Het temmen van de Scyth: Hoofdstuk II. Internationale context

[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de algemene inhoudstafel.]


II. Internationale context
            Inleiding
            IIa        De Duitse canonisering
                        1          De voorgeschiedenis (1845-81)
                        2          Von Reinholdt of het Balticum als voorbode (1882)
                        3          Henckel en Raskolnikow (1882-84)
                        4          De popularisering van Dostoevskij door Zabel (1884-85)
                        5          Von Reinholdt als Duits criticus (1885-86)
                        6          Naturalistische stellingname (1887-90)
                        7          De hype voorbij (1891-1905)
            IIb        De Franse canonisering
                        1          De voorgeschiedenis (1840-77)
                        2          Ontluikende interesse (1874-81)
                        3          Le crime et le châtiment en de eerste kritiek (1884-85)
                        4          Het plan van De Vogüé (1885-86)
                        5          Parijs in de greep van de russomanie (1885-87)
                        6          Groeiende weerstand (1887-96)
                        7          De hype voorbij (1895-1913)
            Besluit

Inleiding

De Nederlandse literatuur is vandaag geen eiland en was dat nog minder in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog. Het zou dan ook van historio­grafische kortzichtigheid getuigen om de vroege Nederlandse receptie van Dosto­evskij te behandelen zonder vooreerst na te gaan welk lot hem beschoren was in de dominante literaturen waarmee nauw contact onderhouden werd, namelijk de Duitse en Franse literatuur. In dit deel wordt daarom een poging ondernomen om de geschiedenis te schetsen van de vroege Duitse en Franse canonisering van Dos­to­evskij. Daarbij worden de belangrijkste betrokken institutionele actoren, waar­onder vertalers, uitgevers en critici, in kaart gebracht en wordt de literaire kritiek aan een analyse onderworpen. De bedoeling hiervan is de omstandigheden, oor­zaken, redenen en appreciaties bloot te leggen die ervoor gezorgd hebben dat Dos­toevskij van onbekende schrijver uitgegroeid is tot deel van de literaire canon.

Het onderzoek naar de Duitse en Franse receptie van Dostoevskij is in dit proef­­­schrift slechts van belang voor zover het geopende comparatieve perspectief kan bijdragen tot een beter inzicht in de Nederlandse receptie van deze schrijver. Een exhaustieve behandeling van de vroege receptie van Dostoevskij in het Frans en het Duits is gezien de massa publicaties die aan deze schrijver gewijd zijn in de over­een­komstige literaturen praktisch onhaalbaar. Daarom dringen zich enkele pragmati­sche keuzes op. Vooreerst is een temporele beperking doorgevoerd: in dit deel wordt de Duitse en Franse receptie van Dostoevskij gedetailleerd beschreven tot net na de eeuwwisseling. Het decennium dat aan de Eerste Wereldoorlog voor­afgaat krijgt in verhouding weinig aandacht, omdat zowel de Duitse als de Franse canonisering van de Russische auteur – een van de drijvende krachten achter zijn Nederlandse receptie – zich grotendeels voor de eeuwwisseling voltrokken heeft. Bovendien wer­den alle Duitse en Franse Dostoevskij-vertalingen die in zijn vroege Nederlandse receptie gefungeerd hebben als intermediaire teksten, gepubliceerd vóór 1900. Er is slechts één intermediaire tekst waarvoor dit niet geldt, namelijk Les frères Karama­zov (1906), waarvan de publicatiecontext niettemin geschetst zal wor­den in deel IIb. Een tweede beperking betreft de keuze van de behandelde kri­ti­sche teksten en hun auteurs. Hiervan zijn slechts de belangrijkste opgenomen en geanalyseerd. Om te bepalen welke kritische studies precies beschouwd mogen wor­­den als de be­lang­rijk­ste werden drie criteria gehanteerd. Ten eerste zijn de pu­blica­ties geprivile­gieerd die een pioniersrol vervuld hebben, in die zin dat ze Dos­to­­evskij of één van zijn wer­ken voor het eerst onder de aandacht brachten. Ten tweede zijn kritieken in acht genomen die door één of meerdere literatuur­historici[1] aangewe­zen worden als toon­aangevend of symptomatisch voor ten min­ste een deel van de receptie­gemeen­schap. Ten derde wordt bijzondere aandacht besteed aan de Duit­se en Franse auteurs en publicaties die belangrijk zijn voor de Nederlandse Dosto­evskij-receptie omdat ze ge­citeerd of geparafraseerd zijn door de critici die de vroege Nederlandse Dosto­evskij-receptie domineerden, of omdat ze fungeerden als intermediaire teksten.

Voor zover de geselecteerde teksten kritische studies zijn, primeren de vragen welke interpretaties van welke werken naar voren worden geschoven, welke be­zwaren geplaatst worden bij het proza van Dostoevskij en wat het dominante re­ceptiemotief is. Van belang zijn ook de vragen hoe de critici zich ten opzichte van elkaar in het literaire veld positioneerden en wie zich door wie liet beïnvloe­den. Opmerkingen van Franse en Duitse critici die vertaalproblematiek betreffen wor­den behandeld met bijzondere aandacht. Tevens wordt nauwkeurig nagegaan of deze of gene auteur met het verstrijken van de tijd zijn standpunt heeft bijgesteld ten opzichte van eventuele vroegere publicaties, omdat dit een aanwijzing kan zijn dat de tijdsgeest veranderd is. De beschreven en geanalyseerde feiten worden aan elkaar gereigd in chronologische volgorde, om recht te doen aan de stapsgewijze evolutie en dynamiek in de vroege Duitse en Franse Dostoevskij-receptie.

[1] Geconsulteerd zijn onder anderen Dukmeyer (1905), Zajdman (1911), Ėjchenbaum (1913), Haus­wedell (1924), Romein (1924), Šiller (1928), Gesemann (1931), Kampmann (1931), Sv’atopolk-Mirs­kij (1931), Teitelbaum (1946), Boutchik (1947), Chamberlain (1949), Hemmings (1950b), Edgerton (1963), Mortier (1967), Hoefert (1974), Moe (1981), Loew (1991), May (1994), Espagne (1996), en Grübel (2008).


Hoofdstuk IIa. De Duitse canonisering

1 De voorgeschiedenis (1845-81)

Om meerdere redenen lijkt het voor de hand te liggen dat de wieg van de Europese Dostoevskij-kritiek in de Duitse literatuur stond. Als eerste reden kan de geografi­sche nabijheid van Duitsland en Rusland genoemd worden. Zoals Dmitrieva en Espagne (1996: 9) opmerken, moest ook de Franse criticus De Vogüé langs Ber­lijn, waar hij regelmatig halt hield, om met de trein van Parijs tot in Sint-Peters­burg te raken. Door de geografische ligging alleen al kon Frankrijk moeilijk een rechtstreek­se relatie met Rusland aangaan ‘sans l’intervention d’une troisième aire culturelle médiatrice: l’Allemagne’.[1] Fundamenteler voor de Dostoevskij-receptie is de met de geografische nabijheid verbonden eeuwenlange economische samen­werking tussen Duitsland en Rusland, waarvan culturele transfers tussen beide lan­­den een logisch gevolg vormen. Deze culturele contacten werden in belangrijke mate ge­dragen en aangemoedigd door het grote aantal Duitsers dat in Rusland leefde en werkte. Overigens was Duitsland het eerste West-Europese land dat de Rus­si­sche cultuur, met inbegrip van de taal, wetenschappelijk bestudeerde. Ten derde is het zo dat niet alleen Rusland, maar ook Dostoevskij zelf een bijzondere band met Duitsland had. Hij bracht namelijk nergens zo veel buitenlandse vakan­ties door als in Duitsland. In totaal gaat het om ongeveer drie jaren, tijdens welke hij ver­bleef in Wiesbaden, Baden-Baden, Dresden en Bad Ems. Op Duits territo­rium werkte Dostoevskij aan zijn romans Prestuplenie i nakazanie, Besy en Pod­rostok. De roman Igrok, die zich grotendeels afspeelt in het fictieve Duitse stadje Roulet­ten­burg, is geïnspireerd op Dostoevskijs eigen gokavonturen in Baden-Baden. De Russische schrijver reisde om verschillende redenen naar Duitsland: om goed­koper te leven dan in de dure hoofdstad Sint-Petersburg, om te gokken, om schuld­eisers te ontlopen, om gezondheidsredenen en om zich in alle rust te kunnen wijden aan zijn projecten. De hierboven beschreven factoren maken het ogenschijnlijk van­zelf­sprekend dat de Duitse literatuur als eerste in Europa be­langstelling toonde voor Dostoevskijs leven en werk. Toch moet vastgesteld wor­den dat de Duitse literatuur Dostoevskij bij diens leven grotendeels links liet liggen.

In zijn studie van de West-Europese Dostoevskij-kritiek constateert Romein (1924: 9) dat de Europese roem van Dostoevskij geen diepe wortels heeft. Zelfs Duitsland vormt hierop geen uitzondering. Niettemin werden er bij leven van Dostoevskij meerdere ernstige, maar tot mislukken gedoemde pogingen onder­nomen om hem onder de aandacht te brengen van het Duitse lezerspubliek. Voor­aleer hier op in te gaan, is het nuttig om met behulp van Moe (1981: 50-5) de voor­­­geschiedenis van de Duitse receptie van Russische literatuur te duiden.

De Duitse kennis van de Russische letteren was tot de eerste helft van de 19e eeuw uiterst beperkt. Hetzelfde geldt in mindere mate voor de kennis over Rus­land zelf, dat negatief gestereotypeerd werd. Dankzij journalistieke be­richtgeving, de reizen van Russische schrijvers als Karamzin en žukovskij, en con­tacten met de Baltische Duitsers sijpelde af en toe kennis over Rusland en de Rus­sische litera­tuur door. Tijdens de Restauratie was Duitsland zijn Oostelijke buur vijandig ge­zind, wat nog versterkt werd door de Poolse onafhankelijkheids­strijd van 1830. Dit kan verklaren waarom Russische coryfeeën als Puškin en Ler­mon­tov tot 1840 onbekend bleven. Daartegen werden enkele romans van de jour­na­listen Bulgarin, Greč en Zagoskin vertaald. De dood van Puškin werd ge­zien als een politiek schan­daal en luidde zijn receptie in Duitsland in, waarna die van Ler­montov volg­de. Van groot succes was echter geen sprake. In de jaren 1850-60 ver­schenen her en der gelegenheidsvertalingen van Russische schrijvers, maar de enige die door­brak was Turgenev. Hij groeide uit tot een modeschrijver, die enkel voor Dickens moest onderdoen.

 

vergeefse poging

Strikt genomen ving de Duitse receptie van Dostoevskij al aan kort na het ver­schij­nen van zijn romandebuut Bednye ljudi (1846). In zijn thuisland werd de schrijver dankzij deze briefroman, die bij de toonaangevende criticus Vissarion Belinskij bijzonder in de smaak viel, meteen naar het centrum van zijn literatuur gekatapulteerd. Een nieuwe Gogol’ was verrezen. Gezien de veelvuldige lofprijzin­gen van Russische critici en lezers, is het niet geheel verwonderlijk dat al in 1846 – zeer kort op de bal dus – een fragment van deze roman geselecteerd en vertaald werd in het Duits. Arme Leute verscheen in Breslau in het marginale Jahrbücher für slawische Literatur, Kunst und Wissenschaft.[2]

Over de vertaler, Karl Wilhelm Wolfsohn (1820-65), worden biografische in­lichtingen verstrekt door Hagemeyer (2002: 174-7). Hij werd geboren in een ver­armd, strenggelovig joods gezin van Duitse origine in Odessa, waar hij studeer­de aan het Joods Gymnasium. Voor zijn hogere studies trok hij in 1837 naar Leipzig, waar hij zich ontpopte tot een veelzijdig literator.

Onder het pseudoniem Carl Maien schreef Wolfsohn in het begin van de jaren 1840 zijn eerste gedichten. In dezelfde periode gaf hij voordrachten over Russi­sche, Duitse en Franse literatuur in de literair-politieke Herwegh-Klub te Leibzig. Hier leerde hij de poëtisch-realistische schrijver Theodor Fontane (1819-98) ken­nen, die in zijn memoires Von Zwanzig bis Dreißig uitgebreid en met veel respect over hem spreekt.[3] In 1843 keerde Wolfsohn terug naar zijn geboortestad om er Russisch materiaal te vinden dat het vertalen waard was. Van 1845 tot 1852 woon­de hij in Dresden, waar hij enkele toneelstukken publiceerde en betrokken was bij de oprichting van de Schillerstiftung. Hij was nauw bevriend met de joods-Duitse schrijver en vertaler Berthold Auerbach (1812-82).

In zijn kort volwassen leven was Wolfsohn betrokken bij de uitgave van tal­rijke tijdschriften, waaronder Deutsches Museum en Russische Revue. Met dit laatste informatiekanaal, waarvan het eerste nummer in 1863 verscheen, beoogde hij volgens Hagemeyer (2002: 177) een dubbel doel:

einem literatur- und kunstinteressierten deutschen Publikum den Zugang zu den neusten Schöpfungen der russischen Literatur in erstklassigen Über­setzun­gen ermöglichen und ihm außerdem […] Einsichten in die Entwicklung des dortigen geistigen Lebens gewähren.

Als in Rusland geboren intellectueel van Duitse afkomst was Wolfsohn, althans in theorie, een goed geplaatste initiator van de Duitse Dostoevskij-receptie. Tezamen met August von Viedert, Aleksandr Herzen en Friedrich Bodenstedt wordt hij door Moe (1981: 54) gerekend tot de beste cultuurbemiddelaars tussen Rusland en Duitsland van die tijd. Dat het precies een Jood was die als allereerste het proza van Dostoevskij buiten Rusland bekendheid trachtte te geven lijkt, gezien het ver­meende antisemitisme van de schrijver, een ironische speling van het lot. In dit ver­band moet echter benadrukt worden dat het werk Bednye ljudi, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Zapiski iz mërtvogo doma, geen potentieel antisemitische passages bevat. De manifestatie van Dostoevskijs denigrerende houding tegenover Joden dateert van een latere periode, zowel in zijn essays als in zijn proza.

Wolfsohns geprivilegieerde multiculturele bagage en intenties ten spijt vond zijn vertaling van het geselecteerde fragment van Bednye ljudi geen weerklank. Volgens Kampmann (1931:8) ‘schenkte man keine Beachtung’ aan deze publica­tie. Dit fiasco verklaart Romein (1924: 9) met het door de vertaler zelf aangehaald feit dat het tijdschrift in kwestie, Jahrbücher für slawische Literatur, Kunst und Wissenschaft, zo weinig lezers had, dat de doeltekst beschouwd kon worden als een ‘gedrukt manuscript’.

In de periode voorafgaand aan Dostoevskijs arrestatie, dwangarbeid en balling­schap, waarin hij zijn met Bednye ljudi veroverde positie in het centrum van de Rus­sische letteren trachtte te verstevigen met nieuwe prozawerken als Dvojnik en Belye noči, werden geen nieuwe pogingen ondernomen om hem te introduceren bij het Duitse publiek. Ook toen de veelbesproken schrijver in 1861, na een decen­nium van gedwongen afwezigheid van het Peterburgse literaire toneel, zijn comeback maakte met zijn voor de critici ontgoochelende, maar uitermate popu­laire roman Unižennye i oskorblënnye, bleef hij een strikt interne aangelegenheid van de Russische letteren.

oud papier

Vanaf de jaren 1860 nam de belangstelling van de Duitsers voor Rusland stelsel­matig toe. Hieraan droegen volgens Moe (1981: 55) drie factoren bij: de hervor­min­gen van Alexander II, zoals de afschaffing van de lijfeigenschap en de hervor­ming van het gerechtelijk apparaat, de revolutionaire activiteiten van de nihilisten en de gemeenschappelijke politiek van Pruisen en Rusland bij het neerslaan van de Poolse opstand van 1863. In dit licht is het niet verbazend dat een nieuwe poging werd ondernomen om de Duitse onbekendheid met Dostoevskij te doorbreken.

In 1863 kwam het eerste nummer van Wolfsohns Russische Revue uit. Hierin plaatste hij twee eigen van inleidingen voorziene vertalingen van Dosto­evskij: zijn eerder gepubliceerde, maar onbekend gebleven fragmentvertaling Arme Leute, en Aus Dostojewskijs siberischen Memoiren, een vertaald fragment van Zapiski iz mërtvogo doma. Deze roman was in Rusland amper een jaar eerder ver­schenen en was als gefictionaliseerde neerslag van Dostoevskijs kampervaringen door de Rus­si­sche critici en lezers de hemel in geprezen. Dat Wolfsohn dit werk waardevol genoeg achtte om vertaald te worden, bewijst dat hij geen, of geen al te grote aan­stoot nam aan de potentieel antisemitische passages. Toch kan het zijn dat Dosto­evskijs xenofobie, eenmaal geopenbaard, een ontmoedigend effect had op Wolf­sohn en andere joodse ubiquisten, die dankzij hun multiculturele achter­grond nochtans over de nodige competentie beschikten om bruggen tussen cultu­ren te bouwen. Hetzelfde geldt voor Russische en Baltische Duitsers.

De tweede poging van Wolfsohn om Dostoevskij te introduceren bij het Duit­se publiek bleef eveneens zonder noemenswaardige weerklank. Een jaar later, in 1864, bracht Wolfgang Gerhard in Leipzig een anonieme boekvertaling van Zapiski iz mërtvogo doma uit, onder de titel Aus dem todten Hause. Nach dem Tagebuche eines nach Sibirien verbannten, mogelijk opnieuw van de hand van Wolfsohn. Opnieuw gaf de Duitse lezer blijk van desinteresse: de uitgever slaagde er niet in om meer dan 150 boeken aan de man te brengen, waarna hij zich ver­plicht zag om de resterende exemplaren door te verkopen voor verwerking in de papierindustrie.[4]

Het gebrek aan succes van de tijdschriftvertaling van een fragment van Bednye ljudi in 1846 en vooral van de boekpublicatie van Zapiski iz mërtvogo doma in 1864 duidt aan dat de afwezigheid van Duitse Dostoevskij-vertalingen in die tijd niet zozeer te wijten was aan al dan niet toevallige non-selectie van de kant van vertalers of uitgevers, dan wel aan de lezers. Kennelijk bestond er bij hen on­vol­doende belangstelling voor werken die in Rusland hoog gewaardeerd werden om de charmante uitbeelding van het gewone volk respectievelijk om het revolutio­naire thema van het gevangeniswezen en de semi-journalistieke vorm.

De uitspraak van de in Dorpat geboren cultuurhistoricus Victor Hehn (1813-90, 1864: 177) dat Zapiski iz mërtvogo doma ‘in Russland und hier und da auch in deutschen Blättern recht viel Aufsehen machte’, wordt door Romein (1924: 10) afgedaan als ongeloofwaardig. Men moet er inderdaad rekening mee houden dat de uitspraak afkomstig is uit de rubriek ‘St. Petersburger Correspondenz’ van het in Riga uitgegeven Baltische Monatsschrift, dat in de eerste plaats gericht was op Baltische Duitsers. Wellicht wordt hier dus gedoeld op Baltisch-Duitse tijd­schrif­ten. In zijn 4-pagina’s lange bespreking van Zapiski iz mërtvogo doma maakt Hehn nergens gewag van een Duitse vertaling, waaruit opgemaakt kan worden dat hij van het bestaan ervan niet op de hoogte was. Overigens is zijn evaluatie van de Rus­sische roman uitermate positief. Hij prijst deze als bijdrage aan het debat over strafsystemen, om zijn gedetailleerde uitbeelding van de werkelijkheid, meester­lijke conversatiestijl en psychologische/criminalistische waarde. Deze laudatie krijgt een persoonlijke dimensie wanneer men in aan­mer­king neemt dat de Balti­sche criticus, zoals Schiemann (1905: 116) meedeelt, rond 1850 zelf het slacht­offer was geworden van de tsaristische repressie.

De lovende recensie van Hehn (1864) is niet representatief voor de Duitse Dostoevskij-kritiek van de late jaren 1860. De werken van Dostoevskij, die on­toegankelijk waren voor de gemiddelde Duitse lezer, werden in de Duitse tijd­schriften doorgaans veronachtzaamd of, indien ze bij wijze van uitzondering besproken werden, in een kwalijk daglicht gesteld. Zo publiceerde Das Magazin für Literatur des In- und Auslandes in 1867 een recensie waarin Prestuplenie i na­kazanie als een langdradige en ongezonde eendagsvlieg wordt afgeschilderd:

Das ganze weitausgesponnene Werk von 6 Teilen mit seinen langen, endlosen Sittenschilderungen entbehrt jedoch so sehr gesunder, lebensfrischer Gedan­ken, wie überhaupt eines kräftigen, stärkenden Geistes, dasz dieses neueste Erzeugnis der russischen Literatur wohl kaum zu den bleibenden Werken der neuen Periode gerechnet werden kann.[5]

Tijdens de jaren zeventig dook Dostoevskijs naam af en toe op in een overzichts­werk of kritisch stuk. Van een grootschalige Dostoevskij-receptie was echter geen sprake. Dit blijkt uit het feit dat twee Duitse literatuurgeschiedenissen over eigen­tijdse Russische literatuur Dostoevskij ‘slechts vermelden’,[6] terwijl de schrijver in Rusland in het jaar van publicatie 1880, aan de vooravond van zijn dood, welhaast op het hoogtepunt van zijn Russische roem was gekomen. Het betreft Russische Literatur und Kultur van prof. Johann Jakob Honegger (1825-96) en Uebersicht der neueren russischen Literatur von der Zeit Peters des Grossen bis auf unsere Tage van de Fin Edward Wilhelm Palander (1845-1914).[7]

In zijn voor een Duitstalig publiek geschreven overzichtswerk spreekt Palan­der, die werkzaam was als vertaler in staatsdienst en als leerkracht Russisch in het lyceum van Hämeenlinna, wel uitgebreid en enthousiast over de werken van Ivan Turgenev (1818-83).[8] Dit is geen uitzonderlijke selectie: omstreeks 1880 was Tur­genev, in scherp contrast tot Dostoevskij, in het Duitse taalgebied geen on­bekende meer. Reeds twee decennia eerder was hij als eerste Russische schrijver door­gedron­gen tot een groot aantal Duitstalige lezers, voornamelijk in burgerlijke middens.

dostoevskij niet, turgenev wel

Dat Turgenev in Duitsland al bij zijn leven was uitgegroeid tot een begrip, ver­klaart Hoefert (1974: vii-viii) aan de hand van vier factoren, waarvan de eerste drie rechtstreeks verband houden met de schrijver zelf. Ten eerste verbleef Turge­nev langdurig in Duitsland, dat hij als zijn ‘zweites Vaterland’ bestempelde. Zo stu­­deer­de hij in Berlijn en woonde hij van 1863 tot 1871 onafgebroken in Baden-Baden. Ten tweede onderhield hij nauwe, soms vriendschappelijke betrekkingen met tal van Duitse schrijvers en critici. Voorbeelden zijn Theodor Storm, Paul Heyse, Ludwig Pietsch, Julius Rodenberg en Julian Schmidt. Ten derde was het Duitse cultuur- en geestesleven hem zeer toegedaan. Hij was bijvoorbeeld een groot bewonderaar en kenner van Goethe. Hieraan voegt Hoefert een vierde, con­juncturele reden toe: in de jaren 1860 begon de Duitse bourgeoisie zich om poli­tie­ke en economische redenen meer dan tevoren te interesseren voor de verhou­din­­gen binnen de Russische maatschappij. Turgenevs oeuvre kon deze belangstel­ling bevredigen, omdat het door de Duitse lezer gezien werd als ‘eine Art Spiegel, in dem sich die gesellschaftliche Problematik des Nachbarlandes erkennen ließ’.[9]

De vierdelige verklaring van Hoefert kan nog aangevuld worden. Zo moet het feit dat Turgenev in het Duitse taalgebied aangezien werd voor de belangrijkste Russische romanschrijver van zijn tijd uiteraard ook verklaard worden door zijn specifieke poëtica, die aanleunde bij die van zijn westerse vrienden Gustave Flau­bert en de eerder genoemde Theodor Storm. Turgenevs elegante vormen, elegi­sche toon, lofzangen op de natuur, scherpe waarnemingen en ook zijn discreet spel met het erotische charmeerden het burgerlijke Duitse lezerspubliek.

Op het eerste gezicht had ook Dostoevskij bij zijn leven kunnen profiteren van de gunstige conjuncturele gesteldheid, temeer omdat ook hij langdurig in Duits­land verbleef. Hij miste echter de nodige vriendschapsbanden met Duitse schrijvers en critici. Ook de venijnige concurrentie die hij met Turgenev voerde, heeft allicht in zijn nadeel gespeeld.[10] Bovendien had Dostoevskij een hekel aan het Duitse cultuur- en geestesleven – voor zover hij hiermee überhaupt vertrouwd was. Het was hem in Duitsland vooral te doen om de rust, die hij nodig had om te schrijven. In dit opzicht kenmerkt de uitspraak van Jangfeldt (2009: 198) dat Majakovskij tijdens zijn reis naar Duitsland ‘geen belangstelling [had] voor de cultuur, de archi­tectuur of de geschiedenis van het land, anders dan op een heel oppervlakkig niveau en voor zover hij er voordeel van kon hebben in zijn schrijver­schap’ ook uitstekend de toeristische houding van Dostoevskij. Hij voelde zich geen Europe­aan, maar Rus in hart en nieren. In de essaybundel Dnevnik pisatelja koketteerde hij hier ook mee, onder andere door een denigrerende houding aan te nemen tegen­over alles wat Duits was. Al deze elementen helpen verklaren waarom de Duitse Dostoevs­kij-receptie bij leven van de auteur niets positiefs voorstelde. De hoofdreden ligt echter besloten in de kenmerken van zijn proza. Zoals de hier­boven geciteerde pas­sage van een in 1867 verschenen recensie van Prestuplenie i nakazanie doet uit­schijnen, was de vorm niet elegant en de inhoud niet welvoeg­lijk genoeg om het Duitse leespubliek te bekoren. Bovendien moet de anti-Duitse satire een afschrik­wek­kend effect gesorteerd hebben op potentiële vertalers en uitgevers.

Toen Dostoevskij in 1881 met een voor een Russisch schrijver nooit eerder ver­toond eerbetoon in aanwezigheid van duizenden mensen uit alle standen van de Russische maatschappij ter aarde werd besteld, was hij in Duitsland onbekend en onbemind. Het zag er niet naar uit dat hierin spoedig verandering zou komen. Romein (1924: 10) citeert een Duitse criticus, die een jaar na Dostoevskijs over­lijden zonder spijtbetuiging voorspelde dat zijn werken, in het bijzondere zijn rijpere romans, ‘schwerlich […] Verständnis und günstige Aufnahme in Deutsch­land finden [werden]’.


2 Von Reinholdt of het Balticum als voorbode (1882)

 

een naturalistische tijdsgeest

Vooraleer Dostoevskij kon doorbreken in de Duitse literatuur, moest haar con­stel­latie veranderen. Dit gebeurde in de jaren 1880, kort na het overlijden van de Russische auteur, toen het naturalisme aan een twee decennia lange opmars begon naar het centrum van de Duitse literatuur. Gelijktijdig veranderde de Duitse recep­tie van Russische literatuur, die tot dan een burgerlijke logica had gevolgd. Turge­nev verloor op enkele jaren tijd zijn status als belangrijkste eigentijdse Russi­sche romanschrijver. Sterker nog, hij werd al snel ervaren als ‘einer vergangenen Epoche zugehörig’.[11] De gitzwarte schaduw die op hem geworpen werd was in eerste in­stan­tie afkomstig van Dostoevskij en in tweede instantie van Tolstoj. Na tiental­len jaren van aversie en onverschilligheid werden hun prozastukken plots be­schouwd als modern en kenden ze een ongeziene populariteit. Het is dan ook aan deze twee auteurs te danken dat in de laatste twee decennia van de 19e eeuw de Rus­sische literatuur, zoals Hoefert (1974: viii) vaststelt, bredere lagen van het publiek be­reikte en een grotere weerklank vond dan ooit tevoren het geval was geweest.

De opkomst van het naturalisme in Duitsland kadert in de historische context van het bewind van Otto von Bismarck (1865-90). Enerzijds bracht zijn Ostpolitik Rusland in het vizier van de Duitse intelligentsia. Anderzijds had de grote econo­mi­sche opbloei in Duitsland (1871-1900) negatieve implicaties voor de Duitse samenleving en cultuur, waarop het naturalisme een reactie was. Volgens Proost (1940: 66) was de klassenhaat in Duitsland in die jaren ontzettend. De arbeiders werden door de bourgeoisie beschouwd als ‘Hottentotten en Zoeloekaffers’. De mislukte moordaanslag op de keizer in 1878 dreef de tweedeling tussen socialisten en conservatieven nog op de spits.

In 1878 kwam de tsaar als overwinnaar uit de Russisch-Ottomaanse oorlog, waar­door zijn rijk aan internationaal prestige won. In 1881, het jaar van Dosto­evskijs overlijden, stapte het Duitse Rijk met Oostenrijk-Hongarije en Rusland in de Drie­keizerbond. Drie jaar later werd dit bondgenootschap verlengd. Toen het in 1887 afsprong, sloot Bismarck, die Rusland niet als vijand wenste, met de Russi­sche tsaar het Herverzekeringsverdrag af. Dat voorzag in de Duitse neutraliteit in het geval dat Rusland aangevallen zou worden door de Habsburgse Dubbelmonar­chie. De overwegend vriendschappelijke verhouding tussen Duitsland en Rusland maakte dat het Duitse publiek zich begon te interesseren voor de Russische inter­ne aangelegenheden. De terroristische activiteiten van de Russische revolutionai­ren, in het bijzonder de moordaanslag op Alexander II en de hierop volgende re­pressie tegen de linkse, radicale stromingen stemden de Duitse intellectuelen tot nadenken. Deze belangstelling werd gevoed door Bismarcks onderdrukking van de emancipatie van de lagere klassen en door de toename van kapitalistische krach­ten. In de analyse van Hoefert (1974: ix) hadden deze factoren een verstikkend effect op het culturele leven in het Duitse taalgebied:

Hier herrschte noch überall das Epigonale und Gründerzeitlich-Großartige; die Literatur zollte dem autoritär-monarchistischen Ungeist der Epoche Tri­but, sie nahm die kulturpolitischen Tendenzen der herrschenden Schich­ten allzu willig auf und übte auf das Leben im deutschen Kaiserreich einen nega­tiven Einfluß aus.

De gevestigde Duitse literatoren hielden zich ver van sociale vraagstukken, hoewel deze door de industrialisering, het imperialisme en de verstedelijking steeds meer aan maatschappelijk belang wonnen. Het Duitse naturalisme kan gezien worden als een heterogene literaire reactie tegen deze kleinburgerlijke veronachtzaming van de lagere klassen.

Volgens Hoefert (1974: ix) verklaart de lacune in hun eigen literatuur waarom de Duitse literatoren zo enthousiast waren over de sociale thematiek en waarach­tige psychologische analyse van de eigentijdse Russische romanschrijvers, waarvan ze zowel de relevantie als de artistieke superioriteit erkenden. De Russen waren, althans voor de Berlijnse naturalistische scène, zowel vanuit ideologisch als esthe­tisch standpunt geschikt als model. Door Dostoevskij en Tolstoj voelden de Duit­se naturalisten zich gesterkt in hun strijd tegen de Duitse burgermaatschappij en haar culturele verschijningsvormen. Met behulp van deze Russische coryfeeën leid­den ze de hernieuwing van de Duitse literatuur in. Ze riepen een literaire revo­lutie uit, expliciteerden hun programma en kwamen ook daadwerkelijk met baan­brekende literaire werken voor de dag: de Russische romans. Tot jolijt van de natu­ralisten bleek de arbeidersklasse, waarmee actief contact werd gezocht, open te staan voor deze buitenlandse literatuur.

het kraam van het naturalisme

In het Lexicon van literaire termen van Van Gorp et al. (1998: 297) wordt natura­lis­me gedefinieerd als een ‘literaire stroming die tussen 1870 en 1880 aansluit op het realisme en beschouwd kan worden als een realisme dat verder doorgedreven is op doctrinaire, wetenschappelijke basis’. Hierbij worden drie -ismes genoemd die het realisme in deze periode zijn specifieke kleur gaven: sciëntisme, positivisme en determinisme. Het sciëntisme huldigt de overtuiging dat kennis enkel verworven kan worden op basis van wetenschap, het positivisme wijst de metafysica af ten voor­dele van de empirische waarneembare werkelijkheid en het determinisme ver­klaart menselijke gedragingen exclusief door het causaliteitsprincipe en ont­kent de vrije wil. In het naturalisme wordt de mens aan de hand van deze drie principes onderzocht.

Als men uitgaat van deze enge definitie van naturalisme, die op Franse leest ge­schoeid is, lijkt het absurd dat de naturalisten in Duitsland hun appreciatie uit­spraken voor een schrijver als Dostoevskij. Immers, de drie -ismes in kwestie wer­den door hem niet onderschreven, maar wel integendeel scherp veroordeeld. In zijn slavofiele overtuiging was het sciëntisme een westerse kwaal waar de Russen, die een begenadigd apart geslacht vormden, zich ver van moesten houden. Tegen­over de empirisch waarneembare wereld stelde Dostoevskij een geestelijke wereld. In het bijzonder in zijn post-Siberische periode kregen religieuze, spirituele en morele thema’s een steeds prominentere rol. Ook worden zijn personages in hun handelen niet gedetermineerd door de omstandigheden, maar beschikken ze stee­vast over een sterke vrije wil, die hen soms tot onverklaarbare, onbaatzuchtige han­­delingen brengt. Een uitzondering op dit laatste punt vormt Dostoevskijs de­buut Bednye ljudi, waarin een jonge vrouw zich door de armoede gedwongen ziet om een gemene, oudere edelman te trouwen.

Het proza van Dostoevskij vertoont behalve de genoemde ideologische ver­schil­len ook een aantal gelijkenissen met het naturalisme in zijn programmatische vorm, zoals dit door Van Gorp et al. (1998: 297-8) beschreven wordt. Zo deelt Dostoevskij met de naturalisten een voorliefde voor het roman­genre, omdat dit voldoende ruimte biedt voor de kritische en analytische observa­tie van personages en hun omgeving. Ook is er in de meeste van zijn romans geen sprake van een na­drukkelijk aanwezige, auctoriële verteller. Net als de naturalisten trachtte Dos­to­evskij in de dialogen van zijn veelstemmige romans het gesproken woord zo dicht mogelijk te benaderen. Zijn hoofdpersonages zijn ook in de regel labiele, erfe­lijk belaste of pathologische figuren. Bovendien spelen zijn romans zich vaak af in de lagere kringen van de maatschappij. Wat Dostoevskij in mindere mate ge­meen heeft met ‘de naturalisten’, is de wetenschappelijkheid van de ana­lyse, de strikt lineaire chronologische ordening van de intrige, de aandacht voor het drif­ten­leven van de personages en de uitgesproken pessimistische geest. Niet­temin zijn ook deze elementen terug te vinden in sommige van zijn romans. Zo gaat er in Besy, dat doordrenkt is van pessimisme, nogal wat aandacht naar de seksuele uit­spattin­gen van de hoofdpersonages.

De begrippen ‘naturalisme’ en ‘naturalistische beweging’ zijn in de context van de Duitse literatuur bijzonder problematisch. De kernbegrippen waren, zoals Kamp­mann (1931: 6), analyseert: ‘Metaphysiklosigheit, Psychologismus, Huma­ni­täts- und Entwicklungsglaube’. Deze had het gemeen met het naturalisme à la émile Zola. Toch nam de jonge Duitse schrijversgeneratie die ondanks haar heterogeniteit gezien wordt als ‘naturalistisch’ het niet zo nauw met de principes van de Franse schrijver. Moe wijst (1981: 84) erop dat de term ‘Zolaismus’ door de critici die het Duitse naturalisme genegen waren zelfs gebruikt werd om zijn eenzijdige esthetica te hekelen, ‘von welcher die Zola’sche Dichtung zum Glück mehrfach abweicht’. De grote ideologische kloof tussen de Franse en de Russische schrijver werd dus niet als problematisch ervaren. Sterker nog, Dostoevskij werd meer nog dan Zola geschikt bevonden als naturalistische strijdkracht tegen het establishment. Ter verklaring van deze ogenschijnlijk vreemde appreciatie, moet benadrukt worden dat het Duitse naturalisme meer dan een beweging een tijds­geest was, die uitging van het inzicht dat verandering noodzakelijk was, zowel maatschappelijk als strikt literair. De beoogde verandering in de literaire normen van het Gründerdeutschland wordt door Moe (1981: 17) als volgt geduid:

Diese Veränderung beinhaltet eine Ablehnung idealistischer, mystischer und die Realität verklärender Tendenzen in der Literatur, zugunsten von ‘realisti­schen’, ‘naturverbundenen’, ‘wahrhaftigen’ und den wissenschaftlichen Er­kennt­nissen entsprechenden Elementen. Inhaltlich hiess das, dass keine the­ma­tische Eingrenzung auf ‘das Schöne’ erforderlich war, sondern vielmehr alle Erscheinungen des realen Lebens, auch die ‘hässlichen’, in der Literatur be­handelt werden durften, sofern diese Behandlung einem sittlichen und morali­schen Zweck diente.

Dostoevskij, die zeker niet geheel vrij is van idealistische en mystiek-religieuze ten­densen, kan in dit kraam ingepast worden dankzij zijn doorgedreven realisme met zedelijke dimensie. Voor de naturalisten bestond de zedelijkheid vooral in de maat­schappijkritische toon, de verschuiving van de aandacht naar de lagere klas­sen en de sociale vraagstukken. Ondanks de grote verschillen in de Russische en Duitse maatschappelijke organisatie, bestonden er ook gemeenschappelijke pro­blemen, die bij Dostoevskij, en ook bij Tolstoj, uitgebreid aan bod kwamen. Vol­gens Hoefert (1974: x) bestond de inzet van hun Duitse receptie, in lijn met deze analyse, in het inzicht ‘daß Veränderungen im gesellschaftlichen Gefüge herbeige­führt werden müßten’.

In sociaal opzicht is het enigszins verbazend dat de Duitse naturalisten die Dostoevskij in de Duitse literatuur binnenhaalden geen aanstoot namen aan het feit dat hij zich na zijn terugkeer uit Siberië ontpopte tot een gedreven tegen­stander van sociale revolutie en advocaat van het tsarisme en de Russische ortho­doxie. Hiertegenover staat dat Dostoevskijs reactionaire trekken en zijn bezwaren tegen grondwet en parlement niet eenduidig naar voren komen in zijn veelstem­mig proza. Bovendien bestrijdt hij de revolutionaire ideeën niet door de verkondi­gers ervan monddood te maken, maar integendeel door deze ideeën tot in het ab­surde uit te werken in zijn fictionele wereld, zoals in Prestuplenie i nakazanie of in Besy. Op die manier gaf hij de linkse revolutionairen in zijn land een grootschalig en prestigieus forum – evenwel één dat hijzelf bestierde. Ook moet benadrukt worden dat Dostoevskij een fervent voorstander was van maat­schappelijk debat en maatschappelijke veranderingen, maar eenmaal teruggekeerd uit Siberië geloofde hij niet langer in de weg van het socialisme of de revolutie.

 

von reinholdt in baltische monatsschrift

Door de binnenlandse politiek van Bismarck wonnen sociale vraagstukken in het Duitse maatschappelijke debat aan belang. Ten gevolge hiervan ontstond in Duits­land een onderhuidse receptiebereidheid voor het oeuvre van Dostoevskij, waarin sociale kwesties een prominente rol spelen. De actualiteitswaarde van Rusland in het algemeen en van Dostoevskij in het bijzonder werd nog vergroot door twee kort op elkaar volgende gebeurtenissen die door de buitenlandse pers opgepikt werden: de grootschalige begrafenisplechtigheid van Dostoevskij en de moordaanslag op Alexander II.

Als voorbode van de Duitse interesse voor Dostoevskij plaatste in 1882 het Baltische Monatsschrift te Riga een diepgaande Dostoevskij-studie van de Duitse Rus Alexander von Reinholdt.[12] Aangezien dit tijdschrift uitgegeven werd in Koerland, dat sinds de 18e eeuw onder Russisch gezag stond, en gericht was op de Duitstalige bovenlaag van het Balticum, waren de directe repercussies hiervan op het centrum van de Duitse literatuur onvoelbaar. Overigens wordt de lezer van dit artikel verondersteld al het een en ander te weten over de Russische maatschappij en letteren, wat een grote verspreiding onder niet-Russische Duitsers in de weg stond. Niettemin was deze publicatie van groot belang voor de vroege Duitse receptie van Dostoevskij. Niet enkel omdat dit de eerste grootschalige studie van Dostoevskij in het Duits was sinds bijna twee decennia, en dus de eerste studie in het Duits die de schrijver van geboorte tot dood behandelde, maar ook omdat dit artikel twee jaar na zijn publicatie als bron werd gebruikt door de toonaangevende Duitse criticus Zabel. Behalve op Zabel, oefende Von Reinholdt ook invloed uit op de Franse criticus De Vogüé, die op zijn beurt ook in Duitsland gelezen werd. Dat toonaangevende critici zich lieten begeleiden door Von Reinholdt is niet ver­bazend; hij spreekt over Dostoevskij met indrukwekkende eruditie.

Von Reinholdt (1882) deelt zijn 24-pagina’s lange ‘F.M. Dostojewski. 1821-1881’ op in zeven hoofdstukken, die voorafgegaan worden door een inleiding. Het uitgangspunt ligt in de lijn van de hierboven beschreven tijdsgeest: sociale onrust. Het neerslaan van de Dekabristenopstand in 1825 en het oprollen van de kring rond Petraševskij in 1849 zijn sombere voorbeelden van het lot dat sociale pro­pa­ganda in Rusland te beurt valt. Op een positieve manier is deze echter ook aan­wezig in de richting die Gogol’ en Belinskij in de jaren 1840 aan de Russische let­teren gegeven hebben met de natural’naja škola.[13] De kracht van deze bellettris­tisch verpakte sociale agitatie wordt volgens Reinholdt (1882: 254) door de Russi­sche censuur zwaar onderschat en ligt besloten in het vernieuwende humanisme. Deze nieuwe tendens zou te verklaren zijn door de invloed van de westerse geest in het algemeen en van het Franse socialisme in het bijzonder. Waar Gogol’ maat­schap­pelijke satire brengt met overwegend humoristische bedoelingen, besteden zijn volgelingen Belinskij, Turgenev, Herzen, Gončarov, Grigorovič en Tolstoj meer aandacht aan de tragiek van sociaal onrecht. Dostoevskij, die zich qua origi­naliteit met Gogol’ kan meten, neemt onder hen een prominente positie in.

Over de levensloop van Dostoevskij deelt Von Reinholdt in verhouding tot de omvang van zijn artikel weinig feiten mee. De reden is tweeledig. Ten eerste was er in 1882 nog geen volledige biografie voorhanden. Ten tweede spitst de belangstel­ling van de auteur zich toe op de geestelijke ontwikkeling van Dostoevskij, voor zover deze tot uiting komt in zijn oeuvre.

In verband met zijn jeugdjaren wordt gewezen op zijn aangeboren fantasie, die hand in hand gaat met nerveuze prikkelbaarheid, en op acht schrijvers die de jonge auteur beïnvloed hebben: Schiller, Goethe, E.T.A. Hoffmann, Sand, Balzac, Scott, Dickens en Karamzin. Opmerkelijk is dat slechts één Rus deel uitmaakt van deze lijst, en dat het Puškin noch Gogol’ is. Van Dostoevskijs pre-Siberische werken worden behalve het door Belinskij de hemel in geprezen debuut Bednye ljudi ook de verhalen Dvojnik, Gospodin Procharčin, Chozjajka, Slaboe serdce en Netočka Nezvanova vermeld, evenwel zonder inhoudelijke of vormelijke bespreking. Von Reinholdt (1882: 255) geeft enkel van het laatstgenoemde een persoonlijke appre­ciatie: hij noemt het ‘herrlich’.

Dostoevskijs arrestatie, veroordeling en ballingschap worden kort toegelicht aan de hand van de verstikkende nikolaïtische tijdsgeest. De kring rond Petra­ševskij wordt herleid tot haar ware proporties. Dat wil zeggen dat deze niet af­geschilderd wordt als een revolutionaire samenzwering, maar wel als een bont club­je idealisten met abstracte ideeën over de noodzakelijke maatschappelijke her­vormingen. Op de smakeloze grap van de terdoodveroordeling, die op de jonge Russische schrijver een enorme impact had, wordt niet ingegaan. Zijn verbanning wordt gezien als een geestelijk ontnuchterende en leerzame ervaring. Enerzijds verloste die hem van zijn naïeve flirts met het socialisme, anderzijds verschafte ze hem inzicht in het menselijke innerlijke leven in het algemeen en in de Russische volksziel in het bijzonder. Voor Dostoevskijs zenuwstelsel was de dwangarbeid echter nefast: Von Reinholdt (1882: 259) beweert – overigens geheel onterecht – dat de schrijver hieraan zijn epilepsie heeft overgehouden.[14]

Van de werken die Dostoevskij kort na zijn dwangarbeid publiceerde, vermeldt Von Reinholdt (1882: 257) Malen’kij geroj, dat hij charmant vindt, en de verhalen Djadjuškin son en Selo Stepančikovo i ego obitateli. Die worden tezamen met de pre-Siberische publicaties tot het vroege, sentimentele oeuvre van Dostoevskij gerekend. De rode draad is niet-specifiek Russische, universele mensenliefde, zo­dat de auteur de titel ‘der Philantrop, der Wilberforce[15] unter den russischen Belletristen’ verdient. Dit wil echter niet zeggen dat hij, zoals Victor Hugo, zijn personages moreel opsmukt. Dat deze, integendeel, alles behalve heldhaftig zijn, illustreert Von Reinholdt (1882: 258-9) aan de hand van Devuškin en Pokrovskij uit Bednye ljudi, Goljadkin uit Dvojnik, Procharčin uit Gospodin Procharčin, šumkov uit Slaboe serdce, Netočka uit Netočka Nezvanova en Rostanev uit Selo Stepančikovo i ego obitateli.[16]

De werken die Dostoevskij na 1861 schreef worden volgens Von Reinholdt (1882: 260) gekenmerkt door een steeds toenemende essayistische inslag. Hij heeft het eerst over ‘einige minder bedeutende Novellen’, die hij niet inhoudelijk wenst te bespreken, maar waarvan hij wel Zapiski iz podpol’ja noemt. Ook de roman Unižennye i oskorblënnye, die qua uitwerking van de humanistische thema­tiek aanleunt bij het vroegere werk van Dostoevskij, krijgt van Von Rein­holdt (1882: 261) geen enkele waardering. Integendeel, hij legt de roman ge­breken als langdradigheid, psychologische kletskoek en syllogistische dialogen ten laste, die het geheel ‘ungeniessbar’ maken. Dit misprijzen wordt echter volledig over­schaduwd door de laudatie die Zapiski iz mërtvogo doma te beurt valt. De Duits-Russische criticus ziet hierin een geniale combinatie van het negatieve in het men­selijke bestaan en het positieve in de mensenziel. Ook prijst hij de fijn­zinnige analyse van complexe zielsprocessen. De kunstwaarde ligt vooral besloten in het kunstzinnig uitgedragen humanisme, dat nu ook een stichtelijke, pedago­gi­sche dimensie wordt toegekend. Centraal staat het religieuze geloof in de zedelijke vrij­heid van de mensen. Bijzondere appreciatie heeft Von Reinholdt (1882: 262) ook voor de veelzijdigheid aan personages, in wie hij Russische typen herkent. In dit ver­band staat hij kort stil bij de oudgelovige, Sirotkin, Nurra, Petrov en šuši­lov. De vraag van Dostoevskij wie de schuld draagt aan de teloor­gang van de krach­ten van dit misschien wel begaafdste deel van zijn volk, maakt hem in de ogen van Von Reinholdt (1882: 264) tot een edel mens en waar christen.

Prestuplenie i nakazanie wordt door Von Reinholdt (1882: 264) met aanzien­lijk minder enthousiasme gepresenteerd dan Zapiski iz mërtvogo doma. Nadat hij zich heeft laten ontvallen dat het realisme in dit werk ‘auf unsere Nerven [wirkt] wie der schrille Pfill einer Locomotive’, wijst hij erop dat het, zoals ook Idiot, Besy en Podrostok, gedomineerd wordt door ‘die Mängel Dostojewskischer Origina­li­tät’ – waarmee hij doelt op de voorliefde van de schrijver voor psychiatrische toe­stan­den. De personages van deze romans zijn niet realistisch, maar wel ‘blosse Phan­ta­sie­gebilde, oft nur logische Rückschlüsse’. Prestuplenie i nakazanie mag dan wel geschreven zijn onder invloed van een evangelische liefde, de sfeer is dermate pessi­mistisch, dat critici eraan getwijfeld hebben of Dostoevskijs zijn geloof in de mens niet verloren was. Von Reinholdt (1882: 265) wijst erop dat hiervan geen sprake is, omdat de grondidee nog bestaat in het protest tegen de sociale gebreken en het zoeken naar het goddelijke in het moreel gebrekkige. Het pessimisme is dan ook niet gelijk aan Byrons of Heine’s wereldverachting, maar moet begrepen wor­den als ‘der wilde Schmerz eines über den moralischen Ruinen der modernen Civilisa­tion weinenden Pariafreundes’.

Na deze algemene interpretatie wordt het hoofdpersonage besproken. Raskol’­ni­kov wordt niet als een edel personage gezien, maar wel als een egoïstische, narcis­tische en cynische misantroop, die zijn idealisme al lang geleden verloren is. Vooral de theoretische motivatie van de moord wordt in de verf gezet, die op haar beurt in verband wordt gebracht met de verbitterde natuur van Raskol’nikov. Voor Dos­toevskijs fijnzinnige uitbeelding van het rijpingsproces van de moordgedachte heeft Von Reinholdt (1882: 265) grote eerbied, die nog overtroffen wordt door zijn bewondering voor de psychologische en criminalistische observaties van het groeiende schuldgevoel, die in de vijf volgende delen van de roman centraal staan.

Na Raskol’nikov komen nog enkele nevenpersonages aan bod. De wellusteling zonder gelijke Svidrigajlov is Dostoevskijs lievelingstype, maar hij is eerder een ab­stracte idee dan een concrete figuur. Ook Marmeladov draagt bij aan de morele en sociale chaos van het boek. Sonja heeft haar onschuld geofferd, maar is innerlijk rein gebleven. Zij doet Von Reinholdt (1882: 265) denken aan sentimentele per­sonages van Victor Hugo, maar toch is ze in haar hoedanigheid van slachtoffer van sociale wantoestanden een van de meest doeltreffende ‘Fehdehandschuhe’ die Dos­­toevskij in het gezicht van de maatschappij geworpen heeft. Ook Porfirij doet denken aan een personage van Hugo, namelijk aan Javert uit Les misérables.

Zijn bespreking van Prestuplenie i nakazanie beëindigt Von Reinholdt (1882) zeer abrupt door te stellen dat het boek door Russische criminalisten erkend is als een interessante bijdrage aan de zogenaamde gerechtelijke demonstratiekunst. Uit deze conclusie alleen al kan opgemaakt worden dat hij deze roman als kunstwerk niet erg hoog inschatte, wellicht omdat hij het humanistische thema teveel in de schaduw gesteld vond van de eerder aangehaalde psychiatrische toestanden. Een soortgelijk, maar vele malen scherper oordeel treft Idiot, Besy en Podrostok, die over de Russische intelligentsia handelen.

Het hoofdpersonage Idiot, vorst Myškin, is weekhartig, naïef en psychisch ziek. Toch slaagt hij erin om de morele uitwassen van de cultuur aan de kaak te stellen. Tezamen met de andere bonte personages, zoals Rogožin, Ivolgin en Lebedev, maakt hij van de roman echter ‘ein würdiges Kleeblatt’. Volgens Von Reinholdt (1882: 286) heeft Dostoevskij in deze roman met zijn chargeren niet enkel de kunst grof geweld aangedaan, maar ook zijn eigen bedoeling geschaad.

Als orgie van fantasiebeelden spant Besy echter de kroon. Hierin laat de auteur zich te ver meeslepen door zijn eigen ijver, waardoor de roman verwordt tot een pamflet, zoals bij Gogol’. De satire ondermijnt iedere schoonheid die noodzakelijk is om van een kunstwerk te kunnen spreken. Het humanisme lijkt teruggedrongen te zijn tot bijna niets. De personages van deze eigentijdse variant op Turgenevs Otcy i deti (Vaders en zonen) zijn wandelende syllogismen. Toch zit in Stavrogin en Verchovenskij de verdienste van deze roman besloten, maar deze is wat Von Reinholdt (1882: 269) betreft van psychiatrische aard. Over het liberale, revolu­tio­naire gedachtegoed dat in Besy gehekeld wordt, geeft hij weinig informatie. Wel liet hij eerder verstaan dat Dostoevskij altijd humanistisch, liberaal en progressief gebleven is, zij het op zijn eigen, ontnuchterende manier. Hieruit blijkt dat de cri­ti­cus geen aanstoot neemt aan Dostoevskijs houding tegenover het socialistisch-revolutionaire gedachtegoed op zich, maar wel aan zijn literaire behandeling ervan.

Besy evalueert Von Reinholdt (1882: 269) als ‘künstlerisch am tiefsten unter allen Romanen Dostojewskis stehend’, maar dit weerhoudt hem niet om een gelijk­aardig superlatief te gebruiken voor Podrostok. Het hoofdgebrek van dit ‘schwächste aller Producte des Verfassers’ bestaat erin dat de dwangvoorstelling van het hoofdpersonage niet van een ethische orde is, zoals bij Raskol’nikov, maar wel te herleiden is tot ideeënloze geldzucht. Hierdoor is de zoon in wezen niet aan zijn generatiegenoten, maar wel aan de vader gelijk, waardoor de opzet van de roman in het water valt.

Nadat Von Reinholdt met minachting Dostoevskijs drie grote romans over de Russische intelligentsia besproken heeft, stelt hij de tweeledige, retorische vraag waar de sociaal-zedelijke elementen te zoeken zijn die aan deze intelligentsia ont­breken en waarom de schrijver die niet tot voorwerp van zijn kunst heeft gemaakt. Het antwoord luidt dat deze zedelijkheid gevonden wordt in het volk, dat hij een prominente plaats toebedeelt in zijn proza. Het zieke en ontaarde volk vormde voor de schrijver, die een uitmuntend psychiater en patholoog was, ook het materiaal voor de studie van de gezonde volksziel. In Brat’ja Karamazovy en zijn invloedrijke publicistische teksten, zoals Dnevnik pisatelja en zijn Puškinrede, wordt zijn mythisch, maar ook concreet filosofisch ideaal van het Russische volk uit de doeken gedaan. In dit verband bespreekt Von Reinholdt met grote wel­willendheid de politieke en nationalistische denkbeelden van Dostoevskij. De schrijver wenst zijn volk vrijheid toe, maar verwerpt wel constitutie en parlement. De oplossing voor de problemen bestaat in de rehabilitatie van de christelijke kerk, niet als institutie, maar wel zoals die gedragen wordt door het volk. De kwintessens van dit christelijk geloof, zo stelt Von Reinholdt (1882: 272), is het gebod om lief te hebben, waarmee hij opnieuw aanbelandt bij zijn humanistisch uitgangspunt.

In lijn met zijn min of meer chronologische opbouw staat het laatste hoofd­stuk van dit artikel in het licht van Brat’ja Karamazovy. Het doel van deze roman is enerzijds het moderne Russische leven te schilderen en anderzijds de moderne man attent te maken op een uitweg uit het moreel labyrint. Von Reinholdt (1882: 273) laat meteen blijken dat hij deze roman, waarvan de grondidee volgens hem een lofzang op de ‘Urreligion Christi’ van het Russische volk is, naar thematische diepgang zeer hoog inschat:

Die tiefsinnigsten Fragen menschlichen Daseins, das Verhältnis des Menschen zu sich, zu den Mitmenschen und zu Gott sind hier mit ausserordentlicher Kühn­heit, Gesinnungsfreiheit und zugleich realistischem Griff ins Leben zu Triebfedern der übrigens einfachen, aber an complicirten Charakteren reichen Handlung gemacht.

Van deze algemene, abstracte appreciatie daalt Von Reinholdt geleidelijk af tot een ietwat concreter niveau, zonder evenwel veel aandacht te besteden aan de naakte tekstuele feiten. Een helder overzicht van de plot wordt niet gegeven. Vooraleer de setting en de belangrijkste personages te behandelen, deelt hij eerst nog mee dat Dostoevskij in aangrijpende scènes zowel de menselijke ondeugd en ellende als de geestelijke en religieuze dorst van gepassioneerde dienaars van de mensheid schildert, wat een gamma aan taferelen oplevert, van woeste orgieën tot de vrome monnikencel.

De hoofdpersonages van deze familiegeschiedenis zijn de zonen van de oude, wel­lustige Karamazov, waartoe Von Reinholdt (1882: 273) behalve Dmitrij, Ivan en Aleksej ook Smerdjakov expliciet rekent. Zij bieden de schrijver de gelegenheid om het fenomeen van mysticisme in verschillende organismen te ontleden. Met dit concept ‘Mysticismus’ verwijst Von Reinholdt, die hierin origineel of zelfs zon­derling is, naar de capaciteit van de menselijke psyche om zich in te leven in ander­mans lijden. Het mysticisme zou in ieder personage een andere vorm aannemen – een gedachte die onuitgewerkt blijft.

Bij Alëša komt het mysticisme tot uiting in zijn overgave aan religieuze idealen. Dit wordt in verband gebracht met Zosima, die vergeleken kan worden met het personage Bischof uit Hugo’s Les misérables. Hij is een positief personage vanwege zijn humanisme, niet vanwege zijn monnikendom. Dostoevskij legt hem zijn eigen zedelijke propaganda in de mond. Zijn antipode is de Grootinquisiteur, van wie niet meegedeeld wordt dat het een personage van een verhaal binnen het verhaal is, een geesteskind van Ivan. Ivan zelf wordt geanalyseerd als positivist en pessi­mist, die de mensheid liefheeft in zijn abstracte vorm: het ideaal van het mense­lijke geluk is wat hem betreft, net zoals bij de Franse socialisten, economi­sche wel­vaart. Dmitrij is een liederlijke figuur die ten onrechte veroordeeld wordt voor de moord op zijn vader. Het is niet duidelijk waarop hij zich baseert, maar Von Rein­holdt (1882: 274) meent dat hij asceet wordt en zijn straf beschouwt als godde­lijke genade, als een weg naar het paradijs op aarde. Dit soort mysticisme zou Dos­toevskij ten stelligste veroordelen. Daarnaast passeren ook kort de volgende zeven nevenpersonages de revue: de jonge idealist Krasotkin, Katerina Ivanovna, de sym­pathieke provinciale cocotte Grušen’ka, de oppervlakkige kosmopoliet Mjusov, Iljušečka, de weduwe Chochlakova en de monnik Ferapont.

In zijn conclusie over Brat’ja Karamazovy werpt Von Reinholdt zich op als een gedreven advocaat van Dostoevskij. Hij pleit hem vrij van ascetisme en obscu­ran­tisme. De kern van Dostoevskijs mysticisme, dat vaak verkeerd begrepen wordt, is namelijk de zedelijke, humanistische idee ‘dass jeder, der nicht an der allgemeinen Arbeit der Menschheit […] thätigen Antheil genommen […] an dessen Leiden und Untergang gleichsams mitschuldig ist’. Met deze woorden onderstreept Von Reinholdt (1882: 275) dat de humanistische filosofie van Dostoevskij gericht is op de praktijk. Wat hem betreft is Brat’ja Karamazovy de kroon op deze filosofie, die op haar beurt gedurende een heel leven tot rijpheid is gebracht. Toch wordt de roman terloops ook bekritiseerd. De kritiek is exclusief toegespitst op de persona­ges. De criticus vindt dat ze teveel ‘die Sprache und Logik des Verfassers sprechen und denken’ – waarmee hij de latere lofprijzingen à la Bachtin aan het adres van Dostoevskij radicaal tegenspreekt. Daarnaast houden ze zich teveel bezig met zelf­analyse en komen hun zielsprocessen te weinig tot ontwikkeling in de hande­ling van het verhaal. Ook in de algemene conclusie van zijn artikel, die in het teken staat van Dostoevskijs edele karakter, worden enkele tekortkomingen aan­gekaart: omdat de schrijver geen tijd had om aan zijn werken te schaven, doet de vorm onaf en ongelijkmatig en zijn stijl haastig aan.

Uit de bovenstaande analyse kan men besluiten dat Von Reinholdt in dit Dos­toevskij-artikel een subjectief en overwegend positief, maar genuanceerd beeld van de Russische schrijver in zijn levenslange, lineaire ontwikkeling heeft op­gehangen. Tegen de achtergrond van sociale wantoestanden wordt zijn steeds meer spiritueel onderbouwd humanisme als zijn grootste verdienste gezien. Hier­bij vallen drie zaken op. Ten eerste de terugkerende vergelijking van Dostoevskij met de Franse romanticus Victor Hugo.[17] Ten tweede dat strikt literaire, vorme­lijke maatstaven van ondergeschikt belang lijken te zijn aan ideologische maat­staven. Ten derde dat Dostoevskijs slavofilie amper wordt aangeraakt en niet als een kwalijke zaak wordt afgeschilderd.[18] De satire op Duitsers wordt dood­gezwegen, hoewel deze een pu­bliek van Baltische Duitsers zeker aanging. Het is niet te achterhalen in hoeverre dit een bewuste strategie was.


3 Henckel en Raskolnikow (1882-84)

 

verontschuldiging

In Duitsland werd de aftrap voor de Dostoevskij-receptie zeer bewust gegeven door Wilhelm Henckel (1825-1910), wiens bemiddeling van de Russische litera­tuur en cultuur belicht wordt door het onderzoek van Loew (1991). In mei 1881, dat wil zeggen enkele maanden voor Dostoevskijs overlijden, begon Henckel te werken aan de eerste Duitse vertaling van Prestuplenie i nakazanie. Uit fatsoen vroeg hij via de schrijver Polonskij en Dostoevskijs biograaf Miller aan de weduwe van Dostoevskij de toestemming om de vertaling op de markt te brengen. Hij moest er wel bij zeggen dat hij nog geen uitgever had gevonden, wat hijzelf weet aan de onbekendheid van Dostoevskijs naam in Duitsland. Bij gebrek aan een geïnteresseerde uitgever besliste Henckel zijn Raskolnikow uiteindelijk op eigen kosten te drukken. Voor deze onderneming bezat hij niet alleen de nodige finan­ciële middelen, maar ook de nodige ervaring. In Petersburg had hij immers jaren­lang gewerkt bij een uitgever van Russische en anderstalige literatuur. Hij vond de naturalistische uitgever Wilhelm Friedrich, die de invoering van vreemde litera­tuur in Duitsland gunstig gezind was, bereid om het boek uit te geven. De voor­waarden waren, zoals Loew (1991: 70) meedeelt, de volgende: Henckel zou de druk­kosten betalen en de helft van de winst opstrijken.

Zijn initiatief doet uitschijnen dat Henckel groot vertrouwen had in het succes van zijn vertaling. Uit het voorwoord van de eerste druk van zijn vertaling blijkt echter het tegendeel. Hierin verontschuldigt hij zich namelijk tegenover de Duitse lezer dat hij dit werk uit het Russisch vertaald heeft, en drukt hij zijn vrees uit dat het werk niet welwillend onthaald zal worden. Dukmeyer (1905: 685-7) vraagt zich af wat Henckel hiertoe aanzette en vindt het antwoord in de volgende regels van hetzelfde voorwoord:

 Dem deutschen Leser wird es nicht entgehen, daß der Verfasser die Personen des Romans, welche deutsche Namen tragen, konsequent möglichst lächerlich oder Abscheu erweckend geschildert hat; es ist das nicht etwa Zufall, sondern darin ist System und Tendenz. (Henckel 1882a: vii-viii)

Bovenstaand citaat, dat van een in commercieel opzicht verbazende eerlijkheid ge­tuigt, bevestigt dat Dostoevskijs satire op Duitsers zijn Duitse receptie aanzien­lijk bemoeilijkte. Henckel hoopte dat de Russische schrijver in weerwil van deze spot ingang zou vinden bij het grote Duitse publiek.

reclameartikel van henckel

Behalve uit een verontschuldiging bestond de strategie van Henckel erin om de aandacht van het leespubliek vooral te richten op kenmerken van Dostoevskij die wel de moeite en zelfs vernieuwend waren. Zo publiceerde Henckel (1882b: 76), terwijl zijn vertaling ter perse ging, een artikel in Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes waarmee hij zijn landgenoten inwijdde in de ‘sympatische Per­sön­lichkeit des talentvollen Schrifstellers und edlen Menschen’.

Voor Dostoevskijs levensbijzonderheden baseerde Henckel zich op het beperk­te materiaal dat na het overlijden van de auteur in Russische tijdschriften versche­nen was. Het artikel van Von Reinholdt (1882) was hem kennelijk niet bekend, wat mogelijk te wijten is aan een ongeveer gelijktijdige publicatie. Het vertrekpunt van het artikel is de begrafenis van een man die in Rusland behoort tot de meest ge­vierde auteurs, ‘obschon derselbe außerhalb seines Vaterlandes kaum genannt wurde’.[19] Nadat hij zich het commentaar heeft doen ontvallen dat Dostoevskijs be­grafenis in het buitenland wellicht uitvoeriger besproken zou zijn, als de moord op Alexander II er niet zo spoedig op was gevolgd, geeft Henckel hiervan een ge­detailleerde, kleurrijke beschrijving.

Henckel maakt gewag van 40.000 mensen uit alle lagen van de Russische maat­schappij die hun schrijver een laatste groet wilden brengen. Bijzondere aandacht gaat naar het verbazende gegeven dat zelfs de studerende jeugd om het verlies rouwde, hoewel Dostoevskij als eerbiedwaardig, religieus en aan de tsaar loyale burgerman steeds haar radicale, nihilistische en anarchistische ideeën had be­stre­den. Deze paradox wordt ook geduid: de alles ontkennende, revolutionaire en materialistische jeugd werd aangetrokken door Dostoevskijs ‘grenzenlose Liebe zu seinem Volke und der mächtige, fanatische Glaube an dessen Kraft und Zu­kunft’.[20] Deze positieve eigenschappen kwamen meer nog dan in zijn proza tot uiting in zijn essayistische Dnevnik pisatelja, waaruit enkele volksminnende citaten gegeven worden. In een volgende beweging licht Henckel (1882b: 77) de volksliefde van Dostoevskij uit zijn Russische context en maakt hij hiervan – een zeer strategische zet – een universele voorstelling: ‘sein höchstes Ideal war die Humanität’.

In het vervolg van zijn min of meer chronologisch geordend artikel behoudt Henckel de klemtoon op het humanistische ideaal, waarvan volgens hem al Dos­toevskijs werken doordrongen zijn. Enerzijds manifesteert dit humanisme zich in medelijden met wie arm en ongelukkig is, zoals in Bednye ljudi. Anderzijds komt het tot uiting in het vermogen om zelfs in wie moreel laag gevallen is een restant van de edele mens terug te vinden. Deze blik dankt de auteur aan zijn eigen lijdens­ervaringen tijdens zijn Siberische dwangarbeid. Deze stelt Henckel (1882b: 78) voor als een straf voor de politieke aspiraties die als gevolg van de Europese revo­lu­tionaire beweging tegen het einde van de jaren 1840 in Rusland culmi­neer­den in de ‘Verschwörung’ van Petraševskij en zijn kameraden. Op die manier wekt hij de indruk dat Dostoevskij in die jaren een echte revolutionair was, terwijl zijn staats­gevaarlijke activiteiten in werkelijkheid beperkt waren gebleven tot het voor­lezen van Belinskijs brief aan Gogol’ in een ondergrondse leesclub met socialis­ti­sche in­spiratiebron.

In de visie van Henckel (1882b: 78) is de centrale gedachte van Zapiski iz mërtvogo doma, dat hij meermaals prijst om zijn originaliteit, dat ook degenen die uit de maatschappij zijn gestoten door de heersende macht of justitie, mensen zijn en dus ‘ein menschlicheres Los verdient hätten’. Nogal vreemd is zijn niet nader toegelichte opmerking dat Unižennye i oskorblënnye van een gelijkaardige strek­king is. Enerzijds kan deze interpretatie verdedigd worden, voor zoverre men het arme personage Nelli beschouwt als het slachtoffer van haar machtsgeile, geweten­loze biologische vader Valkovskij. Anderzijds heeft de roman voor alles een senti­mentele inslag en is de hoofdgedachte dat onrechtmatig behandelde mensen zich uit trots en eergevoel in hun ellende wentelen, waaruit ze een soort pervers genot putten. Van een sociale aanklacht is in deze zin geen sprake. De problemen komen namelijk niet voort uit maatschappelijke structuren, maar wel uit het handelen van een kwaadaardig individu en de eerzucht van de slachtoffers.

Niet toevallig wijdt Henckel de meeste aandacht en lofprijzingen aan Prestu­plenie i nakazanie, dat Dostoevskijs beroemdste werk genoemd wordt. Dat hijzelf de vertaler van dit werk is, houdt hij voor de lezer verborgen – misschien om zijn geloofwaardigheid als objectieve recensent niet in het gedrang te brengen. De roman wordt door Henckel (1882b: 78) mooi samengevat als ‘die psychologische Analyse einer durch ein Verbrechen besudelten Seele’. Deze psychologische dimensie is de enige die de recensent/vertaler bespreekt. Hij is hiervan dermate onder de indruk dat hij de auteur een ‘Meister der pathologischen Psychologie’ noemt en hem de ontdekking van een nieuwe wereld van gemoedstoestanden toedicht. Zoals Moe (1981: 111) terecht opmerkt, leunt deze kwalificatie aan bij die van Zola, wat in Henckels plan paste om Dostoevskij en zijn werk zo voor te stellen ‘dass es von einem veränderten ästhetischen Standpunkt vereinnahmt wer­den konnte’. Over de aard van de misdaad of de theoretische motivatie ervan geeft Henckel geen details. Dat Dostoevskij zijn roman schreef als polemiek tegen het socialistische en utilitaristische gedachtegoed komt de lezer bij hem dus niet te weten.

Over de romans die Dostoevskij na Prestuplenie i nakazanie schreef oordeelt Henckel ongunstig. Idiot, Besy en Podrostok evalueert hij, evenals Von Reinholdt (1882), als minder geslaagd. Het tweede werk, dat een venijnige satire is op de revolutionairen van Dostoevskijs tijd, wordt in zeer algemene termen afgedaan als een mislukte uitbeelding van een beweging in de Russische maatschappij onder Alexander II. Naar aanleiding hiervan noemt Henckel twee zwakke punten van Dostoevskij. Ten eerste is de werkelijkheid voor hem enkel een dankbaar onder­werp als ze hem de gelegenheid biedt om zijn aangeboren humanisme en zijn psy­chologisch talent te ontvouwen. Ten tweede grenst zijn idealisme en zoektocht naar waarheid en gerechtigheid soms aan mysticisme. Volgens Henckel gaat ook Brat’ja Karamazovy onder deze hang gebukt. De personages Alëša en Zosima, die Dostoevskijs idealen vertegenwoordigen, overtuigen verstand noch gevoel. Niette­min heeft hij appreciatie voor sommige realistische passages in deze roman, die hun reliëf ontlenen aan de psychologie van de auteur.

Zijn summiere bespreking van een selectie van Dostoevskijs werken besluit Henckel (1882b: 78) met de opmerking dat wat zijn talent voor psychologische observaties betreft Dostoevskij geen rivalen heeft, maar dat de hoofdwaarde van zijn werk niettemin besloten ligt in zijn ‘Gefühl für Humanität, welches ent­schie­dener und kräftiger kaum bei irgend einem seiner Berufsgenossen zur Gel­tung gekommen ist’. Hiermee is zijn artikel nog niet ten einde. Henckel wijdt nog twee volle pagina’s aan de roem die Dostoevskij in zijn eigen land tijdens de laatste decennia van zijn leven te beurt is gevallen.[21] In deze uitweidingen zet Henckel behalve de mensenkennis, die zelfs voor criminologen verrijkend is, ook het edele karakter van de schrijver in de verf. Het is precies door zijn liefde voor het Rus­si­sche volk, die ook in zijn Puškinrede centraal stond, dat hij in de ogen van zijn landgenoten profetische dimensies kreeg, als schrijver en als persoon.

Interessant is dat ten eerste Dostoevskijs satire op Duitsers, die nochtans in de verf werd gezet in het voorwoord van Raskolnikow, in dit diepgaander artikel niet behandeld wordt. Daarnaast worden enkele meer algemene eigenschappen van Dostoevskij die lezers zouden kunnen storen, in het afrondende stuk van het arti­kel vergoelijkt. Zo ligt in het feit dat de schrijver zijn werken zo liet afdrukken zo­als ze hem uit de pen vloeiden voor Henckel (1882b: 80) tegelijkertijd zijn sterkte als zijn zwakte besloten. Als sterkte noemt hij ‘eine frische Unmittelbarkeit’, die volgens Moe (1981: 112) in overeenstemming was met de verwachtingen van het Duitse publiek over Russische literatuur. De zwakte is ‘der Mangel an künst­lerischer Vollendung’. Een parallelle gedachtegang wordt toegepast op de soms tactloze, grove persoonlijkheid van de auteur. Om hiervan toch iets positiefs te maken, stelt Henckel hem voor als een echt kind, dat in zijn onschuld nu eenmaal af en toe iets onaangenaams zegt. Dit christelijk beeld van het onschuldige kind past goed bij de finale slotbeschouwing, waarin Henckel de evangelische dimensie van Dostoevskijs mensenliefde aanhaalt:

 Er wollte in jedem einzelnen von uns die angeborne Trägheit der Seele be­kämpfen und die in uns wohnende Kraft erwecken, um uns zu veranlassen, den Worten des Erlösers zu folgen, der da spricht: Kommet her zu mir alle, alle, die ihr mühselig und beladen seid, ich will euch erquicken! Die Liebe, die allumfassende, siebenmal siebzigfach verzeihende Liebe ist sein einziges, un­trügliches Universalmittel für die moralischen Schäden der Welt. (Henckel 1882b: 80)

Bovenstaande analyse staat toe de uitspraak van Hoefert (1974: xiv) te onder­schrij­ven dat Henckel met zijn artikel poogde om enerzijds de Dostoevskij-ontvangstbereidheid van de lezers te vergroten, en anderzijds diens oeuvre veilig te stellen tegen aanvallen van critici. Ook wordt duidelijk dat zijn marketingstrategie erin bestond om vooral de volksliefde van Dostoevskij in de verf te zetten. Dit uni­versele humanisme zou opwegen tegen zijn stilistische tekorten en soms ge­brek­ki­ge realiteitsweergave. Ook de voor de criminologische wetenschap waarde­volle psychologie van Dostoevskij werd geprezen. Daarentegen besteedde Henckel am­per aandacht aan zijn religieuze, politieke en slavofiele opvattingen, die de domi­nan­te, naturalistisch gestemde critici zeker zouden bevreemden. Dat Dosto­evskijs proza in belangrijke mate satirisch en grotesk is, kwam al helemaal niet aan bod. De toon van de vroege Duitse Dostoevskij-receptie was gezet.

 

encyclopedisch behandeld

Eveneens in 1882, ongeveer gelijktijdig met Henckels artikel, verscheen, opnieuw in het Balticum, dat toen in de Russische invloedssfeer lag, Geschichte der russi­schen Literatur van K. Haller.[22] Hij was als hoofdonderwijzer Russisch verbonden aan het stedelijk gymnasium van Riga en gaf tevens les aan het Baltische Polytech­nicum. Het overzichtswerk is, zoals blijkt uit het voorwoord, een bewerking van Kurs Istorii Russkoj Literatury (Cursus geschiedenis van de Russische literatuur) van ene Petrov. Dat het werk in de eerste plaats gericht was op Baltische Duitsers, wordt duidelijk door het veelvuldige gebruik van cyrillische lettertekens.

Dostoevskij komt bij Haller (1882: 185) enkel ter sprake in het hoofdstuk ‘Schilderung der jungen Generation’, dat vooral in teken staat van de polemiek met de nihilisten. De lof die de ‘in der letzten Zeit so viel gennante Schriftsteller’ toegezwaaid wordt is groot: volgens de auteur is er van de talrijke Russische anti­nihilistische schrijvers, Turgenev niet uitgezonderd, niemand zo indrukwekkend als Dostoevskij. Dat hij bewonderd en begrepen werd door Russen van alle leef­tijden en standen, werd duidelijk bij zijn begrafenis.

Na een uiterst summiere levensschets, waarin ook Dostoevskijs aanvankelijke ‘staatsgefährliche Pläne’ vermeld worden, somt Haller (1882: 185) zeven hoogte­punten van zijn oeuvre op: van Bednye ljudi wordt de humor en de narratieve stijl geprezen; Zapiski iz mërtvogo doma is een waarheidsgetrouwe schildering van het Siberische gevangenisleven; Idiot is Dostoevskijs eerste tendentieuze roman, waar­in hij de evangelische waarden uitdraagt; in het publicistische Dnevnik pisatelja worden nationale spirituele thema’s behandeld; Brat’ja Karamazovy is zijn laatste roman (hierover wordt niet meer medegedeeld dan dat); Dostoevskijs hoofdwerk is echter Prestuplenie i nakazanie. Enkel bij deze laatste roman houdt Haller lan­ger dan twee regels halt. Hij stelt in een notendop de plot voor en licht ook Ras­kol’­nikovs theoretische motivatie voor de moord toe. Voor Haller (1882: 186) ligt de hoofdwaarde van dit antinihilistische werk besloten in de psychologische ana­lyse van deze door schuld gekwelde protagonist.

Het overzichtswerk van Haller is, in navolging van dat van Petrov, eerder feite­lijk dan interpretatief en doet encyclopedisch aan. In de twee pagina’s die hier­in aan Dostoevskij gewijd zijn, wordt geen doordacht, coherent beeld van hem op­gehangen. Hij wordt voornamelijk gewaardeerd als auteur van één antinihilis­tisch werk, waarin hij een knap staaltje zielkunde laat zien. Van een alles vergoelij­kend humanisme is geen sprake. In tegenstelling tot Henckel had Haller dan ook niet de bedoeling om Dostoevskij te promoten in de Duitse naturalistische mid­dens.

 

positieve recensie van raskolnikow

Ondanks Henckels promotieartikel en talrijke reclameadvertenties, die grote finan­ciële inspanningen vergden, kwam de verkoop van Raskolnikow traag op gang. Zo­als Loew (1991: 70) weet, was de eerste druk berekend op 1000 exemplaren en was de prijs van het boek, 10 mark, in die tijd uitgesproken duur. Men rekende dan ook op de aankoop door bibliotheken. Volgens Dukmeyer (1905: 686) wer­d in het eerste jaar slechts een 200-tal exemplaren verkocht. Niettemin was er hoop: de cri­tici die deze roman oppikten waren positief. Verscheidene Duitse bladen, waar­onder Weimarische Zeitung, publiceerden in totaal achttien over­wegend loven­de recensies. Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes, niet toe­val­lig het tijdschrift dat twee maanden voordien Henckels vermomde semi­propaganda voor Dostoevskij had geplaatst, beet de spits af in mei 1882.

De recensent, ene G. Rollard (1882: 291), opent zijn stuk met een panorami­sche blik op de eigentijdse Russische literatuur, die sinds Gogol’ onder invloed van Belinskij een van het buitenland onafhankelijke, praktisch-realistische koers vaart. De nieuwe schrijvers onderschrijven het ideaal om enkel ‘Zustände der Gegenwart und Heimat’ te behandelen. Naast Turgenev, die gevierd wordt in de ganse wereld, is een nieuwe generatie schrijvers opgestaan, waartoe Dostoevskij, Gonča­rov, Pisems­kij, Avdeev en Grigorovič behoren. Allemaal dienen ze een min of meer democratisch doel. Hiertegenover worden de minder populaire beoefenaars van het historische genre geplaatst, zoals Tolstoj.

Rollard wijst erop dat de realistische toon die door Belinskij, Dobroljubov, Pisarev en andere critici gezet was in Rusland nuttig is gebleken. De beïnvloede schrijvers hebben namelijk de verdienste ‘ihren Landleuten ein Spiegelbild vor­gehalten zu haben, in welchem Zustände, Personen und Tendenzen ihr natur­getreues Konterfei erblicken’.[23] Van meer speculatieve aard is de bedenking dat veel literaire producten van de realistische strekking in Rusland bijgedragen hebben tot de ‘extreme Theorie’, al geeft geen van de schrijvers toe dat dit doel beoogd werd. Hiermee suggereert de recensent tussen de regels dat ook een uit­gesproken antirevolutionair schrijver als Dostoevskij gezien kan worden als ver­spreider van het revolutionaire gedachtegoed.

In het oordeel van Rollard is Dostoevskij na Turgenev de trouwste uitbeelder van de eigentijdse Russische sociale realiteit. Hij verheugt zich erover dat de Duitse lezer zich nu zelf kan vergewissen van het talent van de auteur voor psycho­logische analyse en fijne waarnemingen, dat in zijn beroemdste roman Raskolni­kow tot uiting komt.[24] In de hierop volgende, lange ademstoot doet Rollard (1882: 291-2) de ganse hoofdintrige uit de doeken, vanaf Raskol’nikovs voorbereiding van de moord tot en met zijn veroordeling. De materiële om­standig­heden die hem tot de moord aanzetten krijgen gelijke aandacht toebedeeld als zijn theoretische legi­timatie. Curieus is de lezing dat Raskol’nikov voor zijn aangifte met zelf­moord­plannen rondliep.

Het is echter niet de intrige die Rollard (1882: 292) onder de indruk brengt, maar wel de waarheidsgetrouwe beschrijving van het innerlijke leven van Raskol’­nikov, die het goede wil, maar het kwade doet. Deze maakt van Prestuplenie i na­kazanie ‘ein eminent psychologischer Roman, der, wenigstens in der deutschen Literatur, wol [sic] kaum Seinesgleichen hat’. Daarnaast heeft de recensent ook grote bewondering voor de portretten van de nevenpersonages Marmeladov, Svidrigajlov, Dunja, Sonja, Katerina Ivanovna, Razumichin en Porfirij, in wie hij stuk voor stuk een typisch Russische natuur ziet.

De voortreffelijke psychologie van Dostoevskij was al eerder belicht door Henckel (1882). Geheel nieuw is echter Rollards appreciatie voor wat hij vaag omschrijft als Raskolnikows ‘sehr bedeutende kulturelle Seite’. Uit zijn uitleg blijkt dat hij hiermee doelt op de documentaire waarde van deze literaire studie, die volgens hem meer licht werpt op de Russische maatschappij dan tal van weten­schappelijke en politieke verhandelingen. Als geen ander verschaft Dostoevskij de buitenlandse lezer inzicht in de eigenaardige Russische geestelijke cultuur. Zonder zijn bemiddeling kan de Duitser zich geen voorstelling maken van de ‘Russische Volksseele’, zelfs niet als hij jarenlang in Moskou of Petersburg gewoond heeft. Hoefert (1974: xv) begrijpt deze waardering in het licht van de destijds pas op­gekomen belangstelling van de Duitse lezer voor zijn als raadsel­achtig ervaren buurstaat.

Na het belichten van de psychologische en landeskundige waarde van Prestu­plenie i nakazanie – twee redenen waarom de Duitse lezer zich voor dit werk moet interesseren – verontschuldigt Rollard (1882: 292) zich voor het ontbreken van een tekstfragment in zijn recensie: een geïsoleerde episode zou geen recht doen aan de roman, die te goed aan elkaar hangt om uit elkaar getrokken te worden. De nieuwsgierig gemaakte lezer wordt met klem naar de Duitse vertaling door­verwe­zen. Tot slot drukt de recensent zijn hoop uit dat het succes van Raskolnikow het pad zal effenen voor andere Duitse Dostoevskij-vertalingen.

De verbazende snelheid waarmee Rollards recensie op de publicatie van Ras­kol­nikow volgde – het was een kwestie van slechts enkele weken – nota bene in hetzelfde tijdschrift als Henckel eerder zijn literatuurhistorisch stuk over Dosto­evskij had mogen plaatsen, en de uitgesproken positieve beoordeling worden door Loew (1991: 73) in een nieuw daglicht geplaatst. Ze acht het namelijk zo goed als zeker dat achter de naam Rollard, waarover niets terug te vinden is, niemand minder dan Henckel zelf schuilgaat. Hij zou voor de gelegenheid de naam van ver­wanten langs moederszijde gekozen hebben. Harde bewijzen heeft Loew echter niet: in haar argumentatie staat de vaststelling centraal dat Rollard met Henckel gemeen heeft dat hij Raskol’nikovs moord ziet als een vingerwijzing naar het nihilistische gedachtegoed, zoals dit verkondigd werd door critici als černyševskij. Deze visie was echter niet zo origineel als Loew doet uitschijnen. Deze voor de hand liggende interpretatie was al in de jaren 1860 wijdverspreid en de democra­tische kritiek nam om die reden aanstoot aan het boek.[25] Indien Henckel daad­werkelijk samenvalt met Rollard, dan wil dit zeggen dat hij in de Duitse receptie van Dostoevskij niet alleen een pioniersrol speelde als vertaler, uitgever, literatuur­historicus en publicist, maar ook als recensent. Wat er ook van zij, zeker is dat de recensent G. Rollard opvallend loyaal was aan Henckel, die kosten noch moeite spaarde om Dostoevskij ingang te doen vinden in de Duitse literatuur.

 

reclameoffensief

Volgens de getuigenis van Dukmeyer (1905: 686) leidden de overwegend gunstige boekbesprekingen, waaronder die van Rollard (1882), in eerste instantie niet tot hoge verkoopcijfers. Bij het grote publiek bleef Dostoevskij onbekend. De tijd­schriften waarin de recensies verschenen waren dan ook niet de meest toonaan­gevende. Om zijn vertaalarbeid en financiële offers te verzilveren, achtte Henckel het noodzakelijk om een nieuw reclameoffensief in te zetten. Blijkbaar wilde hij zich toch niet neerleggen bij de veronderstelling die hij in het voorwoord van Ras­kolnikow zelf had geuit, dat Dostoevskij door de Duitse lezers niet op sympa­thie onthaald zou worden. Hij ging zelfs zover om zijn vertaling op te sturen naar een groot aantal schrijvers en critici – volgens Moe (1981: 110) een honderdtal – waar­van hij meende dat ze beschikten over de welwillendheid en het gezag die nodig waren om de Duitse lezers aan te moedigen tot het lezen van Dostoevskij.

In de vroege jaren 1880 bezorgde Henckel zijn Raskolnikow ook aan Émile Zola, met de boodschap dat het werk de aandacht van de Franse lezers verdiende. De Duitse vertaler redeneerde wellicht dat eventueel succes in Frankrijk de ver­spreiding van Dostoevskij in Duitsland ten goede zou komen. Met name Zola kwam Henckel voor als een geschikte Dostoevskij-propagandist. Ten eerste had hij interesse voor de sociale thema’s die in Prestuplenie i nakazanie uitgebreid aan bod komen. Ten tweede genoot hij in Duitsland prestige onder de naturalisten. Ten derde had hij enkele jaren voorheen aan literaire berichtgeving uit Parijs ge­daan voor Russische tijdschriften, wat hem – ten onrechte, zoals Dukmeyer (1905: 686) benadrukt – een reputatie als kenner van de Russische literatuur en maatschappij had bezorgd. De Franse schrijver en pamflettist polste ook daad­werkelijk bij een Parijse uitgever of een Franse vertaling van Prestuplenie i nakaza­nie overwogen kon worden, maar hij kreeg te horen dat men in Parijs geen ver­ta­lin­gen las. Hierover berichtte hij, naar eigen zeggen laattijdig, in april 1884 mid­dels een brief aan Henckel:

 On m’a en effet rassuré qu’il [Raskolnikow] était des plus remarquables; mais j’ai trouvé une grande répugnance chez les éditeurs français auxquels j’en ai parlé. Ils disent que les traductions ne se vendent pas en France, ce qui est vrai. Je crois donc qu’il faut attendre.[26]

Bij zijn Duitse geadresseerden boekte Henckel meer succes. Hiertoe behoorden onder anderen Friedrich Martin von Bodenstedt, die in 1854 in München profes­sor in de slavistiek was geworden en zelf Russische gelegenheidsvertalingen op de Duitse markt had gebracht, de latere Nobelprijswinnaar Paul Johann Ludwig Heyse, diens vriend en theatercriticus Julius Waldemar Grosse, de schrijver en journalist Gustav Freytag, onder wiens leiding het liberaal-nationale tijdschrift Die Grenzboten toonaangevend was geworden, en prof. Georg Moritz Ebers, die als schrijver van historische romans en vulgariserende wetenschappelijke werken over Egypte grote populariteit genoot. Ook de Deense criticus Georg Brandes, die van 1877 tot 1883 in Berlijn woonde, werd een exemplaar van Raskolnikow toe­gezonden. De volharding van Henckel werd beloond: allen reageerden ze positief. Stukken over Dostoevskij in het algemeen en Prestuplenie i nakazanie in het bij­zonder verschenen nu ook in gerenommeerde kranten en tijdschriften.

Op 9 maart 1883 publiceerde de prominente krant Allgemeine Zeitung, waar­van de hoofdredactie een jaar voordien uit Augsburg naar München verhuisd was, een recensie van Raskolnikow door de bekende schrijver en literatuurhistoricus Ludwig Laistner. Aangezien hij rond die tijd nauw samenwerkte met Paul Heyse, hoeft het niet te verbazen dat zijn oordeel in dezelfde richting gaat. De originali­teit van zijn stuk ligt besloten in de vergelijking van Prestuplenie i nakazanie met de misdaadroman Eugene Aram van de Britse auteur Edward G. Bulwer, wat in het voordeel uitdraait van Dostoevskij. Laistner (1883: 995-6) is dermate onder de indruk van de plot, dat hij hiervan niets wil verraden aan de lezer. Hij vreest namelijk de geweldige indruk van de eerste lectuur teniet te doen. Uit zijn ver­wij­zingen naar Baltische Monatsschrift en Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes blijkt dat hij bekend was met de kritiek van Von Reindholdt (1882) en Henckel (1882b), waar hij met zijn nadruk op Dostoevskijs naasten­liefde groten­deels bij aansluit. Van mysticisme heeft hij bij het lezen van de roman niets ge­merkt. Bijzondere aandacht besteedt hij aan de vertaling, die geprezen wordt om­dat ze ‘augenscheinlich treu und dabei lesbar und fließend ist, und kaum in ein paar Kleinigkeiten leichte Spuren ausländischer Angewöhnung trägt’.[27] De ver­taler wordt expliciet bedankt en vriendelijk aangemaand om nog meer werken van Dos­toevskij te vertalen.

Amper een dag later, op 10 maart 1883, kwam Raskolnikow opnieuw ter sprake in de Allgemeine Zeitung, ditmaal in een door Henckel besteld reclamestuk. De advertentie bestaat uit zeven lovende citaten. Het eerste is afkomstig uit een brief van Paul Heyse gericht aan de vertaler. Hierin prijst de Duitse schrijver de zeldzame psychologische diepgang en kracht van de roman. Interessant is zijn ver­klaring dat hij de roman mondeling en schriftelijk aanprijst aan met name die vrien­den van hem, ‘die sich starker Nerven erfreuen’[28]. Het tweede citaat, dat slechts uit twee zinnen bestaat, is van de Deense criticus Brandes, die in Duitsland algemene bekendheid genoot. Zijn gebod luidt: ‘Lies ihn und mache Andere dar­auf aufmerksam’. De volgende vijf citaten, die in dezelfde richting gaan, zijn af­komstig uit recensies die gepubliceerd werden in Wiener Allgemeine Zeitung, Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes, Weimarische Zeitung, Augs­burger Abendzeitung en Literarische Merkur.

 

raskolnikow in de sociaaldemocratische en arbeiderspers

Ook in de uitgesproken sociaal-democratische en arbeidersmilieus, waarmee de naturalistisch gezinde literatoren contacten onderhielden, brak Raskolnikow door. Uitzonderlijk vroeg was de korte recensie van ene C-n die in juli 1882 gepubli­ceerd werd in het Berlijnse weekblad Die Gegenwart, dat toen onder hoofdredactie stond van de journalist, literatuurcriticus en romancier Theophil Zolling. Zoals Loew (1991: 75) oppert, is dit vermoedelijk de allereerste stellingname van een sociaaldemocratische criticus. De toon is uitgesproken positief. De recensent prijst de kwaliteit van de vertaling – ook de aanpassing van de titel vindt hij geslaagd. Met betrekking tot de roman zelf, heeft hij het over een ‘Turgenjews’sche Geist’, die vooral tot uiting komt in de dialoog. Het verschil bestaat erin dat Dostoevskij wijdlopiger is. Verscheidene aspecten van de roman worden benoemd: de psycho­logie, het realisme van de schilderingen en de sensatie – een verwijzing naar Svi­drigajlov. De scène waarin Raskol’nikov de voeten van Sonja kust wordt poëtisch bevonden. De recensent wordt geroerd door het lot van de arme persona­ges. In dit verband noemt hij de tegenslagen die het gezin van Katerina Ivanovna treffen ‘eine wahre Tragoedie des Proletariats’.[29] Opmerkelijk is dat hij tot slot van zijn stuk vermeldt dat de roman ook humoristische kenmerken bevat.

In 1884 verscheen van Raskolnikow een uitgebreide recensie in Die Neue Zeit, het in 1882 door de socialistische theoreticus Karl Kautzky opgerichte theore­tisch-wetenschappelijk tijdschrift van de Sozialistische Arbeiterpartei Deutsch­lands. Die was in 1879 door Bismarck verboden, maar had niettemin grote aan­hang. De recensent is Rosus (1884), een pseudoniem van de journalist Robert Schweichel (1821-1907). Hij noemt de moderne Russische literatuur ‘eine Krank­heitsgeschichte’, waarmee hij bedoelt dat ze de sociale problemen behandelt. On­danks zijn cassante verduidelijking van Dostoevskijs houding jegens de Russi­sche socialisten en communisten – die zijn voor de schrijver ‘Schwätzer und Hohl­köpfe’ – merkt Rosus (1884: 1) op dat de roman als de kennisbron over het Russi­sche nihilisme op dezelfde hoogte staat als Turgenevs Nov’ (Nieuwe gronden). Hierna bespreekt hij met veel oog voor detail de plot en de personages, waarbij hij, in tegenstelling tot Rollard (1882), regelmatig stukken tekst citeert. Centraal staat echter de theoretische motivatie van Raskol’nikovs moord. Die daad wordt door de recensent in verband gebracht met een zogezegd algemene mystieke drang van het Russische volk om zich op te offeren. De toon is over­wegend positief. Zo wor­den er woorden van lof gewijd aan het realisme en de opgebouwde spanning. Wel klinkt door dat Dostoevskij al te pessimistisch is ingesteld. Tot een diepgaande inter­pretatie komt Rosus echter niet. Die laat hij kennelijk over aan anderen.


4 De popularisering van Dostoevskij door Zabel (1884-85)

 

primus inter pares

De criticus die volgens Ėjchenbaum (1913: 124) het grootste aandeel had in de bekendmaking van Dostoevskij bij het grotere Duitse leespubliek, dat de natura­listische kringen niet frequenteerde, is Eugen Zabel (1851-1924). Vandaar dat deze criticus, die heel zijn leven een grote interesse aan de dag heeft gelegd voor de Russische cultuur in haar verschillende verschijningsvormen, bijzondere aandacht verdient.

Zabel werd geboren in Köningsberg, waar hij in zijn jeugd poëzie schreef. Na zijn verhuis naar Berlijn begon hij te werken als journalist en schreef hij een roman over Catherina de Grote. Behalve aan Dostoevskij, wijdde hij in de jaren 1880-90 ook essays aan Turgenev en Tolstoj, die hij in het Russisch gelezen had. In 1892 publiceerde hij een biografie van de Russische componist, pianist en dirigent Anton Rubinštejn. Zabel ondernam ook verschillende reizen naar Rusland, die hij beschreef in reisverslagen als het in 1903 gepubliceerde Transsibirien.[30] In het begin van de 20e eeuw schreef Zabel voornamelijk essays over theater. Dat Dosto­evskij een prominente plaats innam in zijn interesseveld, blijkt uit het feit dat hij in de loop van ruim anderhalf decennium niet minder dan vijf omvangrijke publi­caties aan hem wijdde.

 

zabel in die gegenwart

Het eerste artikel van Zabel over Dostoevskij verscheen in 1884 in Die Gegenwart. In het forum dat hem in dit Berlijnse weekblad ter beschikking werd gesteld, be­handelde Zabel naast literatuur en toneel ook maatschappelijke en historische onderwerpen, zoals de geschiedenis van de revolutionaire bewegingen in Rus­land.[31] De lezers van Die Gegenwart kenden hem dus als een erudiet journalist en Ruslandkenner, wat zijn oordeel over Dostoevskij des te gewichtiger maakte.

Hoefert (1974: xv) merkt op dat Dostoevskij in Duitsland aanvankelijk te pas en te onpas vergeleken werd met Turgenev. Ook Zabel (1884a) gebruikt hem als aanknopingspunt voor zijn ‘F.M. Dostojewski’. Dit artikel vertrekt van de kriti­sche vaststelling dat Turgenev lange tijd in Duitsland de enige gewaardeerde Rus­sische schrijver was, terwijl enkele van zijn Russische tijdgenoten in hun thuisland niet minder aanzien genieten. Van deze schrijvers zijn er volgens Zabel (1884a: 307) slechts twee de vergelijking met Turgenev waard, al beschikken ook zij over minder poëtische fijngevoeligheid en vooral minder waarheidsliefde: Tolstoj en Dostoevskij. Terwijl de hoofdwerken Vojna i mir (Oorlog en vrede) en Anna Kare­nina van de eerstgenoemde in Duitsland totaal onbekend zijn, begint de naam van de laatstgenoemde sinds de publicatie van Raskolnikow steeds meer te circuleren.

De toon waarop Zabel (1884a: 307-8) Dostoevskij introduceert is uitermate bitter: niet alleen was hij ondanks zijn langdurige verblijven in Duitsland totaal onbekwaam om het Duitse geestesleven te verstaan, ook spreekt uit zijn talrijke brieven een onverdraaglijke haat tegenover ‘Alles, was westliche Cultur heißt’. Zijn kleinzieligheid demonstreerde hij door in februari 1871 de Duitsers een dood volk te noemen en met zijn oordelen over Belinskij en zijn rivaal Turgenev, die wat Zabel betreft superieur aan hem is. Toch mag de Duitse lezer zich hierdoor niet laten weerhouden om in Dostoevskij een van de meest belangwekkende schrij­vers van Rusland te zien. Omdat deze bewering in het licht van zijn mis­prijzende introductie enigszins problematisch is, geeft Zabel ter ondersteuning ter­stond een machtsargument: van Siberische banneling is Dostoevskij uitgegroeid tot de lieveling van zijn natie, wat ook bij zijn begrafenis bleek. Zijn voornaamste verdienste ligt besloten in zijn verbeeldingskracht en beschrijvingsgave, die hem in staat gesteld hebben Prestuplenie i nakazanie te schrijven.

In het hierop volgende summiere overzicht van Dostoevskijs levensloop, wijst Zabel (1884a: 308) op een reeks westerse schrijvers die de jonge auteur beïnvloed hebben. Hier en elders in zijn artikel blijkt overduidelijk de invloed van Von Rein­holdt (1882). Van Dostoevskijs pre-Siberische periode wordt slechts één titel bij naam genoemd: Bednye ljudi. Hiermee is echter niet gezegd dat Zabel voor de ande­re werken uit deze periode geen bewondering toont. Wel integendeel, hij heeft het over ‘eine Anzahl anderer Novellen, die gleichfalls von großem Talente zeugten’.[32]

Waar Henckel (1882) Dostoevskijs Petraševskij-lidmaatschap afschilderde als een staatsgevaarlijke activiteit, wordt deze door Zabel tot zijn ware proporties her­leid: het doel van deze kring bestond er enkel in om socialistische kwesties te be­discussiëren. Het is dan ook met een zweem van verontwaardiging dat de jour­na­list de zware straf meedeelt waartoe de Russische schrijver veroordeeld werd. Zijn Siberische ballingschap heeft echter ook een positieve dimensie: deze ‘furcht­bare Leidensschule’ opende namelijk voor eens en altijd zijn ogen voor de mens die in de gevangenen school. Deze betreurenswaardige mens was niet enkel het slacht­offer van zijn eigen destructieve hartstocht, maar ook van maatschap­pelijk on­recht. Dostoevskij aanschouwde met eigen ogen de wreedaardigheid van het Rus­sische rechtssysteem. Volgens Zabel (1884a: 308) vulden deze ervaringen de ziel van de schrijver ‘mit unendlichem Mitgefühl für die Unterdrückten und dämo­ni­schem Haß den Unterdrückern gegenüber’.[33] Het zij hier opgemerkt dat het tweede deel van deze bewering in flagrante tegenspraak is met de goed gedocu­men­teerde biografie van Frank (1990), waaruit blijkt dat Dostoevskij door zijn buiten­propor­tio­nele vervolging tot knecht gemaakt werd van het tsarisme.

Dostoevskijs post-Siberische periode behandelt Zabel min of meer chrono­logisch, evenwel met zeer ongelijk verdeelde aandacht. Erg vreemd is zijn op­mer­king dat de auteur de indrukken van zijn ballingschap eerst trachtte te ver­werken ‘mit einer Anzahl Novellen’ over ambtenaren die door hun meerdere behandeld worden als slaven en hem daarom als despoot beschouwen. Volgens Zabel (1884a: 308) bevatten deze romans ‘eine Galerie halb rührender, halb komischer Gestalten’. Uit een volgend, analoog artikel van Zabel (1884b) blijkt dat hij hier doelt op Malen’kij geroj, Djadjuškin son en Selo Stepančikovo i ego obitateli.

Veel enthousiaster is Zabel over Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie, waarin Dostoevskij zich openbaart als rijp kunstenaar. In de eerst­genoemde roman, waarin hij het leven schetst van Siberische gevangenen met nobele trekken, tracht hij door bemiddeling van medelijden en dichterlijke waar­neming de band te herstellen met de mensengemeenschap. De wortels van Dosto­evskijs talent liggen precies in dit medeleven met de paria’s van de maatschappij. Dit heeft hem ook in staat gesteld om zijn voortreffelijk hoofdwerk Prestuplenie i nakazanie te schrijven.

De lof van Zabel voor het werk dat onder de titel Raskolnikow in de Duitse literatuur ingevoerd was, betreft eerder de inhoud of het waarheidsgehalte, dan de vorm of de schoonheid. Het is dan ook vooral de plot en zijn diepere betekenis die in zijn bespreking van dit werk, die bijna de helft van het artikel in beslag neemt, aan bod komen. Het referentiepunt is opnieuw Turgenev: zoals hij met de theo­reticus Bazarov uit Otcy i deti (Vaders en zonen) inzicht geeft in het nihilisme en met de practicus Neždanov uit Nov’ (Nieuwe gronden) in het socialisme, werpt Dostoevskij met Raskol’nikov een licht op de nieuwste terroristische beweging in Rusland. Zabel (1884a: 308) wijst op de veelheid aan factoren die dit personage tot moord dreven, maar hecht het meeste belang aan zijn ‘verwerfliche Casuistik’. Ter ondersteuning van zijn interpretatie dat de roman over de grondslag van terrorisme handelt, citeert hij het personage Porfirij, die meent dat Raskol’nikovs theorie kan leiden tot een honderd miljoen maal afschuwelijkere daad. Zabel ziet hierin een geniaal instinctief voorvoelen van de aanslag op Alexander II.

Grote bewondering heeft Zabel voor het meesterschap waarmee Dostoevskij observeert en vertelt hoe Raskol’nikov eerst geobsedeerd raakt door de moordidee en daarna verteerd raakt door gevoelens die hem tot bekentenissen dwingen. Hoe­wel hij dit niet met zo veel woorden zegt, is het hoofdzakelijk de psychologische dimensie die hem onder de indruk brengt. Interessant is Zabels analyse dat de personages Sonja en Svidrigajlov respectievelijk door gelijkenis en contrast, het karakter van het hoofdpersonage verduidelijken. De scène waarin ‘das gefallene Weib’ Sonja en de moordenaar Raskol’nikov samen het verhaal over de op­wek­king van Lazarus uit het Nieuwe Testament lezen, noemt Zabel (1884a: 309), die kennelijk geen probleem ziet in de nevenschikking van prostitutie en moord, ‘eine geniale Erfindung’. Ook de andere personages, waarvan hij Marmeladov, Lužin, Dunja, Razumichin en Porfirij noemt, zijn levensecht.

Zo positief als Zabel (1884a: 309) zich uitspreekt over het thema, de observa­ties, de vertelkunst en de personages van Prestuplenie i nakazanie, zo negatief is hij over de macrostructurele compositie. Bijzondere aanstoot neemt hij aan de veel­vuldige uitweidingen, flashbacks en flashforwards: ‘Der Verfasser eilt bald voraus und muß dann den zu weit gesponnenen Faden abschneiden, bald bleibt er zurück und muß dann das Versäumte später nachholen.’ Zijn eind­oordeel is niettemin positief: deze originele en levenskrachtige roman is niet alleen een zeer betekenis­volle bijdrage tot de moderne literatuur, maar ook een onont­beerlijk hulpmiddel om inzicht te krijgen in de Russische geest.

Over Dostoevskijs laatste vier grote romans, die vandaag samen met Prestuple­nie i nakazanie gelden als zijn hoofdwerken, is Zabel (1884a: 309) even kort van stof als vernietigend: waar Idiot en Besy lijden aan allerhande ‘Verzerrungen und Uebertreibungen’, gaan Podrostok en Brat’ja Karamazovy gebukt onder mystieke religiositeit. Het kernprobleem van de Russische auteur is zijn panslavistische voor­ingenomenheid, die hem niet enkel onbillijk stemde tegenover alles wat vreemd was, maar ook artistiek verzwakte.

De opinie die Zabel over Dostoevskij verkondigde was niet radicaal nieuw, maar werd wel werd beter gehoord. De bovenstaande analyse illustreert dat Dos­toevskijs Duitse roem aanvankelijk opgebouwd werd rond één werk, Prestuplenie i nakazanie, en dat hiervan in hoofdzaak de uitbeelding van sociale problematiek en psychologische kracht gewaardeerd werden. Waar Henckel (1882b) en Rollard (1882) de humanistische waarde van de gevierde Rus bena­druk­ten, maakte Zabel in zijn eerste Dostoevskij-artikel meer bezwaren tegen zijn etnocentrisme. Daar­naast had hij ook meer oog voor Dostoevskijs strikt literaire verdiensten, die diens etnocentrisme ruimschoots compenseerden – al wees ook hij op een aantal letter­kundige tekortkomingen.

 

zabel in unzere zeit

Door het exponentieel groeiende succes van Raskolnikow werd de interesse van Duitse lezers en uitgevers gewekt voor andere werken van Dostoevskij. Ook de publicatie in Parijs van Les humiliés et offensés, de eerste Franse Dostoevskij-vertaling, droeg hiertoe een steentje bij. In 1884 plaatste Die Gegenwart, waarin zes weken eerder Zabels artikel was verschenen, een vertaald fragment van Chozjajka onder de titel Die Wirthin.[34] Belangrijker is dat in Leipzig bij Friedrich Wilhelm Grunow een anonieme vertaling van Brat’ja Karamazovy in vier delen persklaar gemaakt werd. In de Duitse kritiek mocht dit werk dan wel lofprijzingen mislopen, Von Reinholdt (1882) uitgezonderd, in Rusland overtrof zijn aanzien dat van Prestuplenie i nakazanie. Tegelijkertijd nam in de loop van 1884 ook de vraag naar achtergrondinformatie toe. Zabel (1884b) kroop opnieuw in de pen en herwerkte zijn eerste Dostoevskij-artikel tot een 15-pagina’s tellend essay, dat geplaatst werd in het invloedrijke maandblad Unsere Zeit van F.A. Brockhaus te Leip­zig. In dezelfde reeks ‘Porträts aus dem russischen Literaturleben’ had hij eer­der al Gogol’ en zijn lieveling Turgenev behandeld.[35]

Zabels tweede artikel over Dostoevskij volgt grotendeels de structuur van zijn eerder gepubliceerd artikel, en bevat zelfs tal van zinnen die hieruit letterlijk zijn overgenomen. De ingevoegde stukken zijn vooral bedoeld als illustratie, duiding en nuancering van uitspraken die reeds aanwezig waren in het eerste artikel. Hier­voor steunt Zabel, behalve op zijn eigen Dostoevskij-lectuur, hoofdzakelijk op drie bronnen: de eerder besproken artikelen van Von Reinholdt (1882) en Henckel (1882b), en de in 1883 verschenen Russische biografie van Orest Miller en Niko­laj Strachov, die de Russische schrijver persoonlijk gekend hadden. Uit dit laatste werk haalt Zabel (1884b: 333) allerhande nieuwe biografische feiten, zoals dat Dos­toevskij voor zijn verbanning ter dood veroordeeld werd. Dit belet hem echter niet om de biografie ‘eine kritiklose naive Bewunderung’ ten laste te leggen.

Behalve de levensloop van de schrijver behandelt Zabel ook het oeuvre van Dos­toevskij vollediger. Een groot aantal nieuwe titels wordt op de lezer losgelaten. Van de pre-Siberische werken worden nu ook Dvojnik, Gospodin Procharčin, Cho­zjajka, Slaboe serdce en Netočka Nezvanova eervol vermeld. Van de post-Siberische werken noemt Zabel nu voor het eerst Djadjuškin son, Selo Stepančikovo i ego obita­teli, Malen’kij geroj en Unižennye i oskorblënnye bij naam, hoewel hij op de eerste vier van deze novellen in zijn vorig artikel al gealludeerd had.

Van de opgesomde werken gaat Zabel (1884b: 336) enkel in op het laatst­genoemde, dat in zijn voorgaand artikel niet eens vermeld werd. Wellicht toont hij nu interesse voor Unižennye i oskorblënnye omdat hiervan zonet een Franse vertaling verschenen was, wat hij ook vermeldt in een voetnoot. Zijn oor­deel is echter vernietigend: hij vindt dat deze roman het best bestempeld kan worden als recyclage van vroegere personages. Daarnaast zijn de waarnemingen niet juist en de dialogen niet natuurlijk genoeg. De intrige wordt ondermijnd door het on­interessant zwakke personage Alëša. De enige voorbode die de Duitse criticus in dit werk van Dostoevskijs rijpe meesterschap ziet, is het nevenpersonage Nelli. Zij weegt echter niet op tegen ‘der unendlich ausgesponnene Dialog’, die ‘eine Menge todter Stellen enthält und die feinere Seelenmalerei aufhebt’.

Het oordeel van Zabel over Unižennye i oskorblënnye vertoont bijzonder ver­wantschap met de door hem geraadpleegde kritiek van Von Reindholdt (1882: 261), die erop gewezen had dat Nelli doet denken aan Katja uit Netočka Nezva­nova en dat vorst Valkovskij en Nataša reproducties lijken van Bykov en Varinka uit Bednye ljudi. Bij de bespreking van Zapiski iz mërtvogo doma wordt de invloed van Von Reinholdt ook expliciet vermeld: aan hem ontleent Zabel een citaat van Lev Tolstoj, waarin dit boek het beste van de moderne literatuur genoemd wordt.

Zoals eerder gezegd, volgt Zabels tweede artikel de lijn van zijn eerste artikel. Toch is er sprake van een subtiele koerswijziging. Zo worden hier en daar kleine, maar belangrijke correcties aangebracht. Bijvoorbeeld wordt nu gewezen op de invloed die Gogol’ heeft uitgeoefend op Dostoevskij. Belangrijker is dat de scherpe kritiek die Dostoevskij als schrijver en persoon ten laste werd gelegd is afgezwakt. De bittere toon waarop Zabel (1884b: 332) Dostoevskijs naam in de inleiding van zijn eerste artikel had uitgesproken is in zijn tweede artikel omgeslagen in euforie: in plaats van kleinzieligheid of etnocentrisme, worden nu terstond voortreffelijke kwaliteiten naar voren geschoven, zoals vermetelheid, observatietalent, oorspron­ke­lijkheid, verbeeldingskracht en barmhartigheid. Het is ditmaal pas in tweede instantie dat Zabel wijst op letterkundige en persoonlijke tekortkomingen, zoals zijn onbeheerste pen en star nationalisme. Bovendien worden deze nu verklaard én verontschuldigd door de epilepsie, die Dostoevskij – zoals Zabel (1884b: 333) hier ten onrechte Von Reinholdt (1882: 259) napraat – overgehouden zou heb­ben aan zijn Siberische dwangarbeid.

De bijsturing van de koers is vooral opvallend bij de behandeling van Pre­stu­plenie i nakazanie en Brat’ja Karamazovy. Aan de eerste roman worden ruim zes pagina’s gewijd, waain Zabel de lezer meer gedetailleerd inlicht over de per­sonages en de fictionele gebeurtenissen, en hem deelgenoot maakt van een span­nende lees­ervaring.[36] Nadat hij Raskol’nikov heeft voorgesteld, in wie hij nu iets typisch ziet voor de Russische jeugd, beschrijft hij stap voor stap hoe dit personage eerst tot moord en daarna tot zelfaangifte komt. Deze bezielde samenvatting lardeert Zabel (1884b: 340) met citaten uit Raskolnikow en lovende woorden, zoals ‘Man kann die betreffenden Seiten nicht lesen, ohne zu fühlen, wie einem der Athem wieder­holt stockt’. De scherpe kritiek met betrekking tot de gebrek­kige compositie van Pre­stuplenie i nakazanie is verwijderd. Slechts op het einde van het artikel wordt, nogal algemeen, gesteld dat Dostoevskij niet beschikt over de helderheid, elegantie en rust van Turgenev. Zijn onrust wordt terstond ver­ontschuldigd door zijn ziek­te, waaraan hij bovendien de kracht van zijn fantasie dankt. Pas in laatste instantie wordt gewezen op een kwalijke implicatie van deze onrust: zijn teksten zijn niet gepolijst.

Ook met betrekking tot Brat’ja Karamazovy is het oordeel van Zabel milder geworden, wat overigens niet opgaat voor Idiot, Besy en Podrostok.[37] Hoewel hij Dostoevskijs laatste roman nog steeds aanzienlijk inferieur acht aan Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie, spant hij zich nu in om er enigszins over uit te weiden en er ook iets positiefs over te zeggen. Nu luidt het dat de kracht van de schrijver zich in deze roman nog eenmaal opricht, maar eerder in religieuze en zedelijke dan in esthetische zin. In het kader van een familie­geschie­denis zet Dos­toevskij zijn ethische wereldbeschouwing uiteen. De kern­boodschap van deze roman is volgens Zabel – zeer eigenaardig – dat de mens zijn zedelijke waarde aan zijn arbeid ontleent. Tot slot oordeelt de Duitse criticus dat de inhoud van het boek sterk subjectief gekleurd is, wat voortkomt uit het machti­ge idealisme. In die mate dat het lijkt alsof Dostoevskij zijn personages gebruikt als masker waardoor hij zich tot de lezer richt.

Zabel is voor zijn analyse van Brat’ja Karamazovy onmiskenbaar schatplichtig aan Von Reinholdt (1882). Hij deelt zijn enthousiasme niet, maar wel stukken van zijn analyse. Dit geldt met name voor de opmerkingen dat Dostoevskijs kracht in zijn laatste werk opnieuw oplichtte, dat de mens de zedelijke noodzaak heeft om te werken en dat de personages in dienst staan van de auteur. Dat Zabel zich voor zijn interpretatie liet beïnvloeden door Von Reinholdt, kan wijzen op een gebrekkige kennis van de roman in kwestie. Nergens geeft hij door een inhoude­lijke of originele opmerking blijk dat hij deze roman daadwerkelijk gelezen en per­soonlijk verwerkt heeft. Ook is het mogelijk dat Zabel (1884b: 345) in zijn wel­wil­lendheid jegens de uitgeverswereld zich niet al te negatief wilde uitlaten over Brat’ja Karamazovy, omdat hiervan op dat moment, zoals hijzelf meedeelt, bij Grunow in Leizpig een Duitse uitgave ter perse werd gezet. Dat hij alleszins in con­tact stond met deze uitgever, blijkt uit het feit dat hij de vertaling ‘lesbar’ noemt, nog voor deze was verschenen.

zabels literarische streifzüge durch rußland

Zabel besefte dat er in de Duitse cultuur een grote lacune aan kennis over de eigen­tijdse Russische letteren bestond en dat de tijd rijp was om deze op te vullen – een missie die hij zichzelf oplegde. Gezien de bemoedigende respons van het Duit­se leespubliek, spaarde hij zich geen moeite om zich in te werken in tal van Rus­sische auteurs, waarvan hij meende dat ze konden bijdragen aan een beter be­grip van de Russische maatschappij. Behalve met Turgenev, naar wie zijn per­soon­lijke voorkeur uitging en in wie hij gespecialiseerd was, en Dostoevskij, maakte hij zich vertrouwd met min of meer eigentijdse schrijvers als Gogol’, Tolstoj, čer­ny­ševskij, Gončarov, Nekrasov en Sollogub. Zijn essays over deze Rus­sen werden in 1885 gebundeld en in Berlijn uitgegeven onder de titel Literarische Streifzüge durch Rußland.

In de inleiding van deze gefragmenteerde literatuurgeschiedenis verbaast Zabel (1885) zich erover dat de kennis van de Duitsers over de Russische literatuur, Turgenev uitgezonderd, in Duitsland nog steeds gebrekkig is, hoewel het Slavische Oosten voor hen van groot politiek, commercieel en maatschappelijk belang is. Hieruit blijkt dat de populariteit van Dostoevskij in 1885 nog beperkt was. Met zijn verwijzing naar het maatschappelijk belang doelt de literatuurhistoricus op de door het nihilisme voortgebrachte sociale bewegingen, die in gans Europa onrust zaaien. Dat de drijfveer achter zijn onderzoek vooral documentair van aard is, blijkt uit zijn verzekering dat de kennis van de literatuur onontbeerlijk is voor de beoordeling van het overeenkomstige land. Dit geldt bij uitstek voor Rusland, waar de literatuur in zeer nauw contact staat met de maatschappelijke ontwikke­lingen. Hiermee verklaart Zabel (1885: 4) – bij wijze van waarschuwing, zo lijkt het – dat de Russische personages eerder nationaal dan universeel zijn en dat de Russische literatuur geen harmonisch schouwspel brengt, maar wel ‘reich ist an Verschleuderungen des Talents […] und an Katastrophen aller Art’.

Het hoofdstuk dat Zabel (1885: 59-108) in dit boek aan Dostoevskij wijdt, is recyclage van de tweede graad: het is een uitgebreide versie van zijn in Unsere Zeit gepubliceerd artikel. De aangebrachte veranderingen beperken zich tot vier stukken nieuwe tekst die ingeschoven werden. Met deze toevoegingen wilde de criticus enerzijds een aantal personages van het Dostoevskijs zogenaamde vroege oeuvre, van Unižennye i oskorblënnye en van Zapiski iz mërtvogo doma duidelijker schetsen en anderzijds Brat’ja Karamazovy grondiger bespreken.

In de eerste toevoeging van Zabel (1885: 71-3) worden in een notendop de hoofdpersonages besproken van Bednye ljudi, Dvojnik, Slaboe serdce, Gospodin Procharčin, Selo Stepančikovo i ego obitateli, Djaduškin son en Igrok. Voor de Duitse criticus zijn het bijna allemaal moreel verwilderde types, maar hij wijst wel op hun ontroerende kracht. Twee zaken vallen in dit stuk op. Ten eerste wordt Dostoevskij meer dan tevoren in zijn eigen, Russische context besproken: Zabel refereert aan de opinie van Belinskij en wijst op de concrete invloed van Gogol’, waarmee de lezer in het vorige hoofdstuk van zijn boek uitgebreid kennis heeft gemaakt. Zo ziet hij Dvojnik als een variant op Zapiski sumasšedšego (Dagboek van een gek). Een tweede opvallend punt is de bewering dat het hoofdpersonage van Igrok bewerkstelligt dat zijn tante haar fortuin kwijtspeelt en daarom zijn erfenis misloopt. Hiermee bewijst Zabel dat hij deze roman niet of onaandachtig gelezen heeft: hij verwart namelijk het hoofdpersonage met de generaal, die een onbelang­rijke rol heeft.

            In de twee alinea’s die hij aan zijn vernietigende evaluatie van Unižennye i oskorblënnye toevoegt, gaat Zabel (1885: 74-6) dieper in op het nevenpersonage Nelli, dat hij al eerder geprezen had. Dit kindertype zou een nieuwe zijde van Dostoevskijs talent tonen, die ook tot uiting komt in Netočka Nezvanova. Zabel heeft, net als Von Reinholdt (1882), grote bewondering voor het gelijknamige hoofdpersonage van deze onvoltooide roman. Toch wordt hij nog meer vertederd door het edele personage Nelli, omdat zij ‘die Schule des Leidens noch gründlicher durchmachen muß’. Hoe ongelukkig en edel zij is, wordt geïllustreerd aan de hand van een selectie gebeurtenissen in deze roman.

Dat de invloed van Von Reinholdt (1882) op Zabel (1885: 79-80) reëel is, blijkt nogmaals uit het stuk dat is toegevoegd aan de bespreking van Zapiski iz mërtvogo doma. De laatstgenoemde noemt de studie van de eerstgenoemde voor­treffelijk, waarna hij hieruit bijna twee pagina’s citeert. Met dit citaat worden de ruwe, maar onverwacht waardige karakters van de strafkampbewoners toegelicht.

De grootste en belangwekkendste toevoeging in het Dostoevskij-hoofdstuk van Literarische Streifzüge durch Rußland staat echter in het teken van Brat’ja Karamazovy. Waar deze roman in de vorige artikelen van Zabel (1884a, 1884b) niet meer aandacht kreeg dan een gemiddeld ander werk, worden hieraan nu zes pagina’s gewijd, wat vergelijkbaar is met Zapiski iz mërtvogo doma. De reden voor deze plotse belangstelling ligt voor de hand: korte tijd daarvoor had Grunow in Leipzig Die Brüder Karamasow uitgebracht. Deze historische gebeurtenis bleef niet onopgemerkt in de Duitse letterkundige pers. Zo werd in 1885 de vierdelige, anonieme vertaling besproken in het weekblad Blätter für literarische Unter­hal­tung. De recensent, Waldmüller (1885), prijst de roman voor de mensenliefde en de realistische schilderingen, maar ziet de grootste waarde in de bijdrage over de kennis van het Russische volk. Daar tegenover staat zijn ergernis over de nervosi­teit van de personages en vooral over de langdradigheid. In lijn hiermee luidt het slot van de recensie als volgt:

Ohne Zweifel hätte es für deutsche Leser sehr erheblich gekürzt werden dür­fen und sollen. Der Uebersetzer wäre aber dabei schwerlich im Stande ge­wesen, es allen recht zu machen, und so mag jeder Leser ganze Partien getrost über­schlagen – um so weniger wird er die auf die Lektüre des Uebrigen ver­wandte Zeit bereuen. (Waldmüller 1885: 568)

Vanzelfsprekend kon Zabel, die de reputatie genoot van specialist in de Russische letteren, niet achterblijven om zich in detail uit te spreken over Dostoevskijs laat­ste roman. Dit deed hij ditmaal stellig en doorleefd, maar niet in het voordeel van de schrijver. Hij deelt de kritiek van Waldmüller (1885), maar gaat hierin nog veel verder.

De toon waarop Zabel (1885: 100) Brat’ja Karamazovy aansnijdt is zonder meer honend. De Russische critici zijn ervan overtuigd dat deze roman een van de grootste verwezenlijkingen van de Russische literatuur of zelfs van de wereld­literatuur is. Volgens de criticus is deze uitspraak gebaseerd op de misvatting dat de idee gelijk staat aan haar uitvoering. Hij meent dat het geweldige opzet van de auteur mislukt is. Cru genoeg noemt de Duitse criticus het een gelukkige zaak dat de roman onvoltooid is gebleven, wat te wijten is aan Dostoevskijs overlijden in 1881. Anders was de lectuur ‘zu keinem Genuß, sondern zu einer wahren Sträf­lingsarbeit’ verworden. In een halfslachtige poging om begrip op te brengen voor de gebreken van de roman, gaat hij op zoek naar de diepere oorzaak. Die vindt hij in het geldgebrek van de auteur: volgens Zabel (1885: 100-1) spande hij zich in om zijn materiaal over zo veel mogelijk pagina’s te verspreiden, om zijn honora­rium op te voeren.[38] Met het oog hierop maakte hij al zijn personages breed­sprake­rig. Ten gevolge daarvan is de roman een uitgesponnen dialoog geworden waarin op machinale wijze altijd hetzelfde herhaald wordt, maar dan door een paar dozijn verschillende personages – wat de gehekelde wijdlopigheid in de ogen van Zabel des te problematischer maakt.

Van de langdradigheid springt Zabel over op de meer technische dimensie van de romancompositie, die volgens hem de zwakste zijde is van Dostoevskijs talent. De schrijver heeft geen verstand van technische constructie, hoofd- en neven­verhaallijn en van een gelijkmatige verdeling van de gebeurtenissen:

Er will voraus und sieht plötzlich, daß er zu weit gegangen ist, er bleibt zurück und muß Versäumtes nachholen, er setzt mit einer Breite ein, die geradezu unmöglich ist, und jagt dann wieder über Dieses und Jenes wie rasend hinweg. (Zabel 1885: 101)

De twee aangehaalde gebreken, de langdradigheid en technisch zwakke composi­tie, maken een rustige lectuur van de roman onmogelijk. De lezer heeft veel geduld nodig om de herhalingen, overdrijvingen en onduidelijkheden te doorworstelen. De vraag dringt zich op of de sterke punten van de roman hiertegen opwegen. Zabel meent dat dit voor een Duitse lezer niet het geval is, wat hij aan een cultuur­verschil wijt. De Russische lezer is dol op de behandeling in literaire teksten van religieuze, staatkundige en maatschappelijke kwesties, omdat hierover niet vrij gesproken kan worden in de Russische pers. Voor Zabel is een chaotische pam­flet­tistisch-essayistische uitwerking van deze onderwerpen, zoals in Brat’ja Karama­zovy, kunst echter onwaardig. In die zin schat hij de roman zelfs lager in dan Uni­žennye i oskorblënnye, dat hij tot Dostoevskijs zwakste producten rekent.

Pas nadat hij de roman volledig de grond in heeft geboord, gaat Zabel enigszins in op de concretere bedoeling van de auteur, de plot en de personages. De lezer van de recensie wordt plotsklaps naar de laatste hoofdstukken van de roman ge­katapulteerd, waarin de pleidooien voor en tegen de van vadermoord beschuldigde Dmitrij gehouden worden. In deze pleidooien richt de auteur zich rechtstreeks tot zijn publiek en wordt zijn idee uiteengezet dat de Karamazovs symbool staan voor het Russische leven. Karamazov senior is een type van het verleden, Dmitrij en Ivan zijn beelden van het materiële en geestelijke heden en Alëša is de belofte van een heilvolle toekomst. Volgens Zabel beantwoorden enkele nevenfiguren aan de geestelijke richting van ieder van deze vertegenwoordigers. Smerdjakov deelt de dierlijke natuur van Karamazov senior, Grušen’ka staat aan de zijde van de pas­sionele Dmitrij, het karakter van Aleksej wordt geduid door Zosima en Kolja Kra­sotkin, maar ook door de atheïst Rakitin en door de Grootinquisiteur. Met de be­wering dat het karakter van Aleksej geduid wordt door de Grootinquisiteur ver­raadt Zabel (1885: 104) opnieuw dat hij door de analyse van Von Reinholdt (1882) geïnspireerd is. Toch heeft zijn interpretatie ook geheel nieuwe toetsen: zo ziet hij in de ijverige en snuggere staatsambtenaar Perchotkin, die bij Von Rein­holdt (1882) niet ter sprake komt, een vooruitblik op de positieve toekomst van Rusland. Fundamenteler is dat Zabel het enthousiasme van zijn Duits-Russische voorganger over de diepgang van dit werk niet in het minst deelt. Hij vindt de grondidee niet helder uitgewerkt en neemt aanstoot aan de vermoeiende plei­dooien en getuigenverhoren in de rechtbank.

Met zijn slotbeschouwing belandt Zabel (1885: 105) opnieuw aan bij het beginpunt van zijn bespreking van Brat’ja Karamazovy, maar nu is zijn oordeel beter onderbouwd en, misschien net daarom, ook scherper: de Russische critici – mogelijk rekende hij hier ook Von Reinholdt (1882) toe – mogen nog zo veel fantaseren over de wereldomvattende betekenis van deze roman, het is en blijft ‘ein wirres Durcheinander, in dem weder der Reiz der Fabel noch die Charak­te­ristik der Figuren einen Eindruck machen können und die schwammige auf­gebauschte Art des Erzählers bei dem Leser geradezu einen physischen Schmerz erzeugt’.

necker: enthousiasme over die brüder karamasow

Zabel speelde onder de niet naturalitischgezinde Duitse critici een prominente rol in de bekendmaking van Dostoevskij bij het grote Duitse publiek. Daarmee is echter niet gezegd dat iedereen het eens was met zijn oordeel over de Russische schrijver, waarvan nu twee grote romans in Duitse vertaling beschikbaar waren. Dit bewijst de recensie van Die Brüder Karamasow die het invloedrijke nationaal-liberale weekblad Die Grenzboten plaatste. Opmerkelijk genoeg huldigt de journa­list en literatuurhistoricus dr. Moritz Necker (1885) hierin een eindoordeel over Dostoevskijs laatste roman dat diametraal tegenovergesteld is aan dat van Zabel.

Necker (1885: 342) stelt vast dat de naam van Dostoevskij zich ‘in ungewöhn­lich kurzer Zeit’ over Duitsland verspreid heeft, waarna hij hem in detail met Turgenev vergelijkt. Hij ziet opmerkelijke verschillen. Zo schrijft Dostoevskij in tegenstelling tot de kosmopolitische Turgenev enkel voor zijn eigen volk. Ten tweede is hij niet melancholisch en fatalistisch, maar wel idealistisch: hij gelooft in het menselijke goede. Deze zedelijke eigenschap verheft hem als dichter en als mens boven zijn landgenoot, al moet hij wel het onderspit delven voor wat betreft de vorm van zijn proza: terwijl Turgenev zich meester heeft gemaakt van de Franse romanstijl, is Dostoevskij voor zijn lezers soms vermoeiend. De zedelijke kwaliteiten van Dostoevskij illustreert Necker met een bespreking van een aantal passages uit Brat’ja Karamazovy, waarbij hij lang stilstaat bij de legende van de Grootinquisiteur.

De eigenlijke handeling, die aan Zola’s Les Rougon-Macquart doet denken, wordt minder uitvoerig besproken. De algemene inhoud is van groot cultuur­historisch belang, omdat men, aldus Necker (1885: 351), mag aannemen dat de meeste Russische intellectuelen overeenkomstig Dostoevskijs bekentenissen in dit boek denken. Daarnaast heeft de roman nog andere verdiensten, zoals de niet af­latende plastische kracht – die gezien de grootschaligheid van de behandelde onderwerpen des te meer respect afdwingt voor Dostoevskijs compositiekunst. De recensent prijst ook de spannende nevenverhaallijnen en de rijkdom aan interessan­te personages. De vertelstijl vindt hij opmerkelijk. Heel anders dan bij Zabel (1885) heet het bij Necker (1885: 353) dat de dialogische vormen de charme van de ontwikkeling der personages ten goede komen. In lijn met al deze positieve punten luidt het eindoordeel:

So weiß er neben der Fülle von Ideen, die er ausstreut, auch für das reine Unter­haltungsbedürfnis seiner Leser zu sorgen, und es dürfte kaum Einen geben, der, einmal in der Lektüre des Romans begriffen, ihn aus den Händen legt, ohne bis zur letzten Seite zu lesen. (Necker 1885: 353)

De vergelijking van de recensies van enerzijds Waldmüller (1885) en Zabel (1885) en anderzijds Necker (1885) maakt duidelijk dat de laatste roman van Dostoevskij de gemoederen deed oplaaien in twee tegenovergestelde richtingen. De dominante toon was echter dat de literaire vorm veel te wensen overliet. Dostoevskijs laatste roman bleef in de schaduw van Prestuplenie i nakazanie staan.

 

ruggensteun uit parijs

In het midden van de jaren 1880 vond een reeks gebeurtenissen plaats die de op­mars van Dostoevskij naar het centrum van de Duitse literatuur bevorderden: in 1884 bracht uitgeverij Plon-Nourrit na Les humiliés et offensés ook de vertaling Le crime et le châtiment uit, wat voor De Vogüé (1885) de aanleiding vormde om Dostoevskij uitgebreid te behandelen in het veelgelezen maandblad Revue des deux mondes. Het is aan dit artikel, dat een jaar later als hoofdstuk terechtkwam in de bestseller Le roman russe, dat de Russische schrijver zijn eerste grote bekendheid bij het grote Franse leespubliek te danken heeft. Daarnaast werd De Vogüé (1885, 1886) ook op grote schaal gelezen buiten Frankrijk. Volgens Hoefert (1974: xvii) was Le roman russe een van de hoofdbronnen op basis waarvan de naturalisten en hun meelopers zich oriënteerden in de Russische literatuur. Volgens Kampmann (1931: 24) was de invloed van De Vogüé op de Duitse naturalisten zelfs van die aard, dat ‘die Naturalisten selbst […] ihn für einen der Ihren halten’. Bovendien vormde het simpele feit dat Dostoevskij nu in Parijs gelezen en besproken werd, ongeacht de aard van de appreciatie, voor de Duitse critici, uitgevers en lezers een sterke aanmoediging om zich in hem te verdiepen. Wat bellettrie betrof was en bleef Parijs een belangrijke maatstaf voor de Duitsers, wat onder andere tot uiting kwam in de eerder aangehaalde vergelijkingen van Dostoevskij met Franse schrijvers als Hugo en Zola.

De Vogüés Le roman russe overschaduwde ook in Duitsland de werken over Russische literatuur van Zabel. Toch werd diens positie als eminente Dostoevskij-kenner door de gewichtige kritiek van De Vogüé niet van tafel geveegd. Hoewel de evaluatie van Zabel veel grover en elementairder is dan die van De Vogüé, is hun oordeel immers bijzonder gelijklopend, zoals Ėjchenbaum (1913: 124-5) na ver­gelijking concludeert. Beiden vinden Bednye ljudi, Zapiski iz mërtvogo doma en Pre­stuplenie i nakazanie Dostoevskijs beste werken. Ze zijn het met elkaar eens dat na de laatstgenoemde roman, waarvan ze het psychologische realisme roemen, de kwaliteit van zijn oeuvre sterk bergaf gaat. Ook wijzen beiden op ernstige literaire gebreken en geven ze de voorkeur aan Turgenev.


5 Von Reinholdt als Duits criticus (1885-86)

 

 von reinholdt in das magazin für die literatur des in- und auslandes

In Literarische Streifzüge durch Rußland had de invloedrijke criticus Zabel (1885) zijn Russische collega Von Reinholdt met veel respect bejegend en zijn naam be­kend gemaakt bij het Duitse publiek. Het is dan ook niet verbazend dat de Duitse Rus, die in Petersburg verbleef, in hetzelfde jaar een forum kreeg van Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes om zijn visie te geven op Dostoevskij en de Russen die in zijn nasleep in Duitsland geïntroduceerd werden. Ditmaal hoefde hij niet meer te opereren vanuit de marge van Riga, want het tijdschrift verscheen zowel in Leipzig als Berlijn. Het artikel in kwestie, ‘Kritische Phantasien über rus­sische Belletristen’, werpt een eigenzinnig licht op Gogol’, Turgenev, Gon­čarov, Dostoevskij en Tolstoj.

Opmerkelijk is dat Von Reinholdt (1885: 498) al in de inleiding van dit stuk bewondering uitspreekt voor de ‘talentvolle Kritiker, Novellist und Kenner rus­sischen Geisteslebens’ De Vogüé, terwijl hij bij de evaluatie van Turgenev brand­hout maakt van de Duitse critici in het algemeen en van Zabel in het bijzonder. Aangezien Turgenev met zijn harmonische natuur- en mensen­schilderingen in­zichtelijk is voor ieder gezinslid, man of vrouw, jong of oud, is het begrijpelijk dat ook de Duitse critici zich verblijden dat ze hem kunnen vertalen, verstaan en recen­seren. Von Reinholdt (1885: 502) vindt hun cultus van Turgenev echter be­lachelijk excessief.

De criticus richt zijn pijlen vooral op Zabel, die hij ervan beschuldigt op Tur­ge­nev blind verliefd te zijn. Wat hem zeer irriteert, is dat ‘alle Zabelschen Kriti­kern’, waartoe hij onder anderen Julian Schmidt en Ludwig Pietsch rekent, wei­geren om andere Russische schrijvers dan Turgenev ten gronde te behandelen. Zabel, die systematisch ironisch ‘Herr’ wordt genoemd, ‘ist so wenig selbständig in seinem Urteil über andere russische Autoren, dass er, die Unschuld und Un­erfah­ren­heit des deutschen Lesers benutzend, seinen geliebten Turgenjew sogar um des­sen Meinungen bestiehlt und sie getrost für seine eigenen ausgiebt’.

Zabel had zijn laatste publicatie doorspekt met respectvolle referenties aan Von Reinholdt, maar werd hiervoor niet beloond met een wederdienst: de litera­tuur­kenner die hijzelf had geprezen, stelt voor het oog van de Duitse publieke opinie zijn competentie in vraag. Het lijdt geen twijfel dat Zabel door de uit­spraken van Von Reinholdt moest inboeten aan gezag. Dat was wellicht ook de bedoeling. Von Reinholdt was op dat moment namelijk aan het werken aan een Russische literatuurgeschiedenis en was dus een rechtstreeks concurrent van Zabel – wat het venijn kan verklaren.

Het valt op dat Von Reinholdt (1885: 512) in zijn artikel bij de behandeling van Dostoevskij een expliciete poging onderneemt om hem, vooral dan als schrij­ver van Prestuplenie i nakazanie, te associëren met het kraam van de naturalisten – evenwel zonder hem erin te plaatsen:

Der Verfasser von Verbrechen und Strafe ist in den Mitteln seiner Darstel­lungs­kraft bis an die Grenze des Realismus gelangt, wir könnten ihn geradezu den einzigen russischen Naturalisten nennen, dessen Schilderungen wirklich experimentalen, wissenschaftlichen Wert haben. Aber wir beanstanden, jenen Ausdruck zu gebrauchen, um nicht missverstanden zu werden und Anlass zu einer Parallele mit Zola zu geben.

In haar analyse van de kritiek van Zabel en Von Reinholdt, komt Moe (1981: 113), evenwel zonder voorafgaande solide vergelijking, tot de conclusie dat anders dan de eerstgenoemde, die vooral Dostoevskijs idealisme prijst, de laatstgenoemde in hem een moderne ‘Stürmer und Dränger’ en een Russische naturalist ziet. Deze tegenstelling is scherper voorgesteld dan ze in feite is en behoeft twee opmerkin­gen. Ten eerste maakt Von Reinholdt (1885) zelf bezwaar tegen het be­stempelen van Dostoevskij als naturalist. Dat hij de schrijver niettemin met het naturalisme associeert, kan verklaard worden door zijn besef van het feit dat de Duitse receptie van Dostoevskij in het algemeen en van Prestuplenie i nakazanie in het bijzonder gedragen werd door deze stroming – wat de vergelijking, althans in een Duits tijd­schrift, relevant maakt. Ten tweede is Moe’s tegenstelling voor dis­cussie vat­baar, omdat Von Reinholdt zelf grote aandacht besteedt aan het idealis­me van Dosto­evskij en er, althans in zijn artikel van 1882, zelfs meer bewondering dan Zabel voor toont. Zijn eerder besproken term ‘Mysticismus’ verwijst duidelijk naar het gegeven dat Dostoevskij in Brat’ja Karamazovy ‘in de eerste plaats een wereld­beschouwing […] wil brengen en dat hij hieraan het gehele werk onder­geschikt maakt’, wat volgens Lexicon van literaire termen van Van Gorp et al. (1998: 212) de essentie van ideeënliteratuur is. Ter verdediging van Moe (1981) moet echter opgemerkt worden dat de idealistische dimensie van Dostoevskijs oeuvre minder aan bod komt in Von Reinholdts publicaties van na 1882. Dit heeft te maken met een belangrijke verandering in zijn visie op Dosto­evskijs individuele eigenaardig­heid en religieus-nationalistische doctrine. Zoals Von Reinholdt (1885: 512) zelf aangeeft, is deze verandering ‘zwar nicht zu Gunsten des Dichters’. Zijn visie op Dostoevskij als realistische patholoog en psychiater blijft echter onveranderd; hoe­wel hij nog steeds vindt dat ‘Dostojewskijs Realismus […] auf unsere Nerven wirkt, wie der schrille Pfiff einer Lokomotive’ – een metafoor die hij in 1882 al had gebruikt –, plaatst hij hem precies om zijn realisme, dat een zedelijke dimensie heeft, hoger dan Turgenev.

von reinholdts geschichte der russischer literatur

Hoewel Von Reinholdt (1886: viii) zichzelf beschouwde als een zoon van Rus­land, werd zijn stem steeds belangrijker in het Duitse literaire debat. Omdat de Russische schone letteren nu bewonderd werden door ‘Julian Schmidt, Georg Brandes, De-Vogüé, De-Gubernatis und unzählige andere Koryphäen euro­päischer Kritik’, achtte hij het klimaat geschikt om een eerste uitvoerige geschiede­nis van de Russische literatuur op de markt te brengen. Zijn Geschichte der russi­scher Literatur, een verzameling van tussen 1884 en 1886 gepubliceerde afleverin­gen, verscheen in de reeks Geschichte der Weltliteratur te Leipzig. De uitgever was niet toevallig Wilhelm Friedrich, die met Raskolnikow aan de wieg had gestaan van de plots opgekomen Duitse belangstelling voor Russische literatuur.

De ongeveer zes pagina’s die Von Reinholdt (1886: 693-7) aan Dostoevskij wijdt zijn ondergebracht in een hoofdstukonderdeel dat in het teken staat van ‘Tendenz- (soziale) Romane’. De implicatie hiervan is dat de auteur meer dan tevoren vanuit een sociaal perspectief besproken wordt, tussen Pisemskij en Gri­gorovič. De toon is ook enigszins nuchterder dan vroeger het geval was. Dit is te verklaren door de specificiteit van het literatuurhistorische genre, maar ook door een veranderde appreciatie van Dostoevskijs doctrine. Deze verandering is mis­schien wel tot stand gekomen onder invloed van de door Von Reinholdt zelf aan­gehaalde artikelen van Brandes en De Vogüé. In dit verband zij opgemerkt dat hij de lezer ook doorverwijst naar Zabel. Hij mocht hem dan wel verketterd heb­ben, hem niet vermelden zou historisch incorrect zijn. In zijn literatuur­geschiede­nis geeft Von Reinholdt een persoonlijke evaluatie van een select aantal afzonder­lijke werken. Deze ligt grotendeels in de lijn met zijn artikelen van 1882 en 1885, maar vertoont ook subtiele verschillen.

Unižennye i oskorblënnye is een zwak, sentimenteel werk, dat geen spoortje be­vat van socialisme, maar wel doordrongen is van filantropie. Bijzondere appre­cia­tie heeft Von Reinholdt (1886: 692-3) nog altijd voor Zapiski iz mërtvogo doma, waarvan het realisme nu het epitheton ‘sociaal’ wordt toebedeeld. De criti­cus er­kent de zedelijk-religieuze dimensie in dit ‘herrliche Buch’. Prestuplenie i nakaza­nie wordt respectievelijk bestempeld als een ‘sozialer’ en ‘psychiatrischer Roman’. Deze tweeledige etikettering is in lijn met Von Reinholdts vernieuwde interpreta­tie van dit werk: het brengt op realistische wijze een psychiatrisch onderzoek, ech­ter niet van een individu, maar van een hele maatschappelijke stand. Hij geeft de Deense criticus Georg Brandes gelijk dat in Raskol’nikov de Russische nihilisti­sche beweging van de jaren 1860 is uitgebeeld – een inter­pre­tatie die in het Duitse taalgebied niet wijd verspreid was.[39] Na deze roman raakt het talent van Dosto­evskij in verval: Idiot, Besy en Podrostok zijn eerder pamfletten dan romans.

Over Brat’ja Karamazovy, waar Von Reinholdt in 1882 nog vurig enthousiast over was, schrijft hij nu – zonder bezwaren te opperen – dat men er doorgaans weinig waarde aan hecht. Wel wijst hij erop dat deze onafgewerkte, humanistische roman diep doordacht is: de auteur heeft hierin zijn christelijke filosofie, politieke geloofsbekentenis en meest innerlijke ervaringen gelegd. Het religieuze aspect speelt de hoofdrol. Zonder onbegrijpelijk te worden zoals in 1882, legt Von Rein­holdt (1886: 697) uit dat de grondidee van de roman erin bestaat dat de zedelijk-religieus hoogstaande mens streeft naar innerlijke vervolmaking. In dit verband worden Alëša en Zosima besproken. Opmerkelijk is dat de lof van de criticus niet expliciet naar hen, maar wel naar Karamazov senior, Dmitrij en Grušen’ka uitgaat. Het is voor de lezer onduidelijk of de gelukte personages, de ‘Menge packender Szenen’ en de ideële inhoud in de ogen van Von Reinholdt opwegen tegen de door hem erkende tekorten aan artistieke compositie.

een golf van nieuwe vertalingen en herdrukken

In zijn Geschichte der russischer Literatur plaatst Von Reinholdt (1886: 693) bij de behandeling van Prestuplenie i nakazanie een voetnoot waarin hij verwijst naar de vertaling Raskolnikow, die op het niet-Russische publiek een uitzonderlijke indruk heeft gemaakt. Na het verschijnen hebben ‘alle bedeutenden Schriftsteller und Kri­ti­ker Deutschlands und Frankreichs’, waaronder Brandes, Paul Heyse, J. Schmidt en De Vogüé, hun bewondering voor de roman uitgesproken. Volgens de analyse van de Duits-Russische literatuurhistoricus ligt precies hier de wortel van de ‘Über­setzungs- und Lesewut, mit der sich die Ausländer auf die modernen russischen Belletristen geworfen haben’. Van deze vertaal- en leeswoede getuigen ook twee reclameadvertenties die in de uitgave zijn opgenomen.

De eerste advertentie betreft de tweede uitgave van Raskolnikow en wil de lezer overtuigen door middel van een machtsargument: het bevat lovende citaten van de tijdschriften Nord und Süd (Breslau) en Deutsche Rundschau (Berlijn) en van de critici Georg Ebers (Leipzig), Paul Heyse (München) en Georg Brandes (Kopenhagen). Hierna volgt een waslijst van literatoren van verschillende oriën­tatie die een gelijkaardig oordeel zijn toegedaan: Friedrich von Bodenstedt, Julius Waldemar Grosse, Hermann Heiberg, Robert Waldmüller, Hieronymus Lorm, E.A. Koenig, Otto von Leixner, Carl Bleibtreu, Karl Emil Franzos, Rudolf Doehn, Michael Georg Conrad, Ludwig Leistner ‘etc’. De tweede uitgave van Raskolnikow werd aangeprezen als verbeterde versie, wat erop kan wijzen dat Henckel de doel­tekst aanzienlijk gemodificeerd had. Overigens was hijzelf, aldus een door Loew (1991: 70) geciteerde Russische getuigenis, niet bijster tevreden over het resultaat van zijn moeizame vertaalarbeid.

De tweede advertentie betreft de eerste uitgave van Junger Nachwuchs (1886). Aangezien deze roman nog niet gerecenseerd was, kon de uitgever geen groot­gewichten citeren, maar hij verzekert dat de roman niet minder belangwekkend is dan Raskolnikow. De prijs is 12 mark, of 15 mark voor de ingebonden versie, voor drie delen. Deze vertaling van Podrostok door W. Stein was een financieel risico, aangezien de brontekst door de critici die zich erover hadden uitgesproken, in­clusief Von Reinholdt (1882, 1886), was afgekraakt. Dat Wilhelm Friedrich niet­temin bereid was om dit risico te lopen, is gezien het onvoorziene monster­succes van Raskolnikow niet verbazend.

De herdruk van Raskolnikow en de publicatie van Junger Nachwuchs in 1886 moeten gezien worden in de context van de door Parijs geruggensteunde, expo­nen­tieel groeiende interesse van de Duitse critici en andere lezers voor Russische schrijvers in het algemeen en Dostoevskij in het bijzonder. De Duitse uitgevers treu­zelden niet om hierop in te spelen. In het voorgaande jaar was bij Spemann in Stutt­gart de vertaling Erniedrigte und Beleidigte van Konstantin Jürgens versche­nen, wellicht niet toevallig kort na de in Frankrijk succesvolle vertaling Les humiliés et offensés. Eveneens in 1885 had Reclam in Leipzig een bundel uit­gebracht met vrij vertaalde Erzählungen van Dostoevskij. Hierin waren de pre-Siberische verhalen Christbaum und Hochzeit, Helle Nächte, Weihnacht en Der ehrliche Dieb opgeno­men. De vertaler was Wilhelm Goldschmidt.[40] In 1886 werd in Dresden bij Hein­rich Minden Aus dem todten Hause gepubliceerd, waar­van de vertaling door de unaniem lovende kritieken was aangemoedigd. Volgens de in­lichtingen die Zabel (1889: 371; 1899: 144) verschaft, is het geen herdruk van Aus dem todten Hause van 1864, die destijds als oud papier verkocht werd, maar een nieuwe vertaling. De vertaler is anoniem gebleven.[41] In tegen­stelling tot twee decennia eerder, werd de roman ditmaal zeer goed ontvangen.

Dankzij het succes van Raskolnikow waren in amper vier jaar tijd vier grote post-Siberische romans en een nog groter aantal kleinere romans en verhalen toe­gankelijk gemaakt voor het Duitse publiek. Ten gevolge van deze publicaties ‘drang Dostojewski’, aldus Moe (1981: 113), ‘als Neuerer der Literatur ins Be­wust­sein der ‘Modernen’ ein’. Nu was hij, en niet langer Turgenev, de onbetwiste voorman van de Russische schrijvers. De rage was echter nog maar pas begonnen.


6 Naturalistische stellingname (1887-90)

 

nieuwe dostoevskij-uitgaven

In de tweede helft van de jaren 1880 bleef de Duitse belangstelling voor Dosto­evskij gestaag stijgen. In hoog tempo werden al zijn grote en kleine, vroege en late werken beschikbaar gemaakt voor de Duitse markt. Zoals blijkt uit de analyse van Moe (1981: 109), voelden alle naturalistisch gezinde uitgevers de be­hoefte om een of meerdere vertalingen van Dostoevskij uit te brengen. De meest productieve Dostoevskij-uitgevers waren, in afnemende mate, Otto Janke te Berlijn, Heinrich Minden te Dresden, Samuel Fischer te Berlijn en Philipp Reclam te Leipzig. Met de uitgave van Dostoevskij-vertalingen verzekerden zij zich niet enkel van aan­zienlijke inkomsten – terloops zij opgemerkt dat van auteursrechten geen sprake was –, maar ook van een modern imago.

In 1887 verschenen bij Heinrich Minden in Dresden twee novelles van Dosto­evskij, die nog niet eerder integraal vertaald waren in het Duits: Arme Leute en Krotkaja. De eerstgenoemde vertaling is van de hand van Albert L. Hauff, die zich met tien vertalingen op amper drie jaren tijd zou ontpoppen tot de produc­tiefste onder de Duitse vertalers van Dostoevskij. De tweede doeltekst is een vertaling van de gelijknamige brontekst door M. v. Brönsted, die verder geen Dostoevskij-vertalingen op zijn of haar naam heeft.

In 1888 verschenen vier verhalen van Dostoevskij in Duitse vertaling, waarvan de eerste een hervertaling was: Weisse Nächte, Herr Prochartschin, Ein schwaches Herz, en Der Hahnrei. Van de genoemde titels is enkel de laatste inadequaat ver­taald. Zoals blijkt uit de positieve recensie van Malkowskij (1888a), betreft het een vertaling van Večnyj muž.[42] Daarnaast werden in hetzelfde jaar drie post-Siberi­sche romans in Duitse vertaling uitgebracht. Met de publicatie van Hans Mosers vertaling Schuld und Sühne doorbrak Philipp Reclam, daartoe gedreven door com­merciële overwegingen, het monopolie van Wilhelm Friedrich op de Duitse ver­taling van Prestuplenie i nakazanie. Minden bracht Die Besessenen op de markt. Zoals de lovende recensie van Malkowskij (1888b) illustreert, heeft deze roman Dostoevskijs imago als scherpzinnige observator bevestigd. In hetzelfde jaar ver­scheen ook Der Spieler, bij Samuel Fischer. Bijzondere vermelding verdient het door Loew (1991: 77) onder de aandacht gebrachte historische feit dat Henckels vertaling Raskolnikow van november 1888 tot maart 1889 als vervolgroman ge­publiceerd werd in Berliner Volksblätter. Op deze manier kon Dostoevskijs be­roemde roman ook ontdekt worden door talrijke geletterde arbeiders die niet genoeg geld hadden voor de aanschaf van de dure roman en hun weg niet vonden naar de bibliotheek.

In de jaren 1889-90 bereikte de Duitse belangstelling voor Dostoevskij een eerste hoogtepunt, wat tot uiting kwam in een stortvloed van publicaties. In 1889 brachten Otto Janke en Samuel Fischer, die respectievelijk in zee gingen met de vertalers L.A. Hauff en A. Scholz, tezamen vier nieuwe vertalingen van Dosto­evskij uit, waarvan drie verhalen en een grote roman: Der Doppelgänger, Nettchen Neswanow, Des Onkels Traum en de driedelige Der Idiot. In hetzelfde jaar werd Der Hahnrei herdrukt.[43] Hoewel al in 1889 ‘das ganze Werk Dostojewskys in Übersetzungen’[44] beschikbaar was, bleven ook het volgende jaar herdrukken, her­vertalingen en nieuwe vertalingen verschijnen bij verschillende uitgeverijen. Die Bessessenen kreeg een tweede druk en Raskolnikow, Arme Leute en Krotkaja kregen een derde druk. Er werden maar liefst zes gloednieuwe ver­talingen uit­gebracht van werken die al eerder vertaald waren: Ein schwaches Herz bij Nord­deutsches Verlags-Institut, Helle Nächte bij Gressner & Schramm, Er­niedrigte und Beleidigte en Der Spieler bij Minden, Memoiren aus einem Toten­haus bij Reclam en Aus dem todten Hause bij Janke. Daarnaast werden voor het eerst vertalingen uitgebracht van de verhalen Selo Stepančikovo i ego obitateli, čužaja žena i muž pod krovat’ju en Skvernyj anekdot: respectievelijk Tolhaus oder Herren­haus en Die Un­bekannte bij Janke en Eine heikle Geschichte bij Richard Eckstein.

Dat het met name de naturalistisch gezinde uitgevers waren die op het einde van de jaren 1880 de Duitse markt bedolven onder vertalingen van Dostoevskij stemt overeen met het feit dat in dezelfde periode de naturalistisch geïnspireerde interpretatie van Dostoevskij, zoals deze gesuggereerd was door critici als Henckel (1882) en Von Reinholdt (1885, 1886), opgepikt en verder uitgewerkt werd door verschillende vertegenwoordigers en begunstigers van de naturalistische beweging. In dit verband noemt Hoefert (1974: xv-xvii) vier naturalistische schrijvers, wier stukken over Dostoevskij hij beschouwt als belangrijke bakens in zijn Duitse recep­tie: Carl Bleibtreu, Michael Georg Conrad, Georg Brandes en Hermann Con­radi. Deze bakens, die onlosmakelijk verbonden zijn met de naam van Nietzsche, ver­dienen nadere toelichting.

bleibtreu: dostoevskij naast zola als model

De veelzijdige, verbaal agressieve literator Carl August Bleibtreu (1859-1928), die zich in 1885 als schrijver in Berlijn vestigde, was één van de bekendere exponenten van het Duitse naturalisme. Zijn roem dankt hij aan één werk: Revolution der Literatur. Deze programmaverklaring werd in 1886 uitgegeven door Wilhelm Frie­drich, die veel krediet gaf aan jonge Duitse literatoren. In zijn pamflet roept Bleibtreu op tot een nieuwe soort literaire kritiek, waarin niet de persoon van de auteur of zijn politieke standpunten, maar enkel zijn talent wordt beoordeeld. Belangrijker is echter zijn vaststelling dat de tijd rijp is voor een nieuw soort litera­tuur, die hij bestempelt als nieuw realisme. In het voorwoord van de derde uitgave van 1887 benadrukt hij dat Dostoevskijs Prestuplenie i nakazanie naast Zola’s Germinal model kan staan voor deze revolutionaire literatuur. Opmerkelijk is dat de lof in de eerste plaats toegespitst is op de technische kant van Dostoevskijs proza, die daarvoor als minder geslaagd gold:

 Betreffs meiner Aeusserung über Dostojewski habe ich hinzuzufügen, dass ich Raskolnikow, den Roman des Gewissens, sehr hochstelle. Niemals ist das Welt­problem, um das sich das Menschenleben seit Adam und Eva dreht: Die all­beherrschende Gewalt des unbekannten Gottes, der uns eingeboren und den wir ‘Gewissen’ nennen, so erschöpfend dargethan […] Wenn wir hingegen ein Werk wie Germinal mit Raskolnikow vergleichen, so müssen wir letzterem eine feinere Virtuosität der Technik, ersterem aber eine höhere ethisch-soziale Be­deutung zusprechen. […] Aus der Mischung der Elemente von Germinal und Raskolnikow wird der grosse eigentliche Roman des Realismus hervorgehen. (Bleibtreu 1973: viii)

Toch pleit de auteur allerminst voor het zonder meer navolgen van Dostoevskij en Zola. Zoals hij ook in zijn artikel ‘Ueber Realismus’ uiteenzette, waarschuwt Bleib­treu (1887b) tegen een veronachtzaming van de noodzakelijke ‘nationale Originalität des neudeutschen Realismus’.

 

bijval van conrad

Bleibtreus waardering voor Raskolnikow als alternatief voor de Duitse literaire producten kreeg nog in hetzelfde jaar bijval van zijn vriend en collega Michael Georg Conrad (1846-1927), die de woordvoerder was van de naturalistische kring in München. In Die Gesellschaft, de naturalistische spreekbuis die hij in 1885 met Bleibtreu had opgericht, speelt hij in 1887 Dostoevskij in het bijzonder en de Russische romanciers in het algemeen uit tegen de gevierde Duitse schrijvers à la Spielhagen, Keller en Heyse, die volgens hem qua motivatie, objectiviteit en fijn­heid van psychologische analyse het onderspit moeten delven.

De aanleiding voor dit korte stukje is de publicatie van een nieuwe vertaling van Prestuplenie i nakazanie onder de titel Schuld und Sühne. Loyaal als hij is aan Wilhelm Friedrich, richt Conrad (1974: 15) zijn aandacht echter exclusief op de oudere vertaling Raskolnikow, die nog altijd vlot verkoopt. Hij prijst de vertaler voor zijn prestatie op basis van twee criteria: de vertaling maakt de indruk getrouw te zijn en is vlot leesbaar. Op het eerste gezicht lijkt het eerste criterium vertaal­adequatie te betreffen. In feite gaat het Conrad echter eerder om de indruk van bron­tekstgetrouwheid dan om brontekstgetrouwheid zelf. Dit blijkt uit het feit dat hij geen aanstoot neemt aan het door hem vermelde feit dat de vertaler het nodig vond om her en der iets in te korten.

De diepe indruk die Raskolnikow maakt verklaart Conrad (1974: 16) met het ‘Helden- und Märtyrerleben’ van de auteur. Met betrekking tot de pre-Siberische fase noemt de criticus hem niet meer of minder dan ‘Sozialist’ – wat hij de facto nooit geweest is. Tegenover het sociale heroïsme van Dostoevskij staan de alles be­halve heroïsche gevestigde Duitse schrijvers, die Conrad in scherpe bewoor­dingen slappe schoonschrijverij ten laste legt:

Wie nehmen sich neben einem solchen Mann unsere ‘Helden der Feder’ in Schlafrock und Pantoffeln aus – unsere modischen Literaturgrößen, die in der weichen Treibhausluft ästhetischer Bildungs- und Kunstfexerei großgezüchtet worden sind und die viel zu sybaritisch geschwächt sind, um überhaupt etwas anderes ertragen und erleben zu können – als allweihnachtlich neue Auflagen ihrer ‘schönen’ Dichtungen, die sie in behaglicher Ruhe mit der jüngferlichen ‘Muse’ zeugten?! (Conrad 1974: 16)

Tevens in lijn met de visie van Bleibtreu is dat Conrad behalve de gevestigde Duit­se schoonschrijvers ook Duitse schrijvers als Richard Voß en Julius Grosse hekelt, omdat ze platte imitaties maken van Russische romans. Daarmee veronachtzamen zij de nationaal-ethische betekenis van de Russische literatuur, die volledig ver­groeid is met de ‘russische Volksseele’ – een begrip dat in de Duitse kritiek nog niet veel was genoemd. Volgens Hoefert (1974: xv-vi) toont deze aanval op het wijd­ver­spreide fenomeen van de imitatieromans aan dat de Russische literatuur in die jaren minstens even populair was als de Scandinavische, maar dat het verschil erin bestond dat er onder de imitatoren van de Russen geen schrijvers van het kaliber van Arno Holz of Johannes Schlaf waren – twee naturalistische schrijvers die zich sterk lieten inspireren door Scandinavische literatuur, de laatste zelfs onder het pseudoniem ‘Bjarne P. Holmsen’.

brandes: dostoevskij als pathologisch verkondiger van de slaven­moraal

In 1889 verscheen in Berlijn een geautoriseerde vertaling in het Duits van een uit­gebreid essay over Dostoevskij van Georg Brandes. Hieraan wordt in dit proef­schrift bijzondere aandacht besteed, maar niet omdat het essay radicaal origineel zou zijn – in veel opzichten is het immers schatplichtig aan andere kritieken, vooral aan Le roman russe van De Vogüé. Wel omdat dit stuk ook vertaald werd voor het Nederlandse publiek, zij het met ruim twee decennia vertraging. Even­eens belangrijk is het door Hoefert (1974: xviii) meegedeelde feit dat de Deense literatuurhistoricus een dermate vooraanstaande rol in het Duitse literaire debat speelde, dat de naturalisten en hun meelopers zich voor hun opinie over Dosto­evskij evenveel lieten inspireren door hem als door De Vogüé zelf. In dit verband moet herinnerd worden dat Brandes de eerste criticus met inter­nationale faam was die zich lovend uitliet over Raskolnikow, wat zijn biograaf Proost (1940: 101) toelaat om zonder al te grote overdrijving te schrijven dat hij voor dit werk ‘in Europa den weg gebaand’ had.

Georg Morris Cohen Brandes (1842-1927) werd geboren in Kopenhagen in een niet-orthodox Joods handelsgezin. In de vroege jaren 1870 verwierf hij bekendheid met theoretische geschriften over nieuw realisme en naturalisme, waarin hij zich uitsprak tegen een exclusief esthetische opvatting en voor een sociale opvatting van literatuur. Zijn democratisch-radicale principes werden door veel schrijvers gedeeld, waaronder Henrik Ibsen. Zoals Moe (1981: 100) schetst, werd deze Noorse toneelschrijver in Duitsland door de naturalistisch gestemde literatoren omarmd nadat Brandes hiertoe het startschot had gegeven. Onder druk van de conservatieve krachten in Kopenhagen zag hij zich gedwongen te emi­greren. Zijn keuze viel op Berlijn, waar hij leefde van 1877 tot 1883. Hij nam er deel aan het literaire leven, maar legde ook een grote interesse voor de politieke verhoudingen aan de dag. Zoals Proost (1940: 63-4) meedeelt, werd hij met name beziggehouden door Bismarcks strijd tegen het socialisme. Na zijn terugkeer naar Kopenhagen in 1883 groeit hij uit tot de goeroe van de Scandinavische literaire kritiek, wat hem gezien de populariteit van Scandinavische literatuur in heel Euro­pa bekendheid opleverde. In 1887 maakte hij een treinreis naar Sint-Petersburg en Moskou. Volgens Proost (1940: 90) werd hij ondermeer gedreven door het ver­langen om ‘het land van Dostojewskij en Tolstoj te leeren kennen’. Zijn indruk­ken van Rusland gaf hij vorm in een reisverslag. In dit kader schreef hij ook een overzicht van de klassieke Russische literatuur. Van dezelfde periode dateert zijn essay over Dostoevskij.

Als startpunt van zijn essay knoopt Brandes (1889: 3) opnieuw aan bij een traditie die in de Duitse literatuur al enkele jaren aan het vervagen was: de ver­gelijking van Dostoevskij met Turgenev. De verschillen bestaan vooral in de oriëntatie ten opzichte van Rusland: de eerstgenoemde is een nationale optimist, de laatstgenoemde een nationale pessimist. De betrokkenheid van Dostoevskij op zijn vaderland maakt hem tot ‘der wahre Schythe’. Dit beeld was uitgevonden door De Vogüé (1886a: 203) en werd ongetwijfeld als zodanig herkend door het gros van de lezers. Dat Brandes de burggraaf meteen citeert kenmerkt de invloed die hij van hem ondervonden heeft, al legt hij ook eigen accenten.

Zo gaat Brandes een stapje verder in de afbeelding van Dostoevskij als antipode van de westerse cultuur. Dit doet hij aan de hand van een gedetailleerde, fanta­sie­rijke uiterlijke beschrijving van de Rus, die van groot effectbejag getuigt. Hij heeft het onder andere over een ‘halb russisches Bauerngesicht, halb Verbrecher­physionomie, mit flachgedrückter Nase, kleinen, durchbohrenden Augen unter Augenlidern, die vor Nervosität zittern, langem, dichtem, unordentlichem Bart und hellem Kopfhaar’. Hoewel Brandes Dostoevskij nooit heeft ontmoet, geeft hij een levend portret. De uiterlijke beschrijving, die nog veel verder gaat, is echter niet natuurgetrouw; het is een literair procedé dat de criticus in navolging van De Vogüé gebruikt om de schrijver karaktereigenschappen toe te dichten die later in het essay aan bod komen.

Na zijn expressionistische beschrijving van Dostoevskij uiterlijk gaat Brandes over tot een meer nauwkeurige behandeling van zijn psyche en levensbeschou­wing. Hiervoor gebruikt hij de Franse verlichtingsfilosoof Rousseau als vergelij­kings­punt. Dostoevskij deelt met hem een soms laaghartig, soms verheven ge­moed, een door en door democratische instelling – dat de schrijver er geen ver­lichte politieke ideeën op na hield wordt achterwege gelaten –, en ideëel fanatis­me. Er is ook een verschil: Rousseau was deïst, terwijl Dostoevskij in zijn hele gevoelsleven een typische christen was. Van dit christendom is ook zijn oeuvre doordrongen, waarin Brandes (1889: 4) talrijke ‘christlich aufgefatzte Charaktere und Sinneszustände’ opmerkt. De personages vallen uiteen in drie groepen: zieken, zondaars en heiligen. Door de veelvuldige louteringen doen ze denken aan de personages van de apostelen en discipelen van de eerste Christelijke kerk. Dit laatste inzicht van Brandes lijkt ontleend te zijn aan Nietzsche, die, zoals Conradi (1974: 27) ook opmerkte, als eerste had gewezen op de verwantschap tussen de personages van Dostoevskij en die van het Nieuwe Testament.

De biografische inlichtingen die Brandes verschaft, zijn vrijwel allemaal terug te vinden bij De Vogüé, aan wie hij ook meermaals refereert. Zo vertelt hij de anek­dote over de nachtelijke ontdekking van zijn literair talent door Grigorovič en Nekrasov, en beschrijft hij de omstandigheden van de terdoodveroordeling. Toch zijn er ook opmerkelijke verschillen, in de feiten en vooral in de interpreta­tie van de feiten. Ten eerste vergist Brandes (1889: 4; 9) zich in de naam en het sterftejaar van de broer van Dostoevskij – hij noemt hem ‘Alexis’ in plaats van ‘Michail’ en laat hem in 1865 in plaats van in 1864 sterven. Ten tweede bestem­pelt hij de schrijver in zijn pre-Siberische periode, net als Conrad (1974), nuance­loos als socialist. Ten derde beschouwt hij Dostoevskijs terdoodveroorde­ling, verbanning en dwangarbeid niet als een exclusief verrijkende ervaring. Hoe­wel Brandes – zoals dit in de kritiek wijdverspreid was – erkent dat Dostoevskij in Siberië inzicht verwierf in het innerlijke leven van het Russische volk, benadrukt hij vooral de desastreuze gevolgen voor het sowieso zwakke zenuwstelsel en de rebellerende geest van de schrijver. Deze was de tsaar zelfs dankbaar voor zijn straf, en beeldde zich in dat hij zonder de straf gek zou zijn geworden. Dit zwichten onder het juk wordt door Brandes (1889: 8) niet op prijs gesteld: hij brengt het in verband met het concept van de slavenmoraal van Friedrich Nietzsche. Bij de bespreking van Dostoevskijs evangelisch geïnspireerde filantropie, die Brandes (1889: 8) in navolging van de filosoof met de hamer in verband brengt met een aan afgunst ontsproten pariamoraal, wordt de vergelijking met Wilberforce ge­maakt. Dit doet vermoeden dat de criticus bekend was met het eerste essay van Von Reinholdt (1882), die de auteur van deze vergelijking was. Deze hypothese wordt ondersteund door het feit dat hij wijst op de invloed van Karamzin, Walter Scott, Balzac, George Sand, Dickens en Hoffmann – zoals Von Reinholdt (1882) hem dat had voorgedaan. De gelijkenis bestaat er ook in dat van de invloed van Puškin of Gogol’ geen sprake is.

Van Dostoevskijs werken wordt bij Brandes slechts een selectie vermeld en de behandelde titels krijgen zeer ongelijke aandacht. Zonder diepgaande argumen­ta­tie deelt de criticus pluimen en sneren uit. Bednye ljudi wordt op dezelfde hoogte gesteld als šinel’ (De mantel) van Gogol’ en Zapiski ochotnika (Notities van een jager) van Turgenev, wat het succes van dit debuut verklaart. čužaja žena i muž pod krovat’ju daarentegen evalueert Brandes (1889: 5) als ‘eine werthlose und komische Novelle in Paul de Kock’s Manier’. Over Unižennye i oskorblënnye laat hij zich herhaaldelijk misprijzend uit. In eerste instantie wijst hij erop dat de per­sonages uit vroeger werk komen, wat doet denken aan de kritiek van Von Rein­holdt (1882). Bij een andere gelegenheid hekelt hij Dostoevskijs uitbeelding van vorst Valkovskij, die aantoont dat diens psychologische zieners­gave het begeeft wanneer hij de hogere klassen beschrijft – een commentaar die vrijwel letterlijk overgenomen is van De Vogüé (1885, 1886). Evenmin origineel is de evaluatie van Zapiski iz mërtvogo doma als psychologisch en beschrijvend meesterwerk. De auto­biografische waarde van dit werk wordt enigs­zins overschat, in die zin dat Brandes meent dat Dostoevskij in het personage dat zweepslagen te verduren krijgt zichzelf uitbeeldde. Tengevolge hiervan zou zijn ziekte verergerd zijn. Ter­loops laat Brandes zich laatdunkend uit over de essayistische arbeid van Dosto­evskij, die in de Duitse kritiek tot dan toe nog geen enkele waardering had ge­kregen: de schrijver verspilde hieraan zijn krachten en tijd. De grote romans Besy en Idiot worden slechts ver­meld ter illustratie van verschillende eigenschappen van Dostoevskij, maar op de inhoud wordt niet ingegaan. Enkel de romans Brat’ja Karamazovy en vooral Pre­stuplenie i nakazanie komen in dit essay uitgebreid aan bod.

Prestuplenie i nakazanie, dat Brandes had leren kennen via de vertaling Rasko­lni­kow, wordt voorgesteld als Dostoevskijs absolute meesterwerk. De aan­dacht die aan deze roman besteed wordt is navenant: de bespreking ervan neemt ruim de helft van het essay in beslag. De interpretatie die Brandes huldigt is hoofd­zakelijk filosofisch: de inzet is de waarde van een mensenleven. Hij grijpt de ge­legenheid aan om de hypocrisie aan de kaak te stellen van een maatschappij die enerzijds abortus criminaliseert en anderzijds toeziet hoe arbeiders in de fabrieken ziek wor­den en sterven. De misdaad van Raskol’nikov, wiens nobele inborst wordt erkend, is het gevolg van een veelheid van factoren: de armoede en woonomstan­digheden, het aanstaande huwelijk van zijn zuster, het toevallig op­vangen van de idee dat moord op de oude woekeraarster moreel aanvaardbaar is en, tenslotte, zijn theorie over de buitengewone mens. Over de roofmoord zelf zegt Brandes dat Raskol’ni­kov enkel voorwerpen zonder waarde meeneemt. Dit is een vergissing, aangezien de student allerhande sieraden meeneemt – al is het waar dat hij veel waardevols laat liggen. Interessant is dat de criticus benadrukt dat Raskol’nikov na de moord geen berouw heeft, maar er om een andere reden beroerd aan toe is: hij heeft zijn theorie niet kunnen bewijzen, lijdt onder zijn geheim en is bang betrapt te wor­den. Soelaas vindt hij bij de edele prostituee Sonja, die hem ertoe brengt zijn mar­telaarschap op te nemen. Het is wellicht niet aan toeval te wijten dat Brandes net als Zabel (1884a, 1884b) vol bewondering is voor de scène waarin de moor­denaar en de hoer samen uit het Nieuwe Testament lezen en dit laatste personage ziet als een variant op de edele hoeren van Victor Hugo. De filosofische inter­pre­tatie van het werk heeft ook een maatschappelijke en politieke dimensie. Ten eerste ken­merkt de moord van Raskol’nikov de moderne tijdgeest, waarin ge­voelens op de achtergrond worden gedrongen. Ten tweede is zijn logica dat het doel de midde­len heiligt dezelfde als die van politieke misdadigers. Volgens Brandes is dit prin­cipe wel juist, maar bestaat het probleem van Raskol’nikov erin dat zijn doel niet duidelijk overdacht is. Dat zou ook Dos­toevskijs mening zijn. Dit geldt echter niet voor politieke misdadigers, die dan ook niet twijfelen aan de juistheid van hun daad. In dit verband zij opgemerkt dat Brandes, opnieuw net zoals Zabel (1884a), in het commentaar van Profirij een toespeling ziet op een eventuele keizermoord. De ontknoping van de roman, die volgt op de bekering van de moordenaar door Sonja, lijkt de Deense criticus minder te appreciëren. Hij vindt dat Dostoevskij hierin zijn eigen godsdienstige overtuiging etaleert. Dat Brandes (1889: 19) de roman in weerwil van Dosto­evskijs christelijke leer zeer hoog schat, kan verklaard worden door de visie dat ‘seine geschaffenen Gestalten tiefer schauten als der Dich­ter selbst’.

Over Brat’ja Karamazovy is Brandes een stuk minder uitvoerig: hij bespreekt deze roman summier in theologisch-filosofisch perspectief. Volgens hem staat hierin de typisch Byzantijns-Christelijke idee centraal dat de begeerte om te leven het kwade bij uitstek is. Concreet worden twee passages van deze roman toe­gelicht. De eerste is het twistgesprek tussen de atheïst Ivan, die een vreselijke aan­val op de godsdienst lanceert, en de heilige Alëša, die alle rationele twijfels van tafel veegt door te wijzen op het offer van Christus. De tweede besproken passage is het kort­verhaal over de Grootinquisiteur. Brandes (1889: 25) is het niet eens met Dos­to­evskijs veroordeling van dit werkje als ontsproten uit een goddelijke denk­wijze, maar heeft ontzag voor de ‘Ernst und […] Reichhaltigkeit’ waarmee de schrij­ver ‘die verschiedenen Fragen vorgelegt und geprüft hat’.

Zoals blijkt, is Brandes, die zelf een filosofische achtergrond had, meer geïnter­es­seerd in de levensbeschouwelijke vragen en thema’s die in de romans van Dosto­evskij aan bod komen, dan in de plot of de technische aspecten. Toch wijst hij ook op een aantal positieve en negatieve kanten van diens compositietalent. Enerzijds looft hij Dostoevskij als dialecticus, waarmee hij zichzelf op dezelfde lijn plaatst als Necker (1885), tegenover Von Reinholdt (1882) en Zabel (1884b). Anderzijds be­treurt hij dat Dostoevskij zich wel het humanisme van de Franse traditie, maar niet haar schrijfstijl eigen wist te maken. Zoals hem dat was voorgedaan door tal van critici, ergert Brandes (1889: 20-1) zich aan de slordigheid van compositie, langdradigheid, uitweidingen, flashforwards en verontschuldigingen hiervoor van­wege de auteur:

Er, der in so hohem Grade Dichter war, war in geringem Grade Künstler. Seine Schriften ließ er alle drucken, wie sie ihm aus der Feder flossen, ohne irgend welches Durcharbeiten, geschweige Umarbeiten. Er ging nicht darauf aus, den höchst möglichen Grad von Vollkommenheit zu geben durch Zu­sammendrängen oder Ausscheiden, sondern arbeitete wie ein bloßer Publicist, und darum ist er durchgehends zu weitläufig. […] Vorgreifen und Entschul­digen für Vorgreifen, haben in einem Roman ebensowenig Platz wie Lücken und Zustopfen von Lücken.

Wat opvalt in het essay van Brandes, is dat hij bij de behandeling van verschillende biografische feiten en literaire creaties bijzondere aandacht besteedt aan de zieke­lijkheid van Dostoevskij. Zo wijst hij op een citaat van de schrijver waaruit blijkt dat hij zich na afloop van een epileptische toeval een misdadiger voelde. In lijn met dit citaat, legt de Deense criticus een verband tussen de ziekelijkheid van Dosto­evskij en diens psychologische zienersgave. Dat Dostoevskijs beste romans, waar­toe Zapiski iz mërtvogo doma, Prestuplenie i nakazanie en Brat’ja Karamazovy ge­rekend worden, misdadige personages weergeven, vindt Brandes logisch, aan­gezien de kracht van de Rus precies in het ziekelijke resideert. Nog een stapje verder gaat hij wanneer hij suggereert dat Dostoevskij ook zelf ziek was op seksueel vlak. Dit leidt hij af uit het feit dat de schrijver weinig aandacht besteedt aan het natuurlijke zinnenleven, terwijl er in zijn romans veel sprake is van onnatuurlijke geslachts­drift. De uitspraken in Besy over markies de Sade en kindermisbruik wijzen vol­gens Brandes (1889: 20) op Dostoevskijs eigen ‘unnatürliche Lust­gefühle’, die de door Turgenev herhaalde vergelijking tussen hem en De Sade aannemelijk maken.

In zijn commentaar op het essay van Brandes schrijft Hoefert (1974: xvii): ‘viel Neues sagte er eigentlicht nicht’. De marxistische literatuurhistoricus Romein (1924: 22) daarentegen, daarbij aangemoedigd door zijn ideologische verwant­schap met de Deen, heeft het over ‘de soliedste, breedste en diepste beschouwin­gen, die aan Merezjkowskij zijn voorafgegaan, de Russische […] niet uitgezonderd’. Hij tracht aan te tonen dat de kritiek van Brandes radicaal verschilt van die van De Vogüé, waarbij de invloed van de laatstgenoemde op de eerst­genoemde ver­donkermaand wordt. Zoals blijkt uit bovenstaande analyse, ligt de waarheid in het midden. Enerzijds heeft Brandes bewust of onbewust een groot aantal voorstellin­gen en meningen ontleend aan critici als Von Reinholdt, Zabel en De Vogüé, of aapt hij hen toevallig na – aangezien hij in tegenstelling tot deze drie critici geen Russisch kende, kon hij niet anders dan zich voor allerhande in­lichtingen be­roe­pen op niet-Russische bronnen. Anderzijds moet zijn relatieve originaliteit erkend worden. Deze zit besloten in de voorstelling van Dostoevskijs humanisme als een uiting van de slavenmoraal en in de radicale transformatie van zijn psycho­logische kracht tot pathologische kracht. Het globale beeld van Dos­toevskij dat bij Brandes naar voren komt is dubbel paradoxaal: een ziekelijk, maar geniaal schrijver met een barbaars karakter, maar christelijk hart. Als dusdanig doet het denken aan het beeld van de edele wilde.

dostoevskijs invloed op nietzsche

De keuze van Brandes om het concept van de slavenmoraal toe te passen op Dos­to­evskij verdient nadere toelichting, omdat dit het begin vormde van een Nietz­sche­aans gekleurde Dostoevskij-kritiek. Het is enigszins logisch dat het start­schot hiertoe gegeven werd door Brandes, aangezien hij Nietzsche min of meer had ont­dekt. Zoals Proost (1940: 108) onderstreept, werd de filosoof met de hamer door niemand erkend tot de Deen hem in 1887 uit de onbekendheid haal­de. Door voor­drachten en geschriften verspreidde hij kennis over diens radica­le filosofie. Hij werd in het bijzonder aangetrokken door Nietzsches strijd tegen de opgelegde orde in het algemeen en tegen de christelijke moraal in het bijzonder, wat ook blijkt uit zijn Dostoevskij-kritiek. Interessant is dat Brandes met Nietzsche over de Russische schrijver gecorrespondeerd had. Volgens Romein (1924: 24) waren ze niettemin onafhankelijk van elkaar tot hun opvattingen ge­komen.

Nietzsche had Dostoevskij ontdekt in de late herfst van 1886, toen hij in Nice verbleef. In een boekenwinkel was hij toevallig gestoten op L’esprit souterrain, een inadequate vertaling van Chozjajka en Zapiski iz podpol’ja. Zoals Fueloep-Miller (1951: 50) meedeelt, was deze vreugdevolle ontdekking voor Nietzsche van de­zelfde waarde als zijn eerdere ontdekking van Schopenhauer en Stendhal. Uit een bij Colli & Montinari (1984: 75) opgenomen brief aan Franz Overbeck blijkt dat hij met name onder de indruk was van de fijnzinnige en microscopische psycho­lo­gische kracht van dit werk. Volgens de analyse van Luft en Stenberg (1991: 460) zijn er diepe sporen van terug te vinden in de toon, de beelden en stijl van Nietz­sches voorwoord op Morgenröte, vermoedelijk de eerste tekst die hij na het lezen van L’esprit souterrain schreef. Door zijn kennismaking met Prestuplenie i nakaza­nie, opnieuw in Franse vertaling, werd zijn bewondering voor Dostoevskij nog groter: hij loofde hem als de enige psycholoog waar hij iets van leren kon. Uit deze appreciatie blijkt duidelijk dat Nietzsche zich niet door fundamentele levens­beschouwelijke verschillen liet weerhouden om zich door de Russische schrijver te laten beïnvloeden – een houding die hij deelde met het gros van de progressieve Duitse intellectuelen van die tijd. Overigens zagen zij grote gelijkenissen tussen Nietzsche en Dostoevskij. Volgens Hauswedell (1924: ii) was Conrad hierin de eerste. Zijn collega-schrijver Conradi wachtte echter niet lang om een gelijkaardig geluid te laten horen.

conradi: de notie van het overbodige

In 1889 sprak ook Hermann Conradi (1862-90), die onder de Duitse naturalisten als geniale lyricus gold, zich in Die Gesellschaft uit ten gunste van Dostoevskij. Hij zette zijn visie op de Russische schrijver uiteen in een bezield essay, dat zich van­wege zijn chaotische gedachtegang niet gemakkelijk laat samenvatten of analyse­ren. Qua vorm past het artikel uitstekend bij Conradi’s appreciatie van Dosto­evskijs temperament, aangezien het bestaat uit een vrijwel alinealoos haakwerk van retorische vragen, uitroepen, uitweidingen en onafgewerkte gedachten. Dit is door­­spekt met een groot aantal namen van klassieke en eigentijdse Russische schrijvers, die aantonen dat de auteur zich in de stof heeft ingewerkt. In dit ver­band zij op­gemerkt dat hij betreurt dat er onder de Duitsers geen waarachtige bereidheid is om door te dringen tot de tijdgeest in Rusland – wat tot uiting komt in het gebrek aan vertalingen van schrijvers als Grigorovič en Belinskij. Daar hij op het einde van zijn artikel verwijst naar Von Reinholdt, heeft diens litera­tuur­geschiedenis ver­moedelijk als hoofdbron gefungeerd. Daarnaast bewijst Con­radi vertrouwd te zijn met alle werken van Dostoevskij die op dat moment be­schik­baar waren in Duit­se vertaling.

Voor Conradi is Dostoevskij vooral een natuurgetrouw uitbeelder van mensen, in tegenstelling tot de Duitse schrijvers die ideale, abstracte personages hebben geschapen. In deze uitbeelding maakt hij gebruik van het overbodige. De persona­ges verkopen bijvoorbeeld flauwekul tijdens biechtscènes en dit is wat hen zo menselijk maakt. Het overbodige is namelijk een noodzakelijke uitlaatklep. Wat Dostoevskij doet, is niet meer of minder dan de natuur in de mens rehabiliteren. Conradi’s lof op het ‘Überflussige’ in Dostoevskijs werk lijkt een reactie op de kritiek van Zabel (1885) op de overdrijvingen in zijn werk. Daarnaast tekent hij ook bezwaar aan tegen een te doorgedreven afbeelding van Dostoevskij als patho­loog, waarmee hij ingaat tegen de lijn van Brandes (1889). In heel zijn werk is de Russische schrijver, die het niet aan temperament ontbreekt, even objectief als subjectief gebleven, in die zin dat zijn personages mensen van vlees en bloed zijn, maar dat zijn werk als geheel wel de incarnatie is van een idee. Als epicus kan naast hem enkel Tolstoj staan. Zoals ook Hoefert (1974: xvi) suggereert, valt op dat Turgenev zijn vergelijkingsrelevantie verloren heeft.

Met zijn werk heeft Dostoevskij volgens Conradi veel bijgedragen aan de Rus­si­sche emancipatiestrijd. In dit verband wordt opgemerkt dat de schrijver meeleeft met de ongelukkige strafkampbewoners uit Zapiski iz mërtvogo doma – tegen dit medelijden heeft de door Nietzsche geïnspireerde Conradi kennelijk geen be­zwa­ren. Toch is het enthousiasme over de roman gematigd: het is namelijk een ver­za­me­ling scènes. Het kunstenaarschap van Dostoevskij komt beter tot uiting in zijn kleinere novelles, zoals Chozjajka, Belye noči en čestnyj vor. De roman Unižennye i oskorblënnye wordt, in weerwil van de eerder geformuleerde kritiek, door Conradi qua compositie dan weer geëvalueerd als harmonisch, zoals ook Prestuplenie i na­kazanie. De romans Brat’ja Karamazovy en Podrostok zijn dan weer minder hecht. Over de eerstgenoemde roman drukt Conradi (1974: 18) – geheel in tegenstelling tot Zabel (1885) – zijn spijt uit dat hij niet voltooid is; anders zou voor Rusland en het latere Europa ‘ein anderes Kulturideal, ein anderes Zukunftideal’ geopen­baard zijn. In verband met de laatstgenoemde roman drukt Conradi (1974: 22) terloops zijn ergernis uit over de manier waarop de titel ver­taald is. Hij noemt Junger Nachwuchs ‘sehr tendenziös übersetzt’ en wijst erop dat de letterlijke ver­taling van de titel in het Duits Der Halbwüchsige luidt.

Wat Conradi gemeen heeft met zijn naturalistisch ingestelde collega’s Bleib­treu en Conrad, is dat hij Dostoevskij en andere Russische schrijvers radicaal tegenover de Duitse schrijvers positioneert en zich over deze laatste groep mis­prijzend uitlaat. Om de verschillen te benoemen maakt hij gebruik van een ‘volks­psychologisch-nationalökonomisch’ concept. Centraal staat de gedachte dat de Russische schrijvers voortkomen uit de adel en het proletariaat, terwijl in Duits­land de literatuur een zaak is van en voor de bourgeoisie, waar evenwel verande­ring in kan komen. Hierop voortbordurend voorspelt Conradi (1974: 28), die voorstander is van Nietzsche’s herenmoraal – een concept dat Brandes in de Dostoevskij-kritiek had geïntroduceerd – en geen medelijden wenst met de door geld gedreven bourgeoisie, een soort van cultuurclash, waarbij het Slavendom zal zegevieren over het Germanendom. Deze profetie verklaart waarom Conradi geen aanstoot neemt aan de slavofilie van Dostoevskij. Zijn redenering wordt echter niet terdege geduid. Hij concludeert dat Dostoevskij het verdient bestudeerd, be­mind en bewonderd te worden.

 

zabel: meer van hetzelfde

Zoals Hoefert (1974: xvi) opmerkt, verschenen in de jaren 1889-90 in Duitsland verschillende omvangrijke stukken over Dostoevskij. De hierboven besproken essays ondersteunen de analyse van Hauswedell (1924: ii) dat de Russische schrij­ver althans in de eerste fase van zijn Duitse populariteit beschouwd moet worden als ‘ein Hauptanreger und indirekter Förderer des Naturalismus’. Dat de interesse voor hem niet enkel aanzienlijk was in naturalistisch gestemde milieus, bewijst het feit dat Zabel opnieuw, voor een vierde maal, in de pen kroop om zijn visie op Dos­toevskij uiteen te zetten. Zijn tweedelig artikel werd geplaatst door Deutsche Rundschau, dat op het gebied van cultuur, literatuur en politiek bijzon­der invloed­rijk was. Dit tijdschrift, in 1874 opgericht door de schrijver Julius Rodenberg, dien­de als forum voor gevestigde schrijvers als Theodor Fontane, Paul Heyse en Theodor Storm. Het nieuwe essay van Zabel (1889) over Dostoevskij is, nog­maals, een herwerkte en uitgebreide versie van zijn eerder geschreven stukken. Toch zijn er ook nu weer enkele opmerkelijke verschillen met vroegere publicaties over Dostoevskij.

Ten eerste is de vorm meer gepolijst dan voorheen het geval was. Dit komt onder meer tot uiting in de veranderde opening. In plaats van een vergelijking met Turgenev – die aan algemene appreciatie en dus ook aan relevantie heeft verloren – krijgt de lezer bij wijze van inleiding nu een ingebeelde wandeling voorgescho­teld naar het Aleksandr-Nevskiklooster, waar Dostoevskij begraven ligt. Evenals Brandes (1889) waagt ook Zabel (1889: 363) zich nu in navolging van De Vogüé aan een beschrijving van de ‘echt russische Physiognomie’ van Dostoevskij. In het algemeen geldt dat de veelvuldige retorische stijlgrepen en semipoëtische uitwei­din­gen de ambities van Zabel verraden om hetzelfde charisme uit te stralen als de Franse burggraaf.

Het tweede verschil met eerder geschreven stukken is dat Zabel meer bijzon­dere biografische feiten meedeelt. De lezer komt bijvoorbeeld te weten dat Dos­toevskijs vader een vroegtijdige dood is gestorven, al wordt er niet bijgezegd dat hij vermoord werd door zijn lijfeigen boeren. Zabel vertelt nu ook de door De Vogüé (1885, 1886) en Brandes (1889) beschreven petite histoire over de ontdekking van Bednye ljudi door Nekrasov en Grigorovič. Origineler is hij wanneer hij naar aanleiding van de biografie van de schrijver de parallel trekt met Fritz Reuter (1810-74), wiens vrijheidsdrang hem eveneens in aanvaring bracht met de over­heid. Net als Dostoevskij werd deze Duitse schrijver ter dood veroordeeld, be­genadigd en jarenlang gevangengezet. Ze gaan echter fundamenteel verschillend om met deze pijnlijke ervaringen. Zabel (1889: 362) duidt dit verschil tussen humorisme en vechtlust in nationale termen:

Der Deutsche hebt die mangelhafte Wirklichkeit durch das Gefühl und Ge­müth in sonnigere Höhen, der Russe sucht den Dingen durch eine verstandes­mäßig geschulte Phantasie den Krieg zu erklären. Während Reuter mit feuch­tem Auge, in dem sich die Welt widerspiegelt, steht Dostojewski auf einem äußersten Vorposten mit geladenem Gewehr, jeden Augenblick bereit, dem heranschleichenden Feinde eine Kugel entgegenzusenden.

Een derde verschil met eerdere artikelen over Dostoevskij is dat Zabel (1889) zijn verhalen en romans met grotere volledigheid vermeldt en bespreekt. Ditmaal wordt ook Belye noči vermeld. Net als Chozjajka zou dit verhaal getuigen van de dromerigheid van de auteur. Opvallend is de mate waarin Zabel oog heeft ge­kregen voor de invloed van Gogol’ op Dostoevskij. De parallel tussen Dnevnik sumasšedšego (Dagboek van een gek) en Dvojnik, die hij al eerder had gemaakt, wordt terdege uitgewerkt. Bednye ljudi wordt vergeleken met šinel’ (De mantel) en inhoudelijk besproken op een manier die de lezer deelgenoot maakt van Zabels eigen leesgenot. De in 1885 gemaakte fout met betrekking tot de plot van Igrok is verbeterd. Bij de bespreking van Zapiski iz mërtvogo doma maakt Zabel niet langer gebruik van citaten uit de kritiek van Reindholdt (1882), wat gezien diens pijn­lijke elleboogstoten niet verbazend is. Interessant is dat Zabel (1889: 377) over Prestuplenie i nakazanie schrijft dat de roman eerst een demonische indruk maakt, maar dat men bij herhaalde lectuur pas de fijnheid en de waarheid van de psycho­logische analyse kan waarderen. Deze uitspraak verklaart waarom hij in eerste in­stantie in 1884 over deze roman aanzienlijk negatiever schreef dan in zijn latere kritiek. Het ‘Zerrissene und Hastige’, dat hij normaal gezien zo ergerlijk vindt, vindt Zabel in deze roman bij nader inzien zeer op zijn plaats. Zonder dat zijn oordeel er milder op wordt, staat de criticus nu langer stil bij de laatste vier grote romans van Dostoevskij. Idiot is wat Zabel (1889: 386) betreft een ‘Roman des Panslawismus’, die van haat tegen de westerlingen getuigt. In Besy bekritiseert hij met vuur de venijnige karikatuur van Turgenev in het personage Karmazinov:

 

Wie flach und nichtssagend ist dieser Spott einem Mann gegenüber, in dem sich das größte Talent mit den edelsten menschlichen Eigenschaften vereinigte und bei dem sogar die kleinen Schwächen nur die Folge eines an allem Schönen und Guten theilnehmenden Herzens waren! (Zabel 1889: 387)

De roman Podrostok, op zijn beurt, zou zelfs door de blinde bewonderaars van Dos­toevskij verworpen moeten worden ‘als rein mechanisch wirkender Wort­schwall’. Over Brat’ja Karamazovy deelt de criticus nu mee dat het opzet bestond een romancyclus te schrijven zoals Rougon-Macquart van Zola of Ahnen van Gustaf Freytag, maar zijn vernietigend oordeel blijft ongewijzigd. Nieuw is wel de lof van Zabel (1889: 389) voor het verhaal Krotkaja, dat sinds 1887 beschikbaar was in Duitse vertaling: hierin zou de vroegere kracht van de auteur teruggekeerd zijn.

De zeer verschillende appreciatie van diverse werken van Dostoevskij duidt Zabel door hem te schetsen als een in alle opzichten paradoxaal mens en schrijver: zijn oorspronkelijke vrijheidsdrang lijkt in tegenspraak te zijn met zijn afkeer van de liberale krachten van zijn tijd, zijn doorgedreven realisme vloekt met het idea­lisme van bijvoorbeeld Idiot. In dit verband wijst de criticus ook op de belang­stelling van Dostoevskij voor de uitbeelding van ziektetoestanden. Het is de grens­zone tussen het gezonde en het normale die de Russische schrijver interes­seert. Deze belangstelling levert, aldus Zabel (1889: 391), een dubbel resultaat op: ‘sie kann unsere Kenntniß des Seelenlebens bereichern oder zum bloßen Reiz­mittel für erschlaffte und entnervte Geister werden’.

Uit het slot blijkt dat Zabels interpretatie en appreciatie van Dostoevskij, die in het artikel enigszins uitgediept werd, fundamenteel ongewijzigd is in vergelij­king met zijn voorgaande publicatie. Hij blijft bij zijn mening dat Bednye ljudi, Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie de drie beste werken van Dostoevskij zijn, en dat na het schrijven van de laatstgenoemde roman zijn talent de dieperik in tuimelt. De kracht van de Russische schrijver ligt besloten in zijn psychologie en humanisme. Zijn hoofdgebreken zijn breedsprakerigheid, over­drijving en gebrek aan smaak, maar deze nemen pas ergerlijke vormen aan in zijn latere werken. Deze kritiek van Dostoevskij, die voornamelijk uitgaat van traditi­onele literaire criteria zoals schoonheid, waarheid en zedelijkheid, heeft Zabel zijn leven lang gehuldigd. Hiermee vormde hij een klassiek alternatief voor de lezers die zich niet konden vinden in de interpretatie van moderne, naturalis­tische critici zoals Bleibtreu, Conrad, Brandes en Conradi, die Dostoevskij aan­grepen om hun eigen revolutionaire ideeën over de maatschappij en de moraal te verkondigen. Zijn in 1889 geschreven artikel nam Zabel (1899) een decennium later in lichtjes uitgebreide vorm op als hoofdstuk in zijn laatste Russische litera­tuurgeschiedenis Russische Literaturbilder, die een grote verspreiding kende.


7 De hype voorbij (1891-1905)

 

de jaren 1890: minder dostoevskij-publicaties

In het laatste decennium van de 19e eeuw zakte de interesse van de Duitse uit­gevers­wereld voor Dostoevskij even snel als ze in het decennium ervoor gestegen was. In 1891 was de Dostoevskij-rage duidelijk over haar hoogtepunt heen. Niet­temin bleef met name Prestuplenie i nakazanie een bijzondere populariteit ge­nie­ten, wat Otto Janke aanzette om in dat jaar een derde Duitse vertaling van deze roman op de markt te zetten. De enige andere Duitse publicatie van Dostoevskij van 1891 is de door Hugo Steinitz uitgegeven anonieme vertaling Aufzeichnungen eines Schwindsüchtigen. Vermoedelijk is dit een vertaling van Zapiski iz podpol’ja, dat in de Duitse Dostoevskij-kritiek, een terloopse vermelding van Von Reinholdt (1882) uitgezonderd, geen enkele aandacht toebedeeld was. In Frankrijk kende het verhaal succes via de adaptatie L’esprit souterrain, waarover, zoals eerder aan­gehaald, Nietzsche zijn lof had uitgesproken. In 1892 werd in Duitsland geen enkele boekpublicatie van Dostoevskij uitgebracht. Voor 1893 geldt hetzelfde, al plaatste het tijdschrift Die Gegenwart in dat jaar wel de vertaling ‘Ein Roman in neun Briefen’, die teruggaat op Roman v devjati pis’mach. Dat het met de belang­stelling voor Dostoevskij toch nog niet afgelopen was, blijkt uit vier publicaties van 1894: een herdruk van Helle Nächte, de fragmentvertaling ‘Der Grossinquisi­tor’ in Die Neue Zeit, de nieuwe vertaling Ein schwaches Herz en de uitgave van Henckels Raskolnikow, ditmaal bij G. Grote. De vijf volgende jaren zakte de be­langstelling van de Duitse uitgevers voor Dostoevskij gestaag. In 1895 en 1896 ver­schenen twee nieuwe vertalingen, respectievelijk Aus dem dunkelsten Winkel der Grosstadt en Ein Roman in neun Briefen. De twee volgende jaren werd geen enkel werk van Dostoevskij in Duitse vertaling uitgegeven of heruitgegeven. Aan de vooravond van de eeuwwisseling verschenen dan toch opnieuw twee nieuwe uit­gaven: Erinnerung aus dem totden Hause bij Otto Janke en Erniedrigte und Beleidigte. Hieruit blijkt dat, hoewel de rage voorbij was, er toch nog vraag naar (geactualiseerde) vertalingen bestond.

Op enkele jaren tijd was de stortvloed van Duitse Dostoevskij-uitgaven ver­anderd in een zacht kabbelend beekje. De oorzaak hiervoor is tweeledig. Om­streeks 1890 was alles van Dostoevskij vertaald, uitgegeven, hervertaald en heruit­gegeven. Volgens onderzoek van Hauswedell (1924: ii) waren er tegen 1895 onge­veer 60.000 exemplaren van Duitse Dostoevskij-vertalingen in omloop ge­bracht, waarvan vooral Raskolnikow. Hoe meer vertalingen van eenzelfde werk op de markt werden gebracht, hoe lager de inkomsten voor de betrokken uitgevers werden. Dat de markt stilaan bevredigd raakte, was in even grote mate te wijten aan het Duitse leespubliek, dat steeds minder belangstelling voor Dostoevskij aan de dag legde. Vanaf 1891 was hij niet langer zo modieus als vijf jaren voordien. Zijn prominente plaats werd rond die tijd ingenomen door een andere Rus van groot kaliber: Lev Tolstoj.

 

de tolstoj-fase

Lange tijd was het oeuvre van Tolstoj in Duitsland onbekend gebleven. In de jaren 1860 en 1879 waren enkele van zijn kleinere werken in vertaling uitgebracht, maar zonder noemenswaardig succes. Sinds het midden van de jaren 1880 viel zijn naam op regelmatige basis in essays over Dostoevskij en in Russische literatuur­geschie­de­nis­sen. Le roman russe van De Vogüé was hiervan niet de minst gelezen. Zoals Hoefert (1974: xi) opmerkt, was het pas nadat Vojna i mir (Oorlog en vrede) in Frankrijk een begrip was geworden, dat deze grote roman en Anna Kare­nina in het Duits werden vertaald. De grootschalige receptie van Tolstoj werd net als die van Dostoevskij bevorderd door de naturalistisch gezinde literatoren – al was niet ieders mening over zijn epos lovend.

Omstreeks 1889 nam de belangstelling van de critici, die stilaan op Dosto­evskij uitgekeken raakten, voor Tolstoj exponentieel toe. Deze interesse werd ge­materialiseerd in een groot aantal langere essays. Volgens Hoefert (1974: xviii) is de bijdrage van Paul Ernst (1974), oorspronkelijk gepubliceerd in 1889, kenmer­kend voor de toenmalige Duitse appreciatie van Tolstoj. Deze criticus vertrekt van de vaststelling dat het politieke en sociale leven in de Russische literatuur een grotere rol speelt dan in andere literaturen. Tolstoj wordt, tezamen met Dosto­evskij, af­gebeeld als een vertegenwoordiger van het nieuwe Rusland. Centraal in de bespre­king van zijn persoon en talent staan het sociale aspect – zijn liefde voor het ge­wone volk – en zijn compositietechniek. De criticus toont echter ook belang­stel­ling voor de filosofische en religieuze vragen in het werk van Tolstoj.

Hoefert (1974: xviii-xx) benadrukt dat de faam van Tolstoj in 1890 aanzien­lijk groeide dankzij de opvoering van het drama Die Macht der Finsternis, een adaptatie van Vlast’ zemlí (De macht van de aarde), en de publicatie van Die Kreutzersonate door Behr’s Buchhandel. Het eerstgenoemde toneelstuk werd, on­danks de wijdverspreide kritiek op de epische breedte, globaal zeer gunstig ont­haald door de jonge generatie Duitsers. De laatstgenoemde novelle, die op een stich­telijke manier inzicht verschaft in de motivatie van een man om zijn echt­genote te vermoorden, sprak zowel naturalistisch gestemde als anders georiën­teerde lezers aan.

De Duitse Tolstoj-mode bereikte zijn hoogtepunt in de eerste helft van de jaren 1890. Zoals dit bij Dostoevskij het geval was geweest, werd het sociale aspect van zijn oeuvre, toen Tolstoj eenmaal in het middelpunt van de Duitse literatuur was gevestigd, steeds minder beklemtoond. De critici kregen ook oog voor het uto­pi­sche aspect van zijn ideeën, maar waren hierover doorgaans minder en­thou­siast dan over de realistische uitbeelding van de personen en conflicten. Meer nog dan door de persoonlijkheid van Dostoevskij, werd het Duitse publiek gefasci­neerd door de persoonlijkheid van Tolstoj, waarover spectaculaire anekdotes de ronde deden. De edelman die zich uitdoste als boer, daar lustten de Duitsers wel pap van. Overigens verschilden ze hierin, zoals Zabel (1899: 224-5) opmerkt, niet van de Fransen, Engelsen en Amerikanen. Gelijktijdig met de stroom vertalingen van Tolstoj zwol ook de berg secundaire literatuur aan.

 

de spätphase

De ontdekking van respectievelijk Dostoevskij en Tolstoj zorgde in Duitsland voor een gunstig receptieklimaat voor Russische literatuur in het algemeen. In hun nasleep werden ook minder grote, moderne namen, zoals de naturalist Gleb Uspens­kij (1843-1902) en de sociaal geëngageerde novellisten Vsevolod Garšin (1855-88) en Vladimir Korolenko (1853-1921) vertaald. Gogol’, waarvan vroeger al gelegenheidsvertalingen op de markt waren gebracht, werd nu geherwaardeerd dankzij nieuwe vertalingen. De dagbladen, tijdschriften en boekuitgevers konden er niet naast kijken: de Russische literatuur was hip. Zoals Hoefert (1974: xi) mee­deelt, was het obligaat om de lezer ‘etwas “Russisches” darzubieten’.

In de tweede helft van de jaren 1890 werden ook auteurs als Anton čechov (1860-1904) en Maksim Gor’kij (1868-1936) op grote schaal vertaald, gelezen en besproken. Ze behoorden tezamen met Tolstoj tot de eerste Russische schrijvers die bij hun leven omarmd werden door het grote Duitse publiek. De eerstgenoem­de gold als een kleinkunstenaar en werd door de critici, die hem vergeleken met Maupassant, niet bijzonder hoog gesteld. Hij kreeg appreciatie als auteur van kort­verhalen, maar niet als toneelschrijver. Veel stormachtiger was het succes van de jonge Gor’kij. Omstreeks de eeuwwisseling was de algemene bekendheid van zijn naam een feit. Hoefert (1974: xxii) verklaart de buitengewone populariteit van zijn verhalen door het vernieuwende karakter. Zijn geschriften over vage­bon­den, die hij neerzette met grote sympathie, maar zonder verontwaardiging of mede­lijden, werden gelezen als een strijdlustige vorm van sociaal protest. De jong­eren en de democraten waren diep onder de indruk van de revolutionaire tendens in Gor’kijs pleidooi voor de vrije ontwikkeling van het individu. In tweede in­stan­tie werd ook zijn talent als toneelschrijver erkend. De opvoering in Berlijn van de adaptatie Nachtasyl van zijn stuk Na dne (Op de bodem) in 1903 had interna­tio­nale weerklank. De grootschalige belangstelling voor Gor’kij kwam abrupt tot een einde na 1905 toen voor iedereen duidelijk was geworden dat hij de socialistische revolutie gunstig gezind was en zelfs nastreefde. De Duitse bourgeoisie keerde zich massaal van hem af, waarna de stroom aan vertalingen stilviel.

 

dostoevskij rond de eeuwwisseling

Hoewel Dostoevskij door Tolstoj in de schaduw werd gesteld, verdween hij in de jaren 1890 nog niet volledig uit het literaire debat. Wel vond er volgens Hoefert (1974: xvii) in de literaire kritiek een belangrijke verandering plaats: het mystieke en het pathologische aspect, reeds opgemerkt door critici als Zabel en Brandes, ver­drongen de sociale dimensie van Dostoevskijs oeuvre gestaag naar de achter­grond, wat zijn populariteit niet ten goede kwam. Toch bleef Dostoevskij aan­wezig in het Duitse literaire debat. Een nieuwe impuls werd gegeven door de publi­­ca­tie in Berlijn van een originele, uitgebreide biografie over Dostoevskij van Nina Hoffmann (1899). De auteur had in 1897 en 1898 in Rusland gewoond, precies met de bedoeling om zich te specialiseren in Dostoevskijs leven. Ze had er contact opgenomen met vrienden en familieleden van de overleden auteur. Haar biografie, die Dostoevskijs leven als een apostolaat schetst, werd geprezen in de nieuwe Russische-literatuurgeschiedenis van Zabel (1899: 124-5), die er ook uit citeerde, maar zij vond de weg niet naar het grote publiek.

In zijn stuk over Dostoevskij dat dr. Franz Servaes (1900) in Die Zukunft publi­ceerde, liet de criticus, journalist en schrijver verstaan dat de biografie van Hoffmann (1899), hoewel zeer bewonderenswaardig, niet toegankelijk genoeg was voor de gemiddelde Duitse lezer, die niet vertrouwd was met de Russische ziel – een romantisch concept waar hij graag gebruik van maakt. Centraal in zijn stuk staat de jammerklacht dat Dostoevskij in vergelijking met Tolstoj, Zola en Ibsen veel te weinig aandacht krijgt. Hij suggereert dat dit te wijten is aan het feit dat de auteur teveel mysticus en teveel Rus is. Vervolgens gaat hij in op een aantal ele­men­ten van Hoffmanns biografie. De Siberische ervaring stelde de auteur in staat om zijn eigen innerlijke leven in contact te brengen met dat van het Russische volk. Ter illustratie wordt Zapiski iz mërtvogo doma besproken. Ook aan Prestu­ple­nie i nakazanie en Belye noči wordt aandacht geschonken. Kennelijk was Ser­vaes het met critici als Zabel en De Vogüé eens dat dit de beste werken van Dosto­evskij waren. Opvallend is de welwillendheid die Servaes jegens Dostoevskij aan de dag legt. Hij erkent zijn anti-Duitse sentimenten, maar neemt er geen grote aan­stoot aan. Van zijn essayistiek, die in de kritiek vaak was genegeerd of afgeschil­derd als tijdverlies, wordt nu de grote nationaal-Russische betekenis erkend – niet dat de Duitse lezer hieraan groot belang hechtte. Minder vernieuwend is dat Ser­vaes (1900: 256) wijst op de paradoxale persoonlijkheid van de auteur, al is zijn woord­keuze opmerkelijk: hij heeft het over ‘Luzifer und Cherub’. Even verder heet het dat de Rus de ambitie had om apostel te zijn. Deze kwalificaties illustre­ren dat be­paalde elementen van wat Romein (1924) bestempelt als de diabolische en de stichtelijke beschouwingswijzen van Dostoevskij al in het begin van de 20e eeuw deel uitmaakten van het Duitse Dostoevskij-discours.

Dat met name de diabolische interpretatie van Dostoevskij sinds zijn ontdek­king in de jaren 1880, toen zijn humanisme in de verf werd gezet, aan aanhang won, blijkt duidelijk uit het belangwekkende essay dat de jonge socialist, journalist en schrijver Kurt Eisner (1901) in Sozialistische Monatshefte publiceerde. Zijn ver­trekpunt is een terugblik op de Duitse receptie van Raskolnikow, een roman waar­van hij de impact op de nieuwe Duitse literatuur erkent:

Die Declassierten der Bourgeoisie, die der nationalen Autorität Entlaufenen, trafen in Dostojewskijs unheimlicher Schicksalsdichtung, die das Fatum des Gehirns schildert, verwandte Stimmungen. Der gesellschaftlich angestammte Boden war ihnen unter den Füssen verschwunden, die mythologische Glau­bens­tradition erloschen, die sociale Not nagte schmerzhaft, revolutionäre Ideen beherrschten sie unklar und uneinheitlich; sie cultivierten die grossen Leidenschaften, die doch nur kleine Verirrungen sind, sie sehnten sich nach der gewaltigen Gesetzlosigkeit, die alle Werte zertrümmert, sie schauten ver­zückt die Morgendämmerung eines tausendjährigen Reichs, an dem sie aber nicht arbeiten, im tiefsten Grunde fühlten sie, dass sie nur mit den Ketten klirrten, dass sie zwecklos und überflüssig waren, abseits der nüchtern, thätigen Welt. (Eisner 1901: 49)

Volgens Eisner zit de aantrekkingskracht van Raskolnikow vooral besloten in de psychologie van het hoofdpersonage. Deze opmerking grijpt hij aan om te waar­schuwen voor dit boek, dat hij voor jongeren gevaarlijk acht. De reden is dat de ‘diabolische Kraft’ de zwakkeren kan doen buigen en breken. Het mag dan wel een vorm van naturalisme brengen, het is ‘der zersetzende Naturalismus des Wahn­sinns’. Dit gezegd zijnde, gaat de criticus over tot een diepgaande bespreking van de roman.

Opvallend bij Eisner, is dat hij de moord van Raskol’nikov beschouwt als het logische gevolg van de theorie van de Übermensch, die hij in verband brengt met de filosofie van Nietzsche. Het is niet de juistheid van de theorie die Eisner in vraag stelt. Wel suggereert hij dat Raskol’nikov geen Übermensch is. Even origi­neel is dat hij bij de bespreking van Prestuplenie i nakazanie veel aandacht besteedt aan de humor – een gegeven dat in de talrijke essays over Dostoevskij systematisch veronachtzaamd was. De wilde humor, die typisch zou zijn voor de Russische lite­ra­tuur, nuanceert de grauwe sociale ellende. De criticus ziet hierin een cultureel probleem: het feit dat de personages met ironie en satire neergezet worden, maakt hen in de ogen van de niet-Russische lezer vreemd en verwrongen. In het slot van zijn artikel wijst Eisner (1901: 52) op een kwalijk punt dat Dostoevskij gemeen heeft met Tolstoj: als puntje bij paaltje komt zoeken ze allebei hun heil in een roman­tische vlucht uit de wereld. Ze kruipen weg in de ‘culturverleugnende Ein­fachkheit urchristlichen Gemütslebens’. De finale commentaar van de socialist luidt dat Dostoevskij door Plato niet zou worden toegelaten tot zijn academie. Deze stellingname kenmerkt de houding van de progressieve Duitse schrijvers, wier initiële enthousiasme voor de Russische auteur omstreeks de eeuwwisseling bekoeld was.

poritzky: een amalgaam van brandes en zabel, maar vooral zabel

Tot de publicaties over Dostoevskij van rond de eeuwwisseling die het vermelden waard zijn behoort ook de in 1902 verschenen essaybundel Heine, Dostojewski, Gorkij van dr. Jakob Elias Poritzky (1876-1935). De auteur was een in de Poolse stad Lomża geboren jood, die in Parijs en Frankfurt-am-Main toneel was gaan studeren. Na zijn verhuis naar Berlijn in 1876 legde hij zich achtereenvolgens toe op filosofie en op schone letteren, onder andere als criticus. Zoals Poritzky (1902: vii) zelf aangeeft, is het brandpunt van zijn belangstelling in dit boek Nietzsche. Het is de invloed die Dostoevskij op de Duitse filosoof heeft uitgeoefend, die de Russische schrijver in de ogen van Poritzky het behandelen waard maakt. Gezien deze onrechtstreekse interesse wekt het geen grote verbazing dat zijn essay, hoewel omvangrijk, allerminst origineel is.

De opbouw van Poritzky’s artikel en zijn evaluatie van Dostoevskijs werken doen vooral denken aan Zabel (1899). Toch wordt hij niet als bron vermeld; de tekst bevat enkel een verwijzing naar de biografie van Hoffmann (1899). De op­mer­kelijke verwantschap op microtekstueel niveau tussen Poritzky en Zabel laat er echter geen twijfel over bestaan dat de laatstgenoemde literatuurhistoricus door de eerste nagepraat wordt, wat getuigt van zijn positie als autoriteit als Dostoevskij-kenner. Bijvoorbeeld wordt de uitspraak van Zabel (1899: 177) over Brat’ja Kara­mazovy ‘Der ganze Roman ist ein einziger undendlicher Dialog’, door Poritzky (1902: 77) inspiratieloos herschreven tot ‘Der ganze Roman ist ein einziger Dia­log’. Behalve bij de bespreking van de laatste roman komt de invloed van Zabel ook onmiskenbaar tot uiting bij de vergelijking van Bednye ljudi en Dvojnik met Gogol’, de beoordeling van Podrostok en van Besy, waarin de karikatuur van Tur­ge­nev ter sprake komt, en bij de appreciatie van Krotkaja. Ook het dominante thema ligt in de lijn van de kritiek van Zabel: Dostoevskijs naastenliefde.

Een punt waarop Poritzky (1902: 66-7) grondig afwijkt van de lijn van Zabel is Idiot. Hij vindt deze roman, waarvan hij de idealistische trekken erkent, namelijk wel degelijk geslaagd. Wel weidt hij in dit verband uit over het gebrek aan humor van Dostoevskij. Skvernyj andekdot zou zijn ‘einige humorvolle Erzählung’ zijn. In algemenere termen heet het dat het de schrijver zowel aan ‘der Cervantesche Humor’ ontbreekt als aan zelfironie. Een ander verschilpunt met Zabel is dat Poritzky meer aandacht besteedt aan de pathologische aspecten van Dostoevskijs proza. Mogelijk is dit de invloed van de kritiek à la Brandes. Overigens vergist Poritzky (1902: 59) – wellicht niet toevallig – zich net als Brandes in de naam van Dostoevskijs oudste broer. De behandeling van psychopathologische problemen maakt dat sommige lezers niet enkel Dostoevskij, maar ook andere Russen zoals Gor’kij, Sollogub, čechov en Korolenko, en schrijvers als Zola, Maupassant, D’Annunzio, Ibsen en Hauptmann verwerpen. Ter verdediging van Dostoevskij benadrukt de criticus dat het deze schrijver niet om de ziekte als zodanig te doen is, maar wel om medelijden met de zieken. Dit medelijden wordt echter maar magertjes gewaardeerd door het leespubliek:

In Deutschland sind es nicht viele, die das Elend und das Häßliche in der Litteratur, wenn es auch so von Mitleid durchtränkt und so grandios wie bei Dostojewski dargestellt ist, goutieren, und deshalb ist Dostojewski bei uns nicht populär. (Poritzky 1902: 51)

 

dostoevskij overleeft

Na de eeuwwisseling bleef er van de Dostoevskij-rage, enkele enthousiastelingen niet te na gesproken, weinig over. Volgens Kogut (2009: 207) bewijst een enquête gehouden door het Berlijnse literaire tijdschrift Das Literarische Echo in de jaren 1901-05 dat ‘die Vorlieben der deutschen Leser sich hauptsächlich auf Lev Tolstoj und Maksim Gor’kij bezogen’. De eerstgenoemde ontleende zijn populariteit voor­al aan Auferstehung en van de laatstgenoemde aan Drei Menschen en Nacht­asyl.

Omstreeks 1905 was het in Duitsland echter afgelopen met de algemene interes­se voor Russische literatuur. Dit illustreert Hoefert (1974: xii) aan de hand van het volgende, veelzeggende citaat uit Rußlands geistige Entwicklung im Spiegel seiner schönen Literatur van A. Brückner (1908):

Kommt man heute in die Bureaus einer großen Tageszeitung und frägt nach Korrespondenzen und Nachrichten aus Rußland, so weisen die Redakteure auf den Papierkorb: da liegen die teuren Telegramme, wir setzen sie unserm Publikum gar nicht mehr vor, dessen Interesse höchstens ein groß angelegtes Attentat neu beleben könnte. Dasselbe hört man im Theaterbureau: ein rus­sisches Stück? um Himmelswillen nein, wir haben sie gründlich satt. Auch der Buchhändler legt russische Novellen, noch unlängst einen seiner gang­barsten Artikel, mit weisem Vorbedacht lieber weg.

De Ruslandmode ebde weg, maar Dostoevskij bleef. De Duitse naturalisten had­den hem op de kaart gezet om hun beweging kracht bij te zetten, zonder te ver­moeden dat hij hun beweging zou overleven. In tegenstelling tot vele van zijn schrijvende landgenoten die in zijn nasleep in het Duits vertaald waren, was Dostoevskij inmiddels gevestigd als vaste waarde in het centrum van de Duitse literatuur. Dat illustreert ten eerste het feit dat hij een model was geworden voor Duitse schrijvers. Zo erkent Poritzky (1902: 79) Dostoevskijs onuitwisbare im­pact op Nietzsche en op Gerhart Hauptmann (1862-1946), die hij taxeerde als ‘zwei der bedeutendsten Zeiterscheunungen der modernen Litteraturströmung Deutschlands’. De laatstgenoemde (toneel)schrijver, één van de belangrijkste ver­tegenwoordigers van het Duitse naturalisme, zou in 1912 de Nobelprijs voor literatuur krijgen. Dat de canonisering van Dostoevskij een voldongen feit was, blijkt ten tweede uit het project van de Münchense uitgeverij Piper om zijn ver­zameld werk uit te geven in 22 delen. Zoals Kogut (2009: 209-11) toelicht, werd het plan hiertoe opgevat in 1905 door de conservatieve literatuurcriticus Arthur Moeller van den Bruck (1875-1925). Als medewerker werd de in 1907 naar Parijs geëmigreerde Russische schrijver en religieus denker Dmitrij Merežkovskij onder de arm genomen. Hij was in die tijd een van de bekendste Russische literatoren en de door hem geschreven inleidingen onderstreepten het prestigieuze karakter van de onderneming. Als vertaalster werd de schoonzus van Moeller van den Bruck aangenomen, de Baltisch-Duitse Elisabeth Kaerrick die zich hiervoor het pseudo­niem E.K. Rahsin aanmat. Als eerste deel werd in 1906 Die Dämonen heruitge­bracht. Deze keuze is niet toevallig: de belangstelling van het Duitse publiek voor Rusland richtte zich na het verdwijnen van de Ruslandmode vooral op de binnen­landse revolutionaire activiteiten, die sinds de opstand van 1905 wereldwijde be­kendheid hadden gekregen. Het behoefde uiteraard geen manipulatie om Dosto­evskijs roman voor te stellen als ‘das Epos der russischen Revolution’. Am­per vijf maanden na Die Dämonen verscheen Die Brüder Karamasoff. In de drie jaren die hierop volgden was het de beurt aan Dostoevskijs Politische Schriften, Aus dem Dunkel der Großstadt,[45]Aus einem Todtenhause, Das Gut Stepantschikowo und seine Bewohner en Der Idiot.

De genoemde publicaties kwamen het prestige van Dostoevskij zeker ten goede, maar zorgden niet voor een heropleving van de oude rage. Wel werd de Rus­sische schrijver ontdekt door een nieuwe generatie lezers die men in navolging van Kampmann (1931: 31) kan bestempelen als ‘neoromantisch’. De belang­stel­ling voor de metafysische en mystische aspecten van Dostoevskijs werk, waar­voor de Duitse naturalisten hun neus hadden opgehaald, groeide gestaag. Ook ‘dem Ethiker Dostojewski schenkt die Kritik dieser Periode noch mehr Beachtung als die der vergangenen’.[46] De Russische schrijver bleef echter uit het vizier van het grote publiek tot kort na de Eerste Wereldoorlog, toen hij opnieuw het voorwerp werd van een regelrechte cultus.[47]


[1] Espagne (1996: 311).

[2] Volgens de bibliografische inlichtingen van Moe (1981: A 84). Romein (1924: 9) daarentegen twij­felt of het fragment ten eerste in 1846 of 1847 en ten tweede in Blätter zur Literarischen Unterhal­tung dan wel in Deutsches Museum verscheen. Volgens Kogut (2009: 205) is de naam van het tijd­schrift dan weer ‘nicht mehr zu ermitteln’.

[3] In zijn memoires blijkt Fontane (1908) vooral onder de indruk van Wolfsohns kennis van de Rus­si­sche letteren, waarin hij zich door hem liet inwijden. In dit verband noemt hij een resem Russische auteurs die destijds bijna allemaal als klassiek golden: Deržavin, Karamzin, žukovskij, Puškin, Ler­mon­tov, Pavlov – mogelijk wordt Nikolaj Filippovič (1803-64) bedoeld – en Gogol’.

[4] Volgens Dukmeyer (1905: 685) kon de uitgever slechts 50 exemplaren aan de man brengen, “kaum an eine Frau”. Romein (1924: 9) vermeldt een oplage van 200 exemplaren, waarvan er volgens hem 50 verkocht werden als boek en 150 als oud papier. Deze cijfers worden tegengesproken door Zabel (1884b: 333; 1885: 65; 1889: 371), Zajdman (1911: 14) en Ėjchenbaum (1913: 124). Zij maken mel­ding van 150 verkochte vertalingen en van een niet gepreciseerd aantal exemplaren dat verwerkt werd als oud papier. Aangezien Dukmeyer en Romein niet aangeven vanwaar hun cijfermateriaal af­komstig is, wordt hier Zabel gevolgd, die hierover als eerste publiceerde.

[5] Geciteerd naar Romein (1924: 10).

[6] Ibidem.

[7] Palander en niet ‘Pallender’, zoals Romein (1924: 10) zijn familienaam spelt. De Russische litera­tuurgeschiedenissen van Honegger en Palander waren de eerste in het Duitse taalgebied sinds ruim vier decennia. De voorgaande werken met dit onderwerp waren Literärische Bilder aus Rußland (1837, Stuttgart) van H. Koenig en Lehrbuch der russischen Literatur (1837, Leipzig/Riga) van F. Otto. De in 1846 gepubliceerde Geschichte der russischen Literatur (Leipzig) van J.P. Jordan was een bewerking van een Russische literatuurgeschiedenis. Zie Keßler et al. (2008: 116). De geschiedenis van Palander werd in 1882 besproken in Magazin (Jg. 51, Bd. 102, p. 415-6) door M. Lingen.

[8] Palanders bewondering voor Turgenev ging zover, zoals Hellman (2008: 65) aanhaalt, dat hij in 1882 persoonlijk contact opnam met de schrijver om hem de toestemming te vragen om hem zonder financiële vergoeding naar het Fins te laten vertalen.

[9] Hoefert (1974: viii).

[10] Dostoevskij dreef de spot met Turgenev. Zo herkent men hem in het ouderwetse, statige perso­nage Karmazinov van Besy. Zie Belov (2010: 649).

[11] Hoefert (1974: viii).

[12] Omdat in de studie van Von Reinholdt (1882) nog geen sprake is van de vertaling Raskolnikow, kan men vermoeden dat deze, in tegenstelling tot wat Romein (1924: 10-1) meedeelt, voorafgaan­delijk aan de artikelen van Henckel (1882) en Rollard (1882) gepubliceerd werd.

[13] In de jaren 1840 stond de zogenaamde natuurlijke school synoniem voor ‘realisme dat het alle­daagse leven van eenvoudige mensen in de stad en op het land fotografisch uitbeeldt’ (Waegemans 1999: 107).

[14] In feite vonden de eerste epileptische aanvallen van Dostoevskij al plaats voor zijn verbanning. Mogelijk leed hij al aan deze ziekte in zijn vroege jeugd. Zie Frank (1979: 25-6).

[15] William Wilberforce (1759-1833) zette zich in het Engelse parlement in voor de rechten van de zwarten.

[16] Reinholdt misspelt de naam van het hoofdpersonage van Sele Stepančikovo i ego obitateli als ‘Ros­talew’.

[17] Mogelijk was Reinholdt tot deze vergelijking aangespoord door het hem bekende stuk van Hehn (1882), waarin Zapiski iz mërtvogo doma vergeleken wordt met Le dernier jour d’un condamné.

[18] Hoogstens zit er een impliciete verwijzing naar Dostoevskijs etnocentrisme vervat in de uitspraak van Reinholdt (1882: 267) dat de gebundelde reisindrukken Zimnye zametki o letnich vpečatlenijach oninteressant en eenzijdig zijn.

[19] Henckel (1882b: 76).

[20] Ibidem (77).

[21] Dat Dostoevskijs roem wordt afgewogen tegenover die van Pisemskij, die in Rusland sterk aan aan­hang verloor, doet vermoeden dat deze sociaal-revolutionaire schrijver bij de lezers van Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes enige bekendheid genoot.

[22] Aangezien Hallers literatuurgeschiedenis reeds op 15 juli 1881 de censuur passeerde, kan de auteur geen kennis genomen hebben van Henckels artikel. Het werk werd gelijktijdig gepubliceerd in Riga en Dorpat (Tartu).

[23] Rollard (1882: 291).

[24] Hoewel in het artikel van Henckel (1882: 78) Prestuplenie i nakazanie werd aangeduid als Ver­brechen und Strafe, verwijst Rollard (1882) steevast naar deze roman met de inadequaat vertaalde Duitse titel Raskolnikow.

[25] Zie Waegemans (1999: 161).

[26] Geciteerd naar Loew (1991: 78).

[27] Cursivering toegevoegd.

[28] Henckel (1883: 1015).

[29] C-n (1882: 14).

[30] Transsibirien. Mit der Bahn durch Russland und China werd in 2003 heruitgegeven bij Erdmann in Stuttgart. Kennelijk met succes, want in 2008 verscheen een pocketversie (Deutsch National Geographic Taschenbuch) bij Frederking & Thaler.

[31] Zabels artikel ‘Zur Geschichte der revolutionären Bewegungen in Rußland’ werd gepubliceerd in Die Gegenwart, № 3, p. 38-40.

[32] Zabel (1884a: 308).

[33] Cursivering toegevoegd.

[34] Zie Romein (1924: 196).

[35] ‘Porträts aus dem russischen Literaturleben. I. Nicolai Gogol’ in Unsere Zeit, 1883, I, p. 64 e.v.; ‘Porträts aus dem russischen Literaturleben. II. Iwan Turgeniew’ in Unsere Zeit, 1883, II, p. 193 e.v.

[36] Terloops zij opgemerkt dat het personage Sonja volgens Zabel (1884b) geschoeid is op de leest van Victor Hugo’s vrouwen van lichte zeden. Met de vergelijking tussen Hugo en Dostoevskij volgt hij Hehn (1864) en Von Reinholdt (1882). Van belang is ook dat de criticus nu op de criminalistische waarde van Prestuplenie i nakazanie wijst. Voor deze evaluatie refereert hij aan Henckel (1882).

[37] Zapiski iz podpol’ja wordt door Zabel (1884b) zelfs niet vermeld.

[38] De verklaring van Zabel (1885) is in tegenspraak met de biografie van Frank (2003: 361-564), waaruit blijkt dat Dostoevskij in de periode 1878-81, waarin hij Brat’ja Karamazovy schreef, geen geldzorgen had.

[39] Brandes had hierover geschreven in de Neue Freie presse (1883, Nr. 6819-20).

[40] Goldschmidt heeft ook Volkserzählungen (1889) van Tolstoj, tevens uitgegeven bij Reclam, op zijn naam staan.

[41] Ondanks de pogingen van Kogut (2009: 208) om meer te weten te komen, blijven de activiteiten van Minden tot op heden grotendeels in obscuriteit gehuld.

[42] Moe (1981: A85) vermeldt verkeerdelijk dat het een vertaling betreft van het in 1860 gepubliceerde kortverhaal čužaja žena i muž pod krovat’ju.

[43] Volgens Moe (1981: A85) verscheen in 1889 bij Samuel Fischer in Berlijn Der Gatte, een vertaling van Véčnyj muž door August Scholz. Dit is in tegenspraak met de bibliografie van Romein (1924: 199), die melding maakt van een tweede uitgave van Der Hahnrei in dit jaar, bij dezelfde uitgever en van dezelfde vertaler.

[44] Hauswedell (1924: [ii]).

[45] Dit is een vertaling van Zapiski iz podpol’ja.

[46] Kampmann (1931: 59).

[47] Zie de epiloog van dit proefschrift en Romein (1924).


Hoofdstuk IIb. De Franse canonisering

1 De voorgeschiedenis (1840-77)

 

onbekende russische letteren

Voor de jaren 1870 was de kennis van het Franse publiek over Rusland in het algemeen en de Russische literatuur in het bijzonder zo goed als nihil. Het door Boutchik (1947: 10-1) gepresenteerde bibliografische cijfermateriaal illustreert dat Franse vertalingen uit het Russisch vanaf de tweede helft van de 18e eeuw tot 1825 wel voorkwamen, maar slechts bij wijze van uitzondering. Kenmerkend voor de desinteresse van het Franse publiek voor de letterkundige prestaties van de Rus­sen, is dat de eerste Franse vertaling uit het Russisch, een tragedie van Aleksandr Sumarokov, niet in Parijs, maar wel in Sint-Petersburg gepubliceerd werd. Tijdens de Verlichting waren enkele voorname exponenten van de Franse intelligentsia, niet in het minst Diderot, het Russische tsarenhof gunstig gezind. Aan de grond­slag hiervan lag de foute veronderstelling dat Catherina de Grote, die met de ver­lichte ideeën koketteerde, ten gronde verlicht was of het alleszins kon worden. In de omgekeerde beweging, in de overdracht van Russische cultuurproducten naar de Franse geesten, was men echter niet geïnteresseerd. Gezien de tweederangs­positie die het Russisch als literaire taal zelfs in Rusland genoot tot de tijd van Puškin, is dit ook begrijpelijk. Daarnaast bleef men tot de helft van de 19e eeuw in Frankrijk geloven dat, voor zover men zich überhaupt voorstellingen maakte over de Russische literatuur, deze niet meer dan een imitatie was van de Franse.

De pijnlijke nederlaag bij Waterloo die op de Napoleontische invasie in Rus­land volgde, kwam de belangstelling van het Franse publiek voor het tsarenrijk niet ten goede. De exotiserende verslagen van occasionele Ruslandvaarders, zoals La Russie en 1839 (1843) van markies de Custine of Impressions de voyage (1860) van Alexandre Dumas, volstonden ruimschoots om de dorst naar informatie over Rusland van het Franse publiek te stillen. De beschikbare informatie over Rusland was overigens in belangrijke mate foutief, maar hieraan werd geen aanstoot ge­nomen.[1] Zelfs de Franse academische wereld toonde geen belangstelling voor de studie van Rusland of de Russische letteren. Ter verklaring doet Hemmings (1950b: 4) de in 1840 opgerichte leerstoel voor slavistiek van het Collège de France af als een politiek wapen voor de Poolse onafhankelijkheidsstrijders, dat dus gericht was tegen het tsarenrijk. Inderdaad werd de door de Russische auto­riteiten vogelvrij verklaarde Poolse nationale dichter Adam Mickiewicz veel­betekenend aangesteld als eerste professor van de Parijse slavistiek. Zijn opvolgers, Cyprien Robert en Alexander Chodzko, interesseerden zich evenmin voor de Russische letteren; zij waren respectievelijk georiënteerd op de Balkan en op Slavi­sche filologie in enge zin. De al dan niet republikeins gekleurde Franse sympathie voor de Poolse slachtoffers van de Russische autocratie, waarvan velen zich na de mislukte Novemberopstand van 1830 in Parijs hadden gevestigd, ging hand in hand met russofobie. Volgens Chamberlain (1949: 376) kwam Russisch studeren in die tijd neer op blootstelling aan verdachtmakingen. De Russisch-Turkse oor­logen brachten hier geen verandering in. Integendeel, de Krimoorlog betekende een langdurige verduistering van de relaties.[2] Toch plaatste de oorlog Rusland voor de Fransen opnieuw op de kaart, wat in het midden van de jaren 1850 resul­teer­de in een voelbare verhoging van het jaarlijkse aantal vertalingen uit het Rus­sisch. Van een doorbraak van de Russische literatuur in Frankrijk was echter geen sprake. De enige Rus die er bekendheid kreeg was Ivan Turgenev. Dit had hij gro­tendeels te danken aan Prosper Mérimée, die beschouwd mag worden als één van Frankrijks pioniers op het domein van Russische literatuur.

 

mérimée en turgenev

Prosper Mérimée (1803-70) werd in Parijs geboren in een kunstzinnig gezin. Hij studeerde rechten en een aantal vreemde talen. Aan de hand van de Russische litera­tuur bestudeerde hij de Russische taal, die hij bewonderde om zijn idiomen en flexibiliteit. Daarbij werd hij aangemoedigd door zijn mentor Varvara Dubens­kaja. Zij was de ‘demoiselle d’honneur’ van de weduwe van Paul I en de echtgenote van een Franse diplomaat, die haar in Sint-Petersburg had gehuwd.[3] In 1849 be­nut­te Mérimée zijn kennis van het Russisch om de Franse lezers in contact te brengen met Aleksandr Puškin. Zijn vertaling van het kortverhaal Pikovaja dama (Schoppendame) werd geplaatst door Revue des deux mondes, dat de Russische literatuur tot dan, behoudens een handvol artikelen, volledig links had laten lig­gen. Chamberlain (1949: 375) onderstreept dat deze veronachtzaming door de redactie zelf werd toegegeven, maar tegelijkertijd ook vergoelijkt: men beschikte nu eenmaal niet over de noodzakelijke competente critici en vertalers.

Gezien deze lacune was Mérimée, die nu ook stukken schreef over de Russi­sche literatuur en geschiedenis, een unieke bemiddelaar tussen de Russische en de Fran­se cultuur. Behalve werken van Puškin, vertaalde hij ook het toneelstuk Revizor (De revisor) van Gogol’ en prozateksten van Turgenev. De eerstgenoem­de, met wie Mérimée in 1837 persoonlijk kennis had gemaakt, bleef echter on­bekend en onbemind in Frankrijk. Ook een kritisch essay over hem in 1852 ver­anderde hier niets aan. Wel integendeel, zoals Hemmings (1950b: 6) opmerkt, was de balans die Mérimée in 1851 van Gogol’ opmaakte ongunstig: hij berispte de neiging van de Russische auteur om vuile onderwerpen en lage personages uit te beelden. De Franse smaak was kennelijk niet toe aan het Russische realisme in zijn meest oor­spronkelijke vorm.

Bij Turgenev lag de zaak anders: met zijn doorgaans welopgevoede geestes­kinderen en gepolijste liefdeslyriek was hij minder problematisch. In 1854 al pu­bli­­ceerde Mérimée een lovend stuk over Zapiski ochotnika (Aantekeningen van een jager) in Revue des deux mondes, waarin hij benadrukte dat Turgenevs satire van sociale wantoestanden minder bitter smaakt dan die van Gogol’. De Russische auteur, die vaak in Frankrijk verbleef, raakte bekend in literaire kringen. Tegen 1863 waren vrijwel al zijn prozateksten in het Frans beschikbaar.[4] Bijzonder popu­lair was de vertaling Pères et enfants, die amper een jaar na het Russische origineel gepubliceerd werd.

In 1868 wijdde Mérimée een nieuw stuk aan Turgenev. Zijn propaganda wierp haar vruchten af: tegen 1871, het jaar waarin de Russische schrijver zich in Parijs vestigde, was hij in Frankrijk relatief bekend en bemind. De critici die hem behan­delden schilderden hem af als de enige waardevolle of alleszins waardevolste expo­nent van de nieuwe realistische school in Rusland. Zijn roem werd onder­steund door talrijke vriendschappelijke contacten met vooraanstaande Franse schrij­vers, door wie hij zich ook liet beïnvloeden. Chamberlain (1949: 377) acht het be­wezen dat Turgenev een fervent bewonderaar was van Flaubert, die zijn stempel ook op de Rus drukte. Hij maakte tijdens literaire diners ook uitgebreid kennis met George Sand, Alphonse Daudet, Edmont en Jules de Goncourt en émile Zola. Tot zijn Franse vriendenkring behoorden ook, zo blijkt uit zijn door Halpé­rine-Kaminsky (1901) gepubliceerde correspondentie, literaire coryfeeën als Guy de Maupassant, Hyppolite Taine, Théophile Gautier en Charles Augustin Sainte-Beuve. Algemeen wordt aangenomen dat contacten met de Franse schrij­vers en de lectuur van hun werken hem deden afdrijven van het Russische realisme.

Het feit dat Turgenev qua stijl, compositietechniek en onderwerpen be­schouwd kan worden als de meest westerse schrijver van het Russische realisme, was niet alleen een troef, maar in de jaren 1870 een conditio sine qua non om in Parijs op grote schaal geapprecieerd te worden. Aan deze voorwaarde voldeed Dostoevskij, wiens realisme nog grauwer is dan dat van Gogol’, in geen enkel op­zicht. Het is daarom dat Mérimée, die goed geplaatst was om hem in Frankrijk bekendheid te geven, hem van weinig waarde achtte. Dit blijkt vooreerst uit het feit dat de Franse Ruslandkenner hem geen plaats toekende in zijn kritische stuk­ken en niets van hem vertaalde – ondanks het almaar groeiende prestige van Dos­toevskij in Rusland. Ten tweede blijkt dit uit de enige overgeleverde uitspraak van Mérimée over een werk van Dostoevskij. In een brief aan een Russische vrien­din schreef hij de volgende misprijzende woorden over Prestuplenie i nakazanie:

Cédant au désir et à l’insistance de quelques amis russes, j’ai lu Crime et châti­ment, roman de Dostoïevsky. On m’a dit que c’est son chef-d’œuvre. Je vous dirai franchement que, malgré le grand talent de l’auteur, ce roman ne me plaît pas; il y a mis une tension, une exaltation de sentiments qui a nui à la netteté de son observation artistique.[5]

Opmerkelijk is dat Mérimée de roman in verband brengt met de invloed van Victor Hugo. Deze invloed kan hij in het geval van Dostoevskij niet appreciëren. Volgens hem had de Rus er beter aan gedaan zich te laten inspireren door Puškin. Gezien dit strenge oordeel hoeft het niet te verbazen dat Mérimée geen lans brak voor Dostoevskij in een periode dat hij dat voor Puškin, Gogol’ en vooral Turge­nev wel deed.

Behalve de smaak van potentiële Franse pleitbezorgers of Dostoevskijs compo­si­tie­techniek, kunnen ook zijn desinteresse voor de Franse cultuur en zijn venijni­ge rivaliteit met Turgenev zijn populariteit in Frankrijk belemmerd hebben. In ieder geval zou een vriendschapsrelatie met Turgenev hem geen windeieren gelegd hebben, aangezien deze Russische schrijver ernstige pogingen ondernomen heeft om andere Russische schrijvers, of tenminste hun werken, te introduceren bij het Franse publiek. Met name Tolstoj werd door Turgenev actief gepromoot: hij ging zelfs actief op zoek naar een Russische uitgever voor de eerste Franse vertaling van Vojna i mir (Oorlog en vrede) en na publicatie in 1879 verspreidde hij exemplaren onder de toonaangevende Franse critici en schrijvers.[6] Het verhoopte succes bleef evenwel uit. Voor Dostoevskij heeft Turgenev geen promotieacties van die om­vang ondernomen, maar toch heeft hij ook over hem gesproken tegen Franse schrij­vers. Bijvoorbeeld Paul Bourget vernam van hem dat er een Russische schrij­ver met de naam Dostoevskij bestond. Nog afgezien van de vraag of Turge­nev zich enkel positief heeft uitgelaten over Dostoevskij is het een feit dat zolang van hem geen Franse vertalingen beschikbaar waren, lippendienst tegenover potentiële lezers niet veel zin had.

 

vroege pogingen

Hoewel Dostoevskij bij zijn leven een gevierd auteur was in Rusland, werd toen in Frankrijk geen enkele volledige vertaling van hem gepubliceerd. Slechts in 1853 werden fragmenten van Bednye ljudi opgenomen in de bloemlezing Le décaméron russe van Philippe Douhaire. Dit is voor zover bekend de enige vertaling van Dostoevskij die bij zijn leven in Frankrijk verscheen. Wel werden in Rusland zelf meerdere pogingen ondernomen om hem door middel van vertaling bekend te maken bij het Franstalige publiek. In 1866 en 1877 verschenen vertaalde frag­men­ten van Prestuplenie i nakazanie en Krotkaja in respectievelijk Courrier russe en Journal de Saint-Pétersbourg. Het fragment van Krotkaja werd bovendien afzon­der­lijk uitgegeven in Sint-Petersburg. Deze publicaties waren echter in de eerste plaats bestemd voor de Franse lezers binnen Rusland en bleven buiten het bereik van de Franse markt.


2 Ontluikende interesse (1874-81)

 

toenadering tussen frankrijk en rusland

De lange Russisch-Turkse oorlog, die een reeks gewapende conflicten van de jaren 1850 omvat, had Rusland voor de Fransen op de kaart geplaatst, maar de effecten op het culturele en intellectuele leven in Parijs waren verwaarloosbaar klein. De houding van de Fransen ten opzichte van Rusland bleef gekenmerkt door russo­fobie of, in het beste geval, veronachtzaming. Hierin kwam slechts verandering door de Duitse eenmaking, die als bedreigend ervaren werd, en door de Frans-Duitse oorlog van 1870-71, die door Napoleon III verloren werd. Bismarck dreef Frankrijk in de armen van Rusland, dat als oostelijke buur van Pruisen een natuur­lijke bondgenoot vormde. Onder invloed van de internationale politieke gebeurte­nissen – ook de overwinning van Rusland op het Ottomaanse rijk in 1878 speelde hierin een rol – ging de Franse diplomatie met groeiend respect naar Rusland kijken, wat op enkele jaren tijd resulteerde in een opmerkelijke welwillendheid van het Franse publiek jegens Rusland en zijn cultuur. Overigens had de Frans-Russische politieke toenadering ook een economische dimensie. Rusland, dat nog maar aan het begin stond van de industrialisatie, was een interessante afzetmarkt, onder andere voor militair materiaal.[7]

Kenmerkend voor deze kentering is dat in 1874 voor het eerst systematisch onderwijs van de Russische taal werd ingericht in Parijs, meer bepaald door Louis Léger. De rechtstreekse aanleiding voor de oprichting van de école des langues orientales was de nood aan ambassadetolken.[8] Omstreeks het midden van de jaren 1870 werden ook in Rijsel, Lyon en Dijon onderwijsinstellingen voor de Russische taal opgericht. De gloednieuwe sympathie voor Rusland kwam ook tot uiting in de Franse cultuurproductie: in Parijs werden nu toneelstukken opgevoerd met posi­tieve Russische helden en tal van nieuwe Franse romans bevatten Russische personages.[9] Tegelijkertijd werd de belangstelling van het Franse publiek voor ori­gi­nele Russische cultuurproducten geprikkeld. Het prestigieuze tijdschrift Revue des deux mondes publiceerde talrijke artikelen waarin verscheidene aspecten van de Russische cultuur onder de loep werden genomen. In Parijs verschenen in het midden van de jaren 1870 ook twee Russische-literatuurgeschiedenissen. Alfred Rambaud, die enkele jaren later de Russische geschiedenis zou behandelen, publi­ceerde een boek over de allervroegste, epische Russische literatuur. Van Céleste Courrière, die eerder een brochure had geschreven over Rusland en Polen, ver­scheen een geschiedenis van de eigentijdse Russische literatuur. Deze Histoire de la littérature contemporaine en Russie was de allereerste Franse literatuur­geschiedenis waarin Dostoevskij behandeld werd.

 

courrière: dostoevskij en het nihilisme

In het voorwoord van zijn Russische-literatuurgeschiedenis onderstreept Cour­rière (1875: i-viii) dat de appreciatie van de literatuur van een land een noodzake­lijke voorwaarde vormt om dit land te leren kennen, waarna hij erop wijst dat sinds de laatste oorlog de publieke opinie gunstig gestemd is jegens Rus­land. Hij bedoelt dat de Franse lezer zich dient te verdiepen in de Russische literatuur, waarvan hij het bestaan niet eens vermoedde, om de simpele en goede reden dat Rusland een bondgenoot tegen Duitsland is geworden. De auteur geeft ook richt­lijnen over hoe de Russische literatuur gelezen moet worden. Literatuur is, zoals het intellectuele leven van een natie in het algemeen, nauw verbonden met zijn historisch lot. Dit lot is in het geval van de Russen zonderling en uniek. Niet­temin kunnen Puškin, Lermontov, Gogol’ en Belinskij beschouwd worden als echte Europese schrijvers. Deze kwalificatie wordt door Courrière (1875: iv) niet ge­bruikt bij Turgenev, Pisemskij en Dostoevskij, die de Russische literatuur ge­maakt hebben tot ‘l’écho fidèle des souffrances, des agitations et des aspirations de la société’. Zij vormden de škola natural’naja, die protesteert tegen de sociale wan­toestanden. Deze nieuwe school is ontstaan onder invloed van de hervormingen van 1861 onder het vaandel van het ‘réalisme populaire’. Deze verbazend snelle ontdekking van het realisme kan verklaard worden door het praktische en positie­ve karakter van de Groot-Rus en door de invloed van de Engelse en de Duitse literaturen. In dit verband wijst de literatuurhistoricus op de geringe populariteit van de Franse roman in Rusland. Hij begrijpt deze ook, aangezien hij zichzelf er­gert aan de gepolijste vorm, maar tekortschietende ideële dimensie van de gemid­del­de Franse roman:

Nos chefs-d’œuvre littéraires sont des objets d’art, brillants, fantaisistes et légers; on dirait des bijoux sertis avec grâce et élégance, mais il ne faut pas, en général, leur demander la profondeur de la pensée, car le sujet est ordinaire­ment médiocre et monotone. (Courrière 1875: vi)

Hier tegenover wordt de Russische geest geplaatst, die meer affiniteiten zou hebben met de Engelse en Duitse mentaliteit, met als gevolg dat de nationale literatuur filosofische, sociale en politieke problemen behandelt. Het feit dat de Russische roman ‘instruit, prêche, moralise, développe une these quelconque’, wordt door Courrière (1875: vii) toch maar magertjes op prijs gesteld: als gevolg van het verplichte positivisme en realisme zijn bepaalde vormen van kunst, zoals poëzie, onmogelijk geworden, terwijl andere kunsten, zoals drama en theater, gedegenereerd zijn. Het is al satire wat de klok slaat. Literatuur is in het maat­schap­pelijke debat belangrijker geworden dan de pers. Tot slot van zijn voor­woord, dat geschreven werd eind 1874, vraagt Courrière (1875: viii) zich hardop af wat de toekomst voor de Russische literatuur zal brengen, nu de maatschappe­lijk hervormingen zich gestaag doorzetten en de grote schrijvers hun pen hebben neergelegd en er het zwijgen toe doen. Deze uitspraak doet alleszins Dostoevskij onrecht aan, aangezien zijn schrijverschap en maatschappelijk engagement op dat ogenblik in volle bloei waren.

In zijn literatuurgeschiedenis besteedt Courrière (1875: 245) bijzondere aan­dacht aan Turgenev, die hij beschouwt als de ‘chef de l’école naturelle’ en behan­delt in aparte hoofdstukken. Dostoevskij staat enigszins in zijn schaduw, maar krijgt toch ook ruime plaats toebedeeld: vier van zijn werken worden besproken. Bednye ljudi en Unižennye i oskorblënnye worden terloops aangeraakt in hoofd­stuk­ken die niet specifiek over Dostoevskij gaan en Prestuplenie i nakazanie en Besy worden uitgebreid behandeld in een apart hoofdstuk.

Dostoevskijs debuut Bednye ljudi wordt voorgesteld als typisch voor de natu­ral’­naja škola. Trouw aan de traditie van Gogol’ wekt het een glimlach op waar­achter tranen verborgen zitten. In overeenstemming met deze visie, worden de komische aspecten van dit verhaal in de verf gezet: de personages, exponenten van de kleine burgerij, hebben komische eigenschappen, maar precies daarin wekken ze medelijden op. Ter illustratie zijn twee vertaalde fragmenten opgenomen van in totaal een veertigtal regels. Het eerste fragment beschrijft hoe de zielige oude man Pokrovskij met boeken beladen achter de doodskist van zijn zoon loopt, terwijl hij geteisterd wordt door de weersomstandigheden. In het tweede fragment springt er een knoop van de sjofele kledij van een ambtenaar, Makar Devuškin, precies wan­neer hij tegenover een hoogwaardigheidsbekleder staat. De keuze om tekstfrag­men­ten in te lassen tonen aan dat de literatuurhistoricus hoog opliep met Bednye ljudi. Een heel ander waardeoordeel treft Unižennye i oskorblënnye, waarin Cour­rière (1875: 283) een herhaling ziet van hetzelfde thema. Interessant is dat hij bij de beschrijving van de plot Alëša voorstelt als de ontvoerder van Nataša, terwijl ze de facto samen de benen nemen. Het personage dat de voorkeur van de criticus geniet is Nelli, de buitenechtelijke dochter van vorst Valkovskij. Omdat ze zelf altijd slecht behandeld werd, schept ze er plezier in om mensen te ergeren en hen het hoofd te bieden. Toch weegt ze in de ogen van Courrière (1875: 284), die zich nu tot uitgesproken kritiek laat verleiden, niet op tegen de tekortkomingen van de roman: ‘ses rares qualités sont noyées dans des longueurs et une diffusion qui en­gendrent l’ennui’. Met andere woorden is de stijl van Dostoevskij gebrekkig.

Van Dostoevskijs grote post-Siberische werken behandelt Courrière er slechts twee. Zapiski iz mërtvogo doma en Idiot laat hij buiten beschouwing, Podrostok was nog niet gepubliceerd en Brat’ja Karamazovy nog niet geschreven. Zijn roman­selectie is gestuurd door zijn interesse voor het Russische nihilisme, die op zijn beurt aangewakkerd was door de oprichting en het neerslaan van de Commune de Paris in 1871. De nihilistische theorie vormt volgens de Franse literatuurhistori­cus één van de belangrijkste onderwerpen van de naturál’naja škóla sinds de her­vormingen van Alexander II. Hij maakt het onderscheid tussen het doctrinaire nihilisme, dat behandeld wordt door Turgenev in Otcy i dety (Vaders en zonen), het praktische nihilisme, dat beschreven wordt door Pisemskij, en het sociale nihilisme, dat Dostoevskij tot onderwerp van twee romans heeft gemaakt: Pre­stu­plenie i nakazanie en Besy

De manier waarop Courrière (1875: 321-2) de eerstgenoemde roman intro­duceert bij zijn lezers is uitermate literair, zeker naar de normen van het literatuur­historische genre. Om een idee te geven van de huiveringwekkende indruk die men ervaart bij de lectuur van Prestuplenie i nakazanie verzoekt hij de lezers in een beeldrijke taal om zich een ongezond riekende fantasmagorische wereld voor te stellen die bevolkt wordt door sinistere figuren. Vervolgens wordt de zwarte kamer van de geest van één van hen opengesteld voor de lezer, die getuige wordt van ‘des enfantements de la pensée qui vous inspirent que de l’horreur’. Dat Cour­rière niettemin van oordeel is dat de confrontatie de moeite loont, blijkt uit zijn uitspraak dat men pas bij de derde of vierde lezing van het boek controle krijgt over de vreemde sensaties die men ervaart en de tentoongestelde psychologische feiten weet te ontleden. Na deze originele inleiding, die teergevoelige zielen in ge­lijke mate ontmoedigt als ze sensatiebeluste zielen nieuwsgierig maakt, gaat hij over tot een samenvatting en algemene interpretatie van de plot.

Raskol’nikov wordt afgeschilderd als een fiere jongeman die onder invloed van zijn erbarmelijke levensomstandigheden in de ban raakt van de idee dat een moord op een oude woekeraarster gerechtvaardigd is. Zijn theorie, die mensen in twee categorieën opdeelt, wordt gedetailleerd uit de doeken gedaan en geïllu­streerd aan de hand van een vertaald tekstfragment. De theorie is echter dode letter, tot Raskol’nikov op café door een mysterieuze toevalligheid een gesprek opvangt waarin een eventuele moord op de vrouw in kwestie wordt goedgepraat. Voor Courrière (1875: 325) is het precies aan deze schok te wijten dat de theorie ook in de praktijk wordt gebracht. Tevens interessant is de stelling dat de straf die op de moord volgt, de innerlijke onrust waardoor Raskol’nikov gegrepen wordt, al is ingetreden op het ogenblik dat hij de moord beraamde. Uiteindelijk vindt hij soelaas bij de jonge, sympathieke prostituee Sonja, die hiervoor door Dostoevskij als instrument in het leven werd geroepen.

Uit zijn slotwoord over Prestuplenie i nakazanie blijkt dat Courrière (1875: 328) het hoofdpersonage niet zozeer als een sociaal type beschouwt, maar wel als de incarnatie van de strijd van de nihilistische theorieën met de realiteit. Als sterk punt van de roman noemt hij de doorgedreven psychologische analyse, die volgens hem echter ook wel vermoeiend en zenuwslopend is en indrukken nalaat die men niet licht kwijtspeelt. De personages van de auteur, die over een grote verbeel­dings­kracht beschikt, zijn allemaal gek, ziek of epileptisch. Hieraan dankt hij zijn belangrijke, maar geïsoleerde positie binnen de Russische letteren. Tot dusver de analyse van de Franse literatuurhistoricus, die zijn waardeoordeel over Dostoevskij niet duidelijk uitspreekt.

Meer nog dan bij de bespreking van Prestuplenie i nakazanie staat het maat­schap­pelijke fenomeen van het nihilisme centraal in de bespreking van Besy, wat gezien de inhoud van de roman ook logisch is. Ditmaal is dit fenomeen, dat in geen enkel opzicht op de goedkeuring van Courrière kan rekenen, niet in één personage, maar in een groep personages uitgebeeld. Het is Dostoevskij vooral te doen om de psychologische effecten en de sociale impact van het nihilisme. De gemene deler van het bonte gezelschap is de morele deformatie. Een zevental personages wordt nader besproken. Stavrogin heeft ziek bloed; hij is bereid tot alles in ruil voor beestachtig genot. In dit verband wordt gewezen op de uitspraak dat zelfs Markies de Sade bij hem in de leer zou kunnen gaan en dat hij kleine kinderen ontucht aanleert. Verchovenskij is het prototype van de agitator en samenzweerder. Hij blijft in nauw contact staan met de maatschappij, die hij als een intrigant weet te bespelen. šatov is een zwakke figuur. Kirillov is een filosofi­sche maniak, die aan dezelfde ziekte als Raskol’nikov lijdt. Hij beschouwt zelf­moord als het logische gevolg van beredeneerde ongelovigheid. Zijn epilepsie­aanvallen worden geduid met een citaat over het momentane gevoel van harmonie met de natuur, waarin een heel leven besloten ligt. In tegenstelling tot šatov en Kirillov, die autonoom zijn, treden Tolkačenko, Erkel en šigalev op als echte satel­lieten van Verchovenskij.

Nadat hij het bonte revolutionaire gezelschap heeft voorgesteld, buigt Cour­rière (1875: 333) zich over de vraag wat het doel van deze nihilisten is. Ze verschil­len van de Franse socialisten, omdat er in Rusland niet genoeg proletariërs zijn om tegen het kapitaal ten strijde te trekken. Ze wensen tezamen met de westerse socialisten de absolute gelijkheid. Echter niet wat rijkdom betreft, maar wel in morele zin. Hun doel is de vernietiging van de ontwikkeling en in die zin zijn het vijanden van Cicero, Copernicus en Shakespeare. Hoewel Courrière oog heeft voor de specificiteit van het Russisch nihilisme, onderstreept hij dat het als maat­schappelijk fenomeen overal in de moderne wereld aanwezig is. Het is de verdien­ste van Dostoevskij dat hij, evenals Pisemskij, de nieuwe theorieën van Nečaev en consorten inzichtelijk maakt.

fleury: naar aanleiding van het overlijden van dostoevskij

Afgezien van de aandachtige lezers van Courrière’s Russische literatuurgeschiede­nis en een handvol specialisten bleef de naam van Dostoevskij in Frankrijk on­bekend. Zijn plotse overlijden en pompeuze begrafenis begin 1881 werden door de Franse pers dan ook niet beschouwd als een historische gebeurtenis.

De schrijver Jean Fleury (1816-94) trachtte aan deze onkunde een mouw te passen met een artikel in Revue politique et littéraire, het weekblad dat later be­kend zou worden onder de naam Revue bleue. Als ervaren bemiddelaar tussen de Franse en Russische cultuur was hij hiervoor ook bijzonder geschikt: hij doceerde op dat ogenblik Frans aan de Universiteit van Sint-Petersburg en werkte mee aan de literaire rubriek van Journal de Saint-Pétersbourg. Bovendien was hij de vader van Alice Fleury, die in de late jaren 1870 onder het pseudoniem Henry Gréville zedenromans met een Russische setting had gepubliceerd.[10]

De rechtstreekse aanleiding voor het artikel van Fleury (1881) was het verlies voor Rusland van twee van zijn grootste romanschrijvers op amper een week tijd: Pisemskij en Dostoevskij. Net als bij Courrière, die voor het op één hoop gooien van grote namen en onbelangrijkere namen bekritiseerd werd door Hemmings (1950b: 11), worden deze schrijvers bij Fleury in één adem behandeld, en als gelijk­waardige schrijvers. Meer specifiek worden ze, in een comparatief perspec­tief, voorgesteld aan het Franse dagbladpubliek aan de hand van selecte biogra­fische bijzonderheden en een analyse van hun hoofdwerken. In veel opzichten worden ze afgebeeld als elkaars tegenpolen. Pisemskij leidde een gewoon, zelfs gezapig leven. Dostoevskij, aan wie verkeerdelijk het geboortejaar 1823 wordt toegeschreven, kende daarentegen een ruw bestaan. Terwijl de eerstgenoemde goedlachs was, is de laatstgenoemde nerveus en mystiek. Zijn satire is bitter. Ze hebben wel gemeen dat ze de naturalistische school aanhangen. Als zodanig maken ze aanspraak op de neutrale uitbeelding van de realiteit. Hun voorkeur gaat uit naar de kleine mensen. Bij Pisemskij worden deze vulgairder neergezet dan bij Dostoevskij, al wil dit niet zeggen dat deze laatste hen idealiseert. Wel dringt hij dieper door tot hun ziel. In dit verband waarschuwt Fleury (1881: 279): ‘ses analyses psychologiques sont parfois d’une profondeur effrayante’. Om het ver­schil tussen de schrijvers te duiden zoekt de criticus vergelijkbare westerse schrij­vers: terwijl Pisemskij doet denken aan Thackeray, lijkt Dostoevskij op Dickens, maar dan wel ‘un Dickens incertain, morcelé’.

De politieke samenzwering waar Dostoevskij aan deelnam, wordt door Fleury (1881: 279) niet staatsgevaarlijker voorgesteld dan deze in realiteit was: de betrok­ken personen liepen eerder rond met aspiraties dan met plannen. Zonder pathos wordt meegedeeld dat de jonge schrijver hiervoor ter dood veroordeeld werd en dat zijn straf pas werd omgezet in dwangarbeid toen hij voor het vuurpeloton stond. De ballingschap van Dostoevskij wordt geschetst als een periode van lijden, wat in overeenstemming zou zijn met het sombere en bittere dat aan zijn werken kleeft. Interessant is dat de criticus behalve sympathie voor de lijdende mensen, ook ironie, woede en verachting voor de mensheid in het werk van Dostoevskij vaststelt.

Unižennye i oskorblënnye wordt volgens Fleury (1881: 279) gekenmerkt door continuïteit met het pre-Siberische werk van de auteur. Hij ziet hierin, overigens net als Courrière (1875), niets anders dan een zwakke echo van de superieure debuutroman Bednye ljudi. Enkel Nelli weet hem een positieve noot te ontlokken: dit personage is zeer origineel en krachtig neergezet. Over Zapiski iz mërtvogo doma wordt droogjes meegedeeld dat dit feitenrelaas over de strafkampen geboek­staafd staat als één van Dostoevskijs beste werken.

De voorkeur van Fleury gaat echter duidelijk uit naar Prestuplenie i nakazanie, dat de lezer volgens hem diep onder de indruk brengt. Zijn lof gaat met name uit naar de ongezien doorgedreven psychologische analyse van de roman. De plot wordt voorgesteld in een notendop. Opmerkelijk is dat Sonja beschouwd wordt als ‘une fille perdue, mais relativement honnête’,[11] bij wie Raskol’nikov tevergeefs verstrooiing tracht te vinden. De roman in zijn geheel doet denken aan Thérèse Raquin van Zola, dat eveneens in 1866 gepubliceerd werd. Er is echter een cruciaal verschil: ‘Il y a plus de l’homme chez Dostoievskii, et plus de la bête chez M. Zola’. Met deze uitspraak levert de criticus een aanzet om de Rus tegen de Franse natura­listen uit te spelen, wat later uitgewerkt zou worden door De Vogüé. Dat Prestu­plenie i nakazanie begrepen kan worden als een roman over het nihilisme, zoals Courrière (1875) had benadrukt, wordt door Fleury opvallend genoeg niet ex­pliciet vermeld. Dit is wel het geval bij de bespreking van Besy. De criticus verdui­de­lijkt dat deze roman de Russische nihilisten ertoe dreef om de auteur in het reactionaire kamp te plaatsen. Toch bleef de liberale jeugd hem bejegenen met sympathie.

De vijfde en laatste roman van Dostoevskij die aangeraakt wordt, is Brat’ja Karamazovy. De drie broers en de vader vertegenwoordigen, aldus Fleury (1881: 280), de belangrijkste typen van de hedendaagse Russische maatschappij. Inter­essant is dat Alëša niet bepaald wordt gezien als een positief personage: hij wordt slechts omschreven als ‘un mystique, qui croit à toutes les utopies et à toutes les doctrines mystérieuses’. Wat de Karamazovs verbindt en drijft, is dat ze absoluut geen logica volgen. Ze beweren een doel te hebben, maar zijn ten prooi aan de gebeurtenissen die hen overkomen.

De laatste roman van Dostoevskij wordt aangegrepen om zijn gebreken aan te kaarten, wat bijzonder uitgebreid gebeurt. Fleury (1881: 280) onderscheidt er drie: de onlogische compositie, de overdrijvingen en het misbruik van politieke uitweidingen. Met betrekking tot het eerste gebrek meent de criticus dat ‘pour être goûtés du public français, les romans de Dostoievskii auraient besoin d’être refondus et mis au point comme certaines œuvres de l’érudition allemande’. Het tweede gebrek maakt dat de psychologie van Dostoevskij dikwijls psychiatrie is. In overeenstemming hiermee maken zijn romans vaak de indruk van een nacht­merrie. Het derde gebrek, de politiek getinte uitweidingen in zijn romans, zou het geduld van de Russische lezers op de proef gesteld hebben. Het is om hieraan een mouw te passen dat Dostoevskij begonnen zou zijn met Dnevnik pisatelja.

In het slot van zijn stuk, waarin ook het leven en werk van Pisemskij behandeld wordt, ontdekt Fleury (1881: 281) nieuwe punten van vergelijking tussen beide schrijvers. Dostoevskij is overleden terwijl zijn talent in volle bloei was. Pisemskij daarentegen had reeds alles gezegd wat hij te zeggen had. Beide schrijvers hebben een hang naar pessimisme, in die zin dat ze de vuile kant van de menselijke natuur bestuderen. De criticus behoedt de Franse lezer ervoor om hieruit te concluderen dat het met Rusland triest gesteld is: dit zou even fout zijn als het beoordelen van de Fransen op basis van de naturalistische romans. Het pessimisme van beide auteurs is op één punt verschillend: het kwaad wordt door beiden erkend, maar waar Pisemskij zich concentreert op het betreurenswaardige verleden, is Dosto­evskij hoopvol over de toekomst. Het is volgens Fleury hieraan te danken dat zijn dood in Rusland de omvang van een historische gebeurtenis heeft aangenomen: ‘C’est le poète de son espérance que la jeunesse pleure en Dostoievskii’.


3 Le crime et le châtiment en de eerste kritiek (1884-85)

 

van geen vertalingen tot twee vertalingen

In principe was het receptieklimaat voor Dostoevskij in Frankrijk omstreeks 1881 uiterst gunstig. Onder invloed van internationale politieke factoren was de russo­fobie van het publiek reeds een decennium eerder omgeslagen in een welwillende houding jegens de Russische grootmacht. Toch was het pover gesteld met de in­teresse voor originele Russische cultuurproducten. De gematigd enthousiaste voor­stelling van Dostoevskij door Courrière (1875) en Fleury (1881) leidden niet onmiddellijk tot de publicatie van vertalingen in Frankrijk zelf. Overigens hadden zij ook nergens hun hoop uitgedrukt dat vertalingen zouden worden gemaakt. Wel plaatste Journal de Saint-Pétersbourg in 1881, waarschijnlijk op voorspraak van Fleury, de Franse vertaling Les humiliés et offensés van Ed. Humbert.

Dat de Franse boekenmarkt zich in weerwil van de gunstige receptiefactoren in eerste instantie afzijdig hield van Dostoevskij, is te verklaren door de dominante positie van de Franse literatuur in het Europese macroperspectief. Deze culturele dominantie ging gepaard met een algemeen verspreid cultureel superioriteits­gevoel. Aangezien men er automatisch vanuit ging dat de cultuurproducten die men zelf maakte van hoogstaandere kwaliteit waren, was men niet licht geneigd om aan buitenlandse literatuur veel aandacht te besteden. De culturele honger naar Rusland werd simpelweg gestild door Franse auteurs en toneelschrijvers zelf, die voor de gelegenheid romans en toneelstukken schreven met Russische perso­nages en setting.

Hoe groot de bezwaren tegen buitenlandse cultuurproducten waren, blijkt uit de vruchteloze poging van de Duitse vertaler Wilhelm Henckel om Prestuplenie i nakazanie ingang te doen vinden in Frankrijk. In zijn propaganda-ijver bezorgde hij zijn Raskolnikow korte tijd na publicatie in 1882 aan een aantal vooraanstaan­de schrijvers en critici buiten de grenzen van Duitsland. Zoals eerder vermeld, ont­ving ook Émile Zola een exemplaar, met de boodschap dat het werk de aandacht van de Franse lezers verdiende. De hoofdman van het Franse naturalisme kreeg van de Franse uitgevers echter te horen dat in Frankrijk geen vertalingen gelezen worden. Hij berichtte hierover in een eerder geciteerde brief aan Henckel. Daarin sprak hij tussen de regels zijn hoop uit dat de bezwaren tegen de publicatie van ver­talingen uit het Russisch in de toekomst zouden wegvallen. Deze hoop bleek gerechtvaardigd en werd sneller bewaarheid dan hij vermoedde: in hetzelfde jaar 1884 al rolden in Parijs, ongeveer gelijktijdig, de vertalingen Les humiliés et offensés en Le crime et le châtiment van de pers.

De uitgeverij van beide vertalingen was niet de minste: met zijn decennialange ervaring en verleden als uitgever van de correspondentie van Lodewijk XIII, Marie-Antoinette en Napoléon genoot Plon in Parijs groot aanzien. De dienst­doende vertalers waren respectievelijk éd. Humbert en Victor Derély. Over de eerstgenoemde is weinig bekend. In bibliografieën en catalogi van antiquariaten wordt hij enkel vermeld als vertaler van het genoemde werk. Mogelijk leefde hij in Petersburg, aangezien zijn Les humiliés et offensés er in 1881 gepubliceerd was door Journal de Saint-Pétersbourg. De laatstgenoemde vertaler was in 1840 geboren in Parijs, waar hij studies had gevolgd aan de École normale supérieure.[12] Le crime et le châtiment was zijn eerste vertaling uit het Russisch van in totaal acht vertalingen van vier verschillende Russische auteurs. Behalve twee andere werken van Dosto­evskij zou hij later ook Leskov, Pisemskij en de fysioloog Ivan Sečenov vertalen.

De publicatie van twee vertaalde romans van Dostoevskij vormde het start­schot voor het ontstaan van een relevante Franse Dostoevskij-kritiek. Ook critici die het Russisch niet machtig waren konden zich nu over hem uitspreken. Toch waren het in 1884 bijna exclusief de Ruslandkenners die met Dostoevskij dweep­ten. Enkelen onder hen grepen de gelegenheid aan om hem te propageren bij het Franse publiek.

 

barine: ‘la plainte d’un peuple malade’

In 1884 nog plaatste het politiek-literaire tijdschrift La revue bleue een stuk over Dostoevskij van Louise-Cécile Vincent (1840-1908). Om serieus genomen te worden zag deze historica en critica, geboren in Rochelle als Bouffé, zich als vrouw gedwongen om zich te verschuilen achter een mannelijk pseudoniem: Arvède Barine.[13] De keuze voor een Russische naam getuigt van haar grote belangstelling voor Rusland en de Russische taal, die ze zich ook eigen had gemaakt. Dostoevskij had ze in het Russisch gelezen en wilde ze met haar stuk niet enkel uit de onbe­kend­heid halen, maar ook geliefd maken.

Dostoevskij wordt door Barine (1884) besproken in zijn Russische context. Ze gaat ervan uit dat zijn werken – behalve de vertaalde romans raakt ze ook Bednye ljudi en Besy aan – in nauw verband staan met de Nikolaïtische onderdrukking, waarvan ze een korte historische uiteenzetting geeft. Het is dus niet verbazend dat ze reeds in haar inleiding een alles behalve rooskleurig beeld van Dostoevskij op­hangt:

Il a laissé une oeuvre assez nombreuse, dont la tristesse n’a jamais été surpassée dans la littérature d’aucun pays. En le lisant, on croit entendre ou, plutôt, on entend la plainte d’un peuple malade, qui se sent devenir fou. (Barine 1884: 801)

Het is de overtuiging van Barine dat ook Dostoevskij gek zou zijn geworden in­dien hem het sombere drama van zijn Siberische dwangarbeid en ballingschap niet was overkomen. Deze ervaring, die centraal staat in de biografische excursie, was heilzaam omdat Dostoevskij op die manier onttrokken werd aan de morele en intellectuele atmosfeer van Nikolaas I. Dat Barine (1884: 803) van het gezelschap waartoe in die tijd Dostoevskij behoorde een verkeerd beeld heeft, blijkt uit haar opmerking dat Besy hieraan refereert. Een citaat van Verchovenskij, gericht tegen cultuur en kennis, moet verduidelijken hoe het gesteld was met het gedachtegoed van Dostoevskij en zijn vrienden tussen 1840 en 1850. Deze voorstelling is in flagrante tegenspraak met het feit dat Besy, overigens in sterke mate gebaseerd op de Nečaev-affaire, een uitbeelding is van de nihilistische groeperingen van de jaren 1860.[14] Wel wordt bij Barine de misdaad van Dostoevskij tot zijn ware proporties herleid: hij heeft slechts een brief van Belinskij voorgelezen en is nooit revolutio­nair geweest. Tijdens zijn strafervaring hielden twee zaken Dostoevskij recht: zijn herinnering aan zijn eerste bezoek aan Belinskij en het evangelie, dat hij liet lezen aan medegevangenen. Deze laatsten worden door Barine (1884: 804) sterk ge­romantiseerd: ‘Des forçats n’avaient commis d’autre crime que de sauver leur fille ou leur femme du caprice du maître’. Het leven dat Dostoevskij leidde na zijn louterende straf is voor Barine (1884: 5) van geen tel. Ze werkt het af in twee zin­netjes, waarbij ze een verkeerd sterftejaar vermeldt: ‘Il travailla beaucoup, voyagea, se maria. Il est mort en 1880.’

De enige roman waarvan de critica een analyse geeft is Prestuplenie i nakazanie, dat ze beschouwt als Dostoevskijs hoofdwerk. In de geschiedenis van Raskol’nikov ziet ze de uitbeelding van de elite van de Russische jeugd omstreeks het midden van de 19e eeuw. Dat is ook meteen de verklaring die ze geeft voor haar uitspraak dat de lezers het boek niet konden uitlezen omdat ze er ziek van werden. Ook bij buitenlanders zou het nachtmerries oproepen. Dit gezegd zijnde, gaat Barine (1884: 805) over tot een geëmotioneerde bespreking van de idee-fixe van het hoofd­personage. Interessant daarbij is dat ze de verwarring waardoor Raskol’nikov gegrepen wordt nadat hij zijn theorie in praktijk heeft gebracht, als typisch be­schouwt voor het Russische karakter, dat ze vergelijkt met dat van Hamlet. Ande­re voorbeelden van twijfelende, onmachtige zielen zijn šatov en Stavrogin uit Besy en Alëša uit Unižennye i oskorblënnye. Het is precies omdat hij zich bewust is van zijn onmacht, dat Raskol’nikov zich gaat aangeven. In de visie van Barine (1884: 506) heeft dit niets te maken met berouw. Ook in de nervositeit van dit hoofd­personage ziet ze een typisch Russisch verschijnsel. Deze prikkelbaarheid wordt – zeer origineel, om niet te zeggen zonderling – verklaard door de politiek van Nikolaas I:

L’empereur Nikolas a détraqué les nerfs du pays et il l’a laissé dans l’état mental où est l’Hamlet de Shakespeare au 3e acte, lors de la scène du rat: le cerveau encore lucide, mais ne gouvernant plus entièrement son cerveau. (Barine 1884: 807)

Tot slot van haar artikel besteedt de critica, zoals Fleury (1881) haar dit had voor­gedaan, aandacht aan de gebreken van de schrijver, die wat haar betreft in de eerste plaats zijn eigen Russische generatie uitbeeldt: hij is vaak langdradig en verward, als authentiek realist bespaart hij de lezer zelfs het gebazel en de uitweidingen van zotten niet, hij toont teveel minachting voor compositietechniek en is soms sim­pelweg vervelend. Volgens het oordeel van Barine wegen zijn kennis van het men­se­lijke hart, verbeeldingskracht en dramatiek hier echter overtuigend tegen op.

 

dupuy en sarcey

In 1885 verschenen in Parijs twee publicaties die elk op hun eigen manier signifi­cant zijn voor de allervroegste Franse Dostoevskij-receptie: een overzicht van de 19e-eeuwse Russische literatuur van Ernest Dupuy, volgens Mortier (1967: 777) de eerste Russische literatuurgeschiedenis ‘qui connaisse une réelle diffusion’, en een artikel over Le crime et le châtiment van Francisque Sarcey.

In Dupuys Les grand maîtres de la littérature russe au dix-neuvième siècle, dat ook enkele herdrukken kende, worden op oppervlakkige wijze het leven en werk besproken van Gogol’, Turgenev en Tolstoj, terwijl Dostoevskij niet eens vermeld wordt. Kennelijk beschouwde Dupuy hem niet als ‘un grand maître de la littéra­ture russe’. Dit oordeel ten spijt, werd de Franse onbekendheid van Dostoevskij doorbroken dankzij het succes van Le crime et le châtiment in 1885. Naar aan­lei­ding van de opgang die deze roman in Parijs maakte, publiceerde journalist en criticus Sarcey in de zomer van 1885 een lange recensie in La nouvelle revue.

In zijn veertien pagina’s tellend stuk komt Sarcey (1885) niet toe aan een ge­degen analyse van de behandelde roman. Dit is ook zijn doel niet: veeleer wil hij de lezer deelgenoot maken van een leeservaring die hem volledig overrompeld heeft. Hij geeft in de inleiding van zijn stuk aan dat wanneer de grootste verdienste van een boek erin bestaat de lezer uit zijn lood te slaan, Prestuplenie i nakazanie beslist een van de beste romans is die sinds een halve eeuw verschenen zijn. Om te be­wijzen dat de emoties tijdens de lectuur niet uit te drukken zijn, parafraseert hij uitgebreid de hoofdintrige. Hierbij worden stukken dialoog geciteerd. De lezer van het artikel wordt op die manier, door de ogen van Sarcey, een tweedegraads­lezer van Dostoevskijs roman. De bewondering van de criticus voor de vreselijke waarheid van het verhaal, van de moord en de zelfaangifte, is zeer groot. Van de spelletjes die Porfirij met de moordenaar speelt is hij diep onder de indruk. De nevenverhaallijnen en -personages lijken hem minder te interesseren.

Met behulp van verscheidene westerse aanknopingspunten tracht Sarcey de Russische schrijver nader te bepalen. Net zoals Barine (1884) vergelijkt hij Dosto­evskijs geesteskind met een Shakespeariaans type. Ditmaal is het echter niet Hamlet, maar Macbeth. Ook Edgar Poe wordt erbij gehaald: Dostoevskij creëert een gelijkaardige sfeer, waarbij men niet weet of men in de realiteit dan wel in een droom is. In de intrige ziet Sarcey (1885: 859) een filosofische variatie op Gaboriau, de pionier van de moderne detective. In zijn conclusie heet het ook dat Dostoevskij een soort van mystieke Balzac is. Opvallend is dat hij de elementen van de roman die hem bevreemden of storen gemakkelijkheidshalve afdoet als typisch Russisch. De oproep van Fleury (1881) tot voorzichtigheid in deze kwestie was hem kennelijk ontgaan. Hiertoe kan het artikel van De Vogüé, waarnaar echter niet verwezen wordt, bijgedragen hebben. De theorieën die als basis fun­geren voor de moord zijn volgens Sarcey (1885: 835) niet toevallig ontstaan in een Slavische geest: ‘ces idées ne tomberaient jamais dans une tête française’. Verder heet het dat het tweede deel van de roman hoofdstukken bevat die ‘trop exclusive­ment slaves’ zijn om begrepen te worden. Ook vindt hij sommige scènes over Russische zeden tergend lang. Eigenaardig is dat hij het personage Sonja, dat in de Duitse kritiek niet zonder grond steevast vergeleken werd met de geesteskinderen van Victor Hugo, een exclusief Russisch type vindt. Ze is dermate exotisch dat een Fransman er moeite mee heeft om haar te begrijpen. Met name de scène waarin de prostituee en de moordenaar het hebben over metafysica en het evangelie lezen, is hoogst verbazend voor de Fransen. Sarcey (1885: 867-8) vindt deze scène niet ridicuul, maar wel ‘autre’ – wat hij hiermee ook moge bedoelen. De liefde van Sonja voor Raskol’nikov wordt slechts mager geapprecieerd: het is de liefde van een hond voor zijn baas. In overeenstemming hiermee is het als ‘chienne fidèle’ dat Sonja de moordenaar naar Siberië volgt.

Tot slot van zijn stuk nuanceert de criticus zijn enthousiaste lofzang op Prestu­plenie i nakazanie: deze roman staat niet op dezelfde hoogte als Vojna i mir (Oorlog en vrede). Het grote verschil bestaat erin dat de eerste roman een filosofi­sche detective is, merkwaardig en amusant, terwijl de laatstgenoemde een bewon­de­renswaardig epos is. Heel anders dan De Vogüé, die Prestuplenie i nakazanie te moeilijk vond voor vrouwen, voorspelt Sarcey dat de vrouwen de voorkeur zullen geven aan deze roman en de mannen aan de grote roman van Tolstoj. Dit is een voor Dostoevskij ronduit denigrerende opmerking, gezien de lage dunk die men toen van vrouwen had.

De vergelijking van de grote romans van Tolstoj en Dostoevskij lag voor de hand, aangezien Sarcey twee weken voor de publicatie van de recensie van Le crime et le châtiment in de boekenrubriek van hetzelfde tijdschrift een lovende recensie van La guerre et la paix had geplaatst. De snelle en onverwachte opmars van de Rus­sische letteren in Parijs onder leiding van Dostoevskij en Tolstoj had zich in­tussen ingezet.


4 Het plan van De Vogüé (1885-86)

 

een frans diplomaat in rusland

Hoewel de Franse receptie van Dostoevskij zich reeds in 1884 had ingezet, speelde deze zich in dat jaar grotendeels af in de marge van de Franse literatuur. Toen waren het nog enkel de dun gezaaide Ruslandkenners die dweepten met de Russi­sche auteur. Overigens geldt hetzelfde voor Tolstoj. In de loop van 1885, en daar is de lovende recensie van Sarcey (1885) een mooie illustratie van, was hierin radicale verandering gekomen. In belangrijke mate was dit te danken aan de inter­venties van de vermaarde burggraaf Eugène-Melchior de Vogüé (1848-1910). Hij bezat het juiste profiel, de nodige retorische en culturele competentie en de poli­tie­ke wil om de Russische literatuur in het centrum van het literaire debat van Parijs te plaatsen, wat hij heel bewust deed.

De Vogüé werd geboren in Nice en bracht zijn jeugd door in het kasteel van Gourdan in Ardèche. Hij werd katholiek opgevoed en is dat altijd met grote over­tuiging gebleven. Toen de Frans-Duitse oorlog uitbrak in 1870 ging hij vrij­willig naar het front. Bij de beslissende, voor de Fransen nefaste slag van Sedan raakte hij gewond en zag hij zijn broer sterven. Gedurende een halfjaar verbleef hij in krijgs­gevangenschap in Maagdenburg. Het ontstaan van de Derde Republiek betekende voor hem het begin van een diplomatieke carrière: hij trad in dienst als attaché van de Franse ambassade in Istanbul. Vervolgens werkte hij als secretaris van de am­bas­sade in Caïro en vanaf 1876 in Sint-Petersburg, waar hij in het huwelijk trad met Aleksandra Annenkova, de dochter van generaal Nikolaj Annenkov (1799-1865) en zus van generaal Michail Annenkov (1835-99).[15] De zeven jaren die hij in Rusland doorbracht benutte hij om zich te verdiepen in de Russische taal en literatuur.

Op regelmatige basis reisde De Vogüé per trein tussen Frankrijk en Rusland. Het feit dat hij hiervoor door Berlijn moest wordt door Espagne (1996: 325) met bijzondere aandacht behandeld. Inderdaad kan de Duitse opkomst van de Russi­sche romanciers, eerst van Turgenev en daarna van Dostoevskij, de Franse burg­graaf op ideeën hebben gebracht. Harde bewijzen zijn hiervoor niet te vinden, maar wel enkele aanwijzingen. Zo blijkt uit het voorwoord van Le roman russe dat De Vogüé (1886a: lii) bekend was met sommige van de eerder besproken kritische teksten van Von Reinholdt, Zabel en Brandes. Hij wijst erop dat zijzelf verrast werden door het onverwachte succes van de romans die ze slechts hadden be­spro­ken om de nieuwsgierigheid van enkele geletterden aan te wakkeren. In dezelf­de passage geeft de burggraaf aan dat hij met zijn studie het monopolie van Duitsland wilde doorbreken.

In 1882 nam De Vogüé ontslag bij de ambassade om zich volledig aan de litera­tuur en de journalistiek te kunnen wijden. Kort daarop publiceerde hij een stuk over de Russische kunst in Revue des deux mondes, dat sinds de vroege jaren 1870 het voortouw had genomen om het Franse leespubliek met Rusland bekend te maken. In 1883 keerde hij terug naar Frankrijk.

De Vogüés eerste stappen als literator dateerden van 1876. Volgens zijn tijd­genoot Simond (1891: 397) behoorde hij toen tot een elitair clubje intellectuelen dat wilde bewijzen dat Frankrijk, ondanks zijn mislukkingen en nederlagen, nog steeds aanspraak mocht maken op het hoogste gezag in de wereld van de ideeën. Na publicatie van zijn reisverslag Voyage en Syrie et en Palestine werd hij een vast medewerker van Revue des deux mondes. In 1879 publiceerde hij de archeologische roman Histoires orientales, die in Parijs echter weinig indruk maakte. Zijn afleve­rin­gen over de eigentijdse Russische romanciers, waarvan hij er velen persoonlijk had ontmoet, vonden daarentegen grote weerklank bij het Franse leespubliek. In de jaren 1883-84 besprak de Franse burggraaf respectievelijk Turgenev en graaf Tolstoj. Begin 1885 was het de beurt aan Dostoevskij.

 

de vogüé in revue des deux mondes

Naar eigen zeggen had De Vogüé (1885: 312) gewacht op het verschijnen van de Franse vertalingen van Dostoevskij, vooraleer hem te behandelen. Hij vreesde namelijk niet geloofd te worden indien de lezers zijn voorstelling van deze vreem­de figuur niet konden toetsen aan zijn boeken. Hij maakt ook de omgekeerde denk­beweging: om begrepen te worden, moeten ook de boeken gelezen worden in het licht van het leven van de auteur. In overeenstemming met dit standpunt be­steedt hij in zijn al even omvangrijk als retorisch stuk bijzondere aandacht aan Dostoevskijs biografie, waarin de bespreking van zijn belangrijkste werken vak­kun­dig verweven wordt. De rode draad is triestheid. Hiervoor wordt reeds in de inleiding beeldrijk gewaarschuwd:

En entrant dans l’œuvre et dans l’existence de cet homme, je convie le lecteur à une promenade toujours triste, souvent effrayante, parfois funèbre. Que ceux-là y renoncent qui répugnent à visiter les hospices, les salles de justice, les prisons, qui ont peur de traverser la nuit les cimetières. (De Vogüé 1885: 313)

De grote hoeveelheid biografische gegevens die De Vogüé over Dostoevskij ver­strekt waren zelfs vernieuwend voor de weinige vakspecialisten die de Russische auteur reeds kenden van andere bronnen. Over het algemeen kloppen de feiten, al gaat de burggraaf ook soms kort door de bocht.[16] Voortdurend wordt het leven van de auteur gekoppeld aan zijn oeuvre. Zo merkt De Vogüé (1885: 314) naar aan­leiding van de uitstapjes naar het platteland van de jonge Dostoevskij op, dat de schrijver later, in tegenstelling tot andere Russen, de natuur in zijn proza amper aandacht zal schenken: als psycholoog vindt hij de menselijke ziel in een stedelijke setting interessanter.

Dostoevskijs opvoeding was niet klassiek, wat in de ogen van de burggraaf een euvel vormt. Hier tegenover staat dan weer dat hij auteurs las als Puškin, Gogol’, Balzac, Sue en Sand. De Vogüé (1885: 314) erkent de invloed van de laatst­genoemde Franse romancier op de verbeelding van Dostoevskij, maar benadrukt dat Gogol’ de leermeester van Dostoevskij was. Deze idee wordt op verschillende plaatsen uitgewerkt. In de inleiding heet het dat Dostoevskij van Gogol’ de idee heeft geërfd om het leven van het Russische volk met sympathie uit te beelden. Deze sympathie is echter in het geval van Dostoevskij, aldus De Vogüé (1885: 313), omgeslagen in ‘pitié desespérée pour les humbles’, waarmee hij ook zijn populariteit bij het volk garandeerde. In verband met Bednye ljudi wordt gewezen op de thematische verwantschap met šinel’ (De mantel). In dezelfde adem merkt De Vogüé (1885: 320) op dat Dostoevskij de ironie van zijn leermeester vervan­gen heeft door een suggestieve emotie. Duidelijk is dat de Franse burggraaf, on­danks zijn erkenning van de invloed van Gogol’, niet in staat is om de humorist in Dostoevskij te zien, laat staan te appreciëren. Slechts het kortverhaal Čužaja žena i muž pod krovat’ju geeft aanleiding tot commentaar over de geestigheid van de auteur, maar niet in positieve zin:

La plaisanterie y est grosse et lourde; ce qui manquait le plus à notre romancier, c’était la bonne humeur; il avait la finesse philosophique et la finesse du cœur, il n’entendait rien à cette finesse qui est le sourire de l’esprit. (De Vogüé 1885: 320)

De jeugdjaren van Dostoevskij worden voorgesteld als moeilijk, maar het duel van de schrijver met de miserie begint pas op de dag waarop hij beslist om zich volledig aan de literatuur te wijden. Door zijn financiële problemen doet de Russische schrijver denken aan Balzac. Dat De Vogüé (1885: 314-5) geen overdrijving schuwt om de armoede van Dostoevskij in de verf te zetten, blijkt uit zijn op­mer­king dat de Rus enkel van brood verzekerd was tijdens zijn dwangarbeid. Speciale aandacht gaat naar de morele kwetsuren die deze ontbering veroorzaakte: Dosto­evskij, van nature trots, zou gekweld zijn door diepe schaamte. In combinatie met zijn gevoelige zenuwen, gaf dit aanleiding tot hypochondrie. Dat Dostoevskij reeds voor zijn Siberische ervaringen aan epilepsie leed, wordt expliciet vermeld: de Russische auteur werd eens op straat gesignaleerd met schuim op de lippen. Wat De Vogüé (1885: 345) betreft, is Dostoevskij dus altijd geweest zoals hij hem leerde kennen: ‘une âme féminine, dans l’enveloppe d’un paysan russe’. Zijn enige geluk zat besloten in zijn schrijfarbeid. Deze stelling wordt geïllustreerd aan de hand van een citaat uit Unižennye i oskorblënnye en de anekdote uit Dnevnik pisatelja over de ontdekking van Dostoevskijs debuut door Grigorovič, Nekrasov en Belinskij.

De lofzang van Belinskij op Bednye ljudi krijgt volledige instemming van De Vogüé. Hij heeft zelfs moeite om te geloven dat een schrijver van slechts twintig jaar oud, een leeftijd waarop men normaal gezien gericht is op geluk, zo’n geloof­waardige trieste tragedie kan schrijven. De bewondering van de criticus gaat niet zozeer uit naar de plot, die hij nogal ordinair vindt. Het personage Devuškin wordt door De Vogüé (1885: 316-7) daarentegen zeer gesmaakt. Dit is het lieve­lings­type van de Russische waarnemers. Hij doet denken aan de boerenpersonages van Turgenev en Tolstoj, maar staat enkele treden hoger op de sociale en intellec­tuele ladder. Wat de Franse criticus betreft, zitten in deze naïeve en simpele kleine ambtenaar de beste eigenschappen van het Russische volk vervat. De affectie die Devuškin voor Varvara voelt en die hem tot absurde zelfopoffering drijft, wordt door De Vogüé eerst bestempeld als ‘le sentiment d’un père, d’un frère, d’un bon vieux chien’, om daarna in bedekte termen vereenzelvigd te worden met verliefd­heid. Ook de kunstige uitbeelding van het personage Varvara, die qua ontwikke­ling en intelligentie superieur is aan haar bewonderaar, wordt door De Vogüé ge­prezen. Ook zij is naïef, zij het in haar wreedheid. Deze is te verklaren door een misverstand van gevoelens: ze is ervan overtuigd dat Devuškin slechts vriendschap voor haar voelt. De crisis die zich voordoet, de verwijdering van Varvara uit het leven van Devuškin, vindt de criticus zeer waarachtig. De Franse lezer dacht wel­licht dat ze verliefd zou worden op een jongeman. Dat ze zich in plaats daarvan laat overhalen om in het huwelijk te treden met een rijke, oude, ietwat louche man, die haar naar de provincie afvoert, vindt De Vogüé triest, maar menselijk.

Het globale oordeel van De Vogüé (1885: 320) over Bednye ljudi is uitermate positief. Wat hem betreft heeft Dostoevskij hierin zijn hele natuur gelegd: ‘sa sen­si­bilité maladive, son besoin de pitié et de dévoûment, son amère conception de la vie, son orgueil farouche et toujours endolori’. Dit weerhoudt de criticus er echter niet van om te wijzen op een gebrek, dat volgens hem in latere creaties nog grotere proporties zal aannemen: langdradigheid. Deze kritiek wordt stante pede gecom­pen­seerd met een appreciatie van de tragische kracht van sommige realistische schil­deringen. Ter illustratie hiervan wordt het fragment geciteerd over de begra­fe­nis van een arme student. De Vogüé had ook andere fragmenten willen citeren, maar vond er geen geschikte. De reden die hij hiervoor aangeeft is dat een geïso­leerd fragment van Dostoevskij niet dezelfde waarde heeft als hetzelfde fragment binnen het geheel. Dit gegeven zou typisch zijn voor de grote Russische roman­ciers, die zeer geleidelijk aan voor een melancholische sfeer zorgen. Een ander ken­merk van hen, één waarin Dostoevskij nog sterker is dan Turgenev, is de suggestie­ve stijl: ook in Bednye ljudi worden met enkele regels en woorden soms series ge­voelens en ideeën ontketend. Belangrijk is dat De Vogüé dit uitspeelt tegen de Franse gewoonte om te expliciteren:

J’en demande pardon à nos écoles de précision et d’exactitude, mais décidé­ment, l’écrivain est surtout puissant par ce qu’il ne dit pas: nous lui sommes reconnaissans [sic] de tout ce qu’il nous laisse deviner. (De Vogüé 1885: 320)

De aanloop voor de behandeling van Zapiski iz mërtvogo doma is, zoals voor de hand ligt, de Siberische periode van Dostoevskij. Zijn misdaad zelf wordt door de burggraaf niet ernstig genomen. Hetzelfde geldt voor de hele revolutionaire be­weging van de Petraševcy. Van de deelnemers was Dostoevskij daarenboven een van de ongevaarlijkste: hij was een onafhankelijke dromer, die gedreven werd door mysticisme en medelijden. Dat Belinskij post mortem door de schrijver op bittere wijze verweten werd hem geïndoctrineerd te hebben met revolutionair gedachte­goed, kan de burggraaf niet smaken: deze verwijten kwamen te laat, omdat Belins­kij zich niet meer kon verdedigen.

De zware straf die Dostoevskij kreeg voor zijn lidmaatschap van de Petraševskij-kring was, zoals De Vogüé (1885: 324) doet uitschijnen, een godsgeschenk: in een normaal leven, dat wil zeggen zonder de Siberische ervaring, zou hij gek geworden zijn. Deze gedachte wordt anders geduid dan bij Barine (1884): om ingebeelde kwalen te genezen is niets zo effectief als een echt ongeluk. Het grootste ongeluk bestond er voor Dostoevskij in dat hij tijdens zijn Siberische periode niet kon schrijven. Niettemin verliet hij gezuiverd en gesterkt het strafkamp. De omstan­dig­heden van het martelaarschap worden beschreven in Zapiski iz mërtvogo doma, waarvoor De Vogüé (1885: 325-6) groot ontzag heeft. Hij vindt het stukken beter dan Le mie prigioni van Silvio Pellico en is verontwaardigd dat dit werk in Frank­rijk wel klassiek is geworden: ‘Est-ce que les larmes russes seraient moins humaines que les larmes italiennes?’, zo vraagt hij zich af.

De bewondering van De Vogüé voor de gefictionaliseerde neerslag van Dosto­evskijs dwangarbeid gaat vooreerst uit naar de moeilijkheid om de censuur te trot­se­ren. Het feit dat het hoofdpersonage Aleksandr, de auteur van het manuscript, zogezegd zijn ontrouwe echtgenote heeft vermoord, ziet hij terecht als een kunst­greep om de censor een rad voor de ogen te draaien: de lezer heeft heus wel door dat het om een politieke gevangene gaat. Fout is echter de bewering van De Vogüé (1885: 326) dat van politieke gevangenen helemaal geen sprake mocht zijn. In Zapiski iz mërtvogo doma is hiervan namelijk wel degelijk sprake, bijvoorbeeld in hoofdstuk VIII van deel II – al betreft het hier wel achtergrondfiguren.

Het Siberische strafkamp is volgens de criticus een microkosmos die een ge­trouw beeld oplevert van de Russische maatschappij, waarmee hij vooral verwijst naar de etnisch bontgeschakeerde kampbevolking. Uit de observaties van het hoofd­­personage, waarmee Dostoevskij gemakkelijkheidshalve vereenzelvigd wordt, resulteren nooit geziene psychologische studies. Deze bevestigen dat er zelfs bij de meest gedegradeerde figuren een goddelijke vonk aanwezig is. De ver­halen die de dwangarbeiders over hun misdaad vertellen evalueert De Vogüé (1885: 326) als ‘chefs-d’oeuvre de naturel et de sentiment’. In dit verband prijst hij ook de soms volkse taal waarin de roman geschreven is – een van de weinige malen dat een vor­me­lijk kenmerk van Dostoevskijs proza het voorwerp uitmaakt van de lof van De Vogüé.

De dwangarbeiders lijden allemaal aan buitensporigheid van impulsen. Om deze toestand van het hart en de geest aan te duiden, gebruikt De Vogüé (1885: 327) het woord ‘otchaïanié’,[17] waarvoor hij naar eigen zeggen geen Frans woord kent. Het doel van deze en andere ontleningen uit het Russisch, die getuigen van exotiseringsdrang, is het aanschouwelijk maken van de kloof tussen de Franse en de Russische cultuur, die bij De Vogüé te pas en te onpas impliciet en expliciet ter sprake komt. Zo merkt hij naar aanleiding van een passage waarin een oudgelovige gegeseld wordt op dat de man van het Russische volk aan lijden een mystieke bete­kenis toekent.

Met de door hemzelf uit het Russisch vertaalde passages van Zapiski iz mërt­vogo doma, die soms meerdere pagina’s in beslag nemen, wil De Vogüé (1885: 331-2) de werkmethode van Dostoevskij illustreren. Hij suggereert dat de kwintessen­s hiervan besloten ligt in ‘l’accumulation des touches sombres, la lente progres­sion de tristesse et de terreur’. Dat Dostoevskij hierin uitblinkt moet blijken uit het hoofd­stuk over de lijfstraffen en het ziekenhuis, waar men na afloop van de lijf­straf­fen belandt – een opmerking die gepaard gaat met de waarschuwing dat men moed nodig heeft om dit alles te lezen. Naar aanleiding van de uitbeelding van vre­se­lijk lijden in een weerzinwekkend kader schrijft de Franse burggraaf enkele cru­ciale regels, waarin hij een tipje van de sluier oplicht over zijn onder­lig­gende lite­raire motivatie om de Russische literatuur voor te stellen aan het Franse publiek:

 Je ne pense pas qu’il soit possible de peindre des souffrances plus atroces dans un cadre plus répugnant. Voilà qui est fait pour décourager nos naturalistes: je les défie d’aller jamais aussi loin dans la sanie. Et pourtant Dostoïevsky n’est pas de leur école. (De Vogüé 1885: 332)

Wat nu precies het fundamentele verschil is tussen de Franse naturalisten en Dostoevskij voelt De Vogüé naar eigen zeggen goed aan, maar hij vindt het ‘malaisé à expliquer’. Dit is slechts retoriek, want zijn uitleg is zeer helder. Het komt erop neer dat de Franse naturalisten in hun realisme slechts gedreven worden door nieuwsgierigheid naar het lage, terwijl de esthetiek van Dostoevskij uitgaat van een morele idee. Bij het eerste type auteurs zal de ongezonde nieuws­gierigheid van de lezer wel geprikkeld worden, maar in de grond is zijn houding niettemin veroordelend. Bij Dostoevskij daarentegen kan de esthetiek besproken worden zonder veroordeling. Immers: ‘ses peintures dégoûtantes s’ennoblissent, comme l’ulcère sous les doigts de la sœur de charité’. De Vogüé (1885: 333) kent aan Dostoevskij het recht toe om te schrijven over het lage alsof het niets is, wat hij ontzegt aan de Franse naturalisten, omdat de Rus schrijft op basis van zijn eigen ervaring met het doel te genezen. In concreto is het de Siberische dwang­arbeid die hem dit recht verschaft. Deze wereld, waarin men alle morele extremi­teiten kan verwachten, is de Fransen vreemd.

Het derde werk van Dostoevskij dat De Vogüé uitgebreid bespreekt is Unižen­nye i oskorblënnye. Enerzijds kan deze keuze verbazen, aangezien hij dit werk ge­ringschat en geen volledigheid nastreeft. Anderzijds was Les humiliés et offensés de allereerste in Frankrijk gepubliceerde vertaling van Dostoevskij en alleen daarom lag de bespreking ervan voor de hand. De plot wordt onmiddellijk in verband ge­bracht met het eerste huwelijk van Dostoevskij, dat een mislukking was omdat zijn echtgenote op een ander verliefd werd. De Vogüé twijfelt dus niet aan de waar­heid van de gewrongen positie van de verteller, die verliefd is op Nataša, maar haar helpt in haar relatie met Alëša. Toch heeft hij moeite om dit gegeven te aan­vaarden. Hij ziet hiervoor twee mogelijke redenen: ofwel is de uitbeelding slecht, ofwel is het Franse hart egoïstischer dan het Russische. Dat er volgens De Vogüé (1885: 335) voor de Franse lezer alleszins een culturele barrière te overwinnen is, blijkt uit zijn opmerking dat de trage expositie ‘toutes nos habitudes de composi­tion’ choqueert. Hetzelfde geldt voor de vervlechting van de twee hoofdverhaal­lijnen. De burggraaf wil nog geloven dat de bedoeling hiervan zeer nobel is, en maakt de vergelijking met het spel van de tegenover elkaar geplaatste spiegels. Hij besluit echter dat dit teveel finesse is voor het publiek, daarbij doelend op de Fransen. Zijn scherpste kritiek gaat uit naar de aristocratische personages. Zij illustreren dat Dostoevskij systematisch tekortschoot bij de uitbeelding van de hogere klasse: ‘il n’entendait rien au jeu complexe et discret des passions, dans les âmes amorties par l’habitude du monde’. De burggraaf ergert zich blauw aan vorst Valkovskij, die hij vergelijkt met een uit een melodrama weggelopen verrader. Zijn zoon Alëša is niet veel beter. De Vogüé neemt er vooral aanstoot aan dat deze dom­kop zo aanbeden wordt door Nataša. Hij ziet hierin – opnieuw – een culture­le kloof tussen de Russen en de Fransen:

En France, au moins, nous ne prendrons jamais notre parti de ce spectacle, pour­tant naturel et consolant: une créature exquise à genoux devant un im­bécile; étant très galans [sic], nous admettons à la rigueur l’inverse, le génie qui adore une sotte, mais c’est tout ce que nous pouvons concéder. (De Vogüé 1885: 335)

Deze lawine van kritiek ten spijt, sluit De Vogüé (1885: 335-6) zijn bespreking van Unižennye i oskorblënnye toch af met een positieve noot, die doet denken aan de kritiek van Courrière (1875): het meesterschap van Dostoevskij komt in deze roman volgens hem tot uiting in twee vrouwelijke personages. Nataša, toegewijd en jaloers, is de vleesgeworden passie. Ze gedraagt zich zoals een slachtoffer van een Griekse tragedie. Nelli op haar beurt, ‘la délicieuse et navrante petite fille’, lijkt een zuster te zijn van een van de charmantste geesteskinderen van Dickens. Wat de Franse burggraaf bijzonder in haar apprecieert, is dat ze knap uitdrukking geeft aan de evangelische gedachte van het Russische volk dat wie een aalmoes vraagt aan een mens, een aalmoes vraagt aan de wereld.

Zeer scherp en neerbuigend is de toon waarop De Vogüé de journalistieke ge­schriften van Dostoevskij bespreekt. Hij betreurt dat de Russische schrijver vanaf 1865 hieraan het beste deel van zijn talent en leven verspild heeft. De tijdschriften die Dostoevskij oprichtte moesten dienen ter verdediging van de ideeën die hij meende te bezitten. In dit verband wordt uitgeweid over zijn politieke positione­ring: tussen de liberalen en de slavofielen, maar dichter bij deze laatste groep. De Vogüé erkent zijn onmacht om de Franse lezer in te wijden in het slavofiele ge­dachtegoed. Dit wijt hij aan het feit dat het een patriottistische religie is die aan iedere uitleg of polemiek ontsnapt. Deze opmerking wordt vergezeld van een sneer aan het adres van de slavofiele beweging: vijfentwintig jaar lang hebben ze bergen papier bevuild om te redeneren over een gevoel. Dat het hier ten dele gaat om een persoonlijke afrekening, wordt gesuggereerd door de opmerking dat het voor een vreemdeling onmogelijk is om een juiste houding aan te nemen ten aanzien van het slavofiele debat: ofwel neemt men er aan deel, en dan krijgt men te horen dat men er toch niets van begrijpt, ofwel neemt men er geen deel aan, en dan wordt men minachtend onthaald. Dit soort opmerkingen domineren tevens de be­spreking van Dnevnik pisatelja, al geeft de criticus wel toe dat dit publicistisch werk ook enkele literaire pareltjes bevat.

De periode 1865-71 wordt door De Vogüé geschetst als zeer moeilijk voor de Russische intelligentsia in het algemeen en voor Dostoevskij in het bijzonder. Door de ontgoocheling over de maatschappelijke hervormingen worden sommi­gen gek en raken anderen in de ban van het nihilisme. Dostoevskij laat het zuiver artistieke ideaal varen en schudt de erfenis van Gogol’ af. Na het verlies van zijn echtgenote en broer verblijft hij in het buitenland, waar hij een armoedig bestaan leidt en gekweld wordt door ziekte. Benadrukt wordt dat de Russische schrijver zich in het Westen hoegenaamd voor niets interesseerde, op een publieke terecht­stelling in Lyon na.

Op het ogenblik dat De Vogüé zijn stuk over Dostoevskij schreef, was nog niet duidelijk hoe de vertaling Le crime et le châtiment onthaald zou worden door het Franse publiek. De burggraaf was hier zeer benieuwd naar. Opmerkelijk is dat hij naar eigen zeggen niet rekende op een goede ontvangst. Positieve reacties ver­wacht­­te hij met name vanuit wetenschappelijke hoek, omdat hij de roman sinds Macbeth de meest diepgaande studie van criminele psychologie vond. Ook lezers met lugu­bere smaak zouden de roman op prijs kunnen stellen. Uitgaande van de veronder­stel­ling dat het Franse publiek romans leest voor zijn plezier en niet om gecon­fron­teerd te worden met ziekte, voorspelt De Vogüé (1885: 338) echter dat het grote publiek afgeschrikt zal worden en dat velen de roman niet zullen uit­lezen. Dat het boek moeilijk te verteren is, geldt volgens de criticus in het bijzon­der voor vrouwen en ‘les natures impressionables’. Hoffmann, Edgar Poe, Baude­laire en de klassieke auteurs van het ‘genre inquiétant’ zijn allen mystificerende schrijvers die een spelletje spelen in vergelijking met Dostoevskij. Terloops zij op­gemerkt dat De Vogüé (1886a: x) over zijn talloze vergelijkingen van Russische met westerse schrijvers later zou schrijven dat deze vaak mank lopen, dat ze niet voort­komen uit pronkzucht, maar simpelweg dienen ‘pour faire deviner l’inconnu’.

Dat Dostoevskij in Prestuplenie i nakazanie voor eenmaal de eenheid van de actie in acht heeft genomen stelt De Vogüé (1885: 339) zeer op prijs. De eenvoud van dit psychologisch drama laat zich gemakkelijk samenvatten, waar de criticus dankbaar gebruik van maakt. Raskol’nikov, een nihilist in de echte betekenis van het woord, wordt bevangen door de idee om een moord te plegen. Eenmaal ge­pleegd, vormt deze moord een breuklijn in het verhaal: ‘par le fait irréparable d’avoir supprimé une existence humaine, tous les rapports du meurtrier avec le monde sont changés’. Toch is de onrust van de moordenaar geen berouw in de klassieke zin van het woord: het is een complex en pervers gevoel, dat neerkomt op hoogmoedig verzet tegen de onverwachte morele gevolgen van de daad. Het enige wat Raskol’nikov nog belang inboezemt, is spelletjes spelen met rechercheur Por­firij. Wanneer ‘l’auteur nous a suffisament torturés’, wordt Sonja opgevoerd. De criticus heeft grote bewondering voor haar relatie met Raskol’nikov. Hij ziet hier­in geen flauwe variatie op het in de Franse literatuur gekende thema van de mis­dadiger en de prostituee en maakt van de gelegenheid gebruik om dit thema te hekelen:

N’allez pas croire […] que Dostoïevski ait gâché son sujet avec la thèse stupide qui traîne dans nos romans depuis cinquante ans, le forçat et la prostituée se rachetant mutuellement par l’amour. (De Vogüé 1885: 340)

De genialiteit van Dostoevskij ligt besloten in het besef dat ook het gevoel van de liefde aangetast is door de moord: het is verworden tot sombere wanhoop. Sonja kent de remedie voor de kwaal van Raskol’nikov: lijden. De idee dat lijden, zeker in collectieve vorm, een deugd is, is volgens de criticus de centrale gedachte van het oeuvre van Dostoevskij. Medelijden is ook wat Raskol’nikov voor Sonja en via haar voor de gehele mensheid voelt. In dit verband merkt De Vogüé (1885: 341) op dat de Rus nergens in zijn oeuvre een normale, gezonde liefde uitbeeldt: zijn personages kennen slechts verlangenloze passie of beestachtige perversiteiten. Nergens treedt een vrouw op in verleidelijke gedaante. Iedere roman telt wel enkele pagina’s die gekenmerkt worden door wat men zou kunnen noemen ‘une pointe de sadisme’. Dit alles getuigt van de onmogelijkheid van de auteur om het midden te houden tussen de engel en het beest.

Schijnbaar terloops laat De Vogüé (1885: 342) zich ontvallen dat enkele frag­menten van deze roman inspirerend kunnen werken voor de Franse romanciers die moeite hebben om de procedés van het realisme te veredelen zonder de bitter­heid op te offeren. Hij denkt daarbij ook aan scènes waarin nevenpersonages als Marmeladov optreden. Nogmaals wijst hij erop dat de geïsoleerde fragmenten geen recht doen aan het geheel. Dit brengt hij ditmaal in verband met het gebrek van de langdradigheid, waarvan zelfs Dostoevskijs hoofdwerk niet vrij te pleiten is:

On se révolte contre la prolixité de l’auteur, on veut le gagner de vitesse, et aussitôt on ne comprend plus; le courant magnétique est interrompu. C’est du moins ce que me disent toutes les personnes qui ont fait cette épreuve. (De Vogüé 1885: 342)

In algemene termen beklaagt De Vogüé zich er ook over dat de lectuur van Dosto­evskij dezelfde inspanning vergt als de lectuur van een filosofische uiteenzetting. Interessant is zijn opmerking dat een vertaling geen juist beeld geeft van de voort­durende siddering die in het werk van de Russische auteur aanwezig is. Dit geldt zelfs voor de vertaling van Derély, die hij evalueert als ‘bonne’ omdat ze ‘fort exacte’ is – vertaaladequatie lijkt voor de burggraaf voorop te staan.

Dostoevskij dankt het aan zijn ziekte dat hij Prestuplenie i nakazanie kon schrijven: na een aanval dacht hij als een crimineel. Deze voor waarheid uitgegeven stelling brengt de criticus naadloos bij de gevaren van het boek. De publicatie er­van maakte heel Rusland ziek. Bovendien zijn er een reeks moorden gebeurd die gedeeltelijk te wijten zijn aan de invloed van de roman. De bedoelingen van Dos­to­evskij waren voorzeker ethisch hoogstaand, maar hij heeft de potentieel kwalijke gevolgen van zijn schilderingen onderschat. De Vogüé (1885: 343) heeft het over ‘ce démon de l’imitation qui habite les régions déraisonnables du cerveau’. Dit alles brengt hem ertoe om toch vraagtekens te plaatsen bij de morele waarde van het boek. Hij anticipeert de kritiek van de Franse schrijvers, die dit criterium niet relevant vinden voor een kunstwerk, door tegenover hen de Russische schrijvers te plaatsen, voor wie het voeden van de geesten met een idee wel degelijk een priori­teit is.

Het talent van Dostoevskij komt wat De Vogüé betreft het best tot uiting in Bednye ljudi, Zapiski iz mërtvogo doma en vooral in Prestuplenie i nakazanie. Over de waarde van de hierop volgende grote romans is hij echter minder te spreken, om­dat volgens hem langdradigheid en verwardheid hierin de bovenhand hebben:

 Dans l’Idiot, dans les Possédés et surtout dans les Frères Karamazof, les lon­gueurs sont intolérables, l’action n’est plus qu’une broderie complaisante qui se prête à toutes les théories de l’auteur, et où il dessine tous les types rencontrés par lui ou imaginés dans l’enfer de sa fantaisie. (De Vogüé 1885: 343)

Het scherpst is de criticus voor Brat’ja Karamazovy, dat hij evalueert zonder enige verwijzing naar de plot of een concreet personage. Vooreerst ergert hij zich aan de grote hoeveelheid vage, praatgrage figuren, die voortdurend in de ziel van een ander graven. De inhoudelijke analyse beperkt zich tot de hoogst merkwaardige opmerking dat bijna de hele roman lang gepraat wordt door twee ‘bretteurs d’idées’ die met slimmigheid elkaars amoureuze of criminele geheimen trachten te ontfutselen. Daarnaast gaan de conversaties, waarvan de dialectiek nu eens subtiel en dan weer barok is, ook over religie en filosofie. Dit doet De Vogüé denken aan de dialogen die Hamlet voerde. De vraag of hij op dat ogenblik gek was, kan ook gesteld worden over de personages van Dostoevskij. Het antwoord is echter negatief, maar hun geestestoestand verschilt wel van wat men gewoon is. Met de opmerking ‘La Russie est un jeu de la nature’ lijkt de criticus te willen suggereren dat de impulsieve, gespannen personages van Dostoevskij naar Russische normen minder afwijkend zijn. Wat hem opvalt aan deze geesteskinderen, is dat ze amper fysiek beschreven worden, zich nooit bezighouden met normale activiteiten en vaak in beschonken, dromerige of koortsige toestand verkeren. Wanneer de De Vogüé (1885: 349) enkele pagina’s verder terugkomt op Brat’ja Karamazovy, is het om enkel zich te verantwoorden voor het feit dat hij deze roman zo summier besproken heeft: zelfs onder de Russen zouden er zeer weinigen zijn die de moed hebben om de roman uit te lezen. Om het harde oordeel toch enigszins te nuan­ceren, merkt hij op dat er ‘au milieu de disgressions sans excuses et à travers des nuages fameux’ toch enkele epische figuren en waardevolle scènes zichtbaar zijn.

Over de literaire waarde van Idiot spreekt de criticus zich niet expliciet uit, maar de toon waarop hij deze roman behandelt is minder scherp. Vorst Myškin, waarrond heel de roman draait, is het lievelingspersonage van Dostoevskij en tevens een geïdealiseerd zelfportret. Zijn epilepsie zorgt voor onverwachte ont­knopingen van emotionele scènes. Dit personage is wat De Vogüé (1885: 345) betreft zeer geloofwaardig, op voorwaarde dat men zijn pathologie aanvaardt. De diepere bedoeling van Dostoevskij was om een moderne Don Quichot met morele trekken van een heilige op te voeren in de moderne wereld. De boodschap van Myškin is evangelisch: hij pleit ervoor een voorbeeld te nemen aan kleine kinde­ren. De wereld die hem omringt bestaat uit moreel lage mensen, die hem niette­min met respect bejegenen. Dat hij voor de vrouwen slechts medelijden voelt, vindt de Franse burggraaf typisch voor Dostoevskij. De filosofie van passiviteit die het boek uitdraagt, is dan weer kenmerkend voor de Russische idealisten in het algemeen: deze is gegrondvest op een pessimistisch wereldbeeld, waarin de hoogste deugd het niet stellen van slechte daden is. De behandeling van Idiot wordt af­geslo­ten met een lovende opmerking over Rogožin, waarin de criticus een van de krachtigste personages ziet die Dostoevskij ooit geschapen heeft.

Van Besy vindt De Vogüé (1885: 347-8) de titel te obscuur, vandaar dat hij hem inadequaat vertaalt als Les possédés. Ten gevolge hiervan staat de roman tot op de dag van vandaag als zodanig bekend in de Franstalige en Angelsaksische wereld. Deze nieuwe titel verdedigt de criticus door erop te wijzen dat de perso­na­ges bezeten zijn, al geeft hij toe dat dit ook voor andere romans van Dostoevskij geldt. Naar aanleiding van Besy wordt veel aandacht besteed aan de jaloezie die de auteur jegens Turgenev voelde: hij kon het niet verkroppen dat iemand hem voor was geweest om een roman te schrijven over het nihilisme. Met Besy nam hij wraak, waarop Turgenev op zijn beurt antwoordde met Nov’ (Nieuwe gronden). Na vergelijking van de romans komt De Vogüé tot de conclusie dat Dostoevskij dieper in de zielen van de revolutionairen dringt, maar hij onderstreept diens schatplicht aan Turgenev. Over de roman is De Vogüé, ondanks de nogmaals aan de kaak gestelde verwardheid en slechte compositie, al bij al positief. Zijn apprecia­tie is echter eerder didactisch dan literair: het boek heeft waarde als profetie en ver­klaring. Hij heeft tijdens processen tegen nihilisten met eigen ogen kunnen vaststellen dat ze zijn zoals in Besy beschreven was. Opdat het Westen eindelijk zou begrijpen wat de kracht van de nihilisten is, drukt hij zijn expliciete hoop uit dat het boek vertaald zou worden. Deze kracht zit niet besloten in hun ideeën of organisatie, maar wel in het zelfverzekerde karakter van enkele figuren, die volge­lingen vinden omdat de mens nu eenmaal de slaaf is van ‘toute volonté forte qui passe devant lui’.

De Vogüé raakt ook het rijpe filosofische werk Podrostok aan, zij het kort en oppervlakkig: hij zegt dat deze vervolgstudie van de moderne beweging inferieur is aan de andere grote romans van Dostoevskij en wijst op het middelmatige succes bij het grote publiek. Opvallend is dat van de post-Siberische werken Igrok en Zapiski iz podpol’ja niet eens vermeld worden. De burggraaf meent dat het onmo­ge­lijk is om het gehele oeuvre van de Rus te behandelen in één artikel. Naar aan­leiding hiervan hekelt hij nog maar eens de langdradigheid en breedsprakerigheid van de Russische auteurs in het algemeen en van Dostoevskij in het bijzonder. Hij wijst erop dat de Russische romans qua volume radicaal tegenovergesteld zijn aan de Franse romans, die dunner en dunner worden. Dat zijn persoonlijke voorkeur resoluut uitgaat naar de laatste soort romans, blijkt uit de anekdote over Dosto­evskij die hij eraan toevoegt:

Je vois encore Féodor Michaïlovitch, entrant chez des amis le jour où parurent les Frères Karamazof, portant ses volumes sur les bras, et s’écriant avec orgueil: ‘Il y en a cinq bonnes livres au poids!’ Le malheureux avait pesé son roman, et il était fier de ce qui eût dû le consterner. (De Vogüé 1885: 350)

Op het einde van de bespreking van de hoogte- en dieptepunten van Dostoevskijs oeuvre verzoekt De Vogüé de Franse lezer om de Russische schrijver, die een uniek origineel en intens fenomeen is van een andere wereld, niet te beoordelen naar de maatstaven van de Franse poëtica. De vraag of Dostoevskij een genie is wordt negatief beantwoord omdat hij geen maat kan houden en geen aanspraak maakt op universaliteit. Met dit laatste wordt gedoeld op Dostoevskijs vermeende in­capa­citeit om het leven als geheel af te beelden. De schrijver zag slechts de sombere helft van het bestaan en was blind voor het positieve, dat nochtans ook in Rusland te vinden is. De Vogüé concludeert dat de verdienste van Dostoevskij, die met zijn paradoxale persoonlijkheid als mens en schrijver niet in het hokje van het realisme of het idealisme past, besloten ligt in het feit dat hij een nieuwe wereld met nieuwe zielen voor de lezer opent. Duidelijk is dat Dostoevskij in de ogen van de burg­graaf meer psycholoog dan filosoof is.

In het slot van zijn artikel geeft De Vogüé (1885: 351-6) een fysisch en psy­chisch portret van Dostoevskij, die hij meermaals in levende lijve ontmoet had – een truc waarmee hij ook zijn eigen autoriteit als specialist terzake vergroot. De uiterlijke beschrijving van de Russische auteur is poëtisch-beeldend en neemt bijna mythologische vormen aan. Zijn door tics geteisterde gezicht zou dat zijn van een Moskouse ‘moujik’. Verder heet het dat hij op een misdadiger leek wanneer hij kwaad was en op andere momenten de trieste uitdrukking van heiligen op Oud-Slavische iconen had. Over het karakter van Dostoevskij is De Vogüé zeer neer­buigend: hij omschrijft hem als narcistisch en hooghartig, maar vindt zijn naïviteit amusant. In zijn bruutheid en idealisme doet de schrijver hem denken aan Rous­seau. Ondanks zijn gebreken als mens, was Dostoevskij het idool van een groot deel van de Russische jeugd en zeer invloedrijk bij de lagere klassen. De omvang van zijn populariteit bleek bij de opbaring van zijn lijk en zijn begrafenis, waarbij alle gelederen van de Russische maatschappij aanwezig waren. Met een kort verslag van deze historische gebeurtenis beëindigt De Vogüé zijn welsprekend Dosto­evskij-artikel in het prestigieuze Revue des deux mondes, waarop een groot deel van de intellectuele elite van Europa geabonneerd was.[18]

de progressieve en de traditionalistische reactie

De zes artikelen die De Vogüé in Revue des deux mondes over een periode van bijna drie jaar, te beginnen vanaf het najaar van 1883 tot en met het voorjaar van 1886, had gewijd aan de 19e-eeuwse Russische auteurs sloegen stuk voor stuk in als een bom in het centrum van de Franse literatuur. Met name de jongere generatie voelde zich sterk aangesproken door de burggraaf. Dat zijn stukken echter ook in traditionalistische kringen met grote belangstelling gelezen werden, blijkt uit de aantekeningen die Armand de Pontmartin (1811-90) maakte in 1885.

In ‘Le roman russe en France’, dat in 1886 gepubliceerd werd in Souvenirs d’un vieux critique, spreekt de gevestigde anti-liberale criticus met de grootste bewonde­ring over de Dostoevskij-studie van De Vogüé, waarmee hij overigens ook be­vriend was. Centraal in het artikel staat de tegenstelling tussen de Russische schrijver en Victor Hugo, wiens dood kort daarvoor, op 22 mei 1885, aanleiding had gegeven tot nationale rouw. Pontmartin benadrukt dat Hugo, in tegenstelling tot Dostoevskij, zelf nooit geleden heeft en slechts deed alsof hij begaan was met de onderste lagen van de maatschappij. Het ontbrak hem, evenals de realisten, aan ‘charité’. Dat deze evangelische deugd aanwezig is in ieder van Dostoevskijs wer­ken, is precies waarom Pontmartin de Russische schrijver in navolging van De Vogüé aanbeveelt bij zijn lezers. Tegelijkertijd waarschuwt hij wel – hier komt zijn traditionalisme het best tot uiting – dat het geen zin heeft voor de Franse schrijvers om inspiratie op te doen bij de sombere en ziekelijke Dostoevskij, aan­gezien ze niet dezelfde beproevingen hebben doorstaan. Hij eindigt met een zo niet protectionistische, dan toch chauvinistische noot:

Ne laissons pas dire que, dans la patrie de Montaigne et de Racine, de Bossuet et de Molière, de Voltaire et de Montesquieu, on n’est plus bon qu’à créer ou à coupier une littérature d’épileptiques, de malades, de visionnaires, de possédés, d’assassins, de filles, de forçats, de monomanes et d’imbéciles. (Pontmartin 1886: 298)

Een interessante reactie op de introductie van Dostoevskij in de Franse literatuur werd in 1885 ook geformuleerd door de als briljant geboekstaafde criticus émile Hennequin (1859-88), die tezamen met vele van zijn landgenoten in dat jaar Le crime et le châtiment en Les humiliés et offensés had verslonden. Hij was een van de weinige critici van zijn tijd die, hoewel vertrouwd met het artikel van De Vogüé, weigerden om blindelings aan zijn handje te lopen. Zijn appreciatie van Dosto­evskij, uiteengezet in Revue contemporaire, bevat tal van originele elementen. Zo noemt hij Dostoevskij een visionair, heeft hij grote bewondering voor de menge­ling van het fantastische met het reële, en argumenteert hij dat de personages realistisch worden precies dankzij de eigenschappen die hen geestesziek doen lijken. Vooral opvallend in de beeldrijke analyse van de toentertijd beschikbare Dostoevskij-vertalingen is zijn enthousiasme voor de Russische auteur, voor de complexiteit van zijn universum, in vergelijking waarmee dat van de burggraaf verbleekt. Volgens Hemmings (1950b: 69) was Hennequin dan ook ‘the First Frenchman who responded fully to the magic of Dostoevsky’ en zou hij als zo­danig twee decennia lang een eenzame pionier blijven.

De originaliteit van deze criticus moet toch wat genuanceerd worden: net als De Vogüé dichtte Hennequin (1889: 184) de Russische schrijver enkel sombere eigenschappen toe en stelde hij diens obsessie voor het menselijke lijden centraal. Overigens kende ook zijn enthousiasme voor Dostoevskij grenzen: hij koesterde grote bezwaren tegen zijn mystieke oprispingen en al te expliciete behandeling van ethische kwesties, die sommige van zijn romans oninteressant zouden maken. Veel tijd om zijn ideeën te laten rijpen en helder uiteen te zetten kreeg Hennequin echter niet: hij stierf in 1888 bij een tragisch ongeluk op de leeftijd van amper dertig jaar. Een autoriteit op het gebied van Russische literatuur is hij niet gewor­den, maar zijn in 1889 postuum uitgegeven boek Écrivains francisés. Études de critique scientifique, dat behalve een herwerkte versie van zijn artikel over Dosto­evskij ook bijdragen over Turgenev en Tolstoj bevat, droeg wel bij tot de consoli­datie van de roem van de genoemde auteurs in Frankrijk.

 

le roman russe

Gezien de algemene interesse werden in juni 1886 De Vogüés artikelen over de Russische romanciers gebundeld onder de titel Le roman russe. De uitgever was niet toevallig Plon-Nourrit & Cie, die de twee Franse Dostoevskij-vertalingen op zijn naam had staan. Hemmings (1950b: 28) merkt op dat de aanpassingen in de afzonderlijke artikelen bij hun verwerking tot boek zeer beperkt bleven. Vooral in het hoofdstuk over Tolstoj werden grote veranderingen aangebracht, wat gezien het feit dat hij nog leefde en als schrijver bijzonder actief was ook logisch is. In het hoofdstuk over Dostoevskij is er daarentegen zeer weinig veranderd ten opzichte van het Dostoevskij-artikel. Ten eerste werden aan het stuk enkele voetnoten toe­gevoegd. Het betreft onder andere een verwijzing naar de door De Vogüé gepre­zen biografie van Orest Miller, een bijkomend citaat uit Humiliés et offensés en een aankondiging voor de vertaling Les possédés van Derély. Ten tweede zijn tussen beide publicaties ook in de tekst zelf enkele verschillen te vinden die, hoewel ze niet fundamenteel zijn, betekenisvol genoeg zijn om kort toegelicht te worden.

Vooreerst springt in het oog dat De Vogüé (1886a: 203) zijn stuk over Dosto­evskij een titel heeft gegeven: ‘La religion de la souffrance’. Enerzijds verraadt deze dat hij de cultus van het lijden als de kern van Dostoevskijs oeuvre beschouwt. Anderzijds is de titel ook misleidend, aangezien de katholieke burggraaf eigenlijk nogal weinig aandacht besteedt aan de religieuze of metafysische dimensie van Dostoevskijs fictionele wereld. Hij had wel oog voor het christelijke medelijden van de auteur met de paria’s van de Russische maatschappij, maar zoals pijnlijk duidelijk wordt uit zijn bespreking van Brat’ja Karamazovy reikte zijn blik wat religie betreft niet verder dan dat.

Een tweede verschil is de inleiding van het stuk. Aangezien de Russische auteur met de twee beschikbare Franse vertalingen ondertussen was doorgedrongen tot het centrum van de Franse literatuur, kon De Vogüé zijn discours niet langer ont­spinnen vanuit diens onbekendheid. Zijn voorspelling dat Dostoevskij door het grote publiek verworpen zou worden was intussen onterecht gebleken, waarover hij in Le roman russe ook zijn blijde verbazing uitte. Het feit dat hij nu meer ver­trouwen had in de toekomst van de Russische schrijver in Frankrijk bracht hem ertoe om een revolutie in de Franse literatuur door Dostoevskij in het vooruitzicht te stellen. De Vogüé (1886a: 203) opent het Dostoevskij-hoofdstuk van Le roman russe namelijk met de waarschuwing ‘Voici venir le Scythe, le vrai Scythe, qui va révolutionner toutes nos habitudes intellectuelles’.[19] Het is niet duidelijk of deze exotiserende, nogal sensationele slagzin werd ingegeven door retorische bekom­mer­nis of effectbejag dan wel door een oprechte overtuiging. Dat twijfel alleszins op zijn plaats is, blijkt uit het feit dat De Vogüé (1884: 267) dezelfde waarschu­wing oorspronkelijk had gebruikt in zijn artikel over Tolstoj.

Een derde opmerkelijk verschil betreft het gevleugelde woord ‘Nous sommes tous sortis du Manteau de Gogol’’. Het is een allusie op het Russische kortverhaal Šinel’ (1842), waarin Nikolaj Gogol’ op satirische wijze de ongelukkige geschiede­nis schetst van de kleine ambtenaar Akakij Akakievič Bašmačkin. In zijn oor­spron­kelijk artikel over Dostoevskij had De Vogüé (1885: 320) deze uitspraak, vergezeld van aanhalingstekens, toegeschreven aan ‘les auteurs russes’. In het hoofd­stuk over Dostoevskij van Le roman russe ontbreekt dit zogenaamde citaat echter. Rejser (1968: 186) veronderstelt dat de burggraaf de woorden in kwestie had geschrapt omdat hijzelf aan de authenticiteit ervan twijfelde en bovendien zijn historische verantwoordelijkheid aanvoelde. Ondanks deze correctie kende het pseudocitaat een grote verspreiding. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan Sovre­men­nye russkie pisateli. Tolstoj-Turgenev-Dostoevskij, de in 1887 gepubliceerde Russische vertaling in boekvorm van Le roman russe. Het hoofdstuk over Dosto­evskij hierin is namelijk een vertaling van het originele artikel van Revue des deux mondes (1885) en bevat daarom het gevleugelde woord ‘все мы вышли из-под гоголевской «Шинели»‘,[20] dat sedertdien een eigen leven is gaan leiden. Dat het in tal van westerse en Russische literatuurhistorische publicaties – ten onrechte, zoals Rejser (1968) ontdekte – in de mond van Dostoevskij wordt gelegd, is het gevolg van slordige associatie. De wereldwijde verspreiding van de woorden in kwestie illustreert de overweldigende impact van De Vogüés Dostoevskij-kritiek.[21]

impact, originaliteit en bedoeling

De directe impact van de artikelen van De Vogüé in Revue des deux mondes en van Le roman russe op de Franse receptie van de Russische romanciers was enorm. In het bijzonder de jonge lezersgeneratie was diep onder de indruk. Een rechtstreeks gevolg hiervan was een opmerkelijke stijging in de verkoop van de reeds beschik­bare vertalingen uit het Russisch. Ter illustratie hiervan haalt Hemmings (1950b: 29) het lot van Vojna i mir (Oorlog en vrede) aan. Deze roman was reeds be­schikbaar in Franse vertaling in 1879, maar werd in de volgende vijf jaren slechts mondjesmaat verkocht: niet meer dan 500 exemplaren gingen over de toonbank. De welgemeende propaganda van De Vogüé wordt er grotendeels verantwoorde­lijk voor gehouden dat de verkoop van de Hachette-uitgave La guerre et la paix in 1885 een verkoopscijfer had dat tussen de 10.000 en de 20.000 exemplaren lag – wat in die tijd ongezien veel was.

Onweerlegbaar was het de persoonlijke verdienste van De Vogüé dat de namen Tolstoj en Dostoevskij in de loop van de jaren 1885-86 een begrip werden in het literaire debat in Parijs. Tegelijkertijd moet echter benadrukt worden dat een aan­tal jonge lezers onafhankelijk van de kritiek van de burggraaf hun weg vonden naar de Russische romanciers, die tenslotte rechtstreeks toegankelijk waren in ver­taling. Velen, waaronder Romain Rolland, kenden met name Tolstoj al vooraleer ze Le roman russe lazen. Ook zij stortten zich echter op de kritiek van De Vogüé. Tezamen met Dostoevskij en Tolstoj plaatste de literator ook zichzelf op de kaart. Kenmerkend voor het prestige dat hij met Le roman russe verwierf is dat hij in 1888 verkozen werd tot de Académie française.

Le roman russe was een mijlpaal in de Franse literatuurgeschiedenis in het bij­zon­der, maar ook in de Europese ideeëngeschiedenis in het algemeen. Indien de perifere Europese literaturen op een gegeven ogenblik kennis genomen hebben van het leven en werk van de Russische schrijver F.M. Dostoevskij, dan was dit in de eerste plaats de verdienste van De Vogüé. Zijn essays kenden in Europa een succes dat in literatuurhistorische werken vergeleken wordt met dat van De l’Allemagne van Madame de Staël.[22]

Een van de eersten die de Europese impact van De Vogüé erkenden, was de be­roem­de Russische filoloog Boris Ėjchenbaum. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog maakte hij in zijn vooral op Franse en Duitse publicaties toegespits­te studie van de vroege westerse Dostoevskij-kritiek de volgende analyse:

во Франции заслуга распространения его имени [имени Достоевского] принадлежит больше       всего небезызвестному и в России – Мельхиору де-Вогюэ, автору книги “Le roman russe”, по которой не только французы, но и вся Европа знакомилась с главными представителями русской художест­венной литературы.[23] (Ėjchenbaum 1913: 124)

Enerzijds moet deze bewering genuanceerd worden, want Dostoevskij genoot in Duitsland al enige bekendheid voordat De Vogüé hem in Parijs ter sprake bracht. Minder bekend is dat dit ook geldt voor bepaalde kringen van Franstalig België. Zo had de heden vergeten Belgische schrijver, internationalistische socialist en Rus­landkenner Eugène Hins reeds in 1882 de studie ‘Un romancier-psychologue russe. Féodor Mikhaïlovitch Dostoïevsky’ geschreven, die evenwel pas in het voor­jaar van 1885 door Revue de Belgique uitgebracht werd.[24] Anderzijds moet bena­drukt worden dat Ėjchenbaums uitspraak zelfs opgaat voor Zuid- en Oost-Europa. Zo verklaart Béghin (2007: 22) in zijn receptiestudie van Russische literatuur in Turijn de plots opgekomen belangstelling van het kersvers ééngemaakte Italië voor de grote Russische romanschrijvers behalve met politieke en geschiedkundige factoren – het Frans-Russisch bondgenootschap van 1894, de Russisch-Japanse oorlog van 1904-05 en de mislukte revolutie van 1905 – met een verwijzing naar ‘il clamoroso successo europeo del Roman russe (1886) del viconte Eugène-Melchior de Vogüé’.[25] Uit het onderzoek van Edgerton (1963: 65) naar de pene­tratie van Russische literatuur in Oost- en Centraal-Europese landen blijkt dan weer dat – anders dan men zou verwachten op basis van wijdverspreide roman­tische voorstellingen over panslavisme – de West- en Zuid-Slavische volkeren ‘too followed general European literary fashions and turned to the great Russian novelists only after France and Germany had discovered them’. Voor Edgerton (1963: 67) leidt het geen twijfel dat de belangrijkste rol in de Europese ontdek­king van de 19e-eeuwse Russische literatuur gespeeld werd door de critici, ‘specifically by one single French critic, Eugène-Melchior de Vogüé’. Op overtui­gen­de wijze toont hij aan dat behalve de Serviërs, Kroaten, Tsjechen en Polen ook de Roemenen en Hongaren zich door De Vogüé lieten inwijden in de grote namen van de 19e-eeuwse Russische literatuur. Met betrekking tot de Bulgaren durft Edgerton (1963: 59) over de specifieke invloed van de burggraaf niets met zeker­heid te beweren, maar hij merkt wel het volgende op:

While the Russian language was widely known among Bulgarian intellectuals in the nineteenth century, it is curious that the great Russian prose writers, Turgenev, Tolstoj, Dostoevskij, and even Gogol, were not published in Bul­garian until they had begun to be translated and discussed in Western literature.

De invloed van De Vogüé bleef niet beperkt tot het Europese vasteland. Edgerton (1963: 71) onderscheidt drie wegen waarlangs Le roman russe binnen het tijds­bestek van minder dan vijf jaar ingang vond in de overzeese Angelsaksische wereld: via de originele versie, via de Engelse vertaling van 1887, uitgegeven te Boston,[26] via de in 1890 te Chicago uitgegeven Engelse vertaling van Emilia Pardo Bazáns La revolución y la novela en Rusia, ‘a book […] so heavily indebted to Vogüé that parts of it were almost a paraphrase’. Nog verrassender is dat er ook in Rusland zelf grote belangstelling bestond voor de visie van de Franse burggraaf op de Russi­sche coryfeeën. Amper één jaar na de publicatie van De Vogüés ‘Dostoïevski’ (1885) in Revue des deux mondes verscheen in het tijdschrift Ėpocha een ingekorte Russische vertaling onder de titel ‘Fëdor Michajlovič Dostoevskij, kak psicholog, pod sudom francuzskoj kritiki’.[27] De publicatie van deze vertaling is des te op­merkelijker daar het gros van de intellectuelen van het prerevolutionaire Rusland de teksten van De Vogüé ook in het Frans kon lezen. Ook de Russische vertaling in boekvorm van Le roman russe liet niet lang op zich wachten: deze werd al in 1887 te Moskou gepubliceerd onder de titel Sovremennye russkie pisateli. Tolstoj-Turgenev-Dostoevskij.[28] Van deze boekuitgave verschenen bij de eerste druk 1000 exemplaren, wat in die tijd een grote oplage was.

Tot de Eerste Wereldoorlog werd Le roman russe in Frankrijk op zeer regel­mati­ge basis herdrukt, gekocht, gelezen en geciteerd. Referenties aan dit spraak­makend overzichtswerk komt men ook nog tegen in hedendaagse literatuurhisto­ri­sche werken over de Russische literatuur, zoals dat van Waegemans (1999: 167). Het is dan ook zonder overdrijving dat May (1994: 21) opmerkt: ‘This book did more to shape Western attitudes toward Russian literature than any other work.’

Het feit dat dankzij Le roman russe Dostoevskij en Tolstoj in tal van Europese literaturen doorbraken brengt vele onderzoekers ertoe om De Vogüé te bestem­pelen als een al dan niet geniale pionier. In werkelijkheid was hij niet de eerste criticus die de Russen probeerde te promoten, maar wel de eerste die groot succes oogstte. Bovendien is aan deze appreciatie het risico verbonden dat men zijn ori­gi­naliteit overdrijft. De kritiek van De Vogüé mag dan wel oorspronkelijk zijn in die zin dat hij deze op basis van eigen ervaringen, onafhankelijk van andere critici ge­formuleerd heeft, vernieuwend was deze allerminst. Eerder werd opgemerkt dat Courrière (1875) de Russen ook al had uitgespeeld tegen de Franse schrijvers. Zo­als ook Ėjchenbaum (1913: 124-6) opvalt, is de grond van de kritiek van de Franse burggraaf bovendien gelijk aan die van zijn Duitse collega Eugen Zabel (1884a en -b), die hem was voorgegaan en op zijn beurt ook niet radicaal nieuw was. Beiden waren het roerend met elkaar eens dat Bednye ljudi, Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie de drie beste werken van Dostoevskij zijn. Van de laatst­genoemde roman, die ze beschouwen als het absolute hoogtepunt van zijn oeuvre, waarderen ze vooral de psychologische verdiensten. Over de grote romans die hier­na geschreven werden zijn beide critici bijzonder scherp. Ze waardeerden het huma­nisme van Dostoevskij, maar tot een gedegen analyse van de ideële of meta­fysische dimensie hiervan, kwam geen van beiden. Ten dele is dit te wijten aan het feit dat ze in hun appreciatie voor de filosofische romans van Dostoevskij ge­hin­derd werden door allerhande reserves bij de compositiestijl van Dostoevskij, die ook bij tal van andere Franse en Duitse critici terugkomen. De gelijkenissen van deze bezwaren hoeven niet te verbazen: de literaire normen van de Franse litera­tuur verschilden niet fundamenteel van de Duitse. Met name voor wat betreft de narratieve structuur van een literair werk waren beide critici verknocht aan dezelf­de traditionele westerse poëtica, die ook aan de grondslag ligt van hun uitgespro­ken voorkeur voor Turgenev.

De analyse die De Vogüé aan de hand van Besy van de nihilisten maakte, als een beweging die het eerder moet hebben van charismatische persoonlijkheden met een sterke wil dan van uitgewerkte ideeën, is mutatis mutandis ook toepas­baar op hemzelf. Zijn succes dankt hij immers niet zozeer aan zijn concrete ideeën over Dostoevskij, die niet bijzonder nieuw of uitgediept waren, maar wel aan zijn onnavolgbare retorische stijl en zijn sterke wil om de Russische schrijver op het Franse toneel te plaatsen.

Over de motivatie van De Vogüé om de Russische roman in het algemeen onder de aandacht te brengen is reeds veel getheoretiseerd. Espagne (1996: 322) benadrukt de reeds aangehaalde politieke factor: als diplomaat besefte De Vogüé als geen ander dat Frankrijk er alle belang bij had om zijn isolement te doorbreken en een bondgenootschap aan te gaan met Rusland om sterker te staan tegenover het Duitsland, waarvan hijzelf krijgsgevangene geweest was. Cultuurtransfers konden een belangrijk hulpmiddel zijn om deze internationaal politieke her­oriën­tering te verkopen aan de Franse bevolking. Dit gegeven was de Franse lezer be­kend, en De Vogüé (1886a: viii) alludeerde hier ook op:

Pour des raisons littéraires, – je les dirai plus loin, – pour des motifs d’un autre ordre que je tairai, parce que chacun les devine, je crois qu’il faut travailler à rapprocher les deux pays par la pénétration mutuelle des choses de l’esprit.

Belangrijker, of alleszins belangwekkender, dan zijn politieke motieven is de lite­rai­re agenda van De Vogüé. Zoals al opgemerkt werd door Sv’atopolk-Mirskij [sic] (1931: 311), die hierin een laat-kapitalistische, idealistische reactie tegen het materialisme zag, wilde de burggraaf gewapend met de exponenten van de eigen­tijdse Russische literatuur de strijd aanbinden met de Franse naturalisten. Van deze motivatie maakte De Vogüé zelf geen geheim. Reeds in zijn artikel over Dostoevskij had hij de Franse naturalisten meermaals laten verstaan dat ze van deze Rus iets konden leren. Zijn gedachten over de rol die de Russische roman­ciers zouden kunnen spelen in de Franse literatuur zette hij meer systematisch uit­een in een afzonderlijk artikel in Revue des deux mondes, dat terecht is gekomen in het voorwoord van Le roman russe.

Centraal in het voorwoord van zijn chef d’oeuvre staat de scherpe analyse die De Vogüé maakt van de literatuurgeschiedenis, in het bijzonder van de Franse. Vooreerst schetst hij de breuklijn tussen de classicistische en de realistische litera­tuur. De classicistische dichter was het te doen om de verbeelding hoe iets zijn of niet zijn moest. De literatuur die hiertegen protesteerde ging uit van observatie en legde de betrokkenheid van de kunstenaar aan banden. Het romantisme was een overgangsvorm: enerzijds protesteerden de romantici tegen de oude literatuur door personages te zoeken in de lagere sociale lagen, anderzijds waren hun helden nog doordrongen van de classicistische geest. De zoektocht naar oprechtere uit­beeldingen van de realiteit resulteerde in een nieuwe realistische of naturalistische kunst, waarvan het doel de imitatie is van de natuur ‘dans son inconscience, son indifférence morale, son absence de choix’. Deze koerswijziging brengt De Vogüé (1886a: xix) in verband met wat hij noemt ‘la révolution universelle’, waarvan de opkomst van de democratie en de wetenschappelijke vooruitgang effecten zijn. Een neveneffect van de door de verlichtingsfilosofen ingevoerde cultus van de rede is de negatie van het evangelie, meer bepaald van de waarde van het evangelische medelijden. Wat De Vogüé (1886a: xxiv) betreft is deze morele inspiratie noch­tans noodzakelijk om het realisme de wreedheid van zijn procedés te vergeven. Immers, ‘le réalisme devient odieux dès qu’il cesse d’être charitable’.

In een volgende beweging hekelt De Vogüé (1886a: xxvii-xxxvii) de Franse realisten en naturalisten, omdat ze volgens hem kampen met een fundamenteel probleem: ze zien zich genoodzaakt om een esthetiek te volgen die in strijd is met de Franse traditie en aldus weerzin wekt bij een groot deel van het leespubliek. Stendhal en Balzac beschouwt hij als halfslachtige voorlopers van de realistische school. Hij kan bepaalde aspecten van hun proza nog appreciëren, maar wijst op de kwalijke invloed van sommige werken. Ongenuanceerd vernietigend is hij voor Flaubert, die hij veracht omdat met hem het Franse realisme doorbrak. De burg­graaf is niet te spreken over de gigantische invloed die uitging van immorele werken als Madame Bovary en Bouvard et Pécuchet. Voor Zola is zijn oordeel min­der streng, maar dit wijt hij aan het feit dat deze auteur in weerwil van zichzelf nog grote epische kwaliteiten heeft. De eindbalans die de burggraaf opmaakt van de Franse literatuur van zijn tijd is zeer negatief: volgens hem laat het realisme à la Flaubert slechts de keuze tussen twee vormen van pessimisme, omdat het ont­breekt aan gevoel voor het goddelijke en voor het menselijke.

Nadat De Vogüé het probleem heeft geschetst gaat hij ook op zoek naar de op­lossing. Ingrediënten hiervoor vindt hij in het realisme van de Engelse en de Russi­sche literatuur. Deze literatuurstromingen verschillen fundamenteel van het Franse realisme omdat ze putten uit een bron van morele inspiratie. Met deze be­wering borduurt de auteur van Le roman russe voort op ideeën die eerder ge­formuleerd waren door Brunetière (1888). In Le roman naturaliste had deze criticus er al op gewezen dat de psychologische analyse van het Engelse naturalis­me, in tegenstelling tot die van het Franse, uitging van door liefde verlichte intel­ligentie. Dezelfde ideeën worden nu toegepast op de Russische romanciers. Zelfs zij die zich als persoon losgemaakt hebben van de christelijke leer blijven hiervan doordrongen. Dit komt tot uiting in de christelijke naastenliefde, die volgens De Vogüé (1886a: xlv) in het geval van Dostoevskij de vorm van ‘une passion dou­loureuse’ aanneemt. Deze komt onder andere tot uiting in het feit dat de persona­ges beziggehouden worden door het eeuwige mysterie. Het gevolg van de gehekel­de morele inferioriteit van de Franse realisten of naturalisten ten overstaan van de Russische exponenten van de natural’naja škola is dat de Fransen geen deel heb­ben aan de Europese geest die in de maak is. De criticus betreurt het diep dat de Franse literatuur daardoor haar dominante positie kwijtgespeeld is:

Je note ici, le cœur chagrin et désirant me tromper, l’observation qui résume pour moi un long commerce avec l’étranger: les idées générales qui trans­forment l’Europe ne sortent plus de l’âme française. Aussi malheureuse que notre politique, dessaissie de l’empire matériel du monde, notre littérature laisse perdre par ses fautes l’empire intellectuel qui était notre patrimoine incontesté. (De Vogüé 1886: xlviii)

Op het ogenblik dat De Vogüé het voorwoord schreef van Le roman russe was de populariteit van de door hem voorgestelde Russische romanciers bij de geletterde jeugd van Parijs reeds een feit. Eerder dan een oppervlakkige drang naar Russische couleur locale zag hij hierin een bewijs voor de juistheid van zijn stelling dat de Franse literatuur gebukt ging onder een tekort aan spiritualiteit. Tegelijkertijd wees hij op twee mogelijke ongewenste gevolgen van de gloednieuwe grootschalige welwillendheid jegens de Russische literatuur: ten eerste dat men zomaar alles wat uit Rusland kwam zou vertalen, zonder voorafgaande selectie, en ten tweede dat de jonge decadente schrijvers van Dostoevskijs proza met name de bizarre aspec­ten als inspiratiebron zouden gebruiken. Toch was de burggraaf er heilig van over­tuigd dat de algemene invloed van de Russische romanciers op de Franse literatuur heilzaam zou zijn. Nadat hij eventuele chauvinistische bezwaren tegen invloeden van de Russen had geanticipeerd riep De Vogüé (1886a: lv) dan ook nadrukkelijk op: ‘Imitons-les’.


5 Parijs in de greep van de russomanie (1885-87)

 

een goudmijn

Zoals Hemmings (1950b: 48) het ziet, waren de Franse essays over Russische lite­ra­tuur die voorafgingen aan die van De Vogüé zuiver informatief. Het polemische Le roman russe daarentegen opende een debat over de Russische romanciers, met name over Tolstoj en Dostoevskij, dat minstens een kwarteeuw zou voortduren. Om te kunnen deelnemen aan dit debat en een standpunt in te nemen ten op­zichte van De Vogüés oproep om op spiritueel vlak in de leer te gaan bij de Russen, moest men zich natuurlijk eerst vertrouwd maken met de boeken in kwestie. De vraag naar vertalingen groeide en de uitgeverijen aarzelden niet om hieraan tege­moet te komen. De vertalingen van Dostoevskij werden gemonopoliseerd door uitgeverij Plon, dat met de publicatie van Le crime et le châtiment een goudmijn had aangeboord. Volgens de bibliografie van Boutchik (1934: 51) werd deze roman van 1885 tot 1887 ieder jaar herdrukt. In deze periode werden door Plon ook verschillende nieuwe vertalingen van Dostoevskij besteld en uitgebracht.

 

la maison des morts

De selectie van de Russische bronteksten was in eerste instantie voor wat betreft de grote romans volledig in overeenstemming met de aanbevelingen van De Vogüé, die zich actief bemoeide met de politiek van Plon. Zo had hij de uitgeverij op 30 oktober 1884 in een brief nadrukkelijk geadviseerd om geen vertaling van Brat’ja Karamazovy op de markt te brengen – kennelijk speelde men met dit idee –, maar wel één van Zapiski iz mërtvogo doma:

Je suis entièrement de l’avis de Mme Arapof pour Les Frères Karamazovy ; c’est le plus faible, le plus lourd et le plus long des romans de Dostoïevsky ; peu de Russes en soutiennent la lecture, il rebuterait à coup sûr le goût français. Je ne saurais assez vous conseiller, si vous êtes en mesure de le faire, d’entreprendre de préférence la publication des Souvenirs de la Maison des Morts.[29]

Gevolg gevend aan deze suggestie, gaf Plon in 1886 Souvenirs de la maison des morts van Charles Neyroud uit.[30] Dat De Vogüé nauw betrokken was bij deze onder­neming blijkt ook uit het feit dat hij het voorwoord mocht schrijven. Hierin be­spreekt hij behalve de roman zelf, waarover hij weinig nieuws meedeelt, ook de eerste ontvangst van Dostoevskij in Frankrijk.

In zijn ‘avertissement’ onderscheidt hij twee groepen lezers: zij die de schrijver beminnen en zij die hem haten. Hij voorspelt dat de vertalingen van Dostoevskij die nog zullen volgen de Franse publieke opinie zullen schandaliseren. Toch is de Russische auteur superieur en dit omdat hij de gave bezit om gevoelens op te roepen en gemoedstoestanden te analyseren. Volgens de burggraaf is deze combi­na­tie bij Franse schrijvers bijzonder zeldzaam, maar niet zo bij de Russen. Hier­voor wordt echter wel een prijs betaald: de Russische romans lijden aan traagheid en obscuriteit.

Na deze algemene inleiding gaat de criticus over op Zapiski iz mërtvogo doma, dat hij niet als een roman of fictie beschouwt, maar als een vermomde autobiogra­fie met observaties van de vreemde kampwereld. In verband met de wreedheid van de straf uit De Vogüé (1886b: iv) enige kritiek op de Russische overheid, waarvoor hij doorgaans zeer mild is. In eenzelfde adem vermeldt hij dat de eigentijdse ver­vol­gingen tegen staatsvijanden wel terecht zijn. Met een fragment uit de memoires van Jastremskij, één van Dostoevskijs medegevangenen, toont de criticus aan dat de Russische schrijver als geen ander de kunst van het troosten verstond. Tegelij­ker­tijd wordt hierin gewezen op zijn vrouwelijke natuur, wat zijn behoefte om in zijn oeuvre lijden op te zoeken zou verklaren. Belangrijker is de evangelische bood­schap die volgens De Vogüé (1886b: ix-x) vervat zit in de kamproman: dat lijden heilzaam is en dat men niet echt ongelukkig is zolang er hoop en geloof bestaat. Over de personages die de vreemde wereld bevolken, meent de Franse burggraaf dat ze in veel opzichten contradictorisch zijn. Daarin ziet hij een algemeen-mense­lijke, maar bij uitstek Russische karaktereigenschap. Met zijn originele analyse van de complexe zielen en zijn weergaloos realisme dat uitmondt in een ‘recherche in­quiète de l’idéal’, ontsnapt Dostoevskij aan iedere classificatie.

Zoals ondertussen traditie is geworden, zet De Vogüé (1886b: xiii-xiv) tegen het einde van zijn stuk de tekorten van Dostoevskij op een rijtje. Ditmaal zijn het er een vijftal: de traagheid van de plot, de verwarring en de obscuriteit van het ver­haal, dat bovendien voortdurend de aandacht op zichzelf vestigt, de kortzichtige fixatie op onbeduidende details en, last but not least, ‘la complaisance maladive pour le détail répugnant’. De burggraaf is ervan overtuigd dat niet-flexibele lezers gechoqueerd zullen worden. Tegelijkertijd belooft hij delicate emoties aan wie wel voldoende geduld kan opbrengen. Bijzonder belangwekkend is dat hij zich in dit verband laatdunkend uitlaat over de Franse gewoonte om buitenlandse teksten radicaal aan te passen aan de eigen smaak. Wat de vertaling van Neyroud be­treft, weet hij dat het alleszins een ‘décalque fidèle du texte russe’ is. Toch laat hij de vraag open of het verhaal en de dialogen wel of geen allure hebben gekregen die meer conform de gewoonten van de Franse taal is – tussen de lijnen schemert door dat hij dit wenselijk acht. Zonder de vertaling te willen evalueren, spreekt hij tot slot zijn twijfel uit of deze even sterke indrukken teweegbrengt als het origineel.

 

de vertaalfabriek

Kort na Souvenirs de la maison des morts bracht Plon ook Les possédés, een nieuwe vertaling van Victor Derély, op de markt. Zoals eerder besproken, had De Vogüé in zijn Dostoevskij-artikel op deze publicatie, onder deze specifieke titel, aan­ge­stuurd. In de nasleep van het monstersucces van Le crime et le châtiment versche­nen bij dezelfde uitgeverij in 1886 naast een derde uitgave van deze roman ook vertalingen van kleinere werken van Dostoevskij, waarover de burggraaf zich nog niet had uitgesproken: de bundel Krotkaja, met vertalingen van de kortverhalen Krotkaja, Ëlka i svad’ba en Malen’kij geroj, en het boek L’esprit souterrain, een adaptatie van Chozjajka en Zapiski iz podpol’ja. Het kortverhaaltje Ëlka i svad’ba was eerder al, op 26 december 1885, verschenen in de krant Le Figaro onder de titel L’arbre de Noèl [sic].

De vertaler van de hierboven genoemde resem kleinere werken was Ély Hal­périne-Kaminsky (1858-1936), die in de Franse receptie van Dostoevskij een pro­minente rol zou spelen. In 1880, na de beëindiging van zijn studies in Odessa was deze dicht bij Kiëv geboren Rus geëmigreerd naar Parijs. Vanaf 1883 werkte hij als redacteur van het tweetalige tijdschrift Franco-russe. Tot het midden van de jaren 1880 was hij de secretaris van verschillende vulgariserend-wetenschappelijke tijd­schriften. Toen onder invloed van De Vogüés publicaties de Russische romanciers populair werden bij het Franse publiek, ontpopte Halpérine-Kaminsky zich on­ver­wijld tot een ongezien productieve vertaler. Behalve van Dostoevskij vertaalde hij ook werken van Turgenev, Tolstoj, Puškin, Gogol’, Nekrasov en ščedrin. Hij schreef ook ontelbaar veel essays over Franse en Russische literatuur voor belang­rijke Franse en Russische tijdschriften, en is de auteur van talrijke monografieën.

Voor de redactie van de door hem vertaalde teksten deed Halpérine-Kaminsky systematisch een beroep op Franstalige medewerkers, die geen woord Russisch verstonden. Zoals blijkt uit de studie van Boutchik (1947: 31-2), was dit in het midden van de jaren 1880 een veel voorkomende praktijk. Aangezien in de loop van 1886 de belangstelling van het Franse publiek voor de Russen in het algemeen en Tolstoj en Dostoevskij in het bijzonder de vorm aangenomen had van een ware hype – het was not done om niet met deze schrijvers te dwepen – gingen alle uit­gebrachte vertalingen uit het Russisch als zoete broodjes over de toonbank. Plon, die zijn potentiële concurrenten in snelheid wilde pakken, reageerde hierop door de productiviteit nog op te drijven. Het bestand van professionele vertalers was echter beperkt. Daarom werd een vertalersatelier opgericht: een tiental Russische emigranten werd gerekruteerd om teksten te vertalen die daarna herschreven werden door Franse redacteuren. Behalve Halpérine-Kaminsky behoorden tot dit atelier ook de Dostoevskij-vertalers Michel Delines (pseudoniem van Achkinazi) en J.-W. Bienstock. Over de werkwijze van de vertalers legde de laatstgenoemde de volgende belangwekkende getuigenis af, waaruit blijkt dat het commerciële belang primeerde op de zorg om kwaliteit:

 Ce fut pour nous un âge d’or. Trois, quatre traductions étaient en même temps en chantier. On en répartissait les feuillets entre des étudiants qui les tradui­saient, et on les présentait au fur et à mesure à l’éditeur, qui les envoyait à l’imprimerie sans attendre le reste.[31]

 

literatuurgeschiedenis van sichler

Plon mocht dan wel alle Dostoevskij-vertalingen naar zich toegetrokken hebben, in hun streven naar gemakkelijk commercieel succes brachten in 1886 vrijwel alle uitgeverijen in Parijs Russische vertalingen op de markt. Of het nu proza van on­bekende auteurs, poëzie, kunstboeken of folklore betrof, alles verkocht goed zo­lang het maar Russisch was. Hierop speelde ook de Ruslandkenner en literatuur­historicus Léon Sichler dankbaar in. Behalve het eigenhandig geïllustreerde Contes russes bracht hij in 1886, bij Dupret, een nieuwe geschiedenis van de Russische literatuur uit.

De plaats die Dostoevskij inneemt in Histoire de la littérature russe depuis les origines jusqu’à nos jours is eerder beperkt: Sichler (1886: 314-20) leidt de lezer op slechts enkele pagina’s door de biografie van Dostoevskij en evalueert terloops enkele romans. Voor de waardeoordelen sluit de literatuurhistoricus zich exclusief aan bij De Vogüé, hoewel hij zelf gespecialiseerd was in Russische literatuur en ook vertrouwd was met het werk van Courrière (1875). Hij meent dat de analyse in Le roman russe van het oeuvre van Dostoevskij niet voor verbetering vatbaar is. Het is dus logisch dat hij de waardeoordelen van De Vogüé inspiratieloos herkauwt. Her­kauwen is eigenlijk veel gezegd, aangezien de burggraaf te pas en te onpas geciteerd wordt. Werken als Zapiski iz podpol’ja en Podrostok, waarover de burggraaf zich geringschattend had uitgelaten, worden niet eens vermeld. Dit vergaand eer­betoon van Sichler aan De Vogüé is exemplarisch voor het gros van de literatoren in het Parijs van de tweede helft van de jaren 1880: men erkende zijn autoriteit en boog nederig het hoofd wanneer hij het woord nam. Het legde Sichler alleszins geen windeieren: na amper een jaar was zijn literatuurgeschiedenis al aan een her­druk toe.

 

de balans volgens de vogüé: les livres russes en france

Aangezien Russische boeken op initiatief van De Vogüé in de Franse hoofdstad waren binnengeleid, kwam het in de eerste plaats hem toe om hiervan de balans op te maken. Dit deed hij op het einde van 1886 in Revue des deux mondes met het artikel ‘Les livres russes en France’. Hierin stelde hij de doorbraak van de Russen voor als een revanche voor 1812, wat zijn vroegtijdige besef illustreert dat het een historische gebeurtenis in de Franse letteren betrof. De aanleiding voor het stuk was de publicatie van nieuwe vertalingen van onder andere Tolstoj, Dostoevskij en Turgenev, en van de literatuurgeschiedenis van Sichler.

In zijn nieuw artikel laat De Vogüé (1886c: 824) zich ontvallen dat Tolstoj volgens hem terecht de lieveling van het Franse publiek is. Inderdaad waren tegen het einde van 1886 ongeveer al zijn beschikbare romantitels in het Frans vertaald en begon men zich nu te wagen aan zijn oeuvre als religieus en sociaal hervormer. Over de weinig enthousiaste reactie van het grote publiek op Turgenev, die niet uit de schaduw raakt van Tolstoj en Dostoevskij, is De Vogüé (1886c: 834) min­der te spreken, maar hij acht het te vroeg om hiertegen te vechten.

De behandeling van Dostoevskij in dit stuk staat volledig in het teken van de vertalingen Krotkaïa, L’esprit souterrain en Les Possédés. Het vertrekpunt is de vreemdheid van de personages. Volgens De Vogüé (1886c: 830) maken zij op de lezer de indruk van ‘des chats avec des âmes vertueuses et philosophiques, em­prisonnées par quelque magicien dans les nerfs vicieux de ces étranges bêtes’. Hun martelaarschap is gebaseerd op wederzijdse liefde en haat. De burggraaf meent dat in de personages van Dostoevskij ongezien veel deugd en misdaad vervat zit, wat hen in de ogen van westerlingen gek maakt. Hij verzet zich niet tegen deze kwali­ficatie, maar nuanceert deze door erop te wijzen dat de personages in hun gekheid doorgedreven logisch zijn.

L’esprit souterrain is de eerste Dostoevskij-vertaling die De Vogüé (1886c: 831) in dit artikel aanraakt. Interessant is dat hij deze adaptatie behandelt zonder de vergelijking te maken met de overeenkomstige bronteksten, namelijk Chozjajka en Zapiski iz podpol’ja.[32] Hierdoor ontstaat het vermoeden dat hij deze niet ge­lezen had. Hij gebruikt L’esprit souterrain om zijn bewering te illustreren dat Dostoevskij er niet in slaagt om fantastische literatuur in de trend van Edgar Poe te bedrijven. Hij ergert zich aan de personages en aan de gebrekkige enscenering. Het tweede deel van de roman is simpelweg ‘illisible’ – zonder het te weten be­spreekt de graaf hier pas Zapiski iz podpol’ja. Met name de lectuur van de 50-pagina’s tellende metafysische monoloog van Ordinof – dit is de naam die in L’esprit souterrain aan de ondergrondse man is gegeven – is niet uit te houden, zelfs niet voor de meest overtuigde symbolist. Hier tegenover staat de preek die Ordinof ten overstaan van Lisa maakt. De Vogüé (1886c: 832) ziet hierin een voorloper van de door hem geprezen scène tussen Raskol’nikov en Sonja.

Krotkaïa daarentegen wordt door de burggraaf geprezen als ‘un morceau achevé’ en aangeprezen aan wie het aan moed ontbreekt om de grote composities van Dostoevskij te lezen. Niet alleen geeft het verhaal een volledig beeld van zijn talent, ook gaat het over zeer menselijke en bij uitstek Russische toestanden. Bij Les possédés wil de criticus niet lang blijven stilstaan. Als reden geeft hij op dat de roman zich niet leent tot analyse – wellicht vandaar dat de uitgave ervan door Plon het ditmaal moest stellen zonder voorwoord van de burggraaf. Wel herhaalt hij dat het boek grote didactische waarde heeft voor wie zich een juist beeld wil vormen van de nihilistische beweging. Hiervoor moet men wel twee barrières overwinnen: Dostoevskijs melodramatische smaak en de overdrijvingen die zijn gedachtegang kenmerken. Bovendien herinnert De Vogüé (1886c: 833): ‘Le livre est horriblement mal composé’. Wie zich doorheen de uitweidingen toch een weg kan banen tot de belangrijke scènes zal hierin volgens de criticus een staaltje van krachtige dramaturgie en psychologie ontwaren.

Zijn bespreking van de drie nieuwe vertalingen van Dostoevskij besluit De Vogüé (1886c: 833) door te stellen dat de Russische schrijver het minst even­wichtige, maar het meest originele en enigmatische talent en genie van deze tijd is. Zijn boeken moeten verklaard worden door de mens en de mens laat zich ver­klaren door zijn uitzonderlijke pathologie. Hieraan voegt de burggraaf een beeld van Dostoevskij toe dat hij aanvankelijk had uitgevonden voor diens personages: ‘On en reviendra toujours à constater que la nature […] incarna l’intelligence la plus subtile et le cœur le plus généreux dans l’enveloppe d’un chat malade.’

In het afsluitende hoofdstuk van zijn artikel uit De Vogüé (1886c: 836-7) kri­tiek op de invasie van de Russen die hijzelf in het leven heeft geroepen: hij had namelijk liever gezien dat enkel die boeken vertaald werden die tien jaar later nog gelezen zouden worden. De andere Russische romans verpesten volgens hem de markt. Hoewel hij er begrip voor heeft dat de uitgevers en vertalers profijt willen halen uit de smaak voor Russische romans, vreest hij dat de oververzadiging op ter­mijn zal leiden tot een krach. Ook binnen het oeuvre van Dostoevskij onder­scheidt De Vogüé werken die voor de Franse literatuur van belang zijn en werken die minder onontbeerlijk zijn. Tot de eerste categorie behoort een roman als Idiot – die weldra zou verschijnen in Franse vertaling. Tot de tweede behoort Čužaja žena pod krovat’ju, dat volgens de burggraaf zelfs de meest bescheiden Franse vau­devilist nog niet zou willen signeren. Om zijn pleidooi voor het maat houden in het uitbrengen van vertalingen kracht bij te zetten, noemt De Vogüé (1886c: 838) de lectuur van twee of drie werken van Dostoevskij ‘une gymnastique passion­nan­te, mais déjà pénible pour le cerveau’. Nog onheilspellender is zijn bewering dat wie het hele oeuvre van Dostoevskij in één trek uitleest rijp is voor de psychiatrie.

De Vogüé (1886c: 839) ziet één potentieel positieve zijde aan de concurrentie tussen de Franse uitgevers: hij hoopt dat men hierdoor hogere eisen zal gaan stel­len aan de vertalingen. Het vertalen zelf beschouwt de burggraaf als een ondank­bare kunst. De moeilijkheid bestaat erin dat men bereid moet zijn om een halve dag te spenderen aan de vertaling van een pagina en bovendien de gedachte van de auteur niet mag aanpassen. De burggraaf erkent dat de praktijk van het vertalen af­wijkt van zijn vertaalopvattingen. Hij vindt dat er grofweg twee verkeerde opi­nies over het vertalen gehuldigd worden. De eerste is dat het voor een Rus volstaat een Franse gouvernante en tegenslag[33] te hebben om een vertaler te zijn. Ten twee­de is dat men automatisch een goede vertaler is wanneer men een perfecte kennis van twee talen bezit.

Dat vertalen een kunst is die aan vaste regels ontsnapt, illustreert De Vogüé (1886: 839-40) aan de hand van Halpérine-Kaminsky. Over de arbeid van ‘le plus fécond ouvrier de ce laborieux atelier de traducteurs’ had de burggraaf gemengde gevoelens. Enerzijds vond hij dat de werkwijze van deze vertaler te wensen over­liet, anderzijds gaf hij toe dat sommige van diens vertalingen wel degelijk geslaagd waren:

Je suis bien à l’aise pour parler de ses travaux, car il nous prévient modestement qu’il se contente de donner le sens exact du texte russe – et il le donne fort exact – à des collaborateurs français qui ignorent sa langue et se chargent de la rédaction. A première vue, ce procédé ne promet rien qui vaille, pourtant, par je ne sais quelle opération d’alchimie qui m’échappe, il a ainsi donné des ver­sions médiocres, d’autres fort estimables, une, enfin, qui est hors de pair. (De Vogüé 1886c: 840).

Deze laatste waardering slaat op L’esprit souterrain, het eigenaardige geval waarbij de burggraaf ook halt houdt. Hij vermoedt dat Morice, de dichter waarop Halpérine-Kaminsky voor de redactie van deze vertaling beroep heeft gedaan, ge­tracht heeft om zijn eigen poëtica toe te passen op de interpretatie van de roman. Aanvankelijk had De Vogüé, die gehecht was aan de vertalingen van Derély omdat ze zich volgens hem niet als vertalingen lieten lezen, dan ook grote reserves gehad bij de betrokkenheid van Morice, die als symbolische dichter de Franse taal wilde vernieuwen. Bij de lectuur raakte de criticus er echter van over­tuigd dat de ver­taling de meest krachtige en meest artistieke is die een Russische auteur ooit te beurt is gevallen. De bezwaren van De Vogüé (1886c: 840) die over­blijven na de lectuur zijn dan ook minimaal: hier en daar enkele ‘vocables aventu­reux, quelques souffles révolutionnaires’ en ‘des fausses notes’, maar over het alge­meen is de ver­taling geslaagd ‘avec des pages écrites pour la joie de l’oreille et des yeux’. Wat de criticus verwondert, is dat Morice zijn talent heeft toegepast op een van de min­dere werken van Dostoevskij. Hij vermoedt dat de dichter dit werk – hij doet systematisch uitschijnen dat het een vertaling betreft van slechts één bron­tekst – gekozen heeft omdat hij in het buitensporig geraaskal een symbolistisch meester­werk ziet. Uit dit alles blijkt dat de door De Vogüé geproclameerde eis van ade­qua­tie in het vertalen met een korrel zout moet worden genomen: de vertaling waarvoor hij het meeste ontzag opbracht was immers, zoals verder in dit proef­schrift zal blijken, een doorgedreven adaptatie.

 

wyzewa: reserves bij de russische invasie

Naast De Vogüé maakte op het einde van 1886 ook Teodor Wyzewski (1863- 1917) de balans op van de bevlogen belangstelling in Parijs voor Russische romans. Onder het pseudoniem Teodor de Wyzewa schreef de als Pool geboren exponent van de Franse symbolistische beweging, die als criticus van Europese literatuur op regelmatige basis stukken schreef voor Revue des deux mondes, het artikel ‘L’inva­sion des russes dans la littérature française’, dat in 1897 opgenomen zou worden in de bundel écrivains étrangers. De titel is veelbetekenend: Wyzewa (1897: 156) zag in de overspoeling van de markt door de ontelbare Russische romans, die volgens zijn voorspelling ook in 1887 zou voortduren, een potentiële dreiging. Hij vreesde namelijk net als De Vogüé dat hierdoor het initiële enthousiasme van de Franse lezers zou bekoelen. Om dit tegen te gaan achtte hij het noodzakelijk dat een criti­cus de redenen van het succes van de Russische literatuur in Frankrijk zou bloot­leggen – een taak waarvoor hij zichzelf gekwalificeerd vond.

Het eerste element van zijn analyse heeft Wyzewa gemeen met De Vogüé: hij ge­looft dat het Franse leespubliek de naturalistische roman na hem tien jaar lang te hebben gesmaakt, beu geworden was. De schuld legt hij bij de naturalistische schrijvers zelf: ze hebben hun visie niet voortdurend bijgeschaafd, ze hielden zich steeds maar op bij dezelfde onderwerpen, hun schilderingen brachten niets nieuws en de meesten onder hen hadden niet de ambitie om een persoonlijke visie te ont­wikkelen. Nog fundamenteler is het verwijt dat de naturalisten enkel de uitwen­dige kant van het leven beschreven, en tekort schoten in de uitbeelding van het innerlijke, emotionele leven van hun personages.

Wyzewa (1897: 158-9) erkent de verdienste van De Vogüé dat hij dit gemis van het Franse leespubliek uitstekend aanvoelde. Hij geeft hem tevens gelijk dat de Russische romanschrijvers van de Franse naturalisten verschillen omdat ze wel ruime aandacht besteden aan het geestesleven. Wat hij de burggraaf echter kwalijk neemt, is dat deze in een poging om de zielen van Parijs te verleiden, verklaard heeft dat de Russen zich over hun personages vertederen. Deze bewering is volgens Wyzewa (1897: 160) de bron waaruit het enthousiasme van het Franse lees­publiek geput wordt. Hieraan zijn twee gevolgen verbonden. Ten eerste dat dui­zen­den lezers, waaronder kunstenaars, hun weg vinden naar de Russen, wat hon­derden uitgeverijen in de mogelijkheid stelde om enkele boeken te verkopen. Het tweede gevolg is echter kwalijk:

Fondée sur une théorie fâcheuse de l’attendrissement en art, elle [la révélation de M. De Vogüé] altéra, pour les lecteurs français, le caractère véritable de la littérature russe; elle laissa pleinement ignorés des écrivains russes admirables, mais dont les œuvres ne s’accordent point avec cette théorie; enfin elle fit con­naître et vénérer d’autres écrivains assez indignes d’une admiration littéraire. (Wyzewa 1897: 160-1)

Bij de bewering dat bepaalde Russische schrijvers ten onrechte niet ontdekt zijn, denkt de criticus in de eerste plaats aan Gončarov. Het is niet geheel uitgesloten dat hij Dostoevskij tot de groep van de mindere schrijvers rekent. In ieder geval heeft hij van deze schrijver geen hoge pet op: hij vermeldt Dostoevskij, in tegen­stelling tot Gogol’, Turgenev en Tolstoj, in het artikel geen enkele maal met naam. Toch is het meer waarschijnlijk dat Wyzewa (1897: 173) hier doelt op minder be­kende namen van de generatie voor hem, zoals Pisemskij, Krestovskij en Saltykov-ščedrin, en van zijn eigen generatie. Hij noemt deze twee groepen schrijvers verder in het artikel namelijk respectievelijk ‘médiocres’ en ‘plus médiocres’.

Dat de Russen hun gevoelens over hun personages laten blijken, is volgens Wy­zewa (1897: 162-4) per definitie uitgesloten, omdat ze afstammen van de school van Gogol’, volgens welke schrijvers gevoelsmatig niet tussenbeide mogen komen. Dat toch de indruk van emotionele betrokkenheid ontstaat heeft te maken met het feit dat de Russische personages naar voorbeeld van de Russische mens emo­tio­neel zeer beladen zijn. De Franse lezer aanziet de passie van de personages, ge­concipieerd door de passionele geest van de auteur verkeerdelijk voor de passie van de auteur voor zijn personages. Dat de romans emotioneel beladen zijn, wordt door de criticus dus niet ontkend. Ook wijst hij op de inhoud van ideeën. Te­gelijkertijd hekelt Wyzewa (1897: 165) het ontbreken van één deugd bij de Rus­sen: ‘le pouvoir de composer artistiquement leurs récits’. De enige voor wie dit niet opgaat is Turgenev, maar dat zou te wijten zijn aan de invloed van de Franse cultuur.

Wyzewa (1897: 174) besluit zijn stuk met de stelling dat de waarde van de Russische invasie voor de Franse literatuur beperkt is. Aangezien het publiek ver­teld werd de teksten te bewonderen om kwaliteiten die er niet in vervat zitten, is de bewondering oppervlakkig gebleven en niet instructief gebleken. Nochtans ge­looft de criticus dat de Franse romanciers nog iets kunnen leren van de psycho­logische analyse van het innerlijke leven, zoals deze aanwezig is bij Tolstoj, Turge­nev en Gončarov – opmerkelijk is dat Dostoevskij in dit rijtje weeral geen plaats heeft. De Russische roman heeft, aldus Wyzewa (1897: 175), het Franse natura­lisme gedood, maar niet vervangen. De remedie is volgens hem simpel: de jonge Franse schrijvers moeten de Moskovitische ongenode gasten uit het geheugen ban­nen, hun klassiekers herlezen en tot de vaststelling komen dat hun ziel alles be­halve Russisch is. De uitgevers, op hun beurt, moeten romans uitbrengen van jonge Franse schrijvers ‘au lieu de publier chaque jour quelque nouvelle machine de MM. Off et Sky!’

 

dostoevskij-publicaties 1887

Zoals Wyzewa al aanvoelde, was hij onmachtig om op te boksen tegen de mode die heel Parijs in zijn greep had. Met zijn scherpe kritiek op De Vogüé, die on­gezien prestige genoot, isoleerde hij zichzelf van de weldenkende progressieven. Bovendien hadden de uitgevers er belang bij om, eenmaal op de kar gesprongen, de Ruslandmode in gang te houden. De publicatie van Russische romans zette zich dan ook in een ijl tempo verder.

Wat Dostoevskij betreft, werd de tijd rijp bevonden om ook werken op de markt te brengen die golden als minder belangrijk of die ervaren werden als min­der toegankelijk. In 1887 werden in Parijs naast een vierde uitgave van Le crime et le châtiment ook twee nieuwe boeken met werk van hem uitgebracht: Le joueur et Les nuits blanches, een bundel met vertalingen van Igrok en Belye noči door Halpérine-Kaminsky, en L’idiot, vertaald door Derély.[34] Het voorwoord van het laatst­genoemde werk was, nog maar eens, geschreven door De Vogüé.

 

voorwoord l’idiot

In het geval van L’idiot is het ‘avertissement’ van De Vogüé (1887) zeer letterlijk te nemen. Hij waarschuwt het leespubliek namelijk voor deze roman, omdat die niet met literaire maatstaven vergeleken kan worden met Prestuplenie i nakazanie:

Le début est alerte et habile, les principaux personnages nous sont familiers des les premières pages; mais bientôt un brouillard fantastique nous les dérobe: ils se perdent au milieu d’innombrables figures qui viennent grimacer au premier plan. Ce livre n’a pas l’unité et l’intensité d’action de l’autre roman; il ne nous montre pas, comme ce dernier, un drame moral où toutes les parties s’en­chaînent vers une conclusion logique. (De Vogüé 1887: i)

De Vogüé beveelt Idiot niet aan ten overstaan van liefhebbers van schone letteren, maar wel aan dokters, fysiologen, filosofen en aan al wie zich interesseert voor de menselijke denkmachine. In het vervolg van het voorwoord herhaalt de criticus zijn eerder uiteengezette ideeën over vorst Myškin als in evangelische zin geïdea­liseerd zelfportret van Dostoevskij. Interessant is zijn opmerking dat de auteur en de meeste Russische lezers er aanstoot aan zouden nemen indien de roman aan­leiding zou geven tot gelach: het gevoel voor het belachelijke is hen immers vol­strekt vreemd. De Franse lezers, op hun beurt, zijn dan weer niet in staat om de wilde geest van de roman te begrijpen, temeer daar die een Frans jasje heeft ge­kregen – De Vogüé meent dat Idiot een imitatie lijkt van Les Mystères de Paris van Eugène Sue. Precies omdat de roman een bizar amalgaam is, kan hij symbool staan voor Rusland zelf.

De personages van Idiot lijken op het eerste gezicht ontsproten aan de onge­brei­del­de fantasie van de auteur, maar zijn in feite gebaseerd op reëel bestaande Russische lieden. In hun gebrek aan controle over hun eigen geest, zijn ze volgens De Vogüé (1887: vi) ‘absolument inacceptables pour les bonnes gens de chez nous’. Onder hen spant Rogožin qua ongeloofwaardigheid de kroon, maar toch is hij een waarachtige uitbeelding van de Russische koopman. De scène waarin dit personage met de idioot keuvelt, nadat hij zijn geliefde heeft vermoord, vindt de criticus één van de sterkste die Dostoevskij ooit geschreven heeft. Hij vraagt zich af of deze scène een uiting van gekheid is en waar de grens tussen gekheid en ge­zondheid ligt. Hij komt tot het besluit dat gekheid beschouwd kan worden als ‘un phénomène d’ordre général’ – een idee dat volgens De Vogüé (1887: viii) een halve eeuw te vroeg komt om door de publieke opinie aanvaard te worden. In lijn hiermee voorspelt hij geen succes voor Idiot bij de gewone romanlezers, maar wel bij de liefhebbers van de experimenten van Charcot, die toen naam had gemaakt als grondlegger van de neurologie.


6 Groeiende weerstand (1887-96)

 

pontmartin: de overschatting van dostoevskij

De publicatie van Le joueur en het pleidooi van De Vogüé om L’idiot te appre­ciëren als diepzinnige studie van de menselijke geest ontlokte een reactie aan Pont­martin, die in Parijs behalve zichzelf ook de traditionele kritiek vertegenwoordig­de. Eerder is duidelijk gemaakt dat hij, onder de indruk van de lectuur van Le crime et le châtiment, aanvankelijk een welwillende houding aangenomen had tegenover de Russen. Ook hij had opgeroepen om Dostoevskij te lezen, zij het met een waarschuwing dat men hem niet moest gaan imiteren. Omstreeks 1887 was de traditionele criticus de Russen echter spuugzat. Hij deed geen moeite om dit te ver­hullen. Integendeel, hij smeerde zijn ergernis, die aan de wanhoop grensde, breed uit. ‘Qui nous délivrera […] du roman russe, de l’éternel Tolstoï, du semp­tirnel Dostoïevsky?’, zo provoceerde Pontmartin (1888: 199) de literaire gemeen­schap van Parijs.

De rechtstreekse aanleiding voor het stuk van Pontmartin is de publicatie van Le joueur en van het voorwoord van De Vogüé op L’idiot. Van de eerstgenoemde roman hekelt hij verschillende aspecten. Om te beginnen oordeelt hij dat in Igrok helemaal niets te vinden is: geen sensatie, emotie, les, dramatische actie of psycho­lo­gische analyse. Dit terwijl een gokverslaafde als personage potentieel interessant is. De sprekende naam van het stadje waarin het verhaal zich hoofdzakelijk af­speelt, ‘Roullettembourg’ [sic], doet Pontmartin (1888: 202) denken aan ‘le comique enfantin et transparant des vaudevilles de 1817’. Hij neemt aanstoot aan de absurde scène, die hij ook citeert, waarin het hoofdpersonage de Vaticaanse ambassade profaneert: het verband met de algemene thematiek van het spel is hem onduidelijk. Een ander punt van kritiek betreft de overbodigheid van het perso­nage ‘Maria Felipovna’: zij wordt in het begin van het boek genoemd, maar speelt verder geen rol. Daarnaast ergert de criticus zich mateloos aan de onuitspreek­baarheid van de Russische namen. Meer in het algemeen vindt hij de personages ongeloofwaardig: het zijn vage marionetten, die bovendien onduidelijke rollen spelen. Bijzondere aanstoot neemt Pontmartin (1888:205) aan de laaghartige edelman de Grillet, die volgens hem Frankrijk vertegenwoordigt. De criticus ver­baast zich over het feit dat het casino ondergebracht is in het station. Aan­gezien hij geen Russisch kende kon hij niet weten dat dit enkel het geval is in de vertaling en niet in het origineel.[35] De bedoeling van de groteske scènes ontgaat de criticus geheel. Het grootste tekort dat Igrok ten laste wordt gelegd is het totaal gebrek aan originaliteit: een doordeweekse geletterde croupier zou de auteur kunnen zijn van zulk een verslag, dat fictie noch observatie is. Dat Dostoevskij zijn roman ge­schre­ven heeft om den brode, tegen grote tijdsdruk, wordt door Pontmartin niet in aan­merking genomen. De Vogüé had dit niet meegedeeld en dit was in Parijs dus niet geweten.

Als hij bewezen heeft dat Igrok nog zwakker is dan de meest middelmatige van de Franse romans, en dat doet hij overtuigend, grijpt Pontmartin (1888: 211) dit aan om de Franse bewondering en tolerantie voor Dostoevskij en zelfs voor de andere Russen in het belachelijke te trekken. Overigens geeft hij zelf ook toe dat zijn recensie opgevat is als ‘une légitime réaction contre l’invasion des cosaques en littérature’. Hij vindt het tijdstip om de loftrompet te steken over de Russische literatuur slecht gekozen omdat de Franse schrijvers sowieso al in de ban zijn van neuroses, hypnose en andere symptomen van geestelijke ziekten. De Académie française wordt langzaamaan vervangen door het ziekenhuis. De gek Tolstoj en de epilepticus Dostoevskij vormen volgens Pontmartin (1888: 212) geen goede cor­rectieven voor de fanatici van Flaubert, de bewonderaars van Baudelaire en de ex­centriekelingen en decadenten van de naturalistische roman. Ook laat hij verstaan dat het voor de Franse literatuur gevaarlijk is om zich op sleeptouw te laten nemen door een oppervlakkige mode voor een literatuur die te jong is om verantwoor­de­lijk­heid te nemen.

In het tweede deel van zijn artikel spant Pontmartin (1888: 213) de autoriteit van De Vogüé, in de mate van het mogelijke, voor zijn eigen kar: volgens zijn in­formatie zou de burggraaf zich beginnen afvragen of de introductie van Russische romanciers niet overdreven goed gelukt is. Dat de burggraaf L’idiot aanbeveelt aan geneesheren, fysiologen en geïnteresseerden in de menselijke denkmachine, stelt de criticus enerzijds op prijs omdat hij hierin een toegeving ziet dat Dostoevskij overschat is. Anderzijds vindt hij de belangstelling van De Vogüé voor fysiologie, pathologie en frenologie ergerlijk en kwalijk. Hij meent dat deze pseudo­weten­schappen de menselijke ziel niet terdege kunnen analyseren en dat dit literatuur oplevert die contrasteert met de charmante Franse geest.

Pontmartin stond niet alleen, maar vertegenwoordigde de mening van het con­servatieve kamp. Ook daarbuiten groeide de ergernis over de mode voor de Russi­sche roman en werd De Vogüé met de vinger gewezen. Ook onder de naturalisten en realisten waren er, zij het een minderheid, die weigerden op de door de burg­graaf in gang gezette kar te springen. Een goed voorbeeld hiervan is de gezag­hebben­de Edmond de Goncourt, die in 1888 over de Russische literatuur de vol­gen­de, denigrerende, van jaloezie getuigende uitspraken deed:

Le succès présent du roman russe est dû, en grande partie, à l’agacement qu’éprouvaient nos lettrés spiritualistes, de la popularité du roman naturaliste français. […] Or, ni Tolstoï, ni Dostoïewski, ni les autres à leur suite, ne l’ont inventée cette littérature de l’heure présente, ils nous l’ont prise, en la mâtinant très fort de Poë. Et l’homme qui a le mieux servi cette hostilité du classicisme et du romantisme, a été M. de Vogüé, qui a attribué à une littérature étrangère, une originalité qu’elle n’avait pas, et lui a apporté une gloire qui nous était légitimement due.[36]

 

nieuwe vertalingen 1888-94

In het begin van zijn artikel had Pontmartin (1888: 199) schertsend gezegd dat de stroom aan vertalingen van Dostoevskij hem deed vermoeden dat men hem in Frankrijk fabriceerde ‘comme Robert-Houdin tirait d’une seule bouteille des centaines de petits verres de rhum, de curaçao, de chartreuse, de marasquin, de kirsch et de fine champagne’. Zonder dat hij het wist, hadden zijn woorden een enigszins profetisch karakter. In de volgende jaren verschenen bij Plon en elders namelijk titels van Dostoevskij die in het Russisch niet voorkomen. De verklaring hiervoor is dat bepaalde bronteksten door Halpérine-Kaminsky in delen werden gesplitst, vertaald en dat de resulterende teksten als afzonderlijke werken op de markt werden gebracht. Daarnaast verschenen tot het midden van de jaren 1890 ook een resem nieuwe vertalingen van Dostoevskij, die de facto nog niet uitgeput was, met adequaat vertaalde titels.

De vertaling Les pauvres gens van Victor Derély was een logische selectie, aan­gezien De Vogüé reeds drie jaren eerder, in 1885, de brontekst Bednye ljudi had geprezen. De twee andere titels die van Dostoevskij in 1888 werden uitgebracht waren daarentegen door de burggraaf niet aangemoedigd. Het betreft ten eerste de bundel La femme d’un autre, vertaald door Halpérine-Kaminsky, die naast het titel­verhaal ook de in de Franse kritiek onbekende verhalen Le moujik Marey, Roman en neuf lettres, Calcul exact, La centenaire en Un voleur honnête bevatte. Daarnaast verscheen in hetzelfde jaar ook Les frères Karamazov, een zwaar in­gekor­te en geadapteerde versie van het origineel door Halpérine-Kaminsky, die zich een tweede maal had laten bijstaan door Morice.

Het lijdt weinig twijfel dat de hernieuwde samenwerking tussen de vertaler en de dichter was aangemoedigd door het commerciële succes van L’esprit souterrain en door de lof die De Vogüé over deze vertaling had geuit. De selectie van de bron­tekst ging daarentegen lijnrecht in tegen de adviezen van de burggraaf, die er rots­vast van overtuigd was dat Brat’ja Karamazovy door het Franse publiek verworpen zou worden, omdat hij problematisch, volgens hem te Russisch gecomponeerd was. Dat Halpérine-Kaminsky (1888: 629) ook zelf meende dat de mode voor Rus­sische literatuur oppervlakkig en kwetsbaar was, blijkt uit zijn bewering dat Dostoevskij pas echt begrepen zou worden ‘lorsque la nervosité ascendante de notre siècle sera arrivée à son paroxysme’.[37] Vandaar dat hij en Morice met de be­zwaren van de burggraaf terdege rekening hadden gehouden bij het vertalen van de roman: ze hadden er een belle infidèle van gemaakt. Het is hieraan te danken dat de laatste grote roman van Dostoevskij aansloeg bij het grote Franse publiek. Het enthousiasme voor de Rus was nog niet uitgedoofd en laaide opnieuw op. Gezien de populariteit van de schrijver achtte Halpérine-Kaminsky het oppor­tuun om de geschrapte hoofdstukken uit Bratja Karamazovy te bundelen tot een autonoom kortverhaal. Dit werd een jaar later, in 1889, uitgebracht bij Plon onder de uitgevonden titel Les précoces.

Een gelijkaardige techniek paste Halpérine-Kaminsky toe op Netočka Ne­zvanova: hij deelde het op in twee delen, die hij vertaalde als afzonderlijke kort­verhalen. De adaptatie van het tweede deel werd in 1890 gepubliceerd onder de titel Âme d’enfant bij Marpon & Flammarion. Het monopolie van Plon op Dosto­evskij-vertalingen werd nu pas voor het eerst doorbroken. Het eerste deel van Netočka Nezvanova kreeg de titel Les étapes de la folie en werd een jaar later, ge­bundeld met Cœur faible, een vertaling van Slaboe serdce, uitgegeven door Perrin. Bij dezelfde uitgeverij verschenen in 1892 nog een kortverhaal van Dostoevskij in vertaling van Halpérine-Kaminsky: L’éternel mari. In hetzelfde jaar publiceerde Librairie illustrée te Parijs onder de titel Un vieil amant een anonieme vertaling van het kortverhaal Čestnyj vor. In 1893 of 1894 verscheen dan bij Prudhomme in Châteaudun het verhaal Le Noèl russe, in vertaling van J. Grzybowski et E. Asse.[38] In 1895 en 1896 bracht Plon twee nieuwe titels van Dostoevskij uit: respectieve­lijk Le rêve de l’oncle, vertaald door Halpérine-Kaminsky, en L’éternel mari. Het laastgenoemde werk vermeldt als vertaler ‘Mme Nina Halpérine-Kaminsky’. Toch heeft waarschijnlijk haar echtgenoot mee vertaald, aangezien in de loop van het voorafgaande jaar de vertaling L’éternel mari in afleveringen gepubliceerd werd in de La revue de Paris, onder de naam E. Halpérine.

De continuïteit waarmee nog onbekend werk van Dostoevskij voor de Franse markt ontsluierd werd tot het midden van de jaren 1890 illustreert, evenals het feit dat ook andere uitgeverijen dan Plon op de kar sprongen, dat het met de mode nog niet afgelopen was. Wel maakten de nieuwe ontdekkingen minder indruk op het Franse publiek: Dostoevskij genoot vooral prestige als schrijver van Le crime et le châtiment en La maison des morts, waarmee hij was doorgebroken. Dat waren niet toevallig de lievelingswerken van De Vogüé. Overigens was het prestige van de burggraaf aanzienlijk gegroeid sinds hij in 1888 was toegelaten tot de Académie française, wat hij hoofdzakelijk te danken had aan Le roman russe. Niettemin waren ook enkele vertalingen bijzonder succesvol geworden waarvan De Vogüé de bronteksten ronduit minachtte: Les humiliés et offensés, L’esprit souterrain en Les frères Karamazov. Van de talloze kortverhalen van Dostoevskij werd, in navolging van De Vogüé, meestal Krotkaïa er tussenuit gehaald. Andere kleinere titels ver­kochten goed, maar ontlokten bij de critici weinig reactie.

De reden waarom de kritiek amper belangstelling toonde voor de nieuwe Dos­toevskij-publicaties is dubbel. Ten eerste betrof het werken die een marginale rol werden toegedicht in het oeuvre van de schrijver. Ten tweede was de Dostoevskij-rage sinds het begin van de jaren 1890 in zijn laatste fase terechtgekomen, waarin het initiële enthousiasme opbrandde. In deze periode werd de invloed van werken als Prestuplenie i nakazanie en Tolstojs Vojna i mir (Oorlog en vrede) op de Fran­se literaire productie door iedereen erkend. Tegelijkertijd verdwenen deze Russi­sche auteurs langzaamaan uit het middelpunt van de belangstelling. De populari­teit van Dostoevskij begon eerder te dalen dan die van Tolstoj, wat te maken kan hebben met het feit dat die eerder was begonnen en dat de laatsgenoemde nog leefde. Talrijke lezers die aanvankelijk oprecht aangesproken werden door Dos­toevskij, raakten op hem uitgekeken. Vanzelfsprekend haakten als eersten die­genen af die zich slechts enthousiast hadden getoond om mee te zijn met de nieuwste trend. De modegevoelige Franse geletterde ogen richtten zich nu op de werken van Ibsen, Björnson, Strindberg, D’Annunzio, Shaw en Wells. Ook Rus­sische schrijvers als Gor’kij en Čechov begonnen aan hun opmars.

Gelijktijdig ontstond in het centrum van het literaire debat voor critici die ‘le Scythe’ nooit hadden gelust en die intussen hun buik meer dan vol van hem had­den, meer ruimte om te protesteren tegen zijn literatuur en haar volgelingen. Deze laatste groep was heterogeen, maar bestond hoofdzakelijk uit nationalisten die niet enkel moeite hadden met Dostoevskij, maar met buitenlandse invloeden in het algemeen. Ze voelden zich aangetast in hun nationale trots en vreesden dat de Franse literatuur op termijn haar dominante positie zou kwijtspelen.

 

lemaître: de illusoire originaliteit van de russen

Degene die de groeiende ergernis over de invasie vanuit het Noorden het scherpst verwoordde was volgens Hemmings (1950b: 77-81) de gerespecteerde schrijver en toonaangevende criticus François Élie Jules Lemaître (1853-1914). Hoewel hij het gedweep met de Russische literatuur van vanaf het prille begin met argwaan had gadegeslagen, had hij zich aanvankelijk tolerant opgesteld. Geleidelijk groeide zijn misnoegen. In 1888 deed hij enkele laatdunkende uitspraken over het mysticisme van de Russen, daarbij vooral denkend aan Tolstoj, en over de gekunsteldheid van Dostoevskijs personages. Tegen het midden van de jaren 1890 had zijn vijandig­heid jegens de Russen en de noordelijke schrijvers die in hun nasleep Parijs bin­nen­marcheerden de vorm van een protectionistisch programma aangenomen. Dit zette hij uiteen in het artikel ‘De l’influence récente des littératures du Nord’, dat ge­plaatst werd in Revue des deux mondes.

Het vertrekpunt van het tegenoffensief van Lemaître (1894: 847) is een half­slachtige captatio benevolentiae: de bewering dat een van de meest vergeeflijke ge­breken van de Fransen besloten ligt in ‘une certaine coquetterie généreuse d’hospi­ta­lité intellectuelle’. Hiermee brengt hij de mode van de Noordelijke litera­turen in verband, die tot zijn onverhulde ergernis na twaalf jaalf jaar nog steeds voort­duurt. De voorbode van deze mode was volgens hem George Eliot. Daarna kwamen Tol­stoj en Dostoevskij. De verantwoordelijkheid voor het feit dat men in Frank­rijk prompt het Russische evangelie begon te aanbidden legt Lemaître (1894: 848) exclusief bij De Vogüé, op wie hij dan ook zijn pijlen richt. In de na­sleep van de Russen werden dan verscheidene Scandinavische schrijvers populair, Ibsen op kop. Interessant is dat de criticus ook de eigentijdse belangstelling voor de Belg Maeter­linck ziet als een uiting van de ‘septentriomanie’. De hoofdtaak die hij zichzelf op­legt, bestaat erin te onderzoeken of dit fenomeen al dan niet gebaseerd is op de il­lu­sie dat de noordelijke literaturen de Franse iets nieuws te bieden hebben.

Zoals te verwachten is er van een onbaatzuchtig onderzoek geen sprake: Le­maî­tre zoekt enkel naar argumenten om zijn hypothese te ondersteunen en pro­beert deze op geen enkele wijze te ontkrachten. Bovendien is zijn bewijsvoering vaak bij de haren getrokken. Nadat hij een poging ondernomen heeft om aan te tonen dat George Eliot schatplichtig is aan George Sand en dat de ideeën van Ibsen ook bij deze laatstgenoemde Franse auteur en bij Alexandre Dumas te vin­den zijn, is het de beurt aan Dostoevskij en Tolstoj. Vooreerst citeert hij twee pas­sages uit Le roman russe waarin De Vogüé stelt dat de Russische schrijvers door twee eigen­schappen verschillen van de Franse realisten: hun ‘charité’ – hier vooral gebruikt in de betekenis van tot medelijden nopende goedheid – en de combinatie van een doorgedreven studie van de realiteit met een sterke interesse voor het on­zichtbare, die tot uiting komt in de obsessie van de Russische personages met het universele mysterie.

Het eerste element komt volgens Lemaître (1894: 856) bij Dostoevskij het best tot uiting in de veelgeprezen scène waarin Raskol’nikov neerknielt aan de voeten van Sonja, die bij deze het lijden van de gehele mensheid vertegenwoordigt. De analyse die Lemaître van deze scène maakt moet aantonen dat de essentie er­van het fenomeen van de heilige prostituee is, en dat dit in meer geloofwaardige vorm terug te vinden is bij Victor Hugo. Ook de bespreking van het tweede ele­ment, de obsessie met het universele mysterie, brengt Lemaître (1894: 862) bij Hugo, wiens proza hiervan zou overlopen. Dostoevskij wordt hier niet meer bij­gehaald: ditmaal wordt enkel Tolstoj besproken. Hij wordt in deze kwestie ver­geleken met Flaubert, wiens personages Emma Bovary, Bouvard en Pécuchet door de criticus verdedigd worden tegen de kritiek van De Vogüé omdat ze wel degelijk doordrongen zijn van ‘L’inquiétude du mystère’.

Na zijn analyse beschouwt Lemaître het als onomstotelijk bewezen dat hetgeen bij de Russen en de andere Noordelijke schrijvers bewonderd wordt ook bij de eigen, Franse schrijvers terug te vinden is. In een volgende stap vraagt hij zich af vanwaar dan de illusie afkomstig is dat de Noordelingen iets origineels brengen. Het antwoord hierop denkt hij te vinden in de vorm van de buitenlandse werken. Het feit dat deze werken in vertaling gelezen worden komt de auteurs enkel ten goede. ‘Ce que ces auteurs perdent d’un côté à être traduits, ils le regagnent d’un autre, et avec usure’, zo meent Lemaître (1894: 864). De reden hiervoor is dat er altijd iets exotisch aan een vertaling kleeft, en dat maakt de retoriek en zelfs de platitudes van de auteur automatisch sappig in de ogen van de lezer. Dit nieuwe jasje wekt de bedriegelijke indruk dat ook de inhoud origineel is. De enige toe­geving die Lemaître wil doen, is dat de Noordelijke schrijvers – die allen in de­zelfde zak worden gestoken – in hun schrijven meer gericht zijn op het innerlijke leven en religieuzer zijn. Dit zou te verklaren zijn omdat ze zich richten op lezers die minder dan de Franse de behoefte hebben om geëntertaind te worden. Een deel van de verschillen tussen de Noordelijke romans, hier gaat het vooral over de Scandinavische literatuur, en de Franse verklaart de criticus door religieuze ver­schillen: omdat de Fransen bevrijd worden door de biecht zijn hun schone lette­ren fundamenteel profaan. Ten gevolge daarvan werd de moraliteit soms vergeten, maar aan dit euvel is volgens de criticus ondertussen een mouw gepast – een niet mis te verstane allusie op de teloorgang van de strikt naturalistische, areligieuze roman.

In lijn met dit alles luidt de conclusie van Lemaître (1894: 870-2) dat de Fran­se literatuur niets meer te leren heeft van de Noordelijke schrijvers. Het feit dat ze zo gretig onthaald en geïmiteerd werden ziet hij als een bewijs dat de Franse schrij­vers kosmopolitisch ingesteld zijn. Hij gaat zelfs zover om te beweren dat de Fran­sen bij uitstek de echte kosmopolieten zijn, omdat ze traditioneel tot alle volkeren van Europa spreken, wat ze danken aan hun nationale kwaliteiten: orde, gevoel voor proportie en helderheid. Tussen de lijnen suggereert hij dat een oriëntatie op de buitenlandse werken, die het aan deze kwaliteiten ontbreekt, het ondergraven van dit kosmopolitisme zou betekenen. Dat hij eigenlijk gedreven wordt door literair chauvinisme wordt duidelijk wanneer hij uitroept dat het voor de Fransen vernederend is om buitenlandse werken te verkiezen boven de Franse, aangezien ze nooit superieur geweest zijn en in feite slechts bewonderd worden voor hetgeen de Franse literatuur zelf te bieden heeft. Hij eindigt met de hoop dat een reactie van het Latijnse genie paal en perk zal stellen aan de buitenlandse mode.

De Vogüé (1895), die zich terecht aangevallen voelde, achtte het noodzakelijk om Lemaître van antwoord te dienen. Dat deed hij amper een maand later in het­zelfde tijdschrift, in een auteursportret van Gabriel D’Annunzio. De titel voor zijn artikel was een verwijzing naar de kritiek van Lemaître: ‘La renaissance latine’. Hier­in trekt hij enkele punten van diens betoog in het belachelijke, bijvoorbeeld dat Dostoevskij in wezen weinig zou verschillen van Hugo. Met de belangrijkste conclusie is de burggraaf het echter eens: ook hij gelooft dat de tijd gekomen is voor een heropstanding van het Latijnse genie. Sterker nog, hij gelooft dat deze zich reeds voor de helft voltrokken heeft, zij het onder de invloed van de zo­genaam­de literaturen van het Noorden. Dit streven naar consensus van De Vogüé, zijn gebrek aan protest tegen het verwerpen van de Russen als te volgen model, was niet het gevolg van een radicale koerswijziging. In 1884 had hij de Russen met vuur aangeprezen met de bedoeling om de naturalistische roman à la Zola, die be­schouwd werd als het te volgen model, een genadeslag toe te brengen. Een decen­nium later echter bleef er van de naturalistische mode dankzij de Russen niets meer over. Op de leest van het rauwe materialisme werd nog amper geschoeid. Het plan van De Vogüé had zich dus met succes voltrokken en had daardoor aan rele­vantie ingeboet – dat zag hij ook zelf in.

Op het ogenblik van de publicatie van zijn artikel was Lemaître een van de meest toonaangevende critici van zijn tijd. Zijn prestige werd in 1895 verzilverd met zijn toetreding tot de Académie française. Zijn bijdrage aan het literaire debat over de vraag in welke mate de Franse literatuur zich moest openstellen voor in­vloeden van buitenaf werd dan ook met grote belangstelling gelezen, en velen bleken gevoelig voor zijn chauvinistische argumenten. Deze gevoeligheid strookte, zoals Hemmings (1950b: 84) argumenteert, met de algemene verrechtsing van het politieke klimaat. De beste illustratie hiervan is wellicht de bekende Dreyfus-affaire, die aanving toen de joods-Franse officier Alfred Dreyfus in 1894 valselijk beschuldigd werd van landsverraad.

combes: de domheid der mensen

Een van de eersten die de bezwaren van Lemaître tegen de invloed van de Noorde­lijke schrijvers oppikte en verder ontwikkelde, was Ernest Combes. Hoewel deze zondagsdichter, vertaler van Gogol’ en Griboedov en auteur van enkele toneel­stukken, zeker geen belangrijke speler was op het Franse literaire veld,[39] vormt zijn boek Profils et types de la littérature russe een belangwekkend tijdsdocument. Het getuigt namelijk dat de houding van sommige critici tegenover de Russen in het algemeen en tegenover Dostoevskij in het bijzonder omstreeks het midden van de jaren 1890 de vorm aannam van regelrechte aversie. In het geval van Combes is dit enigszins verbazend, daar hij zelf Russisch kende en zich een kenner mocht noe­men van de Russische literatuur. Dit, evenmin als het prestige dat Dostoevskij nog altijd in Parijs genoot, weerhield de criticus er niet van om hem zwaar aan te val­len. De scherpte van deze aanval kwam voort uit het feit dat Combes (1896: 342) de Rus persoonlijk verantwoordelijk hield voor de eigentijdse tendens onder de Franse romanschrijvers om het leespubliek te epateren.

Eén van de wapens die Combes tegen Dostoevskij inzette was de in 1891 uit­gegeven korte biografie van de heden vergeten criticus en literatuurhistoricus Evgenij Solov’ëv (1866-1905). Dit materiaal citeert hij selectief en herwerkt hij met enige vrijheid, met de bedoeling om aan te tonen dat Dostoevskij als mens uiterst onaangenaam en onverlicht was. Zo zegt Combes (1896: 343), blijk gevend van zin voor overdrijving, over de jonge schrijver dat hij zich ‘homme de génie, supérieur à Gogol’ waande. Bijzondere aandacht besteedt hij aan de pathologie van Dostoevskij. Hij is bereid om deze in aanmerking te nemen ter verklaring van de aard van diens romans, maar niet ter vergoelijking. Voor geen enkel van zijn werken toont hij ook maar de minste bewondering. Zelfs Prestuplenie i nakazanie, dat in Parijs zelfs door de sceptici van de Russische mode geprezen was als mees­terwerk, moest het in alle opzichten ontgelden. Met name de morele waarde van de roman, van meet af aan in vraag gesteld door De Vogüé, werd hiervoor aan­gegrepen:

 Le roman est très convenable… aux souteneurs et aux filles publiques qui ont pu le voir, mis en drame, joué, en 1888, dans un théâtre faubourien de Paris, aux Bouffes-du-Nord. C’était sa place. (Combes 1896: 346)

Dat de romans van Dostoevskij bijzondere populariteit genieten bewijst volgens de criticus niets, behalve dan de domheid der mensen. Zonder Lemaître als bron te vernoemen oppert hij vervolgens dat ‘ce bric-à-brac romantique’ ogenschijnlijk uit Rusland komt, maar eigenlijk afkomstig is uit Frankrijk. Meer bepaald uit de werken van Eugène Sue en Victor Hugo. Aangezien Combes (1896: 350) Dosto­evskijs romans net zo min ernstig neemt als hij het gedrag van de personages be­grijpt, beklaagt hij de Franse schrijvers die hem uit misplaatste modegevoeligheid imiteren. Hij beëindigt zijn stuk over Dostoevskij in harmonie met de kritiek van Lemaître, met de bewering dat de metafysische waarde die de Russische roman wordt toegedicht een optische illusie is die voortkomt uit de linguïstische barrière.


7 De hype voorbij (1895-1913)

 

tijdschriftvertalingen

Vanaf 1895 doofde de Dostoevskij-rage langzaam uit. Kenmerkend hiervoor is dat in Frankrijk tot 1902 geen enkele nieuwe boekvertaling van hem gepubliceerd werd. Niettemin dook zijn naam nog af en toe op in tijdschriften. Zo werden in 1898 door Revue hebdomadaire drie brieven van Dostoevskij in vertaling van M. Delines geplaatst, en op 1 oktober van hetzelfde jaar publiceerde Revue de Paris ‘Ma défense’, een anonieme vertaling van één van Dostoevskijs essays.

 

symbolistische interesse

Eveneens in 1898 kwam Dostoevskij uitgebreid ter sprake in een stuk over het Rus­sische symbolisme, meer bepaald over de schrijver Fëdor Sologub. Volgens de auteur, Zinaide Wenguerow (1898: 546), is Dostoevskij als specialist van ‘la pein­ture du mal et des souffrances qui accompagnent le mal dans la vie’ de belang­rijkste inspiratiebron van de Russische symbolisten. Dat met name Mercure de France aan deze beweging ruime aandacht besteedde was niet toevallig: in 1890 was dit tijdschrift door Alfred Vallette en vrienden opgericht als spreekbuis van de opkomende Franse symbolistische generatie. Als belangrijke vertegenwoordigers gelden Jean Moréas, Ernest Raynaud, Jules Renard, Remy de Gourmont, Louis Dumur, Alfred Jarry, Albert Samain en Saint-Pol-Roux. Het is aannemelijk dat zij de bestaande vertalingen van Dostoevskij lazen en herlazen met bijzondere aan­dacht voor de pathologische en donkere, soms mystieke elementen – zelf spraken ze van ‘démonisme’ –, die in dezelfde periode door menig nationalistisch criticus verguisd werden.

 

waliszewski: gemengde gevoelens

Meer kenmerkend voor de dominante Franse houding jegens de Russen in het algemeen en Dostoevskij in het bijzonder omstreeks de eeuwwisseling is La littéra­ture russe (1900) van Kazimierz Waliszewski (1849-1935). De auteur was als criticus onbelangrijk, maar genoot in Parijs toch enig aanzien als historicus: zijn geschiedkundig werk over Catherina de Grote, Le Roman d’une impératrice (1893), was namelijk in de prijzen gevallen bij de Académie française. Hoewel hijzelf een Poolse emigrant was, afkomstig uit het door Rusland ingelijfde deel van Polen, bleek ook hij gevoelig te zijn voor de nationalistische bezwaren van Le­maître tegen de Russen. Dit wordt door Hemmings (1950b: 87) geïllustreerd met een citaat over de overdrijving van de originaliteit van Tolstoj, maar ook in het hoofdstuk gewijd aan Dostoevskij komt deze sceptische geest tot uiting.

Bij de bespreking van verschillende werken van de Russische auteur wijst Waliszewski op de schatplicht aan West-Europese auteurs. Het personage Nelli uit Unižennye i oskorblënnye is rechtstreeks afkomstig uit het werk van Dickens. Het boek als geheel is een remake van de Franse sentimentalistische roman van Eugène Sue. De plot en het hoofdpersonage van Prestuplenie i nakazanie zijn, aldus Waliszewski (1900: 342-3), geïnspireerd op de werken van Bulwer-Lytton of alleszins gemodelleerd op Eugène Aram van Victor Hugo. Het enige verschil met dit laatste werk ligt wat de literatuurhistoricus betreft besloten in de zelfaangifte van Raskol’nikov. Het personage Sonja evalueert de criticus als zeer banaal en hij betwijfelt of ze geloofwaardiger is dan Manon Lescaut van Prévost. Besy, op zijn beurt, is sterk getekend door kenmerken van het romantisme. Hier somt Wali­szewski (1900: 347), die niet de noodzaak voelt om veel te argumenteren, maar liefst zes verschillende vermoedelijke bronnen van invloed op: Byron, Victor Hugo, George Sand, Eugène Sue, Charles Gutzkow en Spielhagen.

Hiermee is niet gezegd dat Waliszweski, die bewijst in hoge mate vertrouwd te zijn met het leven en werk van Dostoevskij, hem iedere originaliteit ontzegt. Zelfs de werken die hij origineel noemt, worden echter allerlei artistieke tekorten ten laste gelegd. Zo vindt hij Bednye ljudi een onhandige uitwerking van de epistolaire roman, die het als geheel ontbreekt aan ‘vraisemblance’ en naturel. De hoofd­personages van Unižennye i oskorblënnye zijn oninteressant omdat ze zelf verant­woor­delijk zijn voor hun lijden. Ook het oordeel van Waliszweski (1900: 339) over Zapiski iz mërtvogo doma, nochtans een van de romans van Dostoevskij die in Parijs het meest geprezen werd, is zeer scherp: hij vindt dat dit werk lijdt aan ‘un réalisme parfois trop grossier’ en noemt het geheel ‘faux’ en ‘inacceptable’. Met dit laatste lijkt hij te doelen op de morele dimensie van het boek, meer bepaald op de afwezigheid van veroordeling van de misdadigers, die hem ook al ergert in Pre­stu­plenie i nakazanie. Deze houding brengt Waliszewski (1900: 340) in verband met de in Rusland wijdverspreide idee dat een misdaad geen fout, maar een ongeluk is. Ondanks de imperfecties in het domein van compositie en moraliteit die de criti­cus Prestuplenie i nakazanie toeschrijft, heeft hij voor dit werk toch enig ontzag: hij prijst het om zijn psychologie en maatschappelijke pathologie. Voor de latere werken van Dostoevskij, Idiot, Besy en Brat’ja Karamazovy is zijn oordeel minder mild: in deze werken verergeren de tekortkomingen van de auteur. Het eerste werk bevat veel ‘enfantillages’, het tweede is enigmatisch en verward, en het laatse werk lijkt op een gebouw waarvan enkel de voorgevel is gebouwd. Niettemin neemt Waliszewski (1900: 348-9) toch de moeite om Brat’ja Karamazovy te inter­preteren. Dit valt hem echter zwaar, wat hij wijt aan het feit dat hij niet thuis is in mysticisme. Tevens drukt hij zijn twijfel uit of Dostoevskij zelf wel duidelijke ideeën had over hoe zijn boek verstaan moest worden. Ondanks alle opgesomde gebreken, plus langdradigheid en incoherentie, en zijn lauw enthousiasme voor Pre­stuplenie i nakazanie, noemt Waliszewski (1900: 358) Dostoevskij op het ein­de toch ‘un très grand écrivain’.

l’adolescent: het getouwtrek gaat door

In 1902 verscheen bij Fasquelle, in redactie van La revue blanche, de allereerste Franse vertaling van Podrostok, gemaakt door J.W. Bienstock en Félix Fénéon. Deze gebeurtenis ging in Parijs niet onopgemerkt voorbij. De critici reageerden verdeeld. De recensies die gepubliceerd werden in La revue blanche en in Revue bleue illustreren het eindeloze getouwtrek tussen de volgelingen van Lemaître, die uit chauvinistische overwegingen de invloed van de buitenlandse romans aan ban­den wilden leggen, en die van De Vogüé (1901), die zich in het artikel ‘Cosmo­poli­tisme et chauvinisme’, gepubliceerd in Revue des deux mondes, nogmaals had uitgesproken tegen een al te protectionistische houding in de literatuur.

De recensie van Un adolescent door M. Arnaud in La revue blanche is lovend. Gezien het feit dat dit tijdschrift fungeerde als uitgeverij van de vertaling, was dat wellicht ook een voorwaarde voor de publicatie. Vooreerst tracht de recensent deze omvangrijke roman, waarvan hij nooit eerder gehoord had, te situeren in het werk van Dostoevskij. Hiervoor maakt hij gebruik van de eerder besproken om­vangrijke biografie van Nina Hoffmann (1899), die drie jaren eerder verschenen was in Berlijn. Daaruit wordt hij echter niet veel wijzer. Overigens blijkt de ver­trouwdheid van de recensent met de Duitse receptie van Dostoevskij ook uit ver­wijzingen naar de Duitse vertaling Junger Nachwuchs van dezelfde brontekst en naar Nietzsche’s interpretatie van Dostoevskij. Hoewel de technische kant van de roman in deze recensie scherp bekritiseerd wordt – het werk is in zeven haasten geschreven en dit zou te merken zijn in het gebrek aan harmonie tussen de ge­bruikte stijlmiddelen – helt de balans over naar het positieve: Dostoevskij slaagt erin om verschillende nieuwe literaire effecten teweeg te brengen. Op die manier wordt zijn gebrek aan talent voor schilderingen ruimschoots gecompenseerd door zijn verbeelding van intense en speciale gevoelens. Dat deze emoties soms excessief of morbide zijn, vindt de criticus een onverdiend verwijt: ze zijn immers ook her­kenbaar voor wie ze niet ervaren heeft. Met groot respect spreekt hij over de psy­cho­logie van Dostoevskij, die bezwangerd is met een mystieke moraal. De hoofd­idee is dat de mens in essentie liefde is. In Un adolescent komen deze ideeën tot uiting, maar dit gaat niet ten koste van de kunst – wat de Fransen tot bewonde­ring noopt. Tot slot geeft Arnaud een richtlijn om deze en andere romans van Dos­toevskij te smaken: het is het beste om erin ‘un sujet de méditation et d’in­quiétude infinie’ te zoeken.

Met zijn ontvankelijkheid om in de filosofische werken van Dostoevskij een meerwaarde voor de Franse literatuur te zoeken, hoewel niet vrij van kritiek, plaatste de recensent zichzelf in het kamp van De Vogüé. De anti-chauvinistische houding van dit tijdschrift voor kunst en literatuur, dat uitgegeven werd sinds 1893 en tal van lezers van de culturele elite telde, kwam rond de eeuwwisseling ook tot uiting in bijdragen ten gunste van Dreyfus. Hieraan diametraal tegenover gesteld was alleszins de houding van Jean Ernest-Charles, die in het politiek-literaire weekblad Revue bleue een scherpe recensie publiceerde van Un adolescent.

De hamvraag die Ernest-Charles (1902: 377) in zijn stuk opwerpt, is of de laat­tijdige vertaling van Podrostok te begrijpen is als een toegeving aan het ‘snobisme contemporain qui nous pousse à tout lire passionnément des littératures étrangères’, dan wel de rechtzetting is van een onterechte veronachtzaming. Om deze vraag te beantwoorden, gaat de criticus eerst te rade bij De Vogüé over de brontekst. Hoewel hij over Le roman russe zeer minachtend spreekt – het lijkt hem een oppervlakkig werk te zijn –, erkent hij de autoriteit ervan inzake Russi­sche literatuur: het feit dat Podrostok door de burggraaf geen aandacht wordt ge­schonken is een indicatie dat het niet gaat om een van de mooiste werken van Dostoevskij, zoals de vertalers wilden doen uitschijnen. Deze hypothese ziet Ernest-Charles bevestigd bij Wyzewa (1889), die dit werk evenmin behandelt.

Voor de diepere betekenis van het boek heeft de criticus slechts onbegrip: hij weet niet wat Dostoevskij precies wilde bereiken. Ook weet hij niet wat te denken over het hoofdpersonage: hij vraagt zich af of het een sterk mens, een imbeciel dan wel een volstrekt onbeduidend individu is. Een van de weinige positieve noten be­treft de observaties; deze zijn ‘clairvoyantes’. De criticus lijkt zich ook te willen ver­zetten tegen de stelling van De Vogüé dat bij Dostoevskij het evangelische ge­voel van naastenliefde domineert: hijzelf ontwaart vooral ziekelijke misantropie.

In een ongeëxpliciteerd eerbetoon aan Lemaître argumenteerde Ernest-Charles (1902: 377) in de inleiding dat ieder buitenlands kunstwerk, hoe modern of origineel ook, op de een of de andere manier de intellectuele suprematie van het Franse genie in de wereld bevestigt. In het laatste deel van zijn recensie krijgt dit chauvinistische perspectief het laatste woord: hij stelt in Podrostok een veelheid aan Franse invloeden vast. Hoewel de roman gaat over het Russische leven en de jonge generaties van Petersburg en Moskou, is hij volgens Ernest-Charles (1902: 379) schatplichtig aan de Franse romans van de periode 1840-70, in het bijzonder aan die van Balzac en Flaubert. Deze redenering klinkt uit zijn mond zeer denigre­rend: ‘il y a même des traits d’esprit, des ironies – lourdes – qui proviennent directement de Paris, mais se sont un peu abîmés en chemin’.[40] In lijn hiermee be­sluit de criticus dat de publicatie van de vertaling geen nieuwe reden aanreikt om Dostoevskij te bewonderen.

 

aanwezigheid in de schaduw van tolstoj

De publicatie en receptie van L’adolescent in 1902 toont aan dat op een ogenblik dat de Russische rage voorbij was en de Franse markt verzadigd was van Russische romans – tweedehandwinkels lagen vol met boeken van Russische tweede- en derderangsschrijvers – Dostoevskij nog altijd een zekere aantrekkingskracht op het Franse publiek uitoefende, ook al was het nieuwe eraf en had de chauvinis­ti­sche weerstand grote proporties aangenomen. De symbolisten behoorden tot de kleine groep lezers die nog redenen had om met Dostoevskij te dwepen. Hun appre­ciatie voor het afwijkende in het werk van de Rus werd ondersteund door pseudowetenschappelijke studies als Etude médico-psychologique van Gaston Loygue (1904) en ‘G. de Maupassant et Dostoiewsky. Etude de psychopathologie comparée’ van N. Bajenow (1904), waarin de Russische schrijver niet langer be­handeld werd als schrijver, maar wel als een zuiver medicopsychologisch of psycho­pathologisch fenomeen. De auteur die De Vogüé twee decennia eerder had gepromoot als groot psycholoog werd nu afgeschilderd als een gek, crimineel en perverseling.

Omstreeks de eeuwwisseling was Dostoevskij niet langer het voorwerp van een breed gedragen rage, maar hij was ondertussen wel een gevestigde waarde in de Fran­se literatuur. Niet alleen was hij nu een model voor Franse schrijvers – vol­gens de analyse van Hemmings (1950b: 91-134) zijn in romans van Joris-Karl Huysmans, Paul Margueritte, Paul Bourget en Eduard Rod min of meer duidelijke invloeden terug te vinden van zijn proza –, ook verschenen na de eeuwwisseling tot de Eerste Wereldoorlog met regelmaat nieuwe vertalingen van eerder vertaalde werken van Dostoevskij. Dit is des te betekenisvoller, daar de al bestaande ver­ta­lin­gen nog altijd herdrukt werden. Bijzonder actief in deze periode was J.W. Bien­stock, die nu eens bijgestaan door Nau en dan weer door Torquet of Werth de vol­gende titels verzorgde: Journal d’un écrivain (1904), Les frères Karamazov (1906), Carnet d’un inconnu (1906), Monsieur Polzounkov (1906), Le double (1907), Correspondance et voyage à l’étranger (1908) en Le sous-sol (1909). Daar­naast zagen in Parijs voor de Eerste Wereldoorlog ook de nieuwe vertalingen Sou­venirs de la maison des morts (1908) en Nétotchka (1914) het licht, respectievelijk van R. Yassenovsky en Halpérine-Kaminsky.

Een belangrijke gebeurtenis in de vooroorlogse Franse Dostoevskij-receptie was ook de opvoering in Parijs van het toneelstuk Les frères Karamazov van Jacques Copeau en J. Croué in 1911. Dit stuk kende een monstersucces en be­vestigde de gecanoniseerde status van de Rus. De repercussies waren te voelen tot in het buitenland, onder meer in het Nederlandse taalgebied. Dit toneelstuk is echter ook om een andere redenen het vermelden waard: het was naar aanleiding hiervan dat André Gide, die samen met Claudel, Proust, Duhamel, Lenormand, en de dichters Alexandre Arnoux en André Salmon de kroon van de nieuwe generatie Franse Dostoevskij-bewonderaars uitmaakte, in Le Figaro de literaire kritiek van De Vogüé aanvocht.[41] Zoals Sv’atopolk-Mirskij (1931: 31) opmerkt, presenteerde Gide ‘einen ganz anderen Dostojevskij als Vogüé’. Wat de jonge schrijver in de bruggraaf tegenstond, was diens eenzijdige appreciatie van de Rus als een donkere, sombere schrijver, wat ten koste ging van de vrolijke dimensie van Dostoevskijs werk. Gide ging zover om te beweren dat de burggraaf verantwoorde­lijk was voor een gemutileerde Dostoevskij-receptie. Zijn scherpe kritiek zou echter pas grote bekendheid krijgen in de jaren 1920, toen hij zich ontpopte tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Franse Dostoevskij-verering. Er waren naast Gide nog literatoren die het aandurfden om een andere stem te laten horen dan die van De Vogüé in het voordeel van Dostoevskij. Enigszins in­vloedrijk is het essay geweest dat André Suarès in 1911 liet publiceren in La grande revue en dat twee jaar later opgenomen werd in het boek Trois Hommes. Pascal, Ibsen, Dostoïevski. Suarès (1913) blijft evenwel lang stilstaan bij het leven en de persoon van de schrijver – wat een gebalanceerd beeld oplevert van zijn voor­naamste karaktertrekken, met inbegrip van zijn antisemitisme[42] –, maar schenkt aan diens eigenlijke werk in verhouding bitter weinig aandacht. Tegen de roem van De Vogüé, die overigens als enige hoofdbron fungeerde voor het Dos­to­evskij-lemma in Histoire de la littérature russe van de slavistische hoogleraar Louis Léger (1907), konden Gide en Suarès sowieso niet opboksen. Tot de Eerste Wereld­oorlog bleef het Franse Dostoevskij-beeld zoals dat was geboetseerd door de burggraaf grotendeels intact.

Terwijl Dostoevskij in de jaren 1880 grote populariteit had genoten bij het grote publiek, was hij vanaf het midden van de jaren 1890 tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in de schaduw gesteld door Tolstoj, wiens romans Kazaki (De kozakken), Vojna i mir (Oorlog en vrede) en Anna Karenina hoog gewaar­deerd werden. Anders dan Dostoevskij, sprak Tolstoj ook door zijn maatschappe­lijk engagement aan – hoewel zijn religieuze doctrine relatief weinig aanhangers vond in Frankrijk. Wel werden zijn beslissing om niet langer te schrijven en zijn radicaliserende utilitaristische opvattingen over kunst op onbegrip onthaald door de Franse culturele elite, die bijzondere aanstoot nam aan zijn kruistocht tegen enkele coryfeeën van de Franse literatuur. Niettemin was Tostoj aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bij het Franse publiek een stuk geliefder dan Dosto­evskij, hoewel de laatste over het algemeen belangrijker werd bevonden dan Tur­ge­nev. Een lezersenquête georganiseerd door Serge Bernstamm (1913) maakt duidelijk dat Dostoevskijs vermeende somberheid en morbiditeit, die in het Fran­se bewustzijn een scherp contrast vormden met het zogezegd brede genie van Tol­stoj, zijn populariteit beknotten. Om opnieuw op grote schaal geapprecieerd te wor­den had hij nood aan wat Hemmings (1950b: 225) omschrijft als ‘the demand […] for a sceptical attitude to the accepted scale of moral values […] a kind of mental anxiety, a sense of urgency and a willingness to go down untried adventures of thought which might lead to a new understanding of the spirit of man’. Voor deze kentering in het Franse geestesleven was een wereldoorlog vereist.


[1] Zie Chamberlain (1949: 374).

[2] Espagne (1996: 312).

[3] Zie Miltchina (2005: 171).

[4] Zie Edgerton (1963: 48).

[5] Geciteerd naar Halpérine-Kaminsky (1901: 15).

[6] Zie Hemmings (1950b: 20).

[7] Zie Espagne (1996: 314).

[8] Ibidem (318).

[9] Hemmings (1950b: 8-9).

[10] Zie Boutchik (1947: 23).

[11] Fleury (1881: 279). Cursivering toegevoegd.

[12] Zie Polet (2000: 358).

[13] ‘Барин’ is Russisch voor ‘heer’.

[14] Zie Frank (1997: 435).

[15] Zie Fedorčenko (2000).

[16] Zo staat vermeld dat het gezin waarin Dostoevskij geboren werd in het bezit was van een landgoed met lijfeigenen, terwijl dit in feite pas aangekocht werd tien jaar na zijn geboorte, in 1831. Zie Frank (1979: 28).

[17] ‘Отчаяние’ kan worden vertaald als ‘wanhoop’, ‘radeloosheid’ of ‘vertwijfeling’.

[18] Zie Edgerton (1963: 68).

[19] Volgens de Oude Grieken waren de Scythen woeste, nomadische volksstammen die ten noorden van de Zwarte en Kaspische Zee woonden. In poëzie staan ze vaak symbool voor de Oosterse mens die zich niet laat temmen door de westerse beschaving. Dit beeld is bijvoorbeeld aanwezig in het be­roemde gedicht Skify (De Scythen) van de Russische dichter Aleksandr Blok (zie Blok & Kemball 1955).

[20] Vertaling: ‘Wij komen allen vanonder De mantel van Gogol’ vandaan’.

[21] Overigens komt men deze gemeenplaats ook in recente werken nog tegen. Zo meent Van het Reve (2008b: 464), dat Dostoevskij wilde dat het proza uit de tweede helft van de 19e eeuw voorkwam ‘uit De mantel’. De muziekhistoricus Maes (2006: 9) is minder zeker over het auteurschap, maar schrijft niettemin in het voorwoord van zijn Geschiedenis van de Russische muziek: ‘Fjodor Michailovitsj Dos­tojevski zou ooit gezegd hebben: ‘Wij komen allemaal vanonder de mantel van Gogol vandaan.’

[22] Volgens Edgerton (1963: 68) maakte Louis Léger als eerste deze vergelijking in 1892, waarna deze werd opgepikt door Victor Giraud in 1910, door Aleksej Vsevolodskij in 1917 en door André Mazon in 1933.

[23] Cursivering toegevoegd. Vertaling: ‘in Frankrijk komt de verdienste van de verspreiding van zijn naam [de naam van Dostoevskij] in de eerste plaats toe aan de ook in Rusland niet onbekende Mel­chior de Vogüé, de auteur van het boek Le roman russe, via welk niet enkel de Fransen, maar heel Europa kennismaakte met de belangrijkste vertegenwoordigers van de Russische schone letteren.’

[24] Zie Mortier (1967: 788)

[25] Vertaling: ‘Het roemrijke Europese succes van Le roman russe (1886) van graaf Eugène-Melchior de Vogüé’. Voor een recensie van deze voor de slavistiek belangwekkende receptiestudie, zie Boulogne (2007).

[26] The Russian Novelists. Boston: D. Lothrop Company, 1887. Het is niet duidelijk of May (1994: 19) het over deze of een andere Engelse vertaling, dan wel over een Franse versie heeft wanneer ze schrijft: ‘De Vogüés study appeared in book form in America in 1886, and in England in 1887, and these versions went through about a dozen editions in thirty years’.

[27] Vertaling: ‘Fëdor Michajlovič Dostoevskij als psycholoog terechtgesteld door de Franse kritiek (Eugène de Vogüé)’. De referenties van dit artikel zijn: Ėpocha. 1886, № 1, p. 125-132; № 2, p. 76-96 (zie Rejser 1968: 185).

[28] Vertaling: ‘Hedendaagse Russische schrijvers. Tolstoj-Turgenev-Dostoevskij’. Zie Rejser 1968: 185.

[29] Geciteerd naar Troyat (1942: 615).

[30] De bewering van Boutchik (1934: 53), die zich ook elders in publicatiedata vergist, dat Souvenir [sic] de la maison des morts voor het eerst gepubliceerd werd in 1884 klopt niet. Overigens verscheen van Zapiski iz mërtvogo doma in april 1886 ook het fragment ‘Une représentation au bagne’, vertaald door M. Delines. Van dezelfde vertaler verscheen enkele maanden later in L’indépendance Belge ‘Mon père naturel’, een vertaald fragment van Podrostok.

[31] Geciteerd naar Boutchik (1947: 31).

[32] Zie infra.

[33] Vogüé (1886c: 839) heeft het over ‘revers de fortune’.

[34] Van Le joueur was, aldus Romein (1924: 211) op 10 januari 1887 een voorproefje verschenen in Revue internationale.

[35] In Le joueur is het Russische woord ‘вокзал’ vertaald als ‘la gare’, overeenkomstig zijn recentste be­tekenis. In Igrok is het woord echter gebruikt in zijn eerste betekenis, namelijk ‘speelhal’, naar analo­gie met Vauxholl in Londen.

[36] Geciteerd naar Chamberlain (1949: 379). Cursivering toegevoegd.

[37] Deze uitspraak werd gedaan in een artikel over de opvoering van Tolstojs toneelstuk La puissance des ténèbres in Parijs.

[38] Volgens Gide (1923: 6) werd deze vertaling gepubliceerd in 1894. Andere bronnen vermelden als publicatiedatum 1893.

[39] Zie Glorieux (1982: 334).

[40] Cursivering toegevoegd.

[41] De betreffende kritiek is opgenomen in de essaybundel die Gide (1923) publiceerde onder de titel Dostoïevsky.

[42] Suarès (1913: 327-8).


Besluit

Met het oog op de internationale contextualisering van de vroege Nederlandse re­ceptie van Dostoevskij werd in dit deel onderzocht hoe zijn vroege ontvangst ver­liep in de Duitse en Franse literaturen, waarmee het naburige Nederlandse lite­raire polysysteem vanuit een ondergeschikte positie nauw contact onderhield. De nevenschikking van de Duitse en de Franse Dostoevskij-receptie, zoals die zich manifesteert in publicatiefeiten, de betrokkenheid van actoren en het discours van de critici, maakt een parallelle synthetische behandeling van beide recepties moge­lijk. Bij het opmaken van deze balans komen tal van gelijkenissen naar voren, maar ook enkele cruciale verschillen.

Opvallend is vooreerst dat Dostoevskij tijdens zijn leven noch bij het Duitse noch bij het Franse leespubliek bekendheid genoot, hoewel hij Frankrijk bereisde en jarenlang op Duits grondgebied woonde en werkte. In dit opzicht contrasteert zijn lot met dat van Turgenev, die destijds als enige Russische schrijver noemens­waardig prestige genoot in Frankrijk en Duitsland. Toch werden enkele proza­stukken van Dostoevskij bij zijn leven in het Duits en het Frans vertaald. Wat de Duitse vertalingen betreft, was de joodse immigrant uit Odessa Wolfsohn een een­zame pionier. Zijn tijdschriftvertalingen van prozafragmenten kregen echter geen weerklank. Nog pijnlijker was het lot van de boekvertaling van Zapiski iz mërvtogo doma, dat verkocht moest worden als oud papier. Terwijl de eerste Duit­se vertalingen van Dostoevskij op Duits grondgebied gepubliceerd werden, wer­den de eerste Franse vertalingen – behoudens een zeldzame bloemlezing met enkele fragmenten van Bednye ljudi – uitgebracht in Russische tijdschriften. Ook in de literaire kritiek bleef Dostoevskij bij zijn leven grotendeels afwezig. In Frank­rijk werd hij voor het eerst uitgebreid ter sprake gebracht in 1875, door Courrière. In Duitse literatuurgeschiedenissen van 1880 werd zijn roem nog beperkt tot een eenvoudige vermelding van zijn naam. Twee jaar later was hij wel het voorwerp van de uitgebreide studie van Von Reinholdt (1882), die als Baltische Duitser in Riga evenwel opereerde in de marge van de Duitse literatuur – pas later zou zijn stem ook gehoord worden in het centrum van dit polysysteem. Zowel in Duits­land als in Frankrijk bleef Dostoevskij onbekend bij het grote publiek tot de verta­ling Raskolnikow in 1882 respectievelijk Le crime et le châtiment en Les humiliés et offensés in 1884 uitgebracht werden.

Verschillende factoren kunnen aangereikt worden ter verklaring van de des­interesse die Dostoevskij te beurt viel. Ten eerste zijn eigen misprijzen voor de Fran­se en Duitse cultuur, die weerspiegeld is in zijn proza in de vorm van satire. Ten tweede was er zijn venijnige rivaliteit met Turgenev, die door het Franse en Duitse lezerspubliek bewonderd werd als een eenzaam Russisch talent. Ten derde genoot Rusland in het algemeen op cultureel vlak een achterlijke reputatie in Europa. Dat geldt in het bijzonder voor Frankrijk, dat tijd nodig had om de neder­laag van Napoleon te verwerken en een gastland was voor invloedrijke Poolse poli­tieke opposanten van de tsaar. Een vierde factor is meer fundamenteel: er was een­voudigweg in geen enkel opzicht behoefte aan het soort literatuur dat Dostoevskij produceerde.

Veranderende omstandigheden effenden het pad waarop Dostoevskij tot bij de Duitse en Franse lezers zou treden. Verscheidene extraliteraire factoren speelden daarin een belangrijke rol. De eerste is van politieke aard: het internationale beleid van Bismarck. Enerzijds werd zijn Duitse eenmaking in 1871 door de Franse diplo­matie, die de pijnlijke nederlaag van de Frans-Pruisische oorlog moest ver­wer­ken, als bijzonder bedreigend ervaren, met als gevolg dat Frankrijk toenadering zocht tot Rusland. Anderzijds wenste Bismarck geen vijandschap met Rusland, en stapte Duitsland daarom in 1881 in de Driekeizersbond. De verhouding tussen Rusland en Duitsland bleef, ook na het afspringen van dit bondgenootschap in 1887, overwegend vriendschappelijk. De tweede factor is de Russisch-Ottomaanse oorlog. Door zijn zege in 1878 maakte de tsaar aan Europa duidelijk dat Rusland aansloot bij de moderniteit. Als gevolg van de geopolitieke constellatie nam de welwillendheid van het Franse en Duitse lezerspubliek voor Rusland, en dus ook voor zijn cultuurproducten, gestaag toe. Als derde factor kan de opkomst en de verspreiding van de revolutionaire bewegingen in Europa genoemd worden. Het neerslaan van de Commune van Parijs in 1871, de mislukte aanslag op de Duitse keizer in 1878 en de succesvolle aanslag op tsaar Alexander II in 1881 wakkerden de belangstelling voor Dostoevskij, die revolutionair gedachtegoed in werken als Prestuplenie i nakazanie en Besy expliciet behandelt, in hoge mate aan. Hierover getuigt de literatuurgeschiedenis van Courrière (1875). Een laatste extraliteraire factor was de begrafenis van Dostoevskij. Het eerbetoon dat de schrijver bij zijn overlijden in zijn thuisland te beurt viel was dermate grootschalig, dat de buiten­landse pers hierover verslag deed. De belangstelling van de Franse en Duitse critici en lezers voor de onbekende kunstenaar werd hierdoor geprikkeld.

Extraliteraire factoren mogen dan wel in belangrijke mate bijgedragen hebben tot de welwillendheid van Duitse en Franse lezers, van veel groter belang voor Dostoevskijs appreciatie waren literaire factoren. Zowel in de Franse als in de Duitse literatuur vond een kentering plaats – die in polysystemisch perspectief kan worden opgevat als een crisis – waardoor zijn proza in de ogen van velen aan relevantie won. De gevestigde Duitse schrijvers besteedden vóór de jaren 1880 amper aandacht aan maatschappelijke problemen, hoewel die door de industri­alisering, de verstedelijking en de imperialistische Bismarck-politiek aan zicht­baarheid hadden gewonnen. Een jonge generatie literatoren, die de literatuur­geschiedenis in zijn gegaan als ‘naturalisten’, kwam hiertegen in opstand. Hun ergernis werd door Henckel, die Das Magazin für die Literatur des In- und Aus­landes als eerste forum gebruikte, handig aangewend om Dostoevskij in het cen­trum van de Duitse literatuur te introduceren. Door kosten noch moeite te sparen kreeg hij gezaghebbende literatoren, waaronder Brandes, zover om Dos­toevskij te omarmen als een model voor de vernieuwing van de Duitse literatuur in humanis­tische zin. Terwijl de Russische schrijver in Duitsland werd ingezet als naturalis­tische strijdkracht, was ironisch genoeg exact het omgekeerde het geval in Frank­rijk. Tegen het begin van de jaren 1880 hadden Zola en zijn volgelingen, die door de literatuurgeschiedenis eveneens bestempeld worden als ‘naturalisten’, zich com­fortabel gevestigd in het centrum van de Franse literatuur. Van daaruit oefen­den ze grote invloed uit op andere schrijvers. De ergernis hierover van traditionele critici en lezers nam grote proporties aan, te meer daar zij het zolaïsme verant­woor­delijk stelden voor een internationaal verlies aan prestige van de Franse lette­ren. De Russisch gezinde diplomaat De Vogüé maakte hiervan handig gebruik om de Russische romanciers in het algemeen en Dostoevskij in het bijzonder aan te bevelen als noodzakelijke correctie op het amorele naturalisme, zoals dat in Parijs be­leden werd. Het forum dat hij hiervoor gebruikte was in de eerste plaats het wereldwijd gelezen Revue des deux mondes.

De ogenschijnlijke contradictie, dat Dostoevskij in Duitsland werd ingezet door de naturalisten en in Frankrijk tegen de naturalisten, laat zich verklaren door de fundamentele verschillen in de manier waarop het naturalisme destijds opgevat werd door de Duitse literatoren, voor wie aandacht voor sociale problematiek cruciaal was, en door Zola en consorten, die er welhaast een dogmatische leer van hadden gemaakt. In die zin is het niet verbazend dat De Vogüé door de Duitse naturalisten beschouwd werd als één van hen.

Het succes van Henckel in Duitsland verbleekte bij dat van De Vogüé, wiens roem als Dostoevskij-kenner geenszins beperkt bleef tot zijn thuisland. Vooral dankzij de burggraaf, wiens kritische teksten gelezen werden in alle intellectuele middens, groeide Dostoevskij in Parijs in de midden van de jaren 1880 uit tot een modefenomeen. Daardoor kwam ook zijn Duitse receptie in een stroomversnel­ling terecht. De belangstelling van het Franse en Duitse publiek was in eerste in­stantie gericht op het veronderstelde hoofdwerk van Dostoevskij: Prestuplenie i nakazanie, waarvan de vertalingen Raskolnikow en Le crime et le châtiment een monstersucces kenden. Zowel in Frankrijk als in Duitsland speelde de uitgevers­wereld gretig op de hype in door het publiek ook andere vertalingen van Dosto­evskij voor te schotelen. Ook zijn rijpe filosofische romans, zoals Idiot, Besy en Brat’ja Karamazovy, werden met belangstelling onthaald. Daarnaast werden ook andere Russische schrijvers, zoals Tolstoj, voor het publiek ontsloten – zowel in de Duitse als in de Franse literatuur betekende de doorbraak van Dostoevskij het begin van een algemeen Russische mode.

In Parijs werd de vertaling van Dostoevskij in eerste instantie gemonopoliseerd door de prestigieuze uitgeverij Plon, die in nauw contact stond met De Vogüé. Om haar concurrenten te pakken in snelheid werd gebruik gemaakt van een ver­taalatelier met hoog rendement dat samengesteld was uit gespecialiseerde vertalers. Het ging daarbij ofwel om Fransen die zich in Rusland het Russisch eigen hadden gemaakt, ofwel om Russische immigranten, wier vertalingen in de regel herschre­ven werden door Franse native speakers. Van deze vertalers was Halpérine-Kaminsky, die zich meermaals liet assisteren door de Franse dichter Morice, de meest productieve. Belangrijk is dat hijzelf het initiatief nam om bepaalde teksten voor te dragen ter vertaling. In Duitsland sprongen meerdere prestigieuze uit­geverijen, meestal met naturalistische oriëntatie, tegelijkertijd op de kar. Ze be­perkten zich niet tot één of twee werken van Dostoevskij, maar brachten grote series uit. Zij werkten eveneens met professionele vertalers die van Dostoevskij hun specialisatie maakten. De meest productieve was Hauff. Ten gevolge van de vertaalwoede, die een antwoord was op de leeswoede, was tegen 1890 het volledige fictionele oeuvre van Dostoevskij – op een enkele uitzondering na – beschikbaar in Duitse en Franse vertaling. Terwijl lezers op grote schaal met Dostoevskij dweep­ten, liet een groot aantal Duitse en Franse schrijvers zich door hem beïn­vloeden. Tot de bekendsten horen Friedrich Nietzsche, Gerhart Hauptmann, Joris-Karl Huysmans, Paul Margueritte, Paul Bourget en Eduard Rod.

Het feit dat de Russische schrijver kort na zijn dood met succes uit de obscuri­teit was gehaald om in het centrum van de Duitse en Franse literatuur een model­functie te vervullen, betekende echter niet dat zijn schrijverschap over de hele lijn op prijs werd gesteld. De waardering voor Dostoevskij was van bij aanvang zeer selectief en eng. Globaal genomen ging de Franse en Duitse appreciatie in de eerste plaats uit naar Dostoevskijs sombere thematiek van de vernederden en gekrenkten en naar zijn psychologische portretten. Voor de Duitse naturalisten was hij, zoals Kampmann (1931: 15) samenvat, ‘der ausgezeichnete Milieuschilderer, der An­walt der Entrechteten und der Prediger der Humanität, […] ein außergewöhn­licher Seelenanatom und Pathologe’. Voor De Vogüé was hij dan weer het toon­beeld van evangelisch geïnspireerde naastenliefde, of, zoals May (1994: 21) het zegt, ‘a paragon of decency and truthfulness with a moral edge’. In lijn hiermee golden Bednye ljudi, Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie als zijn drie beste creaties.

De vroegste appreciatie van Dostoevskij ging zowel in Frankrijk als in Duits­land gepaard met een grote bewondering voor de miserie die de auteur zelf bij zijn leven te verduren had. De Duitse naturalisten en hun sympathisanten, die met name in de arbeidersbeweging te vinden waren, schepten er genoegen in om de revolutionaire reden van Dostoevskijs verbanning in de verf te zetten. De Vogüé en traditionalisten benadrukten net de getrouwheid van de Russische schrijver aan de tsaar, maar hadden eveneens veel oog voor de Siberische beproeving van Dosto­evskij. De burggraaf achtte leed cruciaal voor de aard van diens schrijverschap, dat hij samenvatte als ‘la religion de la souffrance’.

Ondanks De Vogüés religieus gekleurde interpretatie stelde hij de eigenlijke metafysica in het oeuvre van Dostoevskij, door de critici steevast aangeduid met het pejoratieve begrip mysticisme, veel minder op prijs – voor zover deze dimensie überhaupt opgemerkt werd. Minder verbazend is dat het religieuze voor de Duitse naturalisten helemaal geen reden vormde om Dostoevskij te bewonderen. Dit ver­klaart Hauswedell (1924: iii) door ‘die Bindung des dichterischen Naturalismus in Deutschland an den materialistischen Sozialismus, eine Geistesrichtung, die das Religiöse im Sinne Dostojewskys ablehnen musste.’

Wat helemaal niet in het kraam van de Duitse naturalisten of in dat van de burg­graaf en consorten paste, was Dostoevskijs groteske satire. Allusies op zijn humor komen in de behandelde kritische teksten slechts zeer uitzonderlijk voor. Bovendien werd deze humor, wanneer hij dan toch ter sprake werd gebracht, veel­al in een kwaad daglicht gesteld. Ofwel gold ze als mislukt, ofwel was ze een doorn in het oog van de lezer – zoals Henckel aangaf in het voorwoord van zijn Raskol­nikow over de anti-Duitse satire. Dostoevskijs essayistiek, waarin zijn etno­centris­ti­sche en soms reactionair gedachtegoed expliciet verwoord wordt, was het­zelfde lot beschoren: dit werd veelal afgedaan als puur tijdverlies. Dnevnik pisatelja kon dan ook amper op belangstelling rekenen.

Tegelijkertijd bestond er onder de toonaangevende Franse en Duitse critici een consensus dat de vormelijke aspecten van Dostoevskijs proza veel te wensen over­lieten, wat ze vaak in verband brachten met zijn Russische nationaliteit. Meer be­paald werden hem te pas en te onpas langdradigheid, een ongepolijste stijl en ge­brek­kige romancompositie ten laste gelegd. Deze verwijten betroffen vooral de rijpe filosofische romans die Dostoevskij na zijn zogezegd hoofdwerk Prestuplenie i nakazanie geschreven heeft: Besy, Idiot, Podrostok en Brat’ja Karamazovy. Ook Unižennye i oskorblënnye werd artisitiek laag ingeschat. Deze esthetische bezwa­ren, die de dominante literaire normen illustreren, waren nog prominenter aan­wezig in de Franse kritiek dan in de Duitse. Ze konden echter niet verhinderen dat ook mindere werken van Dostoevskij op grote schaal gelezen en geapprecieerd werden.

Behalve esthetische bezwaren werden in de Franse en in de Duitse literaire kritiek af en toe ook ethische vraagtekens bij Dostoevskijs proza geplaatst. Zijn interesse voor pathologische fenomenen werd met name door vertegenwoordigers van de traditionele kritiek argwanend onthaald, terwijl een select aantal Duitse en Franse naturalisten zich hieraan net laafde. Al dan niet onder invloed van Brandes, hadden literatoren als Conradi, Conrad en Bleibtreu hiervoor bijzonder aandacht. In Frankrijk was de psychopathologische dimensie in het werk van Dostoevskij een bron van inspiratie voor de decadente symbolisten.

Zowel in de Duitse als de Franse literatuur kreeg Dostoevskij met het ver­strij­ken van de jaren te maken met groeiende weerstand. Met name in Frankrijk werd de succesvolle import van de Russische schrijver in het centrum van de Franse letteren als bijzonder bedreigend ervaren, omdat hij de deur openzette voor meer vreemde invloeden. De Russische schrijver werd de inzet van een vurig debat over het herstel van de autonomie van de Franse literatuur. In de ogen van een groeiend aantal Franse lezers en critici stond hij symbool voor overbodige of zelfs schade­lijke heteronomie. Door de protectionistische en chauvinistische aanvallen van Pontmartin of Lemaître, verloor Dostoevskij een groot deel van zijn prestige. Ze slaagden er echter niet in om de invasie van de Scyth om te keren. In de Duitse literatuur waren dergelijke reacties minder frequent en minder hevig, maar ook daar spraken sommige critici, zoals de naturalisten Bleibtreu en Conrad, hun on­vrede uit met al te platte imitaties van Russische literatuur.

De doorbraak van Dostoevskij in de Franse en in de Duitse literatuur was on­losmakelijk verbonden met de naturalistische stromingen. Eenmaal hij gevestigd was in het centrum van de literaturen, was er geen weg terug. Ook toen De Vogüé Dostoevskij niet langer nodig had, omdat het zolaïsme niet langer een modelfunc­tie vervulde, en toen de Duitse naturalisten uitgekeken raakten op het Russische proza, en de protectionistische weerstand groeide, bleef hij een gevestigde waarde. Na de eeuwwisseling werd zijn gecanoniseerde status verstevigd in nieuwe series vertalingen. Een nieuwe generatie lezers, met nieuwe interesses, werd hierdoor in staat gesteld Dostoevskij te ontdekken. Dit gaf aanleiding tot nieuwe interpreta­ties en appreciaties, die in de regel evenwel marginaal bleven. Zo merkt Kamp­mann (1931: 15) op dat de metafysische dimensie van Dostoevskijs oeuvre met het verstrijken van de jaren steeds meer aandacht kreeg in de Duitse kritiek. In Frankrijk rees nu ook de stem van Gide, die een veel optimistischer en minder exoti­serend beeld van Dostoevskij ophing dan De Vogüé had voorgedaan.

De rol van de critici is in dit hele verhaal niet te onderschatten. In­spelend op de crisis in hun literatuur, reikten zij de lezers redenen aan waarom Dostoevskij, die gedurende zijn gehele leven genegeerd was door het Franse en Duitse publiek, gewaardeerd en geïmiteerd moest worden. Als gevolg hiervan werd de Russische schrijver op slechts enkele jaren tijd – om het in polysystemische termen te stellen – vanuit de periferie naar het centrum van de literatuur gekatapulteerd, werd hem een primaire of modelfunctie toebedicht en kreeg hij een gecanoniseerde status. Hoewel de critici soms door de lezers in het ongelijk gesteld werden – in die zin dat ook als mislukt geëvalueerde werken, zoals Unižennye i oskorblënnye, het com­mercieel goed deden – genoten zij een groot gezag.

Het gezag van de critici laat zich ten dele verklaren door hun competentie ter zake. Zowel in Frankrijk als in Duitsland werd het debat over Dostoevskij name­lijk gedomineerd door Ruslandspecialisten. Onder de Duitse specialisten waren er meerdere afkomstig uit het Russische Rijk, zoals Wolfsohn, Von Reindholdt, Haller en Poritzky. Henckel, Zabel en Hoffmann daarentegen waren Duitsers die zich het Russisch zelf eigen hadden gemaakt. In Frankrijk vormden de ingeweken Ruslandspecialisten een minderheid: vooral de Polen Wyzewa en Waliszewski springen in het oog. Hier tegenover staat een vijftal Fransen die zich Rusland­specialist konden noemen: Courrière, Fleury, Barine, De Vogüé, Sichler en Combes. Brandes is een apart geval: hij was wellicht de enige niet-gespecialiseerde Dostoevskij-criticus – in die zin dat hij het Russisch niet machtig was – die niet­temin zeer invloedrijk was.

Hoewel de verzamelde Duitse en Franse Dostoevskij-critici wat afkomst, milieu en ideologie betreft gekenmerkt werden door een grote onderlinge ver­scheidenheid, kan de vroege Franse en Duitse Dostoevskij-receptie voor een deel geanalyseerd worden als een geschiedenis van herkauwde meningen. Opvallend is vooral de autoriteit van De Vogüé, die in eigen land in niemands schaduw hoefde te staan. Hij schreef tegen het naturalisme, zoals dat destijds opgevat werd, maar sprak tot alle naturalisten. Zelfs zijn belagers, de Franse literatoren die tegen de Dos­toevskij-rage in opstand kwamen, waaronder Pontmartin, Wyzewa en Lemaître, lieten zich door zijn argumenten inspireren. Hennequin was een van de enigen die al in de jaren 1880 met een zelfstandige visie op de proppen kwam, wat typisch is voor de hiërarchische structuur van het Franse literaire polysysteem. In de Duitse literatuur speelde De Vogüé eveneens een belangrijke rol – wat dan weer de centrale positie van de Franse literatuur in macroperspectief illustreert. Ook Von Reinholdt, Zabel en Brandes waren echter belangrijke stemmen in het Duitse literaire debat over Dostoevskij. Zij lieten zich echter alledrie beïnvloeden door de burggraaf, waar ze ook voor uitkwamen.

 

Figuur 1. De Franse en Duitse Dostoevskij-receptie

Franse literatuur
 

Russische literatuur

Duitse literatuur

 

Tot slot moet opgemerkt worden dat de Frans-Duitse as niet zorgde voor één­richtings­verkeer. Zelfs De Vogüé opereerde niet geheel autonoom. Zoals be­schre­ven, voelde hij zich door het succes van Raskolnikow in Duitsland en door publica­ties van Von Reinholdt, Zabel en Brandes aangemoedigd om Dostoevskij ook in Frankrijk te populariseren. Waar Nietzsche Dostoevskij ontdekte in Nice, via de Franse vertaling L’esprit souterrain, leerde Gide de Rus net kennen via Duit­se ver­talingen. Toen Hoffmann haar lijvige Dostoevskij-biografie publiceerde, werd deze gebeurtenis ook opgemerkt in Parijs. Waar het hier om gaat, is dat de vroege Fran­se receptie van Dostoevskij in belangrijke mate beïnvloed werd door de Duit­se en vice versa. In tegenstelling tot Hemmings (1950b), die de doorbraak van de Russi­sche roman in Parijs afschildert als een interne aangelegenheid van de Franse lette­ren, erkent Espagne (1996: 334) het gewicht van deze wederzijdse beïnvloe­ding in de relatie van Frankrijk en Duitsland tot Rusland: ‘les échanges littéraires entre les trois pays font apparaître la littérature russe comme un lien intellectuel qu’incarne la double réception de Dostoïevski en France et en Allemagne’. In de twee volgen­de delen van deze studie zal duidelijk worden dat deze culturele drie­hoeksrelatie (zie figuur 1) behoort tot de meest cruciale aspecten van de inter­nationale context waarin de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij zich af­speelde.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: