Categorie archief: Auteursportretten

De Sovjets in hun blootje. Een auteursportret van Karel van het Reve

Karel van het Reve over het Russische communisme: “Economische mislukkelingen, een zeer laag levenspeil, onderdrukking en terreur kunnen gerechtvaardigd worden met een beroep op de toekomst, en de afzonderlijke burger is er zich tot op zekere hoogte op den duur niet meer van bewust. Het systematisch doden van alle echte kunstuitingen en het vervangen ervan door zelfs voor vrij botte geesten onverteerbare rommel schept bij allen die erbij betrokken zijn een gevoel van onbehagen dat slechts bij zeer grote afstomping verdwijnt.”

Nu tussen ons en de levende Karel van het Reve (1921-1999) een kloof gaapt van één decennium en vorig jaar zijn privébibliotheek onder de hamer ging, is de tijd meer dan rijp om zijn nagedachtenis te eren met de uitgave van de volledige verzameling van zijn werken. Het doet eer aan de Nederlandse slavist dat uitgeverij Van Oorschot, onder meer gekend van de prestigieuze Russische Bibliotheek waarvoor ook Van het Reve vertaalde, haar noeste schouders onder dit project zet. Van de zeven voorziene delen zijn er tot nog toe twee gepubliceerd. Behalve het jeugdwerk en autobiografische stukken van Nederlands meest geciteerde essayist bevatten deze begerenswaardige volumes ook de handelseditie van zijn proefschrift, tientallen ongebundelde artikelen, lezingen en boekbesprekingen geschreven tussen 1932 en 1968, twee romans, de opstellenreeks ‘Rusland voor beginners’ en het reisverslag Siberisch dagboek.

Van Pionier tot professor

Een gedetailleerd levensbericht van Karel van het Reve werd na zijn overlijden in 1999 door zijn vriend Robert van Amerongen gepubliceerd in het Jaarboek van de Nederlandse Letterkunde. Uit deze biografische karakterschets, ook opgenomen in zijn Verzameld werk, en het proza van de auteur zelf komt een fatsoenlijke, maar alles behalve saaie man naar voren met een weinig praktisch, maar scherp verstand en een onverzadigbare belangstelling voor alles wat naar de Sovjet-Unie of Rusland ruikt – vooral dan literatuur.

De kiemen voor deze hartstocht werden gezaaid door zijn ouders, die hem en zijn beroemder geworden broertje Gerard het marxisme-leninisme met de paplepel ingaven. Zijn vader, ook een Gerard, had zich van textielarbeider opgewerkt tot redacteur bij de communistische krant De Tribune, maar werd na onkiese verdachtmakingen opzij geschoven. Sindsdien verdiende hij zijn brood met vertaalwerk en het schrijven van romans en kinderboeken. Zijn moeder was huisvrouw en medewerkster van de kinderkrant van De Tribune. Anders dan geconcludeerd zou kunnen worden uit De avonden (1947) was het gezin Van het Reve niet verstikkend. In elk geval genoten de jongens veel vrijheid en kwamen ze in aanraking met intellectuelen.

Zijn eerste passen in het literaire veld zette Karel als verslaggever van de op Sovjetleest geschoeide Pioniers, en later als redacteur van officiële en ‘illegale’ schoolkrantjes. Ook vertaalde hij als scholier twee boeken van Paustovski via het Duits. Aan de vooravond van WO II raakte hij in de ban van de colleges Russische geschiedenis van de Russische emigrant Bruno Becker, die hij later als een vaderfiguur voor de Nederlandse slavisten zou bestempelen. Tijdens de oorlog bleef hij zich onder zijn auspiciën verdiepen in de Russische taal en klassieke literatuur, wat hem ertoe bracht om in 1944 een vertaling op rijm van Poesjkins drama Boris Godoenov te maken. Het einde van WO II was nodig om zijn studie slavistiek regulier af te ronden, wat hij deed als een getrouwd man. Hij kreeg ook twee kinderen. Drie jaar na het behalen van zijn doctorstitel in 1954 werd Van het Reve in Leiden benoemd tot hoogleraar in de Slavische letterkunde, een functie die hij tot zijn emeritaat in 1983 met veel plezier zou vervullen. Met uitzondering van de bestuurstaken dan.

De noodzakelijke afwisseling voor zijn strikt wetenschappelijke arbeid vond Van het Reve in een eerste fase in het maken van literaire vertalingen – voor het vertalen van Toergenjev werd hem in 1979 de Martinus Nijhoffprijs toegekend – en in twee experimenten met het romangenre. Gedurende zijn hoogleraarschap en erna, tot zijn gezondheid het echt niet meer toeliet, schreef hij bovendien stukken over legio onderwerpen die weinig en soms ook helemaal niets met zijn vakgebied te maken hebben. Met even grote bezieling als waarmee hij over Russische schrijvers of over het Sovjetregime sprak, amuseerde hij zijn lezers met maatschappijkritische variaties op de uitspraak van de Franse publicist Pascal “entre nous-même et la mort il n’y a que la vie, et rien n’est plus fragile”, of trapte hij hen op de tenen door de Nederlandse demonstraties tegen de oorlog in Vietnam te herleiden tot het volgen van een Amerikaanse mode. Intelligent entertainment en ontmaskering vormen in zijn werk een doorvlochten rode draad.

“De zegepraal van de rede”

Van Marx en Lenin, waarmee hij in zijn jeugd geïndoctrineerd was zoals de meerderheid met God en Jezus, heeft Van het Reve geleidelijk en bewust afstand genomen. Dit verwijderen – door zijn vriend en historicus Jan Willem Bezemer “de zegepraal van de rede” genoemd – was een logisch gevolg van een nadere kennismaking met het Sovjetregime, zowel praktisch als theoretisch. De eerst twijfel werd gezaaid in zijn jeugd door zijn ontdekking dat de leuze “wees gereed” bij de communistische jeugdbeweging dezelfde was als bij de padvinders van de bourgeoisie. Ook de partijlaster die zich uitstortte over zijn vader speelde een rol in zijn ontmaskering van de Sovjet-Unie als een kwalijke dictatuur. Die verliep echter ook via de literatuurstudie. Zo kwam hij in zijn dissertatie Sovjet-annexatie der klassieken (1954) na een analyse van de criteria die Sovjetliteratuurhistorici hanteerden voor het al dan niet prijzen van de Russische klassieken tot de vaststelling dat om opportunistische redenen zelfs de meest fundamentele leerstellingen van het marxisme met de voeten werden getreden. Waarmee niet gezegd is dat hij daar op dat moment nog bijzondere genegenheid voor koesterde. Erg interessant is bijvoorbeeld ook het essay De brand in Moskou, opgenomen in de bundel ‘Rusland voor beginners’ (1962), waarin Van het Reve de idiotie van de Sovjetgeschiedschrijving blootlegde. Dit doet hij aan de hand van de voor de Russen belangwekkende kwestie of de brand van Moskou in 1812 door Napoleon dan wel door Russische patriotten aangestoken was.

De dissidenten

Van het Reve maakte in verschillende periodes reizen naar de Sovjet-Unie: in 1948 als schaakarbiter, in 1958 als spreker op een slavistencongres, in 1965 maakte hij een reis met de Transsiberische trein, het jaar erop een kampeertocht, en gedurende 1967-1968 verbleef hij in Moskou als correspondent van Het Parool. Van deze laatste periode dateren zijn bijzonder belangwekkende verslagen van het proces achter gesloten deuren tegen Galanskov en Ginzburg. Voor hun protest tegen de eerdere veroordeling van hun collega’s Daniel en Sinjavski werden deze schrijvers veroordeeld tot straffen van respectievelijk zeven en vijf jaar dwangarbeid. Van het Reve spaarde stem noch papier om in het Westen ruchtbaarheid aan deze affaire te geven. Vanzelfsprekend kwam dit zijn relatie met de Sovjetautoriteiten niet ten goede.

Sindsdien was Van het Reve verloren voor de zaak van de sovjetdissidenten. Zijn sympathie voor hun ongelijke strijd bracht hem ertoe om in 1969 samen met Bezemer en de Amerikaanse politicoloog Peter Reddaway de Herzenstichting op te richten. Het doel was het omzeilen van de Sovjetcensuur, het middel was tamizdat (Russische uitgaven in het buitenland, die eventueel de Sovjet-Unie werden binnengesmokkeld). Tot de schrijvers die de Herzenstichting in het Westen gepromoot heeft behoren beroemdheden als Andrej Sacharov en Andrej Amalrik. In 1998 werd de stichting opgeheven. Enigszins voorbarig misschien, want in onze eeuw is de censuur in Rusland de facto niet helemaal afgeschaft, maar geprivatiseerd. In die zin dat weinig Russische uitgevers het wagen de Kremlinkobolden het vuur aan de schenen te leggen. Zo vond de intussen onschadelijk gemaakte Anna Politkovskaja in het grote Rusland niemand bereid om haar boek Poetins Rusland te publiceren.

