Het temmen van de Scyth: Hoofdstuk I. Algemene inleiding

[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de algemene inhoudstafel.]


I. Algemene inleiding
            1          Ten geleide
            2          Status quaestionis
            3          Theoretisch kader
            4          Afbakening onderzoek

1 Ten geleide

In biografisch opzicht is Fëdor Michajlovič Dostoevskij (1821-81) een van de meest paradoxale figuren die de Russische beschaving heeft voortgebracht. Hij behoorde tot de adel, maar stond dicht bij het volk. Hij werd in Moskou geboren, maar bracht de meeste tijd van zijn leven door in Sint-Petersburg. Hij werd reli­gieus opgevoed, maar flirtte al gauw met het socialisme. Hij volgde een opleiding als artilleriesoldaat, maar legde zich intussen toe op de schone letteren. Hij werd door de tsaar respectievelijk ter dood en tot dwangarbeid in Siberië veroordeeld, maar ontpopte zich na zijn terugkeer tot een van de meest fervente pleitbezorgers van de autocratie. Hij spendeerde vele jaren in het Westen, maar verguisde de adoratie van deze contreien. Schrijven was zijn roeping, maar hij schreef ook op bestelling om schulden af te lossen. Hij had een zwakke gezond­heid, maar werkte tot zijn laatste snik als een paard. Hij hield christelijke idealen als naastenliefde hoog in het vaandel, maar liet zich systematisch laatdunkend uit over etnische min­derheden en vreemdelingen. Minstens even paradoxaal is Dostoevskij als proza­­­schrijver. Zijn handen schreven zowel korte sentimentalis­tische novellen als volumineuze romans die zedelijk verderf thematiseren. Hij liet zich zowel inspire­ren door George Sand als door De Sade. Hij is, om de woorden van Boland (2008: 13) te gebruiken, ‘evenzeer gefixeerd op God en de eeuwigheid als op allerlei nieu­werwetse trivialiteiten’. Hij gebruikte zijn proza om zedelijk hoogstaande ideeën te propageren, maar bevolkte het met moordenaars, zelfmoordenaars, nihilisten, pooiers, prostituees, pedofielen, echtbrekers, hedonisten, krankzin­nigen, dronk­aards, mythomanen, gokverslaafden, hypochonders, paljassen en gespuis van divers pluimage dat niet onder deze noemer valt.

Het publiek blijft door dit alles niet onberoerd. Dostoevskij spreekt tot de ver­beelding, in verschillende opzichten. Terwijl hij door een massa lezers op handen wordt gedragen, wordt hij door een minderheid met evenwaardig enthousiasme verguisd. Bekend in ons taalgebied is bijvoorbeeld de epaterende bekentenis van Karel van het Reve (2010: 709) dat hij er jarenlang niet in geslaagd is om Dosto­evskij te lezen, wat hij wijt aan de als ‘gruwelijk’ geëvalueerde intriges van zijn boeken: ‘melodramatische verwikkelingen over erfenissen, geheimzinnige docu­menten, onwettige kinderen, geheime huwelijken, bedrog, misdaad – kortom dingen die in het leven van fatsoenlijke lieden niet of nauwelijks voorkomen’. Hoe­wel deze kritiek afkomstig is van één van de meest invloedrijke essayisten over Russische literatuur die ons taalgebied ooit gekend heeft, is Dostoevskij heden evenmin weg te denken uit de Nederlandse als uit de Russische literatuur: zijn boeken, of liever vertalingen van zijn boeken, vullen onze boekenwinkels, boeken­planken, beïnvloeden onze schrijvers, vervoeren onze lezers, worden geciteerd in literaire, essayistische en journalistieke teksten, komen aan bod in tal van op­lei­dingen en vormen het voorwerp van cafégesprekken en wetenschappelijk onder­zoek, hetzij met een literatuurwetenschappelijke, hetzij met een theologische be­nadering.

Dostoevskij is in Nederland en Vlaanderen een vaste waarde geworden, die de schommelingen van de tijd met gemak overleeft. Hiervan getuigt ook het feit dat ondanks de exhaustieve beschikbaarheid van zijn oeuvre in het Nederlands nieu­we, prestigieuze vertalingen het licht zien, zoals De broers Karamazov van Lange­veld in 2006 en Duivels van Boland in 2008. Zijn roem is van die aard dat men op een onbewaakt moment zou kunnen denken dat zijn rijp filosofisch oeuvre om zijn veronderstelde intrinsieke waarde en universele reikwijdte al tijdens zijn leven in ons taalgebied op grote schaal gelezen en bewonderd werd. Zulke misvattingen kunnen des te gemakkelijker ontstaan, daar de geschiedenis van zijn vroege Neder­landse receptie vandaag nog altijd voor een groot stuk terra incognita is – wat in schril contrast staat met de onoverzichtelijke stroom van studies die aan het een of het ander aspect van zijn persoon of werk gewijd worden. Het hoofddoel van deze studie is een bijdrage te leveren aan de Nederlandse literatuurgeschiedenis door in dit terrein bakens uit te zetten om het vervolgens te ontginnen.


2 Status quaestionis

Twee decennia geleden merkte Cees Willemsen (1989a: 61) met verbazing op dat er behalve een enkel proefschrift en wat gelegenheidsartikelen nauwelijks onder­zoek verricht is naar de ontvangst van de Russische literatuur in Nederland, on­danks de grote belangstelling voor receptiestudies en voor Russische literatuur. De vaststelling dat de Nederlandse receptie van de Russische literatuur in 1989 nog nauwelijks bestudeerd was, gaat ook op voor Dostoevskij, maar moet in zijn geval niettemin genuanceerd worden. Met name de kritiek die de Rus in het Nederland­se taalgebied te beurt viel is al door verscheidene auteurs bestudeerd, zij het frag­men­tarisch.

Een eerste, halfslachtige aanzet tot een studie van de vroege Nederlandse Dos­to­­evskij-kritiek kwam er al in 1921. Ter gelegenheid van de gedenkdagen van de geboorte van Flaubert en Dostoevskij publiceerde het tijdschrift Den gulden win­ckel een artikel van een anonieme ‘winckel-bediende’ (1921).[1] Hierin wordt sum­mier vermeld ‘wat er van beider werken in het Nederlandsch is vertaald en wat er in ons land [Nederland] over hen geschreven is’.[2] Behalve een 25-tal reeds ver­sche­nen en nog te verschijnen Dostoevskij-vertalingen, wordt in dit artikel een hand­vol publicaties over Dostoevskij vermeld – evenwel zonder inhoudelijk be­sproken te worden. Exhaustiviteit wordt daarbij allerminst beoogd. De bedoeling van de auteur is enkel om de lezer materiaal aan te reiken om Dostoevskij ‘in een hoeks­ken met een boeksken dezer dagen te herdenken’.[3]

In 1924 publiceerde de Nederlandse marxist en historicus Jan Marius Romein zijn proefschrift Dostojewskij in de Westersche kritiek, waarin hij de ge­schiedenis schetst van Dostoevskijs literaire roem in West-Europa. Eerder ge­publi­ceerde studies van de Westerse Dostoevskij-kritiek, zoals die van Zajdman (1911) en Ėjchenbaum (1913), richten zich vrijwel exclusief op Frans- en Duits­talige lite­ra­tuur.[4] Romein (1924) betrekt in zijn onderzoek daarentegen ook een aantal Dos­to­evskij-publicaties van perifere literaturen. Van de Nederlandse auteurs die zich in de periode 1881-1914 over Dostoevskij hebben uitgesproken, bespreekt hij Busken Huet, Ten Brink, Van der Meij, Stokvis, Querido en Thomson. Bijzon­dere aandacht besteedt Romein (1924) ook aan de naoorlogse periode tot 1924, waarin de zogenaamde Dostoevskij-cultus tot bloei kwam. In dit verband staat hij ook lang stil bij Coster. Exhaustiviteit in de bespreking van de vroege Nederlandse Dostoevskij-kritiek wordt door Romein (1924) echter niet nagestreefd. Boven­dien worden de Nederlandse critici bij hem in de regel uiterst summier behandeld, wat wellicht te wijten is aan de perifere positie van de Nederlandse literatuur tegen­­over de Franse en Duitse literaturen.

De grote verdienste van Romein (1924) bestaat erin dat hij in de enorme hoe­veelheid West-Europese kritische teksten over Dostoevskij een systeem heeft aan­gebracht, dat het geheel inzichtelijk maakt. Door de verschillende dominante motieven van de behandelde Dostoevskij-publicaties bloot te leggen en te catego­ri­seren, heeft hij zijn marxistische stelling kracht bijgezet dat literaire kritiek een socia­le functie heeft. Meer bepaald dat deze kritiek door bepaalde groepen ge­bruikt wordt om hun eigen strevingen en ideeën tot uitdrukking te brengen, ook als deze weinig of niets te maken hebben met de strevingen en ideeën van de be­handelde auteur. Wel geeft Romein (1924: 166) toe dat de bestudeerde Dosto­evskij-kritiek niet in ieder aspect te verklaren valt, dat er steeds een rest blijft van ogenschijnlijke ‘willekeur en grilligheid’.

Ironisch genoeg kreeg Romein (1924) kritiek te verduren uit dezelfde marxis­tische hoek als waarin hij zelf was gaan staan. De sovjetonderzoeker Šiller (1928: 103) wijst er namelijk op dat zijn argumentatie overtuigingskracht mist, omdat hij – bij gebrek aan expertise – geen ernstige poging onderneemt om de bestudeerde kritiek te vergelijken met wat hij noemt de ware Dostoevskij, namelijk de Russi­sche. Problematischer dan de afwezigheid van deze (per definitie subjectieve) ver­gelijking, is echter Romeins impliciete ontkenning van de relatieve autonomie van literaire polysystemen. Door alle West-Europese Dostoevskij-publicaties te be­spre­ken onder eenzelfde noemer van ‘Westersche kritiek’, gaat hij voorbij aan even­tuele structurele verschillen in de Dostoevskij-receptie tussen de verschillende West-Europese literaturen. Ook besteedt hij weinig aandacht aan de hiërarchische relaties die tussen de West-Europese literaturen bestaan. In die zin is zijn studie te breed opgevat om inzicht te verschaffen in de eventuele specificiteit van de vroege Nederlandse Dostoevskij-kritiek.

