Biopolitiek: nieuwe dichtbundel van de Russische dichter/activist Kirill Medvedev, te gast op Het Betere Boek te Gent

IMG_3890.jpg

Uitgeverij Leesmagazijn, die eerder de dicht- en essaybundel Alles is slecht publiceerde, heeft zonet een nieuwe bundel gedichten van de hedendaagse Russische dichter en activist Kirill Medvedev uitgebracht, onder de titel Biopolitiek, in mijn vertaling uit het Russisch.  De dichter komt over deze poëzie en zijn activisme op 14 oktober 2017 praten in Gent tijdens het literaire festival Het Betere Boek, dat dit jaar door curator Johan de Boose in het teken wordt gesteld van de 100ste verjaardag van de Russische Revolutie.

De blurb:

Kirill Medvedev begon aan de in Biopolitiek opgenomen gedichten te schrijven in de nasleep van de Arabische Lente, die even de hoop van de Russische activisten deed opflakkeren. Opvallend zijn de zwarte humor en het burleske. De lyrische ‘ik’, die in vorige bundels aan de zijlijn toekeek op het Russische maffiakapitalisme en het bijbehorende consumentisme, ontpopt zich tot een actieve geweldenaar. Het universum van de dichter lijkt grimmiger te worden naarmate Poetin bij zijn onderdanen de duimschroeven aandraait. De Russische criticus Aleksandr Skidan noemde het ‘een voor iedereen toegankelijk, democratisch straattheater, een blamage aan het adres van de sceptici die niet geloven in de haalbaarheid van het project van de zelfkritische, reflexieve en tegelijkertijd populaire linkse cultuur’. Voor deze dichtbundel ontving Medvedev de prestigieuze Andrej Belyj-prijs, waarvan het prijzengeld bestaat uit een roebel, een fles wodka en een appel.

Na zijn doorbraak als dichter in 2002 nam Kirill Medvedev (1975) stapsgewijs afstand van de Russische literaire wereld, om na een zelf opgelegd moratorium in 2011 een comeback te maken onder zijn eigen voorwaarden. Hij is de auteur van de dicht- en essaybundels Alles is slecht (2000), Invasie (2002), Teksten uitgegeven zonder medeweten van de auteur (2007), 3% (2007) en Lang leven, jong sterven (2011). Naast dichter is Medvedev de Russische vertaler van Charles Bukowski, Pier Paolo Pasolini, Victor Serge en van de neomarxistische theoretici Terry Eagleton en Michael Löwy. Hij is ook een activist van de Russische Socialistische Beweging, de drijvende kracht achter de Vrije Marxistische Uitgeverij en de leadzanger van de band Arkady Kots. In de zomer van 2017 nam zijn politieke engagement de vorm aan van kandidaatstelling voor de Moskouse gemeenteraadsverkiezingen.

Biopolitiek is verkrijgbaar in de betere boekhandel, de webshop van de uitgever of bol.com.

Getagged , , , , , , , , ,

De Manon Lescaut van Tourdeille is verschenen: een a-Sovjet-Russische novelle over liefde en oorlog

IMAG7245_1Mijn vertaling uit het Russisch van De Manon Lescaut van Tourdeille, een door de beroemde kunsthistoricus Vsevolod Petrov heimelijk onder Stalin geschreven novelle over liefde en oorlog, is zonet verschenen bij Leesmagazijn. Dit is de blurb:

Een hospitaaltrein reist van het ene front naar het andere. Een vreemde, tussentijdse toestand in het midden van de oorlog. Het verhaal verschijnt eerst aan ons als een utopie, of, om preciezer te zijn, als een idylle (wat natuurlijk een variëteit is van de utopie) midden in de oorlog. De oorlog als zone van utopische vrijheid en herstel van de natuurlijke toestand van de wereld – van menselijke gevoelens en verhoudingen.

“Het is een van de meest belangrijke en inhoudsvolle teksten van de twintigste-eeuwse Russische literatuur. Je zou kunnen zeggen dat het de sleutel is (of een van de sleutels, niet de enige sleutel, maar misschien wel de belangrijkste) tot het raadsel van de Russische cultuurgeschiedenis.” – Oleg Joerev

Vsevolod Petrov stamde uit een oud adellijk geslacht en was een groot kunstkenner. In 1949 werd het Russisch Museum echter gedwongen Vsevolod Petrov te ontslaan. Hij werd een ‘onafhankelijk literator’. De Manon Lescaut van Tourdeille bleef ongepubliceerd bij leven van de auteur en gedurende bijna drie decennia na zijn dood. Niet omdat Petrov van zijn novelle een geheim had gemaakt: hij toonde haar aan kennissen en las eruit voor op zijn beroemde verjaardagsfeesten, waarop talloze gasten aanwezig waren. Hij heeft het gewoon nooit aangeboden voor publicatie.

Lees hier de eerste pagina.

Je vindt een exemplaar van De Manon Lescaut van Tourdeille in de rekken van de betere boekhandel, of in de webshop van de uitgever (of bij bol.com als je weinig geduld hebt).

Getagged , , , , , , , , , , , , , , ,

Baron van Münchhausen in het land der Sovjets

phpThumb_generated_thumbnailjpg

Over De terugkeer van Münchhausen van Sigizmoend Krzizjanovski. (vert. Monse Weijers). Uitgeverij Pegasus, Amsterdam, 2016, ISBN 9789061434214 / 168p.

Er zijn boeken die voor zichzelf spreken, en er zijn er die het best niet zonder nawoord worden losgelaten op de lezer. Zoals geldt voor wel meer werken uit de Russische literatuur, behoort De terugkeer van Münchhausen tot de tweede categorie, en dan zelfs tot de subcategorie daarvan waarbij de lezer beter eerst het nawoord leest en dan pas het eigenlijke boek. Dat komt niet doordat het boek onbegrijpelijk lijkt voor wie niet vertrouwd is met zijn cultuurhistorische achtergrond – onbegrijpelijk lijkt het namelijk ook voor wie wél vertrouwd is met de achtergrond ervan. Je krijgt gewoon meer appreciatie voor dit boek als je weet welke moeite de auteur gedaan heeft om de Russische literatuur te laten herademen op een moment dat zij werd verstikt.

In de jaren twintig, toen de Sovjet-Unie een relatieve artistieke vrijheid kende, kreeg Sigizmoend Krzizjanovski (1887-1950) bij de Moskouse intelligentsia waardering als schrijver van fantastische verhalen en schetsen. Wel was hij gedoemd om ze zelf voor te lezen: voor de drukpers was zijn satire op het Sovjetleven te scherp. De eerste versie van zijn roman De terugkeer van Münchhausen voltooide hij in 1927. Hoewel het een onmogelijke opdracht was, heeft hij ernstige pogingen ondernomen om er een Sovjetuitgeverij warm voor te krijgen. De uitgeverij in kwestie liet in een recensie optekenen: ‘In zijn poging de laster tegen de Sovjet-Unie ironisch te behandelen is Krzizjanovski zelf tot die toon vervallen.’ De schrijver bleef tot de vroege jaren dertig schrijven voor de lade. Gezien de blasfemische houding die hij had geëtaleerd ten opzichte van het marxisme-leninisme, mag het een klein wonder worden genoemd dat hij de Stalinterreur zonder kleerscheuren doorkwam.

Russische lezers konden pas tijdens de late perestrojka met de verboden vruchten van Krzizjanovski kennismaken, wat hem postuum erkenning opleverde als ‘ironisch satiricus die in rijke beelden en grotesken probeerde greep te krijgen op de absurditeit van het Sovjetleven’, zoals Emmanuel Waegemans in Geschiedenis van de literatuur in Rusland 1700-2000 schreef. Hoewel in 1989 een eerste keer een verhaal van hem in het Nederlands verscheen, duurde het nog een paar decennia vooraleer Krzizjanovski zijn weg vond naar de Nederlandse boekenmarkt. Het voorstel van de Leidse slavist Otto Boele aan uitgeverij Wereldbibliotheek om een volledig boek van hem te vertalen, werd volgens diens getuigenis afgeschoten vanwege de ‘onmogelijke’ uit het Russisch te transcriberen Poolse familienaam van de auteur. Dat die inderdaad onmogelijk is, blijkt uit de kritiek die uitgeverij Pegasus naar aanleiding van De terugkeer van Münchhausen krijgt voor de hybride schrijfwijze ‘Krzizjanovski’ (in plaats van de meer consequente transcriptie ‘Krzjizjanovski’). Uit het boek zelf blijkt echter dat er nog wel meer onmogelijk is aan Krzizjanovski.

Onmogelijk is ook de plot van De terugkeer van Münchhausen. Het hoofdpersonage is Baron von Münchhausen, de Duitse edelman die in de achttiende eeuw onder Russische vlag tegen de Ottomanen vocht en daar onwaarschijnlijk straffe verhalen over vertelde. Bij ons is hij vooral bekend vanwege het naar hem genoemde syndroom, maar als literair personage is hij in 1783 vereeuwigd door de Duitse schrijver Rudolf Raspe. Sinds diens verhalen in de jaren twintig werden bewerkt door de Russische kinderschrijver Kornej Tsjoekovski, is hij niet meer weg te denken uit de Russische literatuur. De vondst van Krzizjanovski bestaat erin dat hij dit personage transponeert naar de jaren twintig van de twintigste eeuw. De leugenbaron speldt zijn talrijke toehoorders in Londen onwaarschijnlijk straffe verhalen op de mouw over zijn bezoek aan het land der Sovjets, dat hij grotesk door de mangel haalt. De baron klaagt bijvoorbeeld over de socialistische economie:

Op de winkelschappen lag behalve stof bijna niets. Het was gewoon bespottelijk dat toen ik een stok nodig had, een doodgewone stok (de trottoirs zitten daar vol gaten en kuilen), de winkels geen stokken met twee uiteinden bleken te hebben: ik moest me tevreden stellen met een stok met maar één uiteinde. Nog een voorbeeld: toen een van de Moskovieten, die door het gebrek aan goederen tot wanhoop was gedreven, zich probeerde op te hangen, bleek het touw van zand gevlochten te zijn: in plaats van met de dood moest hij zich tevreden stellen met kneuzingen. Schandalig gewoon!

Omdat het personage Von Münchhausen geboekstaafd staat als een doortrapte leugenaar en ook zijn bezoek aan de Sovjet-Unie verzonnen blijkt, kan De terugkeer van Münchhausen worden gelezen als een satire op de lastercampagne van de kapitalistische pers tegen de Sovjet-Unie. Het is echter duidelijk genoeg dat Krzizjanovski dubbel spel speelt, en dat hij bij monde van zijn perfide literaire held ook de Sovjet-Unie zelf tot voorwerp van zijn satire maakt:

Het is waar, onze stokken hebben maar een uiteinde, ons land heeft maar één partij, ons socialisme is er voor één land, maar men moet de voordelen van een stok met één uiteinde niet vergeten: zo is tenminste duidelijk met welk uiteinde je moet slaan.

Wat De terugkeer van Münchhausen zo bijzonder maakt, is niet de geslaagde, tijdloze satire op de Sovjet-Unie – die kan je ook vinden in werken als Michail Boelgakovs De meester en Margarita (dat overigens opgebouwd is rondom een gelijkaardige transpositie: een duivel met de naam Woland bezoekt het land der Sovjets). Origineel, en nog maar eens onmogelijk, is vooral Krzizjanovski’s surrealistische schrijfstijl. Hij gebruikt metaforen, beelden en woordspelletjes waar je van duizelt. Soms is dat letterlijk op te vatten – sommige zinnen moet je drie keer lezen vooraleer ze betekenis krijgen (hier komt de appreciatie die je ontwikkelde tijdens het op voorhand gelezen nawoord van pas). Dit is bijvoorbeeld de openingszin van het vijfde hoofdstuk:

Intussen wierpen de krantenkolommen over de Münchhausiaden, de opnieuw opgevlamde naam, als salpeterdraden een vuur, van kaars naar kaars, en al spoedig hulde de geheel met klatergoud en een wirwar van glimmend engelenhaar omwikkelde wereldpers zich als een kerstboom in gele tongetjes.

Monse Weijers (1942) heeft, naast het lezenswaardige nawoord, een tot in de puntjes verzorgde, genietbare vertaling afgeleverd. Toch vraag je je stiekem af wat een durfal als Hans Boland van dit intrigerende werkje zou hebben gemaakt.

[Recensie geschreven voor deRedactor]

Getagged , , , , , ,

Leesmagazijn bereidt Vsevolod Petrovs novelle De Manon Lescaut van Tourdeille voor

cover-manon-lowres Deze zomer verschijnt bij uitgeverij Leesmagazijn, die ook Alles is slecht van Kirill Medvedev uitgaf, mijn vertaling uit het Russisch van Vsevolod Petrovs De Manon Lescaut van Tourdeille. Kroniek van een liefde.

Het is een novelle over een arts die tijdens de Tweede Wereldoorlog is tewerkgesteld in een sanitaire trein van het Rode Leger. Hij maakt van de oorlog in volle Stalintijd gebruik om zijn eigen persoonlijke idylle te creëren. Dat doet hij door weg te vluchten in de achttiende eeuw. En ook in zijn verliefdheid op de kokette zuster Vera Moechina, die hij aanziet voor de reïncarnatie van het Franse personage Manon Lescaut.

De Manon Lescaut van Tourdeille werd kort na de Tweede Wereldoorlog geschreven, naar alle waarschijnlijkheid in 1946. De auteur, een gevierd kunsthistoricus, heeft het nooit ter publicatie aangeboden. Hij zag in dat de kloof met de officiële Sovjetliteratuur onoverbrugbaar was. Na zestig jaar in de lade gelegen te hebben, werd De Manon Lescaut van Tourdeille in Rusland ontdekt. Naar aanleiding van de publicatie roemde de emigré Oleg Joerev de novelle als ‘een sleutel tot het raadsel van de Russische cultuurgeschiedenis’. Wat hij daarmee bedoelt, lees je in het nawoord.

Bij wijze van voorsmaakje op de novelle, krijg je hier eerste regels:

De Russische schrijver en kunsthistoricus Vsevolod Petrov (1912-1979)Ik lag op een slaapbank, eigenlijk een brits, die in onze verwarmde wagon geïnstalleerd was. Links was er een muur, rechts lag mijn kameraad, Aslamazjan, gedetacheerd aan het militair hospitaal, net als ik. Achter hem lagen twee vrouwelijke artsen, en daarachter Levit, een apotheker. Aan de overzijde stonden dezelfde britsen, waarop ook lichamen lagen.

Beneden, onder de britsen, leefden de zusters. Dat waren ruwe meiden, voor het grootste deel achttien à twintig jaar oud. Ze kibbelden luid met elkaar en zochten ruzie met de bewoners van boven. Dan grepen ze een gitaar en in koor zongen ze alle mogelijke liederen. Op de stations knoopten ze bliksemsnelle romances aan met militairen van tegemoetkomende echelons.

Van bovenaf had ik een goed zicht op het midden van de wagon, waar het leven soepel zijn gangetje ging. Daar stond een ijzeren kachel, en allen dromden er rond samen met keteltjes. Daar lagen ook stapels brandhout, die tegelijk dienden als stoelen. Precies daar begonnen de ruzies. Iemand die naar zijn brits vertrokken was gold als afvallig van het strijdtoneel – verder dan dat viel niet weg te gaan. Als de weggegane zweeg en stil lag, dan beschouwde men hem min of meer als afwezig. Er kon zelfs op hem gefoeterd worden, zoals achter iemands rug. Daar werd geen aanstoot aan genomen. Ook om zich te verzoenen kwam men tevoorschijn bij de kachel: hier was de enige levende brandende stip in de enorme en doodse ruimte van vorst en sneeuw.

 

Getagged , , , , , ,

Rectificatie. Wat de alwetende verteller van Kader Abdolah niet wist over Poesjkin

In de eerste druk van zijn laatste boek Salam Europa! (Prometheus, 2016, pp. 99-100) laat de Perzisch-Nederlandse schrijver Kader Abdolah het personage van de sjah de Russische dichter Aleksandr Poesjkin citeren – eerst een stukje in het Russisch (om de Nederlandse en Vlaamse slavisten te plezieren?) en dan een volledig gedicht in mijn vertaling (geplukt van deze webpagina):

Poesjkin.png

De alwetende verteller van Kader Abdolah leidt het citaat als volgt in:

“De sjah kende een van zijn [Poesjkins] gedichten gedeeltelijk uit het hoofd, maar hij wist niet dat de tsaar niets van Poesjkin en zijn gedichten moest hebben. Hij wist ook niets over het rebelleren van Poesjkin tegen de autocratie, en dat dit gedicht, Ode aan de vrijheid uit 1818, een beroemd manifest was.”

Na het lezen van deze uitleg, die verder gaat met de bewering dat Poesjkin vanwege deze verzen lange tijd uit Sint-Petersburg verbannen werd, is de lezer meer dan een beetje geneigd om het geciteerde gedicht te identificeren als Ode aan de vrijheid (eigenlijk Vrijheid. Een ode).

Dat klopt niet: het geciteerde gedicht is niet Vrijheid. Een ode (geschreven eind 1817), maar wel Aan Tsjaädajev (vermoedelijk geschreven in 1818 en voor het eerst gepubliceerd in 1829, in gecensureerde vorm).

Alwetende vertellers kunnen niet alles weten.

Getagged , , , , , , , , ,

Minoes als Russische femme fatale

IMAG6763_1Onder de titel Minoes, Minnie, Minu en andere katse streken heeft de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek in de reeks Lage Landen Studies bij Academia Press een bundel uitgebracht die gewijd is aan de internationale receptie van Annie M.G. Schmidts Minoes.

Minoes, Minnie, Minu en andere katse streken bevat acht case-studies over een van Nederland’s meest vertaalde kinderboeken. Ze worden voorafgegaan door de inleiding “Acht levens van Minoes” van Jan Van Coillie, die de bundel samen met Irena Barbara Kalla bezorgde.

In het kader van het onderzoeksproject The Circulation of Dutch Literature onderzochten Jan van Coillie, Matthieu Sergier, Stéphanie Vanasten, Sara Van Meerbergen, Renée Marais, Janina Vesztergom, Irena Barbara Kalla en Natalia Brożyna de receptie van Minoes in het Nederlands, Frans, Zweeds, Afrikaans, Hongaars en het Pools.

afbeelding1Ik sluit de bundel af met het artikel “‘De geschiedenis van een opmerkelijke metamorfose’: Minoes als Russische femme fatale” (pp. 171-193), over de Russische gedaante van Minoes.  Centraal daarin staat de vraag in hoeverre het feministisch potentieel van Schmidts geesteskind overeind blijft in post-Sovjet-Rusland. Gezien de barbie-achtige make-over die de knullige Minoes van de Russische illustrator kreeg, ligt dat niet zo voor de hand.

Dit is de Engelse samenvatting van mijn bijdrage:

‘The story of a remarkable metamorphosis’: Minoes as a Russian femme fatale. ​

afbeelding5This article deals with the Russian translation of the famous children’s book Minoes by Annie M.G. Schmidt. The point of departure is the observation that a recent opinion piece in a Flemish newspaper describes this fairytale as an antidote against the mass production pink princesses pop culture that shapes the female image of young girls. This leads to the central research question: to what extent is the feminist interpretation of Minoes privileged by the translation strategies used to render it into Russian?

An attempt to answer this question is undertaken in three phases. First, a literary-historical overview investigates the circumstances which made it first difficult and then possible for Minoes to become a Russian book. In this context, both the Soviet and the post-Soviet demands on children’s literature are dealt with. Second, light is shed on the female image of  girls in post-Soviet Russia. Thereupon, the analysis turns towards the most recent version of the Russian translation Murli. Attention is paid to its directness, peritexts, illustrations, macrostructural and microtextual shifts.

The observed shifts, especially the illustrations by Sokolov, show a strongly patronized Murli with a diva-attitude. It is concluded that the adopted translation strategy makes the text more suitable for a Russian-style gender socialization. Nevertheless, it is argued that also in its Russian Barbie-like disguise, Minoes can play a feminist role.

Meer informatie over de reeks Lage Landen Studies, vind je op de website van de uitgever.

Van Coillie, Jan & Kalla, Irena Barbara (red.). Minoes, Minnie, Minu en andere katse streken. De internationale receptie van Annie M.G. Schmidts Minoes. Gent: Academia Press, 2017. (= Lage Landen Studies 8)

 

Getagged , , , , , , , , , ,

‘Unexpectedly Moving’? An Inquiry into the Intermedial and International Trajectory of a Flemish Novel

unnamed Doing Double Dutch is the beautiful title of a freshly published volume, edited by Elke Brems, Orsolya Réthelyi and Ton van Kalmthout, about the international circulation of literature from the Low Countries.

It contains, in addition to theoretical and methodological chapters and among various case studies, a chapter on the intermedial and international trajectory of the Flemish novel The Misfortunates by Dimitri Verhulst, written by my colleagues Elke Brems, Stéphanie Vanasten and myself.

reetveerdegemIt is an attempt to explain what is so surprising about the international success of the novel by Verhulst and its screen adaptation by Felix van Groeningen. For that, we even had to explain the meaning of the so-called ‘anal triangle’, the geographical area between the Flemish municipalities Reet, Aartselaar and Kontich, to an international scholarly audience.

Below you can watch an interview by Jack Mc Martin with Dutch Studies scholar Marc van Oostendorp about the importance of the presented research.

Here and on the publisher’s website you can find more information about Doing Double Dutch:

“The importance of a minor language in the field of world literature
Dutch literature is increasingly understood as a network of texts and poetics connected to other languages and literatures through translations and adaptations. In this book, a team of international researchers explores how Dutch literary texts cross linguistic, historical, geophysical, political, religious, and disciplinary borders, and reflects on a wide range of methods for studying these myriad border crossings. As a result, this volume provides insight into the international dissemination of Dutch literature and the position of a smaller, less-translated language within the field of world literature.

The title Doing Double Dutch evokes a popular rope-skipping game in which two people turn two long jump ropes in opposite directions while a third person jumps them. A fitting metaphor for how literature circulates internationally: two dynamic spheres, the source culture and the target culture, engage one another in a complex pattern of movement resulting in a new literary work, translation, or adaptation formed somewhere in the middle.”

Contributors: Chiara Beltrami Gottmer (American International School of Rotterdam), Peter Boot (Huygens ING), Pieter Boulogne (KU Leuven), Elke Brems (KU Leuven), Michel De Dobbeleer (University of Ghent), Caroline de Westenholz (Louis Couperus Museum), Gillis Dorleijn (University of Groningen), Wilken Engelbrecht (Palacký University Olomouc), Veerle Fraeters (University of Antwerp), Maud Gonne (KU Leuven), Christine Hermann (University of Vienna), Peter Kegel (Huygens ING), Tessa Lobbes (Utrecht University), Marijke Meijer Drees (University of Groningen), Reine Meylaerts (KU Leuven), Marco Prandoni (University of Bologna), Marion Prinse (Utrecht University), Orsolya Réthelyi (Eötvös Loránd University Budapest, Huygens ING), Diana Sanz Roig (Universitat Pompeu Fabra), Rita Schlusemann (Utrecht University), Matthieu Sergier (Université Saint Louis Brussels), Natalia Stachura (Adam Mickiewicz University in Poznan), Janek Urbaniak (University of Wrocław), Stéphanie Vanasten (UCL Louvain-la-Neuve), Ton van Kalmthout (Huygens ING), Suzanne van Putten-Brons, Herbert Van Uffelen (University of Vienna), Marc van Zoggel (Huygens ING), Nico Wilterdink (University of Amsterdam).

Getagged , ,

Michaïl Sjisjkin: De kalligrafieles. Postmoderne trukendoos met humanistische inhoud

phpThumb_generated_thumbnailjpg.jpg

Over De kalligrafieles van Michaïl Sjisjkin (vert. Gerard Cruys). Querido, Amsterdam, 2016, ISBN 9789021404868 / 216p.

Michaïl Sjisjkin (1961) is in het Nederlandse taalgebied bekend als de Russische auteur van mooie, maar niet licht verteerbare romans als Venushaar (2015) en Onvoltooide liefdesbrieven (2013), die postmodernistische vormelijke trekken combineren met een humanistische grondtoon. In De kalligrafieles is dat niet anders, al toont Sjisjkin zich hier als schrijver van korte genres zoals het verhaal en het essay.

Het vertaalde boek ontleent zijn titel aan een bundel die in 2007 in Rusland verscheen, maar heeft een andere samenstelling – zo werd een vijftal recentere teksten toegevoegd. Deze redactionele ingreep is legitiem, want de schrijver blijft zichzelf in alle opgenomen schrijfsels trouw – of hij nu theoretiseert, een boekje opendoet over zijn eigen leven, fantaseert of geschiedenissen fictionaliseert. Verschillende filosofische thema’s en literaire motieven lopen over de grenzen van de verhalen heen. Hoewel Sjisjkin graag autobiografische elementen verwerkt in zijn prozateksten, met name zijn gezinsperikelen, is niet hijzelf het hoofdpersonage van deze bundel, maar wel zijn liefde voor het geschreven woord, voor literatuur. De vlag dekt dus de lading.

Literatuur is voor Sjisjkin geen spielerei, maar therapie, een reddingspoging, een ark. Zo denkt hij in het verhaal ‘Jas met halve ceintuur’ terug aan zijn overleden moeder, directrice op een Sovjetschool, die de Russische kinderen Aleksandr Poesjkin gaf bij wijze van ‘sleutel tot het behoud van de menselijkheid in dit gemartelde land’. Hun relatie was bezwaard omdat zij als partijlid opstellen over Leonid Brezjnev liet schrijven.

De school leerde ons, slavenkinderen, ons voor hen te vernederen. Als je iets wou bereiken, moest je de dode woorden van een dode taal leren uitspreken, waarin dat dode leven stagneerde en wegrotte.

Het titelverhaal, ‘De kalligrafieles’, gaat over een notulant in assisenzaken, een literaire nakomeling van Nikolaj Gogols kleine held Akaki Akekijevitsj, die vertroosting vindt in de schoonheid van de letters die hij schrijft:

En laat ze daar maar haten en doden, verraden en zichzelf ophangen – dit alles is slechts grondstof voor mijn schoonschrift, ruw materiaal voor esthetiek.

Aan de hand van literatuur kan een brug worden geslagen tussen verleden en heden, de doden en de levenden, maar ook tussen de levenden zelf, die elkaar in feite weinig kunnen vertellen als ze met elkaar in dezelfde ruimte zijn – zoals blijkt uit het intrigerende liefdesverhaal ‘De Campanile van Venetië’, over de weerbarstige Russische sociaal-revolutionair Lidija Kostjetkova (1872-1921) en haar iets gemoedelijkere Zwitser Fritz Brupbacher (1871-1945), wier huwelijk zich meer in hun brieven afspeelt dan erbuiten.

Sjisjkins liefde voor literatuur gaat hand in hand met zijn twijfel aan de mogelijkheid om te communiceren, zowel over de grenzen van talen heen als binnen eenzelfde taal. In het essay ‘De behouden tong’ thematiseert hij zijn verlangen naar een pure en heldere taal, en zijn angst dat die onmogelijk is:

De communicatie van een taal en het daarin geleefde leven maken van talen met een verschillend verleden niet-communicerende vaten. Het verleden dat in woorden leeft laat zich niet vertalen, zeker het Russische verleden, dat nooit een feit is maar altijd een argument in een eindeloze knokpartij. Elk woord afzonderlijk en alle woorden tezamen vergroten alleen maar de onmogelijkheid van intertalig begrip en horizontale communicatie.

Het feit dat we dit in de uitstekende vertaling lezen van Gerard Cruys, Sjisjkins waardige Nederlandse ambassadeur, geeft een ironische dimensie aan deze woorden die in het origineel ontbreekt.

In ‘Nabokovs inktpot’ wordt de kloof tussen de hogere wereld, die van de literatuur, en de andere wereld, de realiteit, op een onderhoudende, zelfs anekdotische manier toegelicht. De autobiografische hoofdpersoon komt in aanraking met de inktpot van zijn literaire idool, ‘waarover ik al die jaren had gedroomd dat ik hem zou aanraken’, wanneer hij bij wijze van bijverdienste loopjongen speelt voor een zelfingenomen corrupte Russische zakenman. Hoewel die een gebrek aan respect aan de dag legt voor het heiligdom der heiligdommen, de hotelkamer waar Vladimir Nabokov leefde en werkte, is de hoofdpersoon rouwig om zijn dood, die hij toevallig verneemt via de pers. De zakenman had namelijk een eigenschap die hem sympathiek maakte: zijn liefde voor zijn kind. ‘Het enige wat ertoe doet is dat er iemand geweest is voor wie jij het dierbaarste wezen in de hele wereld was.’

De bundel eindigt met het taalfilosofische essay ‘Een op de wand gekrast bootje’, dat niet zozeer vernieuwende ideeën bevat (veel inzichten vind je terug bij de Russische formalist Viktor Sjklovski), maar wel mooie formuleringen. Sjisjkin denkt hardop na over de realiteit die door literatuur wordt geschapen, en over de plaats die hij daarin inneemt. In de eerste plaats gaat het hem om de Russische literatuur, waarin hij ondanks zijn emigratie naar Zwitserland ruim twee decennia geleden nog altijd vasthangt:

De negentiende eeuw is de stam van de Russische literatuur. Daarna vertakt de boom zich. Elke nieuwe generatie schrijvers is het gebladerte dat afvalt in de herfst. Maar enkele scheuten blijven doorlopen. En in tegenstelling tot het gebladerte in de natuur kunnen schrijvers zelf een tak uitkiezen.

De tak van de Russische literatuur die Sjisjkin uitgekozen heeft, zit stevig vast aan de stam van de negentiende-eeuwse klassieken. Wat hij met hen gemeen heeft is vooral zijn humanisme, zijn liefde voor de mensen, voor zijn personages, die hij in zijn afsluitende essay ook thematiseert. Die liefde, die volgens hem bij schrijvers als James Joyce ontbreekt, is des te opvallender omdat hij zijn personages niet verbloemt. Ze zijn met moeite in staat tot communicatie, laat staan heldendaden, plegen overspel, proberen hun geliefden zo pijnlijk mogelijk te grieven, en sommigen helpen zelfs jonge hondjes te verdrinken omdat ze niets beters te doen hebben. Dankzij dit gruwelijke mensbeeld ben je bereid om Sjisjkin zijn sentimentalistische ontknopingen te vergeven, die voortkomen uit zijn welhaast religieuze literatuuropvatting:

De roman is een bootje. Je moet de woorden leven inblazen om het bootje echt te laten worden. Om erin te kunnen klimmen en weg te varen uit dit solitaire leven naar een plek waar we allemaal liefdevol worden verwelkomd.

Waarop Sjisjkins optimisme precies gebaseerd is en waarom wij hem daarin zouden moeten volgen, is een vraag die hijzelf ontwijkt. De pessimistische observaties van ons gedrag zijn overtuigender dan zijn mystieke conclusie dat het uiteindelijk goed gaat komen met ons.

Onder invloed van de lange traditie van censuur is in Rusland een ras lezers ontstaan dat niet alleen veel leest, maar ook tussen de lijnen kan lezen, verborgen motieven en knipoogjes opmerkt naar andere schrijvers. Dat is waarop Nabokov alludeerde toen hij in een van zijn befaamde lezingen pedant opmerkte:

In sentimental retrospect, the Russian reader of the past seems to me to be as much of a model for readers as Russian writers were models for writers in other tongues.

Sjisjkin behoort tot de Russische auteurs die deze traditie levend willen houden op een ietwat gechargeerde manier. Zijn teksten zijn doorspekt met allerhande, al dan niet enigmatische intertekstuele en historische allusies, die in combinatie met postmoderne trucs – zoals recyclage van andermans teksten, bruuske wisseling van vertellersperspectieven en tijdsprongen – de leesvaardigheid van de lezer op de proef stellen. Bij momenten krab je je in het haar, lijk je verzeild in een film van David Lynch, dan weer voel je vreugde omdat je in een passage over zonlicht door een sleutelgat allusies herkent, of denkt te herkennen, op de allegorie van de grot van Plato.

Om uit De kalligrafieles alles te halen wat erin is gestopt – wat niet noodzakelijk is om er iets aan te hebben – is behoorlijk wat eruditie vereist, in de eerste plaats op het gebied van de Russische cultuurgeschiedenis. Je moet op zijn minst weten wie Berichten uit Kolyma geschreven heeft, en wie Vysotski is, en idealiter ook waarom de tong van de zeventiende-eeuwse orthodoxe monnik Epiphanius uitgerukt werd, of wat de Zwarte Honderd zoal aanrichtte.

Voor slavisten ligt het meeste daarvan voor de hand, maar aangezien dat een uitstervend ras is, zou verhelderend commentaar in eind- of voetnoten geen overbodige luxe geweest zijn. Daarin voorziet deze uitgave niet. In het voorwoord legt Gerard Cruys wel uit dat de hoofdpersoon in het titelverhaal achtereenvolgens en zonder enige overgang in gesprek is met vrouwen die door een Russische lezer op basis van hun naam onmiddellijk herkend worden als personages uit bekende Russische klassieke werken (wat een beetje hetzelfde is als een mop uitleggen die nog verteld moet worden), maar na deze waarschuwing tot welke spelletjes Sjisjkin in staat is, moet de lezer het alleen redden. In feite valt er veel te zeggen voor dit gebrek aan betutteling, omdat we nu voor onze eigen lectuur verantwoordelijk worden gesteld. Wie een al dan niet Russisch historisch personage of fenomeen niet kan thuisbrengen, moet zelf maar aan de slag met internetencyclopedieën of andere naslagwerken.

Sjisjkin ligt er niet wakker van. In een interview antwoordde hij eens op het verwijt dat zijn teksten moeilijk te lezen zijn, met de opmerking dat ze ook moeilijk te schrijven zijn.

[recensie geschreven voor deReactor.org, ook gepubliceerd op Knack.be]

Getagged , , , , , ,

The transvaluation of indirect translation. Review of Geneviève Roche’s Les traductions-relais en Allemagne au XVIIIe siècle

9782271058515FS

The journal Translation Studies has just published a special issue on indirect translation (2017, 10:2), edited by Alexandra Assis Rosa, Hanna Pięta and Rita Bueno Maia. It includes my review of Geneviève Roche’s book Les traductions-relais en Allemagne au XVIIIe siècle. Des lettres aux sciences [Relay translation in Germany in the 18th century: from literature to science], amply providing with food for thought on the productive potential of indirect translation.

bookreview.png

 

 

Petitie van de Leuvense studenten tegen de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde

Studenten van de Leuvense faculteit Letteren hebben vorige week op eigen initiatief een petitie gelanceerd tegen de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde aan de KU Leuven:

Untitled.png

Fjodor Sologoeb: ‘Een grijze homunculus…’ (1899)

Drie illustraties van Mstislav Doboezjinski (1875-1957) bij De kleine demon (Melkij bes, 1906-1907) van Fjodor Sologoeb (1863-1927)
Недотыкомка серая

Всё вокруг меня вьется да вертится,-

То не Лихо ль со мною очертится

Во единый погибельный круг?

 

Недотыкомка серая

Истомила коварной улыбкою,

Истомила присядкою зыбкою, —

Помоги мне, таинственный друг!

 

Недотыкомку серую

Отгони ты волшебными чарами,

Или наотмашь, что ли, ударами,

Или словом заветным каким.

 

Недотыкомку серую

Хоть со мной умертви ты, ехидную,

Чтоб она хоть в тоску панихидную

Не ругалась над прахом моим.

 

(1 октября 1899)

Een grijze homunculus

is alsmaar rond mij aan het kringelen –

is het een demon die mij wil omsingelen

met zichzelf in één noodlottige kring?

 

Een grijze homunculus

heeft me met zijn vals lachje gekraakt,

me met zijn hurkdansjes moe gemaakt –

geheime vriend, wees mijn redding!

 

Die grijze homunculus

moet gij met uw toverkracht verjagen,

of anders met uw loeiharde slagen,

of met een woord dat gij kent.

 

Die grijze homunculus

moet gij vermoorden, mij erbij desnoods,

zodat mijn as tijdens mijn mis des doods

door dat venijn niet wordt gejend.

 

(1 oktober 1899)

Getagged ,

Vlaams minister van Onderwijs krijgt parlementaire vraag over de opschorting van Slavistiek

Tijdens de commissievergadering van het Vlaams Parlement van 19 januari 2017 kreeg de minister van onderwijs Hilde Crevits (CD&V) van Paul Cordy (N-VA), Tine Soens (sp·a) en Ann Brusseel (Open Vld) vragen over de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde (KU Leuven).

“Paul Cordy (N-VA)
We konden vernemen dat de faculteit Letteren van de KU Leuven volgend academiejaar de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde schrapt. De redenen daarvoor zijn een tekort aan studenten – er zijn er slechts twaalf – maar ook de ontoereikende financiering voor de hele faculteit, die dan leidt tot een herstelplan waarbij natuurlijk de kleintjes sneuvelen.

Op zich zou je kunnen zeggen dat een kleine richting niet zo erg is. Anderzijds is de expertise qua taalkunde, economische kennis enzovoort, die in een richting Oost-Europakunde wordt opgebouwd, voor onze samenleving toch niet onbelangrijk. Het gaat om een voor ons zeer belangrijke regio. We moeten erover waken dat dit fenomeen niet zal uitbreiden naar andere kleine opleidingen, bijvoorbeeld Arabistiek. Op die manier verliest onze samenleving toch heel wat kennis, vooral omdat die dan verspreid geraakt.

Ik weet dat universiteiten zelf bepalen welke opleidingen ze aanbieden, maar er bestaat toch een bezorgdheid. We mogen die expertise niet verloren laten gaan.

Hoe kunnen we erover waken dat opleidingen die niet voldoen aan de rendementseisen van het marktdenken, maar toch een intellectuele verrijking bieden én een specifieke expertise opleveren, blijvend kunnen worden aangeboden?”

[…]

“Tine Soens (sp·a)
Minister, ik heb dit probleem al eerder in deze commissie aangekaart, ik denk een tweetal jaar geleden. Helaas is mijn vrees van toen nu ook uitgekomen. Een van de opleidingen waarnaar ik toen in mijn vraag verwees, de opleiding Slavistiek, zou nu worden afgeschaft of bevroren.

Het interne allocatiemodel werd toen aangehaald als een mogelijk probleem. Als ik me niet vergis, zou daar een evaluatie van worden gepland. Hoe zit het daarmee? Ik wil vanuit onze fractie er de aandacht op vestigen dat mensen die worden opgeleid in en kennis hebben van een regio, met bijvoorbeeld een focus op Rusland of de Arabische wereld, vandaag steeds belangrijker worden. Ik neem er even mijn andere commissie, die van Buitenlands Beleid, bij. Dan zie ik dat wij dergelijke mensen zeker nodig hebben om wat er vandaag in de wereld allemaal aan het gebeuren is, te kunnen plaatsen. Ook al zijn het kleine richtingen, ze zijn wel van maatschappelijk groot belang. Ik pleit ervoor dat we er aandacht voor hebben dat dergelijke expertise in Vlaanderen niet verloren gaat.”

[…]

“Ann Brusseel (Open Vld)
Minister, het is inderdaad de verantwoordelijkheid van de universiteiten. Ze organiseren hun studieaanbod zelf. Het kan interessant zijn om hierover van gedachten te wisselen met de universiteit in kwestie, zeker haar zeer mooie slogan indachtig: ‘Ontdek jezelf. Begin bij de wereld.’ Als men verder gaat om in de Letteren en Wijsbegeerte zo het mes te zetten, zou dat kunnen verworden tot: ‘Ontdek jezelf. Begin bij West-Europa.’ Zoals collega Soens zegt, moeten we in Vlaanderen voldoende experten opleiden om de wereld te kunnen begrijpen. Mijn Chinees is niet afdoende en ik heb me zo zwaar verdiept in het Latijn, maar geen kat spreekt dat nog op aarde. Dat valt een beetje tegen dan.

De klacht die mij bereikte van de studentenvertegenwoordigers, is ergens terecht. De Codex Hoger Onderwijs stelt nochtans wel dat het strategisch beleid van een instelling een punt van participatie is van de studenten. Nu zijn ze ingelicht nadat de beslissing genomen werd. Dat is een beetje spijtig. Daarom zijn zij teleurgesteld.

Een ander probleem dat ik wil aankaarten, is dat bepaalde faculteiten wat sneller onder de loep genomen worden voor bezuinigingen dan andere. Ik vind elke faculteit evenwaardig, ook deze die op het eerste gezicht minder economisch rendement opleveren maar die indirect wel renderen. Het is gemakkelijk om u te richten op toegepaste wetenschappen of om economische faculteiten beter te steunen, maar de geesteswetenschappen zouden zich niet telkens zo zwaar moeten verantwoorden voor het feit dat ze ook aan kennis doen.

Ik zie in een documentje dat ik kreeg, dat er niet alleen in slavistiek wordt gesnoeid maar ook in archeologie, musicologie en algemene taalwetenschap en dat er bijvoorbeeld geen opvolging komt voor een deeltijds ambt Griekse taalkunde. Griekse taalkunde is niet zo eenvoudig, beste collega’s. Het deed mijn hart een beetje bloeden dat opnieuw de Letteren en Wijsbegeerte slagen krijgt. Daarom denk ik dat het interessant is om daarover te praten.”

Bron: https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/1105129/verslag/1107849https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/1105129/verslag/1107849

 

Kerstboodschap: De Twaalf

Vanavond en morgen vieren velen onder ons Kerstavond en Kerstmis (de Russen nog niet, die hebben meer geduld). Het is een dag waarop we de wapens neerleggen, waarop we ons bezinnen over het geweld …

Bron: Kerstboodschap: De Twaalf

Opiniestuk Taal- en Regiostudies: Het afschaffen van de richting Slavistiek is tekenend voor de krimpende Vlaamse blik

Bron: De Morgen Arabisten, Japanologen, Sinologen en Slavisten van de KU Leuven laten hun stem horen naar aanleiding van het afschaffen van de richting Slavistiek en Oost-Europakunde. 23 december 2…

Bron: Opiniestuk Taal-en Regiostudies: Het afschaffen van de richting Slavistiek is tekenend voor de krimpende Vlaamse blik