De literatuurwetenschap

Kwestie van eens een eufemisme te gebruiken: Van het Reve liep niet altijd hoog op met de literatuurwetenschap. In zijn lezing Het raadsel der onleesbaarheid (1979) legde hij deze onder meer onnodig gebruik van moeilijk verstaanbare taal ten laste. Toch genoot hij als onderzoeker en zeker als spreker een goede reputatie. Niet bij iedereen echter, want hij was niet vies van een goed beargumenteerde aanval wanneer hij het met een collega oneens was. Nooit ad hominem, maar het noemen van namen of het gebruik van krachttermen als “literaire kwakzalver” schuwde hij niet. Dit laatste kan in verband gebracht worden met zijn lovenswaardige eigenschap om zich uitstekend te kunnen ergeren aan platitudes, gemeenplaatsen en als zinvol gepresenteerde onzin. Van het Reve zul je dan ook niet licht kunnen betrappen op een bijdrage tot het romantische discours over de zogenaamde Russische ziel, die sinds de negentiende eeuw als pseudoverklaring moet dienen voor wat in Rusland moeilijk te verklaren is.

Bovenal wordt Van het Reve in zijn vakgebied herinnerd als uitermate bedreven in het vulgariseren van zijn liefdevolle kennis over de Russische literatuur. Vooral die van vóór “de staatsgreep van 1917”. Hij was verslingerd aan Poesjkin, Toergenjev en Tsjechov. Voor Tolstoj had hij groot respect, maar wees wel op het opdringerig karakter van zijn proza. Van Dostojevski was hij een bewonderaar sui generis: de boevenstreken van zijn helden vond hij weinig interessant, de deugden van zijn min of meer heilige figuren niet opwindend, de intrige van zijn boeken uiterst banaal, melodramatisch en onwaarschijnlijk, hij was evenmin onder de indruk van de passages met abstract gefilosofeer, maar over de combinatie van dit alles was hij dan weer wel (matig) enthousiast.

Dat zijn vakgebonden publicaties nog steeds graag gelezen worden heeft veel te maken met het feit dat hij ook hier liever dan kille objectiviteit na te streven zijn ongezouten mening gaf, en deze steeds begrijpelijk en gevat verwoordde. Getuige hiervan zijn onderhoudende Geschiedenis van de Russische literatuur. Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov (1985), die ondanks of dankzij zijn anekdotisch karakter tot op de dag van vandaag slavisten en leken aanspreekt. Dat Van het Reve zelfs in een strikt wetenschappelijke tekst grappig uit de hoek durft komen bleek eerder uit zijn proefschrift, waarin hij bijvoorbeeld betoogt dat met de logica van de stalinistische taalwetenschap zelfs bewezen kan worden dat de mens geen blinde darm heeft.

Een andere verdienste van Karel van het Reve als slavist is dat hij zich inzette om de kwaliteit van de literaire vertalingen uit het Russisch te verbeteren. Niet enkel door zelf het goede voorbeeld te geven en in zijn essays en recensies ruimschoots aandacht te besteden aan de door critici in de regel verwaarloosde vertaalproblematiek, maar ook door veel met zijn studenten te vertalen. Bijzonder inspirerend was het vertaalcollege dat hij na zijn emeritaat inrichtte.

Twee romans

Behalve tal van vakgebonden artikelen, essays, recensies, columns en tv-kritieken schreef Van het Reve ook twee romans: Twee minuten stilte (1959) en Nacht op de kale berg (1961). Beide zijn verdienstelijk, maar de eerste meer dan het tweede. Het is een uitgesproken academische sleutel-detectiveroman over het ontrafelen van de moord op een hoogleraar in de fictieve Slobodische letteren, waarvoor Becker model stond. Over zijn dood merkt het hoofdpersonage op: “Het sterven van een superieur, hoe bemind ook, brengt echter welhaast onvermijdelijk een zekere vreugde met zich mee, een gevoel van bevrijding, dat zich laat veroordelen, maar niet ontkennen.” Behalve uit ironische knipoogjes, pijnlijke elleboogstoten en een absurde intrige put deze roman zijn charme uit prachtzinnen als “Dora was nogal dik, en eerst meende ik dat het die dikte was die aan haar afwezigheid iets noodlottigs verleende”. Van het Reve’s tweede roman, over de oprichting van een sekte, heeft eveneens een detectiveachtige inslag, maar is net iets te gekunsteld om geheel te ontsnappen aan saaiheid. Het is niet in fictie dat het talent van de auteur zich het best openbaart.

Voor- en nadelen van het verzameld werk

Uiteraard heeft de volledige verzameling van werken als concept behalve als naslagwerk, eerbetoon aan de auteur en keurig opvulsel voor boekenkasten de onnavolgbare verdienste een niet gemanipuleerd totaalbeeld van de auteur op te leveren. Tenminste als het ook gelezen wordt van a tot z. Er zijn echter ook schaduwzijden aan verbonden, en ook al zijn die bij van het Reve beperkt, toch ontsnapt hij er niet aan. De idee dat alles wat een man geschreven heeft bijeengebracht en gepubliceerd moet worden, zorgt er namelijk voor dat een aantal zaken het licht zien die misschien even goed achterwege gelaten kunnen worden. Het gaat niet zozeer om zijn jeugdschrijfsels, want zelfs die hebben enige literaire waarde en zijn bovendien van belang om de ideologische evolutie van de kindcommunist naar de vrijdenkende intellectueel te kunnen volgen. Wel betreft het hier minder belangwekkende passages, zoals de voorgekauwde grappen die van het Reve gehoord heeft en navertelt. Het zijn moppen van het type ‘er waren eens drie…’, en ook al hebben ze in de regel een maatschappijkritische boodschap, ze ontgoochelen. Het is aan de eeuwige zweem van ironie van de auteur te danken dat de haren die de neiging hebben rechtop te gaan staan toch blijven liggen.
Een tweede neveneffect van het verzameld werk is dat de aandachtige lezer af en toe geconfronteerd wordt met een Karel van het Reve die – zoals de meesten van ons – oude gedachten en zinswendingen recycleert, of botter gesteld, in herhaling valt. Dit ondanks zijn eigen principe om over de Sovjet-Unie nooit iets mee te delen wat hij als gekend beschouwt. Daar staat tegenover dat precies de herhaling zij het een oppervlakkig, maar toch bijzonder inzicht verschaft in de auteur. Hierin openbaren zich namelijk zijn stokpaardjes en lievelingsformules. Zo meldt hij in delen 1 en 2 meermaals dat vazen in de Sovjet-Unie moeilijk te vinden zijn, dat het niet netjes is om je in een gesprek lovend uit te laten over je eigen land, dat ironie niet als geveinsdheid, maar als geveinsde geveinsdheid gedefinieerd moet worden en dat Stalin zichzelf “het grootste genie der mensheid” liet noemen. Ook blijkt zijn voorliefde voor het leenwoord ‘highbrow’, waarmee hij zelfingenomen intellectuelen aanduidt.

Slotbeschouwing met pointe

Hoewel de eerste twee delen van Karel van het Reve’s Verzameld werk bijzonder waardevolle bladzijden bevatten, moet het beste nog komen. Dat geduld een schone zaak is zullen we geweten hebben, want het verschijningsprogramma van de vijf volgende delen loopt tot het voorjaar van 2011. Behalve zijn opus magnum Geschiedenis van de Russische literatuur en een schat aan artikelen geschreven tussen 1969 en 1999 zullen deze beroemde essays bevatten als Het geloof der kameraden (1969) en De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen (1987). In het eerste zet hij de communisten, in het tweede de christenen in hun blootje.

Dat deze veelzijdige literator het anno 2009 verdient om herlezen te worden door wie hem dreigt te vergeten, maar ook om ontdekt te worden door nieuwe generaties lezers, staat buiten kijf. Er is niets dat hem achterhaald maakt. Tussen onszelf en Karel van het Reve ligt enkel maar tijd, en niets wordt bij het lezen van zijn werk gemakkelijker vergeten.

[Gepubliceerd in De leeswolf]
———–
Karel van het Reve. Verzameld werk
DEEL 1 Jeugdwerk, Autobiografische stukken, Sovjet-annexatie der klassieken (1954), Artikelen 1932-1958, Biografische schets door Robert van Amerongen. 831 p.
DEEL 2 Twee minuten stilte (1959), Nacht op de kale berg (1961), Rusland voor beginners (1962), Siberisch dagboek (1966), Artikelen 1959-1968. 960 p.

Vladimir Makanin vs. het lot van een geitenkeutel

Vladimir Semjonovitsj Makanin, geboren in 1937 in de Oeral, wordt in Rusland zonder ironie ‘een levende klassieke schrijver’ genoemd. Hij behoort namelijk tot het selecte groepje van gevestigde sovjetauteurs wier pen de chaotische transitie van communisme naar democratie/kapitalisme overleefd heeft, en dit zonder één grammetje prestigeverlies.

Nochtans bleek het voor veel oudere schrijvers, opgevoed met de impotente doctrine van het socialistisch realisme, onmogelijk het hoofd boven water te houden in de postmodernistische zondvloed van sensatieliteratuur, vertalingen van westerse werken en de talloze ongebreidelde experimenten met genres, thema’s, stijlen en waardesystemen die erop volgden. Bovendien moesten de uitgeverijen en tijdschriften – die in de sovjettijd het voorwerp vormden van ideologische én materiële betutteling – nu plots zichzelf gaan bedruipen en kruipen voor de wet van vraag en aanbod. De behoudsgezinde sovjetliteratoren werden wezen en kwijnden weg bij bosjes – uitgezonderd de beste kameleons onder hen. Voor de liberale en dissidente schrijvers, die onder het communisme ook al niet op rozen zaten, werd het er evenmin gemakkelijker op. Voor hen bestond de voornaamste moeilijkheid erin om – bij gebrek aan een totalitaire staat waartegen ze zich tussen de regels of ondergronds konden afzetten – een nieuwe literaire dynamiek en identiteit te vinden. Ironisch en tragisch genoeg was de dictatuur in naam van het proletariaat evenzeer de vijand als de bestaansreden van de zogenaamde Russische ‘Underground’ – een heterogene verzameling van intellectuelen, schrijvers en kunstenaars die er een existentieel genoegen in schepten de restricties van de sovjetideologie aan hun laars te lappen. Met de democratische omwenteling werden de dissidenten voor de keuze geplaatst: verder doen alsof er niets veranderd was en het risico lopen te verworden tot een Don Quichot zonder Sancho, de pen neerleggen (dat wil zeggen de schrijver doden, bijvoorbeeld door hem te verdrinken in de wodka), of zich heroriënteren in de chaos – wat dan weer geen sinecure was.

In de eerste jaren na Gorbatsjovs goedbedoelde perestrojka en glasnost genoot de schrijver in het algemeen in Rusland nog even de opgezwollen status van profeet, maar dit duurde in het postsovjettijdperk niet lang voort. De overgrote meerderheid werd geroepen hun onder- of bovengrondse voetstuk om te ruilen voor een opeenstapeling van luizige baantjes. Er waren er die de dood van de literatuur proclameerden.

In het geval van Makanin bleek de nieuwe maatschappelijke (wan)orde echter géén bedreiging voor zijn schrijverschap, maar integendeel een heilzame biotoop. De eigenzinnige auteur was in de sovjettijd al niet gehinderd door een overdreven vorm van morele preoccupatie en aangezien dit in de postcommunistische jungle een survivalvoordeel bleek, heeft hij het amoralisme – met klasse – gecultiveerd. Bovendien is hij erin geslaagd om uit de transitieproblematiek van de Russische samenleving literaire munt te slaan: hij heeft van dit thema zijn stokpaardje gemaakt.

Eigenlijk interesseert Makanin zich niet zozeer voor de transitieproblematiek als zodanig, als wel voor het algemenere, existentiële conflict tussen heden en verleden. Zo schreef hij nog voor de perestrojka, onder invloed van de dorpsliteratuur, de novelle Meneer die wegloopt (1984) over een bouwingenieur die voortdurend reist in de hoop het verleden te kunnen vergeten. Dit verleden manifesteert zich echter in de onuitwisbare vernielingen die hij in de natuur heeft aangericht.

Eén van de meest geslaagde uitbeeldingen van de collectieve problematiek van de herwonnen vrijheid is de novelle De letter A (2000). Hierin beschrijft Makanin hoe gevangenen in een Siberisch strafkamp worden bevrijd van hun juk, maar niet in staat blijken met de herwonnen vrijheid om te gaan: ze richten een scatologische orgie à la Vladimir Sorokin aan: ‘Onder de magere achterwerken van de gevangenen hoopte zich op grove en haastige wijze de cultus van hun lijden op’. Men begrijpt dat de nasmaak van deze parabel minder zoet is dan die van Solzjenitsyns ode aan het leven Eén dag uit het leven van Ivan Denisovitsj.

Makanin besteedt bijzondere aandacht aan de individuele wijze waarop de transitie beleefd werd door kleine literatoren. De held (op sokken) van de novelle Geslaagd verhaal over de liefde (2000) is bijvoorbeeld een failliete Moskouse schrijver die een tv-show heeft waarin hij zijn gasten lastig valt met de vraag wanneer ze het beter hadden: voor of na de omwenteling? Zelf ontsnapt hij te pas en te onpas door spleetjes, gleufjes en kratertjes naar het verleden. (Soortgelijke mystieke spelletjes met de tijd speelde Makanin al in de perestrojka in zijn verhalen Verlies, Hij en zij en Achtergebleven.) De vrouw die onder het communistische bewind tegelijkertijd zijn censor en geliefde was heeft zich op haar beurt heruitgevonden als hoerenmadam.

Ook Petrovitsj, het autobiografisch gekleurde hoofdpersonage van de roman Underground, of een held van onze tijd (1998), is een schrijver – meer bepaald een sovjetdissident – die na de implosie van de Sovjetunie aan lager wal is geraakt. Hij verdient zijn brood door op andermans huizen te passen. De reëel bestaande Moskouse woningenproblematiek, de strijd om iedere vierkante meter, gebruikt Makanin als allegorie voor de ontheemdheid van zijn generatie.

De ambitie om te schrijven heeft Petrovitsj, samen met zijn zelfrespect, diep opgeborgen. Hij verhoudt zich ogenschijnlijk gelaten tot zijn genekt artistiek bestaan, zonder al te veel nostalgie of hoop op wederopstanding. Het is zijn bewuste keuze om niet gepubliceerd te worden (hoewel het eindelijk mogelijk is); hij heeft zijn geloof in de extra-esthetische waarde van de literatuur verloren. Lezen doet hem denken ‘aan die verheven vertedering die een cynische hoer wellicht ervaart wanneer ze naar een maagd luistert’. Slechts in een moment van uitzonderlijke extase roept Petrovitsj uit: ‘We zullen met onze goedkope, plastic schrijfmachines rondtrekken in de hoop dat er in de eindeloze gang van de gigantische woonkazerne die Rusland is ook voor ons een kamertje te vinden is.’ Wanneer het hem te moede wordt komt hij, bijgestaan door dronkenschap, verbaal in opstand: ‘Waarom, waarom heeft Rusland zoveel talenten, als het deze over eigen en andere wegen uitstrooit of het geitenkeutels zijn?!’ Zijn rebellie neemt de vorm aan van een zenuwinzinking, die hem linea recta naar een Tsjechoviaanse psychiatrische inrichting leidt. Hier bereikt de literaire geloofscrisis van Petrovitsj een hoogtepunt, hij verklaart de literatuur failliet: ‘Er zijn nu neuroleptica – profeten zijn er niet meer. Daar is dat spul ook voor uitgevonden. De mens kan lijden zoveel hij wil, hij zal niet meer exploderen en het Woord spreken.’ Pas helemaal op het einde van Underground, of een held van onze tijd schemert de hoop op de literaire heropstanding van Petrovitsj door: na tien jaar zwijgen (zo leek het hem) hoort hij onverwacht het Woord. Heeft hij zijn trots, zijn literaire ‘ik’ hervonden?

We hebben er het raden naar hoe het uiteindelijk afloopt met dit door het lot gemaltraiteerde personage, dat net als de gelijknamige ‘held van onze tijd’ van Lermontov symbool staat voor een hele generatie in haar ontwikkeling. Makanin zelf heeft in ieder geval intussen al geruime tijd zijn eigen kamertje in ‘de woonkazerne die Rusland is’ weten te vinden, en niet het eerste het beste. Dat hem als schrijver niet het lot van een geitenkeutel te beurt is gevallen, is niet aan toeval te wijten. Dat is zijn eigen verdienste.

‘De grootste verdienste van Makanin is wellicht dat hij zijn tijd begrepen heeft – voor zover dat überhaupt mogelijk is – en de confrontatie is aangegaan: het universum waarin hij de lezer binnenleidt, is de Russische samenleving waarin ook na het communisme de strijd tussen individu en collectiviteit doorgaat.’

Van zijn bereidheid en bekwaamheid om zichzelf heruit te vinden was de loopbaan van Makanin een voorbode. Hij studeerde wiskunde aan de Moskouse Staatsuniversiteit – een keuze die hem opgedrongen werd door zijn vroegtijdig ontdekt schaaktalent –, was hierna enige tijd verbonden aan het laboratorium van een militaire academie en voltooide een monografie over hogere wiskunde. In 1965 begon hij aan een bocht van honderd tachtig graden. Hij schreef zich namelijk in aan een cinematografische school en draaide er een film gebaseerd op een eigen scenario. Het is precies als scenarist dat hij op achtentwintigjarige leeftijd besmet raakte met de literaire microbe. Hij begon koortsachtig verhalen en novellen te schrijven, werkte enige tijd als redacteur van de uitgeverij Sovjetski pisatjel’, en gaf literaire seminaries in proza aan het befaamde Gorki-Instituut voor Literatuur te Moskou.

Makanin debuteerde als schrijver met Een rechte lijn (1965), een roman gebaseerd op zijn filmscenario. In de nadagen van de Dooi van Chroesjtsjov werd dit werk – naar aloude en goede Russische gewoonte – gepubliceerd in een literair tijdschrift, alvorens ook als afzonderlijk boek te verschijnen. Het werd door lezers en critici positief ontvangen en enige tijd later werd Makanin dan ook toegelaten tot de Schrijversbond. Zijn échte doorbraak in de sovjetliteratuur dateert echter van de jaren zeventig, waarin hij een dertigtal nieuwe prozastukken schreef. Tegen het einde van dat decennium werd het Makanin onmogelijk om nog gepubliceerd te worden, wat hem ertoe bracht te flirten met de ‘Underground’. Pas na afloop van het verdrukkende Brezjnev-tijdperk konden zijn nieuwe creaties opnieuw verschijnen in vooraanstaande, naar communistische normen liberale tijdschriften, zoals ‘Novyj mir’ en ‘Znamja’. In 1987 werd Makanin opgenomen in de raad van bestuur van dit laatste tijdschrift. Gedurende heel de perestrojka mocht hij ook genieten van een bestuurszeteltje in de Bond der sovjetschrijvers.

Hoewel Makanin graag een einzelgänger genoemd wordt, werd hij in de sovjettijd samen met Roeslan Kirejev en Vladimir Kroepin ingedeeld in de ‘generatie der veertigers’. Hun grauwe proza werd gekenmerkt door psychologische portretten van moreel indifferente en besluiteloze leden van de doorsnede van de verstedelijkte samenleving. Bij Makanin gaat het meestal om bewoners van kleine nederzettingen, helden die schipperen tussen stadsmens en dorpeling, maar die zich qua gedragingen ei zo na volledig laten determineren door hun sociale positie. Prototypes van zulke met mediocriteit begiftigde protagonisten kan men vinden in het kortverhaal Kljoetsjarjov en Alimoesjkin (1979) en in de novelle Antileider (1980). Tolik Koerjenkov, het hoofdpersonage van dit laatste verhaal, is bijvoorbeeld afkerig van eenieder die teveel opvalt in zijn kleinburgerlijke milieu, in het bijzonder van wie zich boven anderen plaatst of geplaatst wordt. Zijn driftige intolerantie voor alles wat afwijkt van zijn norm betekent zijn ondergang.

Zijn belangstelling voor het weinig benijdenswaardige lot van de kleine Rus, de spreekwoordelijke geitenkeutel, heeft Makanin nooit verloren. Hiervan getuigt ook zijn recente roman Schrik (2006). In feite grijpt hij steevast terug naar het negentiende-eeuwse Russische realisme, waarvan Gogol de geestelijke vader is. Het was zijn verdienste om de wroetende middenklasse, meesterlijk geïncarneerd door Akaki Akakijevitsj in De mantel, voor het eerst een spreekbuis te geven. Dit deed hij met oog voor hun leed, maar ook met een grote dosis satire. De humor van Makanin is daarentegen over het algemeen relatief schaars en bijzonder subtiel (hij heeft een zwak voor ironie).

Eén van de origineelste exponenten van de Gogoliaanse traditie was Dostojevski, bij wie het lachen de lezer enigszins vergaat. Niet omdat hij niet humoristisch zou zijn, maar omdat hij de drukkende tragiek van de kleine Rus zo in de verf zet, dat er niet genoeg ademruimte voor de lach overschiet. Het oeuvre van Makanin is doorspekt met impliciete en expliciete verwijzingen naar klassieke Russische schrijvers, met name vooral naar Dostojevski. Het vermoeden rijst dat Makanin aansluiting zoekt bij zijn psychologisch realisme. Toch zijn er opmerkelijke verschillen tussen beiden. Van het soms vermoeiende humanisme van Dostojevski is bij Makanin namelijk geen zweem te bekennen. Zijn helden hebben niet noodzakelijk een hoge pet op van hun medemens, en dit manifesteert zich in hun taalgebruik en daden. De auteur kijkt toe en laat begaan, wat ervaren kan worden als een bevrijding of een armoede, afhankelijk van de categorie lezers.

De affiniteiten van Makanin met Dostojevski komen vooral tot uiting in de polemiek die hij met hem voert. Zo verwijst de eerste regel van De Kaukasische krijgsgevangene (1998) naar zijn gevleugelde woorden ‘schoonheid zal de wereld redden’. In dit kortverhaal wordt een Russische soldaat verliefd op een jonge buitgemaakte Kaukasische guerrillastrijder. Toch aarzelt hij geen seconde de adonis te wurgen om niet opgemerkt te worden door de vijand. ‘De schoonheid wist hem niet te redden’, zo besluit Makanin ironisch. Terloops zij opgemerkt dat de schrijver er niet voor terugschikt om het Kaukasische pijnpunt aan te raken of om het taboe der homoseksualiteit – dat in Rusland vandaag nog even actueel is als bij ons een halve eeuw geleden – te doorbreken.

De held van Underground, of een held van onze tijd (1998) neemt het dan weer op tegen Raskolnikov uit Misdaad en straf. Petrovitsj pleegt eveneens twee moorden zonder echte noodzaak, evenwel gedreven door gekwetste eigenliefde, en niet door intellectuele megalomanie. Hij beschouwt Dostojevski’s les ‘gij zult niet doden’ slechts als ‘een energiek uitgedrukte, artistieke abstractie’ en weigert ieder berouw. Toch erkent hij de autoriteit van de grootmeester, maar slechts binnen de marges van de tekst. Alsof de inzichten van de literatuur nog steeds gelden, maar tegelijkertijd hun toepassingswaarde op het leven verloren hebben. Op die manier staat de literaire amoraliteit van Makanin, door menigeen verguisd, symbool voor de veranderde houding van de Russische maatschappij tegenover haar eens profetische literatuur.

De grootste verdienste van Makanin is wellicht dat hij zijn tijd begrepen heeft – voor zover dat überhaupt mogelijk is – en de confrontatie is aangegaan: het universum waarin hij de lezer binnenleidt, is de Russische samenleving waarin ook na het communisme de strijd tussen individu en collectiviteit doorgaat. In het verhaal Het onderwerp van normalisering (1991) besluit de schrijver dat ‘het op één of andere manier oplossen van iedere individualiteit in de doorsnee massa geen thema of onderwerp is, maar ons bestaan zelf’.

De sociologische inzichten en existentialistische beschouwingen van Makanin leveren geen opbeurende literatuur op, maar desalniettemin weet hij met zijn veelgelaagdheid, originele aanpak en onstuitbare vertelkracht een ruim publiek te boeien. Zijn prachtige beeldspraak is hem daarbij van grote hulp: ‘Domheden vlogen als vogels pardoes mijn hersenpan in, omdat mijn hersens niet meer van mij waren, maar van hen’, ‘Onverdraaglijk waren zijn grijze ogen (twee weekdieren in hun oogholtes)’ of ‘Nu pas, in het maanduister, besef ik dat lampen de nacht als frontchirurgen in stukken snijden’.

Makanin laat zich in zijn moederland gelden als één van zijn meest vooraanstaande schrijvers. Zijn verhaal Het mangat, over intellectuelen die in een wereld van chaos en wreedheid ondergronds een oase van normaal leven creëren, werd in 1992 genomineerd voor de Russische Bookerprijs. In 1993 sleepte hij deze prijs ook daadwerkelijk in de wacht met de kleine roman Een tafel gedekt met een laken en met een karaf in het midden. In 1999 werd hem ook de prestigieuze Russische Staatsprijs voor Literatuur en Kunst toegekend voor Underground, of een held van onze tijd en De Kaukasische krijgsgevangene.

Het weinige van wat er van Makanin beschikbaar is in Nederlandse vertaling strookt niet met zijn status in Rusland. Pas in 1993 zag de eerste Nederlandse vertaling van een novelle van zijn hand het licht (nl. ‘Meneer die wegloopt’ in: Veel liefs uit Moskou, Meulenhoff). Het duurde nog eens zeven jaren vooraleer de Arbeiderspers de roman Underground, of een held van onze tijd uitbracht. In 2005 bracht dezelfde uitgeverij een bundel van zes geselecteerde verhalen uit: Geslaagd verhaal over de liefde. Korter op de bal verscheen onlangs de roman Schrik, waarvan het origineel in 2006 werd gepubliceerd. Er is echter nog heel wat werk voor de boeg: tientallen prozastukken van Makanin wachten nog op hun vertaling. Vooraleer deze arbeid zal worden aangevat, moet de Nederlandstalige lezer echter zijn overtuigde bereidheid tonen zich in te leven in de weinig comfortabele huid van de zoekende kleine Rus.

[Gepubliceerd in De leeswolf, 2008, Nr. 4, p. 270-3.]

Getagged