Categorie archief: Uncategorized

Het beeld van de Russische beer in het Westen en in Rusland (online-lezing)

Samen met mijn collega Luc van Doorslaer (University of Tartu, KU Leuven) hield ik gisteren voor het Centrum voor Russische Studies (KU Leuven) een online-lezing over het beeld van de Russische beer in het Westen en in Rusland. Wie er niet bij kon zijn, maar wel graag Russische beren ziet (vanaf een veilige afstand), kan hieronder de opname van de lezing bekijken. Met dank aan Anna Sashchenko, coordinator van het Centrum voor Russische Studies.

Deze lezing is gebaseerd op het hoofdstuk ‘Russian bears on the move, or how national images are transferred’ dat Luc van Doorslaer en ik geschreven hebben voor het recent verschenen boek Transfer Thinking in Translation Studies: Playing with the black box of cultural transfer. Hier is daarvan de abstract:

This chapter studies how animal images are socially constructed as representations of national or cultural identity, and how they function when they are transferred to other linguistic and cultural areas. While symbol and image attribution are essentially variable and changeable, they potentially carry a high degree of national and cultural image projection. The case study under investigation is that of the bear, which has been used as a symbol for several countries, regions and other collectivities. Whereas features such as wildness and strength often reappear, a bear can also be associated with softer characteristics such as kindness and friendliness. This chapter analyzes the different adaptations of the bear in relation to Russia. On the one hand, especially in the West, a negative hetero-image was/is used, mainly in a context of armed conflicts and geopolitical tensions, and on the other, in today’s Russia, positive auto-images are used, for instance in the logo of the political party United Russia. These diverging contextualizations and interpretations illustrate the flexibility of image attribution through cultural, geographical or temporal transfer.

Drie verhalen van Aleksandra Boltovskaja in Tijdschrift voor Slavische Literatuur

In het laatste nummer van Tijdschrift voor Slavische Literatuur, dat nu ongeveer ter perse gaat, staan drie nieuwe, door mij uit het Russisch vertaalde verhalen van Aleksandra Boltovskaja: ‘De muskusratbonten muts’, ‘Mijn moerastijd’ en ‘Tante Sjoera’. Daarin vertelt ze over het tv-programma Exotische liefde, haar moerassige jeugd in een Sovjetgat bij Leningrad en een kordate buurvrouw aan wie ze als kind plechtig beloofde nooit te zullen trouwen.

Je krijgt ze binnenkort in je brievenbus, als je tenminste geabonneerd bent op Tijdschrift voor Slavische Literatuur. Als dat niet het geval is, kan je ook gewoon bij mij het boek van Aleksandra Boltovskaja kopen, binnen een dikke maand (ofzo). Ik kom er vermoedelijk nog wel eens op terug (heb honderd exemplaren te slijten).

Voorproefje?

Voorproefje van Aleksandra Boltovskaja’s boek ‘Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde (en trouwde met een Belg)’

In het voorjaar van 2021 brengt uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts een boek uit met aantekeningen van Aleksandra Boltovskaja over haar leven in België als Russische emigrante. Ik vertaalde het uit het Russisch.

Bij wijze van voorproefje vind je hieronder de blurb (flaptekst) en drie verhalen, die eerder gepubliceerd werden in het literaire tijdschrift Deus Ex Machina.

De blurb

Als we aan de Russen denken, slaat onze fantasie op hol. We dichten ze een peilloos diepe ziel toe, aders gevuld met wodka en een aangeboren hang naar sterke leiders. Maar hoe kijken Russen eigenlijk naar ons? Dit boek geeft je alvast het sprankelende antwoord van één Russin, een vrouw die met kennis van zaken spreekt: Aleksandra Boltovskaja.

Aleksandra werd geboren in 1966 in Kaliningrad en groeide op nabij Leningrad. In de onzalige jaren negentig, na de implosie van de Sovjetunie, leerde ze via briefwisseling een Belgische landbouwer kennen, waarna ze verhuisde naar Limburg, om er met hem te trouwen. Over haar ervaringen als emigrante schreef ze dit tragikomische boek. Het kan gelezen worden als een liefdesverklaring aan haar gastland, België, en als een afrekening met haar moederland, Rusland, maar paradoxaal genoeg is ook het omgekeerde waar. Welkom in het land der sauzenslurpers!

Hoe ik het plan van mijn moeder saboteerde

Mijn ouders zijn gescheiden toen ik amper drie jaar oud was. Mijn vader wilde helemaal niet scheiden. Hij achtervolgde mijn mama tot in Kaliningrad, waar ze naartoe verhuisd was, en gedurende een aantal jaar leefde hij in hetzelfde appartement als wij, als buurman, achter een wandje. Ik weet nog dat ik met mijn vader erg te doen had. ’s Morgens sloop ik zijn kamer binnen, en fluisterden we elkaar geheimpjes toe. Ik weet nog dat mijn moeder in die halfduistere kamer een gesprek met mijn vader voerde, terwijl op de radio mistroostige cellomuziek speelde. Er rolde een traan over vaders wang. ‘Je bent dus in staat iemand kapot te maken?’ ‘Kennelijk wel,’ antwoordde mijn moeder zonder scrupules. ‘Waarom huil je?’ vroeg ik. ‘Maakt die muziek je soms verdrietig?’ ‘Ja, het komt door die muziek.’ Daarna ging hij weg. Mijn vader missen vrat aan mij. Ik verweet mezelf dat ik niet genoeg van hem gehouden had toen ik hem nog binnen handbereik had, achter dat wandje.

Mijn hele jeugd lang weerklonk het refrein van mama’s lievelingslied: ‘Het huwelijk is een weerzinwekkend instituut!’ Toen ik twintig werd, voegde ze er een thema aan toe: ‘De essentie is dat je een kind maakt, en dan bedankt en de groeten! Aan mannen heb je hoe dan ook geen enkele hulp.’ Mijn moeder is arts, ze is goedhartig en ontwikkeld, leeft mee met zieke mensen en straathonden, maar tussen haar en het huwelijk heeft het nooit geboterd.   

Toen ik wat ouder werd, las ik bij Margaret Mitchell dat iedere moeder bewust of onbewust het verlangen koestert dat haar dochter in haar voetsporen zou treden. Dat is precies wat ik heb gedaan.

Mijn eerste huwelijk was vanaf dag één ten dode opgeschreven, maar hoewel ik de tragische afloop voorvoelde, liep ik in rechte lijn mijn ongeluk tegemoet, net een auto met kapotte remmen. Niet alleen pasten we noch uiterlijk, noch innerlijk bij elkaar, ook werden we al van het prille begin geteisterd door allerhande tegenslagen. Mijn man en ik raakten op hetzelfde ogenblik onze baan kwijt. Meteen daarna raakte ik zwanger, terwijl de onzalige jaren negentig al om de hoek piepten. En toen kreeg ik het boek Je kunt je leven helen van Louise Hay in handen. Ik onthield er maar één zinnetje van, maar het zette mijn voorgeprogrammeerde brein helemaal op zijn kop. Hier heb je het: ‘Als je ontevreden bent met je leven of jezelf, stel je dan iets voor waarmee je wel tevreden kunt zijn, wens het uit alle macht, richt je wens tot de ruimte, en de krachten van het heelal komen je te hulp gesneld!’ Dat was nog niet alles. Je moest ook actie ondernemen, niet enkel maar dromen, en uitzinnig blij zijn dat je wensen spoedig gingen uitkomen.  

Toen heb ik zo hard ik maar kon iets gewenst. Mijn wens was eenvoudig: ik wilde het door mijn moeder uitgedokterde plan saboteren, door een gezin te stichten. Ik wilde iemand tegenkomen die ik niet als een zoontje zou moeten bemoederen, maar een man, een vriend, misschien zelfs de vader die ik heel mijn leven lang zo heb gemist. Ik stelde mij hem voor, riep hem aan, en soms geloofde ik dat in mijn brievenbus al een brief van hem op mij lag te wachten. Al die tijd bleef mijn ex in de aangrenzende kamer wonen, precies zoals mijn eigen vader lang daarvoren had gedaan. Ik voelde me rustig en evenwichtig. Ik verspreidde zelfs het gerucht dat ik al iemand was tegengekomen. Zo verkondigde ik het ook tegenover mijn ex: ‘Ik ben al iemand tegengekomen.’ Diezelfde dag ontving ik een brief van mijn vader. Ik herinner me als de dag van gisteren hoe mijn ex die brief uit de bus haalde en hem rennend in een vlaag van jaloezie openscheurde, terwijl ik hem op de trap achterna naliep.  

De rest ging vanzelf. Op een bepaald ogenblik begon de Sint-Peterburgse krant Soroka een rubriek met advertenties voor PenPals, terwijl ik maar al te graag met iemand in het Engels wilde corresponderen. Ik had altijd al graag brieven geschreven, en was net beginnen bijverdienen met het geven van Engelse les. Een pennenvriend kon ik wel gebruiken! Eerst correspondeerde ik met een Noor, daarna besloot ik om zelf een advertentie te plaatsen. Al snel werd ik bedolven onder brieven uit alle hoeken van de wereld! De briefschrijvers waren allemaal mannen. Tot de eerste zwerm zwaluwen behoorde de brief van een man die ik bij mezelf ‘the Belgian farmer’ doopte. De brief was kort en kundig geschreven. Zijn tweede brief bevatte een zelfgemaakte prentkaart met gedroogde kersenbloesems die hij op rood karton had geplakt, en een fotootje – zodra ik er een blik op wierp, begreep ik dat dit mijn toekomstige man was.

Tijdens mijn adolescentie was ik er in mijn naïviteit vanuit gegaan dat ik alleen maar zou kunnen trouwen met iemand die van Dostojevski, Mozart en nog een hoop andere dingen hield. Op mijn twintigste had ik mijn lijstje nog aangevuld met de rockmuzikant Boris Grebensjtsjikov. En daar stond ik dan met een Belgische landbouwer.  

Een gewone man, zonder pathologische kenmerken. Dit was geen kalverliefde, maar de doordachte beslissing van een volwassen vrouw, die moe was. Zoals een paard moe wordt dat als veulen al wordt geslagen en opgeladen, en daarbij te horen krijgt: ‘Kijk eens om je heen! We lopen allemaal in het gareel. We zijn allemaal knollen die met zakken aardappels over een modderpaadje lopen te zeulen. Je raakt het wel gewend. Het hoort nu eenmaal bij het leven.’    

De trap

‘Op reis ga je ofwel voordat je kinderen krijgt, ofwel erna,’ zei mijn man. ‘Zie je trouwens niet dat ik mijn handen vol heb met ons Huis? Als het allemaal af is en de kinderen groot zijn, dan gaan we op reis.’

Ik knikte en keek aandachtig om mij heen. Ons Huis was groot, onaf, met de droevige charme van de oude tijd, die me altijd al aangetrokken had, al sinds ik een klein kindje was, boekjes van Dickens las – oude uitgaven, met prentjes erin. Die schoorstenen met hun eiken mantels, waarop oude schoorsteenklokken toornden, hun slagen, die zoldering van eiken balken, verdonkerd door de tijd… Driehonderd jaar geleden was dit Huis een klooster geweest, en daarna had het onderdak geboden aan een burgemeester. Joost mag weten welke drama’s zich binnen deze muren hebben afgespeeld, welke smeekbeden deze gewelven en deze ruwe muren zich nog herinneren. De muren zijn dan wel vervangen, alles is afgebroken en baksteen per baksteen opnieuw opgebouwd, maar de energie is gebleven. 

Op twee en een half uur rijden had je Parijs, Berlijn en Wenen. Iets verder lagen Londen, Venetië, Rome en Milaan, Madrid en Barcelona. Ze loerden min of meer om de hoek, die aanlokkelijke steden die ik vroeger enkel was tegengekomen in boeken en die ik zo hartstochtelijk graag wilde bezoeken.  

Nu leefde ik zelf in het hartje van Europa, in het glanzende Koninkrijk België. Dat piepkleine landje lag daar op een zilveren schoteltje met zijn neus in de boter tussen Parijs en Berlijn.

