I
Oktober breekt al aan: nu al schudt de boom
van poedelnaakte takken zijn laatste blaadjes;
Achter de molen kabbelt nog een stroom,
terwijl de wegen degenereren tot gladde paadjes.
De vijver is verstild, vertrokken is mijn buur
naar afgelegen velden, op jacht, op avontuur;
zijn roedel doet de ingedutte eik ontwaken,
onder zijn laarzen hoor je boerenkolen kraken!
II
Straks komt mijn tijd: ik houd niet van de lente;
Haar dooi is saai, haar slurrie meurt—ze maakt me ziek;
Mijn bloed wordt zuur, mijn kop en hart ellendig!
Ik hou van winterkou—zij zorgt voor een piek
in mijn gemoed: niets boven dat maanverlichte tochtje
in je slede door de sneeuw, stuivend door de bochten,
met aan je zijde, fris en knus, in sabelpels, een snoes;
sidderend en smachtend, knijpt ze je hand tot moes!
Vertaald uit het Russisch door Pieter Boulogne
I
Октябрь уж наступил — уж роща отряхает
Последние листы с нагих своих ветвей;
Дохнул осенний хлад — дорога промерзает.
Журча еще бежит за мельницу ручей,
Но пруд уже застыл; сосед мой поспешает
В отъезжие поля с охотою своей,
И страждут озими от бешеной забавы,
И будит лай собак уснувшие дубравы.
II
Теперь моя пора: я не люблю весны;
Скучна мне оттепель; вонь, грязь — весной я болен;
Кровь бродит; чувства, ум тоскою стеснены.
Суровою зимой я более доволен,
Люблю ее снега; в присутствии луны
Как легкий бег саней с подругой быстр и волен,
Когда под соболем, согрета и свежа,
Она вам руку жмет, пылая и дрожа!
1833