Optimisme vanonder het juk. Vasili Grossman: Leven & lot

De Russische Jood Iosif Solomonovitsj Grossman (1905-1964), om redenen van doorgedreven russificatie beter gekend als Vasili Semjonovitsj Grossman, groeide onder Stalin uit tot een gerespecteerd prozaïst en oorlogsverslaggever, maar kreeg na WO II in de partijpers enkele rake klappen te verduren. Zijn gedweeheid maakte plaats voor revolte. Gedurende ruim een decennium werkte hij in het geheim aan zijn opus magnum Leven en lot. Het is een epos over mensen van vlees en bloed die in WO II aan beide zijden van de Duits-Russische fontlinie zuchten onder het juk van totalitarisme. Als burger of soldaat, in vrijheid of gevangenschap, als dader of slachtoffer.


Het is geen geheim dat Grossman voor deze roman zijn mosterd is gaan halen bij Lev Tolstoj, aan wie hij dan ook meer dan eens refereert. De meest voor de handliggende gelijkenis tussen de auteurs van Leven en lot en Oorlog en vredeis dat beiden een groot aantal fictionele romanfiguren in een breed panorama van historische gebeurtenissen plaatsen, met in het centrum de gewapende strijd tussen een Centraal-Europese invasiemacht en de Russische natie. Zoals de geschiedenis het wilde, wordt bij Grossman de noodlottige rol van de Franse troepen door de Duitse legers vertolkt, en die van Napoleon door Hitler.

Een meer fundamentele analogie tussen Leven en lot en Oorlog en vrede is dat beide epen doordrenkt zijn van liefde voor de mens, ook al staat deze aan de wieg van de beschreven destructie. Vooral in het geval van Grossman is dit verbazend, aangezien hij het geschiedenisboek van de mensheid openlegt op precies de smerigste pagina’s – de slag bij Stalingrad, de nazikampen, de goelag –, ieders verantwoordelijkheid voor die smerigheid erkent, en niets tracht te vergoelijken. De auteur is, bij monde van zijn personages, emotioneel betrokken, maar meer geïnteresseerd in de interpretatie van de feiten dan in expliciete verontwaardiging. Hij schrijft bijvoorbeeld over de kampen dat ze ‘de steden van het Nieuwe Europa’ zijn geworden: ‘Ze waren verrezen en gegroeid, met een eigen plattegrond, eigen straten en pleinen, ziekenhuizen en vlooienmarkten, crematoria en stadions. Wat leken de oude gevangenissen, weggestopt in de voorsteden, naïef en gemoedelijk patriarchaal in vergelijking met die kampsteden, in vergelijking met die gekmakende purperrood-zwarte gloed boven de crematoria.’

Het is eveneens naar voorbeeld van Tolstoj dat Grossman het commentaar van de verteller lardeert met essayistische beschouwingen van filosofische, maatschappelijke en antropologische aard, die de handeling vertragen en in een verrassend perspectief plaatsten. Tot de meest belangwekkende passages behoren zijn redeneringen over de menselijke volgzaamheid in een totalitaire staat, en de verdrukking van de aangeboren vrijheidsdrang. Zo vraagt hij zich hardop af of de mens zijn vrijheidsdrang kan verliezen. Op basis van historische gebeurtenissen komt Grossman tot de conclusie dat dit niet het geval is: ‘De natuurlijke menselijke vrijheidsdrang kan worden onderdrukt, maar niet vernietigd. Zonder geweld kan het totalitarisme niet bestaan. Als het afziet van geweld, sterft het.’ De auteur besluit optimistisch: ‘Die conclusie biedt hoop voor onze tijd en voor de toekomst.’

Het is wellicht aan zijn optimisme te danken dat Grossman niet in het minst geneigd is tot ideologische zelfcensuur. Dit blijkt ten eerste uit de waslijst van wandaden van de Sovjetautoriteiten die in dit werk geëtaleerd wordt: het neerslaan van de antileninistische opstand van de matrozen van Kronstadt, de gewelddadige collectivisatie van het platteland, de bloedige processen tegen de zogenaamde oppositie van de partij, de Stalinterreur van 1937, het pact met Hitler over de invasie van Polen, etc. Ten tweede komt Grossmans compromisloze waarheidsdrang tot uiting in de manier waarop hij deze Sovjetmisdaden benadert: niet als accidents de parcours, maar als behorend tot de essentie van totalitarisme, zoals dat ook geldt voor de Holocaust.

Net als zijn klassieke leermeester streeft Grossman er ook naar zijn hoofdpersonages psychologisch uit te diepen tot op het bot, wat bijzonder geloofwaardige exemplaren oplevert. Mooie voorbeelden zijn de bolsjewiek van het eerste uur Mostovskoj, die zich als gevangene in een Duits concentratiekamp meer dan ooit vastklampt aan de juistheid van Lenins zaak, en de kinderloze oude vrouw Sofja Osipovna, die zich net voor haar dood nog moeder voelt, omdat een jongetje waarover ze zich ontfermt in de gaskamer in haar armen één ogenblik eerder sterft dan zij. De meeste aandacht gaat echter naar de autobiografisch gekleurde Viktor Strum, een getalenteerd Sovjetfysicus van Joodse origine met een weinig benijdenswaardig lot. Nadat zijn moeder het slachtoffer is geworden van de massamoord op de Joodse bevolking van de Oekraïne, en de zoon van zijn vrouw is gesneuveld aan het front, degenereert zijn huwelijk tot een kooi van eenzaamheid. Als reactie hierop stort Strum zich op zijn wetenschappelijke arbeid, wat hem tot geniale ontdekkingen brengt. Aanvankelijk wordt hij door zijn collega’s de hemel in geprezen, maar al snel wordt hij het slachtoffer van een antisemitische lastercampagne, op touw gezet door jaloerse etnische Russen. Strum raakt eerst geïsoleerd en wordt daarna onder zware druk gezet om zichzelf publiek te beschuldigen, al is het hem niet duidelijk van wat. Hij wordt verscheurd tussen enerzijds zijn trots en waarheidsliefde en anderzijds angst en pragmatische overwegingen. Wanneer hij er uiteindelijk voor kiest om het totalitair spelletje niet mee te spelen, en zich instelt op een arrestatie, krijgt hij een telefoontje van Stalin die hem – als een deus ex machina – zijn afgepakte glorie terugschenkt. Een vergiftigd geschenk, zo blijkt, want het duurt niet lang vooraleer hij opnieuw onder druk wordt gezet om een bijdrage te leveren aan de totalitaire terreur. Ditmaal toont de man minder moed.

Ironisch genoeg had de publicatiegeschiedenis van Leven en lot voor hetzelfde geld door Grossman zelf geschreven kunnen zijn: het is een volmaakte illustratie van het fenomeen van totalitarisme waaraan het boek gewijd is. Toen Chroesjtsjov in de zgn. dooi met veel poeha afrekende met enkele uitwassen van het stalinisme, waagde de auteur zijn kans: in 1960 bezorgde hij zijn manuscript aan de redactie van het Sovjettijdschrift Znamja. Naïef, zo bleek, want enkele maanden later werd zijn lijvige geesteskind geconfisqueerd. Het liberale klimaat ten spijt kon Leven en lot niet door de beugel van de ideologie. Curieus is dat Grossman zelf door de KGB ongemoeid werd gelaten. Wel werd de schrijver onder druk gezet om de ‘onjuiste, schadelijke strekking’ van zijn boek te erkennen. In plaats daarvan schreef hij aan Chroesjtsjov een lange brief, waarin hij in niet mis te verstane termen zijn overtuiging uiteen zette dat zijn boek geschreven was in naam van de waarheid en dat het verbod erop in strijd was met de leninistische normen van vrijheid en democratie waar zo prat op gegaan werd. Grossmans bede om zijn roman in vrijheid te stellen was tevergeefs. In 1964 stierf hij in Moskou aan kanker, zwaar ontgoocheld over het lot van zijn boek.

Leven en lot zou een stille dood gestorven zijn, ware het niet dat Grossman – wie noemde hem naïef? – voorzorgsmaatregelen had getroffen. Vooraleer zijn manuscript in te zenden, had hij een kopie toevertrouwd aan een bevriende dichter. In de beste der Sovjettradities werd hiervan in de jaren ’70 met medewerking van mensenrechtenactivisten Vojnovitsj en Sacharov een microfilm vervaardigd en in beetjes naar het buitenland gesmokkeld. Geëmigreerde Russische literatoren reconstrueerden zorgvuldig de tekst. In de mate van het mogelijke, want veel was onleesbaar. In 1980 verscheen dan de eerste Russische versie van Leven en lot bij L’Âge d’Homme, de Zwitserse uitgeverij die zich destijds ontpopt had tot een spreekbuis voor Sovjetdissidenten. Pas in volle perestrojka kon Grossmans epos ook in Rusland verschijnen. Kort daarop kwam uit dat hij ook nog een manuscript had verstopt bij een studievriend in de provincie. Op basis van dit exemplaar, voorzien van de laatste aanvullingen en correcties van de auteur, werd in 1989 de eerste complete Russische versie van Leven en lot uitgegeven. Postuum kreeg Grossman in zijn vaderland dan toch nog de erkenning die hem toekwam.

Het is kenmerkend voor een kleine literatuur als de Nederlandse dat van dit werk bij ons tot voor kort nog geen vertaling bestond. Met deze uitgave van Balans, die eerder een selectie van Grossmans oorlogsnotities publiceerde, is deze gênante lacune eindelijk opgevuld. Dat dit op gepaste wijze is gebeurd is in de eerste plaats de verdienste van Froukje Slofstra, die de bijna duizend bladzijden tellende mastodont van Grossman met veel respect voor het origineel in een onberispelijk en bijzonder genietbaar Nederlands vertaalde. Bovendien heeft ze de moeite genomen om de talrijke Sovjetrealia en verwijzingen naar historische figuren en gebeurtenissen nader toe te lichten. Als gevolg hiervan telt deze roman ruim 350 eindnoten – wat voor sommigen misschien van het goede teveel is. Ook werden achteraan in deze uitgave een stamboom, een lijst van de belangrijkste personages, enkele kaarten, een nawoord van de vertaalster en de fameuze brief van Grossman aan Chroesjtsjov opgenomen.

[Recensie verschenen in De leeswolf]
Getagged , , ,
%d bloggers op de volgende wijze: