

Michaël Bellon nam voor BRUZZ een diepgravend interview af van de gevluchte Wit-Russische schrijver Sasja Filipenko, dat ik mocht vertolken. Het was een plezier, want Sasja blijkt een sympathieke peer. Bovendien heeft hij veel te vertellen:
In zijn pas vertaalde roman Hetze beschrijft de Wit-Russische schrijver Sasja Filipenko hoe een kritische journalist door de handlangers van een oligarch wordt getergd opdat hij het land zou verlaten. Filipenko zelf maakte iets gelijkaardigs mee. Hij resideert momenteel in Brussel en treedt aan op het Passa Porta Festival.
“Toen ik op een dag vanuit Rusland in Minsk aankwam en mijn Russische simkaart verruilde voor mijn Wit-Russische kreeg ik een minuut later een anoniem telefoontje van iemand die me vroeg of ik soms een escortekonvooi naar de gevangenis had besteld, waarna werd opgehangen. En in 2015, toen we na de annexatie van de Krim door Rusland aftastten of er misschien weer wat meer mogelijk was in Wit-Rusland, had ik een kritische column geschreven in een tijdschrift. Even later moest ik met de nachttrein naar Sint-Petersburg. Mijn wagon was helemaal leeg, op een enorme manspersoon na, die dat tijdschrift vasthad op de pagina van mijn column. Hij zei dat ik er goed aan zou doen een beetje voorzichtiger te zijn in de toekomst.”
Aan het woord is de Wit-Russische schrijver Sasja Filipenko, die enkele weken in residentie is bij Passa Porta. Filipenko is pas 38, maar heeft al een lange staat van dienst. Hij werkte voor televisie in Rusland en is schrijver van vijf romans die in zestien talen vertaald werden. Zijn debuut De ex-zoon was al kritisch voor de dictatuur in Wit-Rusland, en hij staat nog altijd in contact met de verbannen Wit-Russische oppositieleidster Svetlana Tichanovskaja. Zij leidde de protesten na de vervalste verkiezingen van 2020, die dictator Aleksandr Loekasjenko aan de macht hielden. Met opiniebijdragen in internationale kranten blijft Filipenko de situatie in zijn land, maar ook in Oekraïne en Rusland, aanklagen.
Twee keer ontsnapte Filipenko aan een arrestatie. Eén keer in Wit-Rusland en één keer in Rusland, dat dissidenten aan Wit-Rusland uitlevert. Filipenko’s verhaal is daardoor veel gelijkenissen gaan vertonen met zijn roman Hetze uit 2016, die nu naar het Nederlands vertaald is. In die zwarte tragikomedie wordt een kritische journalist op verschrikkelijke wijze getreiterd en getergd in opdracht van een oligarch die hem het land uit wil.
Na omzwervingen in verschillende landen heeft Filipenko net een vaste stek in het Zwitserse Bazel verworven. Nu maakt hij samen met schrijvers als Annie Ernaux, Timothy Garton Ash, Vladimir Sorokin, Mohsin Hamid, Claudio Morandini, Lize Spit en Tom Lanoye deel uit van het programma van het Passa Porta Festival. Omdat het festival dit jaar ook de ICORN Network Meeting van internationale vluchtsteden voor bedreigde schrijvers, kunstenaars en journalisten in ballingschap ontvangt, staan verschillende programma’s in het teken van vlucht en verbeelding.
Was u al eerder in Brussel geweest?
Sasja Filipenko: Op doorreis. Dit is de eerste keer dat ik de mogelijkheid heb om de stad te bestuderen en met mensen te praten. Voorlopig begrijp ik er niets van! Van steden als Parijs, Rome, Londen of Amsterdam krijg je al redelijk snel een eerste indruk van hoe ze in elkaar zitten, maar in Brussel kan ik daar mijn vinger nog niet op leggen. Het is duidelijk een multiculturele stad, maar ik heb er meer tijd voor nodig. Ik lees nu alle Vlaamse boeken in Russische vertaling die hier in de kast staan: gisteren David Van Reybrouck, vandaag Anne Provoost, morgen Hugo Claus. Voor de rest wandel en fitness ik. Met schrijven in de strikte zin ben ik nog niet bezig. Ik ben veel aan het nadenken, en ’s avonds op café maak ik aantekeningen. Schrijven is voor een volgende fase.Ook u bent als televisiemaker én schrijver, en als Wit-Rus van een Tataars-Russische moeder en een Oekraïens-Wit-Russische vader niet zo makkelijk samen te vatten.
Filipenko: Die vermenging van etniciteiten is heel typisch voor de post-Sovjetruimte. Voor de rest ben ik een Wit-Russische auteur die in de Russische taal schrijft (in Filipenko’s geboortestad Minsk is Russisch courant, red.). Ik heb een succesvolle carrière gehad bij de televisie, maar wilde altijd graag schrijven en me met literatuur bezighouden.Waaruit bestond dat televisiewerk?
