‘Unexpectedly Moving’? An Inquiry into the Intermedial and International Trajectory of a Flemish Novel

unnamed Doing Double Dutch is the beautiful title of a freshly published volume, edited by Elke Brems, Orsolya Réthelyi and Ton van Kalmthout, about the international circulation of literature from the Low Countries.

It contains, in addition to theoretical and methodological chapters and among various case studies, a chapter on the intermedial and international trajectory of the Flemish novel The Misfortunates by Dimitri Verhulst, written by my colleagues Elke Brems, Stéphanie Vanasten and myself.

reetveerdegemIt is an attempt to explain what is so surprising about the international success of the novel by Verhulst and its screen adaptation by Felix van Groeningen. For that, we even had to explain the meaning of the so-called ‘anal triangle’, the geographical area between the Flemish municipalities Reet, Aartselaar and Kontich, to an international scholarly audience.

Below you can watch an interview by Jack Mc Martin with Dutch Studies scholar Marc van Oostendorp about the importance of the presented research.

Here and on the publisher’s website you can find more information about Doing Double Dutch:

“The importance of a minor language in the field of world literature
Dutch literature is increasingly understood as a network of texts and poetics connected to other languages and literatures through translations and adaptations. In this book, a team of international researchers explores how Dutch literary texts cross linguistic, historical, geophysical, political, religious, and disciplinary borders, and reflects on a wide range of methods for studying these myriad border crossings. As a result, this volume provides insight into the international dissemination of Dutch literature and the position of a smaller, less-translated language within the field of world literature.

The title Doing Double Dutch evokes a popular rope-skipping game in which two people turn two long jump ropes in opposite directions while a third person jumps them. A fitting metaphor for how literature circulates internationally: two dynamic spheres, the source culture and the target culture, engage one another in a complex pattern of movement resulting in a new literary work, translation, or adaptation formed somewhere in the middle.”

Contributors: Chiara Beltrami Gottmer (American International School of Rotterdam), Peter Boot (Huygens ING), Pieter Boulogne (KU Leuven), Elke Brems (KU Leuven), Michel De Dobbeleer (University of Ghent), Caroline de Westenholz (Louis Couperus Museum), Gillis Dorleijn (University of Groningen), Wilken Engelbrecht (Palacký University Olomouc), Veerle Fraeters (University of Antwerp), Maud Gonne (KU Leuven), Christine Hermann (University of Vienna), Peter Kegel (Huygens ING), Tessa Lobbes (Utrecht University), Marijke Meijer Drees (University of Groningen), Reine Meylaerts (KU Leuven), Marco Prandoni (University of Bologna), Marion Prinse (Utrecht University), Orsolya Réthelyi (Eötvös Loránd University Budapest, Huygens ING), Diana Sanz Roig (Universitat Pompeu Fabra), Rita Schlusemann (Utrecht University), Matthieu Sergier (Université Saint Louis Brussels), Natalia Stachura (Adam Mickiewicz University in Poznan), Janek Urbaniak (University of Wrocław), Stéphanie Vanasten (UCL Louvain-la-Neuve), Ton van Kalmthout (Huygens ING), Suzanne van Putten-Brons, Herbert Van Uffelen (University of Vienna), Marc van Zoggel (Huygens ING), Nico Wilterdink (University of Amsterdam).

Getagged , ,

Michaïl Sjisjkin: De kalligrafieles. Postmoderne trukendoos met humanistische inhoud

phpThumb_generated_thumbnailjpg.jpg

Over De kalligrafieles van Michaïl Sjisjkin (vert. Gerard Cruys). Querido, Amsterdam, 2016, ISBN 9789021404868 / 216p.

Michaïl Sjisjkin (1961) is in het Nederlandse taalgebied bekend als de Russische auteur van mooie, maar niet licht verteerbare romans als Venushaar (2015) en Onvoltooide liefdesbrieven (2013), die postmodernistische vormelijke trekken combineren met een humanistische grondtoon. In De kalligrafieles is dat niet anders, al toont Sjisjkin zich hier als schrijver van korte genres zoals het verhaal en het essay.

Het vertaalde boek ontleent zijn titel aan een bundel die in 2007 in Rusland verscheen, maar heeft een andere samenstelling – zo werd een vijftal recentere teksten toegevoegd. Deze redactionele ingreep is legitiem, want de schrijver blijft zichzelf in alle opgenomen schrijfsels trouw – of hij nu theoretiseert, een boekje opendoet over zijn eigen leven, fantaseert of geschiedenissen fictionaliseert. Verschillende filosofische thema’s en literaire motieven lopen over de grenzen van de verhalen heen. Hoewel Sjisjkin graag autobiografische elementen verwerkt in zijn prozateksten, met name zijn gezinsperikelen, is niet hijzelf het hoofdpersonage van deze bundel, maar wel zijn liefde voor het geschreven woord, voor literatuur. De vlag dekt dus de lading.

Literatuur is voor Sjisjkin geen spielerei, maar therapie, een reddingspoging, een ark. Zo denkt hij in het verhaal ‘Jas met halve ceintuur’ terug aan zijn overleden moeder, directrice op een Sovjetschool, die de Russische kinderen Aleksandr Poesjkin gaf bij wijze van ‘sleutel tot het behoud van de menselijkheid in dit gemartelde land’. Hun relatie was bezwaard omdat zij als partijlid opstellen over Leonid Brezjnev liet schrijven.

De school leerde ons, slavenkinderen, ons voor hen te vernederen. Als je iets wou bereiken, moest je de dode woorden van een dode taal leren uitspreken, waarin dat dode leven stagneerde en wegrotte.

Het titelverhaal, ‘De kalligrafieles’, gaat over een notulant in assisenzaken, een literaire nakomeling van Nikolaj Gogols kleine held Akaki Akekijevitsj, die vertroosting vindt in de schoonheid van de letters die hij schrijft:

En laat ze daar maar haten en doden, verraden en zichzelf ophangen – dit alles is slechts grondstof voor mijn schoonschrift, ruw materiaal voor esthetiek.

Aan de hand van literatuur kan een brug worden geslagen tussen verleden en heden, de doden en de levenden, maar ook tussen de levenden zelf, die elkaar in feite weinig kunnen vertellen als ze met elkaar in dezelfde ruimte zijn – zoals blijkt uit het intrigerende liefdesverhaal ‘De Campanile van Venetië’, over de weerbarstige Russische sociaal-revolutionair Lidija Kostjetkova (1872-1921) en haar iets gemoedelijkere Zwitser Fritz Brupbacher (1871-1945), wier huwelijk zich meer in hun brieven afspeelt dan erbuiten.

Sjisjkins liefde voor literatuur gaat hand in hand met zijn twijfel aan de mogelijkheid om te communiceren, zowel over de grenzen van talen heen als binnen eenzelfde taal. In het essay ‘De behouden tong’ thematiseert hij zijn verlangen naar een pure en heldere taal, en zijn angst dat die onmogelijk is:

De communicatie van een taal en het daarin geleefde leven maken van talen met een verschillend verleden niet-communicerende vaten. Het verleden dat in woorden leeft laat zich niet vertalen, zeker het Russische verleden, dat nooit een feit is maar altijd een argument in een eindeloze knokpartij. Elk woord afzonderlijk en alle woorden tezamen vergroten alleen maar de onmogelijkheid van intertalig begrip en horizontale communicatie.

Het feit dat we dit in de uitstekende vertaling lezen van Gerard Cruys, Sjisjkins waardige Nederlandse ambassadeur, geeft een ironische dimensie aan deze woorden die in het origineel ontbreekt.

In ‘Nabokovs inktpot’ wordt de kloof tussen de hogere wereld, die van de literatuur, en de andere wereld, de realiteit, op een onderhoudende, zelfs anekdotische manier toegelicht. De autobiografische hoofdpersoon komt in aanraking met de inktpot van zijn literaire idool, ‘waarover ik al die jaren had gedroomd dat ik hem zou aanraken’, wanneer hij bij wijze van bijverdienste loopjongen speelt voor een zelfingenomen corrupte Russische zakenman. Hoewel die een gebrek aan respect aan de dag legt voor het heiligdom der heiligdommen, de hotelkamer waar Vladimir Nabokov leefde en werkte, is de hoofdpersoon rouwig om zijn dood, die hij toevallig verneemt via de pers. De zakenman had namelijk een eigenschap die hem sympathiek maakte: zijn liefde voor zijn kind. ‘Het enige wat ertoe doet is dat er iemand geweest is voor wie jij het dierbaarste wezen in de hele wereld was.’

De bundel eindigt met het taalfilosofische essay ‘Een op de wand gekrast bootje’, dat niet zozeer vernieuwende ideeën bevat (veel inzichten vind je terug bij de Russische formalist Viktor Sjklovski), maar wel mooie formuleringen. Sjisjkin denkt hardop na over de realiteit die door literatuur wordt geschapen, en over de plaats die hij daarin inneemt. In de eerste plaats gaat het hem om de Russische literatuur, waarin hij ondanks zijn emigratie naar Zwitserland ruim twee decennia geleden nog altijd vasthangt:

De negentiende eeuw is de stam van de Russische literatuur. Daarna vertakt de boom zich. Elke nieuwe generatie schrijvers is het gebladerte dat afvalt in de herfst. Maar enkele scheuten blijven doorlopen. En in tegenstelling tot het gebladerte in de natuur kunnen schrijvers zelf een tak uitkiezen.

De tak van de Russische literatuur die Sjisjkin uitgekozen heeft, zit stevig vast aan de stam van de negentiende-eeuwse klassieken. Wat hij met hen gemeen heeft is vooral zijn humanisme, zijn liefde voor de mensen, voor zijn personages, die hij in zijn afsluitende essay ook thematiseert. Die liefde, die volgens hem bij schrijvers als James Joyce ontbreekt, is des te opvallender omdat hij zijn personages niet verbloemt. Ze zijn met moeite in staat tot communicatie, laat staan heldendaden, plegen overspel, proberen hun geliefden zo pijnlijk mogelijk te grieven, en sommigen helpen zelfs jonge hondjes te verdrinken omdat ze niets beters te doen hebben. Dankzij dit gruwelijke mensbeeld ben je bereid om Sjisjkin zijn sentimentalistische ontknopingen te vergeven, die voortkomen uit zijn welhaast religieuze literatuuropvatting:

De roman is een bootje. Je moet de woorden leven inblazen om het bootje echt te laten worden. Om erin te kunnen klimmen en weg te varen uit dit solitaire leven naar een plek waar we allemaal liefdevol worden verwelkomd.

Waarop Sjisjkins optimisme precies gebaseerd is en waarom wij hem daarin zouden moeten volgen, is een vraag die hijzelf ontwijkt. De pessimistische observaties van ons gedrag zijn overtuigender dan zijn mystieke conclusie dat het uiteindelijk goed gaat komen met ons.

Onder invloed van de lange traditie van censuur is in Rusland een ras lezers ontstaan dat niet alleen veel leest, maar ook tussen de lijnen kan lezen, verborgen motieven en knipoogjes opmerkt naar andere schrijvers. Dat is waarop Nabokov alludeerde toen hij in een van zijn befaamde lezingen pedant opmerkte:

In sentimental retrospect, the Russian reader of the past seems to me to be as much of a model for readers as Russian writers were models for writers in other tongues.

Sjisjkin behoort tot de Russische auteurs die deze traditie levend willen houden op een ietwat gechargeerde manier. Zijn teksten zijn doorspekt met allerhande, al dan niet enigmatische intertekstuele en historische allusies, die in combinatie met postmoderne trucs – zoals recyclage van andermans teksten, bruuske wisseling van vertellersperspectieven en tijdsprongen – de leesvaardigheid van de lezer op de proef stellen. Bij momenten krab je je in het haar, lijk je verzeild in een film van David Lynch, dan weer voel je vreugde omdat je in een passage over zonlicht door een sleutelgat allusies herkent, of denkt te herkennen, op de allegorie van de grot van Plato.

Om uit De kalligrafieles alles te halen wat erin is gestopt – wat niet noodzakelijk is om er iets aan te hebben – is behoorlijk wat eruditie vereist, in de eerste plaats op het gebied van de Russische cultuurgeschiedenis. Je moet op zijn minst weten wie Berichten uit Kolyma geschreven heeft, en wie Vysotski is, en idealiter ook waarom de tong van de zeventiende-eeuwse orthodoxe monnik Epiphanius uitgerukt werd, of wat de Zwarte Honderd zoal aanrichtte.

Voor slavisten ligt het meeste daarvan voor de hand, maar aangezien dat een uitstervend ras is, zou verhelderend commentaar in eind- of voetnoten geen overbodige luxe geweest zijn. Daarin voorziet deze uitgave niet. In het voorwoord legt Gerard Cruys wel uit dat de hoofdpersoon in het titelverhaal achtereenvolgens en zonder enige overgang in gesprek is met vrouwen die door een Russische lezer op basis van hun naam onmiddellijk herkend worden als personages uit bekende Russische klassieke werken (wat een beetje hetzelfde is als een mop uitleggen die nog verteld moet worden), maar na deze waarschuwing tot welke spelletjes Sjisjkin in staat is, moet de lezer het alleen redden. In feite valt er veel te zeggen voor dit gebrek aan betutteling, omdat we nu voor onze eigen lectuur verantwoordelijk worden gesteld. Wie een al dan niet Russisch historisch personage of fenomeen niet kan thuisbrengen, moet zelf maar aan de slag met internetencyclopedieën of andere naslagwerken.

Sjisjkin ligt er niet wakker van. In een interview antwoordde hij eens op het verwijt dat zijn teksten moeilijk te lezen zijn, met de opmerking dat ze ook moeilijk te schrijven zijn.

[recensie geschreven voor deReactor.org, ook gepubliceerd op Knack.be]

Getagged , , , , , ,

The transvaluation of indirect translation. Review of Geneviève Roche’s Les traductions-relais en Allemagne au XVIIIe siècle

9782271058515FS

The journal Translation Studies has just published a special issue on indirect translation (2017, 10:2), edited by Alexandra Assis Rosa, Hanna Pięta and Rita Bueno Maia. It includes my review of Geneviève Roche’s book Les traductions-relais en Allemagne au XVIIIe siècle. Des lettres aux sciences [Relay translation in Germany in the 18th century: from literature to science], amply providing with food for thought on the productive potential of indirect translation.

bookreview.png

 

 

Petitie van de Leuvense studenten tegen de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde

Studenten van de Leuvense faculteit Letteren hebben vorige week op eigen initiatief een petitie gelanceerd tegen de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde aan de KU Leuven:

Untitled.png

Fjodor Sologoeb: ‘Een grijze homunculus…’ (1899)

Drie illustraties van Mstislav Doboezjinski (1875-1957) bij De kleine demon (Melkij bes, 1906-1907) van Fjodor Sologoeb (1863-1927)
Недотыкомка серая

Всё вокруг меня вьется да вертится,-

То не Лихо ль со мною очертится

Во единый погибельный круг?

 

Недотыкомка серая

Истомила коварной улыбкою,

Истомила присядкою зыбкою, —

Помоги мне, таинственный друг!

 

Недотыкомку серую

Отгони ты волшебными чарами,

Или наотмашь, что ли, ударами,

Или словом заветным каким.

 

Недотыкомку серую

Хоть со мной умертви ты, ехидную,

Чтоб она хоть в тоску панихидную

Не ругалась над прахом моим.

 

(1 октября 1899)

Een grijze homunculus

is alsmaar rond mij aan het kringelen –

is het een demon die mij wil omsingelen

met zichzelf in één noodlottige kring?

 

Een grijze homunculus

heeft me met zijn vals lachje gekraakt,

me met zijn hurkdansjes moe gemaakt –

geheime vriend, wees mijn redding!

 

Die grijze homunculus

moet gij met uw toverkracht verjagen,

of anders met uw loeiharde slagen,

of met een woord dat gij kent.

 

Die grijze homunculus

moet gij vermoorden, mij erbij desnoods,

zodat mijn as tijdens mijn mis des doods

door dat venijn niet wordt gejend.

 

(1 oktober 1899)

Getagged ,

Vlaams minister van Onderwijs krijgt parlementaire vraag over de opschorting van Slavistiek

Tijdens de commissievergadering van het Vlaams Parlement van 19 januari 2017 kreeg de minister van onderwijs Hilde Crevits (CD&V) van Paul Cordy (N-VA), Tine Soens (sp·a) en Ann Brusseel (Open Vld) vragen over de opschorting van de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde (KU Leuven).

“Paul Cordy (N-VA)
We konden vernemen dat de faculteit Letteren van de KU Leuven volgend academiejaar de opleiding Slavistiek en Oost-Europakunde schrapt. De redenen daarvoor zijn een tekort aan studenten – er zijn er slechts twaalf – maar ook de ontoereikende financiering voor de hele faculteit, die dan leidt tot een herstelplan waarbij natuurlijk de kleintjes sneuvelen.

Op zich zou je kunnen zeggen dat een kleine richting niet zo erg is. Anderzijds is de expertise qua taalkunde, economische kennis enzovoort, die in een richting Oost-Europakunde wordt opgebouwd, voor onze samenleving toch niet onbelangrijk. Het gaat om een voor ons zeer belangrijke regio. We moeten erover waken dat dit fenomeen niet zal uitbreiden naar andere kleine opleidingen, bijvoorbeeld Arabistiek. Op die manier verliest onze samenleving toch heel wat kennis, vooral omdat die dan verspreid geraakt.

Ik weet dat universiteiten zelf bepalen welke opleidingen ze aanbieden, maar er bestaat toch een bezorgdheid. We mogen die expertise niet verloren laten gaan.

Hoe kunnen we erover waken dat opleidingen die niet voldoen aan de rendementseisen van het marktdenken, maar toch een intellectuele verrijking bieden én een specifieke expertise opleveren, blijvend kunnen worden aangeboden?”

[…]

“Tine Soens (sp·a)
Minister, ik heb dit probleem al eerder in deze commissie aangekaart, ik denk een tweetal jaar geleden. Helaas is mijn vrees van toen nu ook uitgekomen. Een van de opleidingen waarnaar ik toen in mijn vraag verwees, de opleiding Slavistiek, zou nu worden afgeschaft of bevroren.

Het interne allocatiemodel werd toen aangehaald als een mogelijk probleem. Als ik me niet vergis, zou daar een evaluatie van worden gepland. Hoe zit het daarmee? Ik wil vanuit onze fractie er de aandacht op vestigen dat mensen die worden opgeleid in en kennis hebben van een regio, met bijvoorbeeld een focus op Rusland of de Arabische wereld, vandaag steeds belangrijker worden. Ik neem er even mijn andere commissie, die van Buitenlands Beleid, bij. Dan zie ik dat wij dergelijke mensen zeker nodig hebben om wat er vandaag in de wereld allemaal aan het gebeuren is, te kunnen plaatsen. Ook al zijn het kleine richtingen, ze zijn wel van maatschappelijk groot belang. Ik pleit ervoor dat we er aandacht voor hebben dat dergelijke expertise in Vlaanderen niet verloren gaat.”

[…]

“Ann Brusseel (Open Vld)
Minister, het is inderdaad de verantwoordelijkheid van de universiteiten. Ze organiseren hun studieaanbod zelf. Het kan interessant zijn om hierover van gedachten te wisselen met de universiteit in kwestie, zeker haar zeer mooie slogan indachtig: ‘Ontdek jezelf. Begin bij de wereld.’ Als men verder gaat om in de Letteren en Wijsbegeerte zo het mes te zetten, zou dat kunnen verworden tot: ‘Ontdek jezelf. Begin bij West-Europa.’ Zoals collega Soens zegt, moeten we in Vlaanderen voldoende experten opleiden om de wereld te kunnen begrijpen. Mijn Chinees is niet afdoende en ik heb me zo zwaar verdiept in het Latijn, maar geen kat spreekt dat nog op aarde. Dat valt een beetje tegen dan.

De klacht die mij bereikte van de studentenvertegenwoordigers, is ergens terecht. De Codex Hoger Onderwijs stelt nochtans wel dat het strategisch beleid van een instelling een punt van participatie is van de studenten. Nu zijn ze ingelicht nadat de beslissing genomen werd. Dat is een beetje spijtig. Daarom zijn zij teleurgesteld.

Een ander probleem dat ik wil aankaarten, is dat bepaalde faculteiten wat sneller onder de loep genomen worden voor bezuinigingen dan andere. Ik vind elke faculteit evenwaardig, ook deze die op het eerste gezicht minder economisch rendement opleveren maar die indirect wel renderen. Het is gemakkelijk om u te richten op toegepaste wetenschappen of om economische faculteiten beter te steunen, maar de geesteswetenschappen zouden zich niet telkens zo zwaar moeten verantwoorden voor het feit dat ze ook aan kennis doen.

Ik zie in een documentje dat ik kreeg, dat er niet alleen in slavistiek wordt gesnoeid maar ook in archeologie, musicologie en algemene taalwetenschap en dat er bijvoorbeeld geen opvolging komt voor een deeltijds ambt Griekse taalkunde. Griekse taalkunde is niet zo eenvoudig, beste collega’s. Het deed mijn hart een beetje bloeden dat opnieuw de Letteren en Wijsbegeerte slagen krijgt. Daarom denk ik dat het interessant is om daarover te praten.”

Bron: https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/1105129/verslag/1107849https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/1105129/verslag/1107849

 

Kerstboodschap: De Twaalf

Vanavond en morgen vieren velen onder ons Kerstavond en Kerstmis (de Russen nog niet, die hebben meer geduld). Het is een dag waarop we de wapens neerleggen, waarop we ons bezinnen over het geweld …

Bron: Kerstboodschap: De Twaalf

Opiniestuk Taal- en Regiostudies: Het afschaffen van de richting Slavistiek is tekenend voor de krimpende Vlaamse blik

Bron: De Morgen Arabisten, Japanologen, Sinologen en Slavisten van de KU Leuven laten hun stem horen naar aanleiding van het afschaffen van de richting Slavistiek en Oost-Europakunde. 23 december 2…

Bron: Opiniestuk Taal-en Regiostudies: Het afschaffen van de richting Slavistiek is tekenend voor de krimpende Vlaamse blik

Laten we praten, geachte rector, over onze toekomstige studenten die kiezen voor de wereld

Citaat uit De Standaard: “We doen een poging om de vakken en de inhoud van de opleiding slavistiek aantrekkelijker te maken’, zegt Torfs. ‘In de huidige vorm trekken zij niet veel studenten m…

Bron: Laten we praten, geachte rector, over onze toekomstige studenten die kiezen voor de wereld

Our students in documentary Checkpoint Rusland

In the new documentary of Jan Balliauw, Checkpoint Rusland, four of our students, Charlotte, Hanne, Yaël en Thijs, give their views on the current situation. As true region specialist and Erasmus s…

Bron: Our students in documentary Checkpoint Rusland

Interview met Radio 1 over afschaffing van Slavistiek aan KU Leuven

kuleuven Herbeluister het interview van Pieter Boulogne over de afschaffing van Slavistiek aan de KU Leuven in het kader van radioprogramma De wereld vandaag op Radio 1.

#ontdekjezelfbeginbijwesteuropa

Finis slavisticae

Droef nieuws: op 20 december 2016 werd op een bijzondere vergadering van de Leuvense Faculteit Letteren de beslissing bekendgemaakt om in het kader van het facultaire herstelplan de opleiding Slavi…

Bron: Finis slavisticae

Paustovski is dood, lang leve Paustovski! Recensie van Goudzand

phpThumb_generated_thumbnailjpg.jpgGoudzand. Verhalen, dagboeken en brieven van Konstantin Paustovski (vert. Wim Hartog). G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2016, ISBN 9789028261228 / 670p.

De auteur is dood

Konstantin Paustovski is gestorven in 1968. De ironie van het lot wil dat Roland Barthes in datzelfde jaar zijn beroemde essay ‘La mort de l’auteur’ publiceerde, waarin hij breekt met de tendens van literatuurwetenschappers om boeken te interpreteren vanuit de biografie van de auteur. In het geval van Paustovski is deze neiging nochtans zeer te begrijpen en wellicht zelfs onvermijdelijk. De Sovjetschrijver dankt zijn faam namelijk aan zijn memoires. Met zijn zesdelige biografie Verhaal van een leven, dat door hedendaagse literatuurwetenschappers wordt gelabeld als neosentimentalisme, veroverde hij vanaf de jaren zestig de harten van Nederlandse en Vlaamse lezers.

Een mooi bewijs van de interesse die Paustovski’s lezers voor zijn persoon ontwikkelen, is de Nederlands-Belgische fanclub die al twee decennia actief is. De Vereniging Konstantin Paustovskij is niet alleen een leesgroep, maar organiseert ook reizen naar plaatsen waar Paustovski, een verstokt reiziger, heeft vertoeft. Zo stond in 2015 een reis op het programma met de naam ‘De Krim en Moskou, bezoek aan plekken waar Paustovskij graag werkte en verbleef’. Alsof dat nog niet genoeg was, krijgt Barthes van uitgeverij Van Oorschot een nieuwe gelegenheid om zich om te keren in zijn graf. De nieuw samengestelde, dikke turf Goudzand draait namelijk van a tot z om de persoon van Paustovski. De auteur wordt tot leven gewekt aan de hand van een groot aantal chronologisch gerangschikte verhalen, dagboekaantekeningen en brieven van zijn hand, waarvan het gros nu voor het eerst in vertaling verschijnt.

Goudzand opent met ‘In het kort iets over mezelf’. Deze drie bladzijden vormen meteen een uitzondering op de regel dat de geselecteerde teksten chronologisch worden geordend en zijn voorzien van duidelijke datering. Hoewel Paustovski deze tekst al in 1937 publiceerde (maar dat kom je in Goudzand niet te weten), toen zijn leven nog voor hem lag, is die uitstekend bruikbaar als voorwoord bij deze bloemlezing. Het thema is namelijk ‘het verhaal van je leven’, dat je als schrijver ‘beetje bij beetje in je boeken verstrooit’. Bovendien vat deze tekst de familiale voorgeschiedenis van de protagonist samen en worden, in dezelfde adem, enkele belangrijke thema’s van Goudzand aangereikt: de houding van de schrijver tegenover revolutie en oorlog, reizen en schrijven.

Het ‘vrouwelijke element’

Wel ontbreekt in het voorwoord de aankondiging van de rode draad die Paustovski’s zoon Vadim ‘het vrouwelijke element’ noemt: de lyrische verliefdheden waarin de onverbeterlijke romanticus zich wentelt. Soms zijn ze aandoenlijk, zoals wanneer hij via de verpleging briefjes bezorgt aan zijn gehospitaliseerde echtgenote, maar op andere momenten zijn ze een beetje misselijkmakend (‘Je twijfelt alsmaar of ik wel genoeg van je hou terwijl ik niet eens in woorden weet uit te drukken hoe oneindig veel en aandoenlijk ik van jou hou, mijn tedere vrouw en de enige mens die ik heb op de wereld’). Niets menselijks is Paustovski vreemd – op overspel volgt behalve zelfkastijding ook zelfrechtvaardiging. Op bejaarde leeftijd inspireren Italiaanse nonnetjes Paustovski tot de aantekening:

De jonge nonnen deden schuchter aan en moesten vaak blozen. Zelfs van een korte maar nadrukkelijke mannenblik liepen zij al rood aan en kregen zij een extatische glans in hun ogen.

De drie vrouwen met wie Paustovski getrouwd is geweest, respectievelijk Jekaterina Zagorskaja (‘mijn lieve, kleine Krol’), Valeria Vasiljevskaja (‘mijn klein lief diertje’) en Tatjana Jevtejeva (‘Tanjoesja, mijn vreugde’), spelen niet alleen een centrale rol in de brieven van Goudzand zelf, aan hen heeft het boek ook zijn opdeling in drie delen te danken, die overeenstemmen met de periodes 1914-1935, 1936-1948 respectievelijk 1950-1968.

Oorlogen

De eerste teksten van het eerste deel spelen zich af in 1914, toen Paustovski nog maar tweeëntwintig jaar oud was. Hij dient als ziekenverzorger. De Wereldoorlog bestaat in eerste instantie uit poëtische indrukken (‘een koude, heldere zonsondergang die de beschadigde gebouwen liefkoost’), boeken, films, theekransjes en flirts met verpleegsters, tot hij in 1915 zijn ware gelaat laat zien:

Daarna verbonden wij een jongetje. Hij lag op een van de bedden en droop van het bloed. De kussens, de lakens, de matras, alles was kleverig en heel helder rood. Ik knipte zijn laarzen stuk. Het bloed stroomde over mijn handen en op mijn uniformjasje. Zijn beide benen waren verbrijzeld, uit de wonden vloeide een mengsel van bloed en verbrijzelde botten.

De jonge Paustovski wordt bevangen door angst om naar het front te worden gestuurd en er te sneuvelen. Vertroosting vindt hij in zijn verheven gevoelens voor zijn teerbeminde Katja.

Interessanter wordt het wanneer de revoluties uitbreken. Paustovski’s dagboekaantekeningen over de Februarirevolutie zijn onheilspellend:

heel het leger was als bevangen door hysterie en epileptische aanvallen en in de groenige, pokdalige gezichten, de hese blaffende stemmen, de bezeten kreten en de tomeloze boetedoening werd opeens het mismaakte, muitende, tomeloze Rusland uit de tijden van Ivan de Verschrikkelijke zichtbaar dat, zichzelf kastijdend en tegelijk Christus lasterend, als aan het kruis genageld in de naakte velden lag waar met wolvengehuil oorlog werd gevoerd en waarboven een slaperig morgenrood met een kleur van zure kersen aan het rijpen was.

Uit latere geschriften blijkt dat Paustovski in de zomer van 1919, tijdens de burgeroorlog die op de Oktoberrevolutie volgde, met het plan speelde om te vluchten naar Frankrijk. In 1920 is de toon waarmee hij over de Sovjets schrijft scherper dan scherp: ‘De mensen zijn weer lijfeigenen. Zelfs minder dan dat: het is “tuig”, vee waar ieder uur de zweep over moet’.

Na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, de revolutie en de burgeroorlog kan Paustovski de Tweede Wereldoorlog, waarin hij als oorlogscorrespondent verslag uitbracht van het zuidelijke front, wel plaatsen:

Na de oorlog, die van 1914, leek ik het leven aan het front volledig vergeten te zijn, maar blijkbaar kan ik mij oudergewoonte gemakkelijk en trefzeker in een heel gecompliceerde situatie oriënteren en blijf daarbij heel kalm en calculeer eerst alles exact in.

Opmerkelijk in het licht van de actualiteit is zijn euforische verslaggeving over de bevrijding van de Krim. De laatste woorden daarvan luiden: ‘Nu is deze voorgoed voor ons’. Je vraagt je onwillekeurig af wat Paustovski van de recente ‘bevrijding’ van de Krim zou gevonden hebben.

Het literaire leven in de Sovjet-Unie

Voor wie geïnteresseerd is in het literaire leven van de Sovjet-Unie bevat Goudzand een schat aan informatie. De sceptische, soms ronduit depressieve toon waarop Paustovski in zijn dagboeken en brieven schrijft over de Sovjetliteratuur, steekt schril af tegen het (door de Sovjetoverheid afgedwongen) optimisme waar zijn bij leven uitgegeven werk van doordrongen is.

Op literair gebied was Paustovski veeleisend voor zichzelf en voor anderen. In februari 1917 vond hij een literair symposium ‘achterhaald, ouderwets en niet opwindend’. De bolsjewieken brachten geen zoden aan de dijk, ook al zorgden ze wel voor de nodige opwinding. ‘Alleen al die ene versregel van Verlaine, “Les sanglots longs des violons de l’automne”, is meer dan heel de productieve arbeid van alle socialistische, federale, rode en Sovjetrepublieken bij elkaar,’ zo noteert Paustovski in 1920. Hij is gedegouteerd door de wortel die voor de neus van de schrijvers wordt gehangen. Hij voelt de druk om te collaboreren toenemen: ‘Heer, laat deze kelk aan mij voorbijgaan’. Ironisch genoeg schrijft hij een paar jaar later aan zijn vrouw enthousiast dat hij als personeelslid van de Unie van Coöperaties van Abchazië toegang heeft tot exclusieve voedselverdeelwinkels. Paustovski slaagt erin om zichzelf niet volledig te verkopen aan het regime en toch in leven te blijven.

Terwijl de periode van de Nieuwe Economische Politiek nog veel vrijheden bood, breekt in 1928 een lastige periode aan voor de schrijver Paustovski. ‘In de literatuur heerst een doodse stilte.’ Bijzonder irritant vindt hij de proletarische schrijvers, ‘ongeletterde en talentloze knulletjes’, die als paddenstoelen uit de grond schieten: ‘De tijd is nabij dat je je alleen met schaamte nog dichter of schrijver zult durven noemen’. In de aantekeningen van 1929 voel je voor het eerst dat er repressie in de lucht hangt. Paustovski meldt dan aan zijn echtgenote dat volgens de voorzitter van de zuiveringscommissie een lid van de intelligentsia al zijn vrije tijd behoort te besteden aan het bestuderen van de werken van Vladimir Lenin en niet aan zoiets onzinnigs als het schrijven van romans. De zelfmoord van Vladimir Majakovski is een enorme schok voor Paustovski. Hij wijdt er meer ruimte aan dan aan de dood van zijn onvoldragen kind of van zijn eigen moeder. Over de executies en massale arrestaties van schrijvers onder Jozef Stalin rept Paustovski met geen woord. Het wordt in Goudzand niet duidelijk waarom. Hield hij te veel van het leven of was hij te ver van het machtscentrum verwijderd om op de hoogte te zijn? Over zijn onvrede met de officiële dogma’s durft hij wel te schrijven. In 1938 leest hij Johann Wolfgang von Goethes Die Leiden des jungen Werthers (1774): ‘Na zo’n boek valt het niet mee weer te moeten gaan zitten lezen in het soort boeken dat tegenwoordig bij ons geschreven wordt’.

Na de dood van Stalin probeert Paustovski de situatie in te schatten (‘Wat er momenteel (in de literatuur) aan de hand is, is mij een raadsel’), waarna hij uit zijn schulp kruipt. Moedig zijn bijvoorbeeld de rede die hij in 1956 uitsprak naar aanleiding van de hetze tegen de schrijver Vladimir Doedintsev, die de corruptie van de nomenklatoera aanklaagde, en de brief die hij schreef naar aanleiding van pogingen van Leonid Brezjnev om Stalin te rehabiliteren. Niet al zijn fans zullen het even graag horen, maar zijn kritiek op de excessen van het Sovjetcultuurbeleid formuleerde Paustovski vanuit de linkse hoek (sleutelwoorden zijn ‘de revolutie’, ‘het volk’ en ‘het socialisme’) – al kan dat ingegeven zijn door pragmatische overwegingen. In het laatste decennium van zijn leven durft Paustovski, die van nature een brave jongen is (dat blijkt bijvoorbeeld uit het gebrek aan roddels in Goudzand), zich steeds openlijker te scharen achter in ongenade gevallen collega-schrijvers, maar een dissident is hij nooit geworden. Het Sovjetsysteem heeft hij nooit openlijk ter discussie gesteld.

De poëtica van Paustovski

Gezien het gevaarlijke klimaat dat de Sovjet-Unie schiep voor schrijvers, het gebrek aan affiniteiten dat Paustovski had met de officiële literaire dogma’s en zijn fatsoenlijke karakter, kan het vreemd lijken dat hij uitgerekend voor het beroep van schrijver koos. Na het lezen van Goudzand wordt duidelijk dat Paustovski geen keuze had. Schrijven was zijn roeping, waarvoor hij alles, ‘zowel mijzelf als mijn hele leven’, wilde opofferen. Hij had al snel door dat hij begiftigd was met een groot talent (met name voor beschrijvingen), en beschouwde het als zijn morele plicht om dat tot volle ontwikkeling te brengen. In 1920, wanneer hij nog geen dertig jaar oud is, plaatst hij zichzelf, met een grote dosis zelfvertrouwen en zelfkennis, in de categorie van

de weinigen die hun eigen kinderen scheppen en dan nalaten aan de toekomst in de vorm van frommelige aantekeningenblaadjes en boeken waar onze ziel is in overgelopen, als nog schuimende wijn uit een glas. De meeste mensen kennen dit niet en hebben, behalve hun kinderen, part noch deel aan het eeuwige leven.

Aan literaire ambitie heeft het Paustovski nooit ontbroken. In 1928 schrijft hij dat ‘een boek moet zijn als een mens: prachtig en lelijk tegelijk, slim en soms stom, eerlijk zowel als leugenachtig’. In hetzelfde jaar – ironisch genoeg wordt dan ook het eerste vijfjarenplan afgekondigd – stelt Paustovski een plan op om zijn eigen literaire productie op te krikken. Ook zijn talrijke reizen spelen daarin een rol. Volgens Paustovski was de functie van reizen dat ze de schrijver zuurstof geven, ‘onze verbeelding een zet geven’. Uit een journalistieke tekst van 1965 blijkt dat de schrijver geloofde dat die verbeelding hem in staat stelde om een ‘historische waarheid’ te bereiken die geen enkele historicus zou evenaren. Deze bekommernis om ‘historische waarheid’, waar de in eigen land vertrapte Russische formalisten grote vraagtekens bij plaatsten, strookt prima met de officiële literatuuropvattingen van de Sovjets. Hoe je het ook wendt of keert: Paustovski is een telg van de Sovjetliteratuur.

Het levensverhaal van een Rus

De roem van Paustovski is niet wat hij geweest is. In de naoorlogse periode werd hij door zijn landgenoten gezien als een schrijver die buiten de officiële doctrine om de traditie van de klassieke Russische letteren levend hield. Als de Sovjetautoriteiten geen diplomatieke druk hadden uitgeoefend, zou hij in 1965 misschien wel een Nobelprijs gewonnen hebben. In post-Sovjet-Rusland is zijn populariteit daarentegen nogal beperkt. Theoretisch zou een Russische uitgever de vertaalrechten van Goudzand kunnen opkopen en er een Russische editie van op de markt brengen. Dat zou kunnen uitmonden in een wijziging van het bestaande Paustovski-beeld, aangezien dit boek tal van pittige passages bevat die in de Sovjet-Unie nooit de censuur zouden zijn gepasseerd. Tegelijk lijkt het absurd om bij een Nederlandse uitgeverij de vertaalrechten op te kopen van een werk van Paustovski dat Paustovski nooit geschreven heeft. Is Paustovski eigenlijk wel de auteur van dit boek?

Op het omslag schittert, geheel terecht, onder de naam van de schrijver ook de naam Wim Hartog (1940). In het boek zelf treedt de vertaler pas helemaal op het einde uit de schaduw, in de verantwoording op pagina’s 645-646. Daaruit blijkt dat hij veel meer gedaan heeft dan het creëren van genietbare Nederlandse equivalenten voor Paustovski’s levendige schrijfstijlen, die meestal lyrisch, maar soms ook telegrafisch waren. Hartog heeft dit gefragmenteerde, caleidoscopische boek bij elkaar gepuzzeld op basis van talloze brieven, dagboekaantekeningen en verhalen. Hij heeft er structuur in aangebracht – overigens krijgen de drie delen van het boek een geslaagde echo in de door Hartog toegevoegde nawoorden waarin drie kinderen van Paustovski terugblikken op de periodes toen hun moeders met hem samenwoonden. Hij heeft er een poëtische titel voor verzonnen. Hij heeft gekozen om ook enkele journalistieke teksten toe te voegen, zelfs al beschouwde Paustovski die niet als een deel van zijn werk als schrijver en spreekt daaruit een andere waarheid dan uit zijn brieven of aantekeningen. ‘Voor de leesbaarheid’ heeft Hartog ook de initialen en afkortingen zoveel mogelijk voluit geschreven, neutrale werkwoorden toegevoegd bij korte mededelingen, en ‘coupures en onleesbare delen enkel daar aangegeven waar dit voor het begrip van de tekst van belang werd geacht’. Hij heeft ook foto’s, een tijdslijn en talrijke verhelderende eindnoten toegevoegd (waarin een paar schoonheidsfoutjes zijn geslopen: een noot komt te laat, een andere ontbreekt en nog een andere verwijst naar een verkeerde pagina; in een brief van 18 september is dan weer sprake van de voorbereidingen voor een feestdag, waarvoor grote hoeveelheden vlees worden ingeslagen, die in een weinig afdoende noot geduid wordt als ‘op 9 mei vieren de Russen de overwinning op Duitsland’). Wellicht was het ook zijn idee om de laatste woorden van Paustovski in dit boek af te sluiten met de naam van de auteur in diens eigen handschrift – een detail dat zijn effect niet mist.

Goudzand is een boek van Paustovski dat bestaat bij gratie van de dood van Paustovski. De hand van de vertaler/samensteller laat zich daarin wat meer voelen dan gebruikelijk is, en allicht ook meer dan de nietsvermoedende lezer zou denken. In hoeverre dit oorbaar is, hangt af van je literatuuropvattingen. Wie geneigd is te vinden dat de vertaler te veel tussen de auteur en de lezer in is gaan staan, moet wel in aanmerking nemen dat de Sovjetautoriteiten bij leven van Paustovski tussen hem en zijn lezers barrières hebben opgeworpen, die de publicatie van zijn dagboeken en brieven net in de weg stonden. Aangezien de barrières Paustovski overleefd hebben, kan daaraan nu eenmaal geen mouw worden gepast zonder bemiddeling. Je kan ook zeggen dat een bloemlezing altijd een interpretatie is, die van Hartog is gewoon opvallend gestileerd. Maar daarmee is het Paustovski-beeld dat daaruit spreekt nog altijd niet voor de hand liggend, laat staan eenduidig geworden. Uiteindelijk komt het toch de lezer toe – en niet de auteur of de vertaler/samensteller – om de handschoen op te nemen, om de honderden puzzelstukjes samen te leggen en het levensverhaal van een Rus die Paustovski heette zo niet te reconstrueren, dan toch te construeren. Paustovski is dood, lange leve zijn lezer!

(Recensie geschreven voor deReactor.org, platform voor literaire kritiek)