Rake recensie van Biopolitiek in Gonzo Circus

“Afgehakte ledematen, bungelende darmen, een genadeloze beul en bloed dat alle kanten op spat – dit zijn geen scènes uit een obscure horrorfilm, maar beelden die Kirill Medvedev (1975) in zijn verrassende nieuwe bundel in stelling brengt om te reflecteren op de Russische politieke realteit.” zo schrijft Lisa van Vliet in het laatste nummer van Gonzo Circus (Nr. 144: pp. 49-50). Ze vervolgt:

Terwijl in zijn vorige bundel, ‘Alles…

IMG_4960


biopolitiek-medvedevKirill Medvedev. Biopolitiek. s.l.: Leesmagazijn, 2017. Met een voorwoord door Aleksandr Skidan. Vertaald uit het Russisch door Pieter Boulogne. 68 p. ISBN: 978-94-91717-45-1 

Getagged , , , , , ,

De Standaard der Letteren over De Manon Lescaut van Tourdeille: “Melancholisch portret van een man vol innerlijke onrust”

treindromen.png

Onder de titel ‘Treindromen’ bespreekt Karen Billiet in De Standaard der Letteren (9 maart 2017) de Russische novelle De Manon Lescaut van Tourdeille:

“Een klinkende naam in de Russische literatuur is hij niet, Vsevolod Petrov (1912-1978). Hij was hooguit bekend vanwege zijn werk als kunsthistoricus. In 2006 openbaarde een Russisch tijdschrift zijn novelle De Manon Lescaut van Tourdeille, nu beschikbaar in een prachtige vertaling van slavist Pieter Boulogne.

Petrov schreef het werk vermoedelijk in 1946. Hij deelde de tekst met vrienden, maar ondernam geen stappen om te publiceren. Als jongeman had hij gezien wat de avant-gardistische schrijvers in Sint-Petersburg overkwam tijdens de Grote Terreur. Wellicht bleef hij liever onder de radar. Zijn novelle stond immers haaks op het socialistisch realisme dat Stalin predikte.

Het is een tegendraadse repliek op Reisgenoten, een roman die razend populair was in de naoorlogse Sovjet-Unie. Daarin vertelde Vera Pannova over een hospitaaltrein tijdens de Tweede Wereldoorlog. De personages waren modelburgers die moedig hun patriottische plicht vervulden.

Ook bij Petrov draait het om een hospitaaltrein, maar dan wel eentje die dagenlang blijft stilstaan in het winterse landschap. De passagiers duiken als een stelletje angsthazen weg voor vijandelijke bommen en vervallen tussendoor in ruzie en geroddel. Aan boord is ook een dromerige militair met een reactionaire liefde voor Goethe.

Hij bezweert zijn angstaanvallen door in een 18de-eeuwse fantasiewereld te vluchten. De treinhalte Toerdej doopt hij om in een Bretoense stad, Tourdeille. De verpleegster op wie hij verliefd wordt, vereenzelvigt hij met Manon Lescaut. Net als het personage van Abbé Prévost houdt ze er verschillende minnaars op na. Hun idylle volgt een al even hobbelig parcours als de trein.

Petrov schept een melancholisch portret van een man vol innerlijke onrust en een wereld die omgewoeld is door de oorlog. Een mooie ontdekking.”

cover-manon-lowres


Vsevolod Petrov. De Manon Lescaut van Tourdeille. Kroniek van een liefde. Met een nawoord door Oleg Joerev. s.l.: Leesmagazijn, 2017. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne.

Lees hier de eerste hoofdstukken. Je vindt een exemplaar van De Manon Lescaut van Tourdeille in de rekken van de betere boekhandel, of in de webshop van de uitgever (of bij bol.com als je weinig geduld hebt).

Getagged , , , , , ,

Russische literair-muzikale avond in BOZAR met Kirill Medvedev, Nikolaj Olejnikov en Johan de Boose

kirill medvedev.png

Naar aanleiding van de nakende presidentsverkiezingen in Rusland nodigen Bozar en het Centrum voor Russische Studies (KU Leuven) u uit op een avond rond Russische poëzie, muziek en activisme die de controverse niet schuwt. De dichter en activist Kirill Medvedev en de kunstenaar Nikolaj Olejnikov (bekend van het collectief Chto delat) werpen een kritische blik op hun land met de middelen die ze hebben. Ze zullen niet alleen muziek maken en teksten voorlezen, maar ook debatteren met schrijver en Ruslandkenner Johan de Boose.

Praktisch

Waar: BOZAR, Ravensteinstraat, 23, Brussel
Wanneer: dinsdag 13 maart, 20:00 – 21:30
Taal: Engels
Prijs: standaard – 7 euro, -26 jaar – 5 euro
Tickets & info hier

Getagged , , , ,

Review of Brian J. Baer’s “Translation and the Making of Modern Russian Literature”

50113090

My review of Brian James Baer’s book Translation and the Making of Modern Russian Literature (2016) has just been published online in Target. International Journal of Translation Studies (John Benjamins Publishing Company).

Here is the opening thought:

“Don’t you think that approaching Russian literature from the perspective of a Translation Studies scholar poses the treat of cannibalizing Literary Studies?” This question was put to me earlier this year during an application interview for the post of professor of Russian literature at my university. Although the question was asked a bit tongue-in-cheek, perhaps for the sake of debate rather than to make a point, it is symptomatic of the lingering prejudices against literary translation studies. Sure, the institutionalization of Translation Studies has been achieved, but at the same time translation scholars still tend to be confined within frontiers in the scholarly landscape that they are not always allowed to transgress – quite ironically, since transgression is at the heart of their research topic.”

And here’s the conclusion:

“In addition to being a very well-written volume, Translation and the Making of Modern Russian Literature helps us to envisage new histories of Russian literature, in which translation is rehabilitated in its variety of productive roles.”

What is written in between the opening thought and the conclusion, is available to the current subscribers of Target at http://doi.org/10.1075/target.16114.bou.

target pic.png

 

Getagged , , , , , , , ,

“Verlangen naar zuivering” Johan de Boose bespreekt De Manon Lescaut van Tourdeille

Fijne bespreking door Johan de Boose van de novelle De Manon Lescaut van Tourdeille, die ik voor Leesmagazijn uit het Russisch vertaalde:

“Er zijn nog onontdekte meesterwerken in de literatuur. Sommige blijven zelfs decennia lang ongepubliceerd in iemands lade liggen, totdat ze eindelijk hun weg vinden naar een lezerspubliek. De Russische oorlogsnovelle De Manon Lescaut van Tourdeille. Kroniek van een liefde is zo’n chef d’oeuvre. De titel is wat omslachtig en schrikt de lezer misschien af, en de ondertitel is te gewoontjes om de lading te dekken, maar één ding staat vast: dit boek mag op de plank staan naast zijn grote voorgangers, geschreven door Anton Tsjechov, Lev Tolstoj en Ivan Toergenev. […]

Vsevolod Petrov heeft al met al een veel interessanter politiek verhaal geschreven door het niet expliciet over politiek te hebben – interessanter, universeler en dus ook tijdlozer dan de politiek correcte heroïsche bombast van Vera Panova of Viktor Nekrasov. Het geniale zit hierin dat deze novelle tegelijk ook een prachtig en ontroerend liefdesverhaal is dat – letterlijk – leest als een trein.”

De volledige recensie, verschenen onder de titel “Verlangen naar zuivering”, kan je lezen op het platform voor literaire kritiek deReactor.

mltdereactor.png


 

cover-manon-lowresVsevolod Petrov. De Manon Lescaut van Tourdeille.Kroniek van een liefde. Met een nawoord door Oleg Joerev. Leesmagazijn: 2017. Vertaling uit het Russisch.

‘Soepel vertaald meesterwerk’ – De Tijd

‘Dit boek mag op de plank staan naast zijn grote voorgangers, geschreven door Anton Tsjechov, Lev Tolstoj en Ivan Toergenev’ – Johan de Boose (deReactor)

Je vindt een exemplaar van De Manon Lescaut van Tourdeille in de rekken van de betere boekhandel, of in de webshop van de uitgever (of bij bol.com als je weinig geduld hebt).

Getagged , , , , , , , , ,

“Poetry that talks back” Arno Van Vlierberghe over Biopolitiek

“Wat Medvedev met Biopolitiek heeft gedaan, is compromisloze, brutale poëzie schrijven die niet om goedkeuring vraagt, die geen institutionele repressie behoeft om betekenisvol en politiek ontvlambaar te zijn. Een van de voornaamste strijdtonelen waarop de schijnbaar onaanraakbare zelflegitimering van de macht nog kan worden bevochten, is dat van de taal, de lijm bij uitstek tussen alle individuele politieke subjecten.”

“De strijd van de dichter, van Medvedev als gewapende vijand van fascisme, is de wezenlijke strijd om de absolute democratische soevereiniteit van the political. (…) het esthetisch programma van Biopolitiek, met haar onverbiddelijke, gewelddadige performatieve taal, is haar eigen politiek: zij is, in zichzelf, de ‘poetry that talks back’.”

De dichter Arno Van Vlierberghe las Biopolitiek, de jongste poëziebundel van de Russische activist en dichter Kirill Medvedev. De integrale tekst van zijn knappe recensie kan je lezen op de site van deReactor.

reactor.png


Kirill Medvedev. Biopolitiek.  Leesmagazijn, 2017. Met een voorwoord door Aleksandr Skidan. Vertaald uit het Russisch door Pieter Boulogne. 68 p. ISBN: 978-94-91717-45-1

biopolitiek-medvedevKirill Medvedev begon aan de in Biopolitiek opgenomen gedichten te schrijven in de nasleep van de Arabische Lente, die even de hoop van de Russische activisten deed opflakkeren. Opvallend zijn de zwarte humor en het burleske. De lyrische ‘ik’, die in vorige bundels aan de zijlijn toekeek op het Russische maffiakapitalisme en het bijbehorende consumentisme, ontpopt zich tot een actieve geweldenaar. Het universum van de dichter lijkt grimmiger te worden naarmate Poetin bij zijn onderdanen de duimschroeven aandraait. De Russische criticus Aleksandr Skidan noemde het ‘een voor iedereen toegankelijk, democratisch straattheater, een blamage aan het adres van de sceptici die niet geloven in de haalbaarheid van het project van de zelfkritische, reflexieve en tegelijkertijd populaire linkse cultuur’. Voor deze dichtbundel ontving Medvedev de prestigieuze Andrej Belyj-prijs, waarvan het prijzengeld bestaat uit een roebel, een fles wodka en een appel.

Na zijn doorbraak als dichter in 2002 nam Kirill Medvedev (1975) stapsgewijs afstand van de Russische literaire wereld, om na een zelf opgelegd moratorium in 2011 een comeback te maken onder zijn eigen voorwaarden. Hij is de auteur van de dicht- en essaybundels Alles is slecht (2000), Invasie (2002), Teksten uitgegeven zonder medeweten van de auteur (2007), 3% (2007) en Lang leven, jong sterven (2011). Naast dichter is Medvedev de Russische vertaler van Charles Bukowski, Pier Paolo Pasolini, Victor Serge en van de neomarxistische theoretici Terry Eagleton en Michael Löwy. Hij is ook een activist van de Russische Socialistische Beweging, de drijvende kracht achter de Vrije Marxistische Uitgeverij en de leadzanger van de band Arkady Kots. In de zomer van 2017 nam zijn politieke engagement de vorm aan van kandidaatstelling voor de Moskouse gemeenteraadsverkiezingen.

Getagged , , , , , , , ,

Beginnerscursus Russisch in Leuven

zapisalsaVoor wie graag eens здравствуйте zou zeggen maar niet weet hoe daaraan te beginnen organiseert het Centrum voor Russische Studies van de KU Leuven een beginnerscursus Russisch in de periode 21 februari – 23 mei 2018.

De cursus wordt gegeven door mijn geweldige collega Ewa Schalley. Wegens succes wordt er een extra groep ingericht, waarin nog plaatsen vrij zijn. Meer info via deze link.

***

Op 18 april 1991 vond in Moskou een van de eerste acties plaats van de kunstactivistische groepering Expropriatie van het Kunstdomein (E.T.I.): een dozijn jongens en meisjes ging toen op het Rode Plein liggen, op zo’n manier dat hun lichamen het vuile Russische woord “ХУЙ” vormden. Met die actie protesteerden ze tegen de nieuwe wet over de zedelijkheid, die vuilbekkerij in het openbaar verbood, en tegen de economische malaise.

wide_detail_picture

Ik bracht dit gisteren, op 6 december 2017, ter sprake in mijn lezing over Post-Sovjet kunstactivisme. Na afloop van de lezing vonden we in het Leuvense Letterenhuis dit:

24852175_10155332975321748_2836178993823377993_n.jpg

Bedankt, Sint!

 

Getagged , , ,

De antikapitalistische kunst van Pjotr Pavlenski als Russisch exportproduct

pavl.jpg

Pavlenski’s actie ‘Belichting’ (2017)

Volgens een Russisch spreekwoord is ‘een ongenode gast erger dan een Tataar’. Op 16 oktober sloeg de Russische kunstenaar Pjotr Pavlenski, die sinds begin dit jaar als politiek vluchteling in Frankrijk verblijft, toe in zijn gastland: voor dag en dauw trok hij naar de Place de la Bastille, waar hij de grote vensters langs weerszijden van de imposante ingang van de hoofdzetel van de Banque de France in brand stak. Het handvol door hemzelf opgetrommelde aanwezige fotografen en journalisten kreeg ter duiding een flyer: De brandstichting in de Banque de France belicht de waarheid die de autoriteiten ons verplichten te vergeten. De bankiers hebben de plaats ingenomen van de monarchen.

Pavlenski’s actie ‘Belichting’ werd onthaald op onbegrip. Nochtans is hij daarin geheel trouw gebleven aan zichzelf. De foto van de brandstichting van de Banque de France lijkt bijna een reproductie van het in 2015 vastgelegde, iconische beeld van Pavlenski, die nog met een jerrycan in de handen poseert voor de brandende deur van de Ljoebjanka, de zetel van de Russische staatsveiligheidsdienst FSB. De kunstenaar trekt dus een parallel tussen de geheime politie van een autoritair regime en een financiële instelling van een democratisch land: in zijn optiek dienen beide instellingen de onderdrukking van het volk. Dat had men niet zien aankomen. Pavlenski was toch de kunstenaar die tegen het Poetinregime protesteerde?

russian-fire.jpg

Pavlenski’s actie ‘Vuur’ (2015)

Zijn reputatie als Poetincriticus heeft Pavlenski niet gestolen. In de pers dook zijn naam voor het eerst op in juli 2012. Toen vond in Moskou het proces plaats tegen enkele leden van Pussy Riot, die in de Christus-Verlosserkathedraal de Moeder Gods in een punkgebed gesmeekt hadden om Poetin te verjagen. Uit solidariteit poseerde Pavlenski bij de Kazan-kathedraal in Sint-Petersburg met toegenaaide lippen en een plakkaat waarop te lezen stond dat Pussy Riot ‘de befaamde actie van Jezus Christus (Mattheüs 21: 12-13)’ had nagespeeld.

Sindsdien haalde Pavlenski zo ongeveer om het half jaar de wereldpers. In mei 2013 protesteerde hij tegen het repressieve regime van de Russische Federatie door zich poedelnaakt en in prikkeldraad gewikkeld te laten afleveren voor het gebouw van de wetgevende vergadering van Sint-Petersburg. In november van hetzelfde jaar nagelde de kunstenaar uit onvrede met de politieke onverschilligheid van zijn landgenoten zijn scrotum aan het plaveisel van het Rode Plein. Minder bekend is de collectieve actie waarmee Pavlenski in februari 2014 reageerde op de Oekraïense Majdan-opstand: vlakbij de plek waar in 1882 Aleksandr II vermoord is, werd een barricade opgeworpen en in brand gestoken. Een half jaar later  sneed Pavlenski, naakt gezeten op de muur van een psychiatrische instelling, met een groot mes zijn rechteroorlel af, om het gebruik van de psychiatrie voor politieke doeleinden aan de kaak te stellen.

7453047.jpg

Pavlenski’s actie ‘Kadaver’ (2013)

Volgens Pavlenski neemt het systeem deel aan zijn kunst, door erop te reageren. Verbazingwekkend genoeg bleef de repressie tegen Pavlenski al bij al beperkt. Dat veranderde toen hij het gebouw van de FSB letterlijk onder vuur nam. Hij bracht enkele maanden in voorhechtenis en in de psychiatrie door, waarna hij veroordeeld werd tot een astronomische schadevergoeding. Kort na zijn vrijlating beschuldigde een bevriende actrice hem en zijn vriendin van aanranding – volgens hemzelf op instigatie van de Russische geheime dienst – waarop ze met hun twee dochters de benen namen naar Frankrijk.

Hoe origineel Pavlenski ook lijkt, zijn acties komen niet uit de lucht vallen. Hij staat onder directe invloed van Aleksandr Brener, die beschouwd kan worden als een van de vaders van het post-Sovjet-Russische kunstactivisme. Het minste wat je kan zeggen is dat Brener een non-conformist is. Terwijl de Russische literatuur- en kunstwereld zich na de implosie van het Sovjetimperium laafde aan de door het Kremlin geboden mogelijkheid om niet met politiek bezig te zijn, stelde hij, zoals de Russische dichter Vladimir Majakovski hem dat voor had gedaan, zijn kunst ten dienste van radicaal linkse ideeën. Hij hield provocatieve performances. Zo verscheen hij tijdens de Eerste Tsjetsjeense Oorlog in 1995 gekleed in boxershort en met bokshandschoenen op het Rode plein, waar hij de president met de woorden ‘Kom op, Jeltsin, kom hier!’ opriep om het tegen hem op te nemen. In 1997 koos hij voor de emigratie, maar dat betekende niet het einde van zijn kunstactivisme. Nog in hetzelfde jaar belandde hij vijf maanden in een Nederlandse gevangenis omdat hij in het Stedelijk Museum Amsterdam met een spuitbus een groot dollarteken had aangebracht op een peperduur schilderij van de door hemzelf bewonderde avantgardistische schilder Kazimir Malevitsj.

ALEXANDER-BRENER1.png

Malevitsj’ schilderij Suprematisme, voorzien van dollarteken door Brener

In zijn Nederlandse cel hield Brener een dagboek bij. Centraal daarin staat zijn verlangen om democratische kunst te maken, ‘voor mensen die niet op hun eigenbelang uit zijn – een nogal pretentieus en wellicht onzinnig streven’. Die kunst is niet passief, maar ‘een ultra-actieve invasie in de wereld, ‘een poging haar totaal te veranderen’. ‘Om tot open, vrije en zonnige verhoudingen te komen is het noodzakelijk de maatschappelijke orde waarin we nu leven en die de naam “kapitalisme” draagt te vernietigen – dat is waar we kunstenaars voor nodig hebben!’ schrijft Brener. Het is in die antikapitalistische, revolutionaire geest dat Pavlenski zijn handelingen stelt, al wil dat nog niet zeggen dat hij een kopie is van Brener. De Russische dichter Kirill Medvedev vatte het verschil tussen beiden treffend samen: ‘Brener is heel vitaal, terwijl Pavlenski er voortdurend naar streeft om zich te monumentaliseren.’

Nu Pavlenski in Parijs de lont in het kruitvat heeft gestoken, is het voor de westerse publieke opinie comfortabele denkbeeld dat zijn acties gericht zijn aan het adres van één land – dat al te vaak gereduceerd wordt tot één kwaadaardige man – niet langer houdbaar. Voor zijn actie werd Pavlenski door een Franse rechter kortstondig in een psychiatrische instelling geplaatst. Momenteel wacht hij in voorlopige hechtenis een proces af. Het Russische politieke establishment wrijft zich in de handjes, want door de kunst van Pavlenski in de medische en criminele sfeer te plaatsen, treedt Frankrijk in de Russische voetsporen. Houdt de parallel tussen beide regimes, die de kunstenaar in zijn recentste actie trok, dan toch steek?

[Gepubliceerd in Knack op 27 november 2011]


Op woensdag 6 december geef ik een lezing aan de KU Leuven in het kader van de lezingenreeks ‘1917-2017: de Russische (R)evolutie’. In een reeks van tien lezingen maken academici uit verschillende disciplines de stand van het land op: waar staat Rusland 100 jaar na de Russische Revolutie? Het volledige programma raadplegen en inschrijven doet u hier.

Getagged , , , , , , , , ,

Themadag Masereelfonds: 100 jaar Russische Revolutie

themadag_masereelfonds_100_jaar_russische_revolutie

Morgen, op zondag 26 november 2017, herdenkt het Masereelfonds de Russische Revolutie. In dat kader geef ik in Brussel een lezing over de invloed van de Oktoberrevolutie op de Sovjet-Russische en de post-Sovjet-Russische literatuur, waarin ik een antwoord zoek op de vraag met welke erfenis we vandaag zitten en wat we ermee kunnen doen. Centraal staan de dichters Vladimir Majakovski en Kirill Medvedev. Welkom! Alle details vind je hier.

Getagged , , ,

Lezing over kunstactivisme in/uit post-Sovjet-Rusland (6/12)

PussyRiot4.11

In het kader van een lezingenreeks over Russische (r)evolutie, houd ik op woensdag 6 december 2017 aan de KU Leuven om 19u30 een lezing over kunstactivisme in/uit post-Sovjet-Rusland. Aanbevolen voor wie niet weet wat hij of zij van Pussy Riot moet denken, maar ook Pjotr Pavlenski komt uitgebreid aan bod. Iedereen is welkom, maar inschrijven is verplicht (via deze link:  https://www.arts.kuleuven.be/crs/lezingenreeks19172017).

Getagged , , , , , , ,

‘Grootse Lajka’ van V. Zaprjagajev

lajkaj

Precies zestig jaar geleden, op 3 november 1957, ging Lajka als eerste hond de ruimte in. De totaal vergeten Sovjetschrijver V. Zaprjagajev schreef er een gedichtje over, dat bij een Sovjetmonument ter ere van Lajka geplaatst werd. Vermoedelijk is het gedicht niet ironisch bedoeld, maar dat is net de charme (of de gruwel). Ik vertaalde het in het Nederlands:

GROOTSE LAJKA

Een hondje als andere honden
Werd bedeeld met een grote eer:
Triomfantelijk werd ze gezonden
Van aard, op een ruimteveer.

Wat Grootse Lajka niet kon weten –
Een hondenverstand gaat dat te boven –
Is dat dit een heldendaad heette
En Rusland haar eeuwig zou loven.

Rondom aard vloog ze non-stop,
Tot zelfopoffering eervol bereid,
Voor de wetenschap brandde ze op
En werd ze een ster voor altijd.

lajka

Getagged , , , , , , , ,

‘Soepel vertaald meesterwerk.’ De Tijd over De Manon Lescaut van Tourdeille (Vsevolod Petrov)

In zijn cultuuragenda van 27 oktober 2017 beveelt De Tijd Vsevolod Petrovs novelle De Manon Lescaut van Tourdeille (Leesmagazijn) aan als een soepel vertaald meesterwerk:

Screenshot_20171104-175017_1


cover-manon-lowresBenieuwd naar de achtergrond van de auteur? Maak hier kennis met hem.

Hier vind je een voorproefje op de novelle.

Vsevolod Petrov. De Manon Lescaut van Tourdeille.Kroniek van een liefde. Met een nawoord door Oleg Joerev. Leesmagazijn: 2017. Vertaling uit het Russisch. ISBN 9789491717444

Getagged , , , , , , , , , ,

Een voorproefje op Vsevolod Petrovs novelle De Manon Lescaut van Tourdeille

vp.png

Vsevolod Petrov (1912-1978)

I

Ik lag op een slaapbank, eigenlijk een brits, die in onze verwarmde wagon geïnstalleerd was. Links was er een muur, rechts lag mijn kameraad, Aslamazjan, gedetacheerd aan het militair hospitaal, net als ik. Achter hem lagen twee vrouwelijke artsen, en daarachter Levit, een apotheker. Aan de overzijde stonden dezelfde britsen, waarop ook lichamen lagen.

Beneden, onder de britsen, leefden de zusters. Dat waren ruwe meiden, voor het grootste deel achttien à twintig jaar oud. Ze kibbelden luid met elkaar en zochten ruzie met de bewoners van boven. Dan grepen ze een gitaar en in koor zongen ze alle mogelijke liederen. Op de stations knoopten ze bliksemsnelle romances aan met militairen van tegemoetkomende echelons.

Van bovenaf had ik een goed zicht op het midden van de wagon, waar het leven soepel zijn gangetje ging. Daar stond een ijzeren kachel, en allen dromden er rond samen met keteltjes. Daar lagen ook stapels brandhout, die tegelijk dienden als stoelen. Precies daar begonnen de ruzies. Iemand die naar zijn brits vertrokken was gold als afvallig van het strijdtoneel – verder dan dat viel niet weg te gaan. Als de weggegane zweeg en stil lag, dan beschouwde men hem min of meer als afwezig. Er kon zelfs op hem gefoeterd worden, zoals achter iemands rug. Daar werd geen aanstoot aan genomen. Ook om zich te verzoenen kwam men tevoorschijn bij de kachel: hier was de enige levende brandende stip in de enorme en doodse ruimte van vorst en sneeuw.

 

II

Wij reden zo lang dat we beetje bij beetje de tel van de dagen kwijtraakten. We werden overgebracht naar een nieuw front. Niemand wist waarheen we gestuurd werden. We reden van station tot station, alsof we verdwaald waren. Ze moesten ons vergeten zijn.

De trein ging voort, stond soms lang stil. Rondom lagen velden en bossen in de sneeuw, verwoeste stations. Ik hoorde vaak explosies, soms in de verte, soms bijna naast ons.

De tijd was ietwat schuin gaan lopen: hij verbond het verleden niet met de toekomst, maar leidde me ergens heen.

Rondom mij waren mensen, andere levens, nergens in aanraking gekomen met het mijne.

 

 

III

De kapiteinsvrouw – de echtgenote van kapitein Fomin, een heel grote vrouw met het gelaat van een moordenaar – nam haar aan scrofulose[1] lijdende meisje uit de dekens en gaf haar met haar grote handen onder oorverdovend gekrijs luide klappen, en daarna liet ze haar rondlopen in de wagon, en dan moest je oppassen: het meisje struikelde en sloeg brullend tegen de grond, waarop haar moeder als een boze wijfjesolifant te hulp stormde en alles verpletterde en vertrappelde wat op haar weg lag.

Levit zette zich steevast zo bij de kachel neer dat daar behalve hijzelf niemand meer kon gaan zitten; ook zijn keteltjes verdroegen geen buren op de kachel. Zijn gang door de wagon was apart: eerst zei hij ‘verontschuldigt u mij’, en dan stapte hij met zijn laarzen in iemands soep. Op zijn brits lag hij niet in de lengte, zoals iedereen, maar ietwat dwars, waarbij hij zijn benen uitvouwde over het naburige territorium van de vrouwelijke artsen. Hij sliep met zwaar gesnurk in zodra hij op zijn bres ging liggen, en in zijn slaap rolde hij naar rechts en naar links, overal tegenaan stotend, maar iemand moest maar stilletjes ‘Levit’ zeggen of hij stopte prompt met snurken en trouwens gaf hij dan een prima adequaat antwoord. De meest onschuldige aanslag – bijvoorbeeld de verplaatsing van zijn koffer – bestreed hij met vreselijk gescheld, waarbij zijn speeksel de wagon rondvloog, zodat de kachel siste, en hij begon enkel geen gevecht omdat hij niet meer de jongste was en zwak van gestel. Maar zodra hij op gepaste wijze zijn eigendom en zichzelf in veiligheid gebracht had, werd hij lief en zong hij met plezier in koor met de zusters; een enkele keer danste hij zelfs.

De vrouwelijke artsen naaiden iets.

Galopova, een al wat oudere zuster, voelde zich bij voorbaat door iedereen tekortgedaan. Het scheen haar toe dat het meisje van de Fomins van bovenaf op haar spuugde. Dat gebeurde misschien ook.

‘Wat valt er te lachen? Ik ben niet belachelijker dan jullie,’ zei Galopova wanneer iemand glimlachte.

‘We lachen helemaal niet om u,’ werd haar gezegd.

‘Ik weet wel dat jullie om mij lachen. Er is niets belachelijks aan mij,’ antwoordde Galopova.

Een andere keer nam ze een gitaar en studeerde ze haar enige lied in:

Wat sta je daar te schudden,

Ra-ammelende lijsterbes.

Het lied lukte haar allerminst. Wanneer haar gevraagd werd op te houden, zong ze het met bijzonder lijden uit tot het eind, waarna ze onmiddellijk herbegon vanaf het begin.

‘Ik ben geen greintje slechter dan anderen,’ legde Galopova uit.

Mijn buurman Aslamazjan daarentegen was een ridder. Hij sliep erg schilderachtig, op zijn rug uitgestrekt, met een arm onder het hoofd gestoken. Hij hielp iedereen bij het openen en sluiten van onze hels zware wagondeur. Overdag lag hij gewoonlijk blootsvoets op zijn brits, met zijn gespreide tenen tegen het plafond geduwd. Hij was besnord, zwartharig, gezet en sterk. Veel zusters wilden iets met hem beginnen, maar hij liet dat aan zich voorbijgaan en was even lief tegen iedereen. Ook hij was een liefhebber van koorgezangen, al is het zo dat hij nooit danste.

 

IV

De meisjes waren minder verscheiden.

Dat dacht ik tenminste wanneer ik naar hen keek vanaf mijn brits.

Ze hadden hun eigen leven, vol vogelachtige frivoliteit. Onder de britsen scharrelden, verkasten, nestelden en friemelden ze als vogels.

Hun gepraat bestond volkomen uit nogal onstuimige toespelingen en stiltes. Trouwens weerklonken er ook onversneden soldatenvloeken.

Ik kon niet meteen onderscheiden wie van hen Anja was, wie Nadja en wie Tanja. Allemaal waren ze rozig, lacherig, rap van tong. Bleek was alleen Vera Moesjnikova, de snelste, tengerste en onstuimigste. Ieder ogenblik begon ze aan iets nieuws: ze kon de kleine Lariska grijpen, het meisje van de Fomins, zich storten op haar gitaar, beslissen om al haar kledij door te nemen, die uitpakken, uitspreiden en rondgooien, dan ruzie maken met haar vriendinnen om ze dan weer te omhelzen. Op de stations sprong zij als eerste de wagon uit om ergens te verdwijnen; het gebeurde dat ze volledig achterop raakte en ons inhaalde met een of andere stoomlocomotief.

We kwamen aan in L*** en kwamen voor lange tijd vast te zitten op een opstelspoor. Daar stonden al meer militaire echelons. Soldaten wandelden in groepjes van twee en drie langs de treinen.

De meisjes begonnen uit de wagon te verdwijnen. Zelfs Galopova vond aanbidders en werd gesterkt in haar overtuiging dat ze niet slechter dan de anderen was. Langs onze wagon liepen vaak cavaleristen. Een van hen was bijzonder knap: een negentienjarige kerel in een halflange pelsjas, met sabel en sporen, met een blozend en naïef gezicht zoals die voorkomen op schilderijen die Russische adonissen uitbeelden.

‘Kijk eens,’ zei ik tegen de meisjes, ‘dat is, als je het mij vraagt, een voortreffelijke jongeman.’

Allemaal keken ze naar hem. Hij werd verlegen en ging een beetje verderop staan met zijn sabel en sporen.

’s Avonds verscheen hij in onze wagon. Voorop ging Vera Moesjnikova en leidde hem als een winnares. Hij stapte bedremmeld rond en keek verliefd naar Vera. De meisjes riepen ‘ach’. Meteen begonnen de gezangen. Anja Serova, onze beste zangeres, sperde haar mond open en blaatte als een schaap. Hij zong ook. Vera zat naast hem, opgewonden en trots.

Overigens eindigde in onze wagon alles met liederen. Men kwam bij de kachel, ging zitten op het brandhout en onze wagon begon te trillen. Alleen de vrouwelijke artsen zongen niet – uit verkeerd begrepen aristocratie. En ik, liggend op mijn brits in de hoek, stikte door aanvallen van mijn hartziekte.

 

V

Ze kwamen onverwacht opzetten, soms overdag, maar meestal ’s nachts, na een avond die doorgebracht was op oervervelende wijze, met fletse gesprekken. In het holst van de nacht werd ik wakker: ik ben mezelf niet meer, geen officier, niet die ene man – of liever ben ik enkel nu echt zuiver mezelf, zonder naam, zonder gezicht, zonder herinneringen: slechts een naakt gevoel van tegenstelling. Alles is niet-ik behalve het punt dat ik ben. Dat punt is samengebald tot een punt. In dat punt zit mijn hele doodsangst gepropt: de angst om dat punt te laten schieten. Mijn ademhaling wordt fijngedrukt. Rondom mij slaapt men. Het zou gemakkelijker zijn om in eenzaamheid te sterven, zonder ’s mensen vreselijke onverschilligheid rondom mij te voelen. Maar mijn bangheid gaat niet over hun onverschilligheid. Hier speelt een bijzondere angst. Zij zijn onverschillig omdat ze als het ware niet bestaan in het aangezicht van de dood, ze tellen niet mee. De dood is tot mij alleen gericht. Ik ben krachteloos en de dood zal mij vernietigen.

En er is nog een angst, voor mij de belangrijkste.

Ik ben dus gestorven en mijn geest verlaat mijn vlees. Waar gaat hij heen? Hij trekt dus weg uit mijn lichaam, dat hem op de wereld zet, als een kind. Als een kind is hij zwak en hulpeloos en naakt: het lichaam dekt hem niet toe. En wat als hij uiteenvloeit en zijn vorm verliest, aangetrokken, als door magneten, door de passieve zielen van de rondom mij slapende mensen? Die zielen staan halfopen en klaar om hem te ontvangen.

Mijn geest zal oplossen en in deeltjes de ziel van iedere slapende binnengaan. In ieder van hen zal er een klein stukje van mij zitten, en ikzelf zal verdwijnen.

Nee, ik moet alleen met mezelf sterven en met mijn laatste wilsinspanning de vorm van mijn geest bewaren, tot hij zelf sterk genoeg is in zijn nieuwe lot.


Scrofula[1] Scrofulose of koningszeer is een tegenwoordig zeldzame aandoening van de halsklieren, die kon leiden tot misvormingen aan het gezicht.


cover-manon-lowres

Benieuwd naar het vervolg?  Je vindt een exemplaar van De Manon Lescaut van Tourdeille in de rekken van de betere boekhandel, of in de webshop van de uitgever (of bij bol.com als je weinig geduld hebt).

Benieuwd naar de achtergrond van de auteur? Maak hier nader kennis met hem.

Vsevolod Petrov. De Manon Lescaut van Tourdeille. Kroniek van een liefde. Met een nawoord door Oleg Joerev. Leesmagazijn: 2017. Vertaling uit het Russisch. ISBN 9789491717444

Getagged , , , ,

Een woordje uitleg bij de Manon Lescaut van Vsevolod Petrov

petrov

Portret van Vsevolod Petrov door Tatjana Glebova (jaren 1930)

Ongeveer een Russisch mensenleven. Zoveel tijd zat er tussen de creatie en de publicatie van De Manon Lescaut van Tourdeille (klik hier voor een voorproefje) van Vsevolod Petrov (1912-1978). Deze oorlogsnovelle verscheen voor het eerst in 2006, in het Russische tijdschrift Novyj mir. Vorig jaar werd de novelle door uitgeverij Ivan Limach ook in boekvorm uitgebracht, toepasselijk genoeg in Sint-Petersburg, de geboortestad van de auteur. Wanneer precies Petrov zijn novelle schreef, is niet met zekerheid geweten. Vermoedelijk schreef hij ze in 1946, als reactie op de toen pas verschenen roman Reisgenoten van Vera Panova over een bont Sovjetgezelschap dat als personeel van een sanitaire trein in de Tweede Wereldoorlog een collectieve bijdrage levert aan de overwinning op de vijand.

Samen met Viktor Nekrasovs In de loopgraven van Stalingrad vormde Panova’s Reisgenoten de literaire sensatie van de onmiddellijk naoorlogse periode. Terwijl zij in 1947 bekroond werden met Stalinprijzen, respectievelijk van de Eerste en de Derde Klasse, bleef de novelle van Petrov in de lade liggen. Hij heeft het bij leven ook nooit ter publicatie aangeboden. Tijdens de zogenaamde mini-dooi, waarmee de onmiddellijke naoorlogse periode door Russische literatuurhistorici als Dmitri Bykov aangeduid wordt, of zelfs tijdens de dooi, maakte het geen schijn van kans. Daarvoor was het te compromisloos. Niet dat het een openlijke aanval bevat op de Sovjetrealiteit. Wel omdat de Sovjetrealiteit er meesterlijk in genegeerd wordt, ontkend zelfs, zowel door het hoofdpersonage als door de auteur. Symptomatisch is dat het woord ‘kameraad’ door Petrov enkel gebruikt wordt in zijn voorrevolutionaire betekenis. De Russische criticus Andrej Oeritski schreef hierover in NLO (2007, Nr. 85): ‘De Sovjetmacht is weggegomd, vergeten, van haar is geen spoor of geluid te bekennen. Ze interesseert Vsevolod Petrov niet.’ De auteur is de grootmeester van het escapisme.

Terwijl oorlog het hoofdthema is van Panova’s Reisgenoten en van Nekrasovs In de loopgraven van Stalingrad, is die in De Manon Lescaut van Tourdeille eigenlijk niet veel meer dan de setting. Het wordt uit de tekst zelf ook niet duidelijk tegen wie gevochten wordt. Meer dan een oorlogsnovelle is het een liefdesnovelle. Daarom draagt het werkje ook als ondertitel Kroniek van een liefde. In eenendertig korte, gedistilleerde hoofdstukken, schetst het de verliefdheid van een naamloze ik-persoon, te herkennen als een vertegenwoordiger van de voorrevolutionaire Peterburgse intelligentsia, die tijdens de Tweede Wereldoorlog als militair arts tewerkgesteld is in een sanitaire trein. Hij is geen positieve held in de zin van het socialistisch realisme. Hij is een individualist, die zich geen deel voelt van het collectief. Tegenover enthousiasme om te strijde ten trekken voor de Sovjetstaat, stelt hij verlammende  doodsangst. Die probeert hij te bezweren met een vlucht in de achttiende eeuw. Wanneer het treinpersoneel zich overgeeft aan gezangen, glipt hij weg om Die Leiden des Jungen Werthers te lezen – uiteraard in het Duits. Zijn vlucht uit de oorlog en uit de Sovjetrealiteit gaat gepaard met een pathetische verliefdheid op Vera Moesjnikova, een aantrekkelijke en kokette droezjinnitsa,[1] in wie hij trekken van de achttiende eeuw ontwaart. Zij doet hem denken aan de Franse koningin Marie Antoinette en meer nog aan Manon Lescaut, de frivole en promiscue heldin van de gelijknamige achttiende-eeuwse Franse schandaalroman. Die associatie is een vloek. Met de Manon Lescaut van Petrov loopt het even slecht af als met die van Abbé Prévost. Maar niet vooraleer de romantische held met haar een tijdloze plattelandsidylle beleeft in het dorpje Toerdej – dat hem Bretons in de oren klinkt, als Tourdeille. Omdat die idylle ooit bestaan heeft, al was het maar voor hemzelf, kan hij ernaar terugkeren wanneer alles is verwoest, als naar een eiland. In de novelle wordt de creatie van dat eiland op mysterieuze wijze aangekondigd: ‘De tijd was ietwat schuin gaan lopen: hij verbond het verleden niet met de toekomst, maar leidde me ergens heen.’

In het nawoord bij deze novelle (dat een prima voorwoord zou zijn, als het niet zo veel details van de plot verried) legt de emigré Oleg Joerev het belang uit van De Manon Lescaut van Tourdeille, die hij ‘een sleutel tot het raadsel van de Russische cultuurgeschiedenis’ noemt. De novelle gunt ons een blik in de parallelle literaire wereld zoals die onder Stalin bijna onzichtbaar naast de officiële literatuur bestond. Vsevolod Petrov heeft zijn werk nooit ter publicatie aangeboden, maar hij las het wel af en toe voor aan vrienden, op verjaardagen. Zelf was Petrov, die stamde uit een oud adellijk geslacht, afkomstig uit de kring rond de befaamde dichter van de Zilveren Eeuw Michail Koezmin (1875-1936), die in weerwil van de Sovjets de erfenis van het modernisme levend probeerde te houden. Het is onder diens invloed dat Petrov zelf begon te schrijven. Zijn Manon Lescaut van Tourdeille droeg hij ook op aan Koezmins nagedachtenis, waarmee hij aan de lezer of luisteraar ook meteen te kennen gaf niets met de officiële Sovjetliteratuur te maken te hebben. In de jaren dertig was hij bevriend met de avant-gardistische dichters Daniil Charms (1905-1942), Nikolaj Olejnikov (1898-1937) en andere halve en hele oberioeten. Over de eerstgenoemde heeft Petrov unieke memoires nagelaten, waarin hij schreef dat het lot hem had voorbestemd om ‘de laatste vriend van Charms te worden’. De absurdist droeg een van zijn late verhalen uit de bundel ‘Voorvallen’ op aan Petrov.

De kringen rond Koezmin en de oberioeten werden opgerold door het lot en de NKVD. Het leven van Vsevolod Petrov ging verder. Voor en na de Tweede Wereldoorlog, waaraan hij vanaf juli 1941 deelnam als militair, verdiende hij zijn brood als werknemer van het Russisch Museum. Hij werkte er als pupil van de befaamde kunstkenner Nikolaj Poenin, die hem voorstelde aan zijn toenmalige vrouw Achmatova. Ten gevolge van beschuldigingen van formalisme en een hetze tegen Poenin, werd Petrovs positie in het Russisch Museum tegen 1949 onhoudbaar. Hij slaagde erin om zich heruit te vinden tot onafhankelijk literator. Hij schreef biografieën van populaire schilders. Onder Chroesjtsjov en Brezjnev groeide hij uit tot een gerespecteerd kunsthistoricus. Nog altijd is zijn magnum opus Mir isskustva (De kunstwereld), over de gelijknamige voorrevolutionaire kunstenaarsbeweging, een standaardwerk voor Russische kunstkenners.

Toen het stoffelijk overschot van Vsevolod Petrov in 1978 werd geplaatst naast dat van zijn vader, een beroemd oncoloog, in Komarovo bij Leningrad, kende bijna niemand hem als bellettrist. Maar daarmee was het laatste woord over De Manon Lescaut van Tourdeille nog niet gezegd. Niet voor niets is het motto van deze novelle de dichtregel ‘Nog niet dood is de bekoring’, ontleend aan het gedicht ‘Ja Moezoe joenojoe, byvalo’ (1824) van de romanticus Vasili Zjoekovski. Daarin betreurt de dichter dat de inspiratie hem verlaten heeft. Niettemin is hij hoopvol, want hij wordt beschenen door de ster van het ‘Genie van de zuivere schoonheid’. De geciteerde dichtregel roept automatisch het volgende vers op, tevens de slotregel van het gedicht: ‘Het verleden zal eens herleven’. Het eilandje dat Petrov in volle Stalintijd voor zichzelf en zijn vrienden heeft gecreëerd kan nu ook aan ons ontsnapping bieden.


rm_20_434

“Droezjinnitsy van het Rode Kruis! Op het slagveld laten wij de gewonden noch zijn wapens achter.” (propagandaposter van de Sovjets uit de Tweede Wereldoorlog)

[1] In WOII sloeg de term ‘droezjinnitsy’ op vrijwel ongeschoolde vrouwen die massaal ingezet werden om gewonde soldaten van het slagveld te halen en te verzorgen. Een Sovjetpropaganda-affiche gericht aan de droezjinnitsy heeft als leuze ‘Op het slagveld laten wij gewonden noch wapens achter’.


cover-manon-lowres

Benieuwd naar het boek? Lees hier de eerste hoofdstukken, bij wijze van voorsmaakje.

Vsevolod Petrov. De Manon Lescaut van Tourdeille. Kroniek van een liefde. Met een nawoord door Oleg Joerev. Leesmagazijn: 2017. Vertaling uit het Russisch.

Je vindt een exemplaar van De Manon Lescaut van Tourdeille in de rekken van de betere boekhandel, of in de webshop van de uitgever (of bij bol.com als je weinig geduld hebt).

Getagged , , , , , , , , , , ,