Filipenko: In het begin van mijn carrière heb ik gewerkt voor Kanaal 1, de belangrijkste overheidszender van Rusland, waar ik grappen schreef voor Projektor Paris Hilton, het bekendste satirische programma van Rusland. Hierin werd het nieuws becommentarieerd. Ik ben bij Kanaal 1 weggegaan omdat ik aan den lijve ondervond hoe de censuur zijn werk deed. Rusland is een groot land met verschillende tijdzones, waardoor ons programma in eerste instantie in Vladivostok werd uitgezonden en dan via steden als Jekaterinenburg en Kazan stelselmatig dichter naar Moskou kwam. Zo kon je er in real time getuige van zijn hoe sommige moppen uit het programma werden geknipt. Sommige bleven in de Oeral hangen, anderen konden in Kazan niet meer door de beugel. Daarom werd Vladivostok grappend de meest vrije regio van Rusland genoemd. Toen er in 2011 wat zogenaamde politieke dooi was onder president Dmitri Medvedev en er wat meer gelachen kon worden, ben ik overgestapt naar de oppositiezender TV Rain (of Dozhd TV), waar ik onder meer meewerkte aan een satirische latenightshow waarin de hele Russische actualiteit te grazen werd genomen.
Op dit moment is er geen enkel politiek programma meer in Rusland waarin je grappen kan maken over de politieke actualiteit. Terwijl humor een belangrijk wapen is waar dictaturen bang voor zijn.Kunt u het verhaal van uw vlucht uit Wit-Rusland nog eens vertellen?
Filipenko: In 2020 nam ik deel aan de protesten in Minsk en onderhield ik op internet het project ‘Solidaire literatuur’ met bekende auteurs. Op een dag belde een vriend me op met de vraag waarom ik nog niet was vertrokken. Via de belangrijkste massamedia in Wit-Rusland was een heksenjacht geopend op de bekendste Wit-Russen die hadden deelgenomen aan de protesten. Daar stond een grote foto bij van mij met een protestbord, en een lijst met namen. De eerste twee waren al gearresteerd. Ik was de derde op de lijst.Via Rusland ging ik naar Oostenrijk, maar ik ben toch nog even naar Rusland teruggekeerd om de literaire Yasnaya Polyana-prijs in ontvangst te nemen. Toen ik op de luchthaven in Moskou aankwam, werd ik gearresteerd om uitgeleverd te worden aan Wit-Rusland. Daar werd ik in de propagandapers beschuldigd van het rehabiliteren van nazisme en extremisme, waarvoor je twaalf jaar kon krijgen. Ik heb drie uur vastgezeten, maar uiteindelijk heeft iemand kennelijk besloten dat de prijsuitreiking beter zonder schandalen zou verlopen en werd ik vrijgelaten.
Ook vandaag laat men u nog niet met rust.
Filipenko: Gisteren was er nog een hetze in de propagandamedia in Rusland nadat een journalist van Deutsche Welle mij had gevraagd of het mij niet stoorde Russisch te spreken, omdat dat de taal van de aggressor is. Ik antwoordde dat mij dat niet stoort, dat Russisch geen eigendom van Poetin is, en zelfs niet van Rusland. En dat het een goede zaak zou zijn om de Russische taal van Poetin af te nemen om te tonen dat het niet alleen de taal is van de terreur, maar ook de taal kan zijn van vrijheidslievende en liberale waarden. De volgende dag verscheen op een medium van de orthodoxe Kerk in Rusland het bericht dat ik de Russen zou verbieden nog Russisch te spreken. Alle propagandakanalen hebben die onzin verder verspreid.Welk leven leiden uw boeken ondertussen in Wit-Rusland en Rusland?
Filipenko: In Minsk, waar ik ben geboren en twintig jaar heb geleefd, is een bekende boekenwinkel waar mijn boeken niet in het zicht liggen, maar wel nog kunnen worden gekocht in een achterkamertje, als je ernaar vraagt. Zoals drugs. De opvoering van mijn toneelstuk Rood Kruis, gebaseerd op mijn gelijknamige boek, is verboden in Moskou.Hoe heeft de ballingschap uw schrijverschap beïnvloed?
Filipenko: Het voorbije jaar heb ik me vooral toegelegd op journalistiek en essayistiek om in kranten als Le Figaro en The Guardian te vertellen wat er op dit moment in Wit-Rusland gebeurt. Door de inval van Rusland in Oekraïne schijnt iedereen te vergeten dat veel mensen in Wit-Rusland hebben gestreden voor de vrijheid. Van de ene op de andere dag zijn we medeagressor geworden.Hoe gaat het met u persoonlijk? Het is een opluchting dat u nog altijd kan lachen.
Filipenko: Dat is een van mijn zelfverdedigingsstrategieën. Lachen is heel belangrijk om niet gek te worden. Een andere uitlaatklep is roeien. Op een meertje in Bazel en in de fitness. De laatste jaren waren moeilijk en stresserend. Een van de personages in mijn boeken zegt dat als je je jezelf niet kan helpen, je anderen moet helpen, dat heb ik de voorbije jaren proberen te doen. Maar op een bepaald moment is het vat leeg, en was, zoals in een vliegtuig in nood, het moment gekomen om eerst zelf het zuurstofmasker op te zetten en aan zelfzorg te doen.Hoopt of denkt u dat de oorlog in Oekraïne onrechtstreeks ook de dictatuur in Wit-Rusland kan ondermijnen?
Filipenko: Ik zou natuurlijk willen dat Oekraïne deze oorlog wint, want als Poetin verliest, dan verliest Loekasjenko ook. Maar eerlijk gezegd zie ik niet hoe een van beide partijen een overwinning kan boeken. Het lijkt eerder een lang smeulend conflict te worden. In Europa is men gerustgesteld wanneer de oorlog tot Oekraïne beperkt kan blijven, en helaas denk ik dat dat het meest realistische scenario is, al wil ik me heel graag vergissen en zien dat Oekraïne wordt hersteld binnen de grenzen van 1991Met welke motivatie heeft u in 2016 het profetisch gebleken Hetze geschreven?
Filipenko: Ik werkte toen nog als journalist voor TV Rain en had veel bevriende journalisten die werkten voor onafhankelijke media. Die hadden allemaal te kampen met georganiseerde hetzes tegen hen. We denken aan vervolgde journalisten wanneer ze gevangen worden genomen, gedood of gedwongen worden te emigreren. Het boek toont dat er meer intimidatievormen zijn, waarbij soms dagdagelijks druk wordt uitgeoefend. Ik heb zelf ervaren hoe mijn Instagram-account elke dag overladen werd met bedreigingen en scheldpartijen. Je kan je daar psychologisch tegen proberen te beschermen, toch heeft dat invloed. Ik wilde het ook hebben over het feit dat een journalist zich daar misschien wel kan op instellen, maar zijn gezin misschien niet, terwijl ook zij slachtoffer kunnen worden.De belaagde journalist Anton Kwint blijft verrassend kalm onder de terreur. “Moedige mensen zijn altijd naïef,” staat ook in het boek.
Filipenko: Kwint is natuurlijk niet echt naïef, want hij is goed op de hoogte, maar hij houdt vast aan zijn idealen. Naïviteit in de goede zin van het woord is belangrijk, want in dictaturen probeert de overheid journalisten cynisch te maken, opdat ze niet meer zouden geloven dat ze nog iets fundamenteels kunnen veranderen. Wie gelooft in de maakbaarheid van de samenleving vormt een bedreiging voor het systeem van de machthebbers.
Daarom worden liberale vrijheidslievende journalisten in eerste instantie ook alarmisten genoemd. Er wordt gezegd dat zij overdrijven, alles in de donkerste kleuren neerzetten, en alleen maar kritiek leveren. Toen ik in Hetze schreef over iemand die veroordeeld werd voor een volledig lege Facebook-post, vond iedereen dat grappig. Maar in die tijd zag je al dat Rusland die kant op ging, en nu zien we dat iemand die met een leeg blad protesteert, inderdaad gearresteerd kan worden.Dit gesprek kwam tot stand met de hulp van de Russische tolkopleiding van de KU Leuven (campus Antwerpen).
.

Op 22 maart 2023 verscheen in de onafhankelijke en liberaal georiënteerde krant Novaya Gazeta Europe een recensie (in het Russisch) van de literaire criticus Sorin Broet over de door ons uitgegeven dichtbundel Metro i mobilisatsija van Igor Bobyrev:
“Wie het heeft over ‘ademnood’, kan niet heen om Метро и мобилизация (Metro en mobilisatie): het laatste boek van de Russischtalige dichter uit Donetsk Igor Bobyrev, dat op de grens van 2022 en 2023 in Duitsland verschenen is. De figuur Bobyrev lijkt door de vertegenwoordigers van de Z-poëzie even antipathiek bevonden te worden als door talrijke anti-oorlogsdichters. Enerzijds schrijft hij uitgesproken anti-oorlogspoëzie en staat hij kritisch tegenover het Poetinregime, anderzijds bekritiseert hij de Oekraïense autoriteiten en de anti-oorlogsoppositie. Zijn visie komt voort uit de plaats waar hij zich bevindt: Donetsk, waarvan veel vreedzame inwoners zich in deze oorlog alleen voelen te staan, en wier belangrijkste eis niet politiek, maar menselijk is: ‘Houd op ons te vermoorden’.
Het boek van Bobyrev, en dan vooral het tweede deel, is een psychologisch document van een man in een door de oorlog bevangen stad. De plaats van de handeling is een appartement dat je onmogelijk kan verlaten zonder ten prooi aan de mobilisatie te vallen. Maar dit appartement kan eveneens getroffen worden door een bom. De ruimte in de gedichten wordt verscheurd tussen thuis en de buitenwereld, die altijd bedreigend is. Trouwens zijn de grenzen van het appartement niet hermetisch. De ongure straatlucht van de oorlog dringt er naar binnen door onzichtbare scheuren in de muren, en zaait afwisselend verschrikking en wanhoop. De gewoonte van de oorlog gaat gepaard met de onmogelijkheid om eraan te wennen: ‘heel lang werden we gebombardeerd / heel lang heb ik geprobeerd te schrijven / iets aan te vangen / een film te bekijken / ik moest hem vaak onderbreken om naar het toilet te gaan / daar te schuilen / mama lag op de grond / alsmaar moest ik onze kat Vasja afhouden van het raam’.
Maar naast ‘de droge documenten’ ontstaan helemaal andere teksten: lyrische innerlijke monologen, die geschreven zijn als een gedachtestroom en als herinneringen aan kleine geneugtes van het leven, zoals een nachtelijke wandeling met een weggegane vriend of lekkere goedkope soep in een restaurant. Het zijn eigensoortige gebeden gewijd aan een vredig leven, dat complex en diepzinnig is in zijn eenvoud van alledag, die natuurlijk enkel maar vanwege de gewoonte eenvoudig lijkt. Met zijn herinneringen (met zijn gedichten, met zijn dagboek) weet Bobyrev de grenzen van zijn opsluiting als het ware te verbreden, geeft hij aan de ongure oorlogslucht een nieuwe invulling, probeert hij daaruit de voor de levende mens in alle opzichten nefaste oorlog te verdringen. Zo wordt het boek een krachtig verhaal over het streven naar zelfbehoud.”
[“Говоря об удушье, нельзя не упомянуть новую книгу русскоязычного поэта из Донецка Игоря Бобырева «Метро и мобилизация», которая вышла на рубеже 2022–2023-го в Германии. Фигура Бобырева кажется равно антипатичной и для представителей Z-поэзии, и для многих антивоенных авторов. С одной стороны, он пишет отчетливо антивоенные стихи и критически настроен к путинскому режиму, с другой — критикует украинскую власть и антивоенную оппозицию. Его взгляд определен местоположением — Донецком, для многих мирных жителей которого в этой войне, кажется, вообще нет своих, а главное их требование не политическое, а человеческое: «Прекратите нас убивать».
Книга Бобырева и, прежде всего, ее вторая часть — психологический документ человека в охваченном войной городе. Место действия — квартира, из которой если выйдешь, то обязательно попадешь под мобилизацию. Но и в квартиру может прилететь снаряд. Пространство в стихах расколото на свое и наружное — всегда угрожающее. Впрочем, квартирные границы тоже проницаемы. Жесткий воздух военной улицы просачивается сквозь невидимые щели в стенах, порождая то ужас, то безнадежность. Привычка к войне сочетается с невозможностью к ней привыкнуть: «очень долго сегодня бомбили / очень долго пытался писать / что-нибудь делать смотрел фильм / приходилось часто прерывать и идти в туалет / там прятался / мама легла на полу / постоянно оттаскивал от окна своего кота Ваську».
Но рядом с «сухими документами» возникают совсем другие тексты — лирические внутренние монологи, записанное течение мыслей и воспоминаний о повседневных мелочах вроде ночной прогулки с уехавшим другом или дешевого вкусного супа в ресторане. Своего рода молитвы о мирной жизни, сложной и глубокой в простейших повседневных вещах, которые, конечно, только из-за привычки кажутся простыми. Воспоминаниями (и стихами, и этим дневником) Бобырев как бы расширяет границы своего заключения, перезаряжает жесткий военный воздух, вытесняя из него саму войну, во всех смыслах посягающую на живую личность. Так книга становится и сильной историей самосохранения.”]
Igor Bobyrev loopt gevaar in Donetsk. Hij wil niets liever dan samen met zijn bejaarde moeder en kat wegtrekken, maar heeft daarvoor nog niet de nodige financiële middelen. Wie dat wil, kan hem steunen. PayPal: ivan_sokolov@berkeley.edu (vermelding: ‘for IB’).
Igor Bobyrev is a Russian-speaking poet who feels he’s caught between two fires. His poems and fate are the poems and fate of a real contemporary poète maudit.
He was born in Donetsk in 1985, where he graduated from the Faculty of History of Donetsk National University. After the outbreak of the war in Donbass, he continued to live in his native city.
He began writing poetry at the age of twenty. His free verse recalls the early works of the Moscow poet Kirill Medvedev (“It’s No Good”), who has had a great stylistic influence on him. He has published in, among other Russian journals, Novy Mir and Volga. In 2016, Translit and the Free Marxist Publishing House published his collection ‘Everyone knows that during the war my apartment was hit by a shell’.
The present collection, entitled Метро и Мобилизация (‘Metro and Mobilization’), consists of poems written during the war and the covid pandemic, from March 2021 to September 2022. They are intimate miniatures about the author’s personal life in a war-torn city. His homosexual adventures are also a recurring theme in his new poetry.
Dmitry Volchek, poet, translator, editor-in-chief of the Russian-language website of Radio Liberty:
“You’re looking at a book written in a city that in 2014 became one of the most dangerous and miserable cities in the world. When death is hunting you, you become a poet to enchant and deceive it.”
Anton Ochirov, poet, artist, curator:
“In the battling city of Donetsk, Igor Bobyrev has found the most important thing: the possibility of a personal speech. This speech, balancing between figures of rhetoric, self-limitations and the assertion of personal ethics, quite amazingly reveals an immediate reality, providing us with both a testimony and a document. It also serves as a vivid confirmation that the poetic ‘project’ contains the option ‘salvation’ – that is, the possibility of survival on the exclusively traumatic roller coaster of our ‘Big History’.”
Kirill Medvedev, poet, activist, publisher:
“Live there, where you cannot live! This is what Dmitry A. Prigov, the classic of Soviet conceptualism, recommended to young poets. The Post-Soviet history, as a fate, did not wait for the poet Igor Bobyrev, and turned his city Donetsk into a place where it is almost impossible to live, and where one can be, if one is persistent enough, completely free in poetry.”



Kirill Medvedev (1975, Moskou) is bij ons bekend als neomarxistisch dichter, activist en essayist dankzij de bij Leesmagazijn verschenen bundels Alles is slecht: gedichten, essays, acties (2014) en Biopolitiek (2017). Zijn gedichten, geschreven in vrije vers, zijn rauw, onopgesmukt. In zijn analyses is hij vlijmscherp voor de Russische intelligentsia, die hij al twee decennia lang een flagrant gebrek aan politiek bewustzijn verwijt.
Enige tijd na de invasie van de Russische troepen in Oekraïne van 24 februari 2022 reisde Medvedev naar België. Hij stond er zijn echtgenote, de gelauwerde cineaste Anna Moiseenko (die momenteel een documentaire maakt voor Clin d’oeils films), bij toen ze er van hun zoontje beviel. Op 23 september 2022 trad hij op in Brussel tijdens de opening van de internationale poëziemarkt Poetik Bazar. Behalve eerder gepubliceerd werk droeg hij er ook nieuwe weerspannige verzen voor. Op vraag van de organisator, het literatuurhuis Passa Porta, vertaalde ik ze in het Nederlands. Ze zijn opgenomen in het nieuwste nummer (91) van Tijdschrift voor Slavische Literatuur.
A propos, in 2023 verschijnt bij Leesmagazijn in het Nederlands vertaald werk van een dichter die sterk beïnvloed is door het vroege werk van Medvedev, namelijk Igor Bobyrev (die we eerst in het Russisch uitgeven). Het grootste verschil tussen beiden is dat de laatstgenoemde een tragedie beschrijft: het leven in de stad Donetsk. Later meer daarover.
Готовится к выходу в тамиздате: Бобырев, Игорь. «Метро и мобилизация». Берлин/Амстердам: издательство «LMVerlag», 2023. 196 с. Под редакцией П. Булоня. ISBN: 978-90-833037-1-0.
Закажите сборник тут.

Игорь Бобырев – русскоязычный поэт, оказавшийся меж двух огней. Его стихи и судьба – это стихи и судьба настоящего современного «проклятого поэта».
Он родился в Донецке в 1985 году. Окончил исторический факультет Донецкого национального университета. После начала войны в Донбассе продолжает жить в родном городе.
Писать стихи начал в возрасте двадцати лет. Его свободный стих напоминает ранние работы московского поэта Кирилла Медведева («Все плохо», «Вторжение»), оказавшего на него влияние. Публиковался в журналах «Новый мир» и «Волга». В 2016 году в книжной серии альманаха «Транслит» и «Свободного марксистского издательства» вышел его сборник «Все знают, что во время войны в мою квартиру попал снаряд».
Сборник «Метро и мобилизация» состоит из стихотворений, написанных во время войны и пандемии ковида – в период с марта 2021 по сентябрь 2022 года. Это интимные миниатюры о личной жизни в охваченном войной городе. Гомосексуальные приключения автора также являются повторяющейся темой его новой поэзии.

Перед вами книга, написанная в городе, который в 2014 году стал одним из самых опасных и несчастных городов на свете. Когда за тобой повсюду охотится смерть, ты становишься поэтом, чтобы ее заколдовать и обмануть.
«Живите там, где жить нельзя!» – рекомендовал молодым поэтам классик советского концептуализма Дмитрий А. Пригов. Постсоветская история как судьба догнала поэта Игоря Бобырева, сделав его город Донецк местом, где почти невозможно жить и где можно, при определенном упорстве, быть полностью свободным в поэзии.
В воюющем Донецке Игорь Бобырев нашел самое важное – возможность личной речи. Эта речь, балансируя между фигурами риторики, самоограничениями и отстаиванием персональной этики, удивительным образом открывает непосредственную реальность, воспринимаясь одновременно как свидетельство и документ. Так же она служит наглядным подтверждением того, как в поэтическом «промысле» заложена опция «спасения», то есть возможности выживания под исключительно травмирующим катком «большой истории».
A couple of weeks ago, my article ‘From One Jail to Another. Pavlensky’s Arson of the Bank of France as (Un)Successful Cultural Transfer and Self-Translation’ was published in a special issue of the journal Interférences littéraires, entitled Paradoxes and Misunderstandings in Cultural Transfer/Paradoxes et malentendus dans les transferts culturels.
My contribution is about the Russian artist Pavlensky. In order to protest the power of French bankers, in October 2017 he set fire to a branch of the Bank of France, at the Place de la Bastille in Paris. In my article, I propose to consider this action as a case of self-translation.

This is how the article is described, in French, in the issue’s introduction by Stéphanie Vanasten, Hubert Roland and Maud Gonne:
“C’est bien dans l’optique de s’émanciper des cadres nationaux que Pieter Boulogne propose une ouverture du concept de transfert à un ensemble de pratiques intersémiotiques, inter- et intralinguistiques, qu’il entend lier à une compréhension élargie du concept de traduction en traductologie. L’étude de cas présentée ici se réfère à une péripétie récente de la longue histoire culturelle entremêlée de la Russie et de la France, soit une performance spectaculairement subversive de l’artiste russe Pyotr Pavlensky à Paris en octobre 2017. À l’occasion du centième anniversaire de la Révolution d’Octobre, ce dernier, exilé en France, a mis le feu au siège de la Banque de France. Bien que cette action n’ait pas été perçue comme une transposition de l’esprit révolutionnaire, il y a matière à l’analyser comme un « auto-transfert », voire une sorte d’« auto-traduction ». Car l’un des textes sources, pour ainsi dire, de Pavlensky était une performance réalisée auparavant à Moscou : l’incendie qu’il avait perpétré au siège du FSB, le service fédéral de sécurité de la fédération de Russie. Un des paradoxes politiques exposés ici est que l’un des symboles de l’opposition artistique au Kremlin, accueilli en France au nom de la liberté d’expression face aux régimes totalitaires, a fini par se retrouver derrière les barreaux français. Mais sous l’angle de l’histoire des transferts culturels inscrit dans le long terme, la réception de la performance de Pavlensky s’inscrit dans une tradition de longue durée d’un « paradigme romantique » et national. Tandis que l’art de Pavlensky actualise, dans son projet, la diffusion de l’artefact démocratique et culturel des « idées de 1789 » et perpétue dans ce sens la tradition des échanges franco-russes, son accueil en France méconnaît la tradition transnationale des avant-gardes dans laquelle il réaffirme, en acte, son inscription radicale et de gauche. Dans cette perspective, le transfert, vu sous divers angles, est échec et succès à la fois, mais avant tout bien circulation et transformation, dans le sens de la plus grande mobilité et hospitalité du concept.”
The PDF of my article can be downloaded here.

Once upon a time, my university, KU Leuven, hosted an educational program in Slavonic Studies, in which I used to teach Russian literature, culture and grammar. Ruben Coomans was among the very last generation of students who graduated in this program. In 2020, he wrote a splendid master thesis on Zelensky’s performance as the fictitious President of Ukraine in the television series Servant of the People. During the last two years, I had the pleasure of reworking it, together with Ruben, into a scientific article, which now has been published in the peer reviewed journal Image & Narrative.
Here’s the abstract:
When the current President of Ukraine, Volodymyr Zelenskyi, ran for election, the electorate only knew him as an actor. In the widely acclaimed satirical TV series Servant of the People, he played an inspiring but clumsy teacher who, out of indignation at the corrupt state of Ukrainian politics, successfully makes a bid for the presidency and aims to reform his country. This TV series has been accused of being political marketing, but a systematic analysis of its marketing potential has not yet been made. This article want to fill this gap by performing a screen character analysis. As it turns out, as a fictional being, the lead character bears a striking physical resemblance to Zelenskyi. His most striking trait is modesty. He is driven by a high sense of responsibility, guarantying his moral integrity. As an artifact, the lead character is portrayed as a part of the common people. As a symbol, he equals servitude to people, but also the historical person who plays him. It is concluded that the confusion between Zelenskyi and the lead character allows for labelling the TV series Servant of the People as a unique example of political marketing with the potential of a self-fulfilling prophecy.
Ruben and I would like to express our sincere gratitude to Prof. Dr. Kris Van Heuckelom for his useful theoretical advice.
To watch an interesting fragment of the TV show Servant of the People, you can click here.
You can download and read the article (PDF) here:
Voor de Vlaamse krant De Standaard (28 september 2022, pp. 26-27) schreef ik een opiniestuk over onze omgang met de Russische mobilisatie.

Sinds op 21 september 2022 de zogezegde gedeeltelijke mobilisatie in Rusland is afgekondigd, zijn er in de Russische provincie al volledige dorpen van hun werkzame mannelijke bevolking gestript. In Moskou hebben anti-mobilisatiedemonstranten tijdens hun arrestatie, bij wijze van straf, een oproepingsbrief voor het leger gekregen. De Tsjetsjeense president Ramzan Kadyrov gaat er prat op dat de mobilisatie in zijn deelrepubliek niet plaatsvindt, maar in de praktijk worden mannen er onder dwang naar Oekraïne afgevoerd. Er zijn nieuwe Russische wetten in de maak die aan dienstweigering zware gevangenisstraffen koppelen. Advocaten zijn alvast gewaarschuwd dat hulp aan dienstweigeraars hen duur te staan zal komen. Poetin heeft deze repressie nodig, want ondanks de dolgedraaide propaganda heeft de Russische bevolking, zeker in Sint-Petersburg en Moskou, geen animo voor de oorlog. Maar helaas kunnen de Russen al lang niet meer wegen op het beleid.
Om uiting te geven aan zijn machteloosheid, stak gisteren een man in Rjazan zichzelf in brand. Hij riep uit: ‘Ik wil niet naar het front’. Hij is afgevoerd naar het ziekenhuis. Ten noorden van Irkoetsk schoot een jongeman de commandant van een rekruteringscentrum neer, omdat zijn beste vriend was opgeroepen. Hij wordt berecht. Her en der wordt een rekruteringscentrum in brand gestoken, en vervolgens geblust. In de deelrepubliek Dagestan vinden hevige straatprotesten tegen de mobilisatie plaats. Betogers worden hardhandig aangepakt. De mobilisatie gaat door.
Een van de weinige opties die de opgeroepen mannen en (verpleegkundig geschoolde) vrouwen nog hebben om hun menselijkheid en hun leven te beschermen, is stemmen met de benen: wegvluchten. Dat is heel moeilijk geworden, want hoe raak je het land nog uit? Vliegtuigtickets zijn uitverkocht of onbetaalbaar, niet iedereen heeft een geldig reispaspoort, de grenscontroles worden opgeschroefd, en er staan monsterfiles aan de grenzen met Georgië, Kazachstan en Mongolië.
De voormalige president van Mongolië, Tsahiagiin Elbegdorzj, riep de Russen op om in geen geval bloed te gaan vergieten in Oekraïne. ‘Wij, Mongolen, zullen jullie onthalen met open armen en een open hart,’ verklaarde hij op zaterdag 24 september 2022. Ook Charles Michel pleit voor een Europese opvang van dissidente gevluchte Russen. In Duitsland klinkt al: ‘wir schaffen das’.
Onze premier Alexander De Croo (VLD) daarentegen laat zich in het tv-programma De zevende dag ontvallen dat België niet van plan is om Russische dienstweigeraars op te vangen: “Vandaag keert België bijna geen visa uit aan Russen en voorlopig wil ik dat graag zo houden.”
Daarvoor geeft hij twee argumenten. Ten eerste herkauwt hij het Franse spreekwoord “Quand tous les dégoûtés s’en vont, il n’ya que les dégoûtants qui restent” (als al diegenen die walgen weggaan, blijven alleen de walgelijken over). Terwijl het waar is dat de Russen een collectieve verantwoordelijkheid hebben om zich te verzetten tegen het Poetinregime, klinkt de uitspraak toch heel gemakzuchtig. In een land waar grondrechten gerespecteerd worden, en burgers in staat zijn om zelf hun leiders te kiezen, of desgevallend te doen ophoepelen, zou het wel hout snijden: de walgenden pakken met vereende krachten aan wat walgelijk is, en de samenleving kan weer verder. Helaas is Rusland niet zo’n land. Met behulp van een geoliede repressiemachine, kan een groep walgelijken het klaarspelen om een numeriek veel grotere groep walgenden te terroriseren en desnoods te verwerken tot kanonnenvoer. Mij lijkt het onethisch om van alle Russen te eisen dat zij zich daaraan blootstellen.
Ten tweede zou het “een moeilijk signaal” zijn ten opzichte van de Oekraïense vluchtelingen, aldus De Croo, om ook Russen te gaan opvangen. Nog los van de vraag of dit wel degelijk een onoverkomelijk samenlevingsprobleem moet opleveren (volgens mij niet): is het voor de Oekraïense zaak niet oneindig veel beter dat Russen en masse de inlijving in het Russische leger ontlopen in plaats van het te versterken? Iedere Russische man die zich aan de mobilisatie onttrekt, is een soldaat minder om de misdadige plannen van het Russische leger in Oekraïne uit te voeren. Niet alleen vanuit ethisch standpunt, maar ook vanuit pragmatisch standpunt, zouden we de Russische dienstweigeraars dus beter de hand reiken, door ze op te vangen zolang de mobilisatie verdergaat.
A propos, premier, nu we het toch over ethiek en pragmatiek hebben: hoe zit het met ons importverbod op de Russische diamant?
Behalve ‘Mijn vagina’ bevat het nieuwste nummer van Tijdschrift voor Slavische Literatuur (Nr. 90, pp. 54-58) ook door mij vertaalde poëzie van de Kazachse dichteres Ajgerim Tazji (of Aigerim Tazhi, zoals ze zelf verkiest). Ze in 1981 geboren in de West-Kazachse stad Aqtöbe, maar woont vandaag in Almaty, de grootste stad van haar land. Ze is de auteur van de poëziebundel BOG-O-SLOV (2004) en van de tweetalige uitgave Paper-Thin Skin (Zephyr Press, USA, 2019). Haar dichtwerk verscheen onder meer in Russische literaire tijdschriften en anthologieën als Novy Mir, Znamja, Droezjba Narodov, Vozdoech en Novaja Joenost. In juni 2022 was ze te gast op het Poetry International Festival te Rotterdam, waar ze de onderstaande gedichten voordroeg.
Ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn dank uit te spreken aan Annemarije Baars, Femke Prins, Marina Snoek, Suzan van Wees en Melanie Zonderman, die als cursisten van de Opstapcursus literair vertalen Russisch-Nederlands, die ik in de lente van 2022 mocht geven aan de Vertalersvakschool, mijn ogen geopend hebben voor sommige nuances en betekenissen in de poëzie van Tazhi.
Het nieuwste nummer van Tijdschrift voor Slavische Literatuur (Nr. 90, pp. 23-27) bevat het gedicht ‘Mijn vagina’ van de hedendaagse Russischtalige dichteres Galina Rymboe, die in Rusland opgroeide, maar enkele jaren geleden emigreerde naar Oekraïne, waar ze zich thuis voelt. In het Nederlands verscheen in 2019 de door mij vertaalde dichtbundel tijd van de aarde (Perdu). In hetzelfde jaar gaf zij optredens in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten Bozar en op het Rotterdam International Poetry Festival.
In het kader van het Literair vertaalatelier Russisch-Nederlands, een vak van de Master in het literair vertalen (KU Leuven, Campus Antwerpen), vertaalde ik ‘Mijn vagina’ met student Philippe Vanhoof (hoewel geen van ons beiden er één heeft). Op het moment dat we het met toestemming van Galina aanboden aan Tijdschrift voor Slavische Literatuur, was zij met haar zoontje en man in Lviv aan het schuilen voor de Russische bommen. Dat maakt het gedicht, dat de strijd aanbindt met het Russische militarisme, alleen maar relevanter.
Galina heeft ‘Mijn vagina’ geschreven bij wijze van steunbetuiging aan de feministische activiste Joelija Tsvetkova, die in Rusland vervolgd is voor pornografie en homopropaganda, vanwege kunstwerken die het vrouwelijke geslachtsorgaan uitbeelden.

Yesterday evening, I had the pleasure of moderating a roundtable on ‘Translating the Holocaust’.
This was the fall event of CETRA, the KU Leuven Centre for Translation Studies – to which, after four years, as I’m saying goodbye as a director (but I stay on board). The roundtable was integrated in the 3-day seminar ‘Voicing the Silence: New Approaches in Russian and Ukrainian Literature on the Holocaust in the 21st Century’ (13-15/9/2022), an initiative of the CoHLIT-21 consortium and KU Leuven’s Department of Literary Studies, that looks into the afterlife of the Holocaust in contemporary Russian- and Ukrainian-language literature. The colleagues who organised this event were Marina Balina (Illinois Wesleyan University), Roman Katsman (Bar-Ilan University) and, last but not least, Kris Van Heuckelom (KU Leuven).
The invited experts of the roundtable included Yuliya Ilchuk (Stanford University), Anja Tippner (University of Hamburg), Olga Bukhina (New York) and Mateusz Świetlicki (University of Wrocław).
We talked about the translation of historical events into the Holocaust master narrative, the different approaches towards this narrative in Russia, Ukraine and Poland in the post-Soviet time, the circulation of children’s Holocaust literature (e.g. The Diary of Anne Frank) across national, linguistic and cultural borders. To conclude, the question was asked whether Russian literature is to be blamed for the ongoing Russian-Ukrainian war, which has important implications for the Holocaust remembrance. In the midst of war, can (translated) literature make a difference?

If you are interested in participating, please fill out thisonline registration formby Friday, September 9 at the latest.
Het Vlaamse duidingsprogramma Terzake (VRT) sprak met de in Brussel gestrande Russische dichter en activist Kirill Medvedev (Alles is slecht, Biopolitiek), die gelooft dat de etnische minderheden die als kanonnenvoer moeten dienen (Dagestanen, Boerjaten) er wel eens genoeg van zouden kunnen krijgen.
Je kan de (enigzins, amper) hoopgevende reportage van slavist Marijn Trio (her)bekijken op de website vrt.be.