Maar mijn man kon het allemaal worst wezen! Omdat hij hier geboren was, was hij het allemaal gewoon en wond hij zich er niet over op. En ik die had gedacht dat hij me meteen na ons trouwfeest Parijs zou laten zien, of toch op zijn minst enkele Belgische steden. Ik had hem toch ook mijn stad laten zien, toen we nog verloofd waren! Maar dat deed er niet toe. Mijn man had genoeg aan ons Huis, zijn ‘hoogstpersoonlijke koninkrijkje’. Zoals hij voor ons huwelijksfeest ’s weekends met zijn kruiwagen in de weer was geweest om bakstenen te verslepen, zo ging hij ook daarna verder. Net Knor uit het sprookje De drie biggetjes. Met dat verschil dat huizen in sprookjes snel af raken. Terwijl onze verbouwingen maar bleven voortduren, ze strekten zich uit over een heel mensenleven.  

Jawel, ook ik begon te helpen bij de verbouwingen. Zo lang het me lukte, want ik raakte al snel zwanger. Daarna kregen we kinderen, en de bouw ging verder in een slakkengang. Beetje bij beetje kreeg ik aan dat Huis van ons een bloedhekel. Ik kreeg het gevoel uit alle hoeken en gaten aangestaard te worden door schimmen uit het verleden: hardvochtige nonnen, moeder-oversten, de burgemeester en zijn eerbare echtgenote, die me over van alles en nog wat verwijten maakten, over mijn kinderachtigheid, mijn gebrek aan kracht, mijn ochtendmisselijkheid en -tranen.

Ik moest en zou me van die muren losrukken. Er tussenuit knijpen. Om de een of andere reden dacht ik toen dat andere stellen de ene reis na de andere maakten! Ik snakte naar adem in dat Huis.

Toen herinnerde ik me dat ik vroeger ook zo gestemd was geweest, toen ik thuis, in Rusland leefde, onder een dak met mijn moeder. ‘Ik voel me hier gevangen,’ zo beklaagde ik me tegenover mijn man. ‘Je zit niet hier gevangen, maar in jezelf,’ antwoordde hij. ‘Heb geduld, zodra het huis af is, gaan we op reis.’

Maar ons Huis was allesverslindend: het slokte cement op, zand, bakstenen, platen en panelen, dakpannen, parket, nieuwe ramen, een trap naar de bovenverdieping, terrastegels,… Mijn man bouwde alles met hoogwaardige materialen: ieder stukje schrijnwerk vroeg om eik, alle beglazing moest dubbel, en op de grond kon niets anders komen te liggen dan parket met vloerverwarming.      

Er verstreken jaren waarin de verbouwingen aan ons Huis zo traag vorderden dat het voor mij glashelder werd dat een mensenleven zich sneller voltooit. ‘Is dat soms wat ik wilde?’ vroeg ik me af. ‘Dat het leven voorbij gaat als een droom, en ik hier verslijt zonder iets te hebben gezien of gekend?’

Toen begon ik zelf een leven te leiden, zonder het einde van de werf af te wachten. Ik vond een baan waarvoor ik op verschillende plekken kwam en mensen ontmoette, ik vond bezigheden die me voldoening gaven, en ’s avonds keerde ik tevreden terug naar ons Huis, dat mij niet langer vijandig gezind was, maar een levend thuis werd.

Toen ten lange leste de eiken trap naar de bovenverdieping geleverd en geplaatst was, met zijn ronde balusters en gekrulde leuning, ging ik erbij staan. Ik streelde zachtjes de leuning en fluisterde ons Huis toe: ‘Ben je nu blij, oudje? Ook ik heb een eigen trap, in mijn hoofd. Onzichtbaar voor het oog, maar hij is er wel. Ik klim erop met dezelfde opstandigheid als de fantast Baron von Münchhausen op zijn kanonskogel in de Sovjetfilm The Very Same Munchhausen, wanneer hij naar de maan vliegt om te bewijzen dat hij wel degelijk Münchhausen is: ‘Glimlach toch, dames en heren, glimlach! Jullie zijn veel te ernstig! Het is met zulke ernstige gezichten dat we op Aarde al onze stommiteiten begaan.’  

De kunst van het overleven

Wie kinderen heeft, denkt dat er na de dood van een kind onmogelijk nog kan worden geleefd. Zo denkt wie zelf geen kind verloren heeft. Want zoiets kan niemand zich voorstellen. Dat is het verschrikkelijkste, ondragelijkste, afschuwelijkste wat je als ouder maar kan meemaken. Als zoiets gebeurt, dan wordt het stil. De verweesde ouder kan alleen maar overleven. Overleven, maar niet leven.