Een eerste impuls tot een systematische studie van de Nederlandse Dosto­evskij-kritiek gaf Jelle Kingma (1981) ruim een halve eeuw later, ditmaal naar aan­leiding van de honderdste sterfdag van de schrijver. In het ‘Dostojevski-nummer’ van het tijdschrift Maatstaf publiceerde hij een uitgebreide bibliografie van een selectie van westerse Dostoevskij-bibliografieën, de voor 1970 verschenen Neder­landse Dostoevskij-vertalingen en, hier belangrijker, de voor 1970 in Nederland verschenen artikelen en boeken over Dostoevskij. Behalve bibliografische referen­ties presenteert Kingma een rijk gamma aan prikkelende citaten uit de door hem bijeen gebrachte Dostoevskij-publicaties – waardoor zijn bibliografie aan inhoud en leesbaarheid wint. Hoewel hier en daar onvolledig, vormen de bibliografische lijsten van Kingma een onontbeerlijk hulpmiddel voor ieder (deel)onderzoek naar de Nederlandse receptie van Dostoevskij.

Ook in de receptiestudie van de Russische literatuur in Nederland in de perio­de 1789-1989 van Willemsen (1989abc; 1990) komt Dostoevskij meermaals ter sprake. In deze studie, die gestuurd wordt door de wel erg speculatieve hypo­these dat ‘er in de doorlopende belangstelling voor de Russische literatuur heim­wee schuil[gaat] naar wat men in de eigen cultuur verloren heeft zien gaan’, staat Willemsen (1989a: 62, 61) slechts stil bij de ‘belangrijkste data uit de tweehon­derd­jarige aanwezigheid van de ‘Russen’ in Nederland’. Op basis van welke con­crete criteria bepaald werd welke publicaties uit deze literaire geschiedenis tot de belangrijkste gerekend mogen worden, is echter onduidelijk. Met betrekking tot de Dostoevskij-kritiek kan men zich bijvoorbeeld afvragen waarom Willemsen zo veel aandacht besteedt aan de slavist avant la lettre Hendrik Wolfgang van der Meij en de criticus Busken Huet, van de invloedrijke Jan ten Brink slechts enkele (vernietigende) uitspraken vermeldt en tegelijkertijd tal van andere critici en recen­senten volledig onbesproken laat. Vast staat dat de behandeling van slechts een fractie van de bestaande Dostoevskij-kritiek een gefragmenteerd of zelfs ver­vormd beeld schetst van de realiteit.[5] De waarde van de studie van Willemsen ligt dan ook vooral besloten in haar verkennend karakter, dat wil zeggen in het plaat­sen van bakens in een daarvoor nog grotendeels onontgonnen terrein.

Een andere waardevolle bijdrage aan de studie van de vroege Nederlandse Dos­toevskij-kritiek vormt het artikel ‘Dostojevski in Vlaanderen anno 1885: het andere receptiemodel’, waarin Walter Gobbers (1984) twee vroege Nederlandse Dostoevskij-kritieken met één geïsoleerde Vlaamse Dostoevskij-kritiek vergelijkt. Een soortgelijk opzet, maar dan gericht op een latere en bredere periode, namelijk 1881 tot en met het interbellum, heeft de onlangs verschenen en in menig opzicht minder valabele studie ‘De receptie van Dostoevskij in de Nederlandse en Vlaamse literatu(u)r(en) tijdens het interbellum’ van Rainer Grübel (2008). Deze laatste twee artikelen zijn niet zozeer gericht op het verwerven van inzicht in de vroege Nederlandse Dostoevskij-kritiek; veeleer stellen ze zich tot doel te peilen in hoe­verre een vergelijking tussen (een select aantal) Vlaamse en Nederlandse Dosto­evskij-publicaties eventuele verschillen tussen de Vlaamse en Nederlandse litera­tuur aan het licht kan brengen. Wellicht is het deels te wijten aan deze vraag­stelling dat Grübel (2008) slechts een klein percentage van de beschikbare Dosto­evskij-publicaties in aanmerking neemt.

Tot slot komt de vroege Nederlandse Dostoevskij-kritiek ter sprake in de toonaangevende literatuurgeschiedenis Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900 van Jacqueline Bel (1993) en in het proefschrift De literaire circuits en de organisatie van het Rus­landbeeld in België tijdens het interbellum van Wim Coudenys (1995). In beide gevallen wordt de Dostoevskij-receptie echter niet in algemene termen beschre­ven, maar benaderd vanuit een enge invalshoek: Bel heeft enkel aandacht voor het oordeel dat de vertaling Schuld en boete bij zijn eerste verschijnen beschoren was, en Coudenys is het hoofdzakelijk te doen om de constructie van het Dostoevskij-beeld in Vlaanderen tijdens het interbellum.

Uit de bovenstaande status quaestionis blijkt dat de vroege Nederlandse Dos­to­evskij-kritiek in de loop van de voorbije eeuw aangeraakt werd door ver­schei­de­ne auteurs, zij het niet altijd in het kader van wetenschappelijk receptie­onderzoek. Hoewel Kingma (1981) met zijn bibliografische arbeid het pad effen­de voor een min of meer exhaustieve studie van de Nederlandse Dostoevskij-kritiek, is deze tot op heden nog niet verricht. Ten gevolge hiervan is er nog geen gedetailleerd en ge­balanceerd overzicht voor handen van de reacties die Dosto­evskij bij Nederland­se critici opriep in de periode 1881-1914. Uiteraard is zulk een beeld van de vroege Nederlandse Dostoevskij-kritiek onontbeerlijk voor een juist begrip van de rui­me­re Dostoevskij-receptie. Niet enkel omdat de literaire kritiek an sich tradi­ti­o­neel het belangrijkste object van receptieonderzoek uit­maakt, maar ook omdat deze rechtstreekse invloed uitoefent op de werkzaamheid van uitgevers, in het bij­zon­der met betrekking tot de selectie van de bronteksten, op de werkzaamheid van vertalers, in het bijzonder met betrekking tot de algeme­ne vertaalstrategie en spe­cifieke vertaalkeuzes, en op interpretatie, evaluatie en koopgedrag van lezers. In het streven naar inzicht in de vroege Nederlandse Dosto­evskij-receptie kan een ex­haustieve en gedetailleerde studie van de vroege Nederlandse secundaire publi­ca­ties over Dostoevskij dus een belangrijke aanvul­ling en/of correctie betekenen op de studies van de anonieme ‘winckel-bediende’ (1921), Romein (1924), Kingma (1981), Gobbers (1984), Willemsen (1989abc; 1990), Grübel (2008), Bel (1993) en Coudenys (1995).

De Dostoevskij-vertalingen: een blinde vlek

De dissertatie Dostojewskij in de westersche kritiek Romein (1924) vormt één van de eerste en meest systematische pogingen om een licht te werpen op de vroege receptie van Dostoevskij. Naast het feit dat ze enkele onevenwichtige appreciaties bevat die verklaard kunnen worden door de marxistische ideologie van de auteur en dat niet gepeild wordt naar de specificiteit van de literatuur waarin en waarvoor de kritische teksten geconcipieerd werden, is tegen deze studie nog een gewich­ti­ger bezwaar in te brengen: vertalingen komen hierin amper aan bod. Een aantal publicatiefeiten en bibliografische gegevens worden wel opgegeven, maar de ver­taalde teksten zelf worden niet in aanmerking genomen.

Hoewel na Romein verscheidene onderzoekers, zoals Kingma, Gobbers en recentelijk Grübel, pogingen geleverd hebben om de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij op een of andere manier in kaart te brengen, zijn de eigenlijke doelteksten, behoudens de schaarse en onbetrouwbare bibliografische informatie die vermeld staat op de titelpagina’s, tot op heden onbestudeerd gebleven. Een zeldzame uitzondering hierop vormt de licentiaatsthesis van De Mesel (2004) ‘Schuld en boete’: de oudste Nederlandse vertaling van ‘Prestuplenie i nakazanie’ (F.M. Dostoevskij), die beschouwd kan worden als een laattijdig antwoord op de suggestie van Waegemans (1988: 59) dat de tijd rijp is om de belangrijkste ver­schuivingen in de eerste Nederlandse vertalingen van Dostoevskij bloot te leggen. Door het gebrek aan onderzoek is ook de kennis van de receptie van Dostoevskij beperkt. Zo is een onderbouwd en sluitend antwoord op de vraag welke concrete talen en werken respectievelijk als brontalen en bronteksten fungeerden voor de vroege Nederlandse vertalingen van Dostoevskij nog niet gevonden. Evenmin heeft men zich een idee gevormd van de eventuele verschuivingen die de vertaal­transactie met zich mee heeft gebracht, en van de verregaande implicaties hiervan voor het Nederlandse Dostoevskij-beeld. Bij gebrek aan een systematische descrip­tieve vertaalstudie kan men niet weten hoe de Dostoevskij eruit zag die destijds gerecipieerd werd – vertalingen impliceren immers altijd een vorm van manipu­latie en mogen dus niet gelijkgesteld worden met de bronteksten. Laat staan dat men een antwoord kan formuleren op de meervoudige vraag, waarvan het belang erkend wordt door Kogut (2009: 205): ‘Was wurde wann, warum, wie übersetzt, und warum wurde es so übersetzt?’

De vaststelling dat de vroege Nederlandse vertalingen van Dostoevskij in het begin van de 21e eeuw in veel grotere mate dan de Dostoevskij-kritiek uit dezelfde periode onontgonnen terrein vormen, behoeft geen verbazing. Vertaalweten­schap­pers als Even-Zohar (1990: 45) wijzen al geruime tijd op de scherpe tegen­stelling tussen de belangrijke rol die literaire vertalingen spelen in de (beeld)vor­ming van cultuurgemeenschappen en literaturen – een rol die zeker niet te onder­schatten was toen de moderne communicatietechnieken nog niet uitgevonden of ingeburgerd waren – en het weinige onderzoek dat in de 20e eeuw geleverd werd naar deze teksten.

Ruim drie decennia geleden stelde Holmes (1978: 69) al vast dat ‘translations have by and large been ignored as bastards brats beneath the recognition (let alone concern) of truly serious literary scholars’. Doordat vertalingen, zelfs van gecano­ni­seerde schrijvers, doorgaans geweerd worden uit literatuurhistorische hand­boeken, ontstaat de bedrieglijke indruk dat ze in de recipiërende literatuur geen betekenisvolle rol spelen. In overeenstemming hiermee is de vaststelling dat ook aan de vertalers zelf amper aandacht wordt geschonken. Zo gaat men bij het be­handelen van Dostoevskij doorgaans volledig voorbij aan zijn vertaalactiviteit.[6] Nochtans kan bezwaarlijk gesteld worden dat vertaalactiviteit van geen tel is voor het schrijverschap van een bepaalde auteur. Dat geldt bij uitstek voor Russische schrijvers. Zij kennen immers een lange traditie van professionalisme in het ver­talen, wat verband houdt met ‘the fact (observed by Dostojevski [sic] a century ago) that Russians had to translate and negotiate Western European languages much longer than Europe has felt the need to translate Russia’.[7] Dat vertalingen in de traditionele literatuurgeschiedenis weinig aandacht krijgen, komt tot slot ook tot uiting in het feit dat er weinig bibliografieën van vertalingen voor handen zijn die gebruiksklaar zijn voor kwantitatief-institutioneel receptieonderzoek. Scheltjens (2006: 75) merkt hierover op dat ‘door het beperken van de weerge­geven bibliografische informatie grote delen van de vertaalactiviteit in een bepaald gebied onbelicht blijven, met als gevolg dat ook de structuur van het literaire veld deels onzichtbaar blijft’.

Het zou onjuist zijn om te insinueren dat in de voorbije eeuw vertalingen helemaal niet onderzocht werden. Feit is echter dat indien doelteksten überhaupt bestudeerd werden, dit tot enkele decennia geleden overwegend vanuit een nor­matief en brontekstgericht perspectief gebeurde. In de meerderheid van de ge­vallen bestond het onderzoek uit een foutenanalyse, waarvan de finale bedoeling was om de vooropgestelde minderwaardige status van de vertaling te bevestigen. Deze aanpak, die weinig of geen oog heeft voor de rol en de positie van vertaalde literatuur in de doelcultuur en doelliteratuur, is behoorlijk voorspelbaar en steriel gebleken. Veel wijzer over de doelcultuur wordt men er niet van. De verklaringen van de vastgestelde verschuivingen beperken zich immers tot het wijzen op de ver­onderstelde incompetentie of arrogantie van de vertaler. Problematisch aan een dergelijke foutenanalyse is dat de onderzoeker, al dan niet expliciet, een enge en normatieve definitie van vertalingen hanteert die niet op observatie gebaseerd is. Eigentijdse vertaalnormen of vertaalnormen van de eigen cultuur worden dan met het grootste gemak toegepast op vertalingen uit andere tijden of andere cultuur­gemeenschappen. Gezien de inbreuk op de chronologische en culturele consisten­tie komt dit neer op een anachronistisch en etnocentrisch gebruik van vertaal­nor­men. Op de keper beschouwd verraadt deze werkwijze, die volgens Toury (1980: 26) impliciet een belangrijke steun vindt bij het gros van de bestaande theorieën over vertaling, een a-historische, statische en universalistische visie op literatuur in haar geheel. Men gaat er immers vanuit dat ‘volledigheid’ en ‘adequatie’ a-histori­sche en universele vertaalnormen zijn. Ten onrechte, zoals empirisch onderzoek aantoont.


3 Theoretisch kader

Verklaringen voor de veronachtzaming van vertaalonderzoek

Zonder exhaustiviteit na te streven dringen zich verscheidene verklaringen op waar­­om vertalingen, in weerwil van hun aanmerkelijke invloed op de manier waar­­op een geïmporteerde auteur wordt gekristalliseerd binnen een bepaalde receptie­gemeenschap, traditioneel veronachtzaamd worden door literatuur­historici en waarom descriptieve vertaalstudies lange tijd dunbezaaid waren.

Een eerste verklaring is de wijdverspreide opvatting dat literair vertalen enkel als kunst kan worden beschouwd.[8] Sommige vertalers zouden deze kunst verstaan en anderen niet. Deze opvatting over vertalen wordt gevoed door veelgelezen artikelen als The Art of Translation van Vladimir Nabokov (1941: 162), die be­weert dat de vertaler ‘must have as much talent, or at least the same kind of talent, as the author he chooses’. De waarde van deze verklaring moet echter sterk ge­relativeerd worden. Ten eerste omdat, zoals Leighton (1984: 445-6) betoogt, de opvatting dat literair vertalen een kunst is, niet kan rekenen op unanimiteit:

Translation is not yet accepted as a primary art […] and it will not be accepted until translators establish that the process of translation has its own artistic logic which – however dependent the translator is on his or her obligations to the original – predicates a different kind of original creativity. The majority of all we read is in translation; yet in American letters translation has traditionally be considered not simply a derived art but a low art, and often not an art at all.

Ten tweede is deze eerste verklaring aanvechtbaar, omdat literatuur wél algemeen erkend wordt als kunstvorm en niettemin het voorwerp vormt van wetenschappe­lijke reflectie.

Een tweede verklaring voor het schrijnende gebrek aan descriptieve vertaal­studies komt ter sprake bij Hermans (1985: 17): de numerieke en institutionele dominantie van toepassingsgerichte vertaalstudies. De vertaalpraktijk, -didactiek, -kritiek en -automatisering, is immers fundamenteel normatief.[9] Overigens stuurt de toegepaste vertaalwetenschap, ook wel vertaalkunde genoemd, in zekere zin aan op een veronachtzaming van de denkcategorie vertaling, door de mening te ver­spreiden dat een goede vertaling door de lezer idealiter niet als vertaling herkend wordt. Naar analogie is een goede tolk er één die – in de mate van het mogelijke – de illusie creëert dat de communicatie verloopt zonder tolk. In overeenstemming met deze opinie ligt de nadruk in de literaire vertaalkritiek doorgaans op de lees­baarheid van een vertaling. Vervreemdende doelteksten, die hun vertaalde status meer etaleren dan naturaliserende doelteksten, worden ontmoedigd. Voor de con­sument blijft de denkcategorie vertaling dan ook in de schaduw staan.

De derde verklaring wordt aangereikt door de culturele studies en het ‘New Historicism’, die een aantal inzichten en ideeën van het structuralisme en het post­­structuralisme hebben geïntegreerd. Deze humane wetenschappen hebben de traditionele literatuurgeschiedenis ontmaskerd als een geconstrueerd verhaal over elitaire literaire verschijnselen – dat wil zeggen verschijnselen die een zeker cultu­reel prestige genieten. Gezien de heersende opvatting dat een vertaling sowieso minderwaardig is aan het origineel – een opvatting die in verband kan worden ge­bracht met de cultus van de originaliteit, die sinds de Romantiek niet meer weg te denken is uit westerse literatuuropvattingen – genieten vertalingen in de regel een triviale status, wat tot enkele decennia geleden gold als vrijgeleide om er geen onder­zoek naar te verrichten.

De culturele studies en het ‘New Historicism’ reiken ook een vierde verklaring aan. Uit hun onderzoek van ‘het zelfgenoegzame eurocentristische discours’,[10] waarbij de hulp van antropologen, etnologen en cultuursemiotici is ingeroepen, blijkt namelijk dat de westerse denkconstructies principieel eurocentristisch zijn. Dit geldt ook voor de traditionele literatuurgeschiedenis, die exclusief westerse normen hanteert en slechts aandacht heeft voor de westerse literatuur in het algemeen en de westerse ‘nationale literaturen’ in het bijzonder. Invloeden van buitenaf, die niet in het minst tot stand komen via vertalingen, worden dan ook traditioneel genegeerd of geminimaliseerd. In overeenstemming met deze analyse constateerde Holmes (1988: 17) twee decennia geleden dat velen nog steeds de mening zijn toegedaan dat de studie van de Nederlandse literatuur zich exclusief op oorspronkelijk Nederlands werk hoort te richten. Een dergelijke opvatting brengt volgens hem ‘een onvolledige, eenzijdige en dus scheve beeldvorming’ met zich mee. Het hier gehekelde etnocentrisme kan in verband worden gebracht met de voorstelling van literatuur als autonoom. Volgens De Geest (1996: 21) vat de traditionele geschiedschrijving literatuur immers op als ‘een autonoom, geïsoleerd gegeven, niet enkel ten opzichte van de buitenliteraire werkelijkheid (politiek, maat­schappij, geestesleven…) maar eveneens ten opzichte van andere kunsten en de buitenlandse literaturen (met inbegrip van vertalingen).’[11]

Een aanvullende verklaring voor de traditionele veronachtzaming van vertalin­gen als denkcategorie en voorwerp van onderzoek, wordt aangereikt door D’hulst (1997: 292). Hij wijst erop dat de vertaling sinds Aristoteles geen plaats werd toe­bedeeld in het systeem van de modi, dat als voorloper van het systeem van de genres grote invloed heeft uitgeoefend op het westerse denken over literatuur:

La traduction est donc absente du modèle aristotélicien à l’origine d’une con­ception monolingue des genres littéraires. […] La traduction, enfin, occupe un espace également marginal dans les différents arts poétiques qui se succèdent depuis l’âge Classique à notre époque, au nombre desquels on comptera par conséquent les théories modernes et contemporaines de la littérature.

Grote culturen, bij uitstek de Franse, hebben in de loop der eeuwen bijgedragen tot de illusie van universele eentaligheid. Het ontwikkelen van een discours over vertalingen hoort in dat kraam niet thuis.

Hier moet opgemerkt worden dat literatuurwetenschappers niet de enigen zijn die de vertaling als denkcategorie traditioneel veronachtzamen. Hetzelfde geldt voor de hoofdactoren van het literaire veld: de lezers. Dat zij in de regel voorbij gaan aan het feit dat ze niet het origineel, maar wel een vertaling lezen, wordt door Hermans (2004: 191) als volgt becommentarieerd:

we zeggen allemaal zonder probleem dat we Dostojevski gelezen hebben […] Voor zover een vertaling erin slaagt een indruk, een gevoel van equivalentie tot stand te brengen of over te brengen, een idee van transparantie en betrouw­baarheid dat haar in staat stelt als integrale representatie en dus als geloofwaar­dig substituut voor een brontekst te functioneren, is een uitspraak als ‘Ik heb Dostojevski gelezen’ een legitieme afkorting van ‘Eigenlijk heb ik een vertaling van Dostojevski gelezen’ – wat dan op hetzelfde neerkomt als ‘en dat is prak­tisch even goed als het origineel’.

Zelfs schrijvers besteden in de regel weinig aandacht aan de categorie ‘vertaling’. Dit bewijst bijvoorbeeld de polemiek die Arnon Grunberg enkele jaren geleden aan­ging met Harry Mulisch, in zijn column De mailbox van Arnon Grunberg in het Vlaamse weekblad HUMO. In zijn essay in briefvorm Een kleine leugenaar valt Grunberg (2002: 139) zijn ambtsgenoot Mulisch aan in verband met zijn uit­spra­ken over de esthetische kenmerken van het proza van Dostoevskij:

Nadat u al in een van uw romans (‘De Procedure’) en in tig [sic] interviews hebt beweerd dat Nabokov een zinnenschrijver is en dat u, net als Dostojevski, een oeuvreschrijver bent, herhaalt u dat nog maar eens in uw laatste interview. […] Dostojevski zou geen enkele mooie zin geschreven hebben? Laten we eens kij­ken naar de eerste vier zinnen van ‘Aantekeningen uit het ondergrondse’: ‘Ik ben een ziek man… Ik ben een slecht man. Een onaantrekkelijk man ben ik. Ik ge­loof dat ik aan een leverkwaal lijd.’ Vier prachtzinnen op een rij, waarbij menig zin van Nabokov verbleekt. Misschien is een mooie zin voor u pas een mooie zin als je hem in stukjes hakt en vervolgens een gedicht overhoudt (wat mij een misvatting lijkt); maar zelfs als je die vier zinnen van Dostojevski in stukjes hakt houd je een gedicht van Jan Arends over waar je u tegen kan zeggen.

Kenmerkend voor het westerse denken is dat Grunberg er in zijn column met geen woord over rept dat hij niet Dostoevskij, maar wel zijn vertaler citeert. Het gaat er hier niet om dat de door hem geciteerde vertaling niet adequaat zou zijn, maar wel om het feit dat hij – en velen met hem – met het grootste gemak een waardeoordeel uitspreekt over de esthetische kenmerken van een origineel literair werk op basis van een vertaling.

Ludwig Wittgenstein (1966: 90) schrijft ‘Was wir nicht denken können, das können wir nicht denken; wir können auch nicht sagen, was wir nicht denken können’. Om over iets te kunnen spreken, moet men ook over de nodige denk­categorieën beschikken. Deze denkcategorieën komen voort uit de wijze waarop men bepaalde fenomenen percipieert of niet percipieert. Het fenomeen ‘vertaling’ vormt een denkcategorie die betrekkelijk weinig wortel heeft geschoten in de wes­terse cultuur in het algemeen en in de traditionele westerse literatuurwetenschap in het bijzonder. Nu is hierin sinds enkele decennia wel verandering gekomen. Dankzij recente theorieën werden nieuwe perspectieven geopend. Nieuwe onder­zoeksvragen en -methoden, die bruikbaar en zinvol zijn voor descriptief vertaal­onderzoek, hebben het vertrouwen gewonnen van een nog steeds groeiend aantal literatuuronderzoekers.

De kloof tussen theorie en studie

Hermans (1988: 18) merkt nogal scherp op dat ‘na de lange theoretische discus­sies in de jaren zestig en zeventig over de mate van wetenschappelijkheid van de literatuurwetenschap, na jaren van werkimmanente, egocentrische, a-historische analyse en interpretatie […] er een vernieuwde belangstelling gekomen [is] voor de literaire tekst als tijdsgebonden document en voor de ruimere sociale aspecten en functies die zowel productie als de receptie van literatuur mee bepalen’. Met ande­re woorden hebben literatuurwetenschappers er zich massaal mee akkoord ver­klaard om literaire verschijnselen voortaan in hun historisch-contextuele dimen­sie te bekijken.

Voor vertalingen komt deze heroriëntatie neer op een pleidooi om ze in eerste instantie te bestuderen in relatie tot de recipiërende of doelcultuur, die hun eigen­lijke culturele context vormt. Door voortrekkers van de zogenaamde descriptieve vertaalwetenschap wordt deze nieuwe benadering voorgesteld als radicaal nieuw. Terwijl de superioriteit van bronteksten in de klassieke vertaal­reflectie primeerde, wordt er nu van uitgegaan dat ‘vertalingen voor de bron­literatuur, d.w.z. de litera­tuur waaruit zij voortkomen, weinig of niets te beteke­nen hebben. […] Vertalin­gen laten inderdaad de brontaal en -literatuur onaan­geroerd. Zij brengen er geen veranderingen, laat staan ontwikkelingen, in teweeg. Voor de doeltaal en -litera­tuur, en in verruimde zin voor de ontvangende cultuur in haar geheel, kunnen zij daarentegen heel wat betekenen’.[12]

De kentering in de literatuurwetenschap liet zich in eerste instantie vooral voelen op het vlak van de theorievorming. Van een vruchtbare wisselwerking tussen de historisch-contextualiserende theorievorming en de literatuur­histori­sche praktijk was echter nauwelijks sprake. De Geest (1996: 1, 19) stelde in 1996 nog vast dat de theorie en de praktijk van de (literaire) geschiedschrijving zich grotendeels naast en onafhankelijk van elkaar afspelen. In dat opzicht leek de eerder door Lambert (1983: 356) geformuleerde jammerklacht dat ‘le dialogue entre historiciens et théoriciens de la littérature reste essentiellement un dialogue de sourds’ nog altijd aan de orde.

De kloof tussen de theorie en de praktijk van het onderzoek verklaart De Geest (1996: 13) aan de hand van drie fundamentele bezwaren die de literatuur­onderzoeker koestert tegenover de algemene literatuurwetenschap (naar analogie met de historicus versus de theoretische geschiedenis): dat de theorie onpraktisch en onnodig is, dat ze slecht geïnformeerd is over de praktijk van het onderzoek, en tot slot dat ze irrelevant en abstract is. Enerzijds moet gezegd worden dat deze be­zwaren van de onderzoeker tegen het gros van de historisch-contextualiserende theorieën begrijpelijk en legitiem zijn: er is, zo meent De Geest (1996: 19), een toe­nemende verzelfstandiging van het theoretische spreken, waardoor de ‘herken­baarheid en de relevantie van de voorgestelde modellen onvoldoende lijkt ge­waar­borgd, a fortiori wanneer concrete toepassingen achterwege blijven en de metho­dologische component van de theorie wordt veronachtzaamd’. Anderzijds mag de traditionele literatuurgeschiedenis niet voorbijgaan aan de terechte kritiek en de inzichten die binnen de algemene literatuurwetenschap geformuleerd res­pec­tieve­lijk verworven zijn, tenminste als ze haar wetenschappelijke geloofwaar­dig­heid wenst te behouden. Eén van de meest fundamentele verwijten van de historisch-contextualiserende literatuurtheorieën jegens de traditionele literatuur­geschiede­nis en de historische literatuurstudie betreft het simplistische beeld dat van de literaire feitelijkheid wordt opgehangen, met name dat ze literatuur­geschie­denis voorstelt als een gesloten, rechtlijnig en doelgericht historisch en nationaal ver­haal. Eerder werd beargumenteerd dat vertalingen in dit verhaal amper een rol toebedeeld krijgen.

Met het oog op het formuleren en toetsen van hypothesen en het opzetten van een historische vertaalstudie in de vorm van descriptief onderzoek, is het nood­zake­lijk een integratie te bewerkstelligen van literatuurwetenschappelijke theorie­vorming en literatuurgeschiedkundig onderzoek. Het spreekt voor zich dat zulk een integratie enkel mogelijk is indien de theorievorming in kwestie zich leent tot het helpen formuleren van hypothesen over vertalingen. Dit veronderstelt dan weer dat de theorie zich tout court uitspreekt over vertalingen. Eerder is bespro­ken dat de traditionele literatuurwetenschap, met haar onverschilligheid ten aan­zien van vertalingen, er niet in geslaagd is om een theoretisch kader en een metho­do­logie aan te bieden die bruikbaar én zinvol zijn voor descriptief vertaal­onderzoek.

De receptieonderzoeker staat dus voor de opdracht om zijn onderzoek een theoretisch kader te geven dat oog heeft voor het fenomeen vertalingen en op basis waarvan een methodologie kan worden gegenereerd voor descriptief onderzoek. Van de theoretische optie om literatuur als systeem te benaderen is herhaaldelijk geopperd dat ‘ze een mogelijk alternatief zou kunnen vormen voor de impassen van de traditionele literatuurgeschiedenis’.[13] Als antwoord op de vraag naar het theoretisch kader waarin de vertaalonderzoeker zich het best kan inschrijven in functie van de formulering van productieve en inzichtverruimende vragen, schrijft ook Hermans (1988: 20):

Wat mij betreft verwacht ik het meeste heil […] van een aanpak die, wat de studie van literaire vertaling en vertalingen betreft, zich in een aantal sleutel­woor­den laat samenvatten: een aanpak die doelpoolgericht, pragmatisch, be­schrijvend, functioneel en systemisch is.

Met ‘systemisch’ bedoelt Hermans (1988: 20) een aanpak die uitgaat van de op­vat­ting dat ‘we literatuur kunnen beschouwen als een systeem, d.w.z. als een struc­tureel geheel dat meer of minder afgerond, meer of minder stabiel is en dat op zijn beurt met andere communicatiesystemen en collectieve structuren in verbinding staat’.

De laatste jaren zijn dergelijke systemische benaderingen van literatuur erg in zwang in de literatuurwetenschappelijke wereld. Vooral de praxiologie of de veld­theorie van Pierre Bourdieu en het constructivisme van Siegfried Schmidt en Niklas Luhman genieten bijzondere populariteit. Onder de bestaande theorieën is er echter één benadering die op internationaal vlak in de vertaalwetenschap bij­zon­der aanzien geniet en ook ingang heeft gevonden in Nederlandstalige vertaal­wetenschappelijke kringen, met name de polysysteemhypothese of -theorie van Itamar Even-Zohar.

De theorie van Even-Zohar is sinds enige tijd in de schaduw gesteld door ande­re, al dan niet meer recente systemische benaderingen, met name door de theorie van Bourdieu. Toch is het een misvatting om te denken dat de poly­systeem­theorie door deze en andere systeemtheorieën vervangen is. Althans vol­gens theoretici als Codde (2003: 91) die ter ondersteuning van deze bewering twee argumenten aan­haalt:

On the one hand, Polysystem Theory offers students of literature a framework for a wide-ranging and still topical study of a variety of cultural phenomena (that is not restricted to literature); on the other hand, the more recent system-theoretical approaches simply cannot replace Polysystem Theory, because they are interested in altogether different aspects of the literary system.

Inderdaad besteedt de polysysteemtheorie unieke aandacht aan de rol die vertalin­gen spelen in de vorming en werking van de recipiërende literatuur en aan de manier waarop descriptief onderzoek naar deze rol moet worden gevoerd. Van­daar dat deze theorie aangenomen is als theoretisch kader voor het in dit proef­schrift gepresenteerde onderzoek.

Literatuur als systeem

In navolging van de Russische formalisten heeft Even-Zohar aangenomen dat literatuur, zoals andere culturele feiten, kan worden beschouwd als een systeem: een netwerk van veranderlijke relaties tussen concrete fenomenen, zoals teksten, auteurs en uitgevers, en abstracte fenomenen, zoals de status binnen het systeem, marketing- en advertentiemethoden, en tekstuele modellen. Met zijn keuze voor een systemische literatuurbenadering vond Even-Zohar een alternatief voor de toen dominante a-historische, statische en tekstgerichte literatuurwetenschappe­lijke benaderingen.

Het moet hier benadrukt worden dat het systeem bij Even-Zohar, net als bij de formalisten, een open en dynamische entiteit is: binnen het systeem kunnen feno­menen en hun onderliggende relaties verschijnen, veranderen en verdwijnen. De polysysteemtheorie is een functionalistische benadering van literatuur, in die zin dat literaire verschijnselen als elementen van één of meerdere systemen gezien wor­­den om vervolgens geanalyseerd te worden in termen van hun functies en weder­­kerige relaties binnen deze systemen. De polysysteemtheorie probeert rela­ties binnen het systeem te beschrijven en verklaren in zowel diachroon als syn­chroon perspectief. Het systeemconcept van Even-Zohar mag dus in geen geval verward worden met een structuralistisch concept zoals dat van Ferdinand de Saussure en zijn volgelingen, die het systeem als een gesloten en statische entiteit beschouwen en geen rekening houden met evolutie.

Literatuur als polysysteem

Even-Zohar is nog een stap verder gegaan dan de formalisten: hij heeft gesteld dat het zin heeft om literatuur te beschouwen als een systeem van systemen. In zijn visie kan het literair polysysteem geanalyseerd en beschreven worden in termen van verschillende opposities en systemen: centrum versus periferie, gecanoniseerde versus niet gecanoniseerde literatuur, een primaire rol versus een secundaire rol; volwassenen- versus kinderliteratuur; originele versus vertaalde literatuur. De polysysteemtheorie benadrukt dat een systeem nooit een geïsoleerd verschijnsel is, maar wel zijn structuur en functie aan zijn context dankt. Deze context wordt ge­vormd door de dynamische relaties met andere systemen, die zowel binnen als buiten het zelfde polysysteem gelegen zijn.

Vertaalde literatuur als subsysteem

Onder de literaire verschijnselen krijgen vertalingen bijzondere aandacht in de poly­systeemtheorie. Volgens Weissbrod (1998) is dit de onmiddellijke consequen­tie van twee basisassumpties van de polysysteemtheorie. Ten eerste dat literaire polysystemen zich ontwikkelen in contact met andere literaire polysystemen – dit contact kan de vorm aannemen van vertalingen van concrete literaire teksten. Ten tweede vormt vertaalde literatuur een integraal deel van het literair polysysteem.

De context waarbinnen vertalingen een rol spelen is in de eerste plaats die van de ontvangende cultuur of literatuur. De idee dat vertalingen bestudeerd moeten worden in de ontvangende literatuur, waar ze zelf deel van uitmaken, is in de poly­systeemtheorie essentieel. Bovendien pleit de polysysteemtheorie ervoor om ver­taalde literaire werken niet te behandelen op individuele basis, maar wel als sub­systeem van het literair polysysteem. Even-Zohar geeft twee argumenten voor de stelling dat vertaalde literatuur als een subsysteem kan worden beschouwd, of met andere woorden, dat het cultureel en verbaal netwerk van relaties binnen de ver­taalde literatuur fundamenteel verschilt van het netwerk van relaties binnen niet-vertaalde literatuur:

My argument is that translated works do correlate in at least two ways: (a) in the way their source texts are selected by the target literature, the principles of selection never being uncorrelatable with the home co-systems of the target literature (to put it in the most cautious way); and (b) in the way they adopt specific norms, behaviors, and policies – in short, in their use of the literary repertoire – which results from their relations with the other home co-systems. These are not confined to the linguistic level only, but are manifest on any selection level as well. Thus, translated literature may possess a repertoire of its own, which to a certain extent could even be exclusive to it. (Even-Zohar 1990: 46)

De bovenstaande argumenten brengen Even-Zohar ertoe om binnen het literair polysysteem de oppositie vertaalde literatuur versus niet-vertaalde literatuur te handhaven. Dit maakt het mogelijk en zelfs noodzakelijk om vertaalde literatuur te beschouwen als subsysteem van het literair polysysteem. Het is dus gepast om te spreken over ‘vertaalde literatuur’, en niet enkel over ‘vertaalde literaire werken’.

Functie en positie van vertaalde literatuur in polysysteem

Nu vertaalde literatuur omschreven is als integraal subsysteem van het literair poly­systeem komt het erop aan om de positie en de functie van dit subsysteem bin­nen het polysysteem te beschrijven en te analyseren.

Even-Zohar (1990: 45) waarschuwt ervoor niet in de val te trappen om ver­taal­de literatuur een perifere positie toe te schrijven op basis van de eenvoudige vaststelling dat binnen de literatuurwetenschap vertaalstudies een perifere positie innemen. Hij stelt dat vertaalde literatuur binnen het literair polysysteem niet per definitie een passief en perifeer subsysteem vormt, maar wel ‘a most active system’. Dit betekent nog niet dat vertaalde literatuur steeds een centrale positie verkrijgt in het polysysteem; haar positie is veranderlijk en in grote mate afhankelijk van de gesteldheid van het polysysteem in zijn geheel op een bepaald moment. Voor ver­taalde literatuur geldt, zoals voor een willekeurig ander subsysteem van het literair polysysteem, dat twee verschillende posities tot de theoretische mogelijkheden behoren: een centrale positie, of een perifere positie.

Een centrale positie van vertaalde literatuur binnen het polysysteem impliceert directe betrokkenheid van vertaalde literatuur bij de vorming van het centrum van dit polysysteem:

In such a situation it [translated literature] is by and large an integral part of innovatory forces, and as such likely to be identified with major events in literary history while these are taking place. This implies that in this situation no clear-cut distinction is maintained between “original” and “translated” writings […] Moreover, in such a state when new literary models are emerging, translation is likely to become one of the means of elaborating the new repertoire. Through the foreign works, features (both principles and elements) are introduced into the home literature which did not exist there before. These include possibly not only new models of reality to replace the old and establish­ed ones that are no longer effective, but a whole range of other features as well, such as a new (poetic) language, or compositional patterns and techniques. (Even-Zohar 1990: 46-7)

Indien vertaalde literatuur een centrale positie inneemt in het polysysteem, dan is dit geen toeval. Immers, het doet meer dan de vertaalde literatuur ontvangen: het maakt ook de selectie van de literaire werken die vertaald worden. De gehanteerde selectieprincipes zijn daarbij fundamenteel geënt op de situatie waarin een bepaald polysysteem verkeert: literaire werken worden geselecteerd om vertaald te worden met het oog op een welbepaalde positie in het literair polysysteem. Indien de voor vertaalde literatuur beoogde positie in het polysysteem centraal is, dan geldt dat ‘texts are chosen according to their compatibility with the new approaches and the supposedly innovatory role they may assume within the target literature’.[14]

Even-Zohar stelt dat het literair polysysteem aan één van drie volgende voor­waarden moet voldoen opdat vertaalde literatuur er een centrale positie in zou kunnen innemen: het is jong, het heeft een perifere positie ten opzichte van ande­re literaire polysystemen, het is in crisis. In deze drie gevallen kan men de litera­tuur bestempelen als ‘zwak’.

Wanneer de literatuur jong is, is het polysysteem als zodanig nog maar weinig gedifferentieerd. De behoefte ontstaat dan om de taal van het polysysteem vorm te geven in zo veel mogelijk nieuwe literaire types ‘in order to make it serviceable as a literary language and useful for its emerging public’.[15] Aangezien een literatuur bij lange niet in staat is om op korte termijn teksten te creëren in zo veel verschillende types als er in andere literaturen bestaan, zal ze zich beroepen op vertalingen. Ver­taalde literatuur is dan een innoverende kracht in het polysysteem, en één van haar belangrijkste subsystemen.

Een soortgelijke situatie ontstaat wanneer een literatuur in een hiërarchie van literaturen een perifere positie inneemt:

As a consequence of this situation, such literatures often do not develop the same full range of literary activities (organized in a variety of systems) observ­able in adjacent larger literatures (which in consequence may create a feeling that they are indispensable). They may also ‘lack’ a repertoire which is felt to be badly needed vis-à-vis, and in terms of the presence of, that adjacent literature. This lack may then be filled, wholly or partly, by translated literature. (Even-Zohar 1990: 47)

Lacunes in het repertoire van een ondergeschikte literatuur kunnen dus opgevuld worden met vertalingen uit het repertoire van bovengeschikte literaturen. Boven­geschikte literaturen kunnen doorgaans gemakkelijker innovaties introduceren dan ondergeschikte literaturen. Vandaar dat ondergeschikte literaturen zich met het oog op innovatie van het eigen polysysteem niet uitzonderlijk beroepen op ver­taalde literatuur van bovengeschikte literaturen. Het belangrijke gevolg hiervan is dat ‘a relation of dependency may be established not only in peripheral systems, but in the very center of these “weak” literatures’.[16]

Literaire polysystemen die met elkaar in contact staan vormen tezamen een macropolysysteem. Daarbinnen zijn er, sinds haar ontstaan, hiërarchische relaties gevormd. Even-Zohar merkt op dat in een Europese context perifere literaturen meestal gevormd worden door kleine naties. Zulke literaturen zijn in grote mate geschoeid op de leest van bovengeschikte literaturen. Vertalingen zijn voor deze literaturen van bijzonder belang voor de introductie van allerhande innovaties:

whereas richer or stronger literatures may have the option to adopt novelties from some periphery within their indigenous borders, “weak” literatures in such situations often depend on import alone. (Even-Zohar 1990: 48)

Een laatste geval waarin vertaalde literatuur een centrale positie kan innemen in het polysysteem, wordt gevormd door crisissituaties. Deze crisissituaties zijn in­herent aan de dynamiek die werkzaam is binnen het polysysteem; vroeg of laat creëert de literatuur keerpunten, waarmee Even-Zohar doelt op ‘historical moments where established models are no longer tenable for a younger generation’. Het kan voorkomen dat de gehele ‘stock’ van het polysysteem haar geloofwaar­digheid voor deze jongere generatie verliest, waardoor er een vacuüm ontstaat in het centrum van de literatuur. In zo’n omstandigheden kunnen ver­taalde werken gemakkelijk infiltreren en kan vertaalde literatuur een centrale positie bemachti­gen binnen het literair polysysteem.

In het bovenstaande werden drie verschillende en voldoende voorwaarden beschreven die een situatie creëren waarin vertaalde literatuur een centrale positie kan verkrijgen binnen de literatuur. Vertaalde literatuur kan echter ook een perifere positie innemen in het polysysteem:

In such a situation it has no influence on major processes and is modelled according to norms already conventionally established by an already dominant type in the target literature. (Even-Zohar 1990: 48)

In dit geval manifesteert vertaalde literatuur zich als een bastion van conservatis­me, in die zin dat ze geen pogingen onderneemt om nieuwigheden te introduceren in de literatuur. Deze nieuwigheden (nieuwe normen en modellen) kunnen wel ontwikkeld worden door de niet-vertaalde literatuur. De vertaalde literatuur zal als perifeer systeem normen blijven hanteren die reeds (lange tijd) verworpen zijn door het gevestigde centrum. De interactie tussen vertaalde literatuur en originele literatuur is in zulk een situatie zeer beperkt.

Het subsysteem van de vertaalde literatuur kan dus zowel innoverend als con­serverend werken. Even-Zohar haalt aan dat het mogelijk is dat vertaalde litera­tuur eerst een centrale positie inneemt in de literatuur, nieuwigheden introdu­ceert, maar na verloop van tijd contact verliest met de verder evoluerende originele literatuur en een perifere positie inneemt. Hij besluit dat ‘a literature that might have emerged as a revolutionary type may go on existing as an ossified système d’antan, often fanatically guarded by the agents of secondary models against even minor changes’.[17]

Gelaagdheid van vertaalde literatuur als systeem

Nadat Even-Zohar in zijn artikel ‘The Position of Translated Literature within the Literary Polysystem’ (1990) zijn stelling heeft toegelicht dat vertaalde litera­tuur als literair subsysteem centraal of perifeer is, nuanceert hij deze tweedeling. Omdat vertaalde literatuur op zichzelf een gelaagd systeem vormt, is het mogelijk dat een bepaalde sectie in het polysysteem centraal gepositioneerd is, terwijl een andere sectie perifeer is. De positie die een bepaalde sectie van vertaalde literatuur inneemt, is niet toevallig. Deze problematiek kan geduid worden aan de hand van de relatie tussen intersystemische contacten en de status van vertaalde literatuur: ‘When there is intense interference, it is the portion of translated literature deriving from a major source literature which is likely to assume a central position.’[18] De secties van vertaalde literatuur kunnen dus van elkaar onderschei­den worden op basis van de bronliteratuur van waaruit ze afkomstig zijn. Hoe in­tenser het contact tussen twee literaire polysystemen, hoe groter de kans dat de vertaalde werken uit de ene literatuur een centrale positie toebedeeld worden in de andere.

Even-Zohar pleit voor voorzichtigheid bij het bepalen van de positie van ver­taalde literatuur, in het bijzonder omdat er nog maar weinig historisch materiaal is geanalyseerd in polysystemische termen. Hij wijst er wel op dat reeds gevoerd onder­zoek doet vermoeden dat ‘the “normal” position assumed by translated literature tends to be the peripheral one’.[19] Theoretische speculaties gaan in dezelf­de richting. Volgens Even-Zohar (1990: 50) kan men ervan uitgaan dat geen enkel polysysteem op lange termijn in een voortdurende zwakke staat kan verkeren. Hoe sterker het polysysteem, hoe groter de kans dat vertaalde literatuur er een perifere positie inneemt. Zo laat de vaststelling dat vertaalde literatuur in de Franse litera­tuur een perifere positie bekleedt zich verklaren door de lange traditie van centrale positionering van de Franse literatuur binnen een macropolysystemische context.

De invloed van de positie van vertaalde literatuur op de vertaalnormen

De polysysteemtheorie ontleent haar bijzondere betekenis voor descriptief vertaal­onderzoek aan de hypothese dat de positie van vertaalde literatuur als subsysteem van een polysysteem bepalend is voor haar aard. Eerder is erop gewezen dat de selectie van literaire werken die in aanmerking komen voor vertaling niet blind is. Teksten worden namelijk geselecteerd met het oog op een centrale of perifere positie in het literair polysysteem. Eens de selectie is voltrokken, moet het werk vertaald worden. Volgens de polysysteemtheorie zijn de daarbij gehanteerde ver­taalstrategieën geënt op de positie binnen het recipiërende polysysteem waarvoor de betreffende teksten zijn voorbestemd. Het aandeel van de vertaler, die rekening moet houden met de eisen van de uitgever, is daarbij niet te onderschatten:

Since translational activity participates, when it assumes a central position, in the process of creating new, primary models, the translator’s main concern here is not just to look for ready-made models in his home repertoire into which the source texts would be transferable. Instead, he is prepared in such cases to violate the home conventions. Under such conditions the chances that the translation will be close to the original in terms of adequacy (in other words, a reproduction of the dominant textual relations of the original) are greater than otherwise).[20] (Even-Zohar 1990: 50)

Het spreekt voor zich dat de productie van vertalingen in grote mate de wet van vraag en aanbod volgt. Indien een literatuur behoefte heeft aan innovatie, dan is de kans groot dat er innoverende vertalingen op haar markt verschijnen. Het kan echter voorkomen dat de gehanteerde vertaalnormen té vreemd en revolutionair blijken te zijn voor een literatuur. In dat geval kan een literaire strijd uitbreken, waarvan twee uitkomsten mogelijk zijn: ofwel lijdt de vertaling als het ware een nederlaag en worden de gehanteerde vertaalnormen niet aangemoedigd, ofwel over­wint de vertaling en wordt er een nieuwe trend gezet. In dit laatste geval wor­den de gehanteerde vertaalnormen aangemoedigd en wordt het repertoire van de vertaalde literatuur rijker en soepeler.

Wanneer vertaalde literatuur bestemd is voor een perifere positie, dan is het gedrag van de vertaler grondig verschillend:

Here, the translator’s main effort is to concentrate upon finding the best ready-made secondary models for the foreign text, and the result often turns out to be a non-adequate translation or (as I would prefer to put it) a greater discrepancy between the equivalence achieved and the adequacy postulated. (Even-Zohar 1990: 51)

Duidelijk is dat de literaire vertaling zich in de polysysteemhypothese manifesteert als een relatief en dynamisch gegeven. Niet enkel haar positie en functie variëren naargelang de intrasystemische en intersystemische context. Ook haar natuur zelf is hiervan in grote mate afhankelijk. Het is dankzij zijn aanhoudende zorg om historisch-culturele contextualisering dat de polysysteemtheorie zich uitstekend leent als theoretisch kader om allerhande cultuurtransfers in kaart te brengen, zo­als degene die de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij uitmaken. Zoals gebruikelijk in studies met een polysystemisch perspectief, zullen in dit proef­schrift vertalingen beschreven worden aan de hand van het concept van de ver­taal­normen.

Vertaalnormen

Het concept (vertaal-)normen staat in de vertaalstudie van de Academie van Tel Aviv in het algemeen en in de polysysteemtheorie in het bijzonder centraal. Het werd door onderzoekers als Mukařovský, Hrushovski en Coseriu in de jaren 1970 en 1980 geïntroduceerd in de semiotiek, linguïstiek en literatuurwetenschap. In de vertaalwetenschap werd het voor het eerst gebruikt door Jirí Levý in 1963. Het concept van de normen werd opgepikt door Even-Zohar. Daarnaast gebruikte vanaf 1977 ook Gideon Toury het concept normen om het vertalen beter te be­grijpen en te beschrijven. Hij ontwierp een analysemodel voor vertaalnormen, waaraan te danken is dat het concept vertaalnormen ingang heeft gevonden in brede kringen. Dit model kan een grote hulp betekenen om vertaalfenomenen in kaart te brengen en te verklaren.[21]

Normen zijn impliciete en expliciete geboden en verboden die zich toepassen op alle soorten van menselijk gedrag in een maatschappelijk kader. Ze kunnen onderscheiden worden van puur idiosyncratische factoren en van universele gedragspatronen omdat ze een sociale basis hebben. Wanneer sprake is van nor­men impliceert dit een maatschappelijk kader. Mutatis mutandis zijn vertaal­normen impliciete en expliciete geboden en verboden, gedragen door een maat­schappelijk kader, die het vertaalgedrag in dit maatschappelijk kader sturen. In de descriptieve vertaalwetenschap wordt gesteld dat het vertaalgedrag voornamelijk gedetermineerd wordt door vertaalnormen, en in veel mindere mate door de idiosyncratische voorkeuren van de vertaler.

Vertaalnormen betreffen het vertaalgedrag in alle stadia van het vertalen. Het eerste wat vertaalnormen doen, is invloed uitoefenen op de selectie van de te ver­talen teksten. Daarbij kan er een voorkeur uitgaan naar bepaalde brontalen en -modellen. Vertaalnormen kunnen de productie van bemiddelde vertalingen en pseudovertalingen aanmoedigen of ontmoedigen. Nadat de selectie van de bron­tekst en de status van de te produceren vertaling (bemiddeld of onbemiddeld, echte of pseudovertaling) is verricht, beïnvloeden normen de vertaalstrategie, als geheel van vertaalprocedés. De relaties tussen doeltekst en brontekst zijn dus af­hankelijk van de gehanteerde vertaalnormen. In het model van Toury (1995) worden verschillende soorten onderscheiden, afhankelijk van de aspecten van de doeltekst die ze bepalen. Hierop wordt meer gedetailleerd ingegaan in het ver­taalwetenschappelijke luik van dit proefschrift, ondergebracht in het deel IV.


4 Afbakening onderzoek

Nu het theoretisch kader is uiteengezet kan het voornemen om de vroege Neder­land­se receptie van Dostoevskij te onderzoeken nader omschreven worden. Ter­wijl de concrete onderzoeksvragen toegelicht worden in de inleidingen van de delen van dit proefschrift waarin ze behandeld worden, wordt hier alvast om­schreven wat verstaan wordt onder de woorden ‘receptie’, ‘vroege’ en ‘Neder­landse’. De bedoeling is de grenzen van dit onderzoek vast te leggen en te verant­woorden.

Receptie

Traditioneel wordt ‘receptie’ opgevat als literaire kritiek, in die zin dat receptie­onderzoek zich in de regel toespitst op de literaire kritiek die een gerecipieerde auteur te beurt valt. De teksten die deze kritiek uitmaken worden aan een analyse onderworpen, met de bedoeling om de meningen die over de betreffende auteur of zijn werken circuleerden vast te pinnen. Receptieonderzoek kan echter aan reik­wijdte en diepgang winnen door twee grote verdiensten van de polysysteem­theorie, die de aandacht van de onderzoeker richt op de positie en de functie van de gerecipieerde auteur binnen de doelliteratuur, te integreren. Op de eerste ver­dienste kunnen ook andere hedendaagse literatuurtheorieën aanspraak maken: de eis van verregaande contextualisering. Deze eis geldt zowel de intersystemische als de intrasystemische verhoudingen. Wat betreft de intersystemische verhoudingen ziet de onderzoeker die een polysystemisch perspectief hanteert zich verplicht om te peilen naar de mate waarin het receptieproces gestuurd of beïnvloed wordt door andere literaturen. Het is grotendeels afhankelijk van het welslagen van deze pei­ling of de onderzoeker al dan niet ontsnapt aan het verwijt dat hij een voorbij­gestreefde voorstelling van nationale literaturen als statische, gesloten entiteiten propageert. De integratie van het inzicht dat literaturen met elkaar in contact staan valt echter niet licht te bereiken: voor de receptieonderzoeker komt dit neer op bijkomend onderzoek naar de receptie van de onderzochte auteur in ten minste de literaturen die beschouwd kunnen worden als dominant tegenover de doelliteratuur waarin men eigenlijk geïnteresseerd is. Wat betreft de intrasystemi­sche context wordt de onderzoeker geacht de belangrijkste institutionele actoren in kaart te brengen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken zijn bij de eigenlijke import van literatuur. Het gaat om vertalers, uitgevers, critici, literatuurhistorici, kranten, tijdschriften en lezers. De tweede grote verdienste van de polysysteem­theorie is het geïntegreerde inzicht dat vertalingen een cruciale rol spelen in het receptieproces en dat ze in hun essentie de stempel dragen van de omstandigheden die dit proces omkaderden en de mechanismen die het stuurden. Een analyse van een corpus vertalingen, meer bepaald een zoektocht naar de dominante vertaal­normen, kan dan ook indicaties opleveren over de positie en de functie van de vertaalde auteur binnen het recipiërende polysysteem. In dit proefschrift wordt een poging ondernomen om de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij in­zichtelijk te maken door al deze aandachtspunten, dat wil zeggen naast de literaire kritiek ook de extrasystemische en intrasystemische context en de vertalingen, onder de loep te nemen en tegen elkaar te houden.

 

WOI als demarcatielijn

Om pragmatische redenen is ieder receptieonderzoek onvermijdelijk begrensd in de tijd. Voor de voorliggende receptiestudie werd de grens gelegd bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Aangezien de Nederlandse receptie van Dostoevskij – de voorgeschiedenis en de internationale context even buiten beschouwing ge­laten – aanvangt in 1881, beslaat dit onderzoek dus ruim drie decennia. De keuze van de Eerste Wereldoorlog als demarcatielijn is niet zuiver arbitrair, maar vormt integendeel als het ware een natuurlijke begrenzing. Het is algemeen bekend dat onder invloed van de Grote Oorlog in onze contreien en elders de tijdsgeest der­mate veranderd is, dat met recht gesteld kan worden dat dit wapenconflict een oud tijdperk afsloot en er een nieuw tijdperk inleidde. Dat geldt ook voor de Nederlandse receptie van Dostoevskij. Op basis van verkennend onderzoek kan namelijk geconcludeerd worden dat er opmerkelijke objectiveerbare verschillen bestaan in de manier waarop Dostoevskij in het Nederlandse taalgebied gereci­pi­eerd werd voor en na de Eerste Wereldoorlog. Dat bewijzen bijvoorbeeld de Dostoevskij-vertalingen. Zoals verder in dit proefschrift zal blijken, werd de Russische schrijver in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog slechts mondjesmaat vertaald in het Nederlands. Grote filosofische romans als Besy, Pod­rostok en Idiot, die heden beschouwd worden als de kroon van zijn oeuvre, werden eenvoudigweg onvertaald gelaten. Bovendien werden de werken die toch geselec­teerd werden voor de Nederlandse boekenmarkt systematisch onrechtstreeks vertaald. Dit staat in schril contrast met de periode die kort op de Eerste Wereld­oorlog volgde. Bibliografieën, zoals die van Kingma (1981) en Waegemans & Willemsen (1991), maken duidelijk dat met name in de vroege jaren 1920, waarin de zogenaamde Dostoevskij-cultus gevierd werd, een zeer groot aantal vertalingen van Dostoevskij in het Nederlands het licht zag, waaronder al zijn grote filosofi­sche romans. Bovendien vormden rechtstreekse Nederlandse vertalingen van Dostoevskij na de Eerste Wereldoorlog geen uitzondering meer.

De grenzen van de Nederlandse literatuur

Wie zich voorneemt om onderzoek te verrichten naar de ‘Nederlandse’ receptie van een auteur moet vooreerst afrekenen met de heikele vraag waar de grenzen van de Nederlandse literatuur liggen of gelegd kunnen worden. Deze kwestie houdt literatuurwetenschappers van het Nederlandse taalgebied sinds geruime tijd bezig, en het ziet er niet naar uit dat hier binnenkort verandering in komt. In 2006 werd aan deze specifieke problematiek nog een congres gewijd, onder de noemer Een of twee Nederlandse literaturen? Contacten tussen de Nederlandse en Vlaamse litera­tuur sinds 1830. Hierop maakten De Geest en Dorleijn (2006: 7) de kanttekening dat het debat in kwestie vaak meer politiek dan wetenschappelijk gekleurd is, en dat het in wetenschappelijk opzicht onmogelijk is om op de hamvraag een een­duidig antwoord te formuleren. Zelfs de polysysteemtheorie, waarin de klemtoon ligt op de diversiteit binnen de literatuur en op de verwevenheid van literatuur met andere maatschappelijke systemen, zou hiertoe onmachtig zijn, omdat het haar ontbreekt aan een nauwkeurige methodologie om te peilen naar de relatieve autonomie van literaturen en aan heldere criteria om een literatuur af te bakenen en te karakteriseren.

Om de criteria te kennen die de polysysteemtheorie gebruikt om het ene poly­systeem van het andere te onderscheiden, kan beroep worden gedaan op Lambert (1983). In zijn artikel ‘L’éternelle question des frontières: littératures nationales et systèmes littéraires’ hekelt hij de traditionele literatuurgeschiedenissen omdat ze een literatuur niet behandelen als een literair, maar wel als wel als een linguïstisch of politiek-cultureel fenomeen.[22] Daarentegen looft hij de benadering van litera­tuur als systeem, omdat dit beter zou toelaten om de zogenaamd nationale litera­turen ‘ainsi que les caprices auxquels elles semblent être soumises’ te karakteri­se­ren.[23] Meer concreet worden door de polysysteemtheorie vier criteria naar voren geschoven op basis waarvan bepaald kan worden of er al dan niet sprake is van één literair systeem: er moet een zekere mate vastgesteld kunnen worden van coheren­tie tussen ten eerste de literaire normen, ten tweede tussen de modellen die aan deze normen beantwoorden, ten derde tussen opposities als ‘hoge’ versus ‘lage’ literatuur, en ‘perifere’ en ‘centrale’ literatuur, en ten vierde tussen de relaties met de naburige systemen.

Inderdaad staan de bovenstaande criteria niet toe om op heldere en eenduidige wijze literaturen van elkaar te onderscheiden. Problematisch is met name dat de polysysteemtheorie de rol van beïnvloeding van polysystemen zo centraal stelt. Geobserveerde coherentie kan immers ook het resultaat zijn van kopieergedrag. Dit laatste is zeker plausibel in een Europese context, waar er traditioneel een sterke neiging is tot de vorming van hiërarchische verhoudingen tussen de be­staan­de literaturen. De criteria zijn ook moeilijk toepasbaar omdat ze grootschalig descriptief onderzoek vereisen op verschillende domeinen van de literatuur.

Hoewel de polysysteemtheorie de onderzoeker enigszins in de steek laat bij het vastpinnen van de grenzen tussen de literaturen, betekent zij niettemin een be­lang­rijke bijdrage tot het betreffende debat – met name door het inzicht te popu­la­riseren dat deze grenzen beweeglijk zijn, dat polysystemen kunnen ontstaan en verdwijnen. De vraag of de Vlaamse en de Nederlandse literatuur al dan niet één zijn is dan ook enigszins irrelevant voor het vooropgezet receptieonderzoek. Meer aan de orde is de vraag of er één Nederlandse literatuur was in de periode waarop dit receptieonderzoek zich toespitst, meer bepaald vanaf 1881, waarin de Neder­landse ontdekking van Dostoevskij gesitueerd kan worden, tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Een diachronisch perspectief dringt zich op.

Lambert (1983: 363-7) maakt duidelijk dat de 19e eeuw in eerste instantie niet gekenmerkt werd door een streven naar of verklaren van de unificatie van de Neder­landse literatuur. De vorming van een gemeenschappelijke Nederlandse literatuur van Noord en Zuid leek in de 19e eeuw verhinderd te worden door het Belgische nationale gevoel:

Avant 1850, les Flamands n’insistent guère plus que les Wallons sur les rapports linguistiques évidents avec les voisins qui pratiquent la même (?) langue. Et la fierté nationale autorise les littérateurs à exalter les meilleurs d’entre eux, tel Conscience, comme des écrivains nationaux : De Leeuw van Vlaanderen par exemple, n’est nullement interprété comme un défi lancé à l’ennemi de la patrie belge. (Lambert 1983: 364)

Men kan natuurlijk tegenwerpen dat het niet is omdat de nationale grenzen door de literaire actoren benadrukt worden dat ze daarom ook effectief samenvallen met de grenzen van de literatuur. Lambert (1983: 355) wijst er zelf ook op dat het naïef is om nationale grenzen te laten samenvallen met die van een literatuur. Hier staat dan weer tegenover dat het netwerk tussen actoren als lezers, schrijvers en uitgevers zelf deel uitmaakt van het literair polysysteem; indien ze zich progressief van elkaar distantiëren, bijvoorbeeld omwille van een politieke agenda, dan zal dit op termijn onvermijdelijk tot gevolg hebben dat de grenzen tussen verschillende literaturen duidelijker worden. Door de verschillen te benadrukken worden deze groter. Dit heeft niet in het minst te maken met het feit dat in een periode waarin de literatuur gekenmerkt wordt door nationalisme, schrijvers (en ook vertalers) hun normen en literaire modellen selecteren uit de ‘stock’ die door de nationa­listische kritiek wordt geprezen.

Feit is echter dat tegen het einde van de 19e eeuw het Belgische nationalisme in de literatuur geen grote rol meer speelde; de Franstalige en Nederlandstalige litera­turen in België zullen zich vanaf dan meer richten naar hun grotere buren:

Bref, la Flandre littéraire et les lettres francophones de Belgique se sont tournées le dos. Il ne faut pas chercher loin pour localiser dans le temps les traces de cette double volte-face. C’est vers la fin du XIXe siècle que la Jeune Belgique, d’une part, et le mouvement des « Tachtigers », d’autre part, ont rompu avec les ambitions nationalistes. Des deux côtés de la frontière on relève des témoignages favorables à un renouveau qui ne devrait plus rien à l’inspiration nationale […] Désormais, le Nord de la Belgique opte pour une inspiration plus nordique, le Sud pour une inspiration plus latine, bref française. (Lambert 1983: 365-6)

De Vlaamse afwijzing van een nationalistisch literair programma maakte een toe­nadering met de Noorderburen mogelijk. Dat betekent echter niet dat daarmee ook de specifieke eigenschappen van de Vlaamse literatuur opgeheven waren. In­tegendeel wordt algemeen aanvaard dat de verschillen in de manier waarop litera­tuur in Vlaanderen en in Nederland bedreven werd in de periode vooraf­gaand aan de Eerste Wereldoorlog significant genoeg waren om een tweedeling te maken.

Voor dit receptieonderzoek is het beantwoorden van de vraag of de Vlaamse literatuur in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog te onderscheiden was van de Nederlandse eerder een methodologisch probleem dan een doel op zichzelf. Vooral van belang is de vraag of er significante verschillen bestaan in de manier waarop Dostoevskij gerecipieerd werd in het Noorden en het Zuiden, of met andere woorden de conclusies van dit onderzoek veralgemeend mogen wor­den voor de verenigde Nederlandse literatuur. Interessant in dit verband is dat twee literatuurhistorici verscheidene vermeende aspecten van de Dostoevskijs vroege Nederlandse receptie hebben aangewend om aan te tonen dat er wel dege­lijk significante verschillen tussen Noord en Zuid bestonden.

Gobbers (1984), die de Dostoevskij-kritiek van één Vlaamse recensent ver­geleek met de kritiek van twee Nederlandse tijdgenoten, gaf het startsein. Zijn verregaande conclusie dat het nationalistische receptiemotief omstreeks 1885 typisch was voor de Vlaamse literatuur en in het Noorden gold als voorbij­gestreefd, kan echter aangevochten worden.[24] Veel problematischer nog is het onderzoek van Grübel (2008), die Dostoevskij eveneens gebruikt om te peilen naar de mate van coherentie en diversiteit tussen de Nederlandse en de Vlaamse literatuur. Dat doet hij meer in het bijzonder door na te gaan in welke mate Franse en Duitse invloed vast te stellen is in de Noord- en Zuid-Nederlandse receptie van Dostoevskij. Zoals verder in dit proefschrift aangetoond zal worden, heeft Grübel (2008: 60) bepaalde literaire feiten die cruciaal zijn voor zijn onderzoeksvraag ver­zwegen en verdraaid, zodat zijn conclusie dat ‘de Dostoevskij-receptie in de Neder­landse en de Vlaamse literatuur […] het beeld [ondersteunt] dat deze twee literaturen als delen von [sic] een grotere dialogische eenheid naar elkaar toe­groeien’ in het beste geval beschouwd kan worden als een incorrect getoetste hypothese.

De door Gobbers en Grübel gedeelde conclusie dat de vroege Nederlandse Dostoevskij-receptie in het Noorden radicaal verschilde van die in het Zuiden mag dan wel aanvechtbaar zijn, het is bewezen dat er tenminste voor de Eerste Wereldoorlog significante verschillen bestonden tussen de Noord- en de Zuid-Nederlandse literatuur. Het valt dan ook te vermoeden dat Dostoevskij in Vlaanderen niet precies hetzelfde lot beschoren was als in Nederland, dat zijn Vlaamse receptie bij uitstek gekenmerkt werd door Franstalige invloeden. Af­hankelijk van de subjectieve keuze om de verschillen dan wel de verwevenheid te benadrukken, kan men er voor pleiten om de Vlaamse literatuur in deze periode te beschouwen als een apart literair polysysteem, dat een overlap vertoont met de Noord-Nederlandse literatuur, of als een subsysteem van de Nederlandse litera­tuur. Omdat een consensus over hoe deze vraag te beantwoorden niet kan worden bereikt, dringt een pragmatische beslissing zich op.

In dit receptieonderzoek wordt geopteerd om de Dostoevskij-receptie te onder­zoeken zoals die gematerialiseerd is in publicaties in de Nederlandse taal, waarbij het zwaartepunt gelegd wordt op de Noordelijke Nederlanden. Vlaamse publicaties gewijd aan Dostoevskij worden geenszins geweerd uit dit onderzoek. Voor zover deze gevonden werden, worden ze besproken met oog voor de poten­tieel typisch Vlaamse eigenschappen. De keuze om de nadruk op Nederland te leggen is niet zuiver arbitrair, maar wordt gedicteerd door de historische realiteit. Voor de Eerste Wereldoorlog werden alle Nederlandse Dostoevskij-vertalingen immers in Nederland uitgebracht. Het ontbreken van vooroorlogse Dostoevskij-vertalingen in Vlaanderen is een indicatie dat de interesse voor de Russische schrij­ver er aanzienlijk minder ontwikkeld was dan in de Noordelijke Neder­landen. Hierbij moeten evenwel twee kanttekeningen gemaakt worden. Ten eerste wer­den de in Nederland geproduceerde Nederlandse vertalingen van Dostoevskij op kleine of grote schaal gelezen in Vlaanderen. Dat bewijzen enkele Vlaamse recen­sies die in dit proefschrift besproken zullen worden. Ten tweede konden Neder­landers en Vlamingen ook kennis nemen van Dostoevskij via buitenlandse, met name Franse en Duitse kritische of literatuurhistorische studies en vertalingen. Dat dit effectief het geval was, blijkt uit de grootschalige enquête die in de vroege jaren 1920 georganiseerd werd door het literaire tijdschrift De stem.[25] Uit de ant­woorden blijkt dat ten minste Frans Edens, Herman Robbers, P. H. van Moer­kerken, H.T. de Graaf, Madeleine Böntlingk, François Pauwels, Arij Prins, Her­man Hana en A.K. Kuiper één of meer werken van Dostoevskij in Franse of Duit­se vertaling hadden gelezen. De respondenten waren echter vrijwel allen hoog­opgeleide intellectuelen en in die zin geen doorsnee leespubliek. Enerzijds mag de directe impact van Franse en Duitse Dostoevskij-publicaties op de Vlaamse en Nederlandse lezers niet overschat worden. Terwijl een groot deel van de Neder­landstalige culturele elite in Nederland en Vlaanderen in het Frans en het Duits las, was dit zeker niet het geval voor de gemiddelde lezer. Anderzijds hadden de Dostoevskij-recepties in de prestigieuze Franse en Duitse literaturen ongetwijfeld een enorme indirecte impact op de receptie in de destijds ondergeschikte Neder­land­se literatuur. Peilen naar deze indirecte impact is pas mogelijk mits eerst ken­nis verworven wordt over de omstandigheden, auteurs en meningen die Dosto­evskij in de Duitse en de Franse literaturen tot een populair schrijver hebben ge­maakt. Een dergelijk opzet heeft het eerste deel van dit proefschrift.

Hoewel bij de hierboven beschreven afbakening van het onderzoeksdomein gestreefd werd naar een integratie van de inzichten die de theorievorming heeft opgeleverd en naar het respecteren van de complexiteit van de materie, zijn ab­stracties en pragmatische keuzes onvermijdelijk. Aangenomen wordt dat het be­schikbare onderzoeksmateriaal dat beantwoordt aan de vooropgestelde afbake­nings­criteria volstaat om een antwoord te bieden op de belangrijkste onderzoeks­vragen. Toch kan het geen kwaad om hier, naar het voorbeeld van Van Gorp (1985: 262), te herinneren aan de waarschuwing van Martini (1970: 47), dat wie zich als onderzoeker waagt aan literaire geschiedschrijving zich bewust moet zijn ‘des Fragmentarischen, ja des Unzureichenden dessen was er unternimmt’.


[1] Het pseudoniem ‘een winckel-bediende’ is in Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers van De Kempenaer (1970) niet opgenomen. Deze anonieme redacteur is de auteur van een aantal arti­kelen die in de jaargangen 17 (1918) tot en met 23 (1924) van De gulden winckel verschenen. Zo schreef ‘een winckel-bediende’ (1918) onder andere een artikel over de Nederlandse interesse voor Čechov naar aanleiding van de publicatie van de Nederlandse vertaling Roman van een onbekend mensch.

[2] Winckel-bediende (1921: 182).

[3] Ibidem (184).

[4] Ėjchenbaum (1913: 128) bespreekt ook één Engelse titel, namelijk het in 1910 gepubliceerde Land­­marks in Russian literature van M. Baring.

[5] Zo zou men geneigd kunnen zijn om op basis van de door Willemsen (1989b: 75) geselecteerde citaten van Ten Brink te besluiten dat deze criticus weinig appreciatie voor Dostoevskij in het alge­meen aan de dag legt, terwijl hij in feite, in navolging van de Franse criticus Eugène-Melchior de Vogüé, een bewonderaar is van een aantal van zijn vroegere werken.

[6] Voge (1957: 257).

[7] Emerson (1994: 85).

[8] Zie Lefevere & Van Den Broeck (1984).

[9] Neubert (1992: 12).

[10] Baetens & Vlasselaers (1996: 17).

[11] Cursivering toegevoegd.

[12] Van den Broeck (1988: 7).

[13] De Geest (1996: 25).

[14] Even-Zohar (1990: 47).

[15] Ibidem.

[16] Ibidem (48).

[17] Even-Zohar (1990: 49)

[18] Even-Zohar (1990: 49).

[19] Ibidem (50).

[20] Cursivering toegevoegd.

[21] Er zijn echter ook andere modellen in zwang, zoals dat van Kitty van Leuven-Zwart (1984). Het apparaat dat zij ontwikkelt is bijzonder fijngevoelig. Hieraan zijn echter twee grote nadelen ver­bon­den. Ten eerste leent het zich uitstekend tot speculatie en overinterpretatie, omdat het weinig reke­ning houdt met het feit dat vertalers eerder betekenisconcepten dan woordvormen vertalen. Ten tweede bestaat het risico dat de onderzoeker die haar model hanteert, verglijdt tot comparatieve lin­guïstiek, zeker wanneer de bron- en doeltaal sterk van elkaar verschillen.

[22] Lambert (1983: 358-61).

[23] Ibidem (362).

[24] Zie infra.

[25] De resultaten van deze enquête, die afgenomen werd van ruim vijftig lezers, werden verspreid over een groot aantal nummers van De stem. Zie Coster (1921abc, 1922ab). De eerste vraag luidde: ‘Wan­neer laast U voor de eerste maal een werk van Dostojevsky en herinnert U zich nog welke indrukken dit in U wekte?’

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: