolent villains, possessed people, with twisted minds, and naïve fools or weaklings who fall into their traps and are shamelessly exploited. More than once, they pay for it with their lives.

Even love, the cornerstone of Skorobogatov’s literary universe, is dark. It is not rational. Sometimes it is paid for, sometimes it is for free. Sometimes it is homosexual, usually heterosexual—but above all, it is intensely sexual. It is the mortal enemy of monotony: love is passionate, illusory, jealousy-inducing, maddening, all-consuming, and often destructive—yet Skorobogatov’s characters cannot live without it. Not even when they are a raccoon.

Ladies and gentlemen, dear readers, I take this opportunity to warn you about Skorobogatov’s narrators, who are not any better than his most villainous characters. They are not to be trusted in the slightest. Yet we forgive them easily because they speak to us—figuratively and literally—playing tricks on our senses and intellect, blurring the boundary between fiction and metafiction. They create worlds for us, where, despite or perhaps because of the violence, we gladly linger—to purify ourselves, to rediscover traces of Russian literary classics, to listen to sharp philosophical reflections, or simply to enjoy delightful rambling—to which we are generously treated as well.

The novels mentioned above share another common trait: they have all been translated into Dutch by Rosemie (or Rose-Marie) Vermeulen, to whom Skorobogatov owes his voice as a Dutch-language prose writer.

What makes Skorobogatov’s authorship exceptional is that the publication of the Dutch translations of his books—in which he is closely involved—does not always follow the publication of the corresponding Russian originals, but sometimes precedes it. Some of his novels do not yet exist in book form in Russian. Not yet.

To the Russian writer Bulgakov, to whom Skorobogatov is sometimes compared, we owe the catchphrase “Рукописи не горят”. The saying is ambiguous: it means both “Manuscripts do not burn” and “Manuscripts are in no hurry”. Sometimes circumstances must change before a book finds its moment.

Besides Dutch and Russian, his work has been published in French, Italian, Greek, Spanish, Danish, Croatian, and Serbian. Recently, English was added to that list. More than three decades after the Russian publication of Sergeant Bertrand—at a time when countless traumatized war veterans are once again blending into Russian society—this novella has now been translated into English under the title Russian Gothic. Given the enthusiastic reception by English and American critics, this will surely not be his only English translation. In this sense, we are witnessing the birth of Skorobogatov, through translation, as an English-language author.

We also look forward to the novel that Skorobogatov recently completed, which will be published in September 2025 under the title Achter de donkere wouden (Beyond the Dark Forests), about his son, who in 2002 was kidnapped and murdered near Moscow.


Dear Aleksandr Skorobogatov,

At the Faculty of Arts, the study of cultures, languages, translation, and both ancient and contemporary history, is at the heart of our mission. Our research and teaching are rooted in our curiosity about our own culture and society, and other cultures and societies—including the Russian one. We seek to study them, to understand them, but also to experience them in depth. Your books help us with that, and they do so in an inimitably engaging way.

Your body of work has enriched not only Russian-language literature but also, to an equal extent, Dutch literature. For the way you transport your readers to Belarus, Russia, and places we never knew existed—and which, without your imagination, could not exist—we are deeply grateful. We also recognize your unique embodiment of the irreplaceable role that translation plays in the circulation of literature across cultural, national, and linguistic boundaries. For that reason, we wish to present you with an honorary medal today.

There’s more: despite the morbidity of your literary universe and the horrors of Russian domestic and foreign politics, you have not succumbed to cynicism, nor have you fallen into the trap of depoliticization. In Cocaine, the narrator states that a writer’s primary duty is to “be a nurse for society, striving with all one’s might to care for its mental health.” But to discuss the way you handle this, I will gladly hand over the floor to Martin Kolrausch, our professor of European political history.


Here you’ll find the English version of the laudation delivered by Professor Kolrausch.