Welnu, beste lezers, jullie hebben het mis. Ook na zo’n rampspoed is er leven. Dat zeg ik jullie als moeder die een dochter verloren heeft. Begraven heeft. Hoewel ik op dat moment, wanneer ik haar zo koud zag liggen, met gekruiste armen, met voor altijd gesloten ogen, niet kon geloven dat dit mij overkwam, ik weigerde te geloven dat dit een feit, werkelijkheid was.         

Ik zei mezelf: nee, dit klopt niet, dit is niet zij. Dit is niet mijn Emilia. Dit is een leeg omhulsel, haar ziel is weggevlogen, die heeft wat anders te doen. En wat ik moet doen, dat is mij herpakken en verder gaan met het leven. Niet overleven, maar leven. Horen jullie dat? Leven!!! Al is het dan verweesd. Al is het dan van haar gescheiden. Maar wel leven. En zelfs redenen vinden om blij te zijn. In de wetenschap dat al onze scheidingen van korte duur zijn. Dat er een moment komt waarop alle dierbaren en geliefden elkaar opnieuw zullen ontmoeten, herkennen, samen zijn. Maar voorlopig moeten wij moedig onze taak des levens uitvoeren, niet eeuwig treuren. 

 
Op de dag van de begrafenis bekeek ik het hele gebeuren als vanop een zijlijn. Daar stonden ze dan, mijn aangetrouwde familieleden: mijn schoonmoeder Yvette, mijn schoonbroer, net Van Eyck, met zijn vrouw en drie zonen, mijn schoonzus Arlette en haar man Adolf, militair op rust. Een grote familie: verre tantes en ooms, die ik van haar nog pluim kende, maar met een onderling vriendschappelijke omgang, hoopten daar aan de linkerzijde van de tafel bijeen. Mij kwam niemand iets zeggen, ik zat in de rechterhoek, omringd door mijn Russische vriendinnen. Deze rampspoed trof hun familie, en ik was niemand, een aangetrouwde Russische, een fokkoe. Zoals ik twintig jaar geleden, toen ik met hun zoon, broer of neef trouwde niemand was, zo ben ik ook vandaag niemand. In die kudde Vlamingen ben ik een vreemde eend in de bijt gebleven. Als ik dat niet vanop afstand bekeken had, alsof dit niet toen, dan en met mij gebeurde, dan zou het me erg hebben gekwetst. Misschien zou mijn hart ervan hebben gebloed.       

Maar ik weet dat het de gewone gang van zaken is, dit heeft niets met mij te maken. En als het toch met mij te maken heeft, dan nog heb ik dit pad zelf gekozen. Dan had mijn ziel die wrange ervaring, die pijn, die beproevingen nodig. Ik weet: niets gebeurt zomaar, toevallig, god zendt ons zo veel beproevingen als onze zielen kunnen uithouden. Niet meer en niet minder.

Het is februari, in onze streek de meest winderige maand. Stormen en rukwinden volgen elkaar in ijltempo op. Ze zijn met velen en zijn zo sterk dat ze zelfs namen hebben gekregen. Twee weken geleden tierde de storm Chiara, gisteren Dennis, en volgend weekend is het de beurt aan Ellen – net afleveringen van een televisieserie. Op het huis, als op een schip in volle zee, beuken natuurkrachten in. De regen striemt en de wind huilt in de ramen, als een wild dier, velt bomen, breekt waslijnpalen, verbrijzelt vensterglas. Enorme bomen met zware stammen worden met wortel en al uitgerukt, en enkel tegen de aarde aangedrukte zwakke sprietjes halen het. Het lijkt wel alsof de aarde zelf op het punt staat open te scheuren en onder onze voeten weg te zinken. ‘Het leven dat daarnet nog naar rechts slingerde, slingert nu naar links’.

Ik ben een zwak sprietje, ik zal volhouden. Als ik in de herfst verdor en ’s winters afsterf, weet dan: in het voorjaar steekt mijn ziel opnieuw de kop op!    

Verhalen van Aleksandra Boltovskaja in Deus Ex Machina

Het julinummer van Deus Ex Machina

Aleksandra Boltovskaja verhuisde in 1996 uit Sint-Petersburg naar een dorp in Limburg. Ze houdt aantekeningen bij over haar leven als immigrant in België.

Haar verhalen, tragikomische non-fictie, kunnen worden gelezen als een afrekening met Rusland en een liefdesverklaring aan België, of Vlaanderen, maar ook het omgekeerde is waar. De lezer weze gewaarschuwd: ze vormen een spiegel waarin we naar hartenlust onze eigen smoelen kunnen bewonderen.

Met een beetje overdrijving zou je kunnen zeggen dat Boltovskaja Günter Wallraff is, die zich in de jaren tachtig de fictieve identiteit van een Turkse gastarbeider aanmat en Ik (Ali) schreef. Alleen hoeft ze als rosharige Russin geen zwarte pruik op te zetten en donkere lenzen te dragen om ons iets te verduidelijken over onze samenleving. Het volstaat ruimschoots dat ze zichzelf is.

Voor het julinummer van Deus Ex Machina vertaalde ik drie verhalen van Sasja. Later meer nieuws over veel meer verhalen.

Het literair tijdschrift Deus Ex Machina is te koop in de betere boekhandel, of online te bestellen.

Naar Jesenin

Salut, mijn lieve vriend, salut.

Ik bewaar je in mijn ziel.

Altijd stond afscheid op het menu,

als belofte van ons weerzien.

Zonder hand of woord, salut.

Geen Egidius, waer bestu bleven.

Sterven is op aard heel déjà vu,

maar dat geldt ook voor leven.

Lotte Loncin recenseert Kirill Medvedevs dichtbundel Biopolitiek voor Poëziekrant

Volgens de Russen zit niemand te wachten op de sneeuw van vorig jaar. Volgens mijn vader is er niets zo oud als de krant van gisteren. Een recensie van een dichtbundel lijkt me daarentegen prima bestand tegen de tand des tijds. Gisteren stootte ik op de onderstaande recensie van Kirill Medvedevs Biopolitiek (Leesmagazijn, 2017), geschreven door Lotte Loncin voor het nummer van Poëziekrant van mei 2018.

imag4037imag4038

 

Maarten van der Graaff en Laurent De Maertelaer over Galina Rymboes “poëzie van het Anthropoceen”

rEELFqtl3I1ZjevAA_G8vg-default

Galina Rymboe

In het radioprogramma Het Nachtkastje van NPO Radio 4 vertellen schrijvers over hun literaire voorkeuren, inspiratie en guilty pleasures aan de hand van boeken die naast hun bed liggen. De voorbije week werd het nachtkastje van schrijver en dichter Maarten van der Graaff geïnspecteerd. Op 3 april 2019 legde hij uit waarom hij zo geniet van de “ontzettend goede poëzie” van Galina Rymboe. Je kan de uitzending hier beluisteren.

Een paar dagen eerder sprak ook literatuurcriticus Laurent De Maertelaer zijn appreciatie uit voor Galina Rymboes dichtbundel Tijd van de aarde, in een diepgravende recensie voor het laatste nummer van MappiLibri en zijn blog The dream life of Balso Snel:

“Haar poëzie heeft een dynamische aurale stootkracht, maar bergt evenzeer ‘een niet mindere energieke reflectie’. Het zijn schromeloos beschouwende gedichten, die een bepaalde sfeer of stemming oproepen en een ‘emotionele dreun’ verkopen, maar tegelijk aanzetten tot reflectie en bezinning”

“De taal van de onderdrukten is minstens even complex en bestaat uit veel lagen: geweld, ideologie, het duistere verleden, indoctrinatie, propaganda. Rymboe’s poëzie wil verder gaan dan de simpele weergave van haar persoonlijke geschiedenis, of het vastpinnen van begrippen als ‘solidariteit’ en ‘klassenbewustzijn’. Maar de dichter kan enkel haar gestileerde taal in de strijd werpen. Ze richt haar pijlen op het vigerende vals bewustzijn van een groot, democratisch Rusland — het ingebeelde eindspel van een simplistisch neoconservatisme, dat ieder gemeenschapsgevoel wegvaagt en vervalt in een machtsdiscours dat refereert aan tsaristisch Rusland en de Sovjet-Unie. Met haar gedichten pleit Rymboe voor een nieuwe tijd, ‘de tijd van de aarde’.”

coverGalina Rymboe is midden juni te gast op de jubileum-editie van Poetry International, het Rotterdamse poëziefestival. Kaarten kan je bestellen via de website.

Galina Rymboe. tijd van de aarde. Perdu: Amsterdam, 2019, 83 p. ISBN 9789051881158. Met een nawoord door Anna Glazova. Vertaling uit het Russisch van Vremja zemli door Pieter Boulogne. Distributie: EPO.

 

‘Am I Lovely? Of Course!’ Female poets from Russia at BOZAR, Brussels

On the occasion of the crowdfunded publication of the poetry collection ‘tijd van de aarde’, the translation from Russian into Dutch I made for the publishing house Perdu, its author, Galina Rymbu, and two other contemporary female poets from Russia, namely Vera Pavlova & Maria Stepanova, will be given the floor at BOZAR in Brussels, on Thursday 28 February 2019. Добро пожаловать!

For tickets, click here.

rymboe.png

 

Beginnerscursus Russisch in Leuven

zapisalsaVoor wie graag eens здравствуйте zou zeggen maar niet weet hoe daaraan te beginnen organiseert het Centrum voor Russische Studies van de KU Leuven een beginnerscursus Russisch in de periode 21 februari – 23 mei 2018.

De cursus wordt gegeven door mijn geweldige collega Ewa Schalley. Wegens succes wordt er een extra groep ingericht, waarin nog plaatsen vrij zijn. Meer info via deze link.

The transvaluation of indirect translation. Review of Geneviève Roche’s Les traductions-relais en Allemagne au XVIIIe siècle

9782271058515FS

The journal Translation Studies has just published a special issue on indirect translation (2017, 10:2), edited by Alexandra Assis Rosa, Hanna Pięta and Rita Bueno Maia. It includes my review of Geneviève Roche’s book Les traductions-relais en Allemagne au XVIIIe siècle. Des lettres aux sciences [Relay translation in Germany in the 18th century: from literature to science], amply providing with food for thought on the productive potential of indirect translation.

bookreview.png

 

 

Petitie van de Leuvense studenten tegen de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde

Studenten van de Leuvense faculteit Letteren hebben vorige week op eigen initiatief een petitie gelanceerd tegen de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde aan de KU Leuven:

Untitled.png

Vlaams minister van Onderwijs krijgt parlementaire vraag over de opschorting van Slavistiek

Tijdens de commissievergadering van het Vlaams Parlement van 19 januari 2017 kreeg de minister van onderwijs Hilde Crevits (CD&V) van Paul Cordy (N-VA), Tine Soens (sp·a) en Ann Brusseel (Open Vld) vragen over de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde (KU Leuven).

“Paul Cordy (N-VA)
We konden vernemen dat de faculteit Letteren van de KU Leuven volgend academiejaar de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde schrapt. De redenen daarvoor zijn een tekort aan studenten – er zijn er slechts twaalf – maar ook de ontoereikende financiering voor de hele faculteit, die dan leidt tot een herstelplan waarbij natuurlijk de kleintjes sneuvelen.

Op zich zou je kunnen zeggen dat een kleine richting niet zo erg is. Anderzijds is de expertise qua taalkunde, economische kennis enzovoort, die in een richting Oost-Europakunde wordt opgebouwd, voor onze samenleving toch niet onbelangrijk. Het gaat om een voor ons zeer belangrijke regio. We moeten erover waken dat dit fenomeen niet zal uitbreiden naar andere kleine opleidingen, bijvoorbeeld Arabistiek. Op die manier verliest onze samenleving toch heel wat kennis, vooral omdat die dan verspreid geraakt.

Ik weet dat universiteiten zelf bepalen welke opleidingen ze aanbieden, maar er bestaat toch een bezorgdheid. We mogen die expertise niet verloren laten gaan.

Hoe kunnen we erover waken dat opleidingen die niet voldoen aan de rendementseisen van het marktdenken, maar toch een intellectuele verrijking bieden én een specifieke expertise opleveren, blijvend kunnen worden aangeboden?”

[…]

“Tine Soens (sp·a)
Minister, ik heb dit probleem al eerder in deze commissie aangekaart, ik denk een tweetal jaar geleden. Helaas is mijn vrees van toen nu ook uitgekomen. Een van de opleidingen waarnaar ik toen in mijn vraag verwees, de opleiding Slavistiek, zou nu worden afgeschaft of bevroren.

Het interne allocatiemodel werd toen aangehaald als een mogelijk probleem. Als ik me niet vergis, zou daar een evaluatie van worden gepland. Hoe zit het daarmee? Ik wil vanuit onze fractie er de aandacht op vestigen dat mensen die worden opgeleid in en kennis hebben van een regio, met bijvoorbeeld een focus op Rusland of de Arabische wereld, vandaag steeds belangrijker worden. Ik neem er even mijn andere commissie, die van Buitenlands Beleid, bij. Dan zie ik dat wij dergelijke mensen zeker nodig hebben om wat er vandaag in de wereld allemaal aan het gebeuren is, te kunnen plaatsen. Ook al zijn het kleine richtingen, ze zijn wel van maatschappelijk groot belang. Ik pleit ervoor dat we er aandacht voor hebben dat dergelijke expertise in Vlaanderen niet verloren gaat.”

[…]

“Ann Brusseel (Open Vld)
Minister, het is inderdaad de verantwoordelijkheid van de universiteiten. Ze organiseren hun studieaanbod zelf. Het kan interessant zijn om hierover van gedachten te wisselen met de universiteit in kwestie, zeker haar zeer mooie slogan indachtig: ‘Ontdek jezelf. Begin bij de wereld.’ Als men verder gaat om in de Letteren en Wijsbegeerte zo het mes te zetten, zou dat kunnen verworden tot: ‘Ontdek jezelf. Begin bij West-Europa.’ Zoals collega Soens zegt, moeten we in Vlaanderen voldoende experten opleiden om de wereld te kunnen begrijpen. Mijn Chinees is niet afdoende en ik heb me zo zwaar verdiept in het Latijn, maar geen kat spreekt dat nog op aarde. Dat valt een beetje tegen dan.

De klacht die mij bereikte van de studentenvertegenwoordigers, is ergens terecht. De Codex Hoger Onderwijs stelt nochtans wel dat het strategisch beleid van een instelling een punt van participatie is van de studenten. Nu zijn ze ingelicht nadat de beslissing genomen werd. Dat is een beetje spijtig. Daarom zijn zij teleurgesteld.

Een ander probleem dat ik wil aankaarten, is dat bepaalde faculteiten wat sneller onder de loep genomen worden voor bezuinigingen dan andere. Ik vind elke faculteit evenwaardig, ook deze die op het eerste gezicht minder economisch rendement opleveren maar die indirect wel renderen. Het is gemakkelijk om u te richten op toegepaste wetenschappen of om economische faculteiten beter te steunen, maar de geesteswetenschappen zouden zich niet telkens zo zwaar moeten verantwoorden voor het feit dat ze ook aan kennis doen.

Ik zie in een documentje dat ik kreeg, dat er niet alleen in slavistiek wordt gesnoeid maar ook in archeologie, musicologie en algemene taalwetenschap en dat er bijvoorbeeld geen opvolging komt voor een deeltijds ambt Griekse taalkunde. Griekse taalkunde is niet zo eenvoudig, beste collega’s. Het deed mijn hart een beetje bloeden dat opnieuw de Letteren en Wijsbegeerte slagen krijgt. Daarom denk ik dat het interessant is om daarover te praten.”

Bron: https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/1105129/verslag/1107849https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/1105129/verslag/1107849

 

Kerstboodschap: De Twaalf

Vanavond en morgen vieren velen onder ons Kerstavond en Kerstmis (de Russen nog niet, die hebben meer geduld). Het is een dag waarop we de wapens neerleggen, waarop we ons bezinnen over het geweld …

Bron: Kerstboodschap: De Twaalf

Opiniestuk Taal- en Regiostudies: Het afschaffen van de richting Slavistiek is tekenend voor de krimpende Vlaamse blik

Bron: De Morgen Arabisten, Japanologen, Sinologen en Slavisten van de KU Leuven laten hun stem horen naar aanleiding van het afschaffen van de richting Slavistiek en Oost-Europakunde. 23 december 2…

Bron: Opiniestuk Taal-en Regiostudies: Het afschaffen van de richting Slavistiek is tekenend voor de krimpende Vlaamse blik