‘Een onbekende, geheimzinnige kracht’ Vsevolod Garsjin: De beren

Wil een idee populair zijn, dan moet het in de eerste plaats aangenaam zijn, terwijl de juistheid er minder toe doet. Een aangenaam en populair, maar niet noodzakelijk juist idee is dat olie boven water drijft, dat de vreemde auteurs die bij ons het meest bekend zijn deze bekendheid ook het meest verdienen. Van een auteur uit het verleden die we niet bij naam kennen, zijn we geneigd te vermoeden dat hij niet zo geweldig veel voorstelt. Het besef dat literaire receptie − de selectie, vertaling, publicatie en kritiek van vreemde literatuur − haar laars lapt aan deze logica, is bij de consument niet diepgeworteld, om niet te zeggen dat het volledig ontbreekt. Men staat er nogal weinig bij stil dat groot talent dat in zijn eigen gemeenschap gevierd wordt niet noodzakelijk ook daarbuiten op enige erkenning mag rekenen. Toch is het zo. Bijvoorbeeld werd Dostojevski, heden wereldwijd gecanoniseerd, bij zijn leven buiten Rusland volstrekt oninteressant bevonden: van hem werd geen enkel werk in geen enkele taal vertaald − behoudens een Duitse versie van Herinneringen uit het dodenhuis, die de uitgever ondanks de beperkte oplage uiteindelijk van de hand moest doen als oud papier. De indruk ontstaat dat deze coryfee voor hetzelfde geld onbekend en onbemind was gebleven. Dat is een beetje het lot van de ongelukkige Russische schrijver Vsevolod Garsjin (1855-1888). Voor de Eerste Wereldoorlog was hij op onze boekenmarkt volledig afwezig. In het interbellum dook zijn naam op in slechts een paar boekpublicaties en vanaf de Tweede Wereldoorlog tot nu werd nog een paar bundels aan hem gewijd. Op grote schaal is hij bij ons nooit gelezen, terwijl de klassieke Russische literatuur toch behoorlijk geliefd is en hij daartoe een meer dan behoorlijke bijdrage heeft geleverd.

Waardoor literaire receptie dan wel wordt gestuurd, als het niet per se is door een zoektocht naar literaire kwaliteit, is voer voor literatuurwetenschappers. Beroepshalve geloven velen onder hen dat vertaalde literatuur een functionele rol speelt in de ontvangende gemeenschap, dat vreemde schrijvers vertaald, uitgegeven, gelezen en geprezen worden omdat ze door de betrokken vertalers, uitgevers, lezers en critici op de een of andere manier bruikbaar worden geacht. Zo hield de westerse doorbraak van de grote Russische romanciers in de laatste decennia van de negentiende eeuw duidelijk verband met de toenmalige wens van Franse en Duitse critici en lezers, die in woelige sociale tijden leefden, om humanistische ideeën in te lepelen respectievelijk ingelepeld te worden. Naast bruikbaarheid, die heel interessant is om te onderzoeken, speelt stom toeval, dat minder goed te onderzoeken valt, wellicht een niet minder grote rol.

Het is niet duidelijk of de onbekendheid van Garsjin, die in Rusland bij zijn leven grote faam genoot, in onze contreien te wijten is aan zijn relatieve ongeschiktheid tot annexatie − hij liep evenmin op met de revolutionairen als met de reactionairen van zijn tijd, mat zich geen profetenstatus aan en verzette zich met hand en tand tegen iedere ideologische interpretatie van zijn werken − dan wel aan onverklaarbare pech. Aan zijn biografie ligt het alleszins niet: deze is in haar autodestructiviteit spectaculair genoeg.

Vsevolod Garsjin werd geboren als telg van een adelijke familie waarvan de wortels teruggingen tot de Gouden Horde van Dzjengis Khan. Op vijfjarige leeftijd moest hij het stellen zonder moeder, omdat die haar veroordeelde minnaar was gevolgd naar de Noordelijke stad Petrozavodsk. Reeds in zijn kindertijd openbaarde zijn geestelijke toestand zich als zorgwekkend, maar dat nam niet weg dat al wie zijn pad kruiste hem prees om zijn intellect en nobel karakter. In 1877 was hij als student zo onder de indruk van de afgedwongen offers van zijn leeftijdsgenoten dat hij zich vrijwillig opgaf als kanonnenvoer in een veldtocht tegen de Turken. Eenmaal gewond, schreef hij op basis van zijn ervaringen als militair het kortverhaal Vier dagen, dat hem prompt een zekere morele en literaire autoriteit opleverde in eigen land. Het is een rauw document zonder heroïek over de zieligheid van een soldaat die zwaargewond op het slagveld is achtergebleven, bij het ontbindende lijk van de door hem gedode tegenstander. Door de ogen van die sukkelaar wordt de lezer een blik gegund op het ware gelaat van de oorlog: ‘Ja, hij ziet er vreselijk uit. Zijn haar is begonnen uit te vallen. Zijn donkere lichaamskleur is nu helemaal verbleekt, geel geworden. De huid van zijn opgezwollen gezicht is zo strak komen te staan dat hij achter één oor gesprongen is. Daar krioelen maden. Zijn voeten, vastgesnoed in korte laarzen, zijn zo dik geworden dat er enorme blaren zijn gekomen tussen de veterhaakjes. Zijn hele lichaam is opgebmazen, volumineus. Hoe zal de zon er vandaag op inwerken?’ Garsjin nam zijn gezondheidstoestand te baat om zich terug te trekken uit de oorlog, die hij eigenlijk nooit als rechtvaardig had beschouwd. Hij oefende verschillende jobs uit en bleef schrijven, vooral korte verhalen. Zijn productie was echter laag, want hij kampte met voorjaarsdepressiviteit, waarvan hij telkens pas in de herfst herstelde. Enkele malen werd hij opgenomen in een krankzinnigengesticht. Als jonge dertiger probeerde hij een einde aan zijn lijden te maken door zich van de derde verdieping van zijn huurkazerne te werpen. Dat was een halfslachtig succes: hij overleed pas enkele dagen later aan zijn verwondingen.

Zijn weinig opbeurende leven heeft er toe bijgedragen dat Garsjin in literatuurgeschiedenissen herinnerd wordt als een voorloper van het donkere Russische symbolisme, zoals dat beleden werd door Brjoesov, Blok, Sologoeb, Bely, Balmont, Gippius en Merzjkovski. Deze indeling is alleszins gerechtvaardigd in de zin dat hij de knoopjes afrukte van het keurslijf der realistische beschrijving en psychologische analyse, waarin de verbeeldingskracht van de Russische schrijver in de tweede helft van de negentiende eeuw verstrikt was geraakt.

Om zijn fantasie ongehinderd te kunnen botvieren beoefende Garsjin een ouderwets genre als de fabel. De bekendste voorbeelden zijn De bereisde kikker en Attalea princeps. De eerste fabel, die voorgelezen wordt aan Russische kinderen, gaat over een kikker die op het geniale idee komt om zich met zijn mond bengelend aan een takje door eenden naar het Zuiden te laten vervoeren, maar uiteindelijk naar beneden stort omdat ze haar mond niet kan houden over haar geniale idee. De laatstgenoemde fabel gaat over een exotische palmboom in een serre die uit protest tegen zijn gevangenschap letterlijk uit het dak groeit, en daarom omgezaagd wordt. Nog leuker, want absoluut gespeend van zedenlessen, is het absurde verhaal Er was eens. Daarin wordt filosofisch nagedacht door een ‘klein maar zeer gewichtig’ gezelschap, bestaande uit een slak, een mestkever, een hagedis, een rups, een mier, een krekel, enkele vliegen en een paard. Hun beleefde, maar levendige discussie wordt abrupt afgebroken wanneer een nietsvermoedende Anton toevallig met zijn enorme laars het gezelschap verplettert, waarbij slechts de vliegen en het paard ongedeerd blijven. De hagedis, die net het woord had genomen, behoudt zijn leven, maar verliest zijn staart. Naar eigen zeggen omdat hij ‘voor zijn overtuiging uitkwam’. Tijdgenoten van Garsjin lazen deze fabel als een socialistisch pamflet, maar de auteur verzekerde iedereen bij hoog en bij laag dat hij bij het beschrijven van pakweg die vlieg enkel maar had gedacht aan een vlieg, en dan nog aan ‘een heel gewone, met pootjes en vleugeltjes’.

De slechte afloop van Garsjins fabels vind je ook terug bij zijn realistisch aandoende verhalen. Daarin reserveerde hij een grote rol voor het onverklaarbare, dat bij hem de vorm aanneemt van zelfopoffering, obsessie en gekte. Zo is de hoofdpersoon van het autobiografisch geïnspireerde kortverhaal De rode bloem, de kroon van zijn nalatenschap, een geestesgestoorde in een psychiatrische kliniek. Die wil koste wat het kost de mensheid redden door enkele papaverbloemen, die volgens hem een kwaad incarneren, te vernietigen. De semi-afstandelijke stijl verhaal dwingt de lezer in een spagaathouding. Enerzijds beseft hij dat de patiënt lotje getikt is. Anderzijds hoopt hij vurig op een succesvolle uitvoering van de dwanggedachte, die evenwel niet geduid wordt. In ‘De kunstenaars’ worden twee kunstschilders tegen elkaar uitgespeeld. Eén ervan gaat op zoek naar de klassieke schoonheid en maakt grote carrière, de andere raakt geobsedeerd door de uitbeelding van sociale misstanden en komt naar het schijnt slecht terecht. Het sein gaat over een seinbediende, één van de ontelbare sukkelaartjes die de klassieke Russische literatuur rijk is, die de schuld op zich neemt wanneer een collega van hem uit protest tegen zijn bazen de sporen heeft gesaboteerd. Aandoenlijk is ook het titelverhaal, De beren, over zigeuners die door de Russische overheid verplicht worden om hun beren te doden. Het verhaal krijgt een nieuwe dimensie door een eindnoot van de vertaler. Die leert dat Garsjin volgens de getuigenis van een tijdgenoot schreef over het doodschieten van beren omdat de censuur hem verbood ‘om over het ophangen van mensen te schrijven’.

Hoewel Garsin heel wat personages opvoert die enkele treden hoger op de morele ladder staan dan wat je op een doordeweekse dag op straat of in de spiegel tegenkomt, is zijn mensbeeld veel donkerder dan in zijn tijd voor acceptabel werd gehouden. Terwijl de Russische intelligentsia het erover eens was dat het leven in Rusland geweldig veel beter kon worden en zich concentreerde op de vraag hoe die geweldige vooruitgang verwezenlijkt moest worden – door westerse waarden als constitutie en parlementaire democratie te implementeren dan wel door een spirituele zoektocht naar de Russische eigenheid – schreef Garsjin cultuurpessimistische zinnen als: ‘We werden voortgedreven door een onbekende, geheimzinnige kracht, de sterkste die de mensheid beheerst. Indien elk van ons voor zich had geleefd zou hij naar huis zijn teruggekeerd, maar als massa konden wij niet anders dan gaan, gehoorzamend niet aan de discipline die ons werd opgelegd, niet aan een zaak die wij als gerechtvaardigd beschouwden, niet aan motieven van haat jegens een vijand die we niet kenden, en niet aan de stem van de angst om te worden gestraft, maar aan de onbekende en onbewuste drijfveer waardoor de mens zich nog lang, heel lang van bloedbad naar bloedbad zal laten voeren – de voornaamste oorzaak van alle rampspoed en lijden’. Interessant aan het verhaal Uit de herinneringen van soldaat Ivanov, waaruit dit fragment is overgenomen, is dat de hoofdpersoon ondanks zijn inzicht in de volstrekte onzinnigheid van de oorlog, er al bij al toch enthousiast aan deelneemt.

Het is nog maar de vraag of de publicatie van De beren en andere verhalen Vsevolod Garsjin uit de onbekendheid zal halen waarin onze literatuurgeschiedenis hem geheel ten onrechte heeft ondergedompeld. Misschien maakt dat ook niet zoveel uit. In ieder geval komt Hans Boland, die de genoemde fabels en verhalen heeft geselecteerd, vertaald en toegelicht, de verdienste toe de lezer die in klassieke Russische literatuur geïnteresseerd is de kans te bieden om enkele uren aangenaam door te brengen. Zijn aanwezigheid is in dit boek dermate markant aanwezig, dat hij aanspraak maakt op althans een deel van het auteurschap ervan – het is dan ook logisch dat ook zijn naam op de voorflap prijkt: door zijn gedurfde vertaalkeuzes – hij is allergisch voor onnodig ouderwets taalgebruik – krijgen we bij het lezen van sommige passages de indruk tijdgenoten van Garsjin te zijn. Overigens heeft Boland dit boek ook voorzien van een toetje: een prachtige vertaling van het al even prachtige verhaal Zwakke zenuwen, over een student met al te romantische opvattingen over prostitutie, dat Tsjechov schreef ter nagedachtenis van Garsjin.

Vsevolod Garsjin, De beren en andere verhalen. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep

[Gepubliceerd in De leeswolf]

%d bloggers op de volgende wijze: