In the new documentary of Jan Balliauw, Checkpoint Rusland, four of our students, Charlotte, Hanne, Yaël en Thijs, give their views on the current situation. As true region specialist and Erasmus s…
In the new documentary of Jan Balliauw, Checkpoint Rusland, four of our students, Charlotte, Hanne, Yaël en Thijs, give their views on the current situation. As true region specialist and Erasmus s…
Onze collega Kris Van Heuckelom geeft toelichting.
Herbeluister het interview van Pieter Boulogne over de afschaffing van Slavistiek aan de KU Leuven in het kader van radioprogramma De wereld vandaag op Radio 1.
Droef nieuws: op 20 december 2016 werd op een bijzondere vergadering van de Leuvense Faculteit Letteren de beslissing bekendgemaakt om in het kader van het facultaire herstelplan de opleiding Slavi…
Bron: Finis slavisticae
Goudzand. Verhalen, dagboeken en brieven van Konstantin Paustovski (vert. Wim Hartog). G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2016, ISBN 9789028261228 / 670p.
Konstantin Paustovski is gestorven in 1968. De ironie van het lot wil dat Roland Barthes in datzelfde jaar zijn beroemde essay ‘La mort de l’auteur’ publiceerde, waarin hij breekt met de tendens van literatuurwetenschappers om boeken te interpreteren vanuit de biografie van de auteur. In het geval van Paustovski is deze neiging nochtans zeer te begrijpen en wellicht zelfs onvermijdelijk. De Sovjetschrijver dankt zijn faam namelijk aan zijn memoires. Met zijn zesdelige biografie Verhaal van een leven, dat door hedendaagse literatuurwetenschappers wordt gelabeld als neosentimentalisme, veroverde hij vanaf de jaren zestig de harten van Nederlandse en Vlaamse lezers.
Een mooi bewijs van de interesse die Paustovski’s lezers voor zijn persoon ontwikkelen, is de Nederlands-Belgische fanclub die al twee decennia actief is. De Vereniging Konstantin Paustovskij is niet alleen een leesgroep, maar organiseert ook reizen naar plaatsen waar Paustovski, een verstokt reiziger, heeft vertoeft. Zo stond in 2015 een reis op het programma met de naam ‘De Krim en Moskou, bezoek aan plekken waar Paustovskij graag werkte en verbleef’. Alsof dat nog niet genoeg was, krijgt Barthes van uitgeverij Van Oorschot een nieuwe gelegenheid om zich om te keren in zijn graf. De nieuw samengestelde, dikke turf Goudzand draait namelijk van a tot z om de persoon van Paustovski. De auteur wordt tot leven gewekt aan de hand van een groot aantal chronologisch gerangschikte verhalen, dagboekaantekeningen en brieven van zijn hand, waarvan het gros nu voor het eerst in vertaling verschijnt.
Goudzand opent met ‘In het kort iets over mezelf’. Deze drie bladzijden vormen meteen een uitzondering op de regel dat de geselecteerde teksten chronologisch worden geordend en zijn voorzien van duidelijke datering. Hoewel Paustovski deze tekst al in 1937 publiceerde (maar dat kom je in Goudzand niet te weten), toen zijn leven nog voor hem lag, is die uitstekend bruikbaar als voorwoord bij deze bloemlezing. Het thema is namelijk ‘het verhaal van je leven’, dat je als schrijver ‘beetje bij beetje in je boeken verstrooit’. Bovendien vat deze tekst de familiale voorgeschiedenis van de protagonist samen en worden, in dezelfde adem, enkele belangrijke thema’s van Goudzand aangereikt: de houding van de schrijver tegenover revolutie en oorlog, reizen en schrijven.
Wel ontbreekt in het voorwoord de aankondiging van de rode draad die Paustovski’s zoon Vadim ‘het vrouwelijke element’ noemt: de lyrische verliefdheden waarin de onverbeterlijke romanticus zich wentelt. Soms zijn ze aandoenlijk, zoals wanneer hij via de verpleging briefjes bezorgt aan zijn gehospitaliseerde echtgenote, maar op andere momenten zijn ze een beetje misselijkmakend (‘Je twijfelt alsmaar of ik wel genoeg van je hou terwijl ik niet eens in woorden weet uit te drukken hoe oneindig veel en aandoenlijk ik van jou hou, mijn tedere vrouw en de enige mens die ik heb op de wereld’). Niets menselijks is Paustovski vreemd – op overspel volgt behalve zelfkastijding ook zelfrechtvaardiging. Op bejaarde leeftijd inspireren Italiaanse nonnetjes Paustovski tot de aantekening:
De jonge nonnen deden schuchter aan en moesten vaak blozen. Zelfs van een korte maar nadrukkelijke mannenblik liepen zij al rood aan en kregen zij een extatische glans in hun ogen.
De drie vrouwen met wie Paustovski getrouwd is geweest, respectievelijk Jekaterina Zagorskaja (‘mijn lieve, kleine Krol’), Valeria Vasiljevskaja (‘mijn klein lief diertje’) en Tatjana Jevtejeva (‘Tanjoesja, mijn vreugde’), spelen niet alleen een centrale rol in de brieven van Goudzand zelf, aan hen heeft het boek ook zijn opdeling in drie delen te danken, die overeenstemmen met de periodes 1914-1935, 1936-1948 respectievelijk 1950-1968.
De eerste teksten van het eerste deel spelen zich af in 1914, toen Paustovski nog maar tweeëntwintig jaar oud was. Hij dient als ziekenverzorger. De Wereldoorlog bestaat in eerste instantie uit poëtische indrukken (‘een koude, heldere zonsondergang die de beschadigde gebouwen liefkoost’), boeken, films, theekransjes en flirts met verpleegsters, tot hij in 1915 zijn ware gelaat laat zien:
Daarna verbonden wij een jongetje. Hij lag op een van de bedden en droop van het bloed. De kussens, de lakens, de matras, alles was kleverig en heel helder rood. Ik knipte zijn laarzen stuk. Het bloed stroomde over mijn handen en op mijn uniformjasje. Zijn beide benen waren verbrijzeld, uit de wonden vloeide een mengsel van bloed en verbrijzelde botten.
De jonge Paustovski wordt bevangen door angst om naar het front te worden gestuurd en er te sneuvelen. Vertroosting vindt hij in zijn verheven gevoelens voor zijn teerbeminde Katja.
Interessanter wordt het wanneer de revoluties uitbreken. Paustovski’s dagboekaantekeningen over de Februarirevolutie zijn onheilspellend:
heel het leger was als bevangen door hysterie en epileptische aanvallen en in de groenige, pokdalige gezichten, de hese blaffende stemmen, de bezeten kreten en de tomeloze boetedoening werd opeens het mismaakte, muitende, tomeloze Rusland uit de tijden van Ivan de Verschrikkelijke zichtbaar dat, zichzelf kastijdend en tegelijk Christus lasterend, als aan het kruis genageld in de naakte velden lag waar met wolvengehuil oorlog werd gevoerd en waarboven een slaperig morgenrood met een kleur van zure kersen aan het rijpen was.
Uit latere geschriften blijkt dat Paustovski in de zomer van 1919, tijdens de burgeroorlog die op de Oktoberrevolutie volgde, met het plan speelde om te vluchten naar Frankrijk. In 1920 is de toon waarmee hij over de Sovjets schrijft scherper dan scherp: ‘De mensen zijn weer lijfeigenen. Zelfs minder dan dat: het is “tuig”, vee waar ieder uur de zweep over moet’.
Na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, de revolutie en de burgeroorlog kan Paustovski de Tweede Wereldoorlog, waarin hij als oorlogscorrespondent verslag uitbracht van het zuidelijke front, wel plaatsen:
Na de oorlog, die van 1914, leek ik het leven aan het front volledig vergeten te zijn, maar blijkbaar kan ik mij oudergewoonte gemakkelijk en trefzeker in een heel gecompliceerde situatie oriënteren en blijf daarbij heel kalm en calculeer eerst alles exact in.
Opmerkelijk in het licht van de actualiteit is zijn euforische verslaggeving over de bevrijding van de Krim. De laatste woorden daarvan luiden: ‘Nu is deze voorgoed voor ons’. Je vraagt je onwillekeurig af wat Paustovski van de recente ‘bevrijding’ van de Krim zou gevonden hebben.
Voor wie geïnteresseerd is in het literaire leven van de Sovjet-Unie bevat Goudzand een schat aan informatie. De sceptische, soms ronduit depressieve toon waarop Paustovski in zijn dagboeken en brieven schrijft over de Sovjetliteratuur, steekt schril af tegen het (door de Sovjetoverheid afgedwongen) optimisme waar zijn bij leven uitgegeven werk van doordrongen is.
Op literair gebied was Paustovski veeleisend voor zichzelf en voor anderen. In februari 1917 vond hij een literair symposium ‘achterhaald, ouderwets en niet opwindend’. De bolsjewieken brachten geen zoden aan de dijk, ook al zorgden ze wel voor de nodige opwinding. ‘Alleen al die ene versregel van Verlaine, “Les sanglots longs des violons de l’automne”, is meer dan heel de productieve arbeid van alle socialistische, federale, rode en Sovjetrepublieken bij elkaar,’ zo noteert Paustovski in 1920. Hij is gedegouteerd door de wortel die voor de neus van de schrijvers wordt gehangen. Hij voelt de druk om te collaboreren toenemen: ‘Heer, laat deze kelk aan mij voorbijgaan’. Ironisch genoeg schrijft hij een paar jaar later aan zijn vrouw enthousiast dat hij als personeelslid van de Unie van Coöperaties van Abchazië toegang heeft tot exclusieve voedselverdeelwinkels. Paustovski slaagt erin om zichzelf niet volledig te verkopen aan het regime en toch in leven te blijven.
Terwijl de periode van de Nieuwe Economische Politiek nog veel vrijheden bood, breekt in 1928 een lastige periode aan voor de schrijver Paustovski. ‘In de literatuur heerst een doodse stilte.’ Bijzonder irritant vindt hij de proletarische schrijvers, ‘ongeletterde en talentloze knulletjes’, die als paddenstoelen uit de grond schieten: ‘De tijd is nabij dat je je alleen met schaamte nog dichter of schrijver zult durven noemen’. In de aantekeningen van 1929 voel je voor het eerst dat er repressie in de lucht hangt. Paustovski meldt dan aan zijn echtgenote dat volgens de voorzitter van de zuiveringscommissie een lid van de intelligentsia al zijn vrije tijd behoort te besteden aan het bestuderen van de werken van Vladimir Lenin en niet aan zoiets onzinnigs als het schrijven van romans. De zelfmoord van Vladimir Majakovski is een enorme schok voor Paustovski. Hij wijdt er meer ruimte aan dan aan de dood van zijn onvoldragen kind of van zijn eigen moeder. Over de executies en massale arrestaties van schrijvers onder Jozef Stalin rept Paustovski met geen woord. Het wordt in Goudzand niet duidelijk waarom. Hield hij te veel van het leven of was hij te ver van het machtscentrum verwijderd om op de hoogte te zijn? Over zijn onvrede met de officiële dogma’s durft hij wel te schrijven. In 1938 leest hij Johann Wolfgang von Goethes Die Leiden des jungen Werthers (1774): ‘Na zo’n boek valt het niet mee weer te moeten gaan zitten lezen in het soort boeken dat tegenwoordig bij ons geschreven wordt’.
Na de dood van Stalin probeert Paustovski de situatie in te schatten (‘Wat er momenteel (in de literatuur) aan de hand is, is mij een raadsel’), waarna hij uit zijn schulp kruipt. Moedig zijn bijvoorbeeld de rede die hij in 1956 uitsprak naar aanleiding van de hetze tegen de schrijver Vladimir Doedintsev, die de corruptie van de nomenklatoera aanklaagde, en de brief die hij schreef naar aanleiding van pogingen van Leonid Brezjnev om Stalin te rehabiliteren. Niet al zijn fans zullen het even graag horen, maar zijn kritiek op de excessen van het Sovjetcultuurbeleid formuleerde Paustovski vanuit de linkse hoek (sleutelwoorden zijn ‘de revolutie’, ‘het volk’ en ‘het socialisme’) – al kan dat ingegeven zijn door pragmatische overwegingen. In het laatste decennium van zijn leven durft Paustovski, die van nature een brave jongen is (dat blijkt bijvoorbeeld uit het gebrek aan roddels in Goudzand), zich steeds openlijker te scharen achter in ongenade gevallen collega-schrijvers, maar een dissident is hij nooit geworden. Het Sovjetsysteem heeft hij nooit openlijk ter discussie gesteld.
Gezien het gevaarlijke klimaat dat de Sovjet-Unie schiep voor schrijvers, het gebrek aan affiniteiten dat Paustovski had met de officiële literaire dogma’s en zijn fatsoenlijke karakter, kan het vreemd lijken dat hij uitgerekend voor het beroep van schrijver koos. Na het lezen van Goudzand wordt duidelijk dat Paustovski geen keuze had. Schrijven was zijn roeping, waarvoor hij alles, ‘zowel mijzelf als mijn hele leven’, wilde opofferen. Hij had al snel door dat hij begiftigd was met een groot talent (met name voor beschrijvingen), en beschouwde het als zijn morele plicht om dat tot volle ontwikkeling te brengen. In 1920, wanneer hij nog geen dertig jaar oud is, plaatst hij zichzelf, met een grote dosis zelfvertrouwen en zelfkennis, in de categorie van
de weinigen die hun eigen kinderen scheppen en dan nalaten aan de toekomst in de vorm van frommelige aantekeningenblaadjes en boeken waar onze ziel is in overgelopen, als nog schuimende wijn uit een glas. De meeste mensen kennen dit niet en hebben, behalve hun kinderen, part noch deel aan het eeuwige leven.
Aan literaire ambitie heeft het Paustovski nooit ontbroken. In 1928 schrijft hij dat ‘een boek moet zijn als een mens: prachtig en lelijk tegelijk, slim en soms stom, eerlijk zowel als leugenachtig’. In hetzelfde jaar – ironisch genoeg wordt dan ook het eerste vijfjarenplan afgekondigd – stelt Paustovski een plan op om zijn eigen literaire productie op te krikken. Ook zijn talrijke reizen spelen daarin een rol. Volgens Paustovski was de functie van reizen dat ze de schrijver zuurstof geven, ‘onze verbeelding een zet geven’. Uit een journalistieke tekst van 1965 blijkt dat de schrijver geloofde dat die verbeelding hem in staat stelde om een ‘historische waarheid’ te bereiken die geen enkele historicus zou evenaren. Deze bekommernis om ‘historische waarheid’, waar de in eigen land vertrapte Russische formalisten grote vraagtekens bij plaatsten, strookt prima met de officiële literatuuropvattingen van de Sovjets. Hoe je het ook wendt of keert: Paustovski is een telg van de Sovjetliteratuur.
De roem van Paustovski is niet wat hij geweest is. In de naoorlogse periode werd hij door zijn landgenoten gezien als een schrijver die buiten de officiële doctrine om de traditie van de klassieke Russische letteren levend hield. Als de Sovjetautoriteiten geen diplomatieke druk hadden uitgeoefend, zou hij in 1965 misschien wel een Nobelprijs gewonnen hebben. In post-Sovjet-Rusland is zijn populariteit daarentegen nogal beperkt. Theoretisch zou een Russische uitgever de vertaalrechten van Goudzand kunnen opkopen en er een Russische editie van op de markt brengen. Dat zou kunnen uitmonden in een wijziging van het bestaande Paustovski-beeld, aangezien dit boek tal van pittige passages bevat die in de Sovjet-Unie nooit de censuur zouden zijn gepasseerd. Tegelijk lijkt het absurd om bij een Nederlandse uitgeverij de vertaalrechten op te kopen van een werk van Paustovski dat Paustovski nooit geschreven heeft. Is Paustovski eigenlijk wel de auteur van dit boek?
Op het omslag schittert, geheel terecht, onder de naam van de schrijver ook de naam Wim Hartog (1940). In het boek zelf treedt de vertaler pas helemaal op het einde uit de schaduw, in de verantwoording op pagina’s 645-646. Daaruit blijkt dat hij veel meer gedaan heeft dan het creëren van genietbare Nederlandse equivalenten voor Paustovski’s levendige schrijfstijlen, die meestal lyrisch, maar soms ook telegrafisch waren. Hartog heeft dit gefragmenteerde, caleidoscopische boek bij elkaar gepuzzeld op basis van talloze brieven, dagboekaantekeningen en verhalen. Hij heeft er structuur in aangebracht – overigens krijgen de drie delen van het boek een geslaagde echo in de door Hartog toegevoegde nawoorden waarin drie kinderen van Paustovski terugblikken op de periodes toen hun moeders met hem samenwoonden. Hij heeft er een poëtische titel voor verzonnen. Hij heeft gekozen om ook enkele journalistieke teksten toe te voegen, zelfs al beschouwde Paustovski die niet als een deel van zijn werk als schrijver en spreekt daaruit een andere waarheid dan uit zijn brieven of aantekeningen. ‘Voor de leesbaarheid’ heeft Hartog ook de initialen en afkortingen zoveel mogelijk voluit geschreven, neutrale werkwoorden toegevoegd bij korte mededelingen, en ‘coupures en onleesbare delen enkel daar aangegeven waar dit voor het begrip van de tekst van belang werd geacht’. Hij heeft ook foto’s, een tijdslijn en talrijke verhelderende eindnoten toegevoegd (waarin een paar schoonheidsfoutjes zijn geslopen: een noot komt te laat, een andere ontbreekt en nog een andere verwijst naar een verkeerde pagina; in een brief van 18 september is dan weer sprake van de voorbereidingen voor een feestdag, waarvoor grote hoeveelheden vlees worden ingeslagen, die in een weinig afdoende noot geduid wordt als ‘op 9 mei vieren de Russen de overwinning op Duitsland’). Wellicht was het ook zijn idee om de laatste woorden van Paustovski in dit boek af te sluiten met de naam van de auteur in diens eigen handschrift – een detail dat zijn effect niet mist.
Goudzand is een boek van Paustovski dat bestaat bij gratie van de dood van Paustovski. De hand van de vertaler/samensteller laat zich daarin wat meer voelen dan gebruikelijk is, en allicht ook meer dan de nietsvermoedende lezer zou denken. In hoeverre dit oorbaar is, hangt af van je literatuuropvattingen. Wie geneigd is te vinden dat de vertaler te veel tussen de auteur en de lezer in is gaan staan, moet wel in aanmerking nemen dat de Sovjetautoriteiten bij leven van Paustovski tussen hem en zijn lezers barrières hebben opgeworpen, die de publicatie van zijn dagboeken en brieven net in de weg stonden. Aangezien de barrières Paustovski overleefd hebben, kan daaraan nu eenmaal geen mouw worden gepast zonder bemiddeling. Je kan ook zeggen dat een bloemlezing altijd een interpretatie is, die van Hartog is gewoon opvallend gestileerd. Maar daarmee is het Paustovski-beeld dat daaruit spreekt nog altijd niet voor de hand liggend, laat staan eenduidig geworden. Uiteindelijk komt het toch de lezer toe – en niet de auteur of de vertaler/samensteller – om de handschoen op te nemen, om de honderden puzzelstukjes samen te leggen en het levensverhaal van een Rus die Paustovski heette zo niet te reconstrueren, dan toch te construeren. Paustovski is dood, lange leve zijn lezer!
(Recensie geschreven voor deReactor.org, platform voor literaire kritiek)
De onderstaande tekst is een Russische vertaling van een gedicht van de (in Litouwen) gevierde Litouwse dichter Marcelijus Martinaitis (1936-2013). In opdracht van het internationaal literatuurfestival Read My World, dat dit jaar gewijd is aan literatuur uit Polen en Oekraïne, ondernam ik een poging om het te vertalen (onrechtstreeks dus, bij gebrek aan kennis van het Litouws).
| Ой, Кукутис, зимы долги,
зябко пламени и стеблю! Где достанешь цепь для тёлки, чтобы к ней привесить землю?
В годы злые было строго, выла дурочка на вербе: нету лога, нету бога и для мертвых нету смерти!
Города побагровели, как зарезанное стадо. И овец секли во гневе – у кого еды не стало.
Как прожить, когда огня нет? Кто луну заманит в невод? Дурочка в колодец глянет – и земля уходит в небо.
От разора, смрада, пыла из воды сбежали рыбки… За грехи, за всё, что было, – били мертвого на рынке. |
Ach Koekoetis, winters duren lang,
vlam en stengel werden vaal! Waar zal je, om de aarde vast te hangen aan het kalf, een ketting halen?
In de kwade jaren was het bot, op een wilg loeide een zottin: er is geen vallei, er is geen god en een dood voor doden evenmin!
Rood kleurden de steden, als een kudde die was geslacht, Ze hadden niets meer om te eten – schapen werden woest versmacht.
Hoe te overleven zonder vuur? Wie luist de maan het sleepnet in? De zottin zal de waterput in turen – en de aarde gaat de hemel in.
Door vernieling, gloed en geur, zijn visjes het water uit gejaagd… Voor de zonden, al het gebeurde, kreeg een dode op een markt slaag. |
Things you do on a lazy sunday afternoon: going through oldies left behind by our beloved professor Jan Scharpé. This is a 1988 issue of the journal academische tijdingen (academic tidings). It app…
Bron: Notes from the Old Days
[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de inhoudstafel.]
Om de gedachtegang van deze studie te volgen is een zekere voorkennis van het leven en werk van F.M. Dostoevskij geen overbodige luxe, al was het maar omdat een analyse van literaire kritiek riskeert vervelend te zijn voor wie niet vertrouwd is met haar onderwerp. Kennis van de Russische taal is daarentegen niet vereist. Bij het citeren wordt het Russisch in de regel in het oorspronkelijke cyrillische schrift weergegeven, met toevoeging van de overeenkomstige vertaling tussen haakjes of, in het geval van meer omvangrijke stukken tekst, in een voetnoot. Titels van Russische publicaties worden weergegeven in wetenschappelijke transcriptie. Met het oog op het besparen van kopij zijn de titels van Dostoevskij, die herhaaldelijk terugkeren, in tegenstelling tot die van andere Russische schrijvers niet telkens voorzien van een vertaling tussen haakjes. In plaats daarvan kan gebruik worden gemaakt van de onderstaande lijst.*
rasskazy (kortverhalen) |
|
| Gospodin Procharčin (1846) | De heer Procharčin |
| Čestnyj vor (1848) | Een eerlijke dief |
| Čužaja žena i muž pod krovat’ju (1848) | De vrouw van een ander en de man onder het bed |
| Ëlka i svad’ba (1849) | De kerstboom en de bruiloft |
| Skvernyj anekdot (1862) | Een nare geschiedenis |
| Večnyj muž (1870) | De eeuwige echtgenoot |
| Krotkaja (1876) | De zachtmoedige |
povesti (lange verhalen) |
|
| Dvojnik (1846) | De dubbelganger |
| Chozjajka (1847) | De hospita |
| Belye noči (1848) | Witte nachten |
| Slaboe serdce (1848) | Een zwak hart |
| Malen’kij geroj (1849) | Een kleine held |
| Djaduškin son (1859) | Oompjes droom |
| Selo Stepančikovo i ego obitateli (1859) | Het dorp Stepančikovo en zijn inwoners |
zapiski (aantekeningen) |
|
| Zapiski iz mërtvogo doma (1860-62) | Aantekeningen uit het dodenhuis |
| Zapiski iz podpol’ja (1864) | Aantekeningen uit het ondergrondse |
romans |
|
| Bednye ljudi (1846) | Arme mensen |
| Roman v devjati pis’mach (1847) | Een roman in negen brieven |
| Netočka Nezvanova (1849) | Netočka Nezvanova |
| Unižennye i oskorblënnye (1861) | De vernederden en gekrenkten |
| Prestuplenie i nakazanie (1866) | Misdaad en straf |
| Igrok (1866) | De speler |
| Idiot (1868) | De idioot |
| Besy (1871-72) | Duivels |
| Podrostok (1875) | De jongeling |
| Brat’ja Karamazovy (1879-80) | De broers Karamazov |
essayistiek |
|
| Zimnie zametki o letnich vpečatleniach (1863) | Winterse opmerkingen over zomerse indrukken |
| Dnevnik pisatelja (1873-81) | Dagboek van een schrijver |
* De genrebepaling is, behoudens de categorie ‘zapiski’, gebaseerd op Belov (2010).
| [De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de inhoudstafel.]
Afbeelding 1 Reclameadvertentie voor De gebroeders Karamazow |
| Afbeelding 2 De titelpagina van Witte nachten |
| Afbeelding 3 De titelpagina van Uit het doodenhuis |
| Afbeelding 4 De titelpagina van De speler |
| Afbeelding 5 De titelpagina van De misleide |
| Afbeelding 6 De titelpagina van De gebroeders Karamazow (3e druk) |
| Afbeelding 7 De titelpagina van Arme Nelly |
| Afbeelding 8 De kaft van Uit het doodenhuis |
| Afbeelding 9 De kaft van Witte nachten |
| Afbeelding 10 De titelpagina van De gebroeders Karamazow |
| Afbeelding 11 Prent uit de epiloog van De gebroeders Karamazow |
| Grafiek 1 Tolstoj in Nederlandse vertaling |
| Grafiek 2 Russische literatuur in Nederlandse vertaling |
| Grafiek 3 Dostoevskij in Nederlandse vertaling |
| Figuur 1 De Franse en Duitse Dostoevskij-receptie |
| Figuur 2 De bemiddeling van de Nederlandse Dostoevskij-kritiek |
| Figuur 3 Onbemiddelde vertaling |
| Figuur 4 Duitse bemiddeling |
| Figuur 5 Duitse bemiddeling met enige Franse invloed |
| Figuur 6 Duitse en Franse bemiddeling |
| Figuur 7 Franse bemiddeling |
| Figuur 8 De bemiddeling van de Nederlandse receptie |
| Figuur 9 Vermelding van de auteur |
| Figuur 10 De titels |
| Figuur 11 Soorten voorwoorden in de onderzoekscorpora |
| Figuur 12 De epiloog van Brat’ja Karamazovy in vertaling |
[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de inhoudstafel.]
čechov, A. P. 1980. Polnoe sobranie sočinenij i pisem v tridcati tomach. Sočinenija v vosemnadcati tomach. Tom 17. Moskva: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1972. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom I. Bednye ljudi. Povesti i rasskazy 1846-1847. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1972. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom II. Povesti i rasskazy 1848-1859. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1972. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom III. Selo stepančikovo i ego obitateli. Unižennye i oskorblennye. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1972. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom IV. Zapiski iz mërtvogo doma. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1973. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom V. Povesti i rasskazy 1862-1866. Igrok. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1973. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom VI. Prestuplenie i nakazanie. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1974. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom IX. Idiot. Rukopisnye redakcii. Večnyj muž. Nabroski. 1867-1870. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1976. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom XIV. Brat’ja Karamazovy. Knigi I-X. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1975. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom XII. Besy. Rukopisnye redakcii. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1976. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Tom XV. Brat’ja Karamazovy. Knigi XI-XII. Epilog. Rukopisnye redakcii. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1983. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Publicistika i pis’ma. Tom XXV. Dnevnik pisatelja za 1877 god janvar’ – avgust. Leningrad: Nauka.
Dostoevskij, F.M. 1984. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Publicistika i pis’ma. Tom XXVI. Dnevnik pisatelja 1877 sentjabr’ – dekabr’, 1880 avgust. Leningrad: Nauka.
Fonvizin, D.I. 1893. Sočinenija D. I. Fonvizina. Polnoe sobranie original’nych proizvedenij. S.-Peterburg: Izdanie A. F. Marksa.
Gogol’, N.V. 1977. Sobranie sočinenij. Tom III. Povesti. Moskva: Chudožestvennaja literatura.
Gogol’, N.V. 1994. Sobranie sočinenij. Tom III. Povesti. Tom četvertyj. Komedii. Moskva: Russkaja kniga.
Krylov, I.A. 1969. Sočinenija. Tom II. Basni, stichotvorenija, p’esy. Moskva: Chudožestvennaja literatura.
Puškin, A.S. 1949. Polnoe sobranie sočinenij: v 16 t. 12. Kritika. Avtobiografija. Moskva-Leningrad: Izdatel’stvo AN SSSR.
Puškin, A.S. 1978. Polnoe sobranie sočinenij v desjati tomach. Tom VI. Chudožestvennaja proza. Leningrad: Nauka.
Tolstoj, L.N. 1937. Polnoe sobranie sočinenij. Tom IX. Vojna i mir. Tom pervyj. Moskva: Chudožestvennaja literatura.
Dostojewsky, F.M. 1885. Schuld en boete. <Prestuplenie i nakazanie, 1866> ’s-Gravenhage: A. Rössing. Vert. [uit het Duits <Raskolnikow (1882)>] door Petros Kuknos. 244 + 218 + 252 p.
Dostojewski 1886. De misleide. <Unižennye i oskorblënnye, 1861> Amsterdam, C.L. Brinkman. [Vert. uit het Duits <Erniedrigte und Beleidigte (1885)>] 369 p.
Dostojewsky F.M. 1887. Arme menschen. Russische roman. <Bednye ljudi, 1846> Amsterdam: A. Rössing. Vert. [uit het Duits <Arme Leute (1887)>] door A. van der Hoek. 211 p.
Dostojewsky F.M. 1888. De onderaardsche geest. Russische roman. <Chozjajka (1847) + Zapiski iz podpol’ja, 1864> Amsterdam: A. Rössing. Vert. [uit het Frans <L’esprit souterrain (1886)>] F. van Burchvliet. 270 p.
Dostojewsky F.M. 1890. De speler. (De gedenkschriften van een gouverneur). Russische roman. <Igrok, 1866> Den Helder-Amsterdam: J.H. van Balen – J.M. van Diemen. [Vert. uit het Duits <Der Spieler (1888)>] 242 p.
Dostojewsky F.M. 1891. Arme Nelly <Unižennye i oskorblënnye, 1861> Amsterdam: Holdert. Vertaald door C.A. La Bastide [uit het Duits <Erniedrigte und Beleidigte (1890)>] 182 p.
Dostojefsky F.M. 1891. Uit Siberië <Zapiski iz mërtvogo doma, 1860-62> Amsterdam: S. Warendorf Jr. [Vert. uit het Duits <Aus dem todten Hause (1886)>] 252 + 216 p.
Dostoievsky, F. 1895. Een misdaad. Russische roman. <deel van Prestuplenie i nakazanie, 1866>. [Amsterdam]: Het Volksdagblad. (Volksdagblad-bibliotheek) 320 p.
Dostojewski, F.M. 1904. Schuld en boete (Raskolnikow). <Prestuplenie i nakazanie, 1866> Amsterdam: C.L.G. Veldt-Van Holkema & Warendorf. Vert. [uit het Duits] door Petros Kuknos, [bewerking door G.H. Priem]. Van Holkema & Warendorf². 1910². 501 p. (Meesterwerken der buitenlandse romanliteratuur²). Nieuwe uitgave van <Schuld en boete, 1885>
Dostojefskiej F.M. 1906. Witte nachten. Sentimenteele roman. (Uit de herinneringen van een droomer). <Belye noči, 1848> Amsterdam: Maas & Van Suchtelen. 1906. Vert. Z. Stokvis. 139 p.
Dostojewski F.M. 1906. Uit het Doodenhuis. <Zapiski iz mërtvogo doma, 1860-62> Amsterdam: Cohen Zonen. Vert. [uit het Duits <Aus dem todten Hause (1890)>] door M. Faassen. 240 p.
Dostojewsky, F.M. 1906. Arme menschen. <Bednye ljudi, 1846> Amsterdam, Craft. 224 p. [= heruitgave van Arme menschen 1887]
Dostojewski F.M. 1907. De echtgenoot. <Večnyj muž, 1870> Amsterdam: Cohen Zonen. Vert. [uit het Duits <Der Hahnrei (1888)>] door M. Faasen. 146 p.
Dostojefsky, F.M. 1913. De gebroeders Karamazow. <Brat’ja Karamazovy, 1879-80> Amsterdam: Van Holkema & Warendorf. Vert. [uit het Frans <Les frères Karamazov (1888) + Les frères Karamzov (1906)>] door Anna van Gogh-Kaulbach. 442 p. [1915]², [1917]³, [1920]4. 369 + 304p. (De meesterwerken van F.M. Dostojefsky) 1e druk ook in luxe-band (442 p.) en als ‘Daalder’s Editie’.
Dostojewsky, F.M. 1930. De gebroeders Karamazow. <Brat’ja Karamazovy, 1879-80> Amsterdam: Hollandsch Uitgeversfonds. Ca. 1930 [?]. Verkorte en bewerkte tekst met illustraties van André Vlaanderen. 355 + 325 p.
Dostojefski, F.M. 1932. De gebroeders Karamazow. <Brat’ja Karamazovy, 1879-80> Amsterdam: Van Holkema & Warendorf. Onverkorte vert. uit het Russisch van Dr. A. Kosloff. 727 p.
Dostojewski, F.M. 1994. Verzamelde werken deel III. Aantekeningen uit het dodenhuis. De vernederden en gekrenkten. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Vertaald door H.A. Bendien.
Dostojewski, F.M. 1996. De eeuwige echtgenoot. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Vertaald door H. Leerink.
Dostojevski, F.M. 2005. De broers Karamazov. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Vertaald door A. Langeveld.
Fonvizin, Denis. 2009. De landjonker. Amsterdam: Pegasus. Vertaald door B. Sas.
Dostoïevsky, Th. 1884. Le crime et le châtiment. <Prestuplenie i nakazanie, 1866> Paris: Plon. Trad. par Victor Derély. 334 + 308 p.
Dostoïevsky, Th. 1884. Les humiliés et offensés. <Unižennye i oskorblënnye, 1861> Paris: Plon. Traduit par Ed. Humbert. 360 p.
Dostoïevsky, Th. 1886. Souvenirs de la maison des morts. <Zapiski iz mërtvogo doma, 1860-62> Paris: Plon. Traduit du russe par M. Neyroud. Préface par le Vte E. Melchior de Vogüé. 357 p.
Dostoïevsky, Th. 1886. L’esprit souterrain. <Chozjajka, 1847 + Zapiski iz podpol’ja, 1864> Paris: Plon.
Dostoïevsky, Th. 1887. L’idiot. <Idiot, 1868> Paris: Plon. Tome premier. Traduit par Victor Derély et précédé d’une préface par le Vte E. Melchior de Vogüé. 343 p.
Dostoïevsky, Th. 1888. Les frères Karamazov. <Brat’ja Karamazovy, 1879-80> Paris: Plon. Traduit et adapté par E. Halpérinsky et Ch. Morice. Avec un portret de Th. Dostoïevsky. 265 + 295 p.
Dostoïevski, 1906. Les frères Karamazov. <Brat’ja Karamazovy, 1879-80> Paris: Fasquelle. Traduit du russe par J.-W. Bienstock et Charles Torquet. Edition complète en un volume. 489 p.
Dostojewskij, Th. M. 1864. Aus dem todten Hause. Nach dem Tagebuche eines nach Sibirien verbannten. <Zapiski iz mërtvogo doma, 1860-62> Leipzig: Wolfgang Gerhard. Nach dem Russischen bearbeitet. 251 + 191 p.
Dostojewskij, F.M. 1882. Raskolnikow. <Prestuplenie i nakazanie, 1866> Leipzig: Friedrich. Nach der vierten Auflagen des russischen Originals: „Prestuplenie i nakazanie” übersetzt von Wilhelm Henckel. 297 + 267 + 309 p.
Dostojewski, Theodor. 1885. Erniedrigte und Beleidigte. Roman. <Unižennye i oskorblënnye, 1861> Berlin & Stuttgart: Verlag von W. Spemann. Aus dem Russischen übersetzt und mitt einer Einleitung versehen von Konstantin Jürgens. 226 p.
Dostojewski, Theodor. 1886. Aus dem todten Hause. Denkwürdigkeiten eines nach Sibirien Verbannten. <Zapiski iz mërtvogo doma, 1860-62> Dresden und Leipzig: Verlag von Heinrich Minden. Frei nach dem Russischen. 411 p.
Dostojewski, Theodor. 1887. Arme Leute. <Bednye ljudi, 1846> Dresden und Leipzig: Verlag von Heinrich Minden. Aus dem Russischen von A.L. Hauff. 248 p.
Dostojewski, Fedor. 1888. Der Hahnrei. Roman. <Večnyj muž, 1870> Berlin: Fischer Verlag. Deutsch von August Scholz. 251 p.
Dostojewski, F.M. 1890. Der Spieler. Aus den Erinnerungen eines jungen Mannes. <Igrok, 1866> Berlin: Verlag von Otto Janke. Aus dem Russischen übersetzt von L.A. Hauff. 288 p.
Dostojewski, F.M. 1890. Erniedrigte und Beleidigte. <Unižennye i oskorblënnye, 1861> Berlin: Verlag von Otto Janke. Aus dem Russischen übersetzt von L.A. Hauff. 292 p.
Dostojewski, F.M. 1890. Aus dem todten Hause. <Zapiski iz mërtvogo doma, 1860-62> Berlin: Otto Janke. Aus dem Russischen übersetzt von L.A. Hauff. 311 p.
Dostoieffski, Fedor. 1887. Injury and insult. <Unižennye i oskorblënnye, 1861> London: Vizetelly and Co. Translated from the Russian by Frederick Whishaw. 332 p.
Achmanova, O. S. 1968. Slovar’ lingvističeskich terminov. Moskva: Sovetskaja ėnciklopedija.
Amossy, Ruth & Herschberg Pierrot, Anne 2005. Stéréotypes et clichés. Langue, discours, société. Paris: Armand Colin.
Anbeek, Ton 1999. Geschiedenis van de literatuur in Nederland. 1885-1985. Amsterdam-Antwerpen: De Arbeiderspers. 5e, herziene druk.
Andringa, Els 2006. ‘Penetrating the Dutch Polysystem: The reception of Virginia Woolf, 1920-2000’. In Poetics Today. 27: 3. p. 501-68.
Anonymus in De Amsterdammer 1887. ‘De kerstboom’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 18 december 1887. № 547. p. 5. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Anonymus in De Amsterdammer 1888. ‘Crime et châtiment’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 23 september 1888. p. 3. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Anonymus in De Amsterdammer 1889. ‘Ibsen en Frankrijk’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 8 semptember 1889. № 637. p. 3. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Anonymus in De Amsterdammer 1890a. ‘Tooneel te Amsterdam’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 20 april 1890. p. 2. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Anonymus in De Amsterdammer 1890b. ‘Tooneel te Amsterdam’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 30 november 1890. № 587. p. 2. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Anonymus in De Amsterdammer 1891. [Bericht]. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 20 november 1891. № 756. p. 4. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Anonymus in De Amsterdammer 1895. ‘Weg met Ibsen!’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 3 februari 1895. № 919. p. 6. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Anonymus in De Amsterdammer 1908. ‘De Russische vrouwenziel’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 1908. № 1623. p. 5. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Anonymus in De Gids 1889. ‘Sturmfelts’. In De Gids. Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon. Jaargang 1889. p. 567-8. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Anonymus in De Gids 1897. ‘Bibliographie’. In De Gids. Amsterdam P.N. van Kampen & zoon. Jaargang 1897. Deel 3. p. 170. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Anonymus in De portefeuille 1881. ‘Necrologie’. In De portefeuille. Letterkundig weekblad. 1880-1881. Volume 2. p. 433.
Anonymus in De portefeuille 1888. ‘Russische toestanden’. In De Portefeuille. Weekblad voor tooneel en letteren. 1888-89. Deel 1. p. 12-3.
Anonymus in De portefeuille 1889. ‘Scandinavische literatuur’. In De Portefeuille. Weekblad voor tooneel en letteren. 1888-89. Deel 2. p. 405-6.
Anonymus in De tijdspiegel 1887. ‘F.W. [sic] Dostoïewsky. Arme menschen’. In De tijdspiegel. Volume III. p. 108-9.
Anonymus in Elsevier 1891. ‘Uit de studeercel der redactie’. In Elsevier’s geïllustreerd maandschrift. 1891. Deel 2 (juli-december). p. 409-12. Geraadpleegd via http://www.elseviermaandschrift.nl.
Anonymus in Elsevier 1892. ‘Uit de studeercel der redactie’. In Elsevier’s geïllustreerd maandschrift. 1892. Deel 1 (januari-juni). p. 309-12. Geraadpleegd via http://www.elseviermaandschrift.nl.
Anonymus in Elsevier 1896. ‘Uit de studeercel’. In Elsevier’s geïllustreerd maandschrift. 1896. Deel 2 (juli-december). p. 569-72. Geraadpleegd via http://www.elseviermaandschrift.nl.
Anonymus in Het centrum 1918a. ‘Witte nachten’. In Het centrum. № 3. 16 februari 1918. Geraadpleegd via http://kranten.kb.nl.
Anonymus in Het centrum 1918b. ‘De speler’. In Het centrum. № 3. 4 december 1918. Geraadpleegd via http://kranten.kb.nl.
Anonymus in Het leeskabinet 1887a. ‘De misleide, door Dostoiewski’. In Het leeskabinet. Mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen. 1887. p. 54-6.
Anonymus in Het leeskabinet 1887b. ‘Arme menschen, door F.M. Dostoiewsky’. In Het leeskabinet. Mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen. 1887. p. 143-4.
Anonymus in Het volk 1910. ‘Boekbeoordeling’. In Het volk. Zondag 27 maart 1910. Geraadpleegd via http://kranten.kb.nl/index.html.
Anonymus in Het volk 1911. ‘Boekbeoordeling’. In Het volk maandag 30 oktober 1911. p. 4. Geraadpleegd via http://kranten.kb.nl/index.html.
Anonymus in Het volk 1912. [advertentie]. In Het volk van dinsdag 26 november 1912. p. 4. Geraadpleegd via http://kranten.kb.nl/index.html.
Anonymus in Utrechtsch Nieuwsblad 1898a. ‘Mr. J.W. Spin te Veldrijk’. In Utrechtsch Nieuwsblad. Nieuws- en advertentieblad voor Utrecht. 10 oktober 1898. p. 9. Geraadpleegd via http://www.het utrechtsarchief.nl/collectie/kranten.
Anonymus in Utrechtsch Nieuwsblad 1898b. ‘Mr. J.W. Spin’. In Utrechtsch Nieuwsblad. Nieuws- en advertentieblad voor Utrecht. 24 oktober 1898. p. 2. Geraadpleegd via http://www.hetutrechtsarchief.nl/collectie/ kranten.
Anonymus in Utrechtsch Nieuwsblad 1898c. ‘Mr. J.W. Spin’. In Utrechtsch Nieuwsblad. Nieuws- en advertentieblad voor Utrecht. 1 november 1898. p. 6. Geraadpleegd via http://www.hetutrechtsarchief.nl/collectie/ kranten.
Arnault, M. 1902. ‘Dostoïevski: Un adolescent’. In La revue blanche. Tome XXIX. 1 Sept 1902. p. 69-73.
Aslanov, Cyril 1999. ‘Les voix plurielles de la traduction de Camus en hébreu’. In META. XLIV. № 3. p. 448-68. Geraadpleegd via http://www.erudit.org/revue/meta/1999/v44/n3/ 001910ar.pdf.
Babkin, A.M. et al. (red.) 1951. Slovar’ sovremennogo russkogo literaturnogo jazyka. Tom II. Moskva-Leningrad: Akademii Nauk SSSR.
Baetens, Jan & Vlasselaerts, Joris 1996. Handboek Culturele Studies. Concepten–Problemen–Methoden. Leuven-Amersfoort: Acco.
Bachtin, M.M. 1963. Problemy poėtiki Dostoevskogo. Moskva. 19291.
Bajenow, N. 1904. ‘G. de Maupassant et Dostoiewsky. Etude de psychopathologie comparée’. In Archives d’anthropologie criminelle. XIX. janvier 1904. p.1-39.
Barine, Arvède 1884. ‘Un grand romancier. Dostoievski’. In Revue politique et littéraire. (Revue bleue). № 26. 27 Déc. 1884. p. 801-7.
Bautz, Friedrich Wilhelm 1990. Biographisch-Bibliographisch Kirchenlexicon. Band I. Hamm Westf.: Traugott Bautz.
Béghin, Laurent 2007. Da Gobetti a Ginzburg. Diffusione e ricezione della cultura russa nella Torino del primo dopoguerra. Brussel-Rome: Belgisch Historisch Instituut te Rome.
Bel, Jacqueline 1993. Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Beller, Manfred 2007. ‘Germans’. In Beller, Manfred & Leerssen, Joep (red.) Imagology. The cultural Construction and literary representation of national characters. A critical survey. Amsterdam: Rodopi. p. 159-66.
Belov, S.V. 2010. F.M. Dostoevskij. Ėnciklopedija. Moskva: Prosveščenie.
Berg, Wim van den & Couttenier, Piet 2009. Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. 1800-1900. Amsterdam: Bert Bakker.
Bernstamm, Serge 1913. ‘Une enquête. Tourgueneff, Dostoiewsky ou Tolstoi?’. In La plume. 1 Nov. p. 204-6; 15 Déc. № 425. p. 269-74.
Bleibtreu, Carl 1887. ‘Ueber Realismus’. In Das Magazin für die Litteratur des In- und Auslandes. 56. Jahrgang. № 27. p. 385-7.
Bleibtreu, Carl 1973. Revolution der Literatur. Tübingen: Max Niemeyer Verlag. 18871.
Blok, Alexander & Kemball, Robin 1955. ‘The Scythians translated from the Russian’. In Russian Review. Vol. 14. № 2. p. 117-20.
Blom, Esther 1995. ‘Suchtelen (jonkheer), Nicolaas Johannes van’. In Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. 6 (1995). p. 213-8. Geraadpleegd via http://www.iisg.nl/bwsa/bios/suchtelen.html.
Boele, Otto 2006. ‘Složnye prodaži: russkaja literatura v Gollandii’. In Oktjabr’ 2006. № 10. Geraadpleegd via http://magazines.russ.ru/october/2006/10/bu9.html.
Boele, Otto 2010. ‘Het orakel van Rusland. Tolstoj, zijn volgelingen en de Nederlandse connectie’. In Tijdschrift voor Slavische literatuur. № 57. December 2010. p. 46-54.
Bogaert, Maarten 2006. ‘A la recherche de la traduction convenable. Oorlog en Vrede in het Nederlands’. In Waegemans, Emmanuel (red.). De taal van Peter de Grote. Russisch-Nederlandse contacten en contrasten. Leuven-Voorburg: Acco. p. 133-44.
Boland, Hans 2008. Zeer Russisch zeer. Over Dostojevski’s Duivels. Amsterdam: Triade.
Bork, G.J. van 2004a. ‘Dosfel, Lodewijk’. In Bork, G.J. van (red.). Schrijvers en dichters. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Bork, G.J. van 2004b. ‘Gogh-Kaulbach, Anna van’. In Bork, G.J. van (red.). Schrijvers en dichters. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Boulogne, Pieter 2007. ‘Béghin, Laurent. Da Gobetti a Ginzburg. Diffusione e ricezione della cultura russa nella Torino del primo dopoguerra’ [recensie]. In Slavica Gandensia. The International Review of the Belgian Centre for Slav Studies. № 34. p. 307-9.
Boulogne, Pieter 2008. ‘The Early Dutch Construction of F.M. Dostoevskij: From Translational Data Till Polysystemic Working Hypotheses’. In Boulogne, Pieter (red.). Translation and Its Others. Selected Papers of the CETRA Research Seminar in Translation Studies 2007. Geraadpleegd via http://www.kuleuven.be/cetra/papers/papers.html.
Boulogne, Pieter 2009. ‘The French Influence in the Early Dutch Reception of F.M. Dostoevsky’s Brat’ja Karamazovy’. In Babel. The International Journal of Translation. 55: 3. p. 264-84.
Boutchik, Vladimir 1934. Bibliographie des œuvres littéraires russes traduites en français. Paris: G. Orobitg & Cie.
Boutchik, Vladimir 1947. La littérature russe en France. Paris: Librairie Ancienne Honoré Champion.
Branden, F. Jos van den & Frederiks, J.G. 1891. Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. Amsterdam: L.J. Veen. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Brandes, Georg 1889. Dostojewski. Ein Essay. Berlin: Brachvogel & Ranft. Autorisierte Übersetzung von Dr. Paul Hermann. [= Deutsche literarische Volkshefte. № 3]
Brandes, Georg 1910. ‘Dostojefski’. In Vragen van den Dag. Maandschrift voor Nederland en Koloniën. Blink, Dr. H. (red.) Amsterdam: S.L. van Looy. № 25. p. 316-40.
Brink, Jan ten 1886. ‘Moderne Romanschrijvers. Theodoor Michaïlovitch Dostojewski’. In Brink, Jan ten & Loman Jr. J.C. et al. (red.). Nederland. Verzameling van oorspronkelijke bijdragen door Nederlandsche letterkundigen. 1886. Deel 2. p. 71-105.
Brink, Jan ten 1888. ‘Dostojewski’ in Blink, H. (red.). Vragen van den Dag. Populair tijdschrift op het gebied van staatshuishoudkunde. Amsterdam: C.L. Brinkman. p. 578-92.
Brink, Jan ten 1890. ‘Leo Tolstoi en zijne laatste novelle Beethoven’s sonate aan Keutzer’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. № 671. p. 3-4. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Brinkman, C.L. 1887. ‘De misleide door Dostojewski’ [uitgeversreclame]. In Deyssel, L. van. Een liefde. Tweede deel. Amsterdam: Brinkman. p. 191-2.
Brunetière, Ferdinand 1888. Le roman naturaliste. Paris: Calmann-Lévy.
Busch, Robert L. 1987. Humor in the Major Novels of F. M. Dostoevsky. Colombus: Slavica.
Busken Huet, Conrad 1886. ‘Nieuwe Russische letteren’. In Litterarische fantasien. Reeks 4. Deel 8. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink. p. 44-61. [Oorspronkelijk gepubliceerd in Nederland. 1885. Deel 3. p. 241-60.]
Busken Huet, Conrad & Brink, Jan ten 1964. Brieven aan de uitgever van het tijdschrift Nederland 1873-1886. Redactie: Brummel, L. Den Haag: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Campfens, Mies 1988. ‘MEIJ, Henriette Rosina Dorothea van der’. In Meertens, P. J. et al. (red.) Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Deel 3. 1988. Amsterdam: Stichting tot beheer van materialen op het gebied van de sociale geschiedenis. p. 139-43. Geraadpleegd via http://www.iisg.nl/bwsa/bios/meij.html.
Caprice 1905. ‘Allerlei’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 22 jan. 1905. № 1439. p 5. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Chamberlain, John L. Jr. 1949. ‘Notes on Russian Influences on the Nineteenth Century French Novel’. In The Modern Language Journal. Vol. 33. № 5 (May 1949). p. 374-83.
C-n 1882. ‘Raskolnikow. Roman von F.M. Dostojewsky’. In Die Gegenwart. № 26. Bd. 22 (Juli). p. 14.
Codde, Philippe 2003. ‘Polysystem Theory Revisited: A New Comparative Introduction’. In Poetics Today, Vol. 24. № 1. p. 91-126.
Colli, Giorgio & Montinari, Mazzino 1984. Friendrich Nietzsche Briefe. Januar 1887-Januar 1889. Berlin-New York: Walter de Gruyter.
Combes, Ernest 1896. Profils et types de la littérature russe. Paris: Fischbacher.
Conrad, Michael Georg 1974. ‘Von Büchertisch [Raskolnikow]’. In Hoefert, Sigfrid. (red.) Russische Literatur in Deutschland. Texte zur Rezeption von den Achtziger Jahren bis zur Jahrhundertwende. Tübingen: Max Niemeyer Verlag. p. 15-6. [=Heruitgave van ‘Von Büchertisch’ [Raskolnikow]. In Die Gesellschaft. 3 (1887). I Sem. p. 397-8.]
Conradi, Hermann 1974. ‘F.M. Dostojewski’. In Hoefert, Sigfrid. (red.) Russische Literatur in Deutschland. Texte zur Rezeption von den Achtziger Jahren bis zur Jahrhundertwende. Tübingen: Max Niemeyer Verlag. p. 17-29. [=Heruitgave van ‘F.M. Dostojewski’ In Die Gesellfschaft. 5 (1889). 2 Qtl. p. 520-30.]
Cooplandt, A. [= Prins, Arij] 1885. ‘Germinal van Emile Zola’. In De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland. № 407. p. 6-7; № 408. p. 10. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Copeau, Jacques 2006. ‘An den Überserzer Ely Halpérine-Kaminsky (1858-1936) in Paris’. In Autographen, Handschriften, Widmungsexemplare. Auktion in Basel. Basel: Moirandat Company AG.
Copeau, Jacques & Croué, Jacques 1911. ‘Les frères Karamazov. Drame en cinq actes. D’après Dostoïevski’. In L’illustration théatrale. № 179. p. 1-32.
Cornelissen, Micky 2001. Poëzie is niet een spel met woorden. De criticus Willem Kloos temidden van zijn tijdgenoten. Nijmegen: Vantilt. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Cornen, Frans 1912. ‘Kunst en letteren’ [recensie van De politie-spion door Maxim Gorki]. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 19 mei 1912. № 1821. p. 2. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Coster, Dirk 1919. ‘Dostojevski. La vie et l’œuvre de Dostojevski, par Serge Perski’. In De Gids. Jaargang 83. Deel 4. Amsterdam: P.N. van Kampen. p. 151-61, 310-21.
Coster, Dirk 1920. Dostojevski. Een essay. Arnhem: N.V. Uitgevers-maatschappij Van Loghum Slaterus & Visser.
Coster, Dirk 1921a. ‘Antwoorden op de Dostojevsky-enquête’. In De stem. Jaargang 1. Deel 2. Arnhem: Van Loghum. p. 1057-107.
Coster, Dirk 1921b. ‘Overzicht der antwoorden’. In De stem. Jaargang 1. Deel 2. Arnhem: Van Loghum. p. 1108-224.
Coster, Dirk 1921c. ‘Dostojevsky’s Schuld en boete’. In De stem. Jaargang 1. Deel 2. Arnhem: Van Loghum. p. 1132-48.
Coster, Dirk 1922a. ‘Nagekomen antwoorden van genoodigden’. In De stem. Jaargang 2. Deel 1. Arnhem: Van Loghum. p. 77-143.
Coster, Dirk 1922b. ‘Voor en tegen Dostojevsky. De laatste antwoorden’. In De stem. Jaargang 2. Deel 1. Arnhem: Van Loghum. p. 175-80, 259-288b.
Coudenys, Wim 1995. De literaire circuits en de organisatie van het Ruslandbeeld in België tijdens het interbellum. 2v. Diss. Doct. in de Slavische Filologie. K.U. Leuven. Faculteit Letteren. Departement Oosterse en Slavische studies.
Coudenys, Wim 2006. ‘“Wij Dostoievski-vereerders….” Gerard Walschap en de Russische literatuur’. In L. Missinne, L. & Vandevoorde, H. (red.). Gerard Walschap: regionalist of Europeeër? (1920-1940). Antwerpen-Apeldoorn: Garant. p. 107-23.
Courrière, C. 1875. Histoire de la Littérature contemporaine en Russie. Paris: Charpentier et Cie.
Cox, Roger L. 1980. ‘Dostoevsky and the ridiculous’. In Dostoevsky studies. Volume 1. 1980. p. 103-9.
Dal’, Vladimir 1862. Poslovicy ruskago naroda. Sbornik poslovic, pogovorok, rečenij, prislovij, čistogovorok, problutok, zagadok, noverij i proč. Moskva.
Dal’, Vladimir 1882. Tolkovyj slovar’ živago velikoruskago jazyka. S.-Petersburg-Moskva: M.O. Vol’f.
Delabastita, Dirk & D’hulst, Lieven (red.) 1993. European Shakespeares. Translating Shakespeare in the Romantic Age. Amsterdam-Philadelphia: John Benjamins Publishing Company.
Delabastita, D., Ghesquiere, R. & Gorp, H. van 1998. Lexicon van literaire termen. Groningen-Deurne: Martinus Nijhoff uitgevers-Wolters Plantyn.
Delabastita, Dirk & Grutman, Rainier 2005. ‘Fictional representations of multilingualism and translation’. In Delabastita, Dirk & Grutman, Rainier (red.). Fictionalising Translation and Multilingualism. Linguistica Antverpiensia. № 4. p. 11-34.
Delisle, Jean et al. (red.) 2003. Terminologie van de vertaling. Nijmegen: Vantilt. Vertaald en bewerkt door Bloemen, Henri & Segers, Winibert.
Deyssel, Lodewijk van 1971. ‘In memoriam Ary [sic] Prins’. In Prick, Harry G.M. (red.) Harry G.M. Prick en Lodewijk van Deyssel. De briefwisseling tussen Arij Prins en Lodewijk van Deyssel. Deel 2. Den Haag: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. [19221] p. 325-30. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
D’hulst, Lieven 1997. ‘La traduction: un genre littéraire à l’époque romantique?’. In Revue d’Histoire Littéraire de la France. 1997. Mai-Juin. № 3. p. 391-400.
Dmitrieva, Katia & Espagne, Michel (red.) 1996. Philologiques IV. Transferts culturels triangulaires France-Allemagne-Russie. Paris: Editions de la maison des sciences de l’homme.
Dorleijn, Gillis & Geest, Dirk de 2006. ‘Een of twee Nederlandse literaturen? Is dat wel een goede vraag? Enkele methodologische kanttekeningen’. In Internationale Fachtagung. Een of twee Nederlandse literaturen? Contacten tussen de Nederlandse en Vlaamse literatuur sinds 1830. Donnerstag, 7. Dezember 2006.
Dosfel, L. 1907. ‘Witte nachten door F. Dostojefsky’. In Dietsche Warande & Belfort. VII jrg. II halfjaar. p. 240-1.
Duijx, Toin & Linders, Joke 1991. De Goede Kameraad. Honderd jaar kinderboeken. Houten: Van Holkema en Warendorf.
Dukmeyer, Friedrich 1905. ‘Dostojewskij’s Einführung in Deutschland’. In Die Funken III. № 22. p. 685-8.
Dun, Paul van 1995. ‘Vorst, Hendrikus Johannes van’. In Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. 6 (1995). p. 230-4. Geraadpleegd via http://www.iisg.nl/bwsa/bios/vorst.html.
Dupuy, Ernest 1885. Les grands maîtres de la littérature Russe au dix-neuvième siècle. Les prosateurs: N. Gogol – I. Tourguénef – Comte L. Tolstoi. Paris: Lecène & Oudin.
Edgerton, William B. 1963. ‘The Penetration of Nineteenth-Century Russian Literature into the other Slavic Countries’. In American Contributions to the Fifth International Congress of Slavists. Sofia, September 1963. Volume II: Literary Contributions. The Hague: Mouton & Co. p. 41-78.
Eisner, Kurt. 1901. ‘Raskolnikow. Zu Dostojewskijs Bild’. In Socialistische Monatshefte. Heft 1. p. 48-52.
Ėjchenbaum, Boris 1913. ‘Dostoevskij v innostrannoj kritike’. In Severnye zapiski. 1913. № 4. p. 123-30.
Emants, Marcellus 1962. Brieven aan Frits Smit Kleine (red. Pierre H. Dubois). Den Haag Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Emerson, Caryl 1994. ‘Perevodimost’’. In The Slavic and East European Journal. Vol. 38. № 1. (Spring 1994). p. 84-9.
Engelsman, Jaap 2001. ‘Stoom- en krijgswezen: een zak-encyclopedietje uit 1906’. In De woordenaar. Nieuwsbrief van het Matthias de Vries-genootschap. Jaargang 5. № 1. Mei 2001. p. 10-4. Geraadpleegd via http://www.fryske-akademy.nl/fa/uitgaven/trefwoord/woordenaar /index-woordenaar/woordenaar9.pdf.
Ernest-Charles, J. 1902. ‘Un adolescent par Dostoïewski’. In Revue politique et littéraire. Revue bleue. Quatrième série. Tome XVIII. 39e année. 2e semestre. 1902. p. 377-9.
Ernst, Paul 1974. ‘Leo Tolstoi und der slawische Roman’. In Hoefert, Sigrid. 1974. Russische Literatur in Deutschland. Texte zur Rezeption von den Achtziger Jahren bis zur Jahrhundertwende. Tübingen: Max Niemeyer Verlag. p. 58-82. [Oorspronkelijk gepubliceerd in Deutsche Litterarische Volkshefte. 1889. № 1. Berlin: Brachvogel & Ranft.]
Espagne, Michel 1996. ‘Le train de Saint-Pétersbourg. Les relations culturelles franco-germano-russes après 1870’. In Dmitrieva, Katia & Espagne, Michel. (red.). 1996. Philologiques IV. Transferts culturels triangulaires France-Allemagne-Russie. Paris: Editions de la maison des sciences de l’homme. p. 311-35.
Etty, Elsbeth 1998. ‘Schuld en boete’. In NRC Handelsblad. Zaterdagsbijvoegsel. 10 januari 1998. Geraadpleegd via http://retro.nrc.nl/W2/Nieuws/1998/01/10/Ap/02.html.
Even-Zohar, Itamar 1978. ‘The Position of Translated Literature within the Literary Polysystem’. In Holmes, James S., et al. 1978. New Perspectives in Literary Studies with a basic Bibliography of books on Translation Studies. Leuven: Acco. p. 117-27.
Even-Zohar, Itamar 1990. Polysystem Studies. Tel Aviv: The Porter Institute for Poetics and Semiotics – Durham: Duke University Press. [= Poetics Today 11:1]
Faassen, S.A.J. van 2008. ‘Querido, Israël’. In Biografisch woordenboek van Nederland. Geraadpleegd via http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/querido.
Fasmer, M. 1971. Ėtimologičeskij slovar’ russkogo jazyka. Tom III (Muza-Sjat). Moskva: Izdatel’stvo Progress.
Fedorčenko, V.I. 2000. Imperatorskij dom. Vydajuščiesja sanovniki: Ėnciklopedija biografij. Tom 1. Krasnojarsk: Bonus.
Fleury, Jean 1881. ‘Deux romanciers russes contemporains. Dostoievskii et Pissemskii’. In Revue politique et littéraire. 1881. Feb. 26. p. 278-81.
Fontane, Theodor 1908. Von Zwanzig bis Dreißig. Entstanden 1894/1896. Berlin: F. Fontane.
Frank, Joseph 1979. Dostoevsky. The seeds of revolt. 1821-1849. Princeton: Princeton University Press.
Frank, Joseph 1986. Dostoevsky. The Stir of Liberation. 1860-1865. Princeton: Princeton University Press.
Frank, Joseph 1990. Dostoevsky. The years of Ordeal. 1850-1859. Princeton: Princeton University Press.
Frank, Joseph 1997. Dostoevsky. The Miraculous Years. 1865-1871. Princeton: Princeton University Press.
Frank, Joseph 2003. Dostoevsky. The Mantle of the Prophet. 1871-1881. Princeton: Princeton University Press.
Frank, S.L. 1931. ‘Dostoevskij i krizis gumanizma. (K 50-letiju dnja smerti Dostoevskogo)’. In O Dostoevskom. Moskva. p. 391-7.
Fueloep-Miller, Rene 1951. ‘Dostoevsky’s Literary Reputation’. In Russian Review. Vol. 10. № 1. (Jan., 1951), p. 46-54.
Geest, Dirk de 1996. Literatuur als systeem, literatuur als vertoog. Bouwstenen voor een functionalistische benadering van literaire verschijnselen. Leuven: Peeters.
Genette, Gérard 1987. Seuils. Paris: Editions du Seuil.
Gesemann, Gerhard 1931. ‘Dostojevskij in Deutschland’. In Slavische Rundschau. 1931. № 5. p. 318-23.
Gesemann, Wolfgang 1961. ‘Nietzsches Verhältnis zu Dostoevskij auf dem europäischen Hintergrund der 80er Jahre’. In Welt der Slaven.1961. Jahrgang 6. Wiesbaden. p. 131-46.
Gide, André 1923. Dostoïevsky. Paris: Plon.
Gielkens, Jan 1992. ‘Kaulbach, Anna Maria’. In Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland 5. p. 148-51. Geraadpleegd via http://www.iisg.nl/bwsa/bios/kaulbach.html.
Gigolašvili, Michail 2000. ‘Nemcy i nemeckoe v Prestuplenii i nakazanii F. Dostoevskogo’. In Kreščatik Meždunarodnyj literaturnyj žurnal. Vypusk 9. 2000. Geraadpleegd via http://www.kreschatik.nm.ru/9/24.htm.
Glorieux, Jean-Paul. 1982. Novalis dans les lettres françaises à l’époque et au lendemain du symbolisme (1885-1914). Leuven University Press.
Gobbers, Walter. 1984. ‘Dostojevski in Vlaanderen anno 1885: het andere receptiemodel’. In Spiegel der letteren. Tijdschrift voor Nederlandse literatuurgeschiedenis en voor literatuurwetenschap. 26e jaargang 1984. № 1-2. p. 2-16.
Gobbers, Walter. 1990. ‘Walschap en de les(sen) van Dostojevski’. In Vlaamse Gids. 74 (1990). 4 (juli-aug.). p. 40-5.
Gogh-Kaulbach, Anna van 1914. [Antwoord op de open brief van Stokvis (1914)]. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 1 maart 1914. № 1914. p. 2. Geraadpleegd via http://zyarchive. groene.nl/dga/.
Goldstein, David I. 1976. Dostoïevski et les juifs. Saint-Amand: Gallimard.
Gorp, H. van 1985. ‘De utopie van een omvattende literatuurgeschiedschrijving. Of hoe het zou moeten kunnen en toch niet echt kan…’. In Spiegel der letteren. Tijdschrift voor Nederlandse literatuurgeschiedenis en voor literatuurwetenschap. № 4. p. 245-62.
Gorp, Hendrik van & Lambert, José 1984. ‘On describing translations’. In Theo Hermans (red.). The Manipulation of Literature. Studies in Literary Translations. New York: St. Martin’s Press. p. 42-53.
Gorp, Rik van z.d. ‘De geschiedenis van DW B: 150 jaar jong’ Geraadpleegd via http://www.dwb.be/overdwb/geschiedenis.
Graadt, W. van Roggen 1907. ‘Stijn Streuvels, zijn leven en zijn werk door André de Ridder’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 22 december 1907. № 1591. p. 7. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Grit, Diederik 2004. ‘De vertaling van realia’. In Bloemen, Henri et al. (samenstelling en red.) Denken over vertalen. Tekstboek vertaalwetenschap. Utrecht: Vantilt. p. 279-86
Grübel, Rainer 2008. ‘De receptie van Dostoevskij in de Nederlandse en Vlaamse literatu(u)r(en) tijdens het interbellum’. In Grüttemeier, Ralf & Oosterholt, Jan (red.). Eén of twee Nederlandse literaturen? Contacten tussen de Nederlandse en Vlaamse literatuur sinds 1830. Leuven: Peeters. p. 47-67.
Grunberg, Arnon 2002. ‘De mailbox van Arnon Grunberg. Een kleine leugenaar’. In HUMO. Onafhankelijk Weekblad voor Radio en Televisie. 27 augustus 2002. № 3234. p. 139.
Grutman, Rainier 1997. Formes et fonctions de l’hétérolinguisme dans la littérature québécoise entre 1837 et 1899. Université de Montréal.
Guillerm, Luce 1996. ‘Les Belles Infidèles, ou l’Auteur respecté’. In Ballard, Michel & D’hulst, Lieven (red.). La traduction en France à l’âge classique. Collection UL3. Lille: Presses universitaires du septentrion. p. 23-42.
Hagemeyer, Kerstin 2002. Jüdisches Leben in Dresden. Ausstellung anlässlich der Weihe der neuen Synagoge Dresden am 9. November 2001. Berlin: Sächsische Landesbibliothek / Staats- und Universitätsbibliothek Dresden.
Haller, K. 1882. Geschichte der russischen Literatur. Riga/Dorpat: Verlag von Schnakenburg’s litho- und typogr. Anstalt.
Halpérine-Kaminsky, E. 1888. ‘La ‘Puissance des ténèbres’ sur le scène française’. In La nouvelle revue. 50 / 1 Febr. p. 621-9.
Halpérine-Kaminsky, E. 1901. Ivan Tourguéneff. D’après sa correspondance avec ses amis Français. Paris: Bibliothèque Charpentier.
Halpérine-Kaminsky, E. 1929. ‘Comment on a dû traduire Dostoïevsky’. In Dostoïevsky, Th. L’esprit souterrain. Paris: Plon. p. i-xxviii.
Halpérine-Kaminsky, E. 1930. ‘Preface’ In Dostoïevsky, Th. Le journal intime de Raskolnikov. Paris: Plon. p. 109-11.
Halpérine-Kaminsky, E. 1932. ‘Préface’ In Dostoïevsky, Th. Les frères Karamazov. Paris: Plon. p. 13-4.
Harmsen, Ger & Schrevel, Margreet 2001. ‘Heijermans, Herman’. In Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. 8 (2001), p. 76-85. Geraadpleegd via http://www.iisg.nl/bwsa/bios/heijermans-h.html.
Hauswedell, Ernst 1924. Auszug aus der Dissertation: Die kenntnis von Dostojewsky und seinem Werke im deutschen Naturalismus und der Einfluß seines Raskolnikow auf die Epoche von 1880-95. München: Ludwig-Maximilians-Universität. Philosophische Fakultät. I. Sektion.
Hayman, Ronald 1980. Nietzsche. A Critical Life. London: Weidenfeld and Nicolson.
Hehn, Victor 1864. ‘St. Petersburger Correspondenz’. In Baltische Monatschrift. Zehnter Band. Riga: Verlag von Nicolai Kymmel’s Buchhandlung. p. 161-80
Hellman, Ben 2008. ‘A Visitor and a Letter: Ivan Turgenev’s Finnish Contacts’ In Lindstedt, Jouko et al. (red.) Slavica Helsingiensia 35. S ljubov’ju k slovu. Festschrift in Honour of Professor Arto Mustajoki on the Occasion of his 60th Birthday. p. 59-67.
Hemmings, F.W.J. 1950a. ‘Dostoevsky in disguise. The 1888 French version of The Brothers Karamazov’ In French Studies. A Quaterly Review. Volume IV. Oxford: Basil Blackwell. p. 227-38.
Hemmings, F.W.J. 1950b. The Russian novel in France 1884-1914. Oxford: University Press.
Henckel, Wilhelm 1882a. ‘Vorwort des Übersetzers’. In Dostojewskij, F.M. Raskolnikow. Erster Band. Leipzig: Friedrich. p. v-viii.
Henckel, Wilhelm 1882b. ‘Feodor Michailowitsch Dostojewski’. In Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes. № 6. 4 Febr. 1882. p. 76-80.
Henckel, Wilhelm 1883. ‘Raskolnikow’ [besteld reclamestuk]. In Allgemeine Zeitung. 10 März 1883. p. 1015
Hennequin, Émile 1889. Écrivains francisés. Dickens-Heine-Tourguénef-Poe-Dostoïewski-Tolstoï. Paris: Perrin et Cie.
Hermans, Theo 1985. ‘Introduction Translation Studies and a New Paradigm’. In Hermans, Theo (red.). 1985. The Manipulation of Literature. Studies in Literary Translation. London-Sydney: Croom Helm. p. 7-15.
Hermans, Theo 1988. ‘Van “Hebben olla vogala” tot Ernst van Altena. Literaire vertaling en Nederlandse literatuurgeschiedenis’. In Van Den Broeck, Raymond (red.). 1988. Literatuur van elders. Over het vertalen en de studie van vertaalde literatuur in het Nederlands. Leuven-Amersfoort: Acco. p. 11-25.
Hermans, Theo 2004. ‘Sprekend ‘n vertaling’. In Naaijkens, Ton et al. (red.). 2004. Denken over vertalen. Tekstboek vertaalwetenschap. Nijmegen: Vantilt. p. 191-6.
Hermans, Theo (red.) 1985. The Manipulation of Literature. Studies in Literary Translation. London-Sydney: Croom Helm.
Hesse, Herman 2003. ‘Nachfort’. In Der Steppenwolf. Sämtliche Werke in 20 Bände. 4. Frankfurt am Main: Suhrkampf.
Hinrichs, Jan Paul 2005. Vader van de slavistiek. Leven en werk van Nicolaas van Wijk. 1880-1941. [Z.p.] Uitgeverij Bas Lubberhuizen.
H.N. 1887. ‘F.M. Dostojewsky, Arme menschen’ [recensie]. In De portefeuille. 1887-1888. p. 286.
Hoefert, Sigfrid 1974. Russische Literatur in Deutschland. Texte zur Rezeption von den Achtziger Jahren bis zur Jahrhundertwende. Tübingen: Max Niemeyer Verlag.
Hoffmann, Nina 1899. Th. M. Dostojewsky. Eine biographische Studie. Berlin: Ernst Hofmann & Co.
Holmes, James S. 1972. Name of Nature of Translation Studies. Amsterdam: Translation Studies Section, Department of General Literary Studies, University of Amsterdam.
Holmes, James S. 1978. ‘Describing Literary Translations: Models and Methods’. In Holmes, James S. et al. (red). Literature and Translation. New Perspectives in Literary Studies with a basic Bibliography of books on Translation Studies. Leuven: Acco. p. 69-82.
Holmes, James S. 1988. Translated! Papers on Literary Translation and Translation Studies. Amsterdam: Rodopi.
Holmes, James S. 2004. ‘De brug bij Bommel herbouwen’. In Naaijkens, Ton et al. (red.) Denken over vertalen. Tekstboek vertaalwetenschap. Nijmegen: Vantilt. p. 273-8.
Holmes, James S. et al. (red.) 1978. Literature and Translation: New Perspectives in Literary Studies. Leuven: Acco.
H……s 1907. ‘F.M. Dostojewsky, Arme menschen’. In Nederland. Proza en poëzie van Nederlandse auteurs. Deel 1. p. 485.
Huizen, G. van 1907. ‘Witte nachten van F.M. Dostojefskiej’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 13 oktober 1907. № 1581. p. 3. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Hulst, Jacqueline 1991. ‘Recente ontwikkelingen binnen de vertaalwetenschap: de doeltekst centraal’. In Colloquium Neerlandicum. № 11. p. 131-44. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Iaremenko, Nicolai 1996. ‘Le stéréotype de l’Allemand et du Français dans le folklore russe du XVIIIe au XXe siècle’. In Dmitrieva, Katia & Espagne, Michel (red.). 1996. Philologiques IV. Transferts culturels triangulaires France-Allemagne-Russie. Paris: Editions de la maison des sciences de l’homme. p. 231-44.
Ignat’ev, A. 2000. ‘Germanofilija – bolezn’ russkogo nacionalizma’. In Nacional’naja gazeta. № 4 (32), 2000. Geraadpleegd via http://www.sevastianov.ru/index.php?option=com_content &task=view&id=145&Itemid=109.
Jangfeldt, Bengt 2009. Een leven op scherp. De legendarische dichter Vladimir Majakovski 1893-1930. Amsterdam: Balans.
Jans, Rudolf 1952. Tolstoj in Nederland. Academisch proefschrift. Bussum: Uitgeverij Paul Brand N.V.
JBWP 1992. ‘Bibliografische aantekening’. In Gombrowicz, Witold. Ferdydurke. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep. p. 283.
Jürgens, Konstantin 1885. ‘Einleitung’. In Dostojewski, Theodor. Erniedrigte und Beleidigte. Roman. Berlin & Stuttgart: Verlag von W. Spemann. p. 5-6
Kampmann, Theodorich 1931. Dostojewski in Deutschland. Münster i Westf.: Helios-Verlag.
Karev, V. 1999. Nemcy Rossii. Ėnciklopedija. Moskva: ERN.
Kempenaer, A. de 1970. Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers. Vervolg op Mr. J.I. Doorninck’s vermomde en naamlooze schrijvers. Amsterdam: B.M. Israël. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Keßler, Nadine & Steltner, Ulrich (red.) 2008. Die Geschichte der russischen Literatur. Ein kritischer Überblick über Literaturgeschichten in deutscher Sprache. Jena: Institut für Slawistik der FSU.
Keyser, Marja et al. (red. en samenstelling) 2001. De zolders kraken! De uitgeversfamilie Cohen te Nijmegen, Arnhem en Amsterdam, 1824-1951. Amsterdam: Universiteitsbibliotheek Amsterdam.
Kingma, Jelle 1981. ‘Dostojevski in het Nederlands’. In Maatstaf. № 1. p. 151-84.
Kogut, Marina 2009. Dostoevskij auf Deutsch. Vergleichende Analyse fünf deutscher Übersetzungen des Romans Besy. Frankfurt a Main: Peter Lang.
Koller, Werner 1979. Einführung in die Übersetzungswissenschaft. Heidelberg: Quelle & Meyer.
Kropotkin, P. 1907. Idealen en werkelijkheid in de Russische literatuur. Gent: Ad. Herckenrath. Amsterdam: S.L. van Looy. Vertaald door Fanny Mac Leod-Maertens.
Kuiper, F.B.J. 1944. ‘N. van Wijk’. In Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1942-1943. Leiden: E.J. Brill. p. 156-68. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Laan, K. ter 1952. Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid. Den Haag-Djakarta: G.B. van Goor Zonen’s Uitgeversmaatschappij. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Laistner, Ludwig 1883. ‘Zur russischen Romanliteratur’. In Allgemeine Zeitung. 9 März 1883. p. 994-5.
Lambert, José 1983. ‘L’éternelle question des frontières: littératures nationales et systèmes littéraires’. In C. Angelet et al. (red.) Langue, dialecte, littérature. Etudes romanes à la mémoire de Hugo Plomteux. Leuven: University Press. p. 355-70.
Langeveld, Arthur 2005a. ‘Aantekeningen’. In Dostojevski, F.M. Verzamelde werken. De broers Karamazov. Amsterdam: G.A. van Oorschot. p. 947-59.
Langeveld, Arthur 2005b. ‘Nawoord bij de vertaling’. In Dostojevski, F.M. Verzamelde werken. De broers Karamazov. Amsterdam: G.A. van Oorschot. p. 961-2.
Langeveld, Arthur 2008. Vertalen wat er staat. Amsterdam/Antwerpen: Atlas.
Leerssen, Joep 2000. ‘The Rhetoric of National Character: A Programmatic Survey’. In Poetics Today 21: 2 (Summer 2000). p. 267-92.
Lefevere, André & Van Den Broeck, Raymond 1984. Uitnodiging tot de vertaalwetenschap. Muiderberg: Dick Coutinho. Tweede en herwerkte uitgave.
Léger, Louis 1907. Histoire de la littérature russe. Paris: Bibliothèque Larousse.
Leighton, Lauren G. 1984. ‘Translator’s Introduction: Kornei Chukovsky and A High Art’. In The Art of Translation: Kornei Chukovsky’s A High Art. Knoxville: The University of Tennessee Press.
Lemaître, Jules 1894. ‘De l’influence récente des littératures des Nord’. In Revue des deux mondes. 15 Déc. 1894. p. 847-72.
Leuven-Zwart, Kitty van 1984. Vertaling en origineel. Een vergelijkende beschrijvingsmethode voor integrale vertalingen, ontwikkeld aan de hand van Nederlandse vertalingen van Spaanse narrative teksten. Dordrecht: Foris Publications.
Linssen, Céline 2007. Verantwoording – De onbekende Mata Hari’. Geraadpleegd via http://www.augustus.nl/ result_titel.asp?Id=1570.
Loew, Roswitha 1991. Wilhelm Henckel – Ein Mittler Russischer Literatur und Kultur in Deutschland (1878-1910). Greifswald: Philosophische Fakultaet der Ernst-Moritz-Arndt-Universitaet. [Ongepubliceerd proefschrift]
Loghem, M.G.L. van 1907. ‘Levensbericht van Hendrik Jan Schimmel’. In Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1906-1907. Leiden: E.J. Brill. p. 142-70. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Loygue, Gaston 1904. Th.-M. Dostoïewsky. Etude médico-psychologique. Lyon-Paris: A. Storck.
Luft, Eric V.D. & Stenberg, Douglas G. 1991. ‘Dostoevskii’s specific influence on Nietzsche’s preface to Daybreak’. In Journal of History of Ideas. Vol. 52. № 3 (Jul.-Sep. 1991). p. 441-61.
Maas, Nop 1998. ‘Documenten over De Nederlandsche spectator’. In Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1996-1997. Leiden: Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. p. 52-81. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Maes, Francis 2006. Geschiedenis van de Russische muziek. Van Glinka tot Sjostakovitsj. Amsterdam: SUN. 2e editie.
Malkowskij, G. 1888a. ‘Der Hahnrei. Roman von F. Dostojewski’. In Die Gegenwart. № 26. p. 407-8.
Malkowskij, G. 1888b. ‘Die Besessenen von F.M. Dostojewski’. In Die Gegenwart. № 3. p. 42-4.
Martini, F. 1970. ‘Fragen der Literaturgeschichtsschreibung’. In Jahrbuch der internationalen Germanistik, 2 / 1. p. 47-53.
May, Rachel 1994. The Translator in the Text. On Reading Russian Literature in English. Evaston, Illinois: Northwestern University Press.
Meer, P. van der 1911. ‘Uit Parijs’. In Fischer, F. H. (red.) De samenleving. Nederlandsch weekblad. Jaargang 1. № 48. 27 mei 1911 Amsterdam: Algemeene Uitgevers Maatschappij. p. 649-50.
Meij, Henriëtte van der 1886. ‘Een tweede Silvio Pellico’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 15 augustus 1886. № 477. p. 5; 22 augustus 1886. № 478. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Meij, Wolfgang van der 1887. ‘De Russische schrijver Gogol en zijne werken’. In Nederland. 1887. p. 3-42, 121-54.
Meij, Wolfgang van der 1888a. ‘Een commentaar op Tolstoj’. In Los en vast. 1888. p. 1-34, 117-52, 207-50, 301-55.
Meij, Wolfgang van der 1888b. ‘Letterkundige kritiek’ [recensie van Litterarische fantasieën en kritieken van Cd. Busken Huet]. In De Nederlandsche spectator. April 1888. p. 153-5.
Meij, Wolfgang van der 1889. ‘Levensschets van Theodoor Dostojewsky’. In Los en vast. 1889. p. 1-40, 117-61, 251-302, 343-92.
Mesel, Benjamin De 2004. ‘Schuld en boete’: de oudste Nederlandse vertaling van ‘Prestuplenie i nakazanie’ (F.M. Dostoevskij) [Ongepubliceerde licentiaatsthesis]. Faculteit Letteren, Departement Oosterse en Slavische studies. Promotor: prof. dr. E. Waegemans.
Mewe, Tamara 2005. ‘Over het behoud van betekenis in vertaling. Onderwijzende mieren’. In Met Andere Woorden. 24 (4) p. 3-40. Geraadpleegd via http://www.bijbelgenootschap.nl/ fileadmin/content/maw/MAW_2005-4.pdf.
Meylaerts, Reine 2006. ‘Heterolingualism in/and translation. How legitimate are the Other and his/her language? An introduction’. In Target. 18:1. p. 1-15.
Miller, C. A. 1973. ‘Nietzsche’s “Discovery” of Dostoevsky’. In Nietzsche-Studien. Internationales Jahrbuch für die Nietzsche-Forschung. Band 2. Berlin-New York: Walter de Gruyter. 202-57.
Miltchina, Véra 2005. ‘La censure sous Alexandre Ier vue par un diplomate français’. In Martin, S. (red.) Les Premières Rencontres de l’Institut européen Est-Ouest, Lyon, ENS LSH, 2-4 décembre 2004. Geraadpleegd via http://russie-europe.ens-lsh.fr/article.php3?id_ article=66.
Minssen, Hans Friedrich. 1933. Die französische Kritik und Dostojewski. Bd. 13. Hamburg: Hamburger Studien zu Volkstum und Kultur der Romanen.
Moe, Vera Ingunn 1981. Deutscher Naturalismus und Ausländische Literatur. Zur Rezeption der Werke von Zola, Ibsen und Dostojewski durch die Deutsche Naturalistische Bewegung (1880-1895). [Proefschrift] Philosophische Fakultät der Rheinisch-Westfälischen Technischen Hochschule Aachen. Referent: H.-P. Bayerdörfer. Oslo.
Molenaar, Leo 2003. Marcel Minnaert, astrofysicus 1893-1970. De rok van het universum. Amsterdam/Leuven: Balans/Van Halewyck. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Mortier, Roland 1967. ‘La pénétration de la littérature russe à travers les revues belges entre 1880 et 1890’. In Revue belge de philologie et d’histoire. Tome 45. Fasc. 3. 1967. p. 777-94.
Mudde, Brenda 2007. Richardsons apostel in Nederland. Johannes Stinstra als vertaler en pleitbezorger van Samuel Richardsons Clarissa. [ongepubliceerde doctoraalscriptie] Promotor: prof. dr. E.M.P. van Gemert. Universiteit. Utrecht Nederlandse Taal en Cultuur. Specialisatie Historische Letterkunde.
Nabokov, Vladimir 1941. ‘The Art of Translation’. In The New Republic. 4 August. p. 160-2.
Necker, Moritz 1885. ‘F.M. Dostojewsky’. In Die Grenzboten. I. p. 342-53.
Neubert, Albrecht & Schreve, Gregory M. 1992. Translation as a Text. Kent-Ohio-London: Kent State University Press.
Newmark, Peter 1988. A Textbook of Translation. New York & London: Prentice Hall.
Nieboer, Attie 1916. ‘Russische literatuur. Dostoievsky’. In Eigen Haard. Geïllustreerd Volkstijdschrift 42. Amsterdam: J.H. de Bussy. p. 332-4, 373-4, 420-2.
N.J.B. 1886. ‘Schuld en boete’. In Het leeskabinet. Mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen. p. 64-7.
N.v. 1903. ‘Bibliografie’ [met recensie van Joyzelle van Maeterlinck]. In Buysse, Cyriel et al. (red.). 1903. Groot Nederland. Jaargang 1. Letterkundig Maandschrift voor den Nederlandschen stam. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf. p. 590-1 Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Orsucci, Andrea 2003. Nietzsches persönliche Bibliothek. De Gruyter.
P.H.d.C. [= P.H. de Clercq?] 1881. ‘De letterkunde in Rusland’. In De portefeuille. Letterkundig weekblad. 1881-82. Volume 3. p. 3-4.
Polet, Jean-Claude 2000. Patrimoine littéraire européen. Index général. Bruxelles: De Boeck Université.
Polianskaïa, Ludmila 2000. ‘Le français chez les écrivains russes’. In Felici, Isabelle (red.). Bilinguisme. Enrichissements et conflits. Paris: Honoré Champion. p. 263-6.
Pontmartin, A. de 1886. ‘Le roman russe en France. F-M. Dostoïevski: Crime et châtiment’. In Pontmartin, A. de. Souvenirs d’un vieux critique. Septième série. Paris: Calmann Lévy. p. 285-98.
Pontmartin, A. de 1888. ‘Dostoïevsky. Le vicomte E.-M. de Vogüé’. In Pontmartin, A. de. Souvenirs d’un vieux critique. Neuvième série. Paris: Calmann Lévy. p. 199-216.
Poort, Herman 1918. ‘Raskolnikow’. In Den Gulden Winckel. Jaargang 17 (1918). p. 67-72.
Poritzky, J.E. 1902. Heine, Dostojewski, Gor’kij. Leipzig: Richard Wöpke.
Prawda-Matka [= Van der Meij, Wolfgang] 1886. ‘De vermetelheid der wanhoop’ [recensie Schuld en boete, 1885]. In De portefeuille. 1886-87. Volume 8. p. 357-9.
Prick, Harry G.M. 1974. ‘Nawoord bij de her-uitgave van de eerste druk’. In Deyssel, Lodewijk van. Een liefde. Den Haag: Uitgeverij Bert Bakker. p. 1-29. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Prinsen 1914. ‘Brink, Jan ten’. In Molhuysen, P.C & Blok, P.J. (red.). 1914. Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 3. Leiden: A.W. Sijthoff. p. 170-3.
Procenko, E. A. 2005. ‘Vozmožna li repatricacija pri perevode?’. In Vestnik VGU, Serija Lingvistika i mežkul’turnaja kommunikacija. 2005. № 2. p. 124-8.
Proost, Dr. K. F. 1940. Georg Brandes. Inleiding tot zijn leven en werken. Arnhem: Van Loghum Slaterus’ U.M.
P.v.d.L. [= Meer, Petrus Balthasar Albertus van der] 1911. ‘Uit Parijs. V’. In Fischer, F.H. (red.) De samenleving. Nederlandsch Weekblad. Amsterdam. Algemene Uitgeversmaatschappij. 1e jaargang. № 48. 27 mei 1911. p. 649-50.
Querido, Israël 1908a. ‘Voor ‘t laatst zoekenden’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 19 januari 1908. № 1595. p. 10. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Querido, Israël 1908b. ‘Misdadigers en misdaad in den modernen roman. Een studie’. In Groot Nederland. Letterkundig maandschrift voor den Nederlandschen stam. Deel 1. p. 563-604, 693-721.
R.A.H. of F.C. Jr. 1894. ‘Buitenlandsche bibliographie’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 26 augustus 1894. № 896. p. 4. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Rayfield, Donald 2000. ‘A Virgil to his Dante: Gide’s reception of Dostoevsky’. In Forum for Modern Language Studies. XXXVI. № 1. January 2000. p. 340- 56.
Reinholdt, Alexander von 1882. ‘F.M. Dostojewski. 1821-1881’. In Baltische Monatschrift. Bd. XXIX. Heft 4. p. 253-76.
Reinholdt, Alexander von 1885. ‘Kritische Phantasieen über russische Belletristen’. In Das Magazin für die Litteratur des In- und Auslandes. Leipzig-Berlin. 54 Jhrg. № 32. p. 498-502; 512-14.
Reinholdt, Alexander von 1886. Geschichte der Russischen Litteratur. Von ihren Anfängen bis auf die neueste Zeit. Leipzig: Wilhelm Friedrich.
Rejser, S. A. 1968. ‘Vse my vyšli iz gogolevskoj šineli. Istorija odnoj legendy’. In Voprosy literatury. № 2. p.184-7.
Renner, Andreas 2000. Russischer Nationalismus und Öffentlichkeit im Zarenreich 1855-1875. Köln-Weimar-Wien: Böhlau Verlag.
Rensburg, J.K. 1900. ‘Résurrection de Leo Tolstoï’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 8 augustus 1900. № 1202. p. 4. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Reve, Karel van het 2008a. ‘Sovjet-annexatie der klassieken’. In Reve, Karel van het. Verzameld werk I. Autobiografische verhalen. Sovjet-annexatie der klassieken. Ongebundeld werk 1932-1958. Amsterdam: Van Oorschot. p. 133-293.
Reve, Karel van het 2008b ‘Literatuur en radicale kritiek in de Russische negentiende eeuw’. In Reve, Karel van het. Verzameld werk I. Autobiografische verhalen. Sovjet-annexatie der klassieken. Ongebundeld werk 1932-1958. Amsterdam: Van Oorschot. p. 458-479.
Reve, Karel van het 2008c. ‘Leskov zette “gewone Rus” op zijn praatstoel’. In Reve, Karel van het. Verzameld werk I. Autobiografische verhalen. Sovjet-annexatie der klassieken. Ongebundeld werk 1932-1958. Amsterdam: Van Oorschot. p. 626-8.
Reve, Karel van het 2008d. ‘Rusland voor beginners’. In Reve, Karel van het. Verzameld werk II. Twee minuten stilte. Nacht op de kale berg. Rusland voor beginners. Siberisch dagboek. Ongebundeld werk 1959-1968. Amsterdam: Van Oorschot. p. 321-472
Reve, Karel van het 2008e. ‘Stel dat Theun de Vries een roman schrijft. Fragmenten’. In Reve, Karel van het. Verzameld werk II. Twee minuten stilte. Nacht op de kale berg. Rusland voor beginners. Siberisch dagboek. Ongebundeld werk 1959-1968. Amsterdam: Van Oorschot. p.669-72.
Reve, Karel van het 2010. ‘Geschiedenis van de Russische literatuur’. In Reve, Karel van het. Verzameld werk V. Freud, Stalin en Dostojevski. Afscheid van Leiden. Geschiedenis van de Russische literatuur. Ongebundeld werk 1981-1984. Amsterdam: Van Oorschot. p. 375-844.
Ridder, André de 1907. Stijn Streuvels. Zijn leven en zijn werk. Amsterdam: L.J. Veen.
Ridder, Jan de 2008. ‘Meer de Walcheren, jhr. Petrus Balthasar Albertus van der (1880-1970)’. In Biografisch Woordenboek van Nederland. Geraadpleegd via http://www.inghist.nl/Onderzoek/ Projecten/BWN/lemmata/bwn3/meer_de_walchren.
Ringmar, Martin 2007. ‘Roundabout Routes. Some remarks on indirect translations’. In Mus, F. (red.). Selected Papers of the CETRA Research Seminar in Translation Studies 2006. Geraadpleegd via http://www.kuleuven.be/cetra/papers/papers.html.
Robbers, Herman 1904. ‘Bibliografie’. In Buysse, Cyriel et al. (red.). Groot Nederland. Jaargang 2. Letterkundig Maandschrift voor den Nederlandschen stam. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf. p. 621. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Robbers, Herman 1912. ‘Boekbespreking’ [Drabbe’s Onzichtbare leider]. In Elsevier. 1912. Deel 2. Juli-december. p. 486-8.
Robbers, Herman 1925. ‘Levensbericht van Arij Prins’. In Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1924-1925. 1925. Leiden: E.J. Brill. p. 38-48. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Roemans, Rob 1930. Bibliographie van de Moderne Vlaamsche Literatuur. 1830-1930. Eerste deel: De Vlaamsche Tijdschriften. Kortrijk: Steenlandt.
Roesen, Tine 2007. ‘Dostoevskij’s genres – Towards a differentiation’. In Danaher, David S. & Heuckelom, Kris Van (red). Perspectives on Slavic Literatures. Proceedings of the First International “Perspectives on Slavistics” Conference. Amsterdam: Pegasus. p. 141-60.
Roland-Holst-van der Schalk, Henriëtte 1977. Kapitaal en arbeid in Nederland. (Reprint vierde verbeterde en met een tweede deel vermeerderde druk uit 1932). Nijmegen: Socialistische Uitgeverij Nijmegen. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Rollard, G. 1882. ‘Dostojéwskys Roman Raskolnikow’. In Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes. № 21. 20 Mai 1882. p. 291-2.
Romein, Jan 1924. Dostojewskij in de Westersche Kritiek. Een hoofdstuk uit de geschiedenis van den literairen roem. Haarlem: Tjeenk Willink & Zoon.
Rössing, A. 1885. ‘Schuld en boete’ [advertentie]. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 27 december 1885. p. 16. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Rössing, A. 1887a. ‘Nieuwe romans’ [advertentie]. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 8 mei 1887. № 515. p. 8. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Rössing, A. 1887b. ‘Nieuwe uitgaven’ [advertentie]. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 3 juli 1887. № 523. p. 8. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Rössing, A. 1887c. ‘Nieuwe uitg.’ [advertentie]. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 11 december 1887. № 546. p. 8. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Rosus. 1884. ‘Ein russischer Roman’. In Die Neue Zeit. II. 1. p. 1-12
Salama-Carr, Myriam 1998. ‘French tradition’. In Baker, Mona (red.). The Routledge Encyclopedia of Translation. London-New York: Routledge. p. 409-15.
Sarcey, Francisque 1885. ‘Les livres’. In La nouvelle revue. Septième année. Tome 35. Juillet-août.
Schaeken, Jos 2007. ‘“Weest voor alles neerlandici!” Nikolaas van Wijk (1880-1941), slavist’. In Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. 123/3. 2007. p. 251-7.
Scheffer, H.J. 1988. ‘Rot, Adriaan’. In Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. 3. p. 177-8. Geraadpleegd via http://www.iisg.nl/bwsa/bios/rot-a.html.
Scheffer, H.J. 2008. ‘Holdert, Hendrikus Marinus Cornelis (1870-1944)’. In Biografisch Woordenboek van Nederland. Geraadpleegd via http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/ BWN/lemmata/bwn1/holdert.
Scheltjens, Werner 2006. ‘De vertaling an sich als vorm van receptie: een kwantitatief-institutionele benadering, uitgewerkt aan de hand van de Nederlandse literatuur in Russische vertaling’. In Object: Nederlandse literatuur in het buitenland. Methode: onbekend. Vormen van onderzoek uit het Nederlandse taalgebied. Teksten van de lezingen gehouden op het gelijknamige symposium, 29 en 30 oktober 2004 aan de Rijksuniversiteit Groningen, Broomans, Petra et al. (red.). Groningen: Barkhuis. p. 71-93.
Schenkeveld, Margaretha H. & Wiel, Rein van der (red.) 1995. Albert Verwey. Briefwisseling 1 juli 1885 tot 15 december 1888. Amsterdam: EM. Querido’s Uitgeverij.
Schiemann, Theodor 1905. ‘Hehn’ In Algemeine Deutsche Biographie. Nachträge bis 1899. Harkort-v. Kalchberg. Bd: 50. Leipzig. p. 115-21
Schoor, Rob van de 2000. ‘Hendrik Wolfgang van der Meij’. In Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 2, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Kuys, J.A.E et al. (red.). Verloren Hilversum. p. 69-71. Geraadpleegd via http://www.biografisch woordenboekgelderland.nl/bio/2_Hendrik_Wolfgang_van_der_Meij.
Schweikert, Werner 2003. Die russische und die Literaturen der früheren Sowjetrepubliken in deutscher Übersetzung. Teil 1 1880-1965. Eine Übersicht über deren Rezeption in deutscher Sprache. Flein bei Heilbronn: Verlag Werner Schweikert.
Segers, Gustaaf 1885. ‘Fedor Michaelowitch Dostoiewsky’. In Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle. Maandschrift. 1885. 2e en 3e aflevering. Antwerpen-Amsterdam. p. 89-100, 117-131.
Servaes, Franz 1900. ‘Dostojewskij’. In Die Zukunft. 12 mei 1900. p. 256-62.
Sichler, Léon 1886. Histoire de la littérature russe depuis les origines jusqu’à nos jours. Paris: A. Dupret.
Sijs, Nicoline van der 2001. Chronologisch woordenboek. De ouderdom en de herkomst van onze woorden en betekenissen. Amsterdam-Antwerpen: L.J. Veen.
Šiller, F. P. 1928. ‘Legenda o Dostoevskom v zapadno-evropejskoj literaturnoj kritike’. In Literatura i marksism. Žurnal teorii i istorii literatury. Kniga V. p. 95-106.
Simond, Charles 1891. ‘E.-M. de Vogüé’ In Gautier, Henri (red.). Nouvelle bibliothèque populaire. № 256. p. 397-8.
Smit Kleine, F. 1889. ‘Bijlage II. Jan ten Brink’. In Brink, Jan ten (red). Geschiedenis der Noord-Nederlandsche letteren in de XIXe eeuw. Deel 3. Amsterdam: Tj. van Holkema. p. 446-84. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Smit Kleine, F. 1914. ‘H. Wolfgang van der Mey’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 25 oktober 1914. № 1948. p. 3.
Smit Kleine, F. 1915. ‘Levensbericht van H. Wolfgang van der Meij. 1842-1914’. In Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, over het jaar 1914-1915. Leiden: E.J. Brill. p. 199-217. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Spin, Mr. J.W. 1898a. ‘Dostojewsky’. In De jonge gids. 1e Jaargang. p. 550-3.
Spin, Mr. J.W. 1898b. ‘Dostojewsky II’. In De jonge gids. 1e Jaargang. p. 630-40.
Steynen, J. 1907. ‘Tolstoi. Iwan de dwaas en andere vertellingen’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 29 september 1907. № 1579. p. 3. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Stokvis, J.E. 1950. ‘Zadok Stokvis’. In Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. 1947-1949. Leiden: E.J. Brill. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Stokvis, Zadok 1909. Inleiding tot de Russische literatuurgeschiedenis. Amsterdam: Maas & Van Suchtelen.
Stokvis, Zadok 1914. [Open brief] In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 1 maart 1914. № 1914. p. 2. Geraadpleegd via http://zyarchive.groene.nl/dga/.
Stouten, Hanna et al. 1999. Histoire de la littérature néerlandaise (Pays-bas et Flandre). Paris: Fayard.
Stratemeijer, H.J. 1886. ‘Vluchtige opmerkingen’ [recensie Schuld en boete]. In De lantaarn. Jaargang 1886. №23. Volume 2. p. 4-5.
Suarès, André 1913. Trois Hommes. Pascal, Ibsel Dostoïevski. Paris: Editions de la nouvelle revue française.
Suchet, Myriam 2009. Outils pour une traduction postcoloniale: Littératures hétérolingues. Paris: Editions des archives contemporaines.
Sv’atopolk [sic]-Mirskij, D. 1931. ‘Dostojevskij in Frankreich und England’. In Slavische Rundschau. № 5. p. 310-8.
Tavernier, Roger 1964. ‘Verminkte meesters’. In Bok. Kritisch tijdschrift. 1e jaargang (1964) 9. April. p. 2-15.
Tavernier, Roger 2000. ‘Rusland in de bibliotheek van Stijn Streuvels’. In Waegemans, Emmanuel (red.). Rusland-België. 1900-2000. Honderd jaar liefde-haat. Antwerpen: Benerus. p. 119-47.
Téléchova, Raïssa 2000. ‘Le lexique franco-russe dans les œuvres littéraires de deux pays’. In Felici, Isabelle (red.). Bilinguisme. Enrichissements et conflits. Paris: Honoré Champion. p. 267-71.
Teitelbaum, Salomon M. 1946. ‘Dostoyevski in France of the 1880’s’. In American Slavic and East European Review. Vol. 5. № 3/4 (Nov. 1946). p. 99-108.
Thomson, J. Jac. 1917a. De Russische ziel en de Westerse cultuur. Zeist: J. Ploegsma.
Thomson, J. Jac. 1917b. ‘Dostojefsky. Lezing gehouden op den Zomercursus te Barchem Aug. 1917’. In Omhoog. Onafhankelijk-godsdienstig tijdschrift. Jaargang 4. p. 221-38.
Thomson, J. Jac. 1918. ‘Dostojefsky’s cultuurbeteekenis’. In Eltheto. Orgaan der N.C.S.V. Jaargang 72. № 7. April 1918. p. 217-33.
Thorn, George W. 1915. ‘Dostojewski’s denkbeelden omtrent godsdienst’. In Wetenschappelijke bladen. Geschiedenis – maatschappelijke belangen – natuurwetenschappen – letterkunde. Een bloemlezing uit buitenlandse tijdschriften. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & zoon. Deel 4. p. 219-231
Thorn, George W. 1918. ‘De Russische revolutie en Dostojefskiej’. In Boonacker, J.F.H. & Gerrits, dr. G.C. (red.). Wetenschappelijke bladen. Geschiedenis – maatschappelijke belangen – natuurwetenschappen – letterkunde. Een bloemlezing uit buitenlandse tijdschriften. Deel 4. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & zoon. p. 33-42.
Timmer, Charles B. 1990. ‘Dostojevski’s romans en de joodse kwestie’. In Geld en goed bij Dostojevski. Vier essays. Amsterdam: De Arbeiderspers. p. 103-23.
Toury, Gideon 1980. In Search of A Theory of Translation. Tel Aviv: The Porter Institute for Poetics and Semiotics.
Toury, Gideon 1995. Descriptive Translation Studies and Beyond. Amsterdam-Philadelphia: John Benjamins Publishing company.
Troyat, Henri 1942. Dostoïevsky. Paris: Fayard.
Veen, P.A.F. van 1991. Etymologisch woordenboek. De herkomst van onze woorden. Utrecht-Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
Veresaev, V.V. 1933. Gogol’ v žizni: sistematičeskij svod podlinnych svidetel’stv sovremennikov. Moskva-Leningrad: Academia.
Verstraete-Vande Wiele, Heide 1995. ‘Streuvels vertaalt en vertaald’. In Jazyki i kul’tury. Materialy konferencii: Rossija, Bel’gija, Niderlandy. Taal en cultuur. Conferentie: Rusland en de Nederlanden. Moskva: VCP.
Vlachov, Sergej & Florin, Sider 2009. Neperevodimoe v perevode. Moskva: Vysšaja škola. 19861.
Voge, Noel 1957. ‘Dostoevskij as a Translator’. In The Slavic and East European Journal. Vol. 1. № 4. (Winter 1957). p. 251-9.
Vogüé, Eugène Melchior de 1884. ‘Le Comte Léon Tolstoï’. In Revue des deux mondes. 15 juli 1884. p. 267 e.v.
Vogüé, Eugène Melchior de 1885. ‘Les écrivains russes contemporains’. In Revue des deux mondes. №. 1. p. 312-56.
Vogüé, Eugène Melchior de 1886a. Le roman russe. Paris: Plon.
Vogüé, Eugène Melchior de 1886b. ‘Avertissement’. In Dostoïevsky, Th. Souvenirs de la maison des morts. Traduit du russe par M. Neyroud. Paris: Plon. p. i-xvi.
Vogüé, Eugène Melchior de 1886c. ‘Les livres russes en France’. In Revue des deux mondes. 1886. LVIe année. Troisième période. p. 823-41.
Vogüé, Eugène Melchior de 1887. ‘Avertissement’. In Dostoïevsky, Th. L’idiot. Traduit du russe par Victor Derély. Paris: Plon. p. i-ix.
Vogüé, Eugène Melchior de 1891. ‘Dostoievsky’. In Gautier, Henri (red.). Nouvelle bibliothèque populaire. № 256. p. 399-432.
Vogüé, Eugène Melchior de 1895. ‘La renaissance latine. Gabriel D’Annunzio: poèmes et romans’. In Revue des deux mondes. 1 Jan. 1895. p. 188-206.
Vogüé, Eugène Melchior de 1901. ‘Au seuil d’un siècle. Cosmopolitisme et nationalisme’. In Revue des deux mondes. 1 Fébr. 1901. p. 677-92.
Vormsbecher, G. G. 1999. ‘Rossijskie nemcy: u poslednej čerty?’. In Obščestvennye nauki i sovremennost’. № 2. p. 75-84.
Waegemans, Emmanuel 1988. ‘Russische literatuur in de Nederlanden. Vertaling en receptie’. In Van Den Broeck, Raymond (red.). Literatuur van elders. Over het vertalen en de studie van vertaalde literatuur in het Nederlands,. Leuven-Amersfoort: Acco. p. 57-61.
Waegemans, Emmanuel 1997. Russische literatuur van de 18e eeuw. Antwerpen: Benerus.
Waegemans, Emmanuel 1999. Geschiedenis van de Russische literatuur. Sinds de tijd van Peter de Grote. Amsterdam-Gent: Jan Mets-Scoop.
Waegemans, Emmanuel & Willemsen, Cees 1991. Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling 1789-1985. Bibliografija russkoj literatury v niderlandskom perevode 1789-1985. Leuven: Universitaire Pers.
Wage, H.A. 1985. ‘Brink, Jan ten’. In Bork, G.J. van & Verkruijsse, P.J. (red.). De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. Weesp: De Haan. p. 108. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Waij, Kees 2004. ‘Johan Hendrik van Balen’. In De Verniaan 31. Robur de veroveraar. Uitgave van het Jules Verne Genootschap. p. 36-41. Geraadpleegd via http://www.jules-verne.nl/verniaan/selectie/UitVerniaan31.pdf.
Waldmüller, Robert 1885. ‘Ein Russischer Roman. Die Brüder Karamasow’. In Blättern für literarische Unterhaltung. p. 566-8.
Waliszewski, K. 1900. Littérature russe. Paris: Librairie Armand Colin.
Warren, Hans & Molegraaf, Mario 1996. ‘Over de dichters’. In Waren, Hans en Molegraaf, Mario (samenstelling en red.) Voor verwende smaken. Nederlandse en Vlaamse gedichten uit het fin de siècle. Amsterdam-Antwerpen: Meulenhoff-Manteau. p. 130-43.
Weissbrod, Rachel 1998. ‘Translation Research in the Framework of the Tel Aviv School of Poetics and Semiotics’. In Meta. 43: 1. p. 35-45.
Wenguerow, Zinaide 1898. ‘Lettres russes’. In Mercure de France. Tome vingt-huitième. Octobre-Décembre. p. 545-52.
Wessen, Constant van 1912. ‘De misdadigers in de kunst’. In De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. 4 september 1912. № 1832. p. 6-7.
Wijk, Nikolaas van 1904. ‘De Hamlets van de Russische literatuur’. In De Gids. Jaargang 68. Serie 4. p. 127-64, 442-87.
Wijk, Nikolaas van 1907. ‘Over het Russische volkskarakter’. In De tijdspiegel. Volume 1. p. 155-80, 294-310.
Wijk, Nikolaas van 1908. ‘Russische indrukken’ In De Gids. Jaargang 72. № 1. p. 463-502.
Willemsen, Cees 1989a. ‘De receptie van de Russische literatuur in Nederland: 1789-1989, een verkenning (I)’. In Tijdschrift voor Slavische literatuur. № 4. p. 61-81.
Willemsen, Cees 1989b. ‘De receptie van de Russische literatuur in Nederland: 1789-1989, een verkenning (II)’. In Tijdschrift voor Slavische literatuur. № 5. p. 68-77.
Willemsen, Cees 1989c. ‘De receptie van de Russische literatuur in Nederland: 1789-1989, een verkenning (III)’. In Tijdschrift voor Slavische literatuur. № 6. p. 68-72.
Willemsen, Cees 1990. ‘De receptie van de Russische literatuur in Nederland: 1789-1989, een verkenning (IV)’. In Tijdschrift voor Slavische literatuur. № 7. p. 64-70.
Willemsen, Cees 1993. ‘Hendrik Wolfgang van der Mey (1842-1914), first Dutch Slavist. A forgotten pioneer’. In Braat, J. et al. (red.). Russians and Dutchmen. Prooceedings of the conference on the relations between Russia and the Netherlands from the 16th to the 20th century held at the Rijksmuseum Amsterdam, June 1989. Essays. Groningen. p. 183-206.
Willemsen, Cees 2004. ‘Heimwee naar de volksziel. De vroege ontvangst van Gogol in Nederland’. In Streven. Cultureel maatschappelijk maandblad. September 2004. p. 675-88. Geraadpleegd via http://www.streventijdschrift.be/artikelen/04/WillemsenGogol.htm.
Winckel-bediende, een 1918. ‘Anton Tchechow’. In De gulden winckel. Jaargang 17. № 11. p. 164-5.
Winckel-bediende, een 1921. ‘Flaubert en Dostojevski in Nederland. Naar aanleiding van de gedenkdagen van hun geboorte’. In De gulden winckel. Jaargang 20. p. 182-4. Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.
Wispelaere, Paul de 1974. Van stem tot antistem. Een historisch beeld van het tijdschrift De stem als brandpunt van humanistische en vitalistische stromingen in de Nederlandse literatuur tussen de twee wereldoorlogen. Deel I. Antwerpen: Universitaire Instelling Antwerpen.
Wittgenstein, Ludwig 1966. Tractatus Logico-Philosophicus, Logisch-philosophische Abhandlung. Duitsland: Suhrkamp Verlag.
Wolfgang [= Van der Meij, Wolfgang] 1886. ‘Letterkundige kroniek’ [recensie Schuld en boete, 1885]. In De Nederlandsche Spectator. ’s-Gravenhage: Mart. Nijhoff. p. 202
Wolfgang [= Van der Meij, Wolfgang] 1889a. ‘Letterkundige kroniek’ [recensie van Doode zielen en De onderaardsche geest]. In De Nederlandsche spectator. p. 150-1.
Wolfgang [= Van der Meij, Wolfgang] 1889b. ‘Letterkundige kroniek’. In De Nederlandsche Spectator. 20 april 1889. ’s-Gravenhage: Mart. Nijhoff. p. 125-6.
Wyzewa, Theodor de 1897. ‘L’invasion des russes dans la littérature russe’. In Ecrivains étrangers. Deuxième série. Paris: Perrin et Cie. p. 155-76. 18861.
Zabel, Eugen 1884a. ‘F.M. Dostojewski’. In Die Gegenwart. № 20. p. 307-9.
Zabel, Eugen 1884b. ‘Porträts aus dem russischen Literaturleben’. In Unsere Zeit. Deutsche Revue der Gegenwart. Neue Folge. Heft 19. p. 332-46.
Zabel, Eugen 1885. Literarische Streifzüge durch Rußland. Berlin: Verlag von A. Deubner.
Zabel, Eugen 1889. ‘F.M. Dostojewski’. In Deutsche Rundschau p. 361-91.
Zabel, Eugen 1899. Russische Litteraturbilder. Berlin: Allgemeiner Verein für Deutsche Litteratur.
Zajdman, Mosej 1911. F. M. Dostoevskij v zapadnoj literature. Charakteristika tvorčestva i ličnosti pisatelja v zapadnoj kritičeskoj i naučnoj literature. Odessa: Kul’berg i Kaplan.
Zeijden, Albert van der z.j. ‘De Dostojevski-cultus in de jaren twintig in Nederland’ [Bewerkte versie van het artikel in Historisch Nieuwsblad 3 (1994). № 1. p. 22-4]. Geraadpleegd via http://www.albertvanderzeijden.nl/dostojevski.htm.
Zuidema, R. 1914. ‘Brinkman, Carel Leonhard’. In Molhuysen, P.C & Blok, P.J. (red.). Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 3. Leiden: A.W. Sijthoff. p. 173-4.
Žukov, V.P. 1991. Slovar’ russkich poslovic i pogovorok. Moskva: Russkij jazyk.
[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de algemene inhoudstafel.]
In veel opzichten was de houding van de actoren van de Nederlandse literatuur tegenover Dostoevskij als de eigenzinnige bezweerder van de morele chaos, die hij vandaag voor velen is, er in de bestudeerde periode één van weerstand, desinteresse, lauw enthousiasme en instrumentalisering. De aard van de literaire kritiek en de belangwekkende verschuivingen in zijn werken die de selectie ter vertaling haalden, getuigen dat de tijd nog niet rijp was voor een rauwe en ongepolijste Dostoevskij. In de loop van de Eerste Wereldoorlog verschenen enkele vertalingen en secundaire publicaties die in hun totaliteit beschouwd aangeven dat de Russische schrijver langzaam aan betekenis won in de ogen van menig Nederlandse uitgever, lezer en criticus.
In tegenstelling tot de voorspellingen van Nieboer (1916), kende De gebroeders Karamazow van Anna van Gogh-Kaulbach een zeker succes: ondanks de materiële nood die de Eerste Wereldoorlog met zich meebracht verschenen hiervan niet enkel een heruitgave in 1915, maar ook in 1917. Een belangrijkere gebeurtenis was de publicatie in 1917 van Schuld en boete (Raskolnikow), een gloednieuwe vertaling van Prestuplenie i nakazanie, naar de titel te oordelen vermoedelijk uit het Duits. De vertaler was de veelzijdige literator Arnold Saalborn, die daarna nog een zestal andere Russische werken zou vertalen.[1] In hetzelfde jaar kreeg Witte nachten van Stokvis een heruitgave. Eveneens in 1917 verscheen in De Amsterdammer als feuilleton ‘Een paradoxaal mensch’,[2] een vertaling door C. Noordujn van ‘Paradoksalist’ uit Dnevnik pisatelja van april 1876. Duidelijk is dat de belangstelling voor dit verhaal geconditioneerd werd door de Eerste Wereldoorlog. Een dromerige figuur betoogt hierin immers dat oorlog een tijdelijk en noodzakelijk kwaad is, omdat volkeren hierin toenadering tot elkaar vinden. In 1918 was het de beurt aan De echtgenoot van M. Faassen om heruitgegeven te worden. In hetzelfde jaar publiceerde J.M. Meulenhoff twee nieuwe Dostoevskij-vertalingen: De speler en De eeuwige echtgenoot. Beide teksten waren vertaald door Siegfried van Praag, die zich zou ontpoppen tot een van de meest productieve Dostoevskij-vertalers die het Nederlandse taalgebied gekend heeft.[3]
De critici reageerden gemengd op de reeks Dostoevskij-vertalingen die in de loop van de Eerste Wereldoorlog het licht zagen. Terwijl Witte nachten aan Het centrum een positieve recensie ontlokte,[4] werd De speler door dezelfde krant ronduit vernietigend gerecenseerd. De gebruikte argumenten getuigen dat de zedelijke bezwaren tegen de Russische schrijver tenminste voor sommige Nederlandse critici nog altijd van tel waren:
In de bekende Meulenhoff-editie verschijnt de meest uiteenlopende litteratuur. De boekjes zijn welbekend en worden ook als spoorweglectuur veel verkocht. Juist daarom is het zaak er voorzichtig mede te zijn, want al wat er in voorkomt is lang niet geschikt voor iedereen. Naast de aantrekkelijke boekjes van ‘Ons mooie Nederland’ staat menige roman, die men beter gesloten zou laten. Zoo De speler van Dostojewski, wat groote litteraire klank zijn naam in de Russische letterkunde ook heeft. Zijn kijk op de Russische toestanden moge zeer mooi zijn, het is opwekkend noch stichtend. Men leze het liever niet. (Anonymus in Het centrum 1918b)
De recensie die Herman Poort in 1918 liet verschijnen in De gulden winckel naar aanleiding van de nieuwe vertaling Schuld en boete toont aan dat na de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog ook bewonderaars van Dostoevskij nog terughoudendheid voelden ten opzichte van bepaalde aspecten van diens proza: ‘De eigenlijke inhoud is, zooals men weet, weinig opwekkend en wel in staat om al te teerhartigen af te schrikken.’[5] De criticus vraagt de lezer echter op te passen ‘dat ge met het badwater niet ook het kind wegwerpt, want door het huiverend ontwijken der droevige uiterlijkheden van dit leven, snijdt ge iedere mogelijkheid af om iets te zien van de blinkende kern welke er in schuil gaat’. Zoals blijkt uit de analyse van Poort (1918: 71-2) omvat deze kern onder meer ‘het Goddelijk Erbarmen zelf, dat, waar ook ter wereld, immer zal blijven steunen en vertroosten de met zonde beladen mensch, die zóó diep vernederd, toch zóó moedig zijn last opneemt en het lijden aanvaardt als het eenige middel ter loutering’.
In zijn recensie van Schuld en boete reikt Poort (1918: 67) het Nederlandse leespubliek twee redenen aan om Dostoevskij te lezen. Ten eerste is hij vol bewondering voor de helende metafysische dimensie van Prestuplenie i nakazanie, wat begrepen kan worden als suggestie dat Dostoevskij een geschikte therapie is voor een volk dat getraumatiseerd was door de confrontatie met de Eerste Wereldoorlog. Ten tweede deelt hij mee dat ‘Ruslands hevig-bewogen politiek leven van den laatsten tijd’, waarmee hij uiteraard doelt op Russische revolutie, de belangstelling voor Russische literatuur heeft aangewakkerd. Gelijkaardige receptiemotieven zijn terug te vinden in een aantal Dostoevskij-studies die in de loop van de Eerste Wereldoorlog in Nederland gepubliceerd werden. Zo verschenen in 1915 en 1918 twee uit het Engels vertaalde studies van George W. Thorn in Wetenschappelijke bladen, dat de Nederlanders vertrouwd wilde maken met belangrijke buitenlandse tijdschriftbijdragen. De eerste was getiteld ‘Dostoewski’s denkbeelden omtrent godsdienst’. Hierin verzet Thorn (1915) zich hevig tegen de traditionele Dostoevskij-kritiek, omdat die zich volgens hem onterecht concentreert op de realistische schilderingen, psychologische inzichten, en documentaire waarde van de schrijver. Daarmee zou voorbij gegaan worden aan de essentie: dat het hem te doen was om de kracht van de godsdienst. De tweede studie van Thorn (1918) was veelbetekenend getiteld ‘De Russische revolutie en Dostojefskiej’. Enigszins in tegenspraak met zijn voorafgaandelijk artikel wordt hierin hoofdzakelijk aandacht besteed aan de capaciteiten van Dostoevskij als kenner van de psyche van het Russische volk. Meer concreet verdedigt de auteur zijn voor het Westen geruststellende gedachte dat de Russische revolutie niet mogelijk was zonder de door Dostoevskij beschreven ‘zwakheden in het nationale temperament’, namelijk het gebrek aan gevoel voor maat en de hang naar absurde extremiteiten van de Russen. Opvallend in de artikelen van Thorn, is dat hij ruime aandacht besteedt aan het rijpe oeuvre van Dostoevskij, meer bepaald aan Idiot, Besy en Brat’ja Karamazovy.
Terwijl de studies van Thorn in Wetenschappelijke bladen vertalingen waren, was er in Nederland ook één literator die nog tijdens de Eerste Wereldoorlog omvangrijke oorspronkelijke bijdragen leverde tot de popularisering van Dostoevskij als metafysisch schrijver: de theoloog en dichter Jan Jacob Thomson (1882-1961). Hij was zo sterk aangegrepen door de Russische schrijver, dat hij in 1915 een studie van het Russisch aanvatte. Onder invloed van talrijke Duitse Dostoevskij-vertalingen, met name van de rijpe werken Prestuplenie i nakazanie, Podrostok, Idiot, Besy, Brat’ja Karamazovy en Dnevnik pisatelja, schreef hij De Russische ziel en de Westersche cultuur, dat in 1917 gepubliceerd werd. De centrale gedachte van dit werk is dat de betekenis van Dostoevskij als verkondiger van de christelijke waarde voor het westerse geestesleven wel eens geweldig kon zijn, dat zijn proza een ‘christelijke vernieuwing’ zou kunnen inluiden.[6] Dezelfde stelling verdedigde hij in hetzelfde jaar met veel pathos, in een opgeschroefde, onverteerbare stijl, tijdens een lezing gehouden op een zomercursus, die geplaatst werd in het onafhankelijk-godsdienstige tijdschrift Omhoog. Daarin benadrukt hij dat waanzin, misdaad en dood de rode draad vormen van Dostoevskijs proza, maar dat de ‘storm der demonische krachten’ uiteindelijk tot ‘stilheid geleid’ wordt. Het uiteindelijke antwoord is immers Christus. In dit stuk gaat Thomson (1917b: 238) zover om te beweren dat de Russische schrijver de lezer helpt om het evangelie beter te begrijpen en ‘God nader’ te komen. Dezelfde ideeën zijn in gerijpte vorm aanwezig in het artikel ‘Dostojefsky’s cultuurbetekenis’ dat Thomson (1918) liet publiceren in Eltheto, het maandblad van de ‘Nederlandsche Christen-studenten’. Het vertrekpunt van deze tekst is de Eerste Wereldoorlog, ofwel ‘het gruwelijke en vreeselijke en ellendige van het heden’ dat ‘dag aan dag, dag en nacht door deze wereld krijscht en jammert’. Toch meent Thomson (1918: 218) dat hij ‘in een schoonen tijd’ leeft. Hij is er namelijk van overtuigd dat uit de destructie van de oorlogen iets nieuws geboren is: een ‘hoogere, sterkere, betere geestesgemeenschap’. Net als Nietzsche en Ibsen levert Dostoevskij kritiek op de oude geestesgemeenschap. Tegelijkertijd zit in zijn werk ‘het zaad der toekomst’. Hij kan namelijk helpen om de woorden God-mens-Christus opnieuw te zeggen. Uit zijn proza leidt Thomson (1918: 226) af dat de mens door het ‘mysterieuze lijden’ gedoopt en gesterkt zal worden ‘tot gemeenzaamheid eener goddelijke vreugde’.
Thomson was in die zin een visionair, dat hij als één van de eersten van zijn Nederlandse generatie Dostoevskij aanprees als metafysisch schild tegen de spirituele vertwijfeling waaraan ze onder invloed en in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog ten prooi dreigde te vallen. Dat de verschrikkingen van de oorlog gunstig waren voor de belangstelling voor de Russische schrijver, die in de periode van relatieve orde die eraan voorafging door velen nog ervaren werd als destabiliserend, blijkt ook uit enkele antwoorden op de eerder vermelde Dostoevskij-enquête van De Stem. Zo gaf Herman Wolf aan dat hij en zijn tijdgenoten na de Eerste Wereldoorlog in Dostoevskij geloof zochten ‘dat ons kon helpen de ontreddering en verscheurdheid, waaraan wij thans allen lijden, te boven te komen’.[7] Overigens was deze tendens niet exclusief Nederlands, maar algemeen-Europees.[8] Behalve de algemene geestelijke noden van de naoorlogse periode waren er nog twee andere omstandigheden die de Nederlandse receptie van Dostoevskij ten goede kwamen. De eerste wordt door Gobbers (1990: 41) bestempeld als ‘de literaire behoefte van vernieuwing binnen het [westerse] romangenre’. Hij wijst erop dat Dostoevskij in het naoorlogse Westen gehuldigd werd als ‘initiator van een geheel nieuwe romanconceptie, die gedaan maakte met het rechtlijnige, auctorieel geleide verhaal over voorspelbare type-karakters; in de plaats daarvan kwam een chaotisch en verontrustend universum ervaren door de complexe én gecomplexeerde psyche van de ontredderde, getormeneerde, belaste, ja zieke zielen – afbeelding van de onzekere, vervreemde mens in de moderne wereld’. Tot slot konden boekuitgevers en critici inspelen op het eenvoudige feit dat Dostoevskij in 1921 precies een eeuw eerder geboren was.
Grafiek 3. Dostoevskij in Nederlandse vertaling
De gunstige naoorlogse receptiefactoren zorgden in West-Europa tussen 1920 en 1925 voor een boom van Dostoevskij-vertalingen, die in Nederland tot de Tweede Wereldoorlog onovertroffen zou blijven (zie grafiek 3[9]). Niet minder dan zeventien Nederlandse vertalingen werden in deze periode gepubliceerd. Slechts één daarvan was een heruitgave van een werk dat voor het interbellum verschenen was: De gebroeders Karamazow van Van Gogh-Kaulbach. Vijf titels, De vernederden, De eeuwige echtgenoot, De jonge hospita, Schuld en boete en Uit het duister der groote stad, gaan terug tot werken die al eerder waren vertaald.[10] Het overgrote deel van de vertalingen betrof echter werken die nu pas voor het eerst in het Nederlands beschikbaar werden gesteld. Tot deze groep behoorden de novellen en kleine romans Selo Stepančikovo i ego obitateli, Netočka Nezvanova, Dvojnik, Čestnyj vor, Malen’kij geroj en Čužaja žena i muž pod krovat’ju, maar ook de rijpe, filosofisch gekleurde werken Besy en Idiot, en selecte essays uit Dnevnik pisatelja. Interessant is dat de praktijk van de onrechtstreekse vertaling, hoewel nog niet volledig van de markt gebannen, niet langer de norm was: Van Praag nam Booze geesten voor zich, en Thomson, wiens Russisch intussen op punt stond, verzorgde De idioot.[11]
Tegelijkertijd stond in West-Europa een nieuwe generatie literatoren op die met de Russische schrijver dweepten. Niet weinigen vereerden hem als een profeet van een nieuw soort christendom en zijn oeuvre als een modern evangelie. Deze interpretatie lag in het verlengde van de vooroorlogse Nederlandse beeldvorming van Dostoevskij, waarin de satirische en polyfone tekstkenmerken verwaarloosd waren ten voordele van het zedelijk hoogstaande. In het Nederlandse taalgebied was de essayist, criticus en toneelschrijver Dirk Coster (1887-1956)[12] de aanvoerder van deze Dostoevskij-cultus. In zijn essay Dostojevski, dat in 1919 verscheen in De Gids en een jaar later afzonderlijk uitgegeven werd, pleitte hij voor een radicaal nieuwe, niet-literaire benadering van de Russische schrijver.[13] Essentieel in zijn opvatting was dat Dostoevskij ‘geen vreemde of marginale figuren’ beschreef, maar wel ‘de moderne mens in al zijn verscheurdheid’.[14] Als spreekbuis gebruikte hij ook het door hemzelf mede opgerichte tijdschrift De stem, dat zich ook tot Vlaanderen richtte. De Dostoevskij-cultus vond ook daadwerkelijk weerklank in de literaire kritiek van Nederlandstalig België, die voor 1920 nauwelijks aandacht had besteed aan de Russische schrijver.[15] Zo kon de hernieuwingsbeweging Katholieke Actie zich uitstekend vinden in Dostoevskijs credo van berusting, al koesterde ze grote bezwaren tegen zijn gebrek aan helderheid.[16] Overigens was de weerstand tegen de Russische schrijver in Nederland zelf ook nog niet gebroken. Zo stelde Coster (1921b: 1121) op het hoogtepunt van de Dostoevskij-cultus nog altijd een sterk ‘verzet in naam van de zedelijke ordening’ vast. Het is echter onmogelijk de uiteindelijke balans op te maken van de naoorlogse receptie van de eigenzinnige Russische schrijver, aangezien de vertalingen die in deze periode verschenen nog niet aan descriptief onderzoek onderworpen zijn.
[1] Zie Waegemans & Willemsen (1991: 386).
[2] Dit verhaal werd geplaatst in De Amsterdammer № 2107 (10 Nov. 1917, p. 3).
[3] In totaal heeft Van Praag tien verschillende Dostoevskij-vertalingen op zijn naam staan. Zie Waegemans & Willemsen (1991: 386).
[4] Op 16 februari 1918 taxeerde een anonieme recensent van de krant Het centrum (1918a) deze vertaling als ‘geen meisjesliteratuur, maar een mooi boekje voor wie met Russische schrijvers wil kennis maken’.
[5] Poort (1918: 67).
[6] Thomson (1917a: 139-40).
[7] Cursivering toegevoegd. Coster (1921a: 1104).
[8] Zie Romein (1924: 179).
[9] Deze grafiek is gebaseerd op gegevens afkomstig uit de bibliografie van Waegemans & Willemsen (1991).
[10] Namelijk Unižennye i oskorblënnye, Večnyj muž, Chozjajka, Prestuplenie i nakazanie, en Zapiski iz podpol’ja.
[11] Zie Waegemans & Willemsen (1991: 159, 165).
[12] Coster dankte zijn kennismaking met Dostoevskij aan het essay ‘Trois hommes: Pascal, Ibsen, Dostojevsky’ van André Suarès (1913), zo meldt De Wispelaere (1974: 18).
[13] Coster (1919, 1920).
[14] Van der Zeijden (2009).
[15] Zie Coudenys (1995: 55, 57).
[16] Zie idem (2006: 108).
[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de inhoudstafel.]
De in dit boek voorgestelde onderzoekresultaten laten zich in de volgende regels samenvatten. In de Duitse en Franse literaturen werd Dostoevskij in het midden van de jaren 1880 vooral om zijn aandacht voor sociale excessen en christelijk geïnspireerde naastenliefde ervaren als een belangrijke correctie en aanvulling op het eigen repertoire, dat de eigentijdse behoeften niet langer kon bevredigen. Vandaar dat hij op slechts enkele jaren tijd, ondanks talrijke esthetische bezwaren, in het centrum van deze literaturen gekatapulteerd werd, waar hij een primaire functionele rol zou spelen. Zowel in Duitsland als in Frankrijk groeide na verloop van tijd de weerstand tegen de Dostoevskij-hype, maar de canonisering was een voldongen feit. Het was te danken aan zijn stormachtige succes in de Duitse en Franse literaturen dat hij in het vizier kwam van de Nederlandse uitgevers, en dat het hem toegestaan werd om ten minste met bepaalde werken de grenzen van de Nederlandse literatuur te penetreren. Zijn vroege Nederlandse receptie was echter geen eenduidig succesverhaal. De enthousiastelingen, die zich vooral in het kamp van de francofielen bevonden, waren dun gezaaid. De kritische bespreking en de vertaling van Dostoevskijs werken werden systematisch overgelaten aan niet-gespecialiseerde actoren. De critici, die zelden geïnteresseerd waren in een zuiver literaire benadering van de Rus, herkauwden de interpretaties en de esthetische bezwaren van de toonaangevende buitenlandse critici, met name De Vogüé. Bovendien uitten zij gewichtige ethische reserves. De vastgestelde conservatieve weerstand verklaart tenminste gedeeltelijk waarom de Russische schrijver in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog weinig literair prestige genoot in de Nederlandse literatuur. Gezien zijn perifere positie is het logisch dat hem een conservatieve en geen innovatieve functionele rol werd toebedeeld. In overeenstemming hiermee trachtten de Nederlandse vertalers om van Dostoevskij een gemakkelijker verkoopbaar product te maken. Dit deden ze door slechts bepaalde teksten te selecteren, door zich te beroepen op filterende intermediaire teksten, door zijn veronderstelde gebreken te verbloemen en door de meest gunstige interpretaties van de critici te privilegiëren. Dit streven naar acceptabiliteit ging gepaard met spectaculaire verschuivingen, zowel op macrostructureel als op microtekstueel niveau, in kleinere en in grotere werken. Uit de totaliteit van de doelteksten komt dan ook een grondig verschillend beeld van de schrijver naar voren in vergelijking met zijn oorspronkelijk verzameld werk. Deze constructie, die onder de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid viel van lezers, critici, vertalers en uitgevers, liet weinig of geen ruimte voor een appreciatie van Dostoevskijs venijnige satire, polyfone schrijfstijl en obsessie voor het moreel bedenkelijke.
Een parallel dringt zich op tussen de hierboven beschreven bevindingen en de uitkomsten van Karel van het Reve’s (2008a: 262) dissertatie Sovjet-annexatie der klassieken. Na een analyse van literatuurwetenschappelijke Sovjetteksten kwam hij tot de vaststelling dat het beeld van de klassieke auteurs, waaronder Dostoevskij, na een periode van initiële weerstand in secundaire teksten aangepast werd tot het in het communistische kraam paste. Daarbij was er sprake van een versmelting van esthetische en ethische appreciaties. Hoewel Van het Reve hiertegen zelf waarschuwde, kunnen zijn conclusies aanleiding geven tot de vleiende gedachte dat dergelijke annexaties de vrije maatschappijen van het Westen vreemd zijn. In dit proefschrift is echter aangetoond dat Dostoevskij ook in de Nederlandse literatuur van voor 1914, waarvan de boekenmarkt hoofdzakelijk gestuurd werd door de kapitalistische logica van vraag en aanbod, na een periode van initiële weerstand onder invloed van conservatieve tendensen tot voorwerp werd gemaakt van grootschalige manipulatie. Ook hier was sprake van een versmelting van ethische met esthetische oordelen. Gezien de bijzondere omstandigheid dat Dostoevskij vertaald moest worden om gelezen te kunnen worden, bleef deze manipulatie bovendien niet beperkt tot secundaire teksten, maar omvatte die ook de selectie van de te vertalen teksten en de vertaalstrategieën. Als gevolg hiervan verkeerden de lezers in Nederland in de onmogelijkheid zich een eigen mening te vormen over de authentieke Dostoevskij. In dat opzicht waren ze dus meer van hem afgesneden dan in het door marxisme-leninisme geterroriseerde Rusland het geval was.
Het is nog maar de vraag of de erfenis van deze gemanipuleerde beeldvorming heden volledig is afgeschud, ook al is in de loop van de voorbije eeuw een enorme hoeveelheid nieuwe Nederlandse Dostoevskij-vertalingen verschenen.
[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de algemene inhoudstafel.]
| IV. De vertalingen (deel 1 en deel 2) |
| Inleiding |
| 1 Genealogie |
| 2 Technische periteksten |
| 3 De titelpagina |
| 4 Opdracht en motto |
| 5 Het voorwoord |
| 6 Macrostructuur |
| 7 Couleur locale |
| 8 Heteroglossen en gebroken taal |
| 9 Spot met minderheden en buitenlanders |
| 10 Fatsoenerende ingrepen |
| Besluit |
een strikt begrip van ‘heterolingualisme’
Indien heterolingualisme in literaire teksten heden, in scherpe tegenstelling tot de jaren 1980, geconsolideerd wordt als onderzoeksobject, dan is dit grotendeels te danken aan de vertaalwetenschap en de postkoloniale studies – twee relatief nieuwe onderzoeksdomeinen die een kritische houding aannemen tegenover het romantische paradigma van de zogezegd nationale culturen. Behalve de ‘cultural turn’ in de menswetenschappen, die de eentalige logica in diskrediet heeft gebracht,[538] hebben ook minder algemene factoren bijgedragen tot de hedendaagse belangstelling voor heterolingualisme. In dit verband wijzen Grutman en Delabastita (2005: 11) op het belang van de studie van Deleuze en Guattari over de deterrioraliserende macht van de taal en van de beroemde kritiek van Michail Bachtin op de monologische en monoglossische tendensen van het westers denken.
Hoewel heterolingualisme als literair fenomeen tegenwoordig in brede kringen beschouwd wordt als een legitiem onderzoeksobject, is de stoet van auteurs die zich erover gebogen hebben er in geen enkele taal in geslaagd om een terminologische consensus te bereiken. Een blik op de gebundelde samenvattingen van het internationale colloquium Translation in multilingual cultures[539] volstaat om in te zien dat de Franse termen – indien men bij gebrek aan consensus überhaupt van termen spreken kan – variëren tussen ‘plurilinguisme’, ‘multilinguisme’ en ‘hétérolinguisme’. In het Engels worden de parallelle termen ‘plurilingualism’, ‘multilingualism’ en ‘heterolingualism’ evenzeer door elkaar gebruikt. Hiervan worden respectievelijk de begrippen ‘pluriglossia’, ‘multiglossia’ en ‘heteroglossia’ afgeleid. In de meeste artikelen wordt de interpretatie van deze begrippen overgelaten aan de lezer zelf. In de weinig frequente gevallen dat er toch een definitie wordt verstrekt, is deze meestal dermate flexibel, dat de epistemologische vaagheid blijft voortbestaan.
Bijvoorbeeld Grutman (1997: 37), die beschouwd kan worden als de geestelijke vader van het Franse begrip ‘heterolinguisme’, concipieert dit fenomeen als ‘la présence dans un texte d’idiomes étrangers, sous quelque forme que ce soit, aussi bien que de variétés (sociales, régionales ou chronologiques) de la langue principale’. Voortbouwend op deze definitie pleiten Grutman en Delabastita (2005: 15) voor een open notie van ‘multilingualism’, wat hand in hand gaat met een radicaal open notie van taal. Dit ogenschijnlijk helder begrip is niet langer beperkt tot ‘a diyalekt mit an armey un a flot’, zoals de beroemde formulering van Weinrech in het Jiddische origineel luidt, maar strekt zich tevens uit over ‘the incredible range of subtypes and varieties existing within the various officially recognised languages’.[540]
Een dergelijk flexibele definitie van ‘multilingualism’ kan verdedigd worden, zeker vanuit een theoretisch standpunt. Zo relativeert ze impliciet de kentheoretische waarde van de officiële taxonomie van de talen. Wanneer men bij descriptief onderzoek heteroglossen wil lokaliseren in een gegeven literaire brontekst, bijvoorbeeld met de bedoeling om de vertaling ervan te bestuderen in een doeltekst, is het echter praktisch om een striktere definitie van heterolingualisme te hanteren. Anders loopt men het risico om literaire fenomenen die formeel en functioneel gesproken verscheiden zijn onder te brengen in eenzelfde categorie.
Nog problematischer is het te onderkennen feit dat de interne stratificatie van een taal een dynamisch continuüm vormt. Het is dus moeilijk, zelfs onmogelijk om in een literaire tekst, in een passage of in een zin feitelijk vast te stellen waar de standaardtaal (langue) eindigt en het gebruik van andere talen (langages) begint. Met een open begrip van heterolingualisme kunnen bijzonder veel taaluitingen beschouwd worden als heteroglossen, of kan hierover tenminste discussie bestaan. Op die manier is er geen beginnen aan een exhaustieve descriptieve studie van (de vertaling van) heteroglossen in een bepaalde literaire tekst. Vandaar dat het in een studie zoals deze nuttig kan zijn om terug te grijpen op een klassiek, strikt onderscheid, zoals dat van Vlachov & Florin (2009), tussen enerzijds het concept ‘heterolingualisme’, dat enkel de categorisering van de officieel erkende talen betreft, en anderzijds het concept ‘niet-standaardtaal’, dat uiteenvalt in onder meer spreektaal, dialect, jargon en gebroken talen als kindertaal of migrantentaal. In dit proefschrift wordt heterolingualisme dus exclusief opgevat als de aanwezigheid in een literaire tekst van woorden, zinsdelen en zinnen in een andere taal dan in de dominante officieel erkende taal van de tekst. Vanzelfsprekend vallen gefixeerde, al dan niet linguïstisch geassimileerde leenwoorden, voor zover deze deel zijn gaan uitmaken van de recipiërende taal, buiten deze definitie van heterolingualisme.
vorm, functie en originaliteit van heterolingualisme en gebroken taal
Het is niet aan toeval te danken dat de Bulgaarse theoretici Vlachov en Florin (2009: 332-43) in hun Russisch handboek vertaalkunde, dat rijkelijk geïllustreerd is met talrijke voorbeelden uit de Russische literatuur, zo veel aandacht besteden aan heterolingualisme – wat zij bestempelen als ‘иноязычные вкрапления’.[541] Dit literair fenomeen behoort per slot van rekening tot de typische tekstkenmerken van het Russische realisme, dat na de wereldwijde canonisering van enkele van zijn vertegenwoordigers een grote invloed heeft uitgeoefend op zowel Slavische als westerse literaire modellen. Het bekendste voorbeeld van zulk een heterolingualistisch werk is zonder twijfel Vojna i mir (Oorlog en vrede) van Lev Tolstoj, een epos dat inmiddels niet meer weg te denken is uit de wereldliteratuur. De eerste regels van deze roman zijn de volgende:
Eh bien, mon prince. Gênes et Lucques ne sont plus que des apanages, des поместья, de la famille Buonaparte. Non, je vous préviens que si vous ne me dites pas que nous avons la guerre, si vous vous permettez encore de pallier toutes les infamies, toutes les atrocités de cet Antichrist (ma parole, j’y crois) – je ne vous connais plus, vous n’êtes plus mon ami, vous n’êtes plus мой верный раб, comme vous dites. (Tolstoj 1937: 3)
De lezer van deze tekst zou bijna denken dat het om een Franse roman gaat. Deze indruk wordt echter visueel verstoord door ‘поместья’ (landeigenaars) en ‘мой верный раб’ (mijn trouwe slaaf). Hoewel gedrukt in het cyrillisch alfabet, worden deze Russische woorden probleemloos ingeweven in het discours, wat aanduidt dat zowel het Frans als het Russisch voor de spreker en zijn toehoorders geschikt zijn als communicatietaal.
In de context van de klassieke Russische literatuur is het gebruik van het Frans bij Tolstoj tezelfdertijd typisch en uitzonderlijk. Enerzijds typisch, omdat deze Franse heteroglossen de feitelijke tweetaligheid van de hoge Russische adel van de 18e en 19e eeuw weerspiegelen, zoals dit ook het geval is in het oeuvre van vele andere Russische auteurs, te beginnen bij Aleksandr Puškin. Volgens Téléchova (2000: 269) werden Franse woorden en uitdrukkingen in Russische werken gedurende meer dan een eeuw frequent gebruikt. Dat dit procedé nauw verband houdt met de poëtica van het Russische realisme, wordt bevestigd door Polianskaïa (2000: 264): ‘le principe essentiel de l’emploi du français est celui de l’historisme littéraire qui est devenu la base de la méthode et du style réaliste de la littérature russe’. Anderzijds is het gebruik van het Frans van Tolstoj uitzonderlijk, omdat hij hieraan als enige een dermate prominente rol geeft. De lezer van Vojna i mir (Oorlog en vrede) wordt namelijk geconfronteerd met volledige zinnen, paragrafen en soms zelfs volledige pagina’s geschreven in het Frans. Volgens Polianskaïa (2000: 265) maakt deze Romaanse taal enkel in Latijns alfabet 2,5% van de volledige tekst uit.
Heteroglossen zijn ook rijkelijk aanwezig in het oeuvre van Dostoevskij. In het bijzonder in de werken die hij schreef na zijn ballingschap in Siberië, waarvan de personages over het algemeen beschouwd meer intellectueel en dus meer polyglottisch zijn dan de personages van zijn vroegste werken. In tegenstelling tot de heteroglossen van Tolstoj, overschrijden de heteroglossen van Dostoevskij slechts zeer uitzonderlijk de grenzen van een zin, en nooit die van een paragraaf. Daartegenover staat dat Dostoevskij put uit een groter gamma van talen. Ook bij hem gaat het meestal om Franse invoegingen, maar daarnaast komen in zijn werken ook woorden, zinnen en passages voor in het Duits, Latijn, Italiaans, Pools, Oekraïens en zelfs in het Lesgisch.[542] Deze grote variëteit aan heteroglossen draagt aanzienlijk bij tot de ‘polyfonie’, waarin volgens Bachtin (1963) de kracht en de originaliteit resideert van Dostoevskijs poëtica.
Bij Dostoevskij evenals bij veel andere Russische auteurs, worden de heteroglossen in de regel weergegeven in het oorspronkelijk alfabet van de betreffende taal, namelijk in Latijnse lettertekens. In dat geval springt het typografisch contrast tussen het cyrillisch en het Latijns alfabet in het oog, wat de lezer kan verrassen. Uitzonderlijk transcribeert Dostoevskij zijn heteroglossen in het cyrillisch, wat een misschien nog sterker bevreemdend effect kan teweegbrengen: in dit geval behoren de invoegingen in kwestie noch tot de taal waaruit ze ontleend werden, noch tot de dominante taal van de tekst. Zij horen enkel het personage toe dat ze uitspreekt. Dit geldt des te meer voor de Franse woorden die in het Russisch getranscribeerd worden en Russische suffixen aannemen. Deze ad-hocontleningen komen, zoals Téléchova (2000: 269) opmerkt, bij Dostoevskij in groten getale voor. Een voorbeeld is het werkwoord ‘фраппировать’, dat samengesteld is uit een wortel afgeleid van het Franse werkwoord ‘frapper’ en het Russische werkwoordsuffix ‘-ировать’. Dit procedé is eerder uitzonderlijk in het geheel van de klassieke Russische literatuur; zoals de definitie van heteroglossen van Vlachov en Florin (2009: 333) al doet vermoeden, zijn de heteroglossen er meestal gevrijwaard van morfologische of syntactische veranderingen.
De opmerkelijke tolerantie van het Russische publiek van de 19e eeuw tegenover het gebruik van het Russische alfabet houdt nauw verband met het historische feit dat voor de invasie van Napoleon in Rusland het Frans de lingua franca van de hogere lagen van de Russische maatschappij was. Téléchova (2000: 270) preciseert dat het Frans een cruciale invloed behield tot de tweede helft van de 19e eeuw. Tot de bolsjewistische staatsgreep van 1917, die de Russische maatschappij op zijn kop zette, bleef een goede kennis van het Frans een conditio sine qua non om in Rusland door te gaan voor een gestudeerd man. Dit verklaart waarom Dostoevskij zijn Franse heteroglossen doorgaans niet voorzag van een vertaling of een betekenisverduidelijkend commentaar, noch in de tekst zelf, noch in een eventuele voetnoot. Vlachov en Florin (2009: 340) merken op dat Tolstoj daarentegen zijn Franse heteroglossen zelf voorzag van vertaling in de voetnoot. Mogelijk omdat hij weloverwogen mikte op een lectoraat dat de intellectuele bovenlaag van de maatschappij van zijn tijd oversteeg.
Aangezien de meeste heteroglossen in de Russische realistische roman dienen om de talenkennis van de Russische personages of om het lidmaatschap van de niet-Russische personages van een bepaalde (taal-)gemeenschap in de verf te zetten, situeren ze zich voornamelijk op het niveau van de directe rede en vrije indirecte rede. Bij Dostoevskij komen heteroglossen ook af en toe voor in de tekst van de verteller, die in veel romans zelf een actief personage is.
Waar Tolstoj zover gaat om zijn personages volledig in het Frans te citeren, doet Dostoevskij meer beroep op de verbeeldingskracht van de lezer. Zo kunnen bij hem enkele, strategisch geplaatste zinnen in het Frans volstaan om te suggereren dat het discours van een personage in directe rede, hoewel het grotendeels weergegeven is in het Russisch, in zijn geheel wordt uitgesproken in het Frans. Een voorbeeld is de directe rede van het kokette Franstalige personage mademoiselle Blanche in Igrok, wanneer zij in gesprek is met de Russische protagonist/verteller:
Eh bien, que feras-tu, si je te prends avec? Во-первых, je veux cinquante mille francs. Ты мне их отдашь во Франкфурте. Nous allons à Paris; там мы живем вместе et je te ferai voir des étoiles en plein jour. Ты увидишь таких женщин, каких ты никогда не видывал. Слушай…[543] (V: 301-2)
Van alle werken van Dostoevskij die tot het BT-corpus behoren, is Igrok proportioneel het meest doorspekt met heteroglossen. Hiervoor zijn drie redenen: (a) De roman speelt zich af buiten Rusland, voornamelijk in het imaginaire Duitse stadje Roulettenburg, in Parijs en in Homburg; (b) De Russische hoofdpersonages behoren tot de hoge adel of tot hun entourage. De lingua franca van dit gezelschap is het Frans; (c) De niet-Russische hoofdpersonages en nevenpersonages zijn van verscheidene afkomst. Zo wordt deze roman onder meer bevolkt door een Fransman, twee Françaises, een Engelsman en enkele Polen. Gezien het uitermate meertalige karakter van de personages en de setting van Igrok, is het niet toevallig dat precies in deze roman de heterolingualistische techniek van Dostoevskij bijzonder gesofistikeerde vormen aanneemt. Bijvoorbeeld wanneer gesuggereerd wordt dat een personage dat zogezegd in het Frans converseert – al worden zijn woorden in directe rede weergegeven in het Russisch – een Russisch woord gebruikt. Deze suggestie wordt in het leven geroepen door het gebruik van een Frans lidwoord, gevolgd door de Franse transcriptie van het Russische woord in kwestie: ‘Я, конечно, «un outchitel» и никогда не претендовал на честь быть близким другом этого дома’[544] (V: 240). Het omgekeerde typografische contrast – het feit dat het verbeelde Frans in het Russisch wordt geciteerd, terwijl het Russische woord in Latijnse lettertekens is getranscribeerd – creëert een ironische nuance op het niveau van de relatie tussen lezer en auteur.
Ironie, hier opgevat als samenzweerderige geveinsde geveinsdheid, op het niveau van de relatie tussen auteur en lezer is een van de hoofdfuncties van heteroglossen in het werk van Dostoevskij. Daarnaast vervullen ze ook andere functies. Zo versterken ze het realisme, of liever de vraisemblance van het verhaal door couleur locale aan de tekst toe te voegen. Zoals eerder vermeld, dient heterolingualisme bij Dostoevskij ook eenvoudigweg om bepaalde personages kenbaar te maken als leden van een bepaalde klasse of etnische gemeenschap. Dit is meestal het geval bij Duitse, Poolse en Oekraïense heteroglossen. Belangrijker is dat heteroglossen ook dienen om het discours te dynamiseren en het specifieke karakter van de personages die aan het woord zijn uit te diepen en uit te drukken. Meer in het bijzonder kan het Frans in een overwegend Russisch discours uiting geven aan een ironische houding, aan eruditie, pedanterie, adellijkheid, of eenvoudig snobisme. Latijn en Italiaans getuigen steevast van eruditie, maar een ironische nuance is nooit ver weg.
In vrijwel al zijn prozawerken voert Dostoevskij personages op van vreemde afkomst, zoals Polen, Oekraïners, Kaukasiërs, (Russische) Duitsers of Joden. Hun afkomst verraadt zich in de heteroglossen waarmee hun Russisch discours doorspekt is, maar ook in hun gebroken taal. Deze gebroken taal komt tot stand door allerhande schendingen van de Russische verbuigingen, vervoegingen en spelling. Een voorbeeld van zulke taal wordt geleverd door het personage Isaj Bumštejn in Zapiski iz mërtvogo doma. Wanneer hij door de andere strafkampbewoners wordt uitgemaakt voor ‘жид пархатый’ (schurftige jid) repliceert hij met de woorden: ‘Нехай буде такочки. Хоть пархатый, да богатый; гроши ма’.[545] Hoewel deze Slavische taal verstaanbaar is voor de Russische lezer, is het geen standaard-Russisch. Met name de werkwoordsvormen doen denken aan andere Slavische talen, zoals het Pools en het Oekraïens.
Indien de door Bachtin gepopulariseerde term ‘polyfonie’ wordt opgevat als het toekennen van een eigen stem en taal aan de verschillende personages van een literair werk, zonder dat deze veelheid aan stemmen en talen wordt ondergeschikt aan de stem en de taal van de vertellersinstantie, dan kunnen de heteroglossen en het gebroken Russisch van Dostoevskijs vreemde personages als concrete voorbeelden van een polyfone discursieve stijl aangehaald worden. De polyfonie van Dostoevskij komt echter bij vrijwel ieder personage, inclusief de vertellersinstantie, tot uiting, maar niet altijd op dermate spectaculaire wijze als in gebroken taal doorspekt met heteroglossen. Zo wordt het discours van tal van personages uit het oeuvre van Dostoevskij gekenmerkt door breedsprakerigheid. Deze komt tot stand door retorische eigenaardigheden, zoals het overmatig gebruik van bijwoorden, die, zoals Boland (2008: 82) opmerkt, ‘zijn criticasters graag als bewijslast à charge voor zijn slechte schrijfstijl opvoeren’. De manier waarop de literaire kunstgrepen in kwestie vertaald worden is dan ook cruciaal voor de graad waarin de polyfonie van de brontekst overgebracht wordt naar de doeltekst.
de vertaler vs. heterolingualisme
Wanneer een vertaler geconfronteerd wordt met een brontekst die heteroglossen bevat kan hij grosso modo zeven verschillende technieken aanwenden om deze te vertalen. Vanzelfsprekend hebben deze procedés niet allemaal dezelfde graad van adequatie. Niettemin is het geenszins de bedoeling om met de volgende lijst, die enigszins vooruit loopt op de interpretatie van de resultaten van een descriptieve vertaalstudie, een bepaald procedé te promoten of aan de vertaler aan te raden. Het is immers in functie van een groot aantal variabelen – waaronder het beoogde literaire effect, het tekstgenre, het geviseerde lezerspubliek, de in het vooruitzicht gestelde positie van een tekst of auteur in een polysysteem – dat het toekomt aan de vertaler om te beslissen in welke mate en op welke wijze een heteroglos als zodanig behouden moet worden.
De procedés (1), (2) en (3) kunnen adequaat genoemd worden, in die zin dat ze het heterolingualisme min of meer letterlijk behouden; procedés (4), (5) en (6) schipperen tussen de polen adequatie en acceptabiliteit, aangezien ze respectievelijk de heteroglos modificeren, in een derde taal herschrijven en bij wijze van suggestie in leven houden; procedés (7) en (8) hebben als gevolg de volledige neutralisatie van de heteroglos als zondanig.
Opgemerkt moet worden dat deze lijst geen aanspraak maakt op exhaustiviteit: het gaat hier enkel om de procedés die gevonden werden in het vertalingencorpus van dit onderzoek naar de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij, aangevuld met enkele procedés uit latere vertalingen van Dostoevskij, die voor 1918 kennelijk niet gebruikt werden. Alle illustraties bij de besproken procedés zijn afkomstig uit deze Franse, Duitse en Nederlandse Dostoevskij-vertalingen.
(1) Wanneer de hoogste graad van adequatie beoogd wordt, kan de heteroglos in kwestie van de brontekst letterlijk hernomen worden in de doeltekst. (1a) Indien in de brontekst een typografisch verschil bestaat tussen de dominante taal, in casu van Dostoevskij het Russisch, en de taal van de heteroglos, dan kan de vertaler ervoor kiezen om dit contrast te reproduceren in de doeltekst door middel van een wijziging in het schrift. Zo beschikten de vroege Duitse vertalers van Dostoevskij, die in het Gotisch publiceerden, over de mogelijkheid om het typografisch contrast tussen het cyrillisch en het Latijns schrift van de brontekst, weer te geven in de doeltekst door een contrast tussen het Gotisch en het Latijns schrift:
| Чтобы помогать, надо сначала право такое иметь, не то: “Crevez chiens, si vous n’êtes pas contents!” (VI: 174)
|
Um zu helfen, muß man zuvor ein gewißes Recht haben, und hat man das nicht, nun dann:[546]
“Crevez, chiens si vous n’êtes pas contents!” (Raskolnikow II : 56) |
(1b) Indien het alfabet van de doeltaal hetzelfde is als dat van de te vertalen heteroglos, kan de vertaler nog steeds trachten het typografisch contrast weer te geven door door de letters verder van elkaar te zetten, door middel van cursivering, door klein kapitaal of een verschillend lettertype. In het volgende voorbeeld heeft de Nederlandse vertaler van Prestuplenie i nakazanie het typografisch contrast tussen het cyrillisch en het Latijns schrift gereproduceerd door de heteroglos weer te geven in klein kapitaal:
| Um zu helfen, muß man zuvor ein gewißes Recht haben, und hat man das nicht, nun dann: “Crevez, chiens si vous n’êtes pas contents!” (Raskolnikow II: 56) | Om te helpen moet men een zeker recht hebben en heeft men dat niet, dan, in Godsnaam: crevez, chiens, si vous n’êtes pas contents !” (Schuld en boete II : 43) |
(2) Bij het letterlijk overnemen van een heteroglos kan de vertaler ook beslissen om het typografisch contrast van het origineel, gesteld dat dit er is, te laten vallen. Indien het alfabet van de doeltekst zich leent voor een natuurlijke reproductie van het typografisch contrast, bereikt dit procedé niet de hoogst denkbare graad van adequatie. In de hieronder geplaatste Duitse vertaling ging het typografisch contrast verloren, hoewel het in principe gereproduceerd kon worden door behoud van de Latijnse lettertekens. Men kan oordelen dat het origineel heterolinguaal effect hierdoor enigzins aangetast wordt. Suchet (2009: 37) is echter eerder geneigd te denken dat het een kwestie van evenwicht is: ‘si un emprunt surbalisé a de fortes chances de n’être pas intégré au concert polyphonique du texte, un emprunt parfaitement assimilé ne fait pas entendre davantage une autre voix.’ De reden hiervoor is dat de afwezigheid van gemarkeerde grenzen tussen de verschillende talen er ook op kan wijzen dat de grenzen beschouwd worden als vanzelfsprekend.
| Я начал с десяти гульденов и опять с passe. (V: 321) | Ich fing mit zehn Gulden an und letzte auf Passe. (Der Spieler 274) |
(3) In het geval dat de vertaler de heteroglos letterlijk behoudt, met of zonder eventueel typografisch contrast, kan hij de denotatieve betekenis ervan verduidelijken door een omschrijving in de vertellerstekst of een vertaling in een voetnoot toe te voegen. Dit laatste procedé werd bijvoorbeeld gekozen door Bienstock en Torquet in hun vertaling Les frères Karamazov (1906). Zo hebben ze Dostoevskijs heteroglos ‘An die Freude!’ (XIV: 98) vertaald als ‘An die freude [sic]’, waaraan in een voetnoot de vertaling ‘A la joie’ (Les frères Karamazov 1906: 68) werd toegevoegd.
(4) Minder adequaat is het procedé waarbij de heteroglos wel behouden wordt, maar in gewijzigde vorm. De heterolinguale tekst kan ingekort, uitgebreid of herschreven worden. Deze modificaties kunnen van corrigerende aard zijn, maar dit is niet altijd het geval. In Prestuplenie i nakazanie richt het personage Katerina Ivanovna, die wil bewijzen dat haar gezin ondanks de sociale miserie van goede komaf is, zich tot haar kinderen met de vraag om Frans te spreken: ‘Говори со мной по-французски, parlez-moi français’ (VI: 330). In de eerste Duitse vertaling van de brontekst werd deze heteroglos letterlijk behouden, bovendien inclusief typografisch contrast. In de eerste Nederlandse vertaling, die gebaseerd is op deze Duitse vertaling, werd de heteroglos echter lichtjes herschreven, om redenen die niet te achterhalen zijn:
| Sprich französisch mit mir, parlez-moi français.
(Raskolnikow III: 119) |
spreek fransch met mij, parle-moi en français. (Schuld en boete III : 95) |
(5) Wanneer het gebruik van de taal van een heteroglos om een of andere reden onwenselijk is in de doeltekst, bijvoorbeeld omdat deze door de lezers ervan als te exotisch ervaren zou worden, kan men de heteroglos weergeven in een derde taal. Van dit procedé is gebruik gemaakt in de recente vertaling De broers Karamazov van Langeveld (2005b: 962), die zich doelbewust ingezet heeft om Dostoevskijs taalkundige verscheidenheid in het Nederlands zo veel mogelijk te reproduceren. Enkele heteroglossen in het Pools, een aan de dominante brontaal verwante taal, werden vervangen door heteroglossen in het Duits, een aan de doeltaal verwante taal.[547] Op deze manier wordt een relatief hoge graad van pragmatische equivalentie verkregen.
(6) Indien de vertaler beslist om de heteroglos noch in zijn originele vorm, noch in gewijzigde vorm over te brengen naar de doeltekst, zonder deze als zodanig verloren te laten gaan, dan kan aan de lezer gesuggereerd worden dat heterolingualisme in het spel is. Dit gebeurt op ofwel impliciete wijze, door de zogezegd heterolinguale invoegingen te cursiveren, ofwel op expliciete wijze, door een commentaar in een noot of in de vertellerstekst in te voegen. In het volgende voorbeeld heeft de Duitse vertaler van Igrok voor dit laatste procedé gekozen:
| Madame la baronne, – проговорил я отчетливо вслух. (V: 234) | “Frau Baronin,” sagte ich absichtlich laut auf französisch. (Der Spieler 74) |
(7) Het origineel effect van de heteroglos wordt volledig te niet gedaan wanneer deze, zoals de rest van de brontekst, vertaald wordt naar de doeltaal zonder compensatoire expliciete of impliciete suggestie van heterolingualisme. Dit procedé werd toegepast in de Duitse vertaling van het volgende fragment van Igrok:
| Вас спасло, что вы объявили себя варваром и еретиком, – заметил, усмехаясь, французик. – «Cela n’était pas si bête» (V: 211) | “Daß Sie sich selbst als Barbar und Ketzer bezeichneten, das hat Sie gerettet,” bemerkte der Franzose, “das war gar nicht so dumm!” (Der Spieler 11) |
(8) Vanzelfsprekend bestaat de meest drastische neutralisatie van een heteroglos in de niet gecompenseerde, integrale weglating ervan.
Alle hierboven genoemde en geïllustreerde procedés betreffen de vertaling van heterolingualisme in een andere taal dan die van de heteroglos zelf. Indien men als vertaler echter bijvoorbeeld een Russische tekst met Franse heteroglossen naar het Frans dient te vertalen, dan rijst er een fundamenteel probleem: indien de heteroglossen simpelweg behouden worden, dan verliezen ze automatisch hun heterolinguaal statuut. De enige adequate manier om een heteroglos te ‘repatriëren’ in vertaling bestaat erin de heterolinguale status aan de lezer te expliciteren door bijvoorbeeld cursivering, of door een voetnoot in te lassen van het type ‘En français dans le texte’. Procenko (2005: 126), die deze specifieke problematiek onderzocht aan de hand van vroege Franse vertalingen van Dostoevskij, constateert echter dat dit soort procedés niet volstaat om de literaire functies intact te houden waarvoor Dostoevskij zijn heteroglossen in het leven riep. In theorie kan de vertaler er ook voor opteren om, naar analogie met het hierboven beschreven procedé (5), de heteroglos te herschrijven in een derde taal.
Uit empirisch vertaalonderzoek uitgevoerd op de IT-corpora en het DT-corpus, waarbij ongeveer alle heteroglossen in aanmerking werden genomen die bij een exhaustieve lectuur opgedoken zijn, blijkt dat een uitgebreid gamma aan procedés door de betrokken vertalers is aangewend om de heteroglossen van Dostoevskijs bronteksten te vertalen. Het enige procedé dat niet is teruggevonden is (5), waarbij een nieuwe derde taal wordt ingevoerd. Ondanks de verscheidenheid aan procedés is het gerechtvaardigd om bij wijze van veralgemening te concluderen dat de doelteksten gekenmerkt worden door een sterke naturaliserende tendens. Meer bepaald zijn procedés (7) en (8), respectievelijk de absolute naturalisering en de eliminatie van het heteroglos, gepriviligieerd. Daarbij moet evenwel de opmerking gemaakt worden dat de eliminatie van het heteroglos regelmatig samenvalt met een al dan niet grote coupure. In die talrijke gevallen is het niet altijd duidelijk of het om een doelbewuste eliminatie, dan wel om een zogenaamd laterale eliminatie van het heteroglos gaat. Het effect is echter hetzelfde.
Aangezien Dostoevskijs romandebuut Bednye ljudi geen heteroglossen bevat – zijn polyfone schrijfstijl stond bij de creatie daarvan nog in de kinderschoenen –, wordt de doeltekst Arme menschen, evenals de intermediaire tekst Arme Leute, hier buiten beschouwing gelaten.
In vier teksten van het DT-corpus zijn de heteroglossen in alle of bijna alle gevallen geneutraliseerd: Witte nachten, Arme Nelly, Uit het doodenhuis en Brat’ja Karamazovy. Belye noči bevat slechts één heteroglos. De Italiaanse woorden in kwestie werden door Stokvis net als de rest van de brontekst vertaald in het Nederlands.[548]
In Zapiski iz podpol’ja bevinden zich heteroglossen van onder meer Italiaanse, Franse, Latijnse, Duitse en Slavische origine. In Uit het doodenhuis zijn alle heteroglossen terechtgekomen in genaturaliseerde vorm, behoudens één Latijnse heteroglos.[549] Belangrijk is dat in de overgrote meerderheid van de gevallen het initiatief tot naturalisering genomen werd door Hauff. Faassen kon op basis van Aus dem todten Hause (1890) dus niet vermoeden dat sommige personages van de brontekst hun discours larderen met heteroglossen.[550]
In Unižennye i oskorblënnye zijn twintig of twee derde van de heteroglossen van Franse origine, en tien of één derde van Duitse origine. Deze brontekst bevat ook één heteroglos van Latijnse origine. Alle teruggevonden heteroglossen blijken op de ene of de andere manier geneutraliseerd te zijn in Arme Nelly. In ongeveer 70% van de gevallen werd het initiatief hiertoe genomen door Hauff, die tal van heteroglossen genaturaliseerd heeft of onvertaald heeft gelaten.[551] De heteroglossen die in Erniedrigte und Beleidigte (1890) toch geconserveerd waren, werden systematisch geneutraliseerd door La Bastide, die hiervoor in de overgrote meerderheid van de gevallen van het procedé weglating gebruik maakte.[552]
In zijn rijpste en meest ambitieuze werk, Brat’ja Karamazovy, heeft Dostoevskij zijn techniek van de polyfonie op een zeer gesofistikeerde manier toegepast. Zoals Langeveld (2005: 961) opmerkt: ‘Het boek biedt een duizelingwekkende variatie aan taalgebruik’. Het karakter van de personages komt gedeeltelijk tot uiting in hun spraak. In veel gevallen is hun discours doorspekt met heteroglossen. De Poolse personages, die opgevoerd worden als wandelende karikaturen – ze spreken vreemd, hebben een opvallend uiterlijk en gedragen zich hoogmoedig – larderen hun taal bijvoorbeeld met leenwoorden uit het Pools. In totaal gaat het om ruim 150 Poolse eenheden. In de meeste gevallen is de dosering Pools dermate beperkt, dat dit de verstaanbaarheid voor de Russische lezer niet in de weg staat. Wanneer een Pool een volledige zin uitspreekt in zijn moedertaal – wat uitzonderlijk is –, dan schrikt Dostoevskij er niet voor terug om deze te voorzien van een vertaling in het Russisch tussen haakjes. Dit is het geval bij de zin ‘Пани, я ниц не мувен против, ниц не поведзялем. (Я не противоречу, я ничего не сказал)’.[553] Een ander voorbeeld van een personage dat anderstalige elementen gebruikt is satan, waarmee Ivan Karamazov conversaties voert. Hij gebruikt met name Franse uitdrukkingen, in overeenstemming met zijn beschrijving als een landeigenaar in oude stijl. Ook Karamazov senior pronkt met zijn kennis van het Frans. Frank (2003: 576) benadrukt dat dit significant is voor zijn karakter door dit personage te beschrijven als ‘clever and cynical, educated enough to sprinkle his talk with French phrases’. Naast Pools en Frans komen in Dostoevskijs laatste roman ook Duits en Latijn voor.
In totaal bevat Brat’ja Karamazovy honderden anderstalige eenheden. Hiervan heeft slechts een dozijn, waarvan opmerkelijk genoeg de meerderheid Latijnse heteroglossen, de vertaling naar het Nederlands overleefd.[554] De hoofdoorzaken van de massale neutralisatie van Dostoevskijs heterolingualisme bevinden zich in Les frères Karamazov (1906). Bij het inkorten van de brontekst hebben Bienstock en Torquet tal van zinnen onvertaald gelaten. Hierbij is het gros van de oorspronkelijke heteroglossen weggeknipt. Daarnaast hebben Bienstock en Torquet een groot aantal heteroglossen vertaald op een naturaliserende manier. Dit geldt bij uitstek voor het Pools, waarvan in hun vertaling amper een spoor is terug te vinden.[555] De verantwoordelijkheid voor het gebrek aan heterolingualisme in De gebroeders Karamazow rust echter ook op de schouders van Van Gogh-Kaulbach zelf. Zo heeft ze ook heteroglossen die gehandhaafd werden door Bienstock en Torquet op eigen initiatief genaturaliseerd.[556] Bovendien had ze toegang tot de vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice, waarin heteroglossen doorgaans met meer adequatie vertaald zijn.[557] Toch is ze in de overgrote meerderheid van de gevallen de andere intermediaire tekst gevolgd. Sommige heteroglossen werden wel vertaald uit Les frères Karamazov (1888), maar blijken niettemin op eigen initiatief genaturaliseerd.[558]
In vier teksten van het DT-corpus, namelijk De speler, De echtgenoot, De misleide en De onderaardsche geest, zijn tussen 50% en de 80% van de oorspronkelijke heteroglossen geneutraliseerd.
In Večnyj muž zijn slechts tweeëntwintig heteroglossen teruggevonden, allemaal van Franse origine. Slechts uitzonderlijk is het heterolinguale karakter behouden;[559] achttien van de oorspronkelijke heteroglossen zijn in De echtgenoot terechtgekomen in geneutraliseerde vorm. In iets minder dan de helft van de gevallen is de neutralisering het initiatief van de intermediaire vertaler.[560] Elders ligt de verantwoordelijkheid bij de Nederlandse vertaler, al wil dit niet zeggen dat Hauffs vertaling in deze gevallen adequaat is.[561]
Aangezien Igrok zich volledig afspeelt buiten Rusland en hierin tal van personages van vreemde origine optreden, is het logisch dat heteroglossen in dit rijpe werk van Dostoevskij bijzonder goed vertegenwoordigd zijn: het gaat om enkele honderden gevallen. De overgrote meerderheid van deze heteroglossen zijn van Franse origine, maar daarnaast komen er ook Engelse, Duitse en zelfs Poolse woorden in voor. In De speler is slechts een vierde van het totale aantal heteroglossen als zodanig vertaald, waarvan iets minder dan de helft in aangepaste vorm. Het initiatief tot neutralisering is meestal genomen door Hauff,[562] maar soms ook door de Nederlandse vertaler.[563]
In De misleide is de meerderheid van de oorspronkelijke heteroglossen terechtgekomen in geneutraliseerde vorm. De Latijnse en Duitse elementen zijn zonder uitzondering vertaald in het Duits, alsof ze in de brontekst in het Russisch weergegeven waren,[564] of onvertaald gelaten.[565] De beter vertegenwoordigde Franse heteroglossen zijn adequater vertaald: de overgrote meerderheid daarvan is in de doeltekst terechtgekomen als heteroglos, bovendien meestal zonder noemenswaardige aanpassingen.[566]
Terwijl in Dostoevskijs pre-Siberisch verhaal Chozjajka geen heteroglossen voorkomen, bevat Zapiski iz podpol’ja – de tweede brontekst waarop De onderaardsche geest teruggaat – slechts een tiental anderstalige eenheden. Hoewel het bij nadere beschouwing enkel blijkt te gaan om heteroglossen van Franse origine, hebben de Franse vertalers, Halpérine-Kaminsky en Morice, het heterolinguaal effect niet systematisch verloren laten gaan. Tweemaal plaatsen ze immers het heteroglos in kwestie cursief, met toevoeging van de voetnoot ‘En français dans le texte’.[567] De Nederlandse vertaler laat de woorden in het Frans staan en behoudt de cursivering en de voetnoot – wat dubbelop is. In de overige acht gevallen heeft de heteroglos zijn anderstalig statuut verloren: ze zijn naturaliserend vertaald of eenvoudigweg geschrapt. Interessant is dat bepaalde Franse elementen door de Franse vertalers herschreven werden.[568] Daarnaast is het ook het opmerken waard dat de Nederlandse vertaler de cursivering van een aantal woorden interpreteert als een indicatie van heterolingualisme, zonder dat hiervan sprake is in de brontekst.[569]
Tot slot bevat het DT-corpus slechts twee teksten waarin meer dan de helft, maar nog altijd minder dan driekwart van de heteroglossen vertaald is zonder verlies van de heterolinguale status: Schuld en boete en Uit Siberië.
Unižennye i oskorblënnye bevat heteroglossen van Franse, Duitse, Latijnse en Turkse orgine. In Aus dem todten hause (1886), waarop Uit Siberië grotendeels gebaseerd is, zijn deze net iets vaker geconserveerd dan geneutraliseerd. De intermediaire vertaler lijkt geen problemen te hebben met het Frans en het Latijn.[570] Het Pools, dat aanwezig is in de spraak van het Joodse personage Isaj Bumštejn, is daarentegen weergegeven in het Duits.[571] De Turkse woorden die het personage Nura uitspreekt zijn dan weer simpelweg achterwege gelaten. In Souvenirs de la maison des morts, dat eveneens als intermediaire tekst fungeerde, zijn deze exotische heteroglossen met meer adequatie vertaald. Zo is Nura’s uitroep ‘яман’, wat ‘slecht’ betekent, door de Franse vertaler weergegeven als ‘Aman’.[572] De Nederlandse vertaler heeft in dit geval echter de Duitse vertaling gevolgd. Over het algemeen geldt dat ongeveer de helft van de oorspronkelijke heteroglossen geconserveerd is in Uit Siberië. Prestuplenie i nakazanie bevat een paar tientallen heteroglossen, van Franse, Duitse, Latijnse en Poolse origine. Henckel heeft de Franse en Latijnse heteroglossen bij het schrijven van Raskolnikow in de regel overgenomen zonder enige aanpassingen door te voeren. Heteroglossen van Duitse origine heeft hij op verscheidene manieren vertaald, waarbij het heterolinguaal effect vaker wel dan niet geneutraliseerd wordt. In een geval is de Duitse heteroglos overgenomen, waarbij de anderstaligheid geëxpliciteerd is in de vertellerstekst.[573] Een ander geval is dat van de Duitse heteroglos ‘umsonst’ – uitgesproken door het personage Porfirij. Dit wordt door Henckel herschreven tot ‘vergebens’,[574] zonder dat gewezen wordt op de oorspronkelijke heterolinguale status. Kuknos maakt er in dit geval ‘zonder enig gevolg’ van.[575] Ook wanneer Dostoevskij de Duitse woorden in het cyrillisch weergeeft, zoals de uitroep ‘гот дер бармгерциге’ (got der barmgercige) van het Duits-Russische personage Amalija Ivanovna, laat Henckel na om de lezer attent te maken op het oorspronkelijke heterolinguale status; hij heeft het over ‘Gott der Barmherzige’.[576] Interessant is dat Henckel zich ook voor Poolse heteroglossen enigszins tolerant toont. Zo vertaalt hij ‘Пане’ als ‘Pane’,[577] zonder verduidelijking van de betekenis. Deze vertaalkeuze is door Kuknos overgenomen,[578] hoewel dit Poolse woord voor de gemiddelde Nederlandse lezer – meer nog dan voor de gemiddelde Duitse lezer – onverstaanbaar was. Wanneer Poolse personages uitroepen ‘пане лайдак’ (pane lajdak), trekt Henckel een meer naturaliserende kaart: hij geeft deze Poolse woorden niet weer, maar compenseert het verlies aan de hand van de woorden ‘sie schimpften und drohten auf polnisch’ (III: 74). Kuknos heeft de adequate vertaalkeuzes van Henckel wat betreft de heteroglossen over het algemeen genomen nauwgezet gerespecteerd. Her en der kleine zijn echter betekenisvolle verschuivingen op te merken. Zo maakte Kuknos van de pedante woorden ‘Überlegen sie, Mademoiselle’[579] – waarmee Lužin Sonja intimideert nadat hij haar valselijk beschuldigd heeft van diefstal – ‘Bedenk u goed, juffertje’.[580]
de vertaler vs. afwijkend taalgebruik
Ingewikkelder en minder voorspelbaar dan de vertaling van heteroglossen is de vertaling van Dostoevskijs gebroken taal. Grof gesteld heeft de vertaler de keuze tussen enerzijds het behouden, of liever het reproduceren, en anderzijds het standaardiseren van de gebroken taal. Om het eerste te bekomen is enige kennis vereist van comparatieve linguïstiek. Na een analyse gemaakt te hebben van de gebroken taal van de brontekst kan de vertaler dit fenomeen trachten te reproduceren door de grammaticale en spellingsregels van de doeltaal in mindere of meerdere mate te schenden – dit in functie van de verschillen tussen de veronderstelde moedertaal van de betrokken personages en de doeltaal. In verband met de procedés die gebruikt kunnen worden om een welbepaald buitenlandse tongval te suggereren, wijzen Vlachov en Florin (2009: 329) ook op het belang van de literaire traditie.
Nog grotere moeilijkheden levert de zogenaamde repatriëring van gebroken migrantentaal op. Hoe bijvoorbeeld de dialogen in gebroken Russisch van de Duitse personages van Dostoevskij te vertalen in het Duits? Natuurlijk kan de vertaler aan de lezer duidelijk maken dat de beheersing van de Russische taal van bepaalde personages te wensen over laat, door dit in de tekst van de verteller expliciet te vermelden. Een voorbeeld van dit procedé kan gevonden worden in Les frères Karamazov (1906: 282). Een Pools personage spreekt de volgende lachwekkend gebroken zinnen uit: ‘Пани Аграфена, я пшиехал забыть старое и простить его, забыть, что было допрежь сегодня’.[581] Bienstock en Torquet maken daarvan ‘Le Polonais continua en russe avec une prétention insupportable et le plus cruel accent’.[582] Het is echter zeer de vraag of een dergelijke compensatie een hoge graad van pragmatische equivalentie oplevert, of met andere woorden het komisch effect gereproduceerd wordt.
Het taalgebruik van Dostoevskij, in het bijzonder dat van zijn personages, blijkt systematisch in gestandaardiseerde vorm terechtgekomen te zijn in de Nederlandse doelteksten, in de regel zonder enige compensatie voor het verlies van de originele literaire functies. In de meeste gevallen is de standardisatie het initiatief van de Duitse of de Franse intermediaire vertalers. Zo heeft Hauff het erbarmelijke Russisch van de Fransman in Der Spieler ontdaan van de grammaticale fouten die het zo grappig maken: ‘эдак ставка неидет… нет, нет, не можно…’[583] is vertaald als ‘solche Einsätze gehen nicht an! Nein, nein, das ist nicht möglich!’.[584] De Nederlandse vertaler van De speler kon dus niet weten dat er in de overeenkomstige passage van Igrok een humoristisch effect beoogd werd.
Fragment 23. Arme Nelly
| – Пусть бьет! – отвечала она, и глаза ее засверкали. – Пусть бьет! Пусть бьет! – горько повторяла она, и верхняя губа ее как-то презрительно при-поднялась и задрожала.[585] (III: 257) | “Mag sie mich schlagen,” erwiderte sie und ihre Augen funkelten. (Erniedrigte und Beleidigte 1890: 104) | “Laat zij maar slaan,” hernam zij met fonkelende ogen. (Arme Nelly 78) |
Standaardisatie van afwijkend taalgebruik is zelfs de norm voor Halpérine-Kaminsky en Morice, die zich nochtans op microtekstueel vlak bijzonder tolerant getoond hadden voor exotiserende vertaalkeuzes. Bijvoorbeeld hebben ze het schabauwelijke Russisch van de ‘татарчонок’ (het Tataartje) in Chozjajka herschreven in een retorisch feilloos Frans: de zinnen ‘А моя что сделала? Виновата твоя, – твоя жильцов пугала.’ zijn vertaald als ‘Que t’ai-je fait?… C’est ta faute aussi; pourquoi as-tu fait peur à ton logeur?..’.[586] Overigens gaat de standaardisatie van de intermediaire vertalers in de regel hand in hand met een radicale verwijdering van de talloze herhalingen waardoor de schrijfstijl van Dostoevskij gekenmerkt wordt. Een goed voorbeeld hiervan bevindt zich in Arme Nelly (zie fragment 23). Ook Stokvis, wiens vertaling de meest adequate van het gehele DT-corpus is, past een mouw aan de barokke stijl van de brontekst. Zo brengt hij op de typisch Dostoevskiaanse, humoristische zinswending ‘господин во фраке, солидных лет, но нельзя сказать, чтобы солидной походки’[587] een nuchtere variant: ‘hij was niet jong meer’.[588]
In de zeldzame gevallen dat in de intermediaire teksten echter toch nog overblijfselen op te merken waren van een eigenaardige taal die de persoonlijkheid van de spreker karakteriseert, heeft de Nederlandse vertaler het discours in kwestie helemaal opgeschroefd tot standaard-Nederlands. Zo is het Russisch van vader Ferapont in Brat’ja Karamazovy, dat tot in het belachelijke doorspekt is met talloze kerkslavismen die zijn belezenheid van religieuze literatuur en een gebrek aan sociaal contact verraden, door Bienstock en Torquet nog enigszins archaïsch weergegeven. In de vertaling van Van Gogh-Kaulbach is de spreekstijl van het personage in kwestie daarentegen niet opvallend verschillend van die van andere personages (zie fragment 24).
Fragment 24. De gebroeders Karamazow
| – Хочешь, чтоб и я пред тобой, монах, ниц упал? – проговорил отец Ферапонт.
– Восстани! Монашек встал. – Благословляя да благо-словишися, садись подле. Откулева занесло?[589] (XV: 152) |
Relève-toi, lui avait répondu le Père Féraponte, je te bénis. Assieds-toi près de moi. (Les frères Karamazov 1906: 113) | “Sta op,” had Vader Feraponte geantwoord, “ik zegen u. Ga naast me zitten.” (De gebroeders Karamazow 91) |
De manier waarop de gebroken taal van Zapiski iz mërtvogo doma terecht is gekomen in Uit Siberië is bijzonder releverend, aangezien de Nederlandse vertaler twee verschillende intermediaire vertalingen ter beschikking had: Souvenirs de la maison des morts en Aus dem todten Hause (1886). Wat het taalgebruik van de personages en de verteller betreft worden de Franse en de Duitse vertaling allebei gekenmerkt door een hoge graad van standaardisatie. Niettemin is door de Franse vertaler de originele colloquialiteit gedeeltelijk behouden. Hij last zelfs enkele voetnoten in om bepaalde spraakeigenaardigheden van personages toe te lichten. Wanneer het Joodse personage Isaj Fomič gevraagd wordt zijn naam uit te spreken, zegt hijzelf ‘Исай Фомиць’ (Isaj Fomic’). De Franse vertaler heeft, in tegenstelling tot de Duitse vertaler, deze verspreking behouden: ‘Isaï Fomitz’. Hierbij is de volgende, van overdrijving en xenofobie getuigende voetnoot geplaatst: ‘Les Juifs russes zézayent presque tous, et sont d’une poltronnerie inouïe’.[590] Het feit dat de Nederlandse vertaler van Uit Siberië hier en elders waar sprake is van colloquialiteit of eigenaardig taalgebruik niet de Franse, maar de Duitse vertaler heeft gevolgd, hoewel hij de keuze had, is een duidelijke indicatie dat standaardisatie een dominante vertaalnorm was.
Uitzonderingen op de vastgestelde tendens van de discursieve standardisatie kunnen gevonden worden in Uit het doodenhuis van Faassen. Zo is de colloquialiteit bewaard in het zinnen als ‘Oho, thuis heeft ie koolsoep met den pollepel geslobberd’.[591] Ook in deze tekst is echter heel wat eigenaardig taalgebruik gestandaardiseerd op initiatief van de intermediaire vertaler. Zo doet Lučka, één van de dwangarbeiders, een Oekraïener na ter vermaak van zijn toehoorders. Hauff geeft de betreffende passage echter in standaard-Duits weer, wat op zijn beurt is omgezet in standaard-Nederlands in Uit het doodenhuis (zie fragment 25). Ook op initiatief van Faassen zelf zijn echter discursieve eigenaardigheden gestandaardiseerd: in Der Hahnrei (242) was de verbastering ‘Балдарю, балдарю!’ van de Oelaan pragmatisch adequaat vertaald als ‘anke bestens, anke bestens’, maar in De echtgenoot (141) staat eenvoudigweg ‘mijn beste dank, mijn beste dank’ te lezen. Er is in het DT-corpus naast Uit het doodenhuis nog één tekst waarin de eigenaardige spreektrant van Dostoevskijs personages nog enigszins gereproduceerd of geconserveerd is: Schuld en boete. Zo is het discours van het personage Lužin in het Nederlands bijna even hoogdravend en geaffecteerd als in de intermediaire tekst Raskolnikow. In sommige gevallen is de taal zelf gestandaardiseerd, maar is het verlies van de hiermee verbonden functie gecompenseerd door toevoeging van vertellerscommentaar. Bijvoorbeeld verslaagt Dostoevskijs verteller als volgt het discours van een kind: ‘Тут было что-то про «мамасью» и что «мамася плибьет», про
Fragment 25. Uit het doodenhuis
| – И пресмешной же тут был один хохол, братцы, – прибавил он вдруг, порешили и как он с судом разговаривал, а сам заливается-плачет; дети, говорит, у него остались, жена. Сам матерой такой, седой, толстый. “Я ему, говорит, бачу: ни! А вин, бисов сын, все пишет, все пишет. Ну, бачу соби, да щоб ты здох, а я б подывився! А вин все пишет, все пишет, да як писне!.. Тут и пропала моя голова!”[592] (IV: 89) | ‘Ich spreche immer mit dem Richter,’ sagte er, aber der Satanssohn schreibt nur, schreibt immer weiter. ‘Nun,’ denke ich bei mir, ‘wenn Du doch ersticken möchtest!’ Aber er schreibt immer weiter. Da habe ich meinen armen Kopf verloren.’ (Aus dem todten Hause 1890: 112) | ‘Ik spreek altijd met den rechter,’ zeide hij; doch dat Satanskind schrijft maar, schrijft altijd maar door. ‘Nou,’ denk ik bij mezelf, ‘ik wou, dat jij ook de moord stikte.’ (Uit het doodenhuis: 88) |
какую-то чашку, которую «лязбиля» (разбила)’. Henckel maakt daarvan: ‘und begann eifrig in ihrem kindlichen Jargon etwas von “Mama”, und “Mama wird schlagen”, von einer zerbrochenen Tasse zu erzählen’.[593] Kuknos heeft hiervan een adequate vertaling afgeleverd: ‘het begon in haar kinderlijke, gebroken taal iets te vertellen van een “Mama”, “Mama zal slaan”, en van een gebroken kopje’.[594] Ondanks de compensatie kan men bezwaarlijk stellen dat deze regels hetzelfde effect teweeg brengen als het origineel: de ontwapenende stem van het kind, die bij Dostoevskij duidelijk weerklinkt, is namelijk dermate ondergeschikt gemaakt aan die van de verteller, dat ze onhoorbaar wordt. Er zijn in Prestuplenie i nakazanie en in het gros van de overige bronteksten ook satirische passages waarin Duitse personages gebroken Russisch spreken. De vertaling hiervan in het Nederlands via het Duits vormt een dermate bijzondere en belangwekkende problematiek, dat deze in een apart, volgend hoofdstuk behandeld wordt.
implicaties van de verschuivingen voor literariteit
Hierboven is aangetoond dat de heteroglossen en het afwijkend taalgebruik waardoor het discours van Dostoevskijs personages en verteller gekenmerkt wordt in de doelteksten in de regel terechtgekomen is in genaturaliseerde respectievelijk gestandaardiseerde vorm. Vanzelfsprekend laten deze verschuivingen zich voelen in de manier waarop de teksten in kwestie door de lezer mentaal geconstrueerd worden. De implicaties zijn legio. Over het algemeen geldt dat de vastgestelde verschuivingen een vervlakking met zich mee brengen op het niveau van de personages. De specificiteit van hun karakter, die zich in hun spraak manifesteert, en dus ook hun diversiteit worden aan banden gelegd, wat de illusie van realisme niet ten goede komt. Tal van nuances gaan verloren. Bijvoorbeeld sneuvelen indicaties dat ironie, eruditie, snobisme, een hooggeboren afkomst of een pedante houding in het spel is. Wat betreft de buitenlandse personages of etnische minderheden die door Dostoevskij opgevoerd worden; zij worden door de verschuivingen minder herkenbaar als een sociale groep die te onderscheiden is van de Russen – en ook minder lachwekkend, zoals verder in dit proefschrift aangetoond zal worden. Samenvattend kan gesteld worden dat de systematische standaardisatie van het afwijkend taalgebruik en de tendens om de heteroglossen te neutraliseren bijgedragen hebben tot de constructie van een Dostoevskij die gevoelig minder polyfoon is dan degene die Bachtin (1963) in zijn beroemde studie zo loofde om zijn tolerantie om een veelheid aan stemmen en talen in dezelfde tekst toe te laten, zonder deze te onderwerpen aan een enkele dominante stem of taal. Belangrijk is daarbij op te merken dat deze vaststellingen niet enkel relevant zijn voor de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij. Een groot deel van de standaardisatie van het afwijkend taalgebruik en van de neutralisatie van de heteroglossen is immers het initiatief gebleken van de Franse en Duitse intermediaire vertalers, wier teksten een spilrol hebben gespeeld in de popularisering van Dostoevskij in een groot aantal receptiegemeenschappen verspreid over heel Europa[595] – in die zin dat ze duchtig geconsulteerd werden door critici, uitgevers en lezers van deze receptiegemeenschappen en bovendien ook voor andere dan Nederlandse vertalingen fungeerden als intermediaire teksten.
ter verklaring van de verschuivingen
De blootgelegde tendenzen om Dostoevskijs heteroglossen te neutraliseren en afwijkend taalgebruik in zijn oeuvre te standaardiseren kunnen worden verklaard vanuit verschillende invalshoeken, zoals ook Bogaert (2006: 136) onderstreept. Hij stelt vast dat de talrijke heteroglossen van Franse origine die Vojna i mir van Tolstoj rijk is, geneutraliseerd zijn in de vertaling van L.A. Hauff. Volgens hem kan dit zowel het gevolg zijn van de keuze van de vertaler als van extratekstuele factoren. Meer in het bijzonder suggereert hij dat de slechte diplomatieke relaties tussen Duitsland en Frankrijk aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog de vertaler intolerant gestemd hebben voor de aanwezigheid van de Franse taal in een Duits literair product. Tegen deze verklarende hypothese kunnen enkele bezwaren ingebracht worden. Ten eerste heeft Hauff zijn vertalingen van Russische werken vervaardigd in de 19e eeuw, toen de Eerste Wereldoorlog nog niet in het zicht was – wat niet wegneemt dat Frankrijk en Duitsland inderdaad op gespannen voet met elkaar stonden. Ten tweede toont Hauff zich in zijn vertalingen niet enkel intolerant tegenover heteroglossen van Franse origine, maar wel tegenover heteroglossen in het algemeen. Fundamenteler nog is het derde bezwaar: Bogaerts (2006) hypothese lijkt onvoldoende rekening te houden met de relatieve autonomie van literatuur, waarvan de logica niet samenvalt met de belangen van de natie op internationaal diplomatiek vlak – zoals het feit getuigt dat de Duitse Dostoevskij-hype pas goed op gang kwam toen deze schrijver omarmd werd door De Vogüé in het bijzonder en de Parijse intelligentsia in het algemeen. Het lijkt waarschijnlijker dat de betreffende vertaalkeuzes van Hauff, de massale neutralisatie van heteroglossen en de systematische standaardisatie van afwijkend taalgebruik, in verband gebracht moeten worden met de letterkundige praktijk, zowel in haar technische, als in haar socioculturele en inhoudelijk-functionele dimensie.
Op technisch vlak liggen drie verklaringen voor de vastgestelde verschuivingen voor de hand. Ten eerste wordt vrijwel ieder vertaalproces gekenmerkt door een zekere graad van standaardisatie. Zo concludeert May (1994: 4) in haar studie van Russische literatuur in Engelse vertaling: ‘translators incline, by and large, to replace […] the heteroglossia “from below” with greater literariness “from above”.’ Ten tweede is het plausibel dat de vertalers aan de specificiteit van Dostoevskijs taalgebruik bij het vertalen grotendeels voorbijgingen door onaandachtzaamheid. Deze verklaring wint aan plausibiliteit indien men in aanmerking neemt dat met name in Parijs gewerkt werd in vertaalateliers, waarbij Russen in een hoog tempo teksten vertaalden in het Frans, die stante pede herschreven werden door Franse native speakers zonder kennis van het Russisch.[596] Ten derde waren de Duitse vertalers geconfronteerd met de technische moeilijkheid om de heteroglossen van Duitse origine en de Russisch-Duitse taal weer te geven in het Duits, en de Franse vertalers met de moeilijkheid om de heteroglossen van Franse origine te vertalen in het Frans – zoals eerder besproken is de repatriëring van anderstaligheid en migrantenspraak alles behalve gemakkelijk.
Op sociocultureel vlak kunnen de observaties uitgelegd worden aan de hand van het conflict tussen de dominante literaire normen van de betrokken literaire polysystemen, meer bepaald tussen de normen van enerzijds de Russische literatuur en anderzijds die van de Franse, Duitse en Nederlandse literaturen. Het is namelijk zo dat het gebruik van vreemde talen en van afwijkend taalgebruik in de Russische realistische literatuur gemeengoed is. Deze tolerantie kan niet in dezelfde mate teruggevonden worden in de literaturen van West-Europa uit dezelfde periode, al komen her en der wel uitzonderingen voor. Langeveld (2008: 139) wijst op de conclusie van de Russische vertaalwetenschapper Etkind, dat het gebruik van dialect in Russische literaire werken meer geaccepteerd is dan in producten van andere literaturen. Terwijl een dergelijk literair procedé in het Russisch ‘een normale, algemeen geaccepteerde manier [is] om de taal van bepaalde personages te kleuren’,[597] is het effect ervan in een Frans of Nederlands literair werk volgens hem tamelijk bevreemdend. In dezelfde lijn merkt Van het Reve (2008c: 627-8) anno 1956 op dat ‘skaz’ of ‘praatstijl’, waarmee hij doelt op de ongepolijste spraak van personages, in onze literatuur nauwelijks bekend is. Het verbaast hem dan ook niet dat er ‘in de vertaling van de ‘praat’ veel verloren gaat’. De conflictuerende literaire normen wat betreft de spraak van personages kunnen gedeeltelijk verklaren waarom Dostoevskij door de dominante Duitse, Franse en Nederlandse critici – De Vogüé voorop – een slechte schrijfstijl ten laste werd gelegd.[598] Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vertalers hieraan een mouw pasten, door de teksten van Dostoevskij aan te passen aan de dominante normen van de doelliteratuur. Deze vaststelling doet denken aan de door Van het Reve (2008d: 464) opgetekende mening dat Dostoevskij bij vertaling kan winnen: ‘zijn werk bevat hier en daar slecht geschreven, uit nood bijeengeraapte pagina’s, waar een goed vertaler iets aan kan opknappen’.
Tot slot kunnen er inhoudelijk-functionele redenen aangewezen worden voor de massale neutralisatie van heteroglossen en de systematische standardisatie van afwijkend taalgebruik in het oeuvre van Dostoevskij. Eerder is duidelijk gebleken dat Dostoevskij hoofdzakelijk doorgebroken is in de Franse en Duitse literaturen omdat hij gezien werd als een correctie op het amorele, goddeloze naturalisme à la Zola respectievelijk omdat men op zoek was naar literaire modellen waarin de sociale excessen aan de kaak gesteld worden. Met andere woorden was het de betrokken actoren – critici, uitgevers en vertalers – vooral te doen om de christelijk-morele of zonder meer humanistische dimensie in het oeuvre van Dostoevskij. Ten gevolge hiervan werd ten eerste de formele dimensie van zijn talent, waartoe de polyfone schrijfstijl kan gerekend worden, zowel in de kritiek als in de vertalingen naar de achtergrond gedrongen. Een tweede gevolg van de Christelijk-morele en humanistische appreciatie van Dostoevskij is dat de vertalers zich verplicht zagen om een mouw te passen aan passages die deze interpretatie bemoeilijken of ondermijnen. Dit geldt met name voor de talloze keren dat Dostoevskij gebruik maakt van heteroglossen of gebroken taal om de spot te drijven met etnische minderheden en buitenlanders. Deze satire vormt een bijzondere problematiek, die hieronder in apart hoofdstuk vanuit verschillende invalshoeken wordt toegelicht.
inleiding
In dit hoofdstuk worden Dostoevskijs xenofobie in het algemeen en zijn germanofobie in het bijzonder in een juist perspectief geplaatst. Met het oog hierop wordt uitgezoomd naar de bredere culturele context waarin hij leefde en schreef. Eerst wordt gepeild naar de houding die de Russisch autochtone bevolking aannam tegenover de Duitse immigranten. Vervolgens wordt het beeld van de Duitsers in de Russische folklore en in de Russische literatuur geanalyseerd. Hierna zal gepeild worden naar Dostoevskijs vermeende xenofobie. Meer in het bijzonder wordt de vraag gesteld of deze op een fundamenteel verschillende wijze tot uiting komt in zijn essayistiek dan in zijn prozateksten. Wat betreft zijn proza, worden de technieken waarmee hij de Duitsers tot het voorwerp van spot maakt aan een doorgedreven analyse onderworpen. Tot slot wordt een onderzoek ingesteld naar de manier waarop deze anti-Duitse satire via de Franse en Duitse intermediaire teksten terecht is gekomen in de vroege Nederlandse vertalingen.
Het feit dat in dit hoofdstuk van alle etnische minderheden en buitenlanders in het proza van Dostoevskij de Duitse personages het meeste aandacht krijgen, is geen arbitraire keuze, maar heeft te maken met drie overwegingen. Ten eerste zijn de Duitse personages van alle etnische minderheidsgroepen eenvoudigweg het best vertegenwoordigd in het oeuvre van Dostoevskij. Ten tweede is over deze specifieke problematiek nog maar weinig gepubliceerd – in tegenstelling tot over Dostoevskijs vermeend antisemitisme. Ten derde is de houding van Dostoevskij jegens Duitsers voor zijn vroege Nederlandse receptie van bijzonder belang, aangezien deze voor een groot stuk bemiddeld is door Duitse actoren en teksten. Hiermee is echter niet gezegd dat de houding die Dostoevskij aannam tegenover andere etnische groepen, zoals Finnen, Polen en Joden, essentiëel verschillend was.
geschiedenis van duitsers in rusland
De Duitsers behoorden tot de eerste vreemde naties waar de Russen intensieve contacten mee onderhielden. Dit wordt geïllustreerd door de etymologie van het woord ‘немец’, dat in modern Russisch ‘Duitser’ betekent. In het Oud-Russisch duidde dit woord, dat afgeleid is van ‘немой’ (stom), op een vreemdeling, of op een man die een onduidelijke of moeilijk te begrijpen taal spreekt.[599] Een kort historisch overzicht van de betrekkingen tussen Russen en Duitsers, gebaseerd op Karev (1999: 10-12) en Vormsbecher (1999), maakt deze betekenisverschuiving van het woord inzichtelijk.
Het Russische territorium werd voor het eerst door Duitsers bezocht in de 9e eeuw. Drie eeuwen later vestigden Duitse kooplieden, werkleiden, krijgslieden, doctoren en geleerden zich in de grote Russische steden. De eerste Duitse immigratiegolven bereikten Rusland in de 15e en 16e eeuw, tijdens het bewind van Ivan III en Vasilij III. Onder Ivan de Verschrikkelijke verschenen in Moskou de eerste slobody: geprivilegieerde nederzettingen die bewoond werden door handelaars en handwerklieden van vreemde, meestal Duitse origine. Het was echter Peter de Grote die bewust de toevloed van Duitse specialisten vergrootte. Zij werden aangetrokken met het vooruitzicht van een goede betrekking in het leger, de vloot en de ambtenarij. Dit immigratiebeleid werd door Catherina de Grote, die zelf van Duitse origine was, uitgebreid tot de landbouw. In de tweede helft van de 18e eeuw nodigde de tsarina duizenden Duitse boeren en kolonisten uit naar verschillende onontgonnen en nieuwe regionen van het Russische rijk. Met het oog hierop vaardigde ze een manifest uit dat de nieuwkomers allerhande privileges en voordelen bood. Ook Alexander I moedigde de Duitse immigratie aan: in 1813 suggereerde hij aan de Duitse kolonisten van het hertogdom van Warschau om zich in Rusland te vestigen.
In 1871 kwam er een radicale ommekeer in het Russische beleid inzake de Duitse immigratie. Kort na de opheffing van de lijfeigenschap schafte Alexander II categorisch alle privileges af die Catherina de Grote aan de immigranten had toegekend. Voortaan hadden de Duitse kolonisten dezelfde rechten en plichten als de Russische boeren. Bovendien werden ze drie jaar later blootgesteld aan de pas ingevoerde dienstplicht. Ten gevolge van deze maatregelen emigreerden tal van Duitse families uit Rusland. Niettemin was tegen het einde van de 19e eeuw één op acht vreemdelingen in het uitgestrekte Russische rijk van Duitse afkomst.[600]
duitse immigranten vs. russische autochtonen
De Duitsers van het Russische platteland leefden vrijwel geïsoleerd van de Russische maatschappij en behielden in grote mate hun traditionele levenswijzen. Voor 1870 waren Duitse kolonisten met een goede kennis van het Russisch dan ook uitzonderlijk. De Duitsers in de Russische steden daarentegen hadden zich goed geïntegreerd in de Russische samenleving. Iaremenko (1996: 233) merkt op dat gemengde huwelijken tussen Duitsers en Russen in Moskou en Sint-Petersburg niet zeldzaam waren. Niettemin bleven ook de stedelijke Duitsers als zodanig herkenbaar voor de Russisch autochtone bevolking, door hun afwijkende zeden en onorthodoxe uitspraak van het Russisch.
In de tijd van Dostoevskij waren Duitsers vertegenwoordigd in alle lagen van de Russische maatschappij. Sommigen waren als academicus of leerkracht verbonden met academieën en onderwijsinstellingen, bestierden ministeries en kanselarijen, oefenden vrije beroepen uit, werkten in ziekenhuizen als arts of in fabrieken als ingenieur of mechanicus. Anderen verdienden hun kost als ambachtsman, winkelier, kolonist of boer. In vergelijking met de Russische autochtone bevolking was de Duitse minderheid economisch welvarend.
De Duitse immigranten en hun nageslacht werden in Rusland nauwlettend gadegeslagen als vertegenwoordigers van het Europese continent. Uit deze observaties ontsproot een dubbelzinnige houding van de plaatselijke bevolking ten opzichte van de Duitsers. Enerzijds werden ze gewaardeerd voor hun deugden, zoals hun organisatietalent en doorgedreven professionalisering in tal van beroepen. Anderzijds werden ze, zoals Ignat’ev (2000) bevestigt, vanwege de Russen niet onthaald op bijzondere affectie. In plaats daarvan werden de binnen- en buitenlandse Duitsers het geliefkoosde voorwerp van spotternij. Ironisch genoeg waren het precies de erkende kwaliteiten van de Duitsers die aanleiding gaven tot de spot. Zo vond men de Duitsers overdreven precies, punctueel en gedisciplineerd. Erger is dat de Duitsers pedanterie en zielloosheid ten laste werden gelegd.
Volgens Gigolašvili (2000) werden de Duitsers door de Russen enerzijds om allerhande positieve eigenschappen gerespecteerd. In de ogen van de autochtone bevolking waren ze namelijk:
образованы, пунктуальны, настойчивы, работоспособны, бережливы, надежны как работники-профессионалы, упорные искатели и мыслители, трезвые и рациональные ученые, философы, двигатели прогресса, разработчики.[601]
Anderzijds belette dit de Russen niet om de Duitsers smalend af te schilderen als ‘книжники, начетчики, скучные скупердяи, солдафоны, аккуратисты, ханжи и стукачи’ (boekenwormen, vitters, saaie vrekken, ijzervreters, overdreven accurate mensen, hypocrieten en verraders). Wellicht was dit onfraaie beeld het gevolg van banale xenofobie – zoals deze te vinden is in iedere maatschappij – en van specifieke gevoelens van nijd om de economische voortvarendheid van de Duitsers en de langdurige positieve discriminatie vanwege de Russische overheid.[602]
Het is moeilijk om op basis van strikt geschiedkundige werken in te schatten in hoeverre de spot van het Russische volk met Duitsers hand in hand hing met vreemdelingenhaat. In ieder geval blijkt uit de studie van het Russische nationalisme in de periode 1855-75 van Renner (2000: 334-74) dat het anti-Duitse gevoelen in Rusland bijzonder opvallend was in de tweede helft van de 19e eeuw. In die mate dat volgens hem germanofobie, vooral gericht tegen Baltische Duitsers, aanzienlijk bijgedragen heeft tot de opflakkering van het Russisch nationalisme aan het begin van de Russisch-Turkse oorlog.
Gedurende de jaren 1860, die aan deze oorlog vooraf gingen, was de germanofobie van de Petersburgse bevolking gecultiveerd door een kleine groep schrijvers rond de rechtse krant Den’. Een centrale rol hierin werd gespeeld door Dostoevskijs politieke medestander, de conservatieve publicist, criticus en uitgever Michail Katkov.[603] Hij vroeg zich in een essay over de Poolse Januariopstand hardop af waarom het Poolse land nog niet gerussificeerd was. Hij beantwoordde de vraag zelf met de opmerking dat vooraleer het Poolse land te kunnen russificeren, Rusland eerst zichzelf moet russificeren – een toespeling op de volgens hem mislukte integratie van de Duitse inwoners van Rusland.
Een meer fundamentele verklaring voor de piek van germanofobie die in de tweede helft van de 19e eeuw plaatsvond, betreft de Duitse eenmaking onder leiding van Pruisen. Deze grootschalige staatkundige gebeurtenis vormde een potentieel gevaar voor de loyaliteit van de Baltische Duitsers tegenover het Russische tsarendom.
het beeld van de duitser in de russische folklore
Belangwekkende getuigenissen over de soms gespannen relatie tussen Russen en Duitsers worden aangedragen door de volkskunde, die de transpositie bestudeert van de gebruiken, gewoonten, voorstellingen en tradities van een in historische continuïteit levende gemeenschap in cultuurproducten. Iaremenko (1996: 231) wijst erop dat de houding die een volk aanneemt tegenover vreemdelingen een essentiële rol speelt in de esthetica van dit volk.
In de studie van Iaremenko van stereotype beelden van Duitsers en Fransen in de Russische folklore, staan twee veronderstelde karaktereigenschappen van de Duitser centraal: gierigheid en domheid. Dit beeld werd onder meer verspreid door straattheatergezelschappen. De meest gespeelde scène betrof een conflict tussen een pretentieuze, pedante en domme Duitse heer, traditioneel een dikbuikige lomperd, en zijn handige en scherpzinnige Russische knecht. In het Russische poppentheater was de Duitse arts een zeer populair personage. Doorgaans bestond zijn functie erin om per ongeluk komische situaties te creëren. Iaremenko (1996: 241) vermeldt als voorbeeld de scène waarin Petruška, de Russische variant van Jan Klaassen, de Duitser Russisch trachtte te leren – wat door de toeschouwers steevast onthaald werd op hoongelach.
De minachtende houding van de 19e-eeuwse Russen tegenover de Duitsers spreekt ook uit verschillende spreekwoorden, zegswijzen, zinswendingen en woordcollocaties die de lexicograaf Vladimir Dal’ (1862: 364) bij leven van Dostoevskij verzamelde en publiceerde. Lemmata afgeleid van ‘немец’ (‘Duitser’ of ‘vreemdeling’) leiden naar een fascinerende collectie uitspraken, die de Duitsers consequent spot en antipathie toebedeelt. Deze collectie kan in grofweg vijf categorieën opgedeeld worden:
(a) Een eerste categorie uitspraken brengt Duitse kwaliteiten, zoals organisatietalent en precisie onder de aandacht. Bijvoorbeeld: ‘У Немца на все струмент есть’ (De Duitser heeft gereedschap voor alles); ‘Немецкая (т.е. точная школярная) ученость’ [Duitse (d.w.z. precieze, schoolse) geleerdheid]. De volgende categorieën zijn minder vleiend.
(b) De tweede categorie, tevens de grootste, bevat eerder onschuldige, onzinnige plaagrijmjes en korte verzen die de spot drijven met typisch Duitse eigennamen, de klanken van de Duitse taal en de Duitse worstencultuur. Deze categorie bevestigt dat Dal’ het woord ‘немец’ in de eerste plaats opvatte in de hedendaagse betekenis van ‘Duitser’, en minder als zijn hyperoniem ‘vreemdeling’. Bijvoorbeeld: ‘Немец Иван Иваныч, Адам Адамыч и др.’ (De Duitser Ivan Ivanyč, Adam Adamyč etc.); ‘Шпрехен-зи-дейчь? Иван Андреич’ (Šprechen-zi-dejč’?); ‘Вас-ис-дас? Кислый квас’ (Vas-is-das? Zure kvas); ‘Немец – шмерец, копченый, колбаса, колбасник, сосиска’ (De Duitser is een ‘šmerec’, gerookte, worst, worstverkoper, worstje); ‘Штуки-шпеки, Немецки человеки’; ‘Ноги многи, глазы быстры, а шейка шлёп-шлёп’ (Veel voeten, snelle ogen, maar de hals is ‘šlëp-šlëp’). Bij deze laatste zegwijze, waarvan de denotatieve betekenis niet helemaal duidelijk is, vermeldt Dal’ (1862: 364) expliciet ‘так дразнят Немцев’ (zo plaagt men Duitsers).
(c) Een derde categorie positioneert de Duitsers radicaal tegenover de Russen qua waarde, ziens- en levenswijze. Bijvoorbeeld ‘Немец своим разумом доходит (изобретает), а Русский глазами (перенимает)’ [Een Duitser komt tot iets (begrijpt) met zijn verstand en een Rus (neemt het over) met zijn ogen]; ‘Прусский гут (хорош), а Русский гутее’ (Een Pruis is gut (goed), maar een Rus is meer gut); ‘Что Русскому здорово, то Немцу смерть’ (Wat goed is voor een Rus, betekent voor een Duitser de dood). Van de genoemde zegswijzen is enkel het laatste nog aanwezig in recente (spreek)woordenboeken, zoals dat van žukov (1991: 360).
(d) Een vierde categorie betreft een aantal veronderstelde negatieve eigenschappen van Duitsers, zoals geslepenheid, trouwloosheid, pedanterie, excentriciteit, zielloosheid en gierigheid. Bijvoorbeeld: ‘Настоящий Немец (точен, педант, причудлив)’ [Een echte Duitser (precies, pedant, bizar)]; ‘Немец хитёр: обезьяну выдумал’ (De Duitser is slim: hij heeft de aap uitgevonden). Vanzelfsprekend is deze laatste zegswijze ironisch bedoeld.[604]
(e) De vijfde en laatste categorie bestaat uit zegswijzen en spreekwoorden die de Duitser afbeelden als voorwerp van verbale en fysieke agressie. Dit gaat van een uitbrander tot en met moord. Bijvoorbeeld: ‘Русский Немцу задал перцу’ (De Rus gaf de Duitser op zijn donder); ‘Немец хоть и добрый человек, а все лучше повесить’ (Een Duitser mag dan wel een goede mens zijn, het is toch beter hem op te knopen). In het bijzonder dit laatste spreekwoord getuigt dat in de 19e eeuw het Russische collectieve bewustzijn gekenmerkt werd door een belangrijke mate van onversneden germanofobie.
het beeld van de duitser in de russische literatuur
Behalve in het Russische straat- en poppentheater en de orale cultuur zijn negatieve Duitse stereotypen ook rijkelijk aanwezig in de hogere Russische cultuurvormen, zoals in literaire teksten.
In Rusland komt de satirische uitbeelding van Duitsers al voor vanaf de 18e eeuw. Het is in deze eeuw dat de Russische literatuur voor het eerst vaste vorm kreeg.[605] Ook in de 19e eeuw hebben verschillende auteurs die vandaag het epitheton ‘klassiek’ dragen, toneelschrijvers, dichters en prozaïsten, de spot gedreven met Duitsers in het algemeen, en met hun onbekwaamheid om zich uit te drukken in het Russisch in het bijzonder. Hiervoor werd veelvuldig gebruik gemaakt van wat linguïsten als Achmanova (1968: 70) bestempelen met de Russische term ‘варваризм’. Deze term kan vertaald worden als ‘barbarisme’, en wordt hier gebruikt in de volgende betekenissen: (a) Russische woorden, woordvormen, uitdrukkingen en dergelijke waarvan de spelling of vorming niet in overeenstemming is met de regels op het gebied van spelling, woordvorming, inflectie of woordcombinatie; (b) een woord dat ad hoc ontleend wordt aan een vreemde taal in een overwegend Russische tekst, en dat al dan niet vervoegd, verbogen of morfologisch aangepast wordt.
De eerste bekende Russische schrijver die met satirische doeleinden gebruik maakte van barbarismen om het discours van zijn Duitse personages te karakteriseren had ironisch genoeg zelf een naam van Duitse oorsprong, afgeleid van Von Wiesen. Het betreft Denis Fonvizin (1745-92), de enige toneelschrijver van de Russische Verlichting wiens stukken nog steeds vertoond worden. In de komedie Nedorosl’ (De adolescent), waaraan hij zijn prominente plaats onder de Russische toneelschrijvers te danken heeft, voert Fonvizin een onbetrouwbare Duitse leraar op met de typisch Duits-Russische voor- en vadersnaam Adam Adamyč en de sprekende familienaam Vral’man.[606] Dit zonderling personage drukt zich als volgt uit:
Ай, ай, ай, ай, ай! Теперь-то я фижу! Умарит хaтят репeнка! Матушка ты моя! Сшалься нат сфаей утропой, котора дефять месесоф таскала, – так скасать, асмое тифа ф свете.[607] (Fonvizin 1893: 87)
Het geciteerde fragment illustreert dat het discours van Vral’man zo overladen is met fonetische onregelmatigheden, dat het niet licht begrepen kan worden. Nog belangrijker is het bevreemdende effect van dit discours. De meest opvallende barbarismen die Fonvizin gebruikte voor de suggestie van een incorrect Russisch en een Duits accent, komen tot stand door middel van de volgende verschuivingen: (a) stemhebbende medeklinkers worden stemloos gemaakt. Bijvoorbeeld ‘фижу’ in plaats van ‘вижу’; (b) zachte consonanten worden vervangen door harde consonanten. Bijvoorbeeld ‘умарит’ in plaats van ‘уморить’; (c) onbeklemtoonde <o>‘s worden verkeerdelijk gespeld als <a>‘s. Bijvoorbeeld ‘хатят’ in plaats van ‘хотят’; (d) andere onregelmatigheden in de spelling die klankweglating en –vervorming suggereren. Vb. ‘катора’ in plaats van ‘которая’.
Fonvizins linguistische technieken om de Duitsers tot het voorwerp van zijn bijtende satire te maken misten het beoogde komische effect bij het publiek niet: Nedorosl’ (De adolescent) werd, aldus Waegemans (1996: 71), ‘stormachtig onthaald’. Dat de naam ‘Vral’man’ vandaag nog steeds een begrip is, blijkt uit zijn aanwezigheid in hedendaagse Russische woordenboeken.[608] Het is dus niet verwonderlijk dat deze technieken na Fonvizin gerecycleerd, heruitgevonden en verspreid werden door andere schrijvers, te beginnen bij Ruslands bekendste fabelschrijver Ivan Krylov (1769-1844). In zijn tragikomedie in verzen Podščipa (1799-1800) wordt de toeschouwer geconfronteerd met de Duitse prins Trumf, die tevergeefs het hart tracht te veroveren van het Russische meisje Podščipa. Om dit doel te bereiken draagt hij poëzie voor in een vreemdsoortig, bijna onverstaanbaar Russisch, dat bovendien doorspekt is met Duitse ad-hocleenwoorden. In het door Krylov (1968: 239) ontworpen discours van Trumf worden de regels van de Russische grammatica genadeloos met de voeten getreden, in die mate dat zelfs de overeenkomst in getal en geslacht ontbreekt.
Ook Aleksandr Puškin (1799-1837), die een referentiepunt vormt voor alle Russische schrijvers van de 19e eeuw, maakte – althans in zijn poëzie – gretig gebruik van barbarismen om Duitsers te bespotten. De vroegste sporen hiervan zijn terug te vinden in zijn lyceumjaren. In 1815 wijdde Puškin (1949: 300) namelijk het epigram Na Gakena aan zijn Duitse leraar Haken. Dat het door de Duitsers geproduceerde Russische discours voor de Russen in de tijd van Puškin een bron van vermaak vormde, wordt expliciet vermeld in Grobovščik (1831, De doodkistenmaker). In dit kortverhaal groet de schoenmaker Gotlib šul’c, aan wie men ziet dat hij een Duitser is, zijn buur in een Russisch taaltje dat ‘мы без смеха доныне слышать не можем’[609] (wij tot op heden niet kunnen aanhoren zonder te lachen).
Zoals Gigolašvili (2000) opmerkt, was het na Puškin de beurt aan Gogol’ en Lermontov om het Russische discours van Duitsers te kenmerken door barbarismen. In het bijzonder in het oeuvre van Gogol’ zijn Duitsers in groten getale aanwezig. Zij worden steevast behandeld met een zweem van ironie. In het kortverhaal Šinel’ (1842, De mantel), bijvoorbeeld, adviseert de kleermaker Petrovič aan Akakij om schoenverwarmers te maken van zijn oude jas. Volgens hem hebben de Duitsers dit procedé uitgevonden, met het oog op geld. De verteller van Gogol’ (1994: 117) voegt hieraan toe: ‘Петрович любил при случае кольнуть немцев’ (bij gelegenheid Petrovič hield ervan om Duitsers een steek te geven).
Meer uitgewerkte portretten van gierige Duitsers zijn bij Gogol’ terug te vinden in zijn zogenaamde Peterburgskie povesti (Peterburgse verhalen). Zo is het Russische personage Pirogov in het kortverhaal Nevskij prospekt getuige van een hilarische dialoog tussen de Duitse handwerklieden šiller en Gofman[610] – duidelijk herkenbare allusies op de Duitse schrijvers. In deze scène verzoekt de beschonken Šiller aan Gofman om zijn neus af te knippen omdat hij teveel geld spendeert aan snuiftabak. Een stukje verder in de tekst laat hij Pirogov overmatig veel betalen voor een paar sporen. De prijs wordt laconiek verklaard met een verwijzing naar de Duitse kwaliteit. In deze tekst wordt de Duitser dus geassocieerd met idioot gedrag, geldzucht en onbetrouwbaarheid. Ook vermeldenswaard is dat Gogol’ (1977: 34) het discours van zijn Duitse personages lardeerde met in het cyrillisch getranscribeerde Duitse woorden en uitdrukkingen.
Dat Gogol’ niet enkel in de hoedanigheid van schrijver minachtend omsprong met Duitsers, blijkt uit een door Veresaev (1933: 445) beschreven getuigenis van Arnol’di. Deze tijdgenoot van Gogol’ herinnert zich dat een Russisch gezelschap een hele avond lang grappen vertelde over Duitsers in de aanwezigheid van de Russische schrijver. Op het einde van de avond vertelde Gogol’, die tot dan toe weinig had gesproken, een lachwekkend verhaal over een verliefde Duitser. Zijn conclusie was dat een Duitser überhaupt niet bijzonder aangenaam is, maar dat het onmogelijk is om zich iets onaangenamers voor te stellen dan een Duitser op vrijersvoeten.
Gigolašvili (2000) wijst erop dat, in navolging van literaire coryfeeën als Fonvizin, Krylov, Puškin en Gogol’, ook Dostoevskijs generatie van schrijvers – van Turgenev en Gončarov via Leskov tot Saltykov-Ščedrin en Tolstoj – teruggreep naar barbarismen om het Russische discours van Duitse personages vorm te geven.
imagologie
Hierboven is aangetoond dat tegen de tweede helft van de 19e eeuw het Duitse personage in zijn stereotiepe gedaante van pedante en gierige verhaspelaar van de Russische taal een vaste bron voor satire geworden was in de Russische literatuur. Deze vaststelling komt overeen met het inzicht van de imagologie dat literaire teksten een sleutelrol spelen in de constructie, verspreiding en instandhouding van veralgemeningen, met inbegrip van nationale-identiteitsconstructen.
Leerssen (2000: 269), die als imagoloog heterobeelden in de literatuur niet enkel beschouwt als ‘a record of the representation of a given nationality’, maar ook als ‘a cultural praxis articulating and even constructing that nationality’, benadrukt in dit verband het belang van intertekstualiteit. De kracht van deze heterobeelden, die net zoals andere stereotiepen een veralgemenende functie hebben, schuilt niet in hun empirische waarde, maar in hun vertrouwdheid en herkenbaarheid. Heterobeelden verwijzen dan ook veeleer naar eerdere beelden van de andere natie dan naar deze andere natie zelf. In dit perspectief verwijzen de Duitse personages van Gogol’ eerder naar de Duitse personages van Puškin, Krylov en Fonvizin, dan naar de destijds empirisch waarneembare Duitsers binnen en buiten Rusland. De afwezigheid en irrelevantie van empirische toetsing verklaart dat nationale stereotypen probleemloos tegenstrijdige karaktereigenschappen kunnen uitbeelden. Zo wordt de Duitser in de Russische 19e eeuw tegelijkertijd afgebeeld als nauwgezet en lomp.[611]
Volgens de door Lacan geïnspireerde theoretici Amossy en Herschberg Pierrot (2005: 6) bestaat de functie van discursieve beelden van andere naties in het construeren van een eigen sociale identiteit. Volgens deze logica hebben de Russische schrijvers door hun negatieve stereotypering van Duitsers, die in Rusland eeuwenlang geprivilegieerde vertegenwoordigers waren van nationale en etnische andersheid, substantieel bijgedragen tot de constructie van een positieve nationale en etnische Russische identiteit.
Dat nationale stereotypen van Duitsers en andere naties zo copieus aanwezig zijn in Russische literaire teksten van de 19e eeuw is in overeenstemming met de bewering van Leerssen (2000: 274) dat nationaliteit in de loop van deze eeuw – door hem ‘the heyday of national thought’ genoemd – de toetssteen werd voor de literaire praktijk. In plaats van te evolueren in de richting van een oecumenisch georiënteerde geschreven cultuur begon literatuur in Europa meer en meer blijk te geven van nationale aspiraties.
Behalve de tijdsgeest is ook de persoonlijkheid van de auteur – die al dan niet in verband kan worden gebracht met zijn achtergrond – determinerend voor de mate waarin een bepaalde literaire tekst nationale stereotypen construeert, verspreidt en in stand houdt. Dostoevskij, die geboren werd in een gezin van de Moskouse middenklasse en opgroeide in de onmiddellijke nabijheid van het Russische volk, bleef zijn leven lang geobsedeerd door het concept nationale identiteit. Aangezien hij bovendien sympathieën koesterde voor de beweging van de slavofielen is het niet anders dan logisch dat zijn oeuvre meer verzadigd is van nationale stereotypen dan dat van bijvoorbeeld Tolstoj, die in een aristocratisch milieu grootgebracht werd door buitenlandse gouverneurs en die patriottisme een kwalijke en zelfs moreel verderfelijke zaak vond.
dostoevskij als essayist vs. de duitsers
Eerder werd erop gewezen dat Dostoevskij lange vakanties doorbracht in Duitsland, waar hij zich verlustigde aan het landschap. De schrijver was echter ook goed vertrouwd met Duitsers, minderheden en reizigers, binnen Rusland. In 1837 verhuisde hij naar Sint-Petersburg, waar Duitse marktkramers en kleine ondernemers deel uitmaakten van het dagelijks straatbeeld. Zoals alle Russen, was Dostoevskij regelmatig betrokken bij handelscontacten met Duitsers. Bijvoorbeeld was hij, zoals Gigolašvili (2000) meldt, een trouwe klant van de hoedenmaker Zimmerman. Bovendien huurde Dostoevskij in verschillende perioden van zijn leven een woning van Duitse huisbazen.
Zijn vertrouwdheid met Duitsers binnen en buiten Rusland leverde Dostoevskij geen bijzondere genegenheid voor dit volk op, maar integendeel een grondige antipathie. Dit hoeft niet te verbazen, aangezien xenofobie in het algemeen en germanofobie in het bijzonder in het Sint-Petersburg van Dostoevskijs tijd welig tierden. Hoe erg het in Dostoevskijs omgeving gesteld was maakt Frank (1979: 78) duidelijk. Kennelijk behoorde de fysieke mishandeling van de vreemde taalleerkrachten, vooral van de Duitsers, in de Peterburgse ingenieurschool tot de ‘favourite indoor sports’. In de mate van het mogelijke protesteerde Dostoevskij hiertegen, maar niet altijd met succes.
Anderzijds verzette Dostoevskij zich niet tegen de verbale uitingen van het anti-Duitse gevoelen, zoals de systematische afbeelding van Duitsers vanuit een essentialistisch, minachtend gezichtspunt. Het omgekeerde is waar: te pas en te onpas sloeg hij hieruit literaire munt. Aan de stereotypering van Duitsers droeg Dostoevskij bij door hen (a) in zijn fictioneel oeuvre satirisch, zelfs sarcastisch uit te beelden en (b) ook in zijn essayistiek negatieve eigenschappen toe te dichten. Zo werden de Duitsers in Dnevnik pisatelja de volgende etiketten opgeplakt: stijfhoofdig, arrogant, trots, zelfingenomen en verknecht aan gehoorzaamheid.[612] Klaarblijkelijk waren deze eigenschappen in de ogen van Dostoevskij typisch – dat wil zeggen tegelijkertijd opmerkelijk en representatief – voor Duitsers.
Leerssen (2000: 279) benadrukt dat eenmaal nationale stereotypen geformuleerd zijn in literaire teksten, ze levend gehouden worden zolang deze teksten lezers hebben. Logisch is zijn specifiëring dat nationale beelden in teksten die tot de literaire canon behoren ‘remain operative in the cultural system for a far more extended period (and with all the added prestige of having been formulated by a famous author) than instances from other, more ephemeral texts’.[613] Aangezien deze beelden niet onderhevig zijn aan empirische falsificatie, blijven ze bovendien ‘subliminally present in the social discourse and can always be reactivated should the occasion arise’.[614] Hieruit kan men concluderen dat de impact van Dostoevskij – tenslotte een wereldwijd gecanoniseerde auteur – op de verspreiding van Duitse stereotypen in de Russische literatuur en in de recipiërende literaturen tot op de dag van vandaag significant is.
Aangezien Dostoevskijs zowel in zijn fictioneel oeuvre als in zijn essays blijk gaf van een minachtende houding tegenover het Duitse volk, bestaat er grond voor de bewering dat hij germanofoob was. Om het anti-Duitse gevoelen van de schrijver in een juist perspectief te plaatsen, moet men echter in aanmerking nemen dat hij een gelijkaardige houding aannam tegenover Joden, Polen en – wanneer de gelegenheid zich voordeed – ook andere volkeren. Het lijkt dan ook gerechtvaardigd om Dostoevskij te bedelen met het hyperonymische epitheton ‘xenofobisch’. Dat deze aandoening Dostoevskij niet is komen aanwaaien in zijn post-Siberische periode, maar al in zijn jonge jaren zorgbarende vormen aannam, blijkt uit de door Frank (1979: 114) vermelde anekdote dat de schrijver in de vroege jaren 1840 met zo veel heftigheid tekeer ging tegen vreemdelingen dat een Zwitser hem voor een gevaarlijke gek hield en het op een lopen zette.
dostoevskij als prozaïst vs. vreemdelingen
Sinds de publicatie van rijkelijk gedocumenteerde biografieën van Dostoevskij, zoals opgevat door Joseph Frank, staat het buiten kijf dat hij als mens en essayist aan xenofobie leed – wat hij logischerwijs combineerde met doorgedreven, zeg maar religieus patriottisme en politiek conservatisme. Niettemin betekent dit niet noodzakelijk dat ook zijn romankunst geaffecteerd is met een afkeer van niet-Russische volkeren. Aangezien Dostoevskij als romanschrijver een hoge positie bekleedt in de canon van de wereldliteratuur en xenofobie ook op het gebied van de literatuur politiek incorrect is, dreigt de bestempeling van zijn fictioneel oeuvre als xenofobisch bovendien door te gaan voor profanatie. Dat weerhoudt de hedendaagse Dostoevskij-kenner Hans Boland (2008: 30), die de vertaling Duivels verzorgde, er niet van om duidelijk te stellen dat de vaderlandsliefde van de schrijver dikwijls overstemd wordt door zijn vreemdelingenhaat, en dat hij ‘in zijn romans […] met genotzuchtige Schwung uit[haalt] naar Duitsers, Polen, Joden, Amerikanen, Fransen, Zwitsers en Engelsen’. Dat deze problematiek bij ons tot voor kort taboe was, kan geïllustreerd worden door de controverse die Dostoïevski et les juifs van David Goldstein (1976) veroorzaakte. In dit werk werd Dostoevskij niet enkel als persoon en essayist, maar ook als fictieschrijver antisemitisme ten laste gelegd.
In de Nederlandse literatuur was het Charles B. Timmer (1990) die het hevigst reageerde op de onfraaie beschuldigingen van Goldstein (1976) aan het adres van Dostoevskij, waarvan echo’s in Nederland doorklonken via literaire debatten in tijdschriften en op de radio. Met een helder essay trachtte de gevierde vertaler en autodidactisch kenner van de Russische literatuur de discussie voor eens en altijd te sluiten in het voordeel van de schrijver. Dit op een manier die symptomatisch is voor allen die in hun hartstocht voor Dostoevkij de beschuldiging van xenofobie willen weerleggen zonder de feiten al teveel geweld aan te doen.
Als startpunt van zijn redenering ontleent Timmer (1990: 105) aan Jean-Paul Sartre de aangename gedachte dat een literair meesterwerk onmogelijk doordrenkt kan zijn van zoiets verwerpelijks als antisemitisme. In overeenstemming met deze assumptie transformeert hij de vraag of Dostoevskijs proza antisemitische beelden of commentaren bevat tot de vraag of hij al dan niet een kunstenaar was. Omdat over het positieve antwoord hierop een brede consensus bestaat, is het duidelijk dat Timmer al bij aanvang van zijn onderzoek de mogelijkheid uitsluit dat Dostoevskijs proza inderdaad antisemitische kenmerken bevat.
Ondanks zijn vooringenomen intentie om Dostoevskijs naam te zuiveren van de door Goldstein (1976) opgelegde blaam, geeft ook Timmer (1990: 106) toe dat de aan het joodse vraagstuk gewijde essays van Dnevnik pisatelja inderdaad ‘een gênante en pijnlijke lectuur’ vormen. Dit om de volgende reden:
het element van ingebouwde valsheid in het betoog: enerzijds heilige verzekeringen van ‘geen sprake van jodenhaat bij mij!’, met even later uitlatingen over de joden die alleen als van jodenhaat getuigend kunnen worden opgevat. (Timmer 1990: 106)
Niettemin verkondigt Timmer met grote vastberadenheid dat niets van dit alles terug te vinden is in Dostoevskijs verhalen en romans. Om deze stelling te staven analyseert hij drie prozascènes van de Russische schrijver, uit Zapiski iz mërtvogo doma, Brat’ja Karamazovy en Besy, die Goldstein aan de kaak stelde als antisemitisch. Op basis van zijn lezing van de betreffende passages – die zoals iedere interpretatie gekenmerkt wordt door subjectiviteit – stelt Timmer ogenschijnlijk onbaatzuchtig vast dat deze inderdaad bijtende komische en negatieve portretten bevatten van joden.
Voorbeelden van joodse personages die in navolging van Goldstein (1976) door Timmer (1980) besproken worden zijn Isaj Fomič Bumštejn uit Zapiski iz mërtvogo doma en Ljamšin uit Besy. Allebei hebben ze een eigenaardig en onbekoorlijk uiterlijk en vormen ze het voorwerp van spot vanwege andere personages. Bumštejn ziet eruit als een gepluimd kuiken en geeft in een vreemdsoortig Slavisch taaltje uiting aan zijn misplaatste obsessie met geld.[615] Hij wordt vooral geplaagd door het personage Lučka, die in zijn leven veel ‘жидки’ (smousjes) heeft gekend. Over deze plagerijen weet de verteller van Dostoevskij (4: 94) dat ze helemaal niet voortkomen uit kwaadaardigheid, ‘а так, для забавы, точно так же, как забавляются с собачкой, попугаем, учеными зверьками и проч.’ (gewoon, voor het vermaak, precies zoals men zich ook met een hondje, een papegaai, getemde dieren en dergelijke vermaakt).
Waar ‘жидок’ (het smousje) Bumštejn een aandoenlijk clowneske woekeraar is, wordt ‘жидок’ Ljamšin uit Besy met minder vertedering neergezet. Hij is een kwaadaardige sjacheraar. Niettemin wordt ook hij door Dostoevskij ten dienste van de lach gesteld. Zo vernedert Ljamšin zichzelf door bijvoorbeeld als een varken te knorren bij het pianospelen – tot vermaak van een gezelschap Russische liberalen. De mededeling van de verteller van Dostoevskij (XII: 38) dat Ljamšin een begenadigd pianospeler is en een vaste betrekking heeft als ambtenaar bij de posterijen maakt dit personage nog eerlozer. Hij heeft de eventuele financiële beloning voor zijn vernedering dus niet echt nodig, maar ‘voor dat extra handgeld en voor een publiek succesje van lachers’, zoals Timmer (1990: 121) het verwoordt, is Ljamšin graag bereid tot verraad ‘aan zichzelf en aan zijn volk’. De onbetrouwbaarheid van Ljamšin wordt des te meer duidelijk wanneer uitkomt dat hij de terroristen en revolutionairen bij de politie heeft aangegeven.
In de visie van Timmer (1990: 123) heeft dit soort negatieve portretten van joden niets met antisemitisme te maken, en wel om de simpele reden dat deze geen directe verwijzing bevatten naar ‘het joodse volk in zijn totaliteit, dus met de implicatie van “die jood als individu deugt niet, hij is een verrader – maar zo zijn ze allemaal”‘. Voorafgaand aan dit argument gaf Timmer aan dat er ook veel Russische schurken in de romans van Dostoevskij voorkomen, zoals de moordenaar Smerdjakov in Brat’ja Karamazovy. Er is echter ‘niemand te wereld die Dostojevski op grond van de negatieve uitbeelding van die Rus zal beschuldigen van “haat tegen de Russen”‘.[616]
Enerzijds heeft Timmer (1990) gelijk wanneer hij op het veeleer onschuldige karakter van de betreffende scènes wijst. Van een doelbewuste anti-joodse haatcampagne is in het proza van Dostoevskij geen sprake. Ook klopt het dat Dostoevskij als prozaschrijver in staat was om zich zelfs van zijn mooiste personages te distantiëren, zoals van Alëša in Brat’ja Karamazovy. De commentaren van de personages of van de verteller, die in veel romans zelf een personage is, mogen niet automatisch gelijkgesteld worden met die van de auteur. We hebben er het raden naar wat Dostoevskij bedoelde toen hij Alëša op Liza’s vraag of de joden met Pasen echt een kind stelen en kelen ‘я не знаю’ (ik weet het niet) liet antwoorden. Het is goed mogelijk dat, zoals Timmer (1990: 117) met stelligheid beweert, Alëša tijdens het hele onderhoud half verdoofd is en ‘niet in staat [is] om op de onzin die Liza uitslaat te reageren’. In dit opzicht moeten de beschuldigingen van Goldstein (1976) inderdaad zoniet gerelativeerd, dan toch genuanceerd worden. Anderzijds gaat Timmer doelbewust voorbij aan het cruciale feit dat joden bij Dostoevskij – dit in tegenstelling tot Russen – systematisch negatief geportretteerd worden. Alleen al het steeds terugkerende ironische pejoratieve diminutief ‘жидки’ (smousjes) getuigt ontegensprekelijk van een minachtende houding. Overigens pikt Timmer er slechts enkele aspecten van Dostoevskijs jodenportretten uit, waardoor de ware omvang van de satire verborgen blijft. Zo besteedt hij bij de behandeling van het personage Bumštejn niet de minste aandacht aan zijn lachwekkend taaltje of aan zijn geldobsessie.
De grootste onvolkomenheid van Timmers redenering is de onderschatting van de kracht van intertekstualiteit. Het is nochtans evident dat de bevestiging van een reeds bestaand stereotype een gelijkaardige functie vervult als een rechtstreekse, expliciete verwijzing naar een volk als geheel. Timmer (1990: 117) sluit ‘de onbevooroordeelde lezer’ in zijn armen, terwijl lezers in feite alles behalve onbevooroordeeld zijn – het leesproces wordt namelijk door vooroordelen gestuurd. De joodse geldwolven Bumštejn en Ljamšin zijn niet de geïsoleerde gevallen waarvoor Timmer ze wil doen doorgaan. Integendeel, zij activeren een web van reminiscenties dat in zijn geheel genomen de joden wel degelijk stereotypeert als een volk van sjacheraars. Timmer houdt dus geen rekening met de historische context of met de lezersgemeenschap waarbinnen Dostoevskijs zijn proza schreef. Hierdoor veronachtzaamt hij de imagologische logica dat lezers die minder vertrouwd zijn met joodse stereotypen, zoals het merendeel van de nieuwe generaties westerse lezers, een andere mentale constructie maken van de betreffende teksten dan lezers die getraind zijn om een joods stereotype te onderscheiden van een ad hoc personage. Deze logica impliceert de onderkenning dat Dostoevskijs proza op zijn minst potentieel antisemitische passages bevat, en dat de activering hiervan in grote mate afhangt van de lezersgemeenschap.
Sinds semiotici als Umberto Eco het inzicht verspreid hebben dat tijdens het leesproces in het bewustzijn van de lezer, binnen een omlijnd kader, een idiosyncratische versie van de gelezen literaire tekst geconstrueerd wordt, is de vraag of Dostoevskijs proza al dan niet antisemitische of xenofobische trekken vertoont minder belangrijk dan Timmer doet uitschijnen – tenminste als men literatuur bestudeert vanuit een descriptief standpunt. Overigens riskeert deze discussie oeverloos en al te emotioneel te worden. Misschien kan dit ten dele vermeden worden door minder geladen woordgebruik. Zo wordt het antisemitisme in het proza van Dostoevskij wellicht beter aangeduid als ‘satire op joden’. In ieder geval wordt hierdoor de nadruk gelegd op de eerste literaire functie die joden, zoals ook Duitsers en Polen, hebben in Dostoevskijs proza.
voorbeeldschets van dostoevskijs satire op vreemdelingen
Indien de xenofobie in het proza van Dostoevskij al erkend wordt, ligt het zwaartepunt van de aandacht doorgaans op zijn satirische Jodenportretten, hoewel deze niet fundamenteel verschillend zijn van talrijke uitbeeldingen van Polen en Duitsers. Dit contrast kan verklaard worden met de Holocaust, ten gevolge waarvan in Europa aan antisemitisme zwaarder getild wordt dan aan andere vormen van vreemdelingenhaat.
De overgrote meerderheid van de vreemdelingen en etnische minderheden die Dostoevskijs fictionele wereld bevolkt zijn van Duitse afkomst. De hoofdreden hiervoor is het feit dat de auteur zich als exponent van het Russische realisme inspande om de reële Russische maatschappij uit te beelden, waarin Duitsers eeuwenlang een belangrijke rol speelden. Waar Duitse elementen veeleer perifeer aanwezig zijn en vooral bijdragen aan de couleur locale in Dostoevskijs rijpere, filosofische oeuvre, worden zij met meer uitgewerkte spot behandeld in sommige van zijn vroegere werken.
Unižennye i oskorblënnye
Het meest groteske, of alleszins het meest uitgewerkte voorbeeld van Dostoevskijs satire op Duitsers bevindt zich in Unižennye i oskorblënnye, de eerste roman die hij na zijn Siberische ballingschap schreef. In het bijzonder het eerste hoofdstuk, dat een tiental pagina’s telt, wordt thematisch gedomineerd door Duitse personages. Dat zij als natie met behulp van verschillende kunstgrepen tot het voorwerp gemaakt worden van wel zeer bijtende spot, kan blijken uit de volgende interpretatieve schets. Om aan te tonen dat het geheel van kunstgrepen een sterker komisch effect heeft dan de som van deze aparte kunstgrepen, is deze schets voor eenmaal relatief compleet en gedetailleerd.
De jonge Russische schrijver Ivan Petrovič, die zowel de verteller als het hoofdpersonage van deze roman is, neemt de lezer mee naar een merkwaardige episode uit zijn leven, waarin de plot zijn vroegste wortels vindt. Tijdens een maartse avondwandeling in Petersburg wordt zijn aandacht getrokken door een zonderlinge oude man met een afzichtelijke hond. Hij voelt enige ergernis opkomen, hoewel hij deze niet kan verklaren. De sjofele grijsaard en de hond, die de hyperbolische leeftijd van 80 jaar wordt toegedicht, lijken wel ontsnapt te zijn uit het universum van Hoffmann. In zijn fascinatie voor dit duo volgt Ivan Petrovič hem tot in een taverne die uitgebaat wordt door de Duitser Miller. Wanneer deze de oude man opmerkt, vertrekt zijn gelaat. Omdat de ‘незваный посетитель’ (ongenode bezoeker) nooit iets consumeert. Bovendien heeft de oude man de gewoonte om zich meteen te begeven naar de kachel in de hoek, waar hij drie à vier uren lang onbeweeglijk op een stoel zit. Daarbij fixeert hij zijn blik op een willekeurig punt binnen zijn gezichtsveld. De hond ligt ondertussen op de vloer. De andere cliënten trachtten iedere vorm van omgang met de oude man te vermijden, alsof hij hen afschuw inboezemt.
Op dat ogenblik deelt de verteller mee dat het cliënteel van Millers taverne voor het overgrote deel uit Duitsers bestaat. Deze verzamelde handwerklieden, slotenmakers, bakkers, schilders, hoeden- en zadelmakers van de Voznesenskij prospekt zijn allemaal ‘патриархальные в немецком смысле слова’ (patriarchaal in de Duitse zin van het woord). Overigens is, aldus de verteller, een patriarchale houding in Millers taverne de norm. Dat dit ironisch begrepen moet worden, blijkt uit de mededeling dat de waard regelmatig aanschuift aan tafel bij zijn vaste klanten, waarbij hij de gelegenheid aangrijpt om de gekende hoeveelheden punch achterover te slaan. Soms komen ook de kleine kinderen en honden van de waard de taverne binnen. Dan worden de kinderen en honden – door de verteller in één adem nevengeschikt – gestreeld door de cliënten, die elkaar allemaal kennen en hoogachten. Op het ogenblik dat iedereen verzonken is in de lectuur van Duitse kranten begint Millers oudste dochter, omschreven als ‘белокуренькая немочка в локонах, очень похожа на белую мышку’ (witharig Duits vrouwtje met krullen, dat heel erg lijkt op een wit muisje), het lied O, du lieber Augustin te klateren op een piano.
Het duurt niet lang of Ivan Petrovič stelt zijn aanwezigheid in die taverne in vraag. Hij oordeelt dat hij, zeker gezien zijn koortsachtige toestand, er goed aan zou doen om naar huis te gaan en in bed te kruipen. Ten prooi aan ergernis stereotypeert hij de Duitsers als saai: ‘И что мне за дело до всех этих скучных немцев’ (wat kunnen die saaie Duitsers me eigenlijk). Zijn eigen bezwaren ten spijt blijft hij toch zitten. Hij neemt een krant uit Frankfurt in handen en dut na letterlijk twee zinnen in. De Duitsers storen hem niet: ze houden zich bezig met hun kranten en rookwaren. Zo eenmaal om het half uur vertellen ze elkaar een nieuwtje uit Frankfurt of een ‘виц или шарфзин’ (Witz of Scharfsin) van de beroemde Duitse humorist Safir, waarna ze terugkeren naar hun lectuur ‘с удвоенною национальною гордостью’ (met verdubbelde nationale trots).
Het eerste wat Ivan Petrovič denkt als hij wakker wordt, is dat hij toch beter kan opstappen. Op dat ogenblik speelt er zich echter voor zijn ogen een fascinerende scène af. De oude man die zich bij de kachel op een stoel had gezet heeft naar goede gewoonte zijn blik gefixeerd op een willekeurig punt. Het toeval wil dat zich in dit denkbeeldig punt een cliënt bevindt, die beschreven wordt als ‘маленький, кругленький и чрезвычайно опрятный немчик, со стоячими, туго накрахмаленными и воротничками и с необыкновенно красным лицом’ (klein, rondachtig en bovenmatig keurig Duitsertje, met een rechtopstaande, strak gesteven kraag en een uitzonderlijk rood gelaat). Deze onooglijke figuur is de koopman uit Riga Adam Ivanyč Šul’c, een persoonlijke vriend van de waard. Na het onfraaie uiterlijk portret, wordt dit personage door de verteller gekarakteriseerd als ‘очень обидчивый и щекотливый, как и вообще все «благородные» немцы’ (uiterst lichtgeraakt en kleinzeerig, zoals trouwens alle ‘edelmoedige’ Duitsers). Dit verklaart waarom Šul’c zich geschandaliseerd voelt door de strakke blik van de grijsaard. Hij wendt zijn eigen blik geïrriteerd af, in de hoop dat de ongemakkelijke situatie zichzelf zal oplossen. Wanneer tot drie keer toe blijkt dat dit niet het geval is, ontsteekt hij in ongeproportioneerde woede, die voortkomt uit zijn zelfopgelegde plicht om in het bijzijn van het eerbiedwaardige publiek het decorum van hemzelf en dat van de stad Riga te verdedigen.
Deze verdediging bestaat in eerste instantie in een tegenaanval. Hij gooit zijn krant en stok op de grond en richt ostentatief, met een kop die rood is van de punch en de eerzucht, zijn kleine vlammende oogjes op de vervelende grijsaard. Deze reactie, waarmee hij de aandacht van de hele taverne getrokken heeft, mist haar effect; de oude man merkt het niet eens op. Abrupt wisselt Šul’c van techniek. Dreigend en met schelle stem begint hij de oude man verwijten toe te schreeuwen. Eerst in het Duits en na uitblijven van een reactie in een gebroken Russisch: ‘Я вас спросит, зачом ви на мне так прилежно взирайт?’ (vrije vertaling: Ich mag oe fragen: waroem toch koeken oe mei so fleissig an?). Terwijl hij van zijn stoel opspringt zet hij zijn eis om onmiddellijk te stoppen met staren kracht bij door te wijzen op zijn eigen connecties met het Russische hof. De verontwaardiging van Šul’c wordt gedeeld door de nauwlettende Duitse omstanders, met inbegrip van de waard. In een evenzeer gebroken Russisch proclameert Miller dat ‘каспадин Шульц’ (meinheer Schulz) gevraagd heeft om niet te staren.
De oude man, die plotsklaps ontwaakt en bang wordt, maakt aanstalten om op te stappen. Miller, die de verteller ironisch kwalificeert als ‘человек добрый и сострадательный’ (een goed en medelijdend man), onderneemt een bij voorbaat mislukte poging om uit te leggen dat de oude man niet weg hoeft te gaan. In een met Duits doorspekt, gebroken Russisch herhaalt hij dat ‘гер Шульц’ (ger Šul’c) niet aangestaard wenst te worden en – in dezelfde adem – dat hij gekend is bij het hof. De oude man begrijpt nog steeds niets van de situatie en probeert, met de bedoeling om de taverne te verlaten, zijn hond Azorka te wekken. Het dier geeft echter geen kik: het is dood. De oude man is hevig getroffen door het onverwachte overlijden van zijn trouwe vriend en dienaar. In stilte drukt hij zijn bleke gelaat tegen de kop van Azorka. Na enige ogenblikken richt hij zich met trillende ledematen op.
Het is nu pas dat het onzinnige gedrag van de Duitsers geleidelijk tot een hoogtepunt komt. De compassievolle Miller tracht de oude man te troosten met de suggestie om van de hond een ‘шушель’ te laten maken. De verteller informeert de lezer droogjes tussen haakjes dat met dit onbestaand Russisch woord ‘чучелa’ (opgezette pop) bedoeld wordt. Stante pede begint Miller de aanwezige Fëdor Karlovič Kriger in een zwaar verhaspeld Russisch de hemel in te prijzen om zijn talent om dieren op te zetten. Deze lofprijzingen krijgen, zogezegd in alle bescheidenheid, bijval van Kriger zelf. Het uiterlijk van deze figuur wordt beschreven als volgt: ‘Это был длинный, худощавый и добродетельный немец с рыжими клочковатыми волосами и очками на горбатом носу’ (Het was een lange, magere en weldoenende Duitser met piekerig ros haar en een bril op zijn kromme neus). Miller en Kriger winden elkaar geweldig op over het idee om de schielijk overleden hond op te zetten en verzekeren beurtelings luidkeels dat dit met veel vakmanschap zal gebeuren. Daarbij wordt om de halve haverklap het barbarisme ‘шушель’ herhaald, wat de hilariteit van de hele scène nog vergroot.
Terwijl op de oude man niet de minste acht wordt geslagen raken de Duitsers dan de financiële kant van de zaak aan. In een aanval van onzelfzuchtigheid biedt Kriger, met veel poeha, aan dat hij het dier gratis zal opzetten. Šul’z, die zich voor de tragedie verantwoordelijk houdt, raakt echter geestdriftig over zijn eigen edelmoedigheid, en met een kop die dubbel zo rood wordt dan deze voorheen al was, eist hij voor zichzelf het recht op om het opzetten te financieren. De oude man zit nog steeds sprakeloos en trillend op zijn stoel. Miller, die opmerkt dat zijn ondoorgrondelijke gast opnieuw aanstalten maakt om weg te gaan, schreeuwt hem in een mengelmoes van Russisch en Duits toe nog even te wachten en een glaasje ‘кароши коньяк’ (goete cognac) te drinken. Mechanisch aanvaardt de grijsaard het glas dat in zijn hand gedrukt wordt. Zijn handen beven echter dusdanig dat de helft van de cognac al gemorst is, nog voor het glas zijn lippen raakt. Uiteindelijk druipt hij haastig af zonder iets gedronken te hebben. Het kadaver van zijn hond blijft achter op de vloer van Millers taverne. De Duitsers staan perplex. Elkaar met opengesperde ogen aankijkend, zeggen ze collectief: ‘Швернот! вас-фюр-эйне-гешихте!’ (sjveernoot! vas-fur-eine-gesjichte!).
Bovenstaande schets demonstreert dat Dostoevskijs satire op Duitsers centraal staat in het eerste hoofdstuk van Unižennye i oskorblënnye. In het vervolg van deze overwegend sentimentalistische roman worden Duitsers nog meer gestereotypeerd en bespot – zij het in een minder dominante vorm. Bijvoorbeeld in hoofdstuk VI van deel III, waarin het personage Masloboev de levensgeschiedenis verhaalt van de dochter van de oude grijsaard. Op deze schoonheid was een man verliefd die Masloboev ironisch typeert als ‘идеальный человек, братец Шиллеру, поэт, в то же время купец, молодой мечтатель, одним словом – вполне немец’ (een ideaal man, een broertje van Schiller, een poëet, en tegelijkertijd koopman, een jonge dromer, in één woord, een Duitser pur sang). Deze Duitse dichter/koopman wordt door een verwarde Masloboev afwisselend aangeduid met de sprekende Duitse namen Feferkuchen, Frauenmil’ch, Fejerbach en Bruderšaft, die voor hem allemaal op hetzelfde neerkomen.
spot met duitsers in ander proza van dostoevskij
Unižennye i oskorblënnye is verhoudingsgewijs meer dan eender welk ander prozastuk van Dostoevskij doordrenkt van satire op Duitsers, maar hiervan kunnen ook voorbeelden gevonden worden in andere werken. Meer bepaald in Chozjajka, in Igrok, of in zijn internationaal gecanoniseerde romans Zapiski iz mërtvogo doma, Prestuplenie i nakazanie en Brat’ja Karamazovy.
Ordynov, het hoofdpersonage van Chozjajka, huurt aanvankelijk en op het einde van het verhaal een woning bij de Duitser Špis. Naar dit personage wordt systematisch verwezen aan de hand van het woord ‘немец’ (Duitser), waaruit blijkt dat deze nationaliteit cruciaal wordt geacht voor zijn gehele persoonlijkheid. Clichébevestigend is dat zijn dochter gekwalificeerd wordt als gehoorzaam en hijzelf als zelfingenomen.[617] Over het leven van Ordynov bij de Duitser schrijft Dostoevskij (I: 318) dat het eentonig en rustig was. De verklaring ligt voor de hand: ‘Немец был без особого норова’ (De Duitser had geen uitgesproken karakter). In overeenstemming met deze analyse merkt de verteller later in het verhaal ironisch op dat Ordynov in zijn mensenschuwheid niet in het minst door de Duitsers gehinderd werd;[618] hij werd met andere woorden nooit uitgenodigd bij zijn huisbaas. Dat de saaie en zelfingenomen Špis zijn natie vertegenwoordigt, wordt duidelijk wanneer hij een gelegenheid te baat neemt om tegenover Ordynov zijn loftompret te steken over de ‘немецкая аккуратность и честность’ (Duitse accuratesse en eerlijkheid).[619]
Naast de verleiding van het gokken is nationale eigenheid het dominante thema van Igrok, dat bol staat van sneren naar andere naties dan de Russische. De Duitsers worden niet gespaard: in verscheidene passages zijn ze het voorwerp van zeer scherpe spot. Bovendien laat het hoofdpersonage, tevens de verteller, zich herhaaldelijk laatdunkend over deze natie uit. Hij beschuldigt de Duitsers ervan als levensdoel te hebben geld te vergaren door hard werken, wat hij smeriger vindt dan Russische wanpraktijken. Hij schetst een beeld van een Duitse ‘фатер’ (fater) die ‘s avonds aan zijn kinderen prekerige boekjes voorleest om het werkethos te bevorderen. Wat geldhonger betreft stelt hij de Duitsers gelijk met joden: ‘Все работают, как волы, и все копят деньги, как жиды’ (Allen werken ze als ossen en allen potten ze geld op als smousen).[620] De anti-Duitse satire neemt een groteske vorm aan wanneer de speler op verzoek van Paulina een streek uithaalt: hij steekt zijn tong uit naar de Duitse baron. Deze man wordt beschreven als volgt: ‘Лицо, по немецкому обыкновению, кривое и в тысяче мелких морщинок’ (Conform de Duitse gewoonte had hij een scheef gezicht met duizend kleine rimpeltjes).[621] De speler roept ook nog ‘Jawohl’, waarbij hij de volgende bedenking maakt: ‘Мне еще в Берлине запало в ухо беспрерывно повторяемое ко всякому слову «jawohl», которое они [немцы] так отвратительно протягивают’ (In Berlijn was mij dat onophoudelijk bij ieder woord herhaalde ‘jawohl’, dat ze [de Duiters] zo afstootwekkend uitrekken, al opgevallen).[622] Overigens is de speler niet het enige personage dat te koop loopt voor zijn aversie van Duitsers. De groottante, die door Dostoevskij met grote sympathie geschetst wordt, laat zich over een kelner van het hotel ontvallen: ‘терпеть не могу эту харю нюрнбергскую’ (ik kan dat Neurenbergs smoelwerk niet uitstaan).[623] Daarop volgt het ironische vertellerscommentaar: ‘Тот откланялся и вышел, конечно не поняв комплимента бабушки’[624] (hij maakte een buiging en ging weg, uiteraard zonder het compliment van de oude vrouw begrepen te hebben).
Dat de stereotypering van Duitsers bij Dostoevskij niet altijd breed uitgesmeerd wordt, maar soms subtiel tot stand komt, kan aangetoond worden aan de hand van een voorbeeld uit Zapiski iz mërtvogo doma. Zo wordt het zonderlinge personage Akim Akimyč, die door zijn medegevangenen uitgelachen wordt, bij een eerste kennismaking beschreven als ‘чрезвычайный резонер и аккуратен, как немец’[625] (uiterst prekerig en accuraat als een Duitser). Enkele hoofdstukken later blijkt dat deze Duitse accuraatheid niet positief opgenomen dient te worden: ‘Благонравие и порядок он простирал, по-видимому, до самого мелочного педантизма’[626] (zijn goede zeden en orde verhief hij, zo bleek, tot het niveau van de allerfijnste haarkloverij). Deze woorden bevestigen het stereotype van de accurate en pedante Duitser.
Dostoevskijs satire op Duitsers neemt explicietere vormen aan in deel I, hoofdstuk IX van dezelfde roman. Hier beschrijft de gevangene Baklušin, die door de verteller voor een beminnelijk man gehouden wordt, hoe hij een liefdesrivaal, een oude Duitse rijkaard, massacreerde. Alvorens in details te treden drukt hij zijn verontwaardiging uit dat men voor het vermoorden van een Duitser ook al verbannen wordt: ‘Да ведь стоит ли ссылать из-за немца, посудите сами!’[627] (Hoef je nou echt verbannen te worden om een Duitsers, oordeel zelf!). In het amusante relaas van Baklušin wordt deze Duitser inderdaad zo geportretteerd dat de lezer onmogelijk met hem kan sympathiseren. Niet alleen heeft hij een haakneus en kikkerogen, hij gedraagt zich ook ongastvrij, kleingeestig en hoogmoedig en drukt zich bovendien uit in een Russisch, dat zozeer gebroken en met Duits doorspekt is, dat het ridicuul wordt. Bij aanvang van de moord scheldt de Russische beul zijn slachtoffer uit voor ‘колбасник’ (worstmans) en ‘колбаса’ (worst)[628] – twee spotnamen voor Duitsers die opgenomen zijn in het spreekwoordenboek van Dal’ (1862: 364).
Kenmerkend voor Dostoevskijs literaire houding tegenover Duitsers is ook zijn mededeling in Zapiski iz mërtvogo doma dat in de strafkolonie de vreemdelingen merkwaardig genoeg geen verwijten te verduren kregen voor hun afkomst, geloof of denkwijze – dit terwijl het Russische plebs soms blijk geeft van de omgekeerde houding, zeker tegenover Duitsers. De verteller voegt hieraan dit veelzeggend commentaar toe: ‘Впрочем, над немцами только разве смеются; немец представляет собою что-то глубоко комическое для русского простонародья’[629] (Trouwens, met Duitsers wordt heus enkel gelachen; een Duitser is een diep komisch verschijnsel voor het gewone volk van Rusland).
In de romans die vandaag als Dostoevskijs hoofdwerken gelden, vormen Duitsers evenzeer het voorwerp van spot. Aan de hand van talrijke illustraties toont Gigolašvili (2000) aan dat Duitse personages en motieven met name in Prestuplenie i nakazanie een belangrijke, vaak komische rol spelen. Een voorbeeld hiervan is de hoerenmadam Luiza Ivanovna, een overdreven geparfumeerde Duits-Russische vrouw met een knalrood gelaat en rokken die het halve politiebureau innemen. Behalve door haar geur en uiterlijk, maakt Luiza een komische indruk door wat ze zegt, en vooral door hoe ze het zegt. Volgens de verteller spreekt ze ‘с крепким немецким акцентом, хотя и бойко по-русски’[630] (met een scherp Duitse accent, maar toch kranig Russisch). Dat dit eufemistisch gesteld is, blijkt uit haar veelvuldige schendingen van de Russische spelling en grammatica.
Ook in Brat’ja Karamazovy komt een aantal satirische portretten van Duitsers voor. Frank (2003: 685) wijst erop dat de medische expertise waaraan Dmitrij wordt blootgesteld zorgt voor een zekere ‘comic relief’. Dit is niet het minst te danken aan dokter Gercenštube, die er ondanks de ‘немецкий манер’[631] (Duitse manier) waarop hij zijn Russische zinnen construeert en zijn moeilijkheden om het juiste woord te vinden, rotsvast van overtuigd is dat zijn Russisch beter is dan dat van de Russen – een mooie bijdrage tot het cliché van de lachwekkende, maar hoogmoedige Duitser.
Van bijzonder belang om in te schatten in hoeverre de Russische tijdgeest van Dostoevskij besmet was met germanofobie, is het gesprek tussen Alëša Karamazov en Kolja Krasotkin. In verband met de zelfzekerheid van de Russische schoolgaande jeugd maakt Alëša de vroegrijpe schooljongen attent op een aforisme van een Duitser. Kolja Krasotkin is hierover enthousiast en roept uit: ‘Браво, немец!’[632] (Bravo, Duitser!). Hij voegt er echter meteen aan toe: ‘Хотя все-таки немцев надо душить. Пусть они там сильны в науках, а их все-таки надо душить…’[633] (En toch moeten de Duitsers gewurgd worden. Laat ze dan sterk zijn in wetenschappen, toch moeten ze gewurgd worden). Deze uitspraak vertoont qua vorm en inhoud opvallende verwantschap met de door Dal’ (1862: 364) gefixeerde zegswijze ‘Немец хоть и добрый человек, а всё лучше повесить’ (Al is een Duitser een goed man, het is beter hem op te knopen). Alëša’s reactie op deze uiting van verontrustende xenofobie is, evenmin als in zijn gesprek met de judeofobe Liza, geen expliciete afkeuring. Glimlachend vraagt hij slechts ‘За что же душить?’[634] (Waarom wurgen?).
categorisering van literaire technieken
Indien men Dostoevskijs satire op Duitsers, zoals deze zich in de aangehaalde passages manifesteert, onderwerpt aan een analyse, wordt duidelijk dat deze tot stand komt door het gebruik van een groot aantal literaire technieken, die in grofweg zes verschillende categorieën ondergebracht kunnen worden. Het verdient hier nogmaals beklemtoning dat de accumulatie of combinatie van deze verschillende kunstgrepen een sterker komisch effect teweegbrengt dan de opgetelde effecten van de afzonderlijke kunstgrepen.
(a) Dostoevskij geeft zijn Duitse personages een karikaturaal uiterlijk. Hun gelaat wordt ontsierd door bijvoorbeeld kikkerogen, een haakneus of een knalrode kleur. Meer beeldend is de vergelijking in Unižennye i oskorblënnye van de dochter van Miller met een witte muis – wat geen compliment is. Behalve lelijk, zijn de Duitsers ook belachelijk gekleed. Dit illustreert de bovenmatig opgedirkte šul’c in dezelfde roman. De stank die Luiza Ivanovna in Prestuplenie i nakazanie verspreidt is aan deze categorie verwant.
(b) De Duitse personages dragen typisch (Russisch-)Duitse namen, zoals Adam Ivanyč en Feferkuchen, die een schril contrast vormen met de namen van de Russische personages. Ten gevolge hiervan zijn de Duitsers op basis van hun naam gemakkelijk herkenbaar als leden van een andere sociale groep. Bovendien geven de vreemde Duitse namen als dusdanig al aanleiding tot spot, bijvoorbeeld vanwege het joviale personage Masloboev in Unižennye i oskorblënnye.
(c) Dostoevskij verleent zijn Duitse geesteskinderen opvallende negatieve karaktertrekken, zoals gierigheid, hoogmoed en pedanterie. Bovendien is hun gedrag in hoge mate sociaal onaangepast, waardoor ze in groteske situaties belanden. De scène in Unižennye i oskorblënnye waarin de Duitsers elkaar enthousiast maken over het opzetten van de overleden hond toont aan dat zij, ondanks hun goede bedoelingen, emotioneel niet eens in staat zijn om zich in te leven in de situatie van de grijsaard.
(d) Op verscheidene plaatsen laten Dostoevskijs personages en verteller zich negatief uit over de Duitsers als natie. Expliciete veralgemeningen worden niet geschuwd. Zo weet de verteller van Unižennye i oskorblënnye dat Šul’c zijn overgevoeligheid en lichtgeraaktheid deelt met ‘все «благорoдные» немцы’ (alle ‘edelmoedige’ Duitsers). Zoals eerder aangehaald, was de afwezigheid van expliciete veralgemeningen van negatieve jodenportretten voor Timmer (1990) het doorslaggevende argument dat Dostoevskij als schrijver geen antisemitisme ten laste gelegd kan worden. In verband met de Duitsers zijn deze directe verwijzingen dus wel voorhanden.
(e) Minder frequent is Dostoevskijs onderwerping van Duitse personages aan verbaal en fysiek geweld. In Zapiski iz mërtvogo doma scheldt Baklušin zijn Duitse liefdesrivaal uit voor ‘колбасник’ (worstmaker, mof) alvorens hem te molesteren. Ook Kolja Krasotkin uit Brat’ja Karamazovy vindt het leven van een Duitser nietswaardig: hij pleit ervoor om hen te wurgen.
(f) De laatste, maar niet de minst belangrijke kunstgrepen die hier vermeld moeten worden betreffen de gebroken, met Duitse woorden gelardeerde taal van de Duitse personages. De veelvuldige anomalieën in hun directe discours worden tot uitdrukking gebracht met behulp van de hieronder beschreven procedés.
Ten eerste spreken de Duitsers de Russische woorden verkeerd uit. Het Duitse accent wordt gesuggereerd door een afwijkende spelling. Verschillende letters voor zachte klanken zijn vervangen door letters voor harde klanken. Bijvoorbeeld ‘зачом’ en ‘зирайт’ in plaats van ‘зачем’ en ‘взирать’. De voor Germaanse volkeren moeilijk uit te spreken Russische klank [ы] wordt vrijwel systematisch vervangen door [и]. Bijvoorbeeld ‘ви’ in plaats van ‘вы’. De consonanten [х] en [г] worden vervangen door verwante consonant [к]. Bijvoorbeeld ‘кароши’ en ‘каспадин’ in plaats van ‘хороший’ en ‘господин’. De adjectiefuitgangen <-ий> en <-ый> worden verkeerd gespeld als <-и>. Ongeaccentueerde <o>‘s worden regelmatig vervangen door <a>‘s. Bijvoorbeeld ‘сабачка’ in plaats van ‘собачка’. Als de kers op de taart worden enkele woorden zodanig vervormd dat ze bijna onherkenbaar worden. Zoals ‘шушель’, dat een verbastering is van ‘чучела’ (opgezet dier).
Ten tweede schenden de Duitsers op flagrante wijze de Russische grammaticaregels. Meer in het bijzonder maken ze systematisch fouten bij het vervoegen van werkwoorden en het verbuigen van adjectieven, persoonlijke voornaamwoorden en zelfstandige naamwoorden. Bijvoorbeeld ‘я вас спросит’ in plaats van ‘я прошу вас’ en ‘из ваша сабачка’ in plaats van ‘из вашей собаки’. Bovendien laat hun woordkeuze en woordvolgorde vaak te wensen over.
Ten derde is het discours van de Duitse personages doorspekt met heteroglossen van Duitse origine, zowel afzonderlijke woorden als uitdrukkingen. Deze ad-hocontleningen zijn meestal weergegeven in het Latijns alfabet. Bijvoorbeeld ‘Aber, гер Шульц очень просил вас прилежно не взирайт на него’. Minder vaak worden ze weergegeven met cyrillische lettertekens, zoals in de collectieve uitroep ‘Швернот! вас-фюр-эйне-гешихте!’. Vermeldenswaard is dat Dostoevskij deze heteroglossen niet vertaalde, transcribeerde of verklaarde. Ten gevolge daarvan konden niet alle lezers de denotatieve betekenis vatten. Behalve voor een bevreemdend en dus potentieel komisch effect, zorgen deze heteroglossen voor Duits coloriet en, in het verlengde hiervan, voor de afscheiding van de Duitse personages van de Russen als een afzonderlijke sociale groep.
dostoevskijs anti-duitse satire in zijn vroege nederlandse vertalingen
Nu duidelijk is met welke literaire technieken Dostoevskij de spot drijft met zijn Duitse personages, kan gepeild worden hoe deze satire – al dan niet via Duitse en/of Franse intermediaire teksten – terecht is gekomen in de teksten die het DT-corpus uitmaken. Hier aan bod komen Schuld en boete, De onderaardsche geest, De speler, De misleide, Arme Nelly, Uit Siberië, Uit het doodenhuis en De gebroeders Karamazow.
Schuld en boete
Zoals besproken komt Raskol’nikov een Duitse vrouw tegen bij zijn eerste bezoek aan het politiebureau. Ze draagt een vreemdsoortige jurk die beschreven wordt als een ‘воздушный шар’ (luchtballon) en neemt daarom ‘чуть не полкомнаты’ (net niet de halve kamer) in beslag. Daarbij verspreidt ze een sterke geur, waarvoor ze zich schaamt. Deze dame is onmiddellijk herkenbaar als een Duitse, want het eerste wat ze zegt is ‘Ich danke’[635] – een heteroglos die in het oog springt vanwege het typografisch contrast met de omringende cyrillische letters. Wanneer de Duitse haar grieven uiteen zet, schakelt ze om naar het Russisch. Haar Russisch blijkt echter zeer gebroken – wat door Dostoevskij (VI: 78) gesuggereeerd wordt aan de hand van eerder beschreven technieken – en is bovendien doorspekt met Duitse woorden.
Raskolnikow van W. Henckel werd eerder geanalyseerd als macrostructureel één van de meest adequate vertalingen van de IT-corpora. De scène in het politiekantoor waarin de spot wordt gedreven met de Duitse natie in de persoon van de Duitse vrouw, is echter inadequaat vertaald. Hoewel de satire niet helemaal verloren is gegaan in vertaling, is deze in de vertaling van Henckel gevoelig afgezwakt en milder geworden. Daarvoor zijn verschillende verschuivingen in het leven geroepen.
Ten eerste wordt het bizarre uiterlijk van de Duitse bordeeluitbaatster minder in de verf gezet. Bijvoorbeeld is de humoristische vergelijking van haar jurk met een luchtballon geëlimineerd. Ronduit inadequaat is ook de eufemistische vertaling van de ambiguë woorden ‘пышная дама’[636] (weelderig/gezwollen vrouw) als ‘prächtige Dame’.[637] Het kan bezwaarlijk gesteld worden dat Dostoevskij (VI: 76) zijn woorden bedoelde als compliment, aangezien hij dit personage eerder beschreven had als ‘багрово-красная дама’ (een dame met rood aangelopen gezicht). Ten tweede is ook de geur van de Duitse vrouw in vertaling opgesmukt. De tekst van Henckel heeft het erover dat ze ‘so schön duste’,[638] daar waar bij Dostoevskij (VI: 76) vermeld wordt ‘от нее несет духами’ (ze verspreidt een geur) – wat positieve waardering inhoudt. Ten derde zijn spectaculaire verschuivingen vast te stellen in de spraak van de Duitse vrouw, die tot uiting komt in haar langdradige verhaal over het schandaal dat voorgevallen is in haar bordeel. In de Duitse intermediaire vertaling contrasteren haar woorden ‘Ich danke’ niet langer met de dominante taal en het dominante alfabet van de tekst: alles is eenvoudigweg gedrukt in het Duits en in het Gothische schrift. Het verlies van de suggestie van anderstaligheid dat op die manier dreigt te ontstaan wordt gecompenseerd door toevoeging van de woorden ‘sagte sie auf deutsch’.[639] Om evidente redenen verliezen ook de Duitse leenwoorden in het Russisch, oorspronkelijk weergegeven in het cyrillisch schrift, zoals ‘ганц’ (ganz) hun Duits coloriet bij vertaling in het Duits. Crucialer nog voor het effect dat dit personage maakt op de lezer is het feit dat haar gebroken taal in Duitse vertaling in hoge mate gestandardiseerd is. Een op grammaticaal, orthografisch en lexicologisch incorrecte zin van de brontekst als ‘Никакой шум и драки у меня не буль, господин капитэн […] и никакой шкандаль, а они пришоль пьян, и это я всё расскажит’[640] is door Henckel weergegeven als ‘Gar kein Lärm und Prügelei waren bei mir, Herr Kapitän […] und kein, gar kein Skandal, und sie kamen betrunken, und das sage ich Ihnen, Herr Kapitän’.[641] Hoewel de syntaxis in enige mate vreemd blijft, is deze niet meer zo opvallend verdraaid, en de lexicologische en orthografische anomalieën van de brontekst werden systematisch geneutraliseerd.
Ten gevolge van de hierboven beschreven verschuivingen is Dostoevskijs scherpe anti-Duitse satire aanzienlijk verzacht in Raskolnikow. Overigens zijn gelijkaardige ingrepen gepleegd bij het vertalen van verscheidene passages waarin het Duitse personage Amalija Ljudvigovna ter sprake komt. Waar Dostoevskij zich geen moeite getroost om haar taaltje te singulariseren – wat resulteert in zinnen als ‘фатер яус Берлин буль ошень, ошень важны шеловек’[642] (vater aus Berlin was een zehr zehr belangreich mensch) – kort Henckel de betreffende passages zwaar in.[643] Daarbij gaat haar lachwekkende spraak en de inhoud van haar ongelukkig gebrachte anekdoten grotendeels verloren. Dit verlies wordt wel enigszins gecompenseerd wordt door beknopte parafrasen zoals de volgende:
Sie fang deshalb an, in ihrem gebrochenen russisch, eine langweilige, einfältige Geschichte zu erzählen und veranlaβte dadurch Katerina Iwanowna zu der Bemerkung, daβ sie es doch künstig unterlassen möchte, russische Anekdoten aufzutischen. Jene wurde natürlich darüber empfindlich und replizirte; worauf Katerina Iwanowna sich nicht länger bemeistern konnte und in ein lautes Galächter ausbrach, so daβ Amalie Iwanowna alle Geduld verlor und kaum noch an sich halten konnte. (Raskolnikow III: 50)
Aangezien Schuld en boete vrijwel integraal teruggaat op Raskolnikow, is het logisch dat in deze doeltekst weinig van de oorspronkelijke anti-Duitse satire overgebleven is. Naar alle waarschijnlijkheid was Petros Kuknos niet eens op de hoogte van de manier waarop Dostoevskij zijn Duitse personages tot het voorwerp van spot maakte. Aangezien zijn tekst, Schuld en boete, een zeer adequate vertaling is van die van Henckel, is het logisch dat ongeveer dezelfde verschuivingen tegenover de Russisch brontekst vastgesteld kunnen worden. Het is dus geen verrassing dat de Duitse bordeelhoudster zich ook aan het Nederlandse leespubliek presenteert als lekker geurend en mooi, en dat er geen sprake is van luchtballonachtige kledij. Vernieuwender is de vaststelling dat haar spraak, die al gefilterd was door de intermediaire vertaler, nog verder gestandaardiseerd is door Kuknos; haar taalbeheersing blijkt nu vrijwel volmaakt te zijn, zowel wat syntaxis, woordenschat als uitspraak of spelling betreft. Als het niet expliciet vermeld zou zijn door de stem van de verteller, dan zou het niet duidelijk zijn voor de lezer dat het betreffende personage niet Russisch, maar Duits is, en dat haar spraak eigenaardigheden vertoont. Interessant is dat Kuknos in de passages over de Duitse Amalija Ljudvigovna een stap verder gaat in het verdoezelen van het oorspronkelijke anti-Duitse aspect dan Henckel. Meer bepaald zijn de woorden van Katerina Ivanovna ‘Alle diese Petersburger Ausländer, d.h. namentlich die Deutschen, welche uns hier heimsuchen, sind doch viel dümmer wie wir’,[644] die door Henckel adequaat uit het Russisch waren vertaald, in Schuld en boete eenvoudigweg geschrapt. Tot slot kan hier opgemerkt dat Kuknos – allicht zonder het te willen – van het Russische personage Lužin een Duitser maakt door de woorden van Henckel ‘deutlich accentuirend’[645] te vertalen als: ‘met een sterk Duitsch accent’.[646]
De onderaardsche geest
Bij het vertalen van Chozjajka hebben Halpérine-Kaminsky en Morice door middel van een veelheid van subtiele verschuivingen de anti-Duitse spot van Dostoevskij gevoelig afgezwakt. Ten eerste verwijzen ze niet altijd naar Špis aan de hand van zijn nationaliteit: waar Dostoevskij het heeft over ‘немец’ (de Duitser), schrijven zij ‘M. Schpis’.[647] Ten tweede ruilt zijn dochter Tinchen in vertaling haar gehoorzaamheid – die typisch Duits is – in voor zachtheid: ze wordt bestempelt als ‘douce’.[648] Ten derde wordt het betekenisvolle bijwoord ‘самодовольно’ (zelfingenomen), waarmee een handeling van Špis geëvalueerd wordt, onvertaald gelaten.[649] Ten vierde is de karakterloosheid van Špis, die in verband werd gebracht met het saaie leven van Ordynov, zeer eufemistisch vertaald: ‘L’Allemand avait bon caractère’,[650] zo heet het bij Halpérine-Kaminsky en Morice. De Nederlandse vertaler is bij gebrek aan een andere brontekst volledig afhankelijk van de intermediaire vertalers. De karakterloosheid van de Duitser heeft dus ook in De onderaardsche geest (133) de vorm van goedheid aangenomen: ‘De Duitscher was een goed man’.
De speler
De spot die Dostoevskij in Igrok met de Duitsers drijft, is door de Duitse vertaler Hauff gedeeltelijk afgezwakt. Sommige passages waarin de speler zijn anti-Duitse gevoelens etaleert zijn adequaat vertaald. Hij vraagt zich bijvoorbeeld in Der Spieler (48) hardop af: ‘was widericher ist, die Russische leichtsinnige Unordentlichkeit, oder die deutsche Art und Weise, durch ehrliche Arbeit Geld aufzuhäufen’. Wanneer zijn toon scherper wordt, treedt Hauff echter op als diplomaat. Zo is de uitspraak dat Duitsers net als smousen geld oppotten eufemistisch vertaald als ‘Alle scharren Geld zusammen’.[651] De afschuwelijke fysische portretten van de Duitse baron en barones zijn met redelijke adequatie gereproduceerd in het Duits. Er zijn echter twee opvallende weglatingen, die doen vermoeden dat Hauff doelbewust de anti-Duitse dimensie van de brontekst minder expliciet maakte. Ten eerste is de vermelding dat het kromme en gerimpelde gezicht van de baron typisch Duits is geëlimineerd.[652] Ten tweede is de ergernis van de Russische groottante over het Neurenbergse smoelwerk van de Duitse ober weggelaten.[653] Deze vaststelling is des te opmerkelijker, daar Der Spieler over het algemeen beschouwd zeer getrouw is aan de brontekst. Behalve door deze weglatingen neemt Dostoevskijs anti-Duitse satire ook in scherpte af omdat de heteroglossen van Duitse origine in de Duitse vertaling hun heterolinguaal statuut verliezen. De uitroep van de Duitse baron ‘Sind sie rasend?’ verliest het bevreemdend-komische effect in een Duitse context.[654] Hetzelfde geldt voor de vertaling van het leenwoord ‘фатер’ (fater) als ‘Vater’.[655] De Nederlandse vertaler van De speler, op zijn beurt, heeft de door Hauff gefilterde anti-Duitse satire redelijk adequaat vertaald. Wel heeft hij enkele verschuivingen in het leven geroepen die de spot op subtiele wijze nog verder afzwakken. Zo is de algemene sneer ‘«jawohl», которое они немцы так отвратительно протягивают’ (‘jawohl’, dat zij [de Duitsers] zo afschuwwekkend uitrekken) door Hauff adequaat vertaald als ‘“ja wohl”, das sie so häßlich hinziehen’,[656] terwijl de Nederlandse vertaler hem van zijn algemeen karakter ontdoet: ‘het “Jawohl” […] dat zij mij te Berlijn zoo hatelijk toesnauwden’.[657]
De misleide en Arme Nelly
In zijn Zeer Russisch zeer schrijft Boland (2008: 33) in de onverbloemde stijl die hem eigen is dat in Besy ‘de racist Dostojevski het best aan zijn trekken komt wanneer hij de Duitsers te lijf gaat’. Zoals eerder geïllustreerd, geldt deze uitspraak ook voor Dostoevskijs eerste post-Siberische roman, Unižennye i oskorblënnye, die in tegenstelling tot de rijpe filosofische romans van de auteur, zoals Besy, Idiot en Podrostok, een gepriviligieerde positie bekleedde binnen de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij. Amper vijf jaar na zijn introductie in het Nederlandse taalgebied bestonden er van deze roman al twee verschillende Nederlandse versies: De Misleide en Arme Nelly. Belangrijk voor de manier waarop de anti-Duitse satire in deze doelteksten terecht is gekomen is het feit dat ze beide bemiddeld zijn door Duitse teksten, respectievelijk door Erniedrigte und Beleidigte (1885) van K. Jürgens and Erniedrigte und Beleidigte (1990) van L. A. Hauff.
Dostoevskij was nog niet gevestigd in het centrum van de Duitse literatuur op het ogenblik dat Jürgens Unižennye i oskorblënnye voorzag van een allereerste Duitse vertaling, wat waarschijnlijk een grote invloed heeft uitgeoefend op de manier waarop deze vertaler omgegaan is met het dilemma ‘adequatie’ versus ‘acceptabiliteit’. Aangezien een adequate vertaling van de anti-Duitse satire het risico inhield dat lezers massaal afgeschrikt zouden raken door de nog grotendeels onbekende Russische schrijver, behoeft het geen verbazing dat in Erniedrigte und Beleidigte (1885) de meest cassante elementen afgezwakt of zelfs geëlimineerd werden. Met dit oogmerk riep Jürgens verscheidene verschuivingen in het leven.
Ten eerste is het oorspronkelijke karikaturale uiterlijk van de Duitse personages meestal adequaat vertaald, maar soms ietwat milder gemaakt. Bijvoorbeeld is de dochter van de waard beschreven als ‘ein frisches, blondes Mädchen, das einem weissen Mäuschen ähnlich sah’,[658] terwijl dit positief adjectief ‘frisch’ afwezig is in de brontekst. Een ander voorbeeld van subtiele opsmukking betreft het personage Šul’c. Het denigrerende verkleinwoord ‘немчик’ (Duitsertje) blijkt namelijk weergegeven aan de hand van de meer respectueuze woorden ‘deutscher Herr’. [659]
Ten tweede zijn de namen van de Duitse personages adequaat vertaald op denotatief vlak. Dit geldt ook voor de spottend bedoelde, sprekende namen ‘Феферкухен’ en ‘Фрауенмильх’. De vertaler verzaakt er echter aan om duidelijk te maken dat deze namen in de brontekst een heterolinguale status hadden, waardoor de lezer eventueel kan denken dat de ze oorspronkelijk in het Russisch waren.
Ten derde is de bijna onbegrijpelijke, bijzonder lachwekkende gebroken taal van de Duitse personages volledig gestandaardiseerd in de vertaling van Jürgens: ze respecteren nu alle grammaticale regels en ze onderscheiden zich door hun woordkeuze niet langer van de Russische personages. De Duitse leenwoorden van de brontekst, zoals ‘aber’ en ‘швернот’ (transcriptie: švernot), zijn weergegeven in standaard-Duits, respectievelijk als ‘aber’ en ‘schwerenot’, zonder cursivering of een andere indicatie dat oorspronkelijk heterolingualisme in het spel was. Op die manier zijn de eigenaardigheden van hun taal, tezamen met het Duitse coloriet, onherroepelijk verloren gegaan.
Ten vierde is het sociaal onaangepast gedrag van de Duitse personages in de Duitse vertaling acceptabeler gemaakt. Bijvoorbeeld zijn herhaaldelijke zelfingenomen verwijzingen van Šul’z naar zijn affiliatie met het Russische hof onvertaald gelaten. Daarnaast is de culminatiescène, waarin de Duitsers collectief opgewonden raken over de idee om de dode hond op te zetten, Kriger ad nauseam prijzen over zijn talent als dierenopzetter en waarin ze de arme oude man dwingen een glaasje cognac te drinken, sterk ingekort door de Duitse vertaler. Meer bepaald zijn grote stukken tekst van de verteller onvertaald gelaten, evenals talrijke uitlatingen van de Duitse personages, die inhoudelijk repetitief zijn, maar daarom ook des te humoristischer.
Ten vijfde heeft Jürgens Dostoevskijs vertellersinstantie het zwijgen opgelegd wanneer deze de Duiters negatief stereotypeerde. De uitspraak ‘И что мне за дело до всех этих скучных немцев’ (En wat moet ik met al die vervelende Duitsers), dat door de Russische lezers in verband werd gebracht met het stereotiepe beeld van de saaie Duitser, is onvertaald gelaten – onmiskenbaar om het leescomfort van de Duitse lezer niet in het gedrang te brengen. In lijn hiermee is de eveneens selectieve eliminatie van de veralgemenende uitspraak van de verteller dat het personage Adam Šul’z zijn lichtgeraaktheid deelt met alle zogenaamd edelmoedige Duitsers. Een gelijkaardige ingreep betreft de zinsnede ‘как тот дурак философ (без сомнения, немец)’[660] [zoals die dommerik en filosoof (ongetwijfeld een Duitser)]: deze is in Erniedrigte und Beleidigte (1885: 172), en dus ook in De misleide (278), onvertaald gelaten.
De bovenstaande verschuivingen, die allicht allemaal doelbewust zijn gecreëerd, maken dat de scherpe anti-Duitse satire van Dostoevskij gevoelig afgezwakt wordt en naar de achtergrond verdwijnt. Een ander gevolg van de verschuivingen is dat de valse indruk ontstaat dat de spot wordt gedreven met een aantal personages, zonder dat hun Duitse afkomst daarin een cruciale rol speelt. Het is enigszins verbazend om vast te stellen dat deze effecten zich nog sterker laten voelen in De misleide, de Nederlandse vertaling die gebaseerd is op die van Jürgens. De anonieme Nederlandse vertaler, die slechts een vage schaduw voorgeschoteld kreeg van de oorspronkelijke anti-Duitse satire, ging op zijn beurt nog een stap verder dan zijn Duitse collega in het afzwakken van deze spot. Hiervoor werden de volgende middelen aangewend:
Ten eerste is een personage als de dochter van de waard – die de Duitse vertaler enigszins had opgesmukt door haar de eigenschap ‘frisch’ toe te dichten, hoewel hij haar nog steeds vergeleek met een muis – in de Nederlandse vertaling nog verder verfraaid: de anonieme vertaler heeft de vergelijking met de muis namelijk volledig geëlimineerd. Reizend van de Russische literatuur naar de Nederlandse, met een tussenstop in de Duitse, is het personage in kwestie dus veranderd van een lachwekkend ‘белокуренькая немочка в локонах, очень похожа на белую мышку’ (witharig Duits vrouwtje met krullen, erg gelijkend op een wit muisje) in ‘een mooi blond meisje’ zonder meer.[661]
Het tweede punt betreft de uitspraken van de verteller, tevens het hoofdpersonage, over de saaiheid en zelfingenomenheid van de Duitsers. Aangezien aan deze expliciete veralgemeningen reeds door de intermediaire vertaler een mouw was gepast, is het niet meer dan logisch dat ze ook ontbreken in de Nederlandse doeltekst. Wat in Erniedrigte und Beleidigte (1885: 10) echter was behouden, is de kwalificatie van de Duitse personages als ‘alles recht patriarchalische Leute, im deutschen Sinne des Wortes’.[662] Opvallend genoeg is deze ironische sneer op een eufemistische wijze terechtgekomen in De misleide (6), als ‘allen zeer “gemoedelijke lieden”, in de Duitsche beteekenis van het woord’.
Ten derde is de met Duitse heteroglossen doorspekte, gebroken taal van de Duitse personages, die gestandaardiseerd was door Jürgens, door de Nederlandse vertaler volledig in overeenstemming gebracht met de normen van het standaard-Nederlands. Het gevolg daarvan is dat de betreffende personages minder lachwekkend zijn en ook minder herkenbaar als Duitsers dan in de Russische brontekst het geval was. Geen van de barbarismen en heteroglossen, als ‘шушель’, ‘aber’ of ‘вас-фюр-эйне-гешихте’, heeft de culturele transfer van het Russisch via het Duits in het Nederlands overleefd.
Ten vierde zijn de gedragingen en persoonlijkheidstrekken van de Duitse personages subtiel opgesmukt. Bijvoorbeeld is de satirische hyperbool ‘с удвоенною национальною гордостью’ (met verdubbelde nationale trots),[663] die adequaat in het Duits was vertaald, in De misleide (6-7) terechtgekomen in afgezwakte vorm, namelijk als ‘met verhoogden nationalen trots’.
Ten vijfde zijn de bijnamen die de Duitsers worden toebedeeld door de Nederlandse vertaler allemaal vernederlandst, in die zin dat ze vervangen waren door Nederlandse sprekende namen als ‘Peperkoek’ en ‘Wolhoofd’.[664] Ook andere verwijzingen naar de Duitse cultuur werden genaturaliseerd. Bijvoorbeeld is de titel van de Duitse krant ‘Dorfsbarbier’ in het Nederlands vertaald als ‘Dorpsbarbier’.[665] Ten gevolge van deze culturele naturalisering verdwijnt de Duitse thematiek in de roman gevoelig naar de achtergrond.
In de versie die L.A. Hauff slechts een half decennium na de publicatie van die van Jürgens van Unižennye i oskorblënnye aan het Duitse leespubliek presenteerde, is Dostoevskijs anti-Duitse satire gevoelig adequater vertaald. Niettemin is de spot in Erniedrigte und Beleidigte (1890) nog altijd minder scherp dan in de brontekst. Een eerste vaststelling is dat het uitgesproken negatieve commentaar van de verteller over de patriarchale houding van de Duitsers, hun saaiheid en overgevoeligheid, opmerkelijk genoeg adequaat vertaald is. Dit geldt ook voor hun karikaturale uiterlijk en onaangepast gedrag. Hun spraak is daarentegen volledig ontdaan van barbarismen en dus gestandaardiseerd. Van een zekere gerichtheid op acceptabiliteit getuigt ook het feit dat de vertaler de vrijheid heeft genomen de Duitse uitdrukkingen van de brontekst te herformuleren. Zo is de uitroep ‘Вас-фюр-эйне-гешихте!’ (transcriptie: fas-fjur-ėjne-gešichte) – waarmee Dostoevskij een bevreemdend effect teweeg bracht op de gemiddelde Russische lezer, voor wie dit onverstaanbaar was – in Erniedrigte und Beleidigte (1890: 9) herschreven tot ‘Eine merkwürdige Geschichte!’. Allicht oordeelde Hauff dat de oorspronkelijke Duitse tekst weinig natuurlijk in de oren klonk. De Duitse sprekende namen, op hun beurt, werden eenvoudigweg getranscribeerd met Gothische letters, zonder dat aan de lezer werd duidelijk gemaakt dat deze namen in de Russische brontekst ook al Duits waren.
Hoewel de macrostructurele kenmerken van Arme Nelly eerder geanalyseerd werden als in hoge mate inadequaat, is deze doeltekst wat betreft Dostoevskijs anti-Duitse satire een redelijk adequate vertaling van Erniedrigte und Beleidigte van Hauff. Niettemin zijn enkele belangwekkende verschuivingen vast te stellen in beschrijving van het uiterlijk van de Duitse personages. Bijvoorbeeld is de dochter van de waard opnieuw opgesmukt. Ditmaal wordt ze beschreven als ‘een blonde Duitsche schone’,[666] terwijl zij in de brontekst niet positief geëvalueerd werd, maar zelfs vergeleken werd met een knaagdier. Klaarblijkelijk kon deze vergelijking voor beide Duitse intermediaire vertalers door de beugel, maar niet voor hun Nederlandse collega’s. Daarnaast zijn in Arme Nelly – zoals ook het geval was in De misleide – ten gevolge van naturaliseringtechnieken tal van referenties naar de Duitse cultuur gesneuveld die essentiële bouwstenen vormen voor de anti-Duitse satire: de Duitse personages spreken allen een onberispelijk standaard-Nederlands, ze lezen een krant met de Nederlandse naam ‘Dorpsbarbier’[667] en de sprekende Duitse namen zijn ook ditmaal vervangen door Nederlandse equivalenten, in casu door ‘Peperkoek’, ‘schraalhans’, ‘Vuurmond en ‘Broederschap’.[668]
Uit Siberië en Uit het doodenhuis
Eerder werd aangetoond dat anti-Duitse spot prominent aanwezig is in Dostoevskijs Zapiski iz mërtvogo doma, dat in de geschiedenis van zijn West-Europese receptie altijd beschouwd is geweest als één van zijn belangrijkste werken. Dankzij de hoog aangeschreven mening van De Vogüé werd ook in het Nederlandse taalgebied aan dit werk ruime aandacht geschonken. In die mate dat hiervan verschillende vertalingen op de markt verschenen nog voor rijpere filofische romans als Idiot, Besy and Brat’ja Karamazovy hun eerste Nederlandse vertaling kregen: in 1891 verscheen Uit Siberië en vijftien jaar later Uit het doodenhuis. Zoals gebleken, zijn beide doelteksten hoofdzakelijk bemiddeld door Duitse teksten.
Aangezien de titelpagina van Aus dem todten Hause (1886) het opschrift ‘Frei nach dem Russischen’ kreeg, is het niet geheel verbazend dat de Duitse vertaler zich enige vrijheden heeft toegestaan bij het vertalen van Dostoevskijs anti-Duitse satire. Een eerste opmerkelijke verschuiving betreft de karakterbeschrijving van het personage Akim Akimyč. Door Dostoevskij (IV: 26) wordt hij ‘аккуратен, как немец’ (nauwgezet als een Duitser) genoemd. Het is allicht geen toeval dat de Duitse vertaler, die over het algemeen genomen redelijk adequaat te werk is gegaan, deze stereotyperende vergelijking geëlimineerd heeft.[669] Ten tweede is van de spotnamen ‘колбасник’ (worstenman) and ‘колбаса’ (worst), gericht aan het adres van een Duitser, enkel de eerste vertaald, als ‘Wursthändler’. Interessant genoeg heeft de vertaler deze uitdrukking in een voetnoot verduidelijkt als ‘Spitzname der Deutschen bei den Russen’[670] – waaruit af te leiden is dat hij de anti-Duitse dimensie niet volledig wilde verdoezelen. Ten derde is de lachwekkend gebroken taal van de Duitse personages volledig gestandaardiseerd. Zo is de linguïstisch incorrecte zin ‘Я не могу быть ваш друг, говорит: ви простой солдат’[671] (Vrije vertaling: Ik kan nicht sein uw vreund, want u bist een gewoon soldaat), die het cliché van de hoogmoedige Duitser bevestigt, weergegeven als ‘Ich kann nicht Ihr Freund sein, Sie sind ein gewöhnlicher Soldat’[672] (Dostojewski 1886: 174). Tegenover deze afzwakking van de spot staat dan weer het feit dat het commentaar van Dostoevskijs verteller dat Duitsers diep komisch zijn in de ogen van het Russische volk wel adequaat is vertaald in het Duits.[673] Deze inlichting werd kennelijk niet onaanvaardbaar beledigend gevonden door de Duitse vertaler of zijn uitgever.
Hoewel Uit Siberië (1891) grotendeels gebaseerd is op Aus dem todten Hause (1886), is Dostoevskijs anti-Duitse satire wat bepaalde elementen betreft adequater terechtgekomen in deze doeltekst dan in de intermediaire tekst. Zo wordt Akim Akimyč in Uit Siberië beschreven als ‘kleingeestig als een Duitscher’,[674] wat bij nader inziet blijkt terug te gaan op de Souvenirs de la maison des morts, waarin het betreffende personage geëvalueerd wordt als ‘minutieux comme un Allemand’.[675] Kleingeestigheid is misschien niet hetzelfde als ‘аккуратность’ (acuratesse), maar hierbij toch dichter in de buurt dan de eenvoudige omissie van de Duitse vertaler. Wat de andere behandelde elementen van Dostoevskijs anti-Duitse spot in Zapiski iz mërtvogo doma betreft, wordt Uit Siberië gekenmerkt door gelijkaardige verschuivingen als de Duitse intermediaire tekst, met als enige substantieel verschil dat de voetnoot bij de spotnaam van Duitsers door de Nederlandse vertaler achterwege is gelaten.[676]
De nieuwe Duitse vertaling van Zapiski iz mërtvogo doma die in 1890 bij O. Janke in Berlijn onder de titel Aus dem todten Hause werd gepubliceerd, geeft Dostoevskijs anti-Duitse satire op een enigszins adequatere manier weer dan de voorgaande gelijknamige tekst. Dit blijkt enkel al uit de kwalificatie van Akim Akimyč als ‘pünktlich wie ein Deutscher’.[677] Wel is ook in deze tekst de spotnaam ‘колбаса’ (worst) onvertaald gelaten. Tevens is opnieuw de gebroken taal van de Duitse personages volledig gestandaardiseerd. Ditmaal is de zin ‘Я не могу быть ваш друг, говорит: ви простой солдат’ nog welluidender vertaald dan daarvoor al het geval was, namelijk als ‘Ich kann nicht Ihr Freund sein […] da Sie ein einfacher Soldat sind’.[678] Het eerder besproken, voor de Duitse natie weinig vleiende commentaar van de verteller is dan weer zeer adequaat vertaald: ‘Der Deutsche bildet für das russische Volk nur eine komische Figur’.[679] Het is interessant dat de vertaler het wel nodig vond om zich expliciet te distantiëren van een dergelijke uitspraak, wat hij deed door de volgende voetnoot in te lassen over de germanofobie van Dostoevskij in het bijzonder en de Russen in het algemeen:
Diese Aeuβerung beruht auf Dostojenski’s [sic] Abneigung gegen alles Deutsche, welche sich bei ihm schon lange vorher aussprach, ehe ueberhaupt der Deutschenhaβ in Ruβland zur Mode wurde. – Uebrigens beruht die Feindschaft des Russen gegen den Deutschen, welche sich zumeist in Spott äuβert, darauf, daβ sich eine Ueberlegenheit des Deutschen in allen Sphären unverkennbar geltend macht. (Aus dem todten Hause 1890: 279)
De vertaling die Faassen van Zapiski iz mërtvogo doma maakte op basis van de Duitse tekst van 1890, geeft – in tegenstelling tot de voorgaande Nederlandse doeltekst van hetzelfde werk – een matig adequaat beeld van de manier waarop Duitsers worden afgebeeld in het oeuvre van Dostoevskij. De verschuivingen die hierin vast te stellen zijn ten opzichte van de Russische brontekst zijn dezelfde als die in de gebruikte intermediaire tekst. Met andere woorden is de gebroken taal van de Duitse liefdesrivaal van Baklušin volledig gestandaardiseerd,[680] en werd een voetnoot toegevoegd om de lezer attent te maken op Dostoevskijs persoonlijke afkeer van Duitsers.[681]
De gebroeders Karamazow
In De gebroeders Karamazow is geen spoor te vinden van Dostoevskijs oorspronkelijke anti-Duitse satire. De verantwoordelijkheid voor dit feit ligt bij de Franse intermediaire vertalers, die nochtans minder redenen dan hun Duitse collega’s hadden om anti-Duitse spot te maskeren. De analyse van de manier waarop het Duitse dokter Gercenštube is vertaald kan zeer kort gehouden worden. De betreffende passage werd door Van Gogh-Kaulbach namelijk overgenomen uit Les frères Karamazov (1906: 436 e.v.) van Bienstock en Torquet, die dit zonderlinge personage quasi volledig hebben wegvertaald. Als gevolg daarvan vormt hij in de Nederlandse doeltekst evenmin een uitgewerkt personage. Wel zijn de woorden ‘И теперь плачу, немец, и теперь плачу, божий ты человек! (Ik ween ook nu nog, Duitser, ik ween ook nu nog, jij mens Gods!)’ van Dmitrij aan zijn adres vertaald. Interessant genoeg is daarbij de verwijzing naar de Duitse nationaliteit van de arts – die door Dostoevskij relevant wordt geacht – gesneuveld: ‘Maintenant, je pleurs encore, mon cher bonhomme’.[682] Van Gogh-Kaulbach geeft hiervan als vertaling: ‘Nu schrei ik ook, beste, goede man’.[683] Terwijl het personage Gercenštube getuigt van milde spot, is het sympathieke personage Nikolaj Krasotkin met onversneden germanofobie in verband te brengen. Zijn choquerende uitroepen dat Duitsers, ook al zijn ze goed in wetenschappen, gewurgd moeten worden, zijn door de Bienstock en Torquet achterwege gelaten.[684] Zich baserend op Les frères Karamazov (1906) brengt ook Van Gogh-Kaulbach een gefatsoeneerde versie van het gesprek tussen Alëša en de vroegrijpe jongen, waarbij de vreemdelingenhaat van de laatstgenoemde verdwenen is.[685]
spot met andere etnische groepen in vertaling
De bovenstaande analyses bewijzen dat anti-Duitse satire van Dostoevskij in de teksten van het DT-corpus terecht is gekomen in afgezwakte vorm. Opmerkelijk genoeg is gebleken dat de verantwoordelijkheid hiervoor niet enkel ligt bij de Duitse intermediaire vertalers, maar ook bij de Franse intermediaire en bij de Nederlandse vertalers. In overeenstemming hiermee is de vaststelling dat ook Dostoevskijs spot met andere etnische groepen dan Duitsers, zoals Oekraïeners, Joden, Fransen en Polen, aanzienlijk milder is gemaakt in de teksten van de IT-corpora en het DT-corpus.[686] Dit is het gevolg van een veelheid van al dan niet subtiele verschuivingen, waarvan hieronder een selectie summier wordt besproken.
In Zapiski iz mërtvogo doma drijft het personage Lučka de spot met Oekraïeners, die hij systematisch ‘хохлы’ (kuiven, spotnaam voor Oekraïeners) noemt. Om de omstaanders te vermaken, vertelt hij een anekdote over een Oekraïener, waarbij hij diens gebroken Russische taal imiteert. Zowel in Aus dem todten Hause (1886) als in Souvenirs de la maison des morts zijn sporen terug te vinden van deze spot, al is de gebroken taal wel telkens gestandaardiseerd. Om de houding van Lučka jegens de Oekraïeners te verduidelijken, werden in beide intermediaire teksten zelfs voetnoten ingelast.[687] In Uit Siberië is echter geen sprake meer van Oekraïners; de nationaliteit van de bespotte Klein-Rus, die in de doeltekst geen enkel taalgebrek meer heeft, is veranderd in de Russische.[688]
In Prestuplenie i nakazanie wordt het werkwoord ‘ожидоветь’ (versmousen) gebruikt als synoniem voor ‘gierig zijn/worden’. Terwijl het antisemitische aspect in de vertaling van Henckel overeind blijft – hij heeft het over ‘verjuden’[689]–, gaat het bij Kuknos helemaal verloren: hij herschrijft dit werkwoord tot ‘gierig zijn’.[690] Een gelijkaardig geval is dat van het adjectief ‘жиденький’, eveneens afgeleid van het zelfstandig naamwoord ‘жид’ (jid, smous). In Večnyj muž is sprake van ‘жиденькая пенсия’[691] (een smousenpensioen), in de betekenis van ‘een met gierigheid toegekend pensioen’. In Der Hahnrei (145), en dus ook in De echtgenoot (84), is de impliciete stereotypering van de Jood als vrek echter weggevallen. In Unižennye i oskorblënnye is dan weer sprake van een ‘черномазенький жидок’[692] (smousje met donker aandoende/viezige huid), waarvan noch in Erniedrigte und Beleidigte (1885) en Erniedrigte und Beleidigte (1890), noch in De misleide en Arme Nelly een spoor is terug te vinden. Eerder is erop gewezen dat het Joodse personage Isaj Bumštejn een deel van de humor van Zapiski iz mërtvogo doma uitmaakt. De alles behalve vleiende uiterlijke beschrijving die hem te beurt valt, is in Aus dem todten Hause (1886: 156) en in de daarop gebaseerde doeltekst Uit Siberië (183) eenvoudigweg onvertaald gelaten. Het gebroken Slavische taaltje dat hij spreekt is door de Duitse vertaler nog enigszins als zodanig gereproduceerd, maar werd door de Nederlandse vertaler herschreven in standaard-Nederlands. In Uit het doodenhuis van Faassen, gebaseerd op Aus dem todten Hause (1890) vanHau Hauff, is de anti-Joodse spot eveneens afgezwakt, zij het in mindere mate. Ditmaal is de onfraaie voorstelling van Bumštejns uiterlijk wel behouden – getuige hierover zinnen als ‘Isai Fomitsch, ons Joodje, geleek volkomen op een geplukt kuiken’.[693] Bij het vertalen van de grove uitspraak dat de gevangene Lučka het Joodje plaagde zonder kwade bedoelingen, ‘как забавляются с собачкой, попугаем, учеными зверьками и проч.’ (zoals men zich vermaakt met een hondje, een papegaai, afgerichte dieren en dergelijke), is de vergelijking met het plagen van dieren – waarin de grofheid precies besloten ligt – geëlimineerd door de Duitse vertaler: ‘Lutschka, welcher in seinem Leben viele Juden gekannt hatte, zog ihn oft auf, aber nicht aus Bosheit, sondern nur zum Zeitvertreib’.[694] In de vertaling van Faassen is bovendien het lachwekkend gebroken taaltje van Bumštejn, dat getuigt van een beperkte woordenschat, verheven tot een hoog register.[695] In Igrok heeft de groottante over een woekerkoers waar zelfs een smous versteld van zou staan: ‘сам жид ужаснется’.[696] In Der Spieler (178), en dus ook in De speler (152), is deze subtiele uiting van anti-Joodse gevoelens weggewerkt. Ook in Brat’ja Karamazovy, tot slot, worden Joden in een slecht daglicht gesteld. Te beginnen door Karamazov senior, over wie meegedeeld wordt dat hij naar eigen zeggen van de Joden geleerd heeft geld te vergaren. De toon is zeer denigrerend:
Познакомился он сначала, по его собственным словам, “со многими жидами, жидками, жидишками и жиденятами”, а кончил тем, что под конец даже не только у жидов, но “и у евреев был принят”.[697] (XV: 21)
In de vertaling van Bienstock en Torquet, waarop Van Gogh-Kaulbach zich voor de betreffende passage baseerde, is van dit uitgesproken antisemitisme niets terug te vinden. De lezer verneemt dat ‘En avançant en âge, Feodor s’était perfectionné dans l’art d’extirper l’argent des autres’, maar meer details worden niet gegeven. Naast Karamazov senior doet ook Liza haar duit in het zakje. Ze vraagt aan Alëša of het waar is dat ‘жиды на пасху детей крадут и режут’ (de smousen met Pasen kinderen stelen en in stukken snijden), omdat ze iets dergelijks over een jood gelezen heeft. In de vertaling van Van Gogh-Kaulbach, die ook wat deze passage betreft nauw aansluit bij Les frères Karamazov (1906) van Bienstock en Torquet, stelt Liza deze veralgemenende vraag niet; ze deelt slechts mee de geschiedenis gelezen te hebben ‘van een jood, die een kleinen jongen had gekruisigd’.[698] Overigens worden de details die dit verhaal zo gruwelijk maken – dat het zogezegd gaat om een vierjarige jongen, wiens vingertjes eerst werden afgesneden, die vervolgens met spijkers bewerkt werd en dan pas tegen de muur werd gekruisigd – de Franse en de Nederlandse lezer onthouden.
In Igrok krijgt ook de Franse natie het te verduren, in de persoon van De Grie. De speler heeft een bloedhekel aan hem en laat dit ook merken. Zo verwijst hij regelmatig naar De Grie door middel van het denigrerende ‘французик’ (Fransmannetje) of ‘французишка’ (Fransoosje). Wanneer dit personage een huichelende glimlach opzet, dan wordt dit gekwalificeerd als typisch Frans: ‘та скверная, официально-учтивая, французская улыбка, которую я так ненавижу’[699] (die valse, officiëel-hoffelijke Franse glimlach, die ik zo verafschuw). Even verder in de tekst probeert De Grie, die op het fortuin van de groottante aast, haar te behoeden voor te hoge inzetten op de roulette. Dit doet hij in een lachwekkend gebroken Russisch, dat doorspekt is met Frans: Madame, эдак ставка неидет… нет, нет, не можно…’[700] (Madame, dat inzet niet gaat…. nee, nee, niet kan). Deze anti-Franse dimensie is in De speler terechtgekomen in een zwaar afgezwakte vorm. Ten eerste is het verkleinwoord ‘французик’ (het Fransmannetje) of ‘французишка’ (het Franzoosje) door de Duitse vertaler vertaald als ‘Der Franzos’[701] en door de Nederlandse vertaler nu eens als ‘de markies’ en dan weer als ‘de Franschman’.[702] Ten tweede brengt de Nederlandse vertaler – in tegenstelling tot de Duitse – de glimlach van De Grie niet langer in verband met zijn nationaliteit. Hij heeft het over ‘dat walgelijke, hoffelijke lachje dat ik zo verafschuw’.[703] Ten derde vormt de zogezegd Russische spraak van De Grie in De speler (156), zoals ook in Der Spieler, niet langer een grove schending van de taalnormen. Hij roept uit: ‘Madame, zulke inzetten geven niets! Neen, dat is niet mogelijk!. Wel wordt een afwijkend taalgebruik gesuggereerd door de woorden ‘stotterde hij in ‘t Russisch’,[704] maar dat brengt niet hetzelfde satirische effect teweeg.
In Zapiski iz mërtvogo doma worden de Poolse gevangenen systematisch ‘полячки’ (Pooltjes) genoemd. In de intermediaire teksten Aus dem todten Hause (1886) en Aus dem todten Hause (1890: 204), en in de daarop gebaseerde doelteksten Uit Siberië en Uit het doodenhuis (209) is het denigrerende diminutief echter weggevallen. In Igrok wordt een stel laaghartige Polen opgevoerd die de groottante in het casino geld afhandig proberen te maken. Ook hier worden de Poolse personages systematisch ‘полячки’ (Pooltjes) genoemd.[705] In Der Spieler (280) en in De speler (170) is dit meestal eufemistisch vertaald, als ‘die Polen’ respectievelijk als ‘de Polen’. De satire wordt in deze laatste vertalingen ook afgezwakt door de neutralisatie van heteroglossen in een ironische context. Vergelijk bijvoorbeeld de zinsnede ‘[полячки] обзывали друг друга «лайдаками» и прочими польскими любезностями’ ([de Pooltjes] maakten elkaar uit voor ‘lajdak’ [schurk] en dergelijke vriendelijke Poolse woorden) met ‘[sie] warfen sich Schimpfworte zu’ uit Der Spieler (199), of met ‘[ze] wierpen elkaar dan scheldwoorden toe’ uit De speler (170). De aanstellerige Pooltjes die in Brat’ja Karamazovy opgevoerd worden zijn ongeveer van hetzelfde slag als in Igrok. Ze roepen schande en hoongelach over zich heen door in de rechtbank te getuigen in een Russisch doorspekt met Pools, om uiteindelijk eenvoudigweg in het Pools te spreken.[706] Bienstock en Torquet maken echter geen melding van de taalproblematiek; de betreffende scène wordt samengevat als ‘les deux compères s’éloignèrent couverts d’oppobre, aux éclats de l’assistance’.[707] Eerder werd opgemerkt dat een honderdvijftigtal heteroglossen van Poolse origine in de vertaling van Van Gogh-Kaulbach terechtgekomen zijn in geneutraliseerde vorm, wat de humoristische functie ervan ondermijnt.
conclusie
Zes werken van Dostoevskij waarin elementen van anti-Duitse satire teruggevonden kunnen worden, zijn voor de Eerste Wereldoorlog in het Nederlands vertaald: Chozjajka, Unižennye i oskorblënye, Zapiski iz mërtvogo doma, Igrok, Prestuplenie i nakazanie en Brat’ja Karamazovy. Alle bronteksten werden onrechtstreeks vertaald, via het Duits en het Frans. Aangezien de anti-Duitse satire door de intermediaire vertalers gedeeltelijk afgezwakt en geëlimineerd werd is het onvermijdelijk dat de Nederlandse doelteksten geen getrouw beeld geven van de manier waarop de vertegenwoordigers van de Duitse natie bij Dostoevskij afgebeeld worden.
In ieder van de Duitse en Franse intermediaire teksten is de anti-Duitse spot afgezwakt, maar toch worden niet al deze teksten gekenmerkt door precies dezelfde soort verschuivingen. Zo valt op dat terwijl de eerste Duitse vertalers van Unižennye i oskorblënnye en Zapiski iz mërtvogo doma zowel aan het stereotyperende vertellerscommentaar, als aan de fysieke verschijning, het gedrag en aan de spraak van de Duitse personages een mouw pasten, deze interventies enigszins teruggeschroefd blijken in latere vertalingen van dezelfde bronteksten – al vond een vertaler als Hauff het wel nodig om zich expliciet te distantiëren van de anti-Duitse aspecten van de tekst. Het feit dat de betreffende satire in latere vertalingen beter tot haar recht komt, kan verklaard worden aan de hand van de polysysteemtheorie, volgens welke een vertaalstrategie afhankelijk is van de positie binnen een polysysteem die voorzien wordt voor de auteur of de tekst in kwestie.[708] Aangezien Dostoevskij in de tweede helft van de jaren 1880 post mortem van een onbekend schrijver veranderde in een modeschrijver, is het logisch dat de vertaalnormen mee evolueerden met zijn status, in de richting van de pool van de adequatie. Een hoge graad van adequatie wat de anti-Duitse satire betreft, werd echter in geen van de teksten van de IT-corpora of het DT-corpus bereikt.
Er is geen reden om aan te nemen dat Dostoevskijs anti-Duitse satire door de Duitse en Franse intermediaire vertalers geheel onbewust of zelfs ongewild afgezwakt werd. Integendeel, aangezien uitgesproken negatieve stereotyperingen en veralgemeningen van Duitsers werden geëlimineerd temidden van zinnen die wel vertaald werden, mag aangenomen worden dat alvast de betreffende verschuivingen doelbewust in het leven werden geroepen. Mogelijk werden Duitse vertalers door hun uitgevers onder druk gezet of aangemoedigd om de rol van bemiddelaar te bekleden, met de bedoeling om te anticiperen op eventuele bezwaren van het lezerspubliek en de critici, die de vorm van een commerciële afstraffing hadden kunnen aannemen. Dat tenminste de Duitse vertalers zich terdege bewust waren dat een al te adequate weergave van Dostoevskijs anti-Duitse spot aanstoot kon geven bij het Duitse lezerspubliek, staat buiten kijf. Niet enkel omdat deze bedenking voor zich spreekt, maar ook omdat Henckel (1882a: vii-viii), die de weg bereidde voor de Duitse doorbraak van de Russische schrijver, in het voorwoord op Raskolnikow gewaarschuwd had dat ‘der Verfasser die Personen des Romans, welche deutsche Namen tragen, konsequent möglichst lächerlich oder Abscheu erweckend geschildert hat’. Tegelijkertijd had hij er echter op gewezen dat hij ‘manches zu Grelle gemildert und manches ganz fortgelassen’ had, teneinde de Duitse lezer niet voor het hoofd te stoten. Gezien het succes van Raskolnikow is het niet onwaarschijnlijk dat andere vertalers aan Henckels vertaalstrategie op het gebied van de anti-Duitse spot een voorbeeld namen.
Een tweede, aanvullende reden voor de vastgestelde afzwakking van de spot met minderheden en vreemdelingen in het algemeen en met Duitsers in het bijzonder – naast de voor de hand liggende gevoeligheid van het Duitse lezerspubliek hieromtrent – is van een meer speculatieve orde: allicht hechtten de westerse vertalers van Dostoevskij weinig of geen belang aan de beschrijvingen van Duitsers, omdat ze deze portretten niet ten volle verstonden of herkenden als stereotiepen, of omdat ze het geviseerde lezerspubliek hiertoe niet in staat achtten. Eerder werd erop gewezen dat Dostoevskijs anti-Duitse satire ontworpen was om te functioneren binnen de grenzen van de Russische literatuur, waarvan de lezers vertrouwd waren met de satirische uitbeelding van Duitsers. Het verdient hier nadruk dat, zoals Amossy & Herschberg Pierrot (2005: 73-4) stellen, een stereotiep in een tekst niet bestaat an sich, maar dat het geconstrueerd wordt tijdens het leesproces. Om de stereotypen te kunnen decoderen, moet de lezer beschikken over een ruime encyclopedische achtergrondkennis, inclusief algemene en intertekstuele geprefabriceerde scenario’s. In concreto betekent dit dat Dostoevskijs anti-Duitse satire slechts ten volle begrepen kan worden mits kennis van de Duitse minderheden in Rusland, van hun reputatie in het collectieve Russische bewustzijn, en van de beelden die over hen circuleren in literaire teksten. Over deze kennis beschikten de Duitse, Nederlandse en Franse lezers niet – een gegeven waar de vertalers rekening mee konden houden.
De derde verklaring voor de afgezwakte anti-Duitse satire is van technische aard: zelfs indien de westerse vertalers van Dostoevskij deze spot begrepen en adequaat wensten te vertalen, dan nog moesten ze rekening houden met het feit dat bepaalde aspecten ervan moeilijk over te brengen zijn in een andere taal, zonder de normen van de eigen literatuur te schenden of zonder verlies te veroorzaken van connotatieve of pragmatische equivalentie. Eerder werd gewezen op de bijzondere problematiek van de zogenaamde repatriëring van heteroglossen en gebroken taal. Meer bepaald was het voor de Duitse vertalers een heikele onderneming om de Duitse heteroglossen en Duits-Russische taal van de Duitse personages te vertalen op een manier die de spot in ere houdt. Een woord als ‘aber’ verliest namelijk automatisch zijn bevreemdend effect wanneer het overgeplaatst wordt van een Russische context naar een Duitse. Het Duitse coloriet van een dergelijke heteroglos, dat bestaat dankzij de onmiddellijke associaties met de Duitse cultuur, kan eventueel gesuggereerd worden door middel van cursivering, of door explicitatie van de heterolinguale status in een voetnoot. Ook voor de gebroken taal van de Duitsers geldt dat het in principe mogelijk is om het onvermijdelijke verlies van dit procedé bij vertaling in het Duits te compenseren. In de regel hebben de Duitse intermediaire vertalers de Duitse heteroglossen echter geneutraliseerd en de gebroken Duits-Russische taal gestandaardiseerd zonder compensaties.
De vaststelling dat Dostoevskijs spot met buitenlanders in het algemeen en met Duitsers in het bijzonder afgezwakt werd door zijn eerste Duitse en Franse vertalers is des te gewichtiger, daar hun vertalingen voor de Eerste Wereldoorlog als spil fungeerden voor de Europese receptie van de Russische schrijver. Het belang van de betreffende teksten in de internationale popularisering van Dostoevskij mag niet geminimaliseerd worden. Edgerton (1963: 65) heeft immers aangetoond dat zelfs de Slavische volkeren, die in de tweede helft van de 19e eeuw hun enthousiasme voor het russofiele panslavisme verloren hadden, reële belangstelling voor Dostoevskij aan de dag legden in navolging van de Fransen en de Duitsers. Het mag dan ook aangenomen worden dat de initiële reputatie van de schrijver in tal van Europese literaturen in grote mate beïnvloed was door zijn eerste Duitse en Franse vertalingen, met alle gevolgen vandien.
De Nederlandse reputatie van Dostoevskij in de periode tot de Eerste Wereldoorlog was bij uitstek beïnvloed door de vertaalstrategieën van zijn eerste Duitse en Franse vertalers. Er is zelfs sprake van regelrechte afhankelijkheid. De Duitse en Franse vertalingen van Dostoevskij werden immers niet enkel gelezen in het Nederlandse taalgebied; ze fungeerden ook als intermediaire vertalingen voor de Nederlandse boekproductie. De Nederlandse vertalers die zich bij gebrek aan kennis van het Russisch baseerden op Duitse en Franse vertalingen – dat zijn alle vertalers van het DT-corpus behoudens Stokvis – konden onmogelijk op de hoogte zijn van de scherpte van Dostoevskijs spot met buitenlanders, of van de soms vergaande verschuivingen die door de intermediaire vertalers op dit vlak in het leven waren geroepen. Niettemin dragen ook de Nederlandse vertalers zelf verantwoordelijkheid voor het feit dat deze satirische dimensie in de doelteksten in inadequate vorm is terechtgekomen. Uit het eerder voorgestelde empirische onderzoek blijkt namelijk dat op hun initiatief een aantal nieuwe verschuivingen is geïntroduceerd die de reeds gefilterde spot nog verder afzwakken. Niet het meest spectaculaire, maar wel een zeer representatief voorbeeld van een dergelijke verschuiving is de eliminatie van de vergelijking van de dochter van de waard uit Unižennye i oskorblënnye met een witte muis. Dit soort ingrepen vormen een duidelijke indicatie dat de operationele normen geconditioneerd werden door een streven naar acceptabiliteit.
Dat acceptabiliteit alleszins de dominante vertaalnorm van De misleide was, blijkt ontegensprekelijk uit de eerder geanalyseerde reclame van Brinkman (1887: 191). Niet alleen prees hij Dostoevskij aan als een auteur met een stichtelijke waarde op zedelijk vlak, hij ging er ook prat op alle teruggevonden sporen van de oorspronkelijke ‘ruwheid en platheid’ weggenomen te hebben, teneinde ‘de eischen van smaak’ in te willigen ‘die een beschaafd publiek terecht aan elk letterkundig product stelt’. Het is onmogelijk om met zekerheid te achterhalen op welke tekstaspecten de uitgever precies doelde, maar gezien de vastgestelde verschuivingen is het niet onwaarschijnlijk dat hij onder meer Dostoevskijs venijnige, soms weinig subtiele spot met etnische minderheden op het oog had.
De instrumentalisering van Dostoevskij als stichtelijk en zedelijk wapen kan aangeduid worden als vierde verklaring voor de systematische afzwakking van zijn spot met etnische minderheden en buitenlanders in vertaling. Deze instrumentalisering kwam niet uit de lucht gevallen. Zoals aangetoond, werd een dergelijk receptiemotief geprivilegieerd in Le roman russe van De Vogüé, dat geboekstaafd staat als één van de meest invloedrijke werken over Russische literatuur in de gehele westerse ideeëngeschiedenis. De burggraaf was het vooral te doen om een verandering van de dominante Franse literaire esthetica, die volgens hem door het toedoen van Zola en zijn wapenbroeders amorele vormen had aangenomen. Met het oog hierop stelde hij de Russische literatuur in het algemeen in de mate van het mogelijke voor als – om de woorden van May (1994: 21) te gebruiken – ‘a paragon of decency and truthfulness with a moral edge’. Ook Dostoevskij apprecieerde hij vooral in de mate dat zijn voorbeeld de amorele excessen van het Franse naturalisme kon corrigeren. Als logisch gevolg hiervan werd in zijn kritiek de satirische dimensie van deze Russische schrijver, die met name wat etnische minderheden en buitenlanders betreft in schril contrast staat met zijn evangelisch geïnspireerd medelijden met de zwakkeren, onderbelicht. De Vogüés gekleurde lezing van Dostoevskij werd de norm in heel West-Europa. In het Nederlandse taalgebied werd hij op grote schaal gelezen. Gezaghebbende critici, Ten Brink (1886, 1888) voorop, namen zijn beweringen kritiekloos over. Ook in de Duitse literatuur, die naast de Franse literatuur grote invloed uitoefende op de Nederlandse receptie van Dostoevskij, kende de interpretatie van De Vogüé grote verspreiding. De reden hiervoor is dat deze interpretatie grotendeels compatibel was met het programma van de Duitse naturalisten, die Dostoevskij bewonderden om zijn aandacht voor sociale excessen – de uitgesproken religieuze dimensie van zijn werk namen ze er zonder al te groot enthousiasme bij.
In zijn omvangrijke studie van Dostoevskij in de vroege Europese literaire kritiek valt het Zajdman (1911: 26) op dat in West-Europa aanzienlijk meer aandacht ging naar de humanistische dimensie van de Russische schrijver dan dit in Rusland het geval was. De systematische afbeelding in de West-Europese literaire kritiek van Dostoevskij als schrijver vervuld van medeleven met de armen en de zwakkeren van de maatschappij ging gepaard met een systematische verwaarlozing van zijn satirische dimensie; de dominante critici vonden dat de literaire waarde van Dostoevskij vooral besloten lag in zijn humanisme, en dat openbaart zich eerder in de tragische dan in de komische dimensie van zijn oeuvre. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Dostoevskijs eerste westerse vertalers zich inspanden om het tragische en ethisch hoogstaande te belichten en het komische en moreel bedenkelijke in de schaduw te stellen of zelfs te verdoezelen. Omdat Dostoevskijs venijnige, soms platvloerse spot met etnische minderheden en buitenlanders en zijn weigering om zich expliciet te distantiëren van racistische uitlatingen van bepaalde personages de stichtelijke interpretatie van zijn werk in het gedrang konden brengen, werd hieraan bij de vertaling een mouw gepast. Op die manier werd de eenzijdige constructie van Dostoevskij als de sombere kampioen van de vernederden en gekrenkten, die zich in de literaire kritiek had voltrokken op voorspraak van De Vogüé, door zijn Franse, Duitse en Nederlandse vertalers zowel ondersteund als vervolledigd.
inleiding
Uit de paratekstuele, macrostructurele en microtekstuele analyse van de teksten die de IT-corpora en het DT-corpus uitmaken, is duidelijk gebleken dat ieder van de betrokken vertalers, intermediaire en andere, in mindere of meerdere mate gestreefd heeft naar acceptabiliteit, wat altijd ten koste is gegaan van een zekere vertaaladequatie. De ingrepen die gedicteerd werden door deze houding zijn dermate talrijk dat een exhaustieve behandeling praktisch onhaalbaar is. Daarom wordt hieronder een selectie gepresenteerd van de meest markante en symptomatische nog niet eerder behandelde verschuivingen. De betreffende voorbeelden zijn afkomstig uit een veelheid aan doelteksten. De enige tekst van het DT-corpus waaruit geen illustratie van een streven naar acceptabiliteit werd geselecteerd is Arme menschen; deze doeltekst is in vergelijking met de andere Nederlandse vertalingen bijzonder adequaat, wat zich laat verklaren door het feit dat de brontekst, Dostoevskijs debuut Bednye ljudi, an sich tot de meest toegankelijke en minst subversieve werken van de auteur behoort en dus weinig bemiddeling, fatsoenering of censuur behoefde in de ogen van de betrokken vertalers. De hieronder voorgestelde verschuivingen, gegroepeerd per doeltekst waarin ze aangetroffen werden, betreffen meestal passages die aanstoot kunnen geven door hun subversief, onzedelijk karakter: het gaat om onbeleefde uitlatingen van personages, om onfraaie tot ronduit grove portretten en beschrijvingen, om toespelingen op seksuele handelingen en excessen, en om toiletaangelegenheden.
schuld en boete
De meest subversieve bladzijden van Prestuplenie i nakazanie zijn die waarin handelingen en woorden van het wellustige en cynische personage Svidrigajlov weergegeven worden. Henckel heeft hieraan in veel gevallen een mouw gepast, door de betreffende passages in te korten en/of te parafraseren. Waar Dostoevskij (VI: 228) schrijft ‘ребёнок был… жестоко оскорблен Свидригайловым’ (het kind was… wreed gekrenkt door Svidrigajlov) – waarmee gealludeerd wordt op seksueel misbruik – heeft Henckel het over ‘daß Kind…’[709] zonder meer. Minder subtiel zijn de ingrepen van de Duitse vertaler in de scènes waarin Svidrigajlov er prat op gaat respectievelijk een deugdzame moeder, een 16-jarige jonge vrouw en een 13-jarig meisje ten gronde gericht te hebben; deze passages zijn in Raskolnikow zwaar ingekort.[710] De perversiteit van Svidrigajlov manifesteert zich in de vele details waarmee hij zijn getuigenis opsmukt, zoals wanneer hij het slachtoffertje op zijn knieën liet zitten. Henckel laat dit soort van bijzonderheden achterwege. Hij geeft van het relaas van Svidrigajlov slechts een samenvatting, waarbij hij wel opmerkingen doet van het soort ‘Auch hier spielten wieder schmutzige Einzelheiten die Hauptrolle’.[711] Op die manier wordt het perverse personage overstemd door een moreel hoogstaande alwetende verteller.
de misleide
De eerder geanalyseerde verklaring van Brinkman (1887: 191) dat De misleide ontdaan was van sporen van ‘ruwheid en platheid’ teneinde de verwachtingen van het leespubliek in te lossen, dringt zich op als verklaring voor talrijke ingrepen in passages waarin onfatsoenlijke gedrag gesteld wordt of ontucht gethematiseerd wordt. Het moet wel gezegd dat hieraan in de intermediaire vertaling Erniedrigte und Beleidigte (1885) al grotendeels een mouw gepast was.
De Duitse vertaler heeft vooreerst het veelvuldige overspel van Alëša verdoezeld: een passage waarin de lichtzinnige Minna ter sprake komt, is zwaar ingekort;[712] de klare woorden ‘изменял ей; ездил к разным Жозефинам и Миннам’ (hij bedroog haar, zocht het gezelschap op van allerlei Žozefina’s en Minna’s) zijn onvertaald gelaten;[713] de woorden ‘со слезами каялся он мне в знакомстве с Жозефиной’ (in tranen uitte hij tegenover mij zijn berouw over zijn kennismaking met Žozefina) werden verdraaid tot ‘Unter Thränen berichtete er mir von seinen Abenteuern in der Gesellschaft seiner Kameraden’.[714] Ten tweede heeft de Duitse vertaler de passage ingekort waarin het zondig samenhokken van Masloboev met zijn maîtresse Aleksandra Semënovna gethematiseerd wordt.[715] Ten derde zijn verscheidene uitspattingen van het personage vorst Valkovskij uit de tekst gehaald: zijn kokette bekentenis dat hij de drang voelt zijn tong uit te steken;[716] zijn herinneringen aan een jonge verdorven minnares, waarvan volgens hem zelfs De Sade iets kon bijleren;[717] zijn expliciete bekentenis dat hij een zwak heeft voor ontucht in zijn meest afwijkende vormen en, daarbij aansluitend, zijn lofzang op het egoïstische epicurisme.[718] Ten vierde heeft de Duitse vertaler zwaar geknipt in de passages waarin het bordeel van Bubnova centraal staat, zoals de redding van Nelli uit de handen van deze antipathieke hoerenmadam.[719] Ook is in de intermediaire vertaling een klant van Bubnova die ontucht wil bedrijven met Nelli van het toneel verdwenen.[720]
Ondanks de verregaande ingrepen door de Duitse vertaler voelde de Nederlandse vertaler kennelijk de behoefte om de tekst nog verder te fatsoeneren. Bijvoorbeeld heeft hij het erotomane karakter van vorst Valkovskij afgezwakt door de sowieso al gefilterde woorden ‘ich liebe sogar die geheimnisvolle, sich tief verbergende Wollust’[721] te vertalen als ‘Ik heb zelfs smaak in dingen die men zoo in het openbaar niet noemt’.[722] Interessant is ook dat over het bordeel van Bubnova bij de verteller van De misleide een sterkere morele afkeuring af te lezen valt dan dat dit in de brontekst of intermediaire vertaling het geval is: terwijl naar dit bedrijf verwezen in het Russisch wordt als ‘вертеп’ (rovershol/poppenkast), en in het Duits als ‘Lasterpfuhl’,[723] gebruikt de Nederlandse vertaler de meer beladen woorden ‘hol van zonde en verderf’.[724]
arme nelly
Zoals vastgesteld bij de macrostructurele analyse, is Erniedrigte und Beleidigte (1890) van Hauff een redelijk adequate vertaling van Unižennye i oskorblënnye, maar heeft Mme La Bastide op eigen initiatief grote coupures ingelast bij het produceren van Arme Nelly. Een aantal weglatingen kan verklaard worden door een streven naar acceptabiliteit. Bijvoorbeeld zijn in de doeltekst vijf regels gesneuveld waarin sprake is van kwaadaardige jezuïeten – zoals bekend dreef Dostoevskij graag de spot met deze vertegenwoordigers van de door hem geminachte Katholieke Kerk, wat in West-Europa een commercieel nadeel kon blijken.[725] Kennelijk konden ook grove dreigementen niet door de beugel. Hierover getuigt de vertaling van Bubnova’s woorden, gericht aan het adres van Nelli, ‘Meine Füße solltest Du waschen, und das Wasser austrinken, Du Taugenichts! Du schwarzes, französisches Ungeheuer!’[726] als ‘Je moest niet weten, wat je doen zou, om mij je dankbaarheid te toonen, ondankbare adder!’.[727] Eveneens met vrijheid vertaald is de zin ‘das ist eine Schublade und keine Wohnung’:[728] ‘dat is geen woning voor een fatsoenlijk christenmensch’.[729]
Behalve in de hierboven besproken coupures en verschuivingen openbaart zich de bemiddelende rol van Mme La Bastide in de talrijke toevoegingen die Arme Nelly rijk is. Het valt vooral op dat zij de pathetische en sentimentalistische dimensie, die in de brontekst sowieso al belangrijk is, heeft uitvergroot. Dit effect, dat de titelkeuze recht doet,[730] werd bereikt door de personages emoties en uitspraken toe te dichten waarvan in het origineel of in de intermediaire vertaling geen sprake is. Eén verschuiving in die zin betreft het personage Ichmenev, die zijn emoties zelden uit. Waar in de Duitse tekst te lezen staat ‘Er sprach nicht zu Ende, hob sie auf und umarmte sie herzlich’,[731] maakt Mme La Bastide hiervan: ‘Groote tranen biggelden langs zijn wangen; hij was niet in staat, met spreken voort te gaan. Hij beurde zijn dochter van den grond op, en omhelsde haar teeder’.[732] Een ander geval betreft de hoerenmadam Bubnova. Zij wordt in de Russische tekst door de verteller bij haar naam genoemd, wat door Hauff is gerespecteerd. Mme La Bastide vertaalt ‘die Bubnow’[733] echter als ‘dat vrouwelijke monster’,[734] waarmee morele afkeuring uitgedrukt wordt. Nog duidelijker is de verschuiving gepresenteerd in fragment 26: niet alleen heeft de Nederlandse vertaalster ‘zum Bösen’ vertaald als ‘een leven van schande en ontucht’, ze heeft ook gevoelens van medelijden geëxpliciteerd die bij Dostoevskij subtieler tot uiting worden gebracht. Dergelijke ingrepen stroken met de gekozen titel, die, zoals eerder aangegeven, associaties oproept met sentimentalistische literatuur.
Fragment 26. Arme Nelly
| Представилась мне и Нелли, вспоминавшая всё это уже одна, без мамаши своей, когда Бубнова побоями и зверскою жестокостью хотела сломить ее и принудить на недоброе дело.[735] (IV: 432) | Dann stellte ich mir Nelly vor, wie sie allein geblieben, als ihre Mama sie verlassen hatte, als die Bubnow sie mit Schlägen und Grausamkeit zum Bösen zwingen wollte. (Erniedrigte und Beleidigte 1890: 281) | Ik stelde mij Nelly voor, zooals zij geweest moest zijn, toen zij alleen was achtergebleven en juffrouw Bubnow haar door ruwe woorden en barbaarsche mishandelingen tot een leven van schande en ontucht wilde dwingen… en een onbeschrijfelijk gevoel van medelijden met het arme, jonge schepseltje, dat in haar korte leven reeds zooveel ondervonden had, greep mij aan. (Arme Nelly 172) |
de speler
Typisch voor het nietsontziende realisme van Dostoevskij zijn treffende details in de beschrijving van het uiterlijk van bepaalde personages, die hen niet noodzakelijk mooier, maar des te menselijker maken. In Igrok wordt bijvoorbeeld het personage Marfa beschreven als ‘начинавшая уже седеть девушка’ (een meisje dat al grijs aan het worden is). Terwijl de Duitse vertaler dit weergeeft als ‘schon ergrauendes Mädchen’,[736] lijkt de Nederlandse vertaler zich niet voor dit soort bijzonderheden te interesseren: de betreffende zin is in de doeltekst onvertaald gebleven.[737] Ook de Duitse vertaler pleegt echter soms een dergelijke verzachtende ingreep. Wanneer de groottante in Igrok haar kleinkinderen te zien krijgt, weigert ze hen te kussen onder het voorwendsel dat alle kinderen ‘сопливые’ (snotterig) zijn. In Der Spieler (129) is dit ietwat eufemistisch vertaald, als ‘unsauber’, en in De speler als ‘vuil’ (110). De fatsoenering betreft niet enkel het uiterlijk, maar ook het karakter van de personages. Zo heeft het hoofdpersonage het op een bepaald ogenblik over een oude Russische vrouw, die hij oneerbiedig ‘старая ведьма’ (een oude heks) noemt. Terwijl dit pragmatisch adequaat is weergegeven in Der Spieler (114), als ‘altes Gespenst’, maakt de Nederlandse vertaler hiervan respectueus ‘oude dame’.[738] Een gelijkaardige behandeling krijgt de staatsraad Gince, waarbij de speler in dienst was; hij noemt hem een ‘мерзавец’ (hufter), wat door de Duitse vertaler eufemistisch waargegeven is als ‘ein nichtswürdiger Mensch’,[739] wat dan weer door de Nederlandse vertaler tout court geëlimineerd is. Interessant is ook de vertaling van de passage waarin de speler er om zijn entourage te provoceren prat op gaat dat hij op een keer wilde spuwen in de koffie van een hooggeplaatste vertegenwoordiger van de Katholieke Kerk. In de Duitse vertaling is de kinderachtige achterbaksheid van de daad – waarin ook de humor besloten ligt – ietwat afgezwakt omdat het niet langer gaat over het spuwen in iemands drankje, maar wel over het bespuwen van de persoon zelf. De Nederlandse vertaler, op zijn beurt, heeft hier een onmiskenbare censurerende ingreep gepleegd: van spuwen is tout court geen sprake meer (zie fragment 27).
In dezelfde lijn ligt de ingreep van de Duitse vertaler wanneer het personage Polina aangeeft dat ze maar wat graag in het gezicht van De Grie zou spuwen en ‘растерла бы плевок’ (het speeksel zou uitsmeren). Dit was kennelijk twee bruggen te ver, want in Der Spieler (219), en dus ook in De speler (186), is het hele dreigement onvertaald gelaten. Bij wijze van povere compensatie krijgt de lezer de suggestieve drie puntjes, ‘…’ , voorgeschoteld.
Fragment 27. De speler
| когда я им рассказал, как я хотел плюнуть в кофе монсиньора.
– Плюнуть? – спросил генерал с важным недоумением и даже осматриваясь.[740] (V: 211) |
als ich ihnen erzählte, wie ich einmal Pfaffen anspeien wollte.”
“Anspeien?” fragte der General mit miβbilligender Würde. (Der Spieler 9) |
toen ik hun vertelde hoe ik het eens met een abt aan den stok had.”
“met een abt?” vroeg de generaal afkeurend (De speler 12) |
De bovenstaande ingrepen maken van het werk van Dostoevskij een minder pittig boek en van de speler en van Polina minder grove personages. De groottante is hetzelfde lot beschoren. In de brontekst reageert ze op het aanbod van Polina om haar uitgeleide te doen met de woorden ‘Не надо; не мешай, да и надоели вы мне все’ (dat hoeft niet, stoor me niet, ik heb van jullie allen mijn buik vol). Terwijl de Duitse vertaler dit onvriendelijke antwoord adequaat en volledig weergeeft,[741] reduceert de Nederlandse vertaler het tot een acceptabel ‘Niet nodig’.[742] Dat het de vertaler van De speler bij het doorvoeren van de besproken verschuivingen niet enkel te doen was om de inkorting van het boek, maar ook om de fatsoenering ervan, blijkt nog duidelijker uit de regels die hij op eigen initiatief heeft toegevoegd aan de verontrustende gedachte van de speler dat hij zich enerzijds voor Polina zou zelfmoorden en haar anderzijds met genot een mes in de borst willen planten: ‘Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart! Hoe zou dat alles afloopen? Dat alles dwaasheid was, begreep ik zeer goed.’[743]
uit siberië
In Zapiski iz mërtvogo doma toont Dostoevskij zich een fijnzinnig observator. De verteller die hij in het leven roept schetst een realistisch beeld van het kampleven aan de hand van microscopisch uitgewerkte scènes uit het dagdagelijkse leven. Details spelen daarin een prominente rol. Zeer plastisch uitgewerkt is bijvoorbeeld de beschrijving van de onhygiënische toestand in het kampziekenhuis. Niet enkel wordt veel aandacht besteed aan de vieze kamerjassen, waarin ongedierte huist, en aan de smerige lucht, Dostoevskij schuwt zelfs geen verwijzingen naar de emmer waarin de patiënten zich moesten ontlasten; hij beschrijft in geuren en kleuren de stank van deze emmer wanneer deze bij warm weer wordt getransporteerd of ‘при известных болезнях’ (bij de gekende ziektes). De betreffende naturalistische scènes – in de brede zin van het woord – zijn door de vertaler van Aus dem todten Hause (238-9, 240-2) adequaat vertaald, maar in Uit Siberië (II: 13, 16) is hiervan amper een spoor terug te vinden. Bij nader inzien blijkt de Nederlandse vertaler zich aangesloten te hebben – wat veelbetekenend is, aangezien hij ook de genoemde Duitse intermediaire tekst ter beschikking had – bij de grootschalige eliminaties van de Franse vertaler van Souvenirs de la maison des morts (208, 210). Behalve het wansmakelijke is ook het moreel afkeurbare in Uit Siberië terechtgekomen in gefilterde vorm. Ten eerste is de verwijzing naar de vrouwenloperij van generaal Zibert wegvertaald. Waar Dostoevskij schrijft ‘У русского попа кажинный [sic] год исповедовался о госпожинках’ (Ieder jaar ging hij bij een Russische pope te biecht over de vrouwtjes), staat in de Nederlandse tekst het omfloerste ‘Elk jaar beleed hij zijne zondern [sic] aan den pope ‘[744] te lezen. De Nederlandse vertaler heeft ditmaal de Duitse vertaler gevolgd[745] – in de Franse tekst zijn de ‘petites dames’[746] namelijk gehandhaafd. Ten tweede is de verteller van Uit Siberië enigszins verontwaardigd ten aanzien van prostitutie. In de brontekst is sprake van ‘одна молодая и весьма пригожая девица’ (een jong en uiterst knap meisje) die een carrière was begonnen in een bepaald stadsdeel. Terwijl dit bij Dostoevskij niet het geval is, wordt zij in Uit Siberië geëvalueerd als ‘van zeer lichtzinnig gedrag’,[747] wat teruggaat op de Souvenirs de la maison des morts (342).
uit het doodenhuis
Hoewel Uit het doodenhuis niet gebaseerd is op Souvenirs de la maison des morts, zijn in deze vertaling de passages waarin de onhygiënische omstandigheden in de ziekenboeg geschetst worden eveneens zwaar ingekort. De coupures betreffen opnieuw gedetailleerde beschrijvingen van het ongedierte dat in de kamerjassen huist en de stank van de nachtemmer bij hoge temperaturen en diarree. Ditmaal werd het initiatief tot fatsoenering genomen door de Duitse vertaler, hier Hauff. Aangezien Faassen geen andere intermediaire tekst gebruikte dan Aus dem todten Hause (1890), wist hij wellicht niet in welke mate de door Dostoevskij geschilderde taferelen wansmakelijk zijn. Eveneens subversief, maar dan op een andere manier, is de door de Russische schrijver uitgewerkte gedachte dat het vernederen van je medemens en broeder bij sommige ‘джентльмены’ (gentleman) een gevoel teweeg brengt dat aan De Sade doet denken, en dat wie deze macht ervaren heeft hieraan verslaafd raakt. Deze passage, die erover getuigt dat Dostoevskij een bijzondere interesse koesterde voor het kwaad waartoe de mens in staat is, werd in Aus dem todten Hause (1890), en dus ook in Uit het doodenhuis, achterwege gelaten.
de echtgenoot
Ook De echtgenoot wordt gekenmerkt door verschuivingen jegens de brontekst die zich laten verklaren door een drang naar fatsoenering. In alle gevallen behoudens één werd het initiatief hiertoe genomen door August Scholz, de vertaler van de Duitse intermediaire tekst. De eerste verschuiving betreft de bewering van het hoofdpersonage dat vrouwen in het algemeen er meester in zijn om echtgenoten wijs te maken dat ze trouw zijn: ‘Вы знаете, как в этом случае жены умеют заверить своих мужей! Сойди сам ангел с небеси – муж и тому не поверит, а поверит ей!’ (U weet hoe in dit geval echtgenotes hun mannen kunnen bezweren! Al kwam er een engel uit de hemel – de man zal niet hem, maar haar geloven!). In Der Hahnrei (48) en in De echtgenoot (84) ontbreekt deze verontrustende gedachte. Een tweede zuiverende ingreep heeft betrekking op de uitspraak van Pavel Pavlovič, die bij Vel’čaninov logeert, dat hij uit zijn bed is opgestaan om de nachtpot te zoeken. Het is kenmerkend voor de humorist Dostoevskij dat hij de aandacht van de lezer op dit voorwerp vestigt door het niet bij naam te noemen, maar te censureren en op eigenzinnige wijze te omschrijven: ‘Я, Алексей Иванович, встал поискать… – (и он назвал один необходимейший домашний предмет’ [Aleksej Ivanovič, ik ben opgestaan om de … te zoeken – (hij noemde een uitermate onontbeerlijk huishoudelijk voorwerp)]. Voor de Duitse vertaler kan de verwijzing naar de nochtans door iedereen gekende noodzaak om zich af en toe te ontlasten klaarblijkelijk niet door de beugel, want hij maakt hiervan: ‘Ich… ich wollte die Zündhülzer suchen, Alexej Ivanovič! Es ist mir so trocken in der Kehle… ich möchte etwas Wasser Trinken’.[748] Ten derde heeft Scholz ook een mouw gepast aan de scheldtaal die in Večnyj muž met wisselende subtiliteit ter sprake komt. Wanneer Pavel Pavlovič bevangen wordt door een dierlijke woede geeft hij zich over aan vuilbekkerij. Net zoals dit het geval was bij de nachtpot, zet Dostoevskij dit dik in de verf, door zeer opvallende censuur door te voeren: ‘А знаешь ты, – произнес он гораздо тверже, почти как не пьяный, – нашу русскую ……. ? (И он проговорил самое невозможное в печати ругательство.) Ну так и убирайся к ней!’ [‘En ken je’, articuleerde hij nu meer gedecideerd, bijna als een dronkeman, ‘onze Russische …? (En hij sprak het scheldwoord uit dat voor de publicatie het meest onmogelijk is.)’ Nou, loop dan maar naar haar toe!’]. In Der Hahnrei (132) zijn de betreffende zinnen eenvoudigweg geëlimineerd. Dat het geen kwestie is van toeval, maar dat de Scholz choquerend taalgebruik doelbewust uit de weg ging, blijkt uit het feit dat hij elders in de tekst het woord ‘свинья’ (varken), waarmee door Vel’čaninov gedoeld wordt op Pavel Pavlovič, vertaalt als ‘der Kerl’.[749] Faassen, die geen toegang had tot de brontekst, was zich allicht niet bewust van de inadequatie van sommige vertaalkeuzes van Scholz. Het lijkt er echter op dat hijzelf evenmin een groot voorstander was van het behoud van scheldtaal. De grove uitroep ‘Шлюха ты, шлюха’ (een slet ben je, een slet) is in Der Hahnrei (242) namelijk eerder adequaat terechtgekomen, als ‘Schlumpe’, terwijl in De echtgenoot (141) het minder scabreuze ‘floddermadam’ te lezen staat.
de onderaardsche geest
Als vertalers van L’esprit souterrain hebben Halpérine-Kaminsky en Morice een aantal onzedelijke elementen toebedekt. In Chozjajka, waarop het eerste deel van de Franse vertaling L’esprit souterrain teruggaat, gaat het om mogelijke toespelingen op seksueel misbruik dat de vrouwelijke protagoniste als onschuldig meisje ondervonden heeft vanwege haar mysterieuze heer. De Franse vertalers hebben om haar wanhopige kreten ‘Я испорчена, меня испортили, погубили меня!’ (ik ben bedorven, men heeft me bedorven en ten onder gebracht) en ‘меня испортил злой человек’ (een slecht mens heeft mij bedorven) zo vertaald dat de seksuele interpretatie bemoeilijkt wordt ten voordele van een sprookjesachtige interpretatie: ‘Ensorcelée! on m’a ensorcelée! perdue!’[750] respectievelijk ‘le méchant homme m’a ensorcelée’.[751] Gelijkaardige verschuivingen zijn ook vast te stellen in het tweede deel van de Franse tekst, dat gebaseerd is op Zapiski iz popol’ja. Ten gevolge van een omvangrijke coupure, die maar liefst zes pagina’s van de brontekst in beslag neemt,[752] is een groot aantal verwijzingen gesneuveld naar de ontucht, inclusief hoerenbezoeken, waaraan de ondergrondse man zich overgeeft. Tegenover deze censurerende ingrepen staat echter het feit dat de Franse vertalers elders het seksuele aspect doelbewust in de verf zetten. In de brontekst stelt het personage Zverkov voor om een bordeel te bezoeken met de eenvoudige woorden: ‘теперь все туда’ (nu allen daarheen). Halpérine-Kaminsky en Morice voegen aan hun vertaling van deze aansporing tussen haakjes het volgende toe: ‘Et il expliqua sa pensée par un geste obscène…’[753] De Nederlandse vertaler, op zijn beurt, heeft het echter over ‘een veelzeggend gebaar’.[754] De ingrepen van de Franse vertalers betreffen ook aspecten van de brontekst die om andere redenenen dan seksuele preutsheid aanstootgevend bevonden kunnen worden. Zo is de manier waarop de onderaardse man zijn huismeid beschrijft in vertaling veel minder grof: ‘Служанка моя – деревенская баба, старая, злая от глупости, и от нее тому же всегда скверно пахнет’ (Mijn meid was een dorpswijf, oud en kwaadaardig uit domheid en bovendien verspreidde ze altijd een kwalijke geur) is herschreven tot ‘J’ai pour domestique un sot, un scélérat qui fait de ma vie une torture constante’.[755] In een aantal gevallen is de oorspronkelijke grofheid door de Halpérine-Kaminsky en Morice enigszins gereproduceerd, maar heeft de Nederlandse vertaler de eufemistische kaart getrokken. Zo is de scheldtirade ‘подлец, поросёнок Зверков’ (de hufter, de big Zverkov) in L’esprit souterrain terechtgekomen als ‘cet imbécile de Zvierkov’,[756] wat in het Nederlands vertaald is als ‘dien dommen Zvierkov’.[757] Een duidelijker geval is dat van de verwensing ‘Когда […] ты, подлячка издохнешь?’ (Wanneer zal je, smeerlap, stikken?). Halpérine-Kaminsky en Morice maken hiervan ‘Quand donc crèveras-tu, salope?’.[758] In De onderaardsche geest is de eigenlijke krachtterm onvertaald gelaten: ‘Wanneer zult ge toch eindelijk sterven?’.[759] Fatsoenerend is tot slot ook de volgende ingreep van de Franse vertalers. In Zapiski iz podpol’ja wordt de vraag opgeworpen of een mens al dan niet meer geeft om ‘одна капелька […] собственного жиру’ (één druppeltje van zijn eigen vet) dan om 100.000 medemensen. In de Franse vertaling, en dus ook in de Nederlandse, is geen sprake meer van lichaamsvet, maar wel van ‘une parcelle de votre propre peau’,[760] wat een minder wansmakelijk beeld oplevert.
de gebroeders karamazow
Ook de laatste roman van Dostoevskij, heden wereldwijd geprezen om zijn religieuze diepgang, bevat passages en beelden die door zijn vroege vertalers, naast Halpérine-Kaminsky en Morice ook Bienstock en Torquet en Van Gogh-Kaulbach, al te platvloers voor in hoge mate adequate vertaling bevonden werden. Vulgair is alleszins het personage Karamazov senior. Wanneer hij met zijn zoons op bezoek is bij vader Zosima, die het toonbeeld is van sereniteit, kan hij niet nalaten de clown uit te hangen. Zo bedankt hij de geestelijke op profanerende wijze voor zijn gastvrijheid: ‘Блаженно чрево, носившее тебя, и сосцы, тебя питавшие, – сосцы особенно!’ (Gezegend is de schoot die jou gedragen heeft en de tepels die jou gevoed hebben, in het bijzonder de tepels!). In de vertaling van Bienstock en Torquet is sprake van ‘mamelles’,[761] wat door Van Gogh-Kaulbach weergegeven is als ‘borsten’[762] – met als resultaat dat de oorspronkelijke obsceniteit ietwat is afgezwakt. Een meer verregaande ingreep van dezelfde orde betreft de droom van Mitja. Hierin figureert een vrouw met de volgende beschrijving: ‘кажется ей лет сорок, а может, и всего только двадцать, лицо длинное, худое, а на руках у нее плачет ребеночек, и груди-то, должно быть, у ней такие иссохшие, и ни капли в них молока’ (ze lijkt een jaar of veertig, maar misschien is ze slechts twintig, haar gezicht is langwerpig en mager, en in haar handen houdt ze een kind dat huilt, en haar borsten zijn zo uitgedroogd, ze bevatten geen druppel melk). Bienstock en Torquet vormen dit droombeeld, dat geen rekening houdt met taboes en dat door Dostoevskij tot leven wordt geroepen met behulp van de levende taal die hem geheel eigen is, om tot een zedelijk en nuchter ‘L’une d’elles porte un petit enfant qui pleure dans ses bras, car elle n’a plus de lait’.[763]
Zoals eerder besproken, is Les frères Karamazov (1906) van Bienstock en Torquet macrostructureel adequater dan de gelijknamige vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice, maar niettemin bijzonder onvolledig. Het optreden van vrijwel alle personages die de eigenlijke plot van de hoofdlijn niet vooruit helpen is zwaar aan banden gelegd. Op die manier zijn ook heel wat satirische regels gesneuveld, waarvan sommige misplaatst of aanstootgevend konden bevonden worden. Bijvoorbeeld is het portret van het personage Perchotkin, die het gerechtelijke onderzoek voert, in Brat’ja Karamazovy bijzonder snedig. Hij ontwikkelt namelijk gevoelens voor mevrouw Chochlakova, die door Dostoevskij neergezet wordt als in hoge mate onaantrekkelijk. De verteller merkt ironisch op: ‘Вкусы бывают чрезвычайно многоразличны’ (Smaken bestaan in uiterst uiteenlopende vormen). Van de door de schrijver geridiculiseerde romance tussen deze twee personages – Frank (2003: 655) spreekt in dit verband van ‘comic relief’ – is in de Franse intermediaire vertaling en in de Nederlandse doeltekst echter amper een spoor terug te vinden.[764] Wellicht ook te verklaren door een voorliefde voor een milde en ernstige Dostoevskij, is het feit dat bij de beschrijving van het personage Ippolit Kirillovič, de terloopse vermelding dat hij getrouwd was met een ‘весьма толстая и бездетная дама’ (een uiterst dikke en kinderloze dame) door Bienstock en Torquet onvertaald is gelaten.[765] Dit soort politiek incorrecte details, die de satirische dimensie van Dostoevskij uitmaken, zijn in De gebroeders Karamazow van Van Gogh-Kaulbach ten gevolge van de door de intermediaire vertalers doorgevoerde verschuivingen amper vertegenwoordigd, met als gevolg dat de laatste roman van Dostoevskij een groot deel van zijn humor verliest.
witte nachten
Zelfs in Witte nachten, de enige rechtstreekse vertaling en tevens één van de meest adequate teksten van het DT-corpus, is een verschuiving te vinden die de zedelijke acceptabiliteit ten goede komt. In Belye noči verzekert de jonge vrouw aan het dromerige hoofdpersonage dat zijn verlegenheid haar aangenaam is. Hierop ontspint zich het volgende gesprek, waarbij de dromer als eerste het woord neemt: ‘Вы сделаете со мной, […] что я тотчас же перестану робеть, и тогда – прoщай все мои средства!.. – Средства? Какие средства, к чему? вот это уж дурно. – Виноват, не буду, у меня с языка сорвалось; но как же вы хотите, чтоб в такую минуту не было желания…’[766] Het heeft er alle schijn van dat het hoofdpersonage een bedekte toespeling maakt op verlangens van seksuele aard. In de Nederlandse vertaling is ligt zo’n erotische interpretatie minder voor de hand, omdat van een verlangen geen sprake meer is: ‘“U doet zoo […] dat ik heelemaal niet meer verlegen ben. En dan – ben ik mezelf niet meer..…” “U zelf niet meer? Wat bedoelt u? Dat vind ik vreemd.” “Neem me niet kwalijk. Ik zal niet…”’[767]
conclusie
De hierboven besproken microtekstuele verschuivingen hebben met elkaar gemeen dat ze de zedelijke acceptabiliteit ten goede komen. Op zichzelf is dit geen bewijs dat ze ook daarom in het leven zijn geroepen. Het is niet uitgesloten dat een aantal zedelijk inacceptabele scènes gesneuveld is onder invloed van de matrixnormen, meer bepaald omdat de vertaler gestreefd heeft naar inkortingen. Gezien de regelmaat waarmee ingrepen met een fatsoenerend effect in eenzelfde vertaling en in de IT-copora en het DT-corpus terugkeren, ontstaat echter de onontkoombare indruk dat het de vertalers precies om deze fatsoenering te doen was. Deze analyse wordt ondersteund door het feit dat sommige subversieve passages niet ingekort, maar wel met creativiteit herschreven werden. Ook peritekstueel materiaal, met name de eerder besproken reclame voor De misleide van Brinkman (1887), bevestigt dat bepaalde scabrueze elementen van Dostoevskijs proza door de vertalers doelbewust verdoezeld of opgesmukt werden.
Los van de vraag wat de bedoeling van de verschuivingen was, staan hun literaire effecten: in vrijwel alle doelteksten toont Dostoevskij zich gevoelig minder scabreus, platvloers en ook minder humoristisch dan in de bronteksten. Deze vaststelling stemt overeen met de analyse van de Duitse, Franse en Nederlandse Dostoevskij-kritiek. De Russische schrijver werd door de verzamelde critici immers gepropageerd als toonbeeld van humanisme, van al dan niet christelijk geïnspireerd naastenliefde, als stichtelijk schrijver, als profeet en martelaar, of als kampioen van de vernederden en gekrenkten. De satirische zijde van zijn talent, die zeer venijnige vormen kan aannemen, en zijn opvallende interesse voor het zedelijk inacceptabele werden veel minder geapprecieerd – voor zover deze aspecten überhaupt ter sprake kwamen. Het is dan ook moeilijk om te ontkomen aan de indruk dat de vroege Duitse, Franse en Nederlandse vertalers van Dostoevskij de kritiek die hem beschoren was geïmplementeerd hebben in hun vertaalstrategiëen. Omgekeerd geldt ongetwijfeld ook dat critici die zich zonder kennis van het Russisch uitspraken over Dostoevskij – in het Nederlandse taalgebied vormden zij geen uitzondering, maar de regel – zonder dat ze dit zelf beseften in hun oordeel beïnvloed werden door de toegepaste vertaalstategieën.
Aan de polysysteemtheorie is het voor de hand liggende, maar in de praktijk van receptiestudies al te vaak verwaarloosde inzicht te danken dat vertalingen buitengewoon bepalend zijn voor de manier waarop de gerecipieerde auteur gekristalliseerd wordt door en binnen de doelliteratuur. Om de essentie van de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij te kennen en te begrijpen volstaat het dus geenszins om de internationale context te belichten, de literaire kritiek te analyseren en de betrokken actoren in kaart te brengen – zoals ondernomen werd in deel II en III van dit proefschrift –, maar is het ook noodzakelijk om een complementair onderzoek in te stellen naar de manier waarop Dostoevskij vertaald werd. In dit deel werd deze ambitieuze studie, die behoudens een zeldzame casestudy nog niet aangevat was, stapsgewijs en methodisch voltrokken. Hiervoor werd een originele vertaalwetenschappelijke methodiek ontwikkeld. Hoewel deze grotendeels geïnspireerd is op het normanalysemodel van Toury, werden hierin ook semiotische en imagologische inzichten van Genette en Leerssen geïntegreerd. Elf verschillende doelteksten, allemaal gepubliceerd tussen 1885 en 1914, werden opgespoord en opgenomen in het basiscorpus. Als resultaat van doorgedreven genealogisch onderzoek werd dit corpus aangevuld met veertien verschillende intermediaire teksten en tien verschillende bronteksten. Een vergelijking van de Nederlandse doelteksten met de intermediaire teksten en de Russische bronteksten op verscheidene niveaus bracht een rijk gamma van verschuivingen aan het licht, die geïnterpreteerd kunnen worden aan de hand van de opposities naturalisering versus exotisering en adequatie versus acceptabiliteit. Er werd systematisch gepeild naar de mate waarin deze verschuivingen de door Dostoevskij voorziene literaire functies veranderen. Tot slot werd telkens een poging ondernomen om de geobserveerde verschuivingen te verklaren.
In het kader van de zoektocht naar sporen van preliminaire normen werd vooreerst de genealogie van Dostoevskijs vroege Nederlandse vertalingen belicht. Hierover worden inlichtingen verschaft in de bibliografieën van Kingma (1981) en Waegemans & Willemsen (1991). Bovendien wordt deze kwestie ook behandeld in de recente studie van Grübel (2008). Het in dit deel gepresenteerde onderzoek, dat voorzag in een nauwgezette vergelijking tussen de Nederlandse doelteksten, de Russische bronteksten en de potentiële Franse, Duitse en Engelse intermediaire vertalingen, werpt een radicaal nieuw licht op de (in)directheid waarmee Dostoevskij voor de Eerste Wereldoorlog in het Nederlands vertaald werd. Het blijkt namelijk dat systematisch gebruik werd gemaakt van bemiddelende vertalingen. Behoudens de vertaling Witte nachten, gemaakt door Z. Stokvis, zijn alle teksten van het DT-corpus tot stand gekomen via het Duits en/of het Frans. Vijf doelteksten, namelijk Arme menschen, De speler, Arme Nelly, Uit het doodenhuis en De echtgenoot, zijn exclusief vertaald uit het Duits. Twee doelteksten, Schuld en boete en De misleide, zijn hoofdzakelijk vertaald uit het Duits, maar vertonen ook onmiskenbare invloed van Franse vertalingen. Eén doeltekst, Uit Siberië, is ongeveer in gelijke mate bemiddeld door het Frans als door het Duits. Twee doelteksten, De onderaardsche geest en De gebroeders Karamazow, gaan exclusief via Franse vertalingen terug op de bronteksten. Tot slot is tenminste het eerste deel van de tweedelige doeltekst Een misdaad – Wroeging vertaald uit het Frans, en is de doeltekst De kerstboom, die niet teruggevonden kon worden, hoogst waarschijnlijk vertaald uit het Frans. In totaal zijn acht verschillende Duitse vertalingen en ten minste zes verschillende Franse vertalingen door de Nederlandse vertalers gebruikt als effectieve bronteksten. De bewering van Grübel dat de genealogie van de vroege Nederlandse Dostoevskij-vertalingen suggereert dat de Nederlandse literatuur in gevoelig grotere mate afhankelijk was van de Duitse dan van de Franse literatuur, is dus ontmaskerd als ongegrond – te meer daar de kwantitatieve statistieken niets zeggen over de kwalitatieve impact van de Duitse en Franse literaturen, en de Franse invloed wellicht ook bepalend was voor de non-selectie van bepaalde werken. Het genealogisch onderzoek strookt integendeel met wat al was gebleken uit de analyse van de literaire kritiek en actoren. Ten eerste dat de vroege Nederlandse Dostoevskij-receptie niet zozeer afhankelijk was van de Russische literatuur, maar veeleer gestuurd werd door de beide dominante buurliteraturen, die echter ook elkaar in sterke mate beïnvloedden. Met andere woorden werd Dostoevskij vooral interessant bevonden voor zover hij een succesvol Frans en Duits literair product was. Ten tweede dat de indirectheid van vertalingen, hoewel deze doorgaans gepaard gaat met belangrijke verschuivingen, in het geval van Dostoevskij door de betrokken receptieactoren niet enkel getolereerd werd, maar zelfs wenselijk werd bevonden.
De volgende stap in het blootleggen van de initiële norm en van de dominante preliminaire normen bestond uit de studie van een aantal periteksten, waarover Genette (1987) een groot aantal relevante theoretische beschouwingen ontwikkeld heeft. Vooreerst werden het formaat, de boekomslag, de papiersoort en de typografische compositie van de vertalingen onder de loep genomen. Hoewel voorzichtigheid geboden is om hieraan vergaande en sluitende conclusies te verbinden, suggereren deze technische aspecten toch dat tenminste de doelteksten De speler, Arme menschen en Witte nachten aan het publiek eerder gepresenteerd werden als ontspanningslectuur dan als ernstige literatuur met een blijvende waarde. Ten tweede werd de opbouw en de inhoud van de titelpagina’s geanalyseerd in comparatief perspectief. Hieruit kunnen enkele interessante conclusies getrokken worden: dat vier doelteksten geen jaar van uitgave vermelden, wat een indicatie kan zijn dat de uitgevers weinig vertrouwen hadden in een snelle verkoop van hun voorraad; dat de naam van de auteur met schatplicht aan de Franse en Duitse transcriptie met zeer grote variatie gespeld wordt, wat wijst op een niet-gecanoniseerde status; dat de Nederlandse uitgevers veel sterker geneigd waren dan hun Franse en Duitse collega’s om de vertaalde status van de Dostoevskij-vertalingen te hullen in obscuriteit, door geen reële brontaal of vertaler op te geven, door de genre-etiketten te naturaliseren en door commercieel interessante, onherkenbare titels te verkiezen boven adequaat vertaalde titels – een indicatie dat Dostoevskijs positie in de Russische literatuur in hoge mate irrelevant werd bevonden. Ten derde werden ook de vertalingen van opdrachten en motto’s ontleed. Terwijl de opdracht van Brat’ja Karamazovy door de Franse vertalers bewaard werd, is deze door Van Gogh-Kaulbach in de Nederlandse vertaling geëlimineerd. Twee van de drie motto’s, die een sleutel bevatten tot de bedoeling van de auteur, waren een gelijkaardig lot beschoren: terwijl het motto in Arme menschen ondanks de Nederlandse onbekendheid van de geciteerde criticus in hoge mate adequaat is vertaald, zijn Dostoevskijs motto’s in De gebroeders Karamazow en in Witte nachten onvertaald gelaten. Ten vierde kwam in de vertaalwetenschappelijke analyse van de periteksten de categorie van de voorwoorden aan bod. Schuld en boete is de enige doeltekst met een allografisch authentiek voorwoord, maar dit is opgevat als een reclameadvertentie. De quasi-afwezigheid van authentieke allografische voorwoorden getuigt dat de Nederlandse Dostoevskij-uitgevers en -vertalers, anders dan sommigen van hun Franse en Duitse collega’s, het onnodig vonden om het werk van de Rus in zijn context te plaatsen of om de gehanteerde vertaalstrategie toe te lichten. Brat’ja Karamazovy is de enige tekst met een auctorieel fictief voorwoord. Hierin vermeldt een fictieve auteur onder meer dat de rol van Alëša in het tweede deel – dat nooit geschreven is – duidelijker zou worden. In de Franse intermediaire teksten en in de Nederlandse doeltekst is van dit voorwoord geen spoor terug te vinden. Zapiski iz mërtvogo doma en zijn Franse, Duitse en Nederlandse vertalingen bevatten een allografisch fictief voorwoord. Enkel de Franse vertalers hebben de plaatsing van deze inleiding binnen het eerste deel van de tekst als zodanig behouden. Interessant is ook dat het voorwoord in Aus dem todten Hause (1890) en in Uit het doodenhuis op zo’n manier is ingekort, dat de door Dostoevskij voorziene functies aangetast worden. Tot slot bevat Zapiski iz podpol’ja in functionele zin een auctorieel authentiek voorwoord, waarin Dostoevskij aanmaant tot een satirisch-parodistische lectuur. In de Franse intermediaire tekst en in de Nederlandse doeltekst ontbreekt dit voorwoord.
Aangezien de in comparatief perspectief gevoerde studie van de technische uitgavekenmerken, titelpagina, opdracht, motto en voorwoord aantoont dat de vroege Nederlandse Dostoevskij-vertalers over het algemeen niet gericht waren op een hoge graad van adequatie, is het niet verbazend dat er in het gros van de vertalingen belangwekkende macrostructurele verschuivingen geconstateerd werden. Alle teksten van het DT-corpus behalve Schuld en boete, Arme menschen, Uit Siberië, De echtgenoot en Witte nachten, zijn gekenmerkt door omvangrijke coupures. Deze geven aan dat de vertalers tegemoet zijn gekomen aan de door De Vogüé en consorten verspreide jammerklacht dat Dostoevskij met zijn langdradig proza het geduld van zijn westerse lezers op de proef stelde. In het geval van Arme Nelly, De onderaardsche geest en De gebroeders Karamazow is de narratieve structuur daarenboven grondig verschillend van die van de overeenkomstige bronteksten. Bij de eerstgenoemde doeltekst ligt de hoofdverantwoordelijkheid bij de Nederlandse vertaalster. Zij heeft duidelijk een mouw gepast aan de door de critici gehekelde tekorten van Unižennye i oskorblënnye, zoals aan de als mislukt geëvalueerde liefdesaffaire tussen Nataša en het aristocratische personage Alëša. De onderaardsche geest en De gebroeders Karamazow zijn dan weer beide bemiddeld door belles infidèles van Halpérine-Kaminsky en Morice, die bij hun vertaalarbeid rekening hielden met de waarschuwing van De Vogüé dat de specificiteit van Dostoevskijs proza inging tegen de eigentijdse Franse literaire normen. De laatstgenoemde doeltekst, waarin Alëša een heldenrol speelt, dankt zijn bijzondere opbouw ook aan het ondoordachte puzzelwerk van Van Gogh-Kaulbach, die allicht niet de adequatie nastreefde waar ze zelf prat op ging. Zij heeft bijgedragen tot het feit dat voor zover Dostoevskijs rijp filosofisch gekleurd oeuvre voor de Eerste Wereldoorlog überhaupt ter beschikking werd gesteld van het Nederlandse leespubliek, dit het voorwerp was van ingrijpende bemiddeling. Een zeldzame uitzondering hierop vormt Prestuplenie i nakazanie. De overeenkomstige tekst van het DT-corpus, Schuld en boete, was namelijk macrostructureel in hoge mate adequaat, hoewel ook hierin enkele kleinere inkortingen aangetroffen werden. De vaststellingen dat de allereerste Nederlandse Dostoevskij-vertaling in de bestudeerde periode één van de meest adequate was, en dat de tweede vertalingen van Unižennye i oskorblënnye en Zapiski iz mërtvogo doma minder adequaat waren dan de eerste vertalingen van dezelfde bronteksten, bewijzen dat de voor Dostoevskij gehanteerde vertaalnormen met het verstrijken van de jaren niet opschoven in de richting van adequatie. Het is een indicatie te meer dat zijn receptie geen eenduidig succesverhaal was, maar dat uitgevers zich integendeel in toenemende mate bewust werden van de commerciële wenselijkheid om Dostoevskijs proza in mindere of meerdere mate aan te passen aan de normen van de doelliteratuur.
De coupures in het algemeen en de aanpassingen in de plot van Arme Nelly, De gebroeders Karamazow en De onderaardsche geest in het bijzonder zijn in die zin naturaliserend dat bepaalde macrostructurele teksteigenschappen die door de critici ervaren werden als typisch Russisch, vooral dan Dostoevskijs zogenaamde breedsprakerigheid, door de vertalers afgezwakt zijn. Hoewel Van Gorp & Lambert (1986: 46) waarschuwen dat ‘no translational activity is completely coherent with respect to the dilemma “acceptable” versus “adequate”‘, kan deze analyse aanleiding geven tot het vermoeden dat de teksten van het DT-corpus ook op microtekstueel niveau gekenmerkt worden door uitgesproken naturaliserende verschuivingen. Het descriptief onderzoek naar de mate waarin de vroege Nederlandse Dostoevskij-vertalingen drager zijn van Russische couleur locale, waarbij de socioculturele en de linguïstische context en de literaire intertekst in aanmerking werden genomen, heeft deze werkhypothese gedeeltelijk bevestigd en gedeeltelijk ontkracht. Wat het socioculturele betreft, is vooral de inconsequentie opgevallen waarmee de vertalers Russische topografische aanduidingen, eigennamen, aanspreekvormen en realia weergaven in het Nederlands. Een brede waaier van vertaalprocedés werd benut, waarbij het Russisch coloriet nu eens geconserveerd of gereproduceerd en dan weer geneutraliseerd werd. De Nederlandse vertalers, waarvan de overgrote meerderheid niet gespecialiseerd was in Russische literatuur, hadden geen coherente visie over de manier waarop Russische cultuurgebonden elementen moesten worden weergegeven. Meestal werd het devies ‘russo, ma non troppo’ gehuldigd. Bepaalde exotiserende vertaalkeuzes en anomalieën in de spelling ondermijnen echter de toegankelijkheid van de teksten voor een westers publiek, terwijl Dostoevskij door een aantal critici sowieso al verwarrend was bevonden. Belangrijk is ook dat bij het vertalen van de cultuurgebonden lexicale elementen een groot aantal humoristische woordspelingen en betekenisvolle nuances is gesneuveld. Wat de literaire intertekstualiteit betreft, is een gelijkaardige tendens vastgesteld als op het socioculturele vlak: expliciete verwijzingen naar Russische auteurs en literaire werken komen in de doelteksten wel voor, maar in zeer gedoseerde mate. Een aantal vertalers koos ervoor om bepaalde Russische literaire fenomenen toe te lichten in een voetnoot. De vertaalkeuzes die te maken hebben met het puur linguïstische, zoals de Russische syntaxis en lexicale elementen zonder Russisch coloriet, zijn dan weer in het geval van de meeste vertalingen overwegend naturaliserend gebleken. Terwijl een dosis Russisch exotisch lexicon aangetroffen kan worden in Arme menschen, Witte nachten en De onderaardsche geest, is de laatstgenoemde doeltekst de enige die ook zinnen met een uitgesproken exotiserende syntaxis bevat – wat des te interessanter is, daar deze vertaling op macrostructureel vlak neigde naar de pool van de naturalisering. Uit dit alles kan opgemaakt worden dat het leespubliek door de Nederlandse vertalers verondersteld werd een oppervlakkig laagje Russisch vernis op prijs te stellen, en dit eerder op het vlak van de socioculturele context en van de literaire intertekst dan voor wat het puur linguïstische aangaat.
De Russische klassieke literatuur wordt gekenmerkt door een grote tolerantie voor heteroglossen en uitingen van gebroken taal, waarmee belangrijke literaire functies verbonden zijn. Dostoevskij heeft deze microtekstuele elementen tot fundamentele bouwstenen van zijn polyfone realisme gemaakt. Vandaar dat met bijzondere aandacht onderzocht werd in welke vormen ze terecht zijn gekomen in de Nederlandse doelteksten, al dan niet via de Duitse en Franse intermediaire teksten. Met het oog hierop werd eerst nagegaan welke bruikbare technieken de vertaler überhaupt ter beschikking heeft. Voor de vertaling van heteroglossen werd een zevental procedés onderscheiden, waarbij telkens een andere graad van adequatie bereikt wordt. De vertaling van een heteroglos in dezelfde taal als die van de heteroglos zelf vormt een aparte problematiek, waarbij adequatie niet licht bereikt kan worden. Tevens een op pragmatisch vlak adequate vertaling van gebroken taal vereist grote creativiteit van de vertaler. Dat geldt in het bijzonder wanneer de doeltaal dezelfde is als de taal waarmee interferentie gesuggereerd wordt. Het empirisch onderzoek heeft uitgewezen dat in vier Nederlandse doelteksten bijna alle oorspronkelijke heteroglossen geneutraliseerd zijn en dat in vier andere teksten tussen 50 en 80% geneutraliseerd is. Slechts in twee doelteksten, namelijk Schuld en boete en Uit Siberië, is minder dan de helft, maar nog altijd meer dan een kwart van de oorspronkelijke heteroglossen geneutraliseerd. Het afwijkende taalgebruik van Dostoevskij, op zijn beurt, blijkt systematisch in gestandaardiseerde vorm terechtgekomen te zijn in de doelteksten. De enige teksten van het DT-corpus waarin een betekenisvol aantal uitzonderingen op deze tendens kunnen worden gevonden zijn Schuld en boete en Uit het doodenhuis. Ten gevolge van de systematische neutralisering van de heteroglossen en de standaardisering van het afwijkend taalgebruik, waarvoor de Nederlandse en de intermediaire vertalers een gedeelde verantwoordelijkheid dragen, vervlakken de persoonlijkheden van de personages en wordt de polyfonie van de bronteksten ondermijnd. Ter verklaring van deze verschuivingen werd gewezen op de technische moeilijkheden om een adequate vertaling af te leveren, op conflicterende literaire normen en op de onwenselijkheid van een functioneel adequate vertaling in bepaalde gevallen.
In een apart hoofdstuk werd gepeild naar de manier waarop Dostoevskijs satire met minderheden en buitenlanders in het algemeen en met Duitsers in het bijzonder weergegeven is in vroege Nederlandse vertalingen. In een historische en imagologische excursie werd een licht geworpen op de geschiedenis van de Duitse immigratie in Rusland en, daarbij aansluitend, op het beeld van de Duitser in het Russische collectieve bewustzijn. Daaruit is gebleken dat de Duitsers, hoewel door de autochtone bevolking gerespecteerd voor een aantal positieve kenmerken, in de Russische folklore en in de klassieke Russische literatuur traditioneel met venijnige spot uitgebeeld werden. Dostoevskij zelf is door literatuurwetenschappers onversneden xenofobie ten laste gelegd. Voor zover het zijn essayistiek betreft, bestaat hierover een consensus. Ook in zijn fictioneel proza levert hij een bijdrage aan de negatieve stereotypering van etnische minderheden – hoewel dit door bepaalde bewonderaars van de schrijver, waaronder in het Nederlandse taalgebied de gevierde vertaler Charles Timmer (1990), met stelligheid ontkend werd. Germanofobe satire wordt aangetroffen in niet minder dan zes verschillende teksten van het BT-corpus. Een analyse van de betreffende passages heeft duidelijk gemaakt dat deze spot tot stand komt dankzij zes verschillende literaire technieken. Gelijkaardige procedés blijken aangewend te worden bij de uitbeelding van andere etnische groepen dan Duitsers, waaronder Joden, Polen, Oekraïners en Fransen. Opmerkelijk genoeg toont een vertaalwetenschappelijke vergelijking van de doelteksten Schuld en boete, De speler, De onderaardsche geest, De misleide, Arme Nelly, Uit Siberië, Uit het doodenhuis en De gebroeders Karamazow, met de intermediaire en bronteksten aan dat deze satirische dimensie van Dostoevskijs proza door de Duitse, Franse en Nederlandse vertalers systematisch werd afgezwakt en in sommige gevallen zelfs totaal onschadelijk werd gemaakt. Het initiatief hiertoe werd genomen door de intermediaire vertalers, maar de Nederlandse vertalers hebben deze lijn nog verder doorgetrokken. De vastgestelde verschuivingen laten zich op verschillende manieren verklaren. Ten eerste is het bewezen dat met name in het Duitse taalgebied de germanofobe satire van Dostoevskij dermate problematisch bevonden werd, dat Duitse vertalers het als hun plicht zagen om hieraan een mouw te passen. Ten tweede beschikte het leespubliek waarvoor de vertalingen bestemd waren niet over hetzelfde referentiekader als dat van de bronteksten, waardoor de satirische beelden moeilijk over te brengen waren en aan de aandacht van de Nederlandse vertalers ontsnapten. Ten derde komt deze satire tot stand met een aantal literaire procedés die minder gebruikelijk zijn in de westerse literaturen dan in de Russische, en moeilijk getransponeerd kunnen worden zonder verlies van connotatieve of pragmatische equivalentie. Tot slot heeft het er alle schijn van dat de vertalers ook doelbewust Dostoevskijs satire op etnische minderheden en buitenlanders ontdaan hebben van haar scherpe kantjes, omdat deze niet strookte met het beeld van de schrijver als christelijk geïnspireerd kampioen van de vernederden en gekrenkten, dat opgehangen was door De Vogüé en zijn talrijke volgelingen. De vertalers hebben het werk van de toonaangevende critici dus vervolledigd, door in hun vertaalstrategie de humanistische en stichtelijke interpretatie te privilegiëren, wat ten koste is gegaan van sommige politiek incorrecte, zij het humoristische aspecten van Dostoevskijs proza.
Het onderzoek werd afgesloten met een selectie van verschuivingen op microtekstueel niveau die verklaard kunnen worden door de operationele norm van de zedelijke acceptabiliteit. Deze verschuivingen, die vastgesteld werden in iedere tekst van het DT-corpus behalve Arme menschen, betreffen passages die een subversief of onzedelijk karakter zouden kunnen bevatten. Kennelijk werden onbeleefde uitlatingen van personages, onfraaie en grove portretten en beschrijvingen, evenals toespelingen op scatologische aangelegenheden, seksuele handelingen en excessen door de intermediaire vertalers en door de Nederlandse vertalers op grote schaal gefatsoeneerd of gecensureerd. Het is een onmiskenbare indicatie dat de moreel bedenkelijke dimensie in het oeuvre van Dostoevskij ervaren werd als een hinderpaal voor zijn Nederlandse receptie. Hieruit kan opgemaakt worden dat de Nederlandse literatuur, of toch tenminste het subsysteem waarin Dostoevskij geacht werd te functioneren, vóór de Eerste Wereldoorlog gekenmerkt werd door een dominante conservatieve tendens. Belangrijk is dat de Russische schrijver zich als gevolg van de fatsoenerende ingrepen niet enkel minder scabreus en platvloers toont dan in de bronteksten het geval is, maar ook minder humoristisch; voor zover dit überhaupt objectiveerbaar is, stoelt zijn humor in veel opzichten namelijk op het spanningsveld tussen de voorgeschreven omgangsvormen en het moreel bedenkelijke. Ook hier geldt dat de toegepaste vertaalstrategieën geënt lijken op de instrumentalisering van Dostoevskij als zedelijk hoogstaand schrijver. Wel moet opgemerkt worden dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse vertalers en critici zich geen mening kon vormen in hoeverre een interpretatie van Dostoevski als correctie op het amorele naturalisme à la Zola contrasteert met de eigenlijke bronteksten, aangezien ze hiertoe bij gebrek aan kennis van het Russisch geen toegang hadden.
In dit deel is duidelijk geworden dat iedere tekst van het DT-corpus gekenmerkt wordt door belangwekkende verschuivingen tegenover de brontekst, op macrostructureel en/of op microtekstueel niveau. In totaliteit beschouwd getuigen deze verschuivingen dat de vroege Nederlandse Dostoevskij-vertalers over het algemeen genomen niet gericht waren op adequatie, maar wel op acceptabiliteit. Met andere woorden werd er in heel wat opzichten de voorkeur aan gegeven om Dostoevskijs werken – voor zover ze überhaupt geselecteerd werden voor vertaling – aan te passen aan de normen van de doelliteratuur in plaats van de lezers te confronteren met een potentieel (ver)storende of verrijkende lectuur. Deze analyse is in overeenstemming met de in het vorige deel geformuleerde conclusie dat Dostoevskij voor de Eerste Wereldoorlog een perifere positie innam in de Nederlandse literatuur: volgens Even-Zohar (1978) worden op acceptabiliteit gerichte vertalingen in de regel namelijk gemaakt met het oog op een perifere positie. Meermaals werden de vastgestelde verschuivingen verklaard door de aard van de literaire kritiek die Dostoevskij in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog te beurt viel in de Nederlandse literatuur, al dan niet onder invloed van de Franse en Duitse literaturen. Het verdient echter nadruk dat er geen sprake was van éénrichtingsverkeer tussen critici en vertalers. Aangezien de Nederlandse Dostoevskij-beeldvorming grotendeels losgekoppeld was van de Russische realiteit, kan vermoed worden dat ze grotendeels opgesloten zat in een vicieuze cirkel, in die zin dat de Nederlandse vertalers hun strategieën tenminste gedeeltelijk lieten sturen door de literaire kritiek, en dat de Nederlandse critici hun oordeel onder meer baseerden op de beschikbare Nederlandse vertalingen. De manipulatie waarvan Dostoevskij het voorwerp was bij zijn vroege Nederlandse receptie kwam allicht tot stand in de wisselwerking tussen alle betrokken actoren. Hiertoe behoorde ook het heterogene leespubliek, aangezien het per slot van rekening als collectiviteit, bewust en onbewust, mee bepaalde wat de literaire normen waren. Gezien het feit dat bepaalde verschuivingen in de Nederlandse doelteksten nog een stuk verder gaan dan die in de op zichzelf al filterende Duitse en Franse intermediaire teksten, kan de stelling onderschreven worden dat Dostoevskij wel toegestaan werd om tenminste met een select aantal werken de grenzen van de Nederlandse literatuur te penetreren, maar dat zijn Nederlandse vertalers terdege rekening hielden met de barrière van intrasystemische conservatieve tendensen. Wel moet benadrukt worden dat de vertalingen in sommige gevallen hun doel misten. Er waren immers ook lezers die deze teksten, waarvan ze vermoedden dat ze weinig adequaat waren, net sanctioneerden, door ze niet te lezen. Zo vond P.H. Van Moerkerken de vroege Nederlandse Dostoevskij-vertalingen dermate ongenietbaar, dat hij zich beriep op de ‘ellendige’ Franse en Duitse vertalingen, die hij er voor verantwoordelijk hield
dat hij ‘meermalen in ‘t begin der lektuur bleef steken’.[768] Johannes Tielrooy stond dan weer weigerachtig tegenover de boeken van Dostoevskij omdat hij vond dat ‘een vertaald geschrift, vooral als het een kunstwerk is, bij de lezer nooit geheel tot zijn recht komt’.[769]
Belangrijker dan de vraag wie de verantwoordelijkheid droeg voor de gepleegde manipulatie, is de impact ervan. Vanzelfsprekend verandert iedere van de vele verschuivingen in mindere of meerdere mate de literariteit van Dostoevskijs proza. Voor zover beeldvorming objectiveerbaar is, heeft het in dit deel voorgestelde onderzoek aangetoond dat in de teksten van het DT-corpus een grondig ander Dostoevskij-beeld naar voren komt dan in zijn oorspronkelijk werk. Zijn essayistiek, zoals aanwezig in Dnevnik pisatelja, bleef door de vertalers helemaal onaangeroerd. Van zijn rijp, filosofisch oeuvre, waarin de existentiële en zedelijke opvattingen van de lezer uitgedaagd worden, werden Idiot, Besy en Podrostok onvertaald gelaten. Van Brat’ja Karamazovy, dat vandaag door velen beschouwd wordt als zijn hoofdwerk, werd een zwaar ingekorte versie met happy end gemaakt. Prestuplenie i nakazanie was als enige van Dostoevskijs rijpe filosofische romans prominent aanwezig in zijn Nederlandse receptie, met een in hoge mate adequate vertaling. Dostoevskij werd kennelijk niet bijster geapprecieerd als schrijver van grote filosofische romans. De voorkeur werd gegeven aan eerdere, minder volumineuze werken, vaak met een meer sentimentalistische inslag. Ook zij waren het voorwerp van inkortingen en soms, zoals in het geval van Arme Nelly, van verregaande aanpassingen in de intrige. Wat overschoot, werd overgoten met een sausje van Russische couleur locale. Tegelijkertijd werd een mouw gepast aan Dostoevskijs polyfone schrijfstijl, zoals die tot uiting komt in talrijke heteroglossen en in afwijkend taalgebruik. Tot slot is de humoristische dimensie in de doelteksten ten opzichte van de bronteksten zwaar afgezwakt.[770] Kortom wordt Dostoevskij zoals hij geconstrueerd werd door zijn vroege Nederlandse vertalers, die zich systematisch beriepen op filterende Franse en Duitse intermediaire teksten, in veel mindere mate dan in de Russische bronteksten gekenmerkt door betrokkenheid op de Russische maatschappij, filosofische ingesteldheid, breedsprakerigheid, venijnige satire, een polyfone schrijfstijl en belangstelling voor het moreel bedenkelijke en het subversieve. Met andere woorden manifesteert hij zich in zijn vroege Nederlandse vertalingen niet zozeer als de door morele chaos beziggehouden eigenzinnige Russische schrijver die hij is, maar eerder als een verfranste en verduitste, immer sombere kampioen van de vernederden en gekrenkten. Aangezien talrijke potentieel grensverleggende aspecten van zijn proza geneutraliseerd werden, is het niet verbazend dat de Russische schrijver – zoals vastgesteld in het vorige deel van dit proefschrift – in de Nederlandse literatuur voor de Eerste Wereldoorlog eerder een conservatieve dan een innovatieve functionele rol werd toebedeeld. ‘Le Scythe’ werd door de Nederlandse vertalers niet de kans gegeven om een revolutie door te voeren in de intellectuele gewoontes, zoals De Vogüé zo welsprekend had voorspeld met betrekking tot de Franse literatuur. In plaats daarvan werd hij getemd.
[538] Zie Meylaerts (2006: 1).
[539] Internationaal colloquium gehouden van 20 t.e.m. 22 mei 2009 te Leuven.
[540] Grutman & Delabastita (2005: 15). Cursivering toegevoegd.
[541] Letterlijke vertaling: ‘anderstalige binnensluipingen’.
[542] Het Lesgisch wordt gesproken in de Noordelijke Kaukasus.
[543] Vertaling: ‘Eh bien, que feras-tu, si je te prends avec? Eerst, je veux cinquante mille francs. Die zal je me geven in Frankfurt. Nous allons à Paris; we zullen er samenleven et je te ferai voir des étoiles en plein jour. Je zal vrouwen zien van het soort dat je nog nooit gezien hebt. Luister…’
[544] Vertaling: ‘Uiteraard ben ik slechts een ‘outchitel’ en ik heb nooit aanspraak gemaakt op de eer om een intieme vriend van dit huis te zijn.’
[545] Denotatieve vertaling: ‘Laat ik dan zo zijn. Misschien schurftig, maar rijk; ik heb kopeken’.
[546] In dit en de volgende voorweelden wordt het Gothisch schrift gesuggereerd door het lettertype Old English Text MT.
[547] Zo zegt een Pools personage in De broers Karamazov (2005: 509): ‘Pan, wij zijn hier privé. Het geeft hier nog andere zimmer’.
[548] Dostoevskij (II: 116) heeft het over ‘Клеопатра ei suoi amanti’ (Cleopatra ei suoi amanti), terwijl in Witte nachten (52) ‘Cleopatra en haar minnaars’ te lezen staat.
[549] De medische term ‘febris catarhalis’ is in Uit het doodenhuis (143) via het Duits eerst terechtgekomen als ‘Febris Catarrhalis [sic]’, om vervolgens vertaald te zijn door middel van een omissie en als ‘de Latijnse uitdrukking’.
[550] Zo beantwoordt aan de aristocratische sneer ‘Je haïs ces brigands’ in de doeltekst ‘Ik haat deze bende’ (Uit het doodenhuis 209). Behoud van de heteroglos was geen optie voor de Nederlandse vertaler, gezien de Duitse vertaling luidt: ‘Ich hasse dies Bande’ (Aus dem todten Hause 1890: 271).
[551] Zo maakt Hauff van ‘Quelle charmante peinture!’ het volgende: ‘Welch reizendes Bild!’ (Erniedrigte und Beleidigte 1890: 240).
[552] Zo is het door Hauff ditmaal adequaat vertaalde ‘pardon, mon ami’ (Erniedrigte und Beleidigte 1890: 202) in Arme Nelly onvertaald gelaten.
[553] Vertaling: ‘Pani, ja nic ne muven protiv, nic ne povedzjalem. (Ik spreek niet tegen, ik heb niets gezegd).’
[554] Dostoevskijs heteroglossen die niet geneutraliseerd werden in De gebroeders Karamazow zijn de volgende: ‘bijgevolg ben ik de Regierende [sic] Graf von Moor’ (36), ‘”An die Freude”‘ (56), ‘”J’ai vu l’ombre d’un clocher frotter l’ombre d’un [sic] carosse avec l’ombre d’une brosse.”‘ [bij Dostoevskij is sprake van ‘une carosse’, een fout die verbeterd is door de intermediaire vertalers] (12), ‘ça fait lui [sic] tant de plaisir et à moi si peu de peine!’” (351), ‘Credo, maar ik weet niet waarin’ (72), ‘een honderdtal ketters zijn verbrand ad majorem Dei gloriam’ (72), ‘Morgen zal ik u verbranden! Dixi.’ (141), ‘dat is een conditia [sic] sine quâ non’ (291), ‘Satan sum et nihil humani a me alienum puto’ (345), ‘Satan sum et nihil humani…’ (345), ‘O Sancta Maria, wat moet ik horen?’ (12) en ‘Talifa kumi (dichtertje sta op)’ (133).
[555] Wel zijn tweemaal compensatietechnieken gebruikt voor het verlies van de Poolstaligheid. Het gaat om de toevoegingen ‘dit en un russe mélangé de polonais’ (Les frères Karamazov 1906: 282) en ‘Le Polonais continua en russe avec une prétention insupportable et le plus cruel accent’ (ibidem 292).
[556] Zo zegt de geleerde broer Ivan Karamazov: ‘хочешь qui pro quo, то пусть так и будет’. In Les frères Karamazov (1906: 169) is de anderstaligheid bewaard: ‘Un quiproquo, si tu veux’. Van Gogh-Kaulbach maakt daarvan ‘een misvatting, als je wilt’ (De gebroeders Karamazow 134).
[557] In Les frères Karamazov (1888 II: 47) is zelfs een aantal Poolse heteroglossen geconserveerd, zij het soms met veranderingen. Zo is het woord ‘panowie’ herschreven tot ‘panove’, met toevoeging van de voetnoot ‘Pluriel de pane’.
[558] Bijvoorbeeld geven Halpérine-Kaminsky en Morice door cursivering aan dat er anderstaligheid in het spel is in de volgende zin: ‘C’est à ne pas mettre un chien dehors…’ (Les frères Karamazov (1888 II: 200). Van Gogh-Kaulbach merkt de cursivering op, maar interpreteert deze niet zoals bedoeld. Haar vertaling luidt: ‘Het is weer om geen hond buiten te jagen’ (De gebroeders Karamazow 357, de verbreedde tekenafstand is aangebracht door de vertaalster).
[559] Zo is ‘Почему? Noblesse oblige?’ in het Duits vertaald als ‘Weshalb denn nicht? Noblesse oblige!’ (Der Hahnrei 100), met behoud van typografisch contrast, en in het Nederlands als ‘En waarom dan niet? Noblesse oblige’ (De echtgenoot 56), zonder typografisch contrast.
[560] Bijvoorbeeld zijn de zinnen ‘Vaurien! вы находите?’ in Der Hahnrei (42) vertaald als ‘Ein Taugenichts! Finden Sie wirklich?’ en in De echtgenoot (23) als ‘‘n Spotvogel! Vindt ge ‘t werkelijk?’.
[561] Zo vertaalt Scholz het woord ‘каналье’ (Russische fonetische transcriptie van ‘canaille’) meermaals als ‘Patron’ (Der Hahnrei 22, 23, 31, 43), wat nog steeds Frans is, maar een andere betekenis heeft. De Nederlandse vertaler maakt daarvan, respectievelijk, ‘beschermheilige’, ‘deze kerel’, ‘rakker’ en ‘kerel’ (De echtgenoot 11, 12, 6, 23).
[562] Zo maakt Hauff van ‘Mais, madame, cela sera un plaisir’ het volgende: ‘Gnädige Frau, ich werde glücklich sein…’ (Der Spieler 132).
[563] Zo is ‘толстый польский пан’ (een dikke Poolse pan [‘pan’ is Pools voor heer]) door Hauff adequaat vertaald als ‘ein dicker, polnischer Pan’ (Der Spieler 11), waarvan in De speler (15) ‘een dikke Pool’ gemaakt is.
[564] Vgl. bijvoorbeeld ‘Швернот! вас-фюр-эйне-гешихте!’ (transcriptie: Švernot! vas-fjur-ejne-gešichte!) met ‘Schwerenot! Was für eine Geschichte!’ (Erniedrigte und Beleidigte 1885: 13).
[565] Zo zijn de woorden ‘снова потвердил гер Кригер’ (beweerde Herr Kriger opnieuw) in Erniedrigte und Beleidigte (1885) onvertaald gelaten.
[566]Zo is de heteroglos ‘Buvons, mon cher!’ zowel door de intermediaire vertaler (Erniedrigte und Beleidigte 1885: 172) als door de Nederlandse vertaler (De misleide 278) adequaat weergegeven.
[567] L’esprit souterrain (168). Deze voetnoten zijn geplaatst bij de lexicale eenheid ‘l’homme de la nature et de la vérité’.
[568] Zo maken Halpérine-Kaminsky en Morice van Dostoevskijs ‘animaux domestiques’ het volgende: ‘bêtes familières’ (L’esprit souterrain 186). Daarbij wordt niet verduidelijkt dat er in de brontekst sprake was van heterolingualisme.
[569] De Franse passage ‘”chez des gens très-convenables, en famille, chez des gens qui ne savent encore rien […]’ (L’esprit souterrain 163) is in het Nederlands vertaald als ‘”bij zeer fatsoenlijke menschen”, “en famille“, bij menschen, die van niets weten […]’ (De onderaardsche geest 235). Aangezien de woorden uitgesproken zijn door de prostituee Liza, die een vertegenwoordigster is van het Russische volk, druist het gebruik van het Frans in tegen de poëtica van Dostoevskij.
[570] Zo bevat Aus dem todten Hause (1886: 362, 250) de heteroglossen ‘Je haïs les brigands’ en ‘sanat est’.
[571] Bijvoorbeeld is de zin ‘а что там пан бог есть?’ (en is pan god daar?) vertaald als ‘ist dort Herrgot?’ (Aus dem todten Hause 1886: 159).
[572] Souvenirs de la maison des morts (164).
[573] Zo valt in Raskolnikow (I: 150) te lezen ‘Ich danke, sagte sie auf deutsch’.
[574] Raskolnikow (III: 153).
[575] Schuld en boete (III: 125).
[576] Raskolnikow (III: 60).
[577] Idem (III: 43).
[578] Zie Schuld en boete (III: 32).
[579] Raskolnikow (III: 56).
[580] Schuld en boete (III: 43).
[581] Langeveld (2005: 961) bestempelt dit taaltje als ‘een krankzinnig Pools-Russisch koeterwaals’. Hij vertaalt de zinnen in kwestie als volgt: ‘Pani Agrafena, iek hier gekommen om oude te vergeten en vergeven, vergeten dat wat voor heute gebeurde…’ (De broers Karamazov 2005: 524).
[582] Les frères Karamazov (1906: 292).
[583] Denotatieve vertaling: ‘die inzet gaat niet… nee, nee, mag niet’. De combinatie van ‘не’ en ‘можно’ is een zeer primaire fout tegen de Russsiche grammatica.
[584] Der Spieler (183).
[585] Vertaling: ‘- Laat haar slaan! -antwoordde zij, en haar ogen begonnen te schitteren. – Laat haar slaan! Laat haar slaan! – herhaalde ze bitter, en haar bovenlip trok smalend omhoog en begon te trillen.’
[586] L’esprit souterrain (48). Ook andere gelijkaardige voorbeelden zijn in deze vertaling te vinden (ibidem 21, 49).
[587] Vertaling: ‘Een heer in rokkostuum, van een solide leeftijd, maar men kan niet zeggen dat zijn tred solide was’.
[588] Witte nachten (16).
[589] Vrije vertaling: ‘Wilt gij dat ik ook voor u, monnik, ten gronde viel? – sprak vader Ferapont. – Rijs op! De kloosterling stond op. Gezegend zijt gij, kom neder zitten. Van waar doch aanbeland?’
[590] Souvenirs de la maison des morts (139).
[591] Uit het doodenhuis (29).
[592] In de vertaling van H.A. Bendien: ‘Een van hen was een heel grappige Kleinrus, jongens, voegde hij er plotseling bij, terwijl hij zich tot het gehele gezelschap richtte en Kobylin verder negeerde. Hij vertelde me, hoe ze hem veroordeeld hadden en hoe hij met de rechter gesproken had, alles in een vloed van tranen; hij had vrouw en kinderen achtergelaten, zei hij. Zelf was hij een forse, grijze, dikke kerel. “Ik zeg tegen hem, zei hij, dat ik het niet gedaan heb! Maar die satanskerel schrijft maar en schrijft maar! Nu zeg ik bij me zelf, ik mag lijden dat je krepeert! En die kerel maar schrijven; en op een gegeven ogenblik schrijft hij me iets!.. En toen was ik verloren!”‘ (Aantekeningen uit het dodenhuis 1994: 123).
[593] Raskolnikow (III: 242).
[594] Schuld en boete (III: 196).
[595] Zie Edgerton (1963).
[596] Zie supra.
[597] Langeveld (2008: 139-40).
[598] Zie supra.
[599] Zie Fasmer (1971: 62).
[600] Volgens de telling van Karev (1999: 10).
[601] Vertaling: ‘ontwikkeld, punctueel, koppig, werkbekwaam, behoedzaam, betrouwbaar als professionele werklui, doorgedreven zoekers en denkers, nuchtere en rationele geleerden, filosofen, bevorderaars van de vooruitgang en uitvinders.’
[602] Volgens Gigolašvili (2000) waren de Duitsers van de steden evenals die van het platteland door de autochtone bevolking met afgunst bekeken om hun welvaart, orde, hygiëne, professionalisme en georganiseerd bestaan.
[603] Hun gelijklopende opvattingen over het tsarisme ten spijt, voerden Katkov en Dostoevskij in het begin van de jaren 1860 een hevige polemiek over de zogezegde verwezelijkingen van de Russische cultuur. Dostoevskij kon niet verkroppen dat Katkov zich hierover laatdunkend uitliet. Voor meer details over deze polemiek, zie Frank (1986: 98-102).
[604] Dit spreekwoord doet denken aan de Russische zegswijze ‘Родина слонов’ (Het moederland van de olifanten) die in omloop is.
[605] Zie Waegemans (1997).
[606] De naam Vral’man is afgeleid van het werkwoord ‘врать’ (liegen) en betekent dus zoveel als ‘Liegemans’.
[607] Vertaling van B. Sas: ‘Ai! Ai! Ai!Ai!Ai! Noe zie iek het! Zij wollen het kiend oembrengen! Moedertje von mij! Hebt medelijden met de vroecht van oew schoot, die oe negen maanden gedragen heeft. Zo te zeggen, das achtste woender der wereld’ (Fonvizin 2009: 59).
[608] Zie bijvoorbeeld Babkin (1951: 796).
[609] Puškin (1978: 82).
[610] Zie Gogol’ (1977: 31-4).
[611] Overigens bestonden zulke tegenstrijdige stereotiepen over Duitsers ook buiten Rusland. Beller (2007: 161-2) wijst erop dat de Franse topos van de Duitse ‘rough incivility’ in de 19e eeuw gekristalliseerd werd in de haat-figuur van de Duitse vijand, terwijl in de nasleep van de Frans-Pruisische oorlog eigenschappen aan de Duitsers werden toegedicht als ‘diligence, efficiency, obedience, systematic thoroughness, a penchant for neatness’.
[612] Dostoevskij (XV: 155-6; XVI: 16).
[613] Leerssen (2000: 282).
[614] Ibidem (278).
[615] Zie Dostoevskij (IV: 94).
[616] Timmer (1990: 122).
[617] Dostoevskij (I: 273, 318).
[618] Ibidem (319).
[619] Ibidem (318).
[620] Dostoevskij (V: 226).
[621] Ibidem (234).
[622] Ibidem (235).
[623] Ibidem (258).
[624] Ibidem.
[625] Dostoevskij (IV: 26).
[626] Ibidem (50).
[627] Ibidem (100).
[628] Ibidem (102, 103).
[629] Ibidem (210).
[630] Ibidem (78).
[631] Dostoevskij (XV: 104).
[632] Ibidem (502).
[633] Ibidem.
[634] Ibidem.
[635] Dostoevskij (VI: 76).
[636] Ibidem (78). Volgens Dal’ (1882: 1440) had het adjectief ‘пышный’ in de 19e eeuw verschillende betekenissen, gaande van ‘великолепный’ (prachtig) en ‘обильный’ (overvloedig) tot ‘подлый’ (gemeen), ‘вздутый’ (opgeblazen) of zelfs ‘гордый’ (trots), ‘надутый’ (gezwollen) en ‘надменный’ (hoogmoedig).
[637] Raskolnikow (I:155).
[638] Ibidem (150).
[639] Ibidem.
[640] Dostoevskij (VI: 78).
[641] Raskolnikow (I: 155).
[642] Dostoevskij (VI: 297).
[643] Zie Raskolnikow (III: 50, 53).
[644] Ibidem.
[645] Raskolnikow (I: 220).
[646] Schuld en boete (I: 179).
[647] L’esprit souterrain (25).
[648] Ibidem.
[649] Ibidem (144).
[650] Ibidem.
[651] Der Spieler (50).
[652] Ibidem (74).
[653] Ibidem (137).
[654] Vgl. Dostoevskij (V: 235) met Der Spieler (76-7).
[655] Vgl. Dostoevskij (V: 225) met Der Spieler (49).
[656] Der Spieler (78).
[657] De speler (71). Cursivering toegevoegd.
[658] Erniedrigte und Beleidigte (1885: 10). Cursivering toegevoegd.
[659] Ibidem (11).
[660] Dostoevskij (III: 365). Cursivering toegevoegd.
[661] De misleide (6).
[662] Cursivering toegevoegd.
[663] Dostoevskij (III: 173).
[664] De misleide (241-3).
[665] Idem (7).
[666] Arme Nelly (8).
[667] Idem (9).
[668] Idem (115, 116, 117).
[669] Aus dem todten Hause (1886: 175).
[670] Idem.
[671] Dostoevskij (IV: 102).
[672] Aus dem todten Hause (1886: 174).
[673] Idem (373).
[674] Uit Siberië (I: 45).
[675] Souvenirs de la maison des morts (35).
[676] Uit Siberië (I: 204).
[677] Aus dem todten Hause (1890: 28).
[678] Idem (132).
[679] Idem (279).
[680] Uit het doodenhuis (1906: 103).
[681] Idem (215).
[682] Les frères Karamazov (1906: 437).
[683] De gebroeders Karamazow (368).
[684] Les frères Karamazov (1906: 365).
[685] Zie De gebroeders Karamazow (295).
[686] In Bednye ljudi schetst Dostoevskij ook een paar karikaturale portretten van Finse achtergrondpersonages, maar in Arme Leute (24, 186) en in Arme menschen (20, 159) zijn deze karikaturen adequaat vertaald.
[687] Aus dem todten Hause (1886: 151) en Souvenirs de la maison des morts (131).
[688] In Uit Siberië (I: 175, 177) zijn de spotnamen ‘хохол’ en ‘хохлы’ terechtgekomen als ‘een grappenmaker van een Rus’ en ‘jongens’ .
[689] Raskolnikow (III: 7).
[690] Schuld en boete (III: 2-3).
[691] Dostoevskij (IX: 66).
[692] Dostoevskij (III: 423).
[693] Uit het doodenhuis (51).
[694] Aus dem todten Hause (1890: 119).
[695] Zie Uit het doodenhuis (94).
[696] Dostoevskij (V: 274).
[697] Vertaling: ‘Eerst maakte hij kennis, volgens zijn eigen woorden, “met veel smousen, smousjes, smousenwijfjes en smousenjongen”, en hij eindigde ermee om uiteindelijk niet enkel bij de smousen, maar “ook bij de joden aanvaard” te zijn’.
[698] De gebroeders Karamazow (310).
[699] Dostoevskij (V: 270). Cursivering toegevoegd.
[700] Ibidem (276).
[701] Bijvoorbeeld Der Spieler (45, 47).
[702] De speler (44, 45).
[703] Idem (142).
[704] Idem (156).
[705] Zie bijvoorbeeld Dostoevskij (V: 280).
[706] Dostoevskij (XV: 102).
[707] Les frères Karamazov (1906: 435).
[708] Zie Even-Zohar (1978).
[709] Raskolnikow (II: 170).
[710] Vgl. Dostoevskij (VI: 366, 369; 370-1) met Raskolnikow (III: 195, 198, 199).
[711] Raskolnikow (III: 199).
[712] Dostoevskij (IV: 400r44-401-22).
[713] Vgl. Dostoevskij (IV: 224) met Erniedrigte und Beleidigte (1885: 62).
[714] Vgl. Dostoevskij (IV: 225) met Erniedrigte und Beleidigte (1885: 62).
[715] Dostoevskij (IV: 431r9-20).
[716] Vgl. Dostoevskij (IV: 359r39-360r14) met Erniedrigte und Beleidigte (1885: 170).
[717] Vgl. Dostoevskij (IV: 363r33-364r2) met Erniedrigte und Beleidigte (1885: 172).
[718] Vgl. Dostoevskij (IV: 365r39-366r15) met Erniedrigte und Beleidigte (1885: 172).
[719] Vgl. Dostoevskij (IV: 266 e.v.) met Erniedrigte und Beleidigte (1885: 96 e.v.). Bij de inkorting van de betreffende scène zijn de personages Mitroška en Sizobrjuchov en oude volslanke prostituees gesneuveld.
[720] Zie Dostoevskij (IV: 417r25-8).
[721] Erniedrigte und Beleidigte (1885: 172).
[722] De misleide (278).
[723] Erniedrigte und Beleidigte (1885: 101).
[724] De misleide (156).
[725] Dostoevskij (IV: 218r28-33).
[726] Erniedrigte und Beleidigte (1890: 106). Het betreft een redelijk adequate vertaling van het overeenkomstige Russische fragment (Dostoevskij IV: 258).
[727] Arme Nelly (80).
[728] Erniedrigte und Beleidigte (1890: 123).
[729] Arme Nelly (93).
[730] Zie supra.
[731] Erniedrigte und Beleidigte (1890: 33).
[732] Arme Nelly (34). Cursivering toegevoegd.
[733] Erniedrigte und Beleidigte (1890: 128).
[734] Arme Nelly (96).
[735] Vertaling: ‘Ik stelde mij Nelli voor, die aan dit alles alleen terugdacht, zonder haar mamaatje, wanneer Bubnova haar met slagen en dierlijke wreedheid wilde breken en dwingen tot een kwalijk iets.’
[736] Der Spieler (141).
[737] De speler (121).
[738] Ibidem (97).
[739] Der Spieler (272).
[740] Vertaling: ‘toen ik hen vertelde dat ik in de koffie van de monsignor wilde spuwen. – Spuwen? vroeg de generaal met gewichtige verbazing en zelfs om zich heen kijkend.’
[741] Zie Der Spieler (191).
[742] De speler (163).
[743] Ibidem (22). Cursivering toegevoegd.
[744] Uit Siberië (II: 109).
[745] Aus dem todten Hause (1886: 319).
[746] Souvenirs de la maison des morts (278).
[747] Uit Siberië (II: 196).
[748] Der Hahnrei (125).
[749] Idem (93).
[750] L’esprit souterrain (76).
[751] Ibidem (77).
[752] Namelijk Dostoevskij (V: 126r31-132r25).
[753] L’esprit souterrain (216).
[754] De onderaardsche geest (197).
[755] L’esprit souterrain (101).
[756] Ibidem (203).
[757] De onderaardsche geest (185).
[758] L’esprit souterrain (253).
[759] De onderaardsche geest (230).
[760] L’esprit souterrain (171).
[761] Les frères Karamazov (1906: 26).
[762] De gebroeders Karamazow (21).
[763] Les frères Karamazov (1906: 341).
[764] Vgl. bijvoorbeeld Dostoevskij (XV: 406) met Les frères Karmazov (1906: 306) en De gebroeders Karamazow (246).
[765] Les frères Karamazov (1906: 306).
[766] Vert.: ‘U zorgt er nog voor […] dat ik zo meteen niet meer verlegen ben, en dan – adieu al mijn middelen!.. – Middelen? Welke middelen, waarvoor? dat is toch dwaas. – Het spijt me, ik zal het niet doen, het ontglipte me; maar hoe wilt u dat men op zo’n moment niet het verlangen heeft…’
[767] Witte nachten (20).
[768] Coster (1921a: 1061).
[769] Ibidem (1102).
[770] Een parallel met de bevindingen van Angelsaksische onderzoekers dringt zich op. Volgens Cox (1980: 103) ‘Dostoevsky criticism has tended to focus upon the tragic implications of his fiction’. Busch (1987: 12) verklaart het vastgestelde gebrek aan aandacht voor de komische dimensie van Dostoevskijs werk onder andere met het feit dat ‘too often, translators have, for reasons of taste, impatience, inability or limits imposed by the English language, failed to find suitable equivalents for the verbal jinks by which Dostoevsky sometimes achieves his tonal counterpoint’.
[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de algemene inhoudstafel.]
| IV. De vertalingen (deel 1 en deel 2) |
| Inleiding |
| 1 Genealogie |
| 2 Technische periteksten |
| 3 De titelpagina |
| 4 Opdracht en motto |
| 5 Het voorwoord |
| 6 Macrostructuur |
| 7 Couleur locale |
| 8 Heteroglossen en gebroken taal |
| 9 Spot met minderheden en buitenlanders |
| 10 Fatsoenerende ingrepen |
| Besluit |
In het voorgaande deel werden alle Nederlandse vertalingen die voor de Eerste Wereldoorlog van Dostoevskij gemaakt werden, besproken in hun publicatiecontext. Daarbij lag de focus enerzijds op de kritiek waartoe deze doelteksten aanleiding gaven, en anderzijds op de betrokken institutionele actoren. In de mate van het mogelijke werd de identiteit, achtergrond en agenda van de critici, vertalers en uitgevers ontsluierd. Ook werd nagedacht over de selectie van de bronteksten. Behoudens enige reflectie over de titels van de doelteksten en over twee parateksten, namelijk het voorwoord op Schuld en boete en de uitgeversreclame voor De misleide, bleven de door de uitgevers en vertalers geproduceerde teksten zelf tot nog toe vrijwel volledig onaangeroerd. Om te weten te komen hoe Dostoevskij in het Nederlandse taalgebied gerecipieerd werd, zijn een analyse van de internationale context en de literaire kritiek en het in kaart brengen van de institutionele actoren echter ontoereikend. Ook de vraag hoe Dostoevskij vertaald werd, is cruciaal om te begrijpen op welke manier hij gekristalliseerd werd in de Nederlandse literatuur. Om na te gaan met welke verschuivingen het vertalen van Dostoevskij gepaard ging, worden in dit deel verschillende aspecten van de doelteksten onderworpen aan een vertaalwetenschappelijke analyse. Het model van Toury (1995) wordt als theoretische leidraad gebruikt, maar daarnaast worden ook inzichten ontleend aan de semiotiek, zoals opgevat door Genette (1987), en aan de imagologie, zoals opgevat door Leerssen (2000).
Aan bod komen eerst de genealogie, de periteksten en de macrostructurele dimensie. Vervolgens worden ook een aantal vertaalkeuzes op microtekstueel niveau onder de loep genomen die te maken hebben met couleur locale, heterolingualisme, afwijkend taalgebruik en, hierbij aansluitend, spot met etnische minderheden. Bij de selectie van deze laatste vertaalfenomenen werd gefocust op wat typisch is voor de Russische literatuur in het algemeen of voor Dostoevskij in het bijzonder. Met andere woorden gaat het om fenomenen die de vertalers voor een keuze plaatsen tussen exotiseren en naturaliseren, wat mogelijk geïnterpreteerd kan worden aan de hand van de as adequatie – waarbij de vertaler tracht om de lezer dichter bij de brontekst te brengen – versus acceptabiliteit – waarbij het eerder de brontekst is die wordt aangepast aan de receptiegemeenschap. Telkens belangwekkende verschuivingen zijn vastgesteld, wordt gepeild naar de manier waarop ze de literaire functies van de brontekst veranderen. Tot slot worden ook tentatieve verklaringen voor de vastgestelde verschuivingen gereikt. Belangrijk is dat dergelijke verklaringen in iedere fase, vanaf het prille begin, geformuleerd worden.
De descriptieve vertaalwetenschap, zoals deze wordt opgevat door Toury (1995: 36), beschouwt ‘assumed translations’, vertalingen of teksten die doorgaan voor vertalingen, als feiten van de recipiërende cultuur. Vandaar dat hun doelgerichtheid centraal wordt gesteld, waarmee echter niet bedoeld wordt dat de broncultuur en bronteksten angstvallig buiten het onderzoeksdomein moeten worden gehouden. Omdat (veronderstelde) vertalingen rechtstreeks empirisch waarneembaar zijn, vormen ze logischerwijs het startpunt van descriptief vertaalonderzoek. Het komt er dus vooreerst op aan om een zinvol corpus met doelteksten (DT-corpus) samen te stellen, dat kan functioneren als basiscorpus voor het vertaalwetenschappelijke onderzoek. Het DT-corpus van het hier voorgestelde onderzoek, dat een licht wil werpen op de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij, is samengesteld aan de hand van drie criteria, die hieronder toegelicht worden.
Het eerste gehanteerde criterium betreft de afbakening in tijd. Aangezien de Nederlandse receptie van Dostoevskij in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog onderzocht wordt, ligt het voor de hand om, althans in eerste instantie, enkel de doelteksten in aanmerking te nemen die tussen 1885, waarin de eerste Nederlandse vertaling van Dostoevskij het licht ziet, en 1914 gepubliceerd zijn.
Het tweede gehanteerde criterium betreft de uitgavevorm: er werd geopteerd om enkel de vertalingen in boekvorm te bestuderen. De doorslaggevende reden hiervoor is dat, zoals Edgerton (1963: 62) benadrukt, ‘the popular reception of an author can be judged more accurately by the publication of his works in book form than by their single appearance in journals’. Daar komt bij dat de meeste werken van Dostoevskij dermate omvangrijk zijn, dat over het algemeen slechts vertaalde fragmenten van zijn proza kunnen worden teruggevonden in tijdschriften. Zoals in het voorgaande hoofdstuk aan bod kwam, was het niet uitzonderlijk dat critici stukken tekst van Dostoevskij citeerden in eigen vertaling. Denk bijvoorbeeld aan Ten Brink, die zijn essay lardeerde met zelf vertaalde fragmenten van Le crime et le châtiment, hoewel ook de vertaling Schuld en boete in zijn bezit was. Het lijdt echter geen twijfel dat de vertaling van Petros Kuknos, die heruitgegeven is, een grotere impact gehad heeft op de Nederlandse beeldvorming van Dostoevskij dan de in omvang en verspreiding gelimiteerde Dostoevskij-vertalingen van Ten Brink.
Het derde gehanteerde afbakeningscriterium heeft een pragmatische bestaansreden: om het onderzoekscorpus, dat met vertalingen als Uit Siberië, Schuld en boete en De gebroeders Karamazow bijzonder omvangrijk riskeert te worden – te meer omdat ook tussenvertalingen gebruikt werden, die in het vertaalonderzoek moeten worden betrokken –, enerzijds te beperken in de mate van het mogelijke en anderzijds toch gevarieerd te houden, werden slechts volledig nieuwe vertalingen in aanmerking genomen. Herdrukken en heruitgaven van bestaande teksten vallen met andere woorden buiten het onderzoekscorpus. Overigens is er slechts één vertaling van Dostoevskij bekend die voor de Eerste Wereldoorlog gedrukt en herdrukt werd bij dezelfde uitgeverij: Schuld en boete (1904), waarvan de tweede druk verscheen in 1910.
Drie werken verschaffen bibliografische inlichtingen over de vroege Nederlandse vertalingen van Dostoevskij: het proefschrift van Romein (1924), de bibliografische studie van Kingma (1981) en de Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling van Waegemans & Willemsen (1991). Het laatstgenoemde werk, dat beoogt alle Nederlandse literaire vertalingen te vermelden die tussen 1789 en 1985 verschenen zijn in boekvorm, is het meest recente en bouwt wat Dostoevskij betreft voort op Kingma.[1] In deze bibliografie worden de vertalingen gerangschikt per auteur en in alfabetische volgorde gepresenteerd. Herdrukken worden als regel vermeld in de uitgebreide bibliografische referentie van de doeltekst in kwestie. Voor de al dan niet gewijzigde heruitgaven van een tekst bij een andere uitgeverij zijn, indien als zodanig geïdentificeerd, aparte lemmata voorzien met een verwijzing naar de eerste uitgave.
Bij Waegemans & Willemsen (1991: 158-79) komen onder ‘dostoevskij Fëdor Michajlovič’ vijftien vertalingen voor waarvan de eerste druk verscheen voor of in 1914. Het gaat om de volgende teksten, hier in chronologische volgorde weergegeven: Schuld en boete (1885), De misleide (1886), Arme menschen (1887), De kerstboom (1887), De onderaardsche geest (1888), De speler (1890), Arme Nelly (1891), Uit Siberië (1891), Een misdaad (1895), Schuld en boete (1904), Arme menschen (1906), Uit het doodenhuis (1906), Witte nachten (1906), De echtgenoot (1907) en De gebroeders Karamazow (1913).[2]
Uit een macrostructurele en microtekstuele vergelijking van het door Rössing uitgegeven Schuld en boete (1885) met het door Veldt-Van Holkema & Warendorf uitgegeven Schuld en boete (1904) blijkt dat de laatstgenoemde titel een bijzonder oppervlakkige, stilistische bewerking is door G.H. Priem van de vertaling van P. Kuknos. Het door Craft & Co uitgegeven Arme menschen (1906) is evenmin een nieuwe vertaling: een vergelijking met de gelijknamige titel die in 1887 uitgegeven werd door A. Rössing maakt duidelijk dat het om identiek dezelfde tekst gaat. Aangezien zowel Schuld en boete (1904) als Arme menschen (1906) heruitgaven zijn, vallen deze buiten het onderzoekscorpus.
Na aftrek van de twee genoemde heruitgaven bestaat het basiscorpus nog uit dertien verschillende doelteksten. Van elf van deze vertalingen kon minstens één exemplaar gelokaliseerd worden in een Europese bibliotheek.[3] Dat hiervoor doorgedreven speurwerk was vereist, hoeft niet te verbazen. Ten eerste bleven, zoals bekend, tal van bibliotheekcollecties tijdens de wereldoorlogen allerminst gespaard van verwoestingen. Ten tweede was het papier dat in de periode 1840-1950 vervaardigd werd in Nederland van slechte kwaliteit. Door de mechanisering van het drukproces en de toename van vraag naar drukwerk was er omstreeks 1840 een tekort aan lompen ontstaan. Men schakelde dan maar over op houtpulp, die echter op lange termijn in combinatie met chemische processen voor het witten van papier verval van het papier van binnenuit veroorzaakt. Het dieptepunt van de kwaliteit van de papierproductie ligt in de jaren 1870-1909, waarin het overgrote merendeel van de vertalingen van het basiscorpus vervaardigd werd.[4]
Over de moeilijkheid van de zoektocht naar de materiële vertalingen getuigt het feit dat de vertaling Arme Nelly, waarvan zelfs Kingma (1981: 157) geen exemplaar kon terugvinden,[5] lange tijd onvindbaar scheen, tot een exemplaar gelokaliseerd werd in een bibliotheek in Finland.[6] Daarnaast worden twee vertalingen van het corpus, namelijk Arme menschen (1887) en De speler (1890) door de bibliotheek die hiervan een exemplaar bezit, namelijk de Koninklijke Bibliotheek van Nederland, niet beschikbaar gesteld voor inzage wegens hun slechte staat en zeldzaamheid. Van deze vertalingen bestaan echter uitleenbare microfiches – van De speler, veilig opgeborgen in zuurvrije verpakking, ontbreken op de microfiches evenwel ongeveer de laatste 20 pagina’s. De echtgenoot, waarvan een exemplaar gelokaliseerd kon worden in Nijmegen, mocht dan weer niet uitgeleend of gekopieerd worden, omdat de kaft een waardevolle banddecoratie in Jugendstil bevat. Een bibliothecaris was echter zo vriendelijk om de tekst eigenhandig te kopiëren en per post te bezorgen. De vertaling De onderaardsche geest, die voor Kingma (1981: 158) onvindbaar was, is wel teruggevonden. Meer bepaald in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience te Antwerpen, de voormalige Antwerpse Stadsbibliotheek.
Twee titels van de bibliografische lijst konden ondanks een volgehouden zoektocht in bibliotheken in binnen- en buitenland, raadpleging van internetcatalogi van antiquariaten en allerhande zoekertjes,[7] niet gevonden worden in de vierjarige periode waarin dit doctoraal onderzoek gevoerd werd. Het gaat om De kerstboom (1887) en Een misdaad (1895). De eerstgenoemde titel werd niet teruggevonden door Kingma (1981: 158), die evenwel op de hoogte was van het bestaan ervan. Het is een vertaling van Ëlka i svad’ba (1848), die slechts vijftien pagina’s telt. De titelpagina van dit werk geeft als vertaler F. van Burchvliet op. Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat deze vertaler De onderaardsche geest (1888) uit het Frans vertaald heeft, waarbij L’esprit souterrain van Halpérine-Kaminsky en Morice als tussenvertaling fungeerde.[8] Naar alle waarschijnlijkheid is De kerstboom dus eveneens een vertaling uit het Frans, mogelijk van het eveneens door Halpérine-Kaminsky vertaalde L’arbre de Noèl (1876). Een misdaad (1895), dat de ondertitel Russische roman draagt, is een obscuurder geval. Deze vertaling is namelijk niet opgenomen in de bibliografie van Kingma (155-6), die nochtans gepoogd heeft om alle vóór 1970 verschenen Dostoevskij-vertalingen te behandelen. Dat het om een uiterst zeldzame uitgave gaat, kan ook opgemaakt worden uit het feit dat in het onderzoek naar de Dostoevskij-kritiek nergens een allusie is teruggevonden op deze doeltekst.[9] Eerder werd ook al gewezen op de titel, die vanuit commercieel standpunt zeker niet het meest opportuun was; Dostoevskijs roman genoot in binnen- en buitenland immers bekendheid onder geheel andere titels. Toen dit onderzoek reeds was afgesloten is de betreffende vertaling toch nog gelokaliseerd, namelijk in de privécollectie van verzamelaar Cees Willemsen. Bij nader inzien blijkt het te gaan om een tweedelige uitgave, waarvan het eerste deel Een misdaad getiteld is en het tweede deel Wroeging.[10] Gezien de laattijdigheid van deze vondst en het feit dat enkel het eerste deel, Een misdaad (1895), ter beschikking werd gesteld voor onderzoek, wordt deze vertaling in dit deel buiten beschouwing gelaten, behoudens het genealogische aspect en de informatie op de titelpagina. Het basiscorpus wordt als dusdanig gereduceerd tot de volgende elf materieel raadpleegbare Nederlandse doelteksten: Schuld en boete (1885), De misleide (1886), Arme menschen (1887), De onderaardsche geest (1888), De speler (1890), Arme Nelly (1891), Uit Siberië (1891), Uit het doodenhuis (1906), Witte nachten (1906), De echtgenoot (1907) en De gebroeders Karamazow (1913).
In de visie van Toury (1995: 65) kunnen vertalingen beschouwd worden als producten van door normen gestuurd gedrag. Om deze normen op het spoor te komen kan de onderzoeker gebruik maken van twee hoofdbronnen: tekstuele bronnen en extratekstuele bronnen, bijvoorbeeld beweringen van vertalers en uitgevers. De eerste soort bronnen, waartoe de vertalingen zelf behoren, wordt door Toury (1995: 65) een geprivilegieerde status toegekend: ‘Texts are primary products of norm-regulated behaviour, and can therefore be taken as immediate representations thereof.’
Behoudens de initiële norm, die de bereidheid van de vertaler weerspiegelt om een adequate dan wel acceptabele vertaling te maken, onderscheidt Toury (1995: 58) twee grotere groepen vertaalnormen: preliminaire en operationele normen. Preliminaire normen hebben te maken met enerzijds overwegingen met betrekking tot het bestaan en de feitelijke aard van een vertaalbeleid en anderzijds overwegingen met betrekking tot de directheid van vertaling. De overwegingen met betrekking tot een vertaalbeleid betreffen ‘the factors that govern the choice of text types, or even of individual texts, to be imported through translation into a particular culture/language at a particular point in time’, terwijl de overwegingen met betrekking tot de directheid van vertalingen ‘involve the threshold of tolerance for translating from other languages than the ultimate source language’.[11] Onder operationele normen verstaat Toury (1995: 58) dan weer de normen die de beslissingen beïnvloeden die tijdens het vertaalproces in strikte zin gemaakt worden, zowel met betrekking tot de matrix van de tekst, de distributie van het linguïstische materiaal, als met betrekking tot de opbouw en de formulering van de tekst. Beide soorten normen, preliminaire en operationele, kunnen elkaar beïnvloeden, maar ‘preliminary norms have both logical and chronological precedence over the operational norms’. In dat opzicht is het logisch om onderzoek te beginnen bij preliminaire normen.
Van Gorp & Lambert (1984: 48) raden aan om vertaalwetenschappelijk onderzoek te beginnen met het verzamelen van informatie over ‘the general macro-structural features’. De resulterende preliminaire data, met inbegrip van titel, titelpagina en parateksten, worden verondersteld de dominante preliminaire normen van een bepaalde vertaling bloot te leggen. Het is echter niet gemakkelijk, en soms zelfs onmogelijk, om vragen met betrekking tot de directheid van een vertaling, de eerste vraag die beantwoord moet worden, zuiver op basis van zijn macrostructurele kenmerken te beantwoorden. Het is namelijk zo dat inadequate vertalingen hun vertaalde status vaak slechts in beperkte mate etaleren en dat indirecte vertalingen in de regel hun eigen bemiddelde natuur verbergen – zoals bekend lopen uitgevers er meestal niet mee te koop indien een vertaling onrechtstreeks tot stand kwam. Bovendien moet rekening gehouden worden met het feit dat, zoals Toury (1995: 74) het uitdrukt, ‘a multitude of candidates for a source text may exist’. Het meest voor de hand liggend is dat de Nederlandse doelteksten rechtstreeks vertaald zijn uit het Russisch, of onrechtstreeks uit het Frans en/of Duits. Het mag echter niet op voorhand uitgesloten worden dat vertalingen in nog andere talen gebruikt werden als bronteksten, zoals bijvoorbeeld in het Engels.
De titelpagina’s van de elf vertalingen die het DT-corpus uitmaken, zijn bijzonder spaarzaam in het verschaffen van inlichtingen over de vertaalde status. Bij geen enkele van deze doelteksten staat op de titelpagina vermeld dat uit een andere taal vertaald werd dan uit het Russisch. Voor het overige leggen ze een zekere diversiteit aan de dag in de etalering van hun eigen vertaalde status. Grosso modo kunnen ze opgedeeld worden in vier categorieën.
| Afbeelding 2. De titelpagina van Witte nachten | Afbeelding 3. De titelpagina van Uit het
doodenhuis |
De eerste categorie bevat enkel Witte nachten. Dit is de enige vertaling waarvan de titelpagina onverbloemd de werkelijke brontaal opgeeft: ‘Uit het Russisch vertaald door Z. Stokvis’ (zie afbeelding 2). Aangezien hier ook de vertaler wordt genoemd, is de graad van etalering van de vertaalde status hoog.[12] De tweede categorie bevat vertalingen die geen melding maken van de werkelijke brontaal, maar wel van de vertaler – al dan niet verscholen achter een pseudoniem. Hiertoe behoort het gros van de vertalingen van het DT-corpus: Schuld en boete, Arme menschen, De onderaardsche geest, Arme Nelly, Uit het doodenhuis, De echtgenoot en De gebroeders Karamazow (zie afbeelding 3). Als respectieve vertalers worden opgegeven: Petros Kuknos – duidelijk een pseudoniem –, A. van der Hoek, F. van Burchvliet, Mevr. C.A. La Bastide, tweemaal M. Faassen en Anna van Gogh-Kaulbach. Het geval van Arme Nelly is ietwat bijzonder, aangezien de titelpagina het opschrift ‘naar het Russisch’ draagt. Het voorzetsel ‘naar’ suggereert hier wel dat de finale brontekst een Russische is, maar niet dat door de Nederlandse vertaler uit deze taal werd vertaald.
| Afbeelding 4. De titelpagina van De speler | Afbeelding 5. De titelpagina van De misleide |
De derde categorie bestaat uit twee vertalingen waarvan de titelpagina geen melding maakt van de werkelijke brontaal of van de vertaler, maar wel van het feit dat het in oorsprong om een Russisch werk gaat, door toevoeging van de ondertitel Russische roman. Op deze manier wordt impliciet de eigen vertaalde status geëtaleerd. Dit is het geval bij De speler (zie afbeelding 4) en Een misdaad. De vierde en laatste categorie bestaat uit twee vertalingen, waarvan de titelpagina’s hoegenaamd geen inlichtingen verschaffen over de vertaalde status: De misleide en Uit Siberië (zie afbeelding 5). De lezer van de titelpagina kan slechts te weten komen dat het om een vertaling (uit het Russisch) gaat door de auteur te identificeren als een buitenlandse (Russische) schrijver – wat bij Dostoevskij niet bijster moeilijk was. Vanzelfsprekend is de graad van etalering van de eigen vertaalde status in deze twee gevallen bijzonder laag.
Aangezien de uitgevers van de vertalingen die het DT-corpus uitmaken in de regel nagelaten hebben de werkelijke brontekst of zelfs maar de werkelijke brontaal te vermelden, moeten andere bronnen dan preliminaire vertaaldata gebruikt worden om de genealogie van de doelteksten te achterhalen. Meer duidelijkheid verschaft de Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling van Waegemans & Willemsen (1991: 158-79). Hierin staat opgegeven dat Schuld en boete, Arme menschen, Uit het doodenhuis en De echtgenoot vertaald zijn uit het Duits en dat De gebroeders Karamazow vertaald is uit het Frans. Met betrekking tot de zeven andere vertalingen van het DT-corpus, namelijk De misleide, De onderaardsche geest, De speler, Arme Nelly, Uit Siberië, Een misdaad en Witte nachten, wordt daarentegen geen brontaal opgegeven. In het voorwoord van deze bibliografie wordt uitdrukkelijk meegedeeld: ‘indien de brontaal niet wordt vermeld, betekent dit dat het werk uit het Russisch is vertaald’. Op basis van deze uitspraak zou men geneigd zijn aan te nemen dat de laatstgenoemde groep vertalingen rechtstreeks uit het Russisch tot stand zijn gekomen. Waegemans & Willemsen (1991: 12) geven echter ook te kennen dat ze de gegevens overgenomen hebben van de titelpagina’s, hoewel deze ‘niet altijd stroken met de werkelijkheid’.
De onbetrouwbaarheid van inlichtingen verschaft door bibliografieën is een wijdverspreid probleem, zoals Ringmar (2007: 7) uitlegt: ‘the information in catalogues and bibliographies is mostly based on paratexts, on title-pages and [is] consequently as reliable as its sources, which means that it is not always to be trusted’. In de Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling zijn de gegevens over de door Dostoevskij-vertalers gebruikte bronteksten echter niet exclusief gebaseerd op de titelpagina’s. Dit blijkt uit het feit dat een vertaling als Uit het doodenhuis vermeld staat als vertaald uit het Duits, terwijl dit, zoals aangetoond, uit de titelpagina niet opgemaakt kan worden. De verklaring voor de verstrekte inlichtingen over brontalen van de Dostoevskij-vertalingen is dat Waegemans & Willemsen bij de samenstelling van hun bibliografie gebruik hebben gemaakt van de Dostoevskij-bibliografie van Kingma (1981).
Kingma (1981) onderneemt in zijn bibliografie een ernstige poging om de vraag naar de genealogie van de Nederlandse Dostoevskij-vertalingen te beantwoorden. Hiervoor gebruikt hij twee hoofdbronnen. Ten eerste preliminaire vertaaldata, die voor wat betreft de periode waarop dit onderzoek zich richt echter weinig revelerend gebleken zijn. Ten tweede heeft hij in het Nieuwsblad van de Boekhandel informatie vergaard over de registratie van de vertaalrechten bij de Commissie voor Vertaalrecht. Op die manier heeft hij de volgende belangwekkende feiten ontdekt: in 1884 heeft A. Rössing, de uitgever van Schuld en boete, de vertaling Raskolnikow (1882) van Wilhelm Henckel aangemeld; in 1885 heeft C.L. Brinkman, de vertaler van De misleide, de vertaling Erniedrigte und Beleidigte (1884) van Konst. Jürgens aangemeld; in 1887 heeft A. Rössing, de uitgever van Arme menschen, de in Dresden-Leipzig bij Minden uitgegeven vertaling Arme Leute (1887) aangemeld; A. Rössing, de uitgever van De onderaardsche geest, heeft in 1887 het voornemen geuit om L’esprit souterrain uit te geven; J.H. van Balen, de uitgever van De speler, heeft in 1890 de in Berlijn uitgegeven vertaling Der Spieler, Roman. Aus dem Russischen. aangemeld; in 1887 heeft A. Rössing Aus dem todten Hause aangemeld, wat volgens Kingma (1981: 159) de brontekst kan geweest zijn van het door Warendorf uitgegeven Uit Siberië; in 1906 heeft de Firma Cohen Zonen, de uitgeverij van Uit het doodenhuis, de vertaling Erinnerungen aus dem todten Hause van L.A. Hauff aangemeld; in 1906 heeft Simon A. Maas, één van de uitgevers van Witte nachten, het werk ‘F.M. Dostojefskiej, Witte nachten (In het Russisch). St. Petersburg, 1894’ aangemeld.
Bij slechts drie vertalingen van het DT-corpus heeft Kingma (1981) geen potentieel relevante informatie kunnen vergaren over de registratie van de vertaalrechten: Arme Nelly, De echtgenoot en De gebroeders Karamazow. Dat de laatstgenoemde titel vertaald is uit het Frans, wordt vermeld door Waegemans & Willemsen (1991) en Kingma (1981). Zij baseren zich daarbij allicht op de inlichtingen die verstrekt worden op de titelpagina’s van latere drukken (zie afbeelding 6). Over de genealogie van Arme Nelly is daarentegen enkel bekend dat het een vertaling is van Unižennye i oskorblënnye. De echtgenoot is een nog obscuurder geval. Waegemans & Willemsen (1991: 161) beschouwen het als een vertaling van Revnivyj muž (De jaloerse man), waarmee bij zijn eerste verschijnen in 1848 het tweede deel van het kortverhaal Čužaja žena i muž pod krovat’ju werd aangeduid. Ze situeren deze publicatie echter verkeerdelijk in 1870, wat het publicatiejaar is van Večnyj muž. Kingma (1981: 161) daarentegen meent dat De echtgenoot een vertaling is van Večnyj muž, wat bij vergelijking tussen beide teksten ook blijkt te kloppen.
Afbeelding 6. De titelpagina van De gebroeders Karamazow (3e druk)
De door Kingma verstrekte inlichtingen suggereren dat van het DT-corpus één tekst, namelijk Witte nachten, rechtstreeks vertaald is uit het Russisch, dat twee teksten, namelijk De onderaardsche geest en De gebroeders Karamazow, vertaald zijn uit het Frans, dat zes teksten, namelijk Schuld en boete, Arme menschen, De speler, Uit Siberië en Uit het doodenhuis uit het Duits zijn vertaald, terwijl de genealogie van Arme Nelly en De echtgenoot volstrekt onbekend blijft. Over de vertaling Een misdaad – Wroeging deelt Kingma helemaal niets mee; deze vertaling was hem kennelijk onbekend. Belangrijk is dat de inlichtingen die Kingma wel verstrekt het mogelijk maken om een min of meer precies bibliografisch profiel op te stellen van de teksten waaruit verscheidene doelteksten naar alle waarschijnlijkheid resulteren. Om teksten te vinden die aan de respectieve profielen beantwoorden werden verschillende bibliografieën[13] en catalogi van binnen- en buitenlandse bibliotheken geraadpleegd. Benadrukt moet worden dat teksten die aan de respectieve profielen beantwoorden niet noodzakelijk daadwerkelijk gefungeerd hebben als brontekst. Het is immers mogelijk dat een uitgever de rechten voor een bepaalde vertaling claimt, maar dat de vertaler niettemin beslist om – al dan niet complementair – van een andere brontekst gebruik te maken.
Een hoge graad van zekerheid over de genealogie van de Nederlandse Dostoevskij-vertalingen kan slechts bereikt worden door deze doelteksten, de potentiële intermediaire teksten en de Russische bronteksten exhaustief met elkaar te vergelijken op een macro-structureel en microtekstueel niveau. Pas wanneer een doeltekst en een potentiëel intermediaire tekst systematisch analoge verschuivingen vertonen ten opzichte van de brontekst, mag worden aangenomen dat er inderdaad een genealogische band bestaat tussen de betreffende teksten. Het op basis van dit principe gevoerde genealogisch onderzoek wordt hieronder geval per geval toegelicht. De doelteksten worden daarbij onderverdeeld in vier categorieën: rechtstreekse vertaling uit het Russisch, vertaling exclusief via het Duits, vertaling via het Duits met oppervlakkige Franse invloed, vertaling via het Frans én het Duits, en vertaling exclusief via het Frans.
Slechts één vertaling van het DT-corpus blijkt een rechtstreekse vertaling uit het Russisch te zijn. Het gaat om Witte nachten, vertaald door Zadok Stokvis. Het is de combinatie van drie redenen die het aannemelijk maakt dat deze doeltekst tot stand is gekomen zonder de bemiddeling van een derde taal of intermediaire tekst. Ten eerste vermeldt de titelpagina van Witte nachten expliciet dat de tekst vertaald is ‘uit het Russisch’, wat in het gegeven DT-corpus uniek is. Ten tweede heeft de uitgever in 1906, het jaar waarin Witte nachten werd gepubliceerd, de rechten geclaimd van de overeenkomstige Russische brontekst, Belye noči, en niet van een vertaling hiervan. Ten derde blijkt uit de biografie van Z. Stokvis dat hij het Russisch voldoende beheerste om hieruit rechtstreeks te vertalen.[14] Overigens was hij niet aan zijn proefstuk toe, wat de kans dat hij andere vertalingen als hulpmiddel gebruikte aanzienlijk verkleint.
Het enige werk dat voldoet aan de beschrijving ‘Arme Leute, Dresden-Leipzig, [Minden], 1887’, dat door A. Rössing aangemeld werd voor vertaling, is de vertaling Arme Leute van L.A. Hauff. De hypothese dat deze Duitse vertaling gefungeerd heeft als brontekst voor Arme menschen wordt bevestigd door steekproeven. Zo heeft de Nederlandse vertaler het woord ‘голубчик’ (duifje) op precies dezelfde manier vertaald als de Duitse vertaler (zie fragment 1). Aangenomen mag worden dat geen andere intermediaire teksten gebruikt werden, aangezien tijdens een exhaustieve vergelijking van doeltekst, intermediaire tekst en brontekst geen enkele passage is gevonden die de exclusiviteit van de geponeerde genealogische band in twijfel trekt.
Fragment 1. Arme mensen
| И как же мне досадно было, голубчик мой, что миловидного личика-то вашего я не мог разглядеть хорошенько![15] (III: 13) | Wie war es mir traurig Golubtschik, (mein Täubchen), dass ich Ihr niedliches Gesichtchen nicht deutlich erkennen konnte! (Arme Leute 1887: 2) | Hoe treurig maakte het mij, Golubtschik! (mijn duifje), dat ik uw lief gezichtje niet duidelijk kon onderscheiden! (Arme menschen 1887: 2) |
Van de vermoedelijke brontekst van De speler heeft Kingma (1981) slechts de titel en de plaats van publicatie kunnen achterhalen: ‘F.M. Dostojewski, Der Spieler, Roman. Aus dem Russischen. Berlin’. Aangezien de Nederlandse doeltekst gepubliceerd werd in 1890, moet er gezocht worden naar een Duitse vertaling die voor of in dit jaar gepubliceerd werd. De catalogus van de Berlijnse Staatsbibliotheek bevat één werk dat aan de criteria voldoet: Der Spieler. Aus den Erinnerungen eines jungen Mannes, gepubliceerd in 1890 bij Otto Janke te Berlijn. Enkele steekproeven maken snel duidelijk dat deze vertaling inderdaad gefungeerd heeft als brontekst voor De speler. Met name de woordkeuze en de sterk vereenvoudigde syntaxis van de Duitse en de Nederlandse teksten vertonen een gelijkenis die niet door toeval verklaard kan worden (zie fragment 2). Een exhaustieve vergelijking van de doeltekst met de intermediaire tekst en de overeenkomstige brontekst, Igrok, op microtekstueel en macrostructureel niveau heeft het bestaan van deze genealogische band bevestigd. Daarbij zijn in de doeltekst geen passages teruggevonden die suggereren dat naast Der spieler nog een andere intermediaire tekst gebruikt werd.
Fragment 2. De speler
| На верхней площадке широкого крыльца отеля, внесенная по ступеням в креслах и окруженная слугами, служанками и многочисленною подобо-страстною челядью отеля, в присутствии самого обер-кельнера, вышедшего встретить высокую посетительницу, приехавшую с таким треском и шумом, с собственною прислугою и с столькими баулами и чемоданами, восседала — бабушка![16] (V: 250) | Auf dem ersten Absatz der breiten Hoteltreppe sass die Grosstante in ihrem Tragstuhl, ungeben von Dienern und Dienerinnen und diensteifrigen Kellnern, sammst dem Oberkellner, welcher gekommen war, um die hohe Fremde zu begrüssen, welche mit solchem Lärm und Halloh ankam und mit eigener Dienerschaft und so viel Gepäck reiste. (Der Spieler 1890: 115) | Op de eerste trede van de breede hoteltrappen zat… de oudtante van den generaal. Zij zat in haar draagstoel en was omringd door hare bedienden en gedienstige kellners, terwijl zelfs de ober-kellner toegesneld was, om de hoge gast, die met zooveel drukte hare intrede deed, die met eigen bedienden reisde en een massa koffers meebracht, te begroeten. (De speler 1890: 99) |
Arme Nelly vormt een obscuur geval, aangezien Kingma (1981) met betrekking tot dit werk geen vertaalrechten heeft teruggevonden. Het bibliografisch adres van dit werk, zoals dit weergegeven wordt in de bibliografie van Waegemans & Willemsen (1991: 159), maakt geen melding van de vertaler. De titelpagina geeft echter ‘Mevr. C.A. La Bastide’ op als vertaalster (zie afbeelding 7). Bovendien staat er vermeld ‘Naar het Russisch’. Deze formule zegt niets over de werkelijke brontaal, maar suggereert eerder dat het om een vrije vertaling of adaptatie gaat van een Russische tekst.
Afbeelding 7. De titelpagina van Arme Nelly
Bij gebrek aan informatie over de vertaalrechten ligt het voor de hand om via de vertaalster meer te weten te komen over de genealogie van Arme Nelly. Over C.A. La Bastide zijn echter geen biografische inlichtingen teruggevonden. Enerzijds kan vermoed worden dat zij uit het Frans vertaalde, aangezien haar naam of pseudoniem Frans klinkt. Anderzijds wordt zij in catalogi van antiquariaten opgegeven als de vertaalster van de volgende vier titels: De Toren van Taddoe van Ouida, De verjongingskuur van juffrouw Semaphore van Hal Godfrey, Een roos van gisteren van F. Marion Crawford en Kleopatra van George Ebers.[17] Aangezien de eerste drie werken vertalingen uit het Engels zijn en het laatstgenoemde werk een vertaling is uit het Duits, kan La Bastide Arme Nelly dus ook uit het Engels of het Duits vertaald hebben.
Bibliografisch onderzoek heeft uitgewezen dat in 1891 vier vertalingen in het Frans, Engels of Duits bestonden van Unižennye i oskorblënnye, die door bibliografen unaniem worden aangeduid als de brontekst van Arme Nelly. Het gaat respectievelijk om Humiliés et offensés (1884), Injury et Insult (1885), Erniedrigte und Beleidigte (1885) en Erniedrigte und Beleidigte (1890). Ieder van deze vertalingen werd steekproefsgewijs op verschillende niveaus, inclusief woordkeuze en syntaxis, vergeleken met enerzijds de Russische brontekst en anderzijds de Nederlandse doeltekst.[18] Daarbij was de meest recente Duitse vertaling, Erniedrigte und Beleidigte (1890), de enige tekst die systematisch gelijkaardige verschuivingen vertoonde jegens de brontekst als Arme Nelly (zie fragment 3). De hypothese dat C.A. La Bastide enkel deze titel gebruikt heeft als intermediaire tekst, werd bij exhaustief vergelijkingsonderzoek niet ontkracht.
Fragment 3. Arme Nelly
| Батюшка, Иван Петрович, рассказывай поскорее: куда он ходил?[19] (III: 215) | Wanja, erzähle mir schnell, wohin war er gegangen? (Erniedrigte und Beleidigte 1890: 5) | Vertel me eens gauw, Wanja, waar hij naar toe is geweest? (Arme Nelly 1891: 56) |
Net als Uit Siberië, dat in 1891 uitgegeven werd bij S. Warendorf, wordt Uit het doodenhuis, dat in 1906 verscheen bij Cohen Zonen, door bibliografen geïdentificeerd als een vertaling van Zapiski iz mërtvogo doma. Een vergelijking van beide doelteksten maakt duidelijk dat het wel degelijk om twee verschillende vertalingen gaat. Aangezien Kingma (1981: 160) ontdekte dat Cohen Zonen in 1906 de vertaalrechten claimde van Erinnerungen aus dem todten Hause van L.A. Hauff, ligt het voor de hand te veronderstellen dat een vertaling met een dergelijke titel gebruikt werd als brontekst. Bij nader inzien blijkt echter dat L.A. Hauff de vertaler is van Aus dem todten Hause, en niet van Erinnerungen aus dem todten Hause. Zijn vertaling werd in 1890 uitgegeven bij Otto Janke te Berlijn.[20] Dat M. Faassen, de vertaler van Uit het doodenhuis, de vertaling van L.A. Hauff als brontekst gebruikt heeft, valt gemakkelijk aan te tonen. Qua hoofdstukindeling wijkt de doeltekst namelijk op precies dezelfde wijze als Aus dem todten Hause af van het Russisch origineel: hij bestaat uit een inleiding en éénentwintig hoofdstukken, terwijl Zapiski iz mërtvogo doma bestaat uit twee delen, waarvan het eerste deel een inleiding en tien hoofdstukken en het tweede deel elf hoofdstukken bevat. Steekproeven op microtekstueel niveau bevestigen de genealogische relatie (zie fragment 4). Exhaustief vergelijkend onderzoek tussen Uit het doodenhuis, Aus dem todten Hause en Zapiski iz mërtvogo doma doet niet uitschijnen dat er nog een tweede intermediaire tekst in het spel is geweest.
Fragment 4. Uit het doodenhuis
| Полгода перед этим получил он известие, что бывшая его жена вышла замуж, и крепко запечалился.[21] (IV: 10) | Ein halbes Jahr vorher hatte er Nachricht erhalten, dass seine frühere Frau wieder geheirathet hatte*) under grämte sich sehr darüber.
_____ *) Der zur Zwangsarbeit Verurtheilte gilt für bürgerlich todt und seine Ehe daher für gelöst. (Aus dem todten Hause 1890: 7) |
Een half jaar te voren had hij bericht ontvangen, dat z’n vroegere vrouw weder gehuwd was1) en was daarover zeer ontstemd.
_____ I) De tot dwangarbeid ver-oordeelde geldt voor burgerlijk dood en z’n huwelijk dientengevolge voor ontbonden. (Uit het doodenhuis 1906: 9) |
Aangezien Kingma (1981: 161) niets heeft kunnen terugvinden over de vertaalrechten van De echtgenoot, moet de genealogie van dit werk via een andere weg ontsluierd worden. De titelpagina vermeldt als vertaler M. Faassen, die in 1906 Uit het doodenhuis vertaald had via het Duits. Dit legitimeert de veronderstelling dat ook De echtgenoot via het Duits is vertaald. Op het ogenblik dat deze titel verscheen, bestond volgens Bautz van de overeenkomstige brontekst, Večnyj muž, slechts één Duitse vertaling: Der Hahnrei (1888) van August Scholz. Een exhaustieve vergelijking van De echtgenoot met dit werk, gepubliceerd bij Fischer Verlag te Berlijn, en de Russische tekst bevestigt de veronderstelde genealogische relatie (zie fragment 5). Evenmin als bij de hierboven behandelde vertalingen doken daarbij passages op die slechts verklaard kunnen worden door het gebruik van een tweede intermediaire tekst.
Fragment 5. De echtgenoot
| Супруга вспыхнула и злобно сверкнула на него глазами, очевидно за «Липочку».[22] (IX: 109)
|
Die Gemahlin fuhr auf und ihn mit zornfunkelden Augen an, offenbar deshalb, weil er sie vor dem Fremden nicht bei ihrem stolzen Namen Olympia, sondern schlechtweg Lipotschka nannte. (Der Hahnrei 1888: 245) | Z’n echtgenote keek ontsteld op en mat hem met van toorn vonkelende blikken, blijkbaar om deze reden, dat hij haar tegenover z’n vriend niet bij haar trotschen naam Olympia, doch eenvoudigweg Lipotschka noemde. (De echtgenoot 1907: 142) |
Dat Schuld en boete, de allereerste Nederlandse vertaling van Dostoevskij, teruggaat op de Duitse vertaling Raskolnikow (1882) is goed bekend. In hun bibliografie vermelden Waegemans en Willemsen (1991: 171) deze genealogische relatie expliciet, hoewel ze zich bij andere Nederlandse vertalingen van Dostoevskij beperken tot het meedelen van de brontaal. Allicht is deze bibliografische opgave te danken aan de ontdekking van Kingma (1981: 155) dat A. Rössing reeds in 1884 de vertaalrechten claimde van Henckels vertaling. Dat Petros Kuknos inderdaad Raskolnikow gebruikt heeft als brontekst, kan gemakkelijk aangetoond worden aan de hand van steekproeven (zie fragment 6).
Fragment 6. Schuld en boete
| Из яств, кроме кутьи, было три-четыре блюда (между прочим, и блины), всё с кухни Амалии Ивановны.[23] (VI: 291)
|
Von Speisen, ausser der Kutja (dem Reisgericht, welches bei einer Todtenfeier obligatorisch ist), noch drei bis vier Gerichte, alle aus der Küche von Amalie Iwanowna (unter Andern auch Blinny) (Raskolnikow 1882 II: 35-6) | Van spijzen, behalve de Kutja (het gerecht van rijst, verplichtend bij een lijkfeest), nog drie tot vier gerechten, alle uit de keuken van Amalia Iwanowna (onder andere ook Blinny) (Schuld en boete 1882 II: 26) |
Dat Schuld en boete over de hele lijn een vertaling is van Raskolnikow, wordt ondersteund door de licentiaatsverhandeling van De Mesel (2004), die een exhaustieve vergelijking heeft doorgevoerd tussen de Nederlandse doeltekst, de Duitse intermediaire tekst en de Russische brontekst. Het ontsnapt echter aan zijn aandacht dat in het allerlaatste hoofdstuk van Schuld en boete een passage voorkomt die de exclusiviteit van de geponeerde genealogische relatie in twijfel trekt (zie fragment 7): waar Henckel het woord ‘матушка’ (moedertje) vertaalt als ‘Mütterchen’, heeft Petros Kuknos bij wijze van vertaling het Russische woord getranscribeerd als ‘Matouchka’. Het feit dat dit leenwoord in Raskolnikow nergens voorkomt, wekt het vermoeden dat de Nederlandse vertaler nog een andere vertaling op zijn werktafel had liggen, althans op een bepaald moment. Deze hypothese wordt bevestigd door de passage in kwestie te vergelijken met de Franse vertaling Le crime et le châtiment, waaraan Nederlandse critici veel vaker refereerden dan aan Raskolnikow.[24] De Franse vertaler heeft ‘матушка’ namelijk eveneens vertaald als ‘Matouchka’. De kans dat hier sprake is van toeval is verwaarloosbaar klein, aangezien de transcriptie identiek is. De rest van de Nederlandse zin lijkt wel vertaald te zijn uit het Duits. Andere onmiskenbare voorbeelden van Franse interferentie zijn niet teruggevonden.
Fragment 7. Schuld en boete
|
«Матушка, Софья Семеновна, мать ты наша, нежная, болезная!»[25] (VI: 419) |
“Mütterchen Sophie Ssemjonowna, du unser herziges, barmherziges Mütterlein!” [Raskolnikow 1882 III: 301]
«Matouchka, Sophie Séménovna, tu es notre mère tendre et bien-aimée !» (Le crime et le châtiment 1884 II: 302) |
“Matouchka, Sophia Semjonowna, ons goed en lief moedertje!” (Schuld en boete 1885 III: 246) |
De vaststelling dat Kuknos Le crime et le châtiment geraadpleegd heeft bij het vertalen van Schuld en boete, die enkel mogelijk was dankzij een nieuwe exhaustieve vergelijking van de betreffende Russische, Duitse en Nederlandse teksten, ondersteunt twee eerder geformuleerde hypotheses. Ten eerste dat het Franse succes van Prestuplenie i nakazanie van tel was bij zijn selectie voor Nederlandse vertaling. Ten tweede dat de titel Schuld en boete, die afwijkt van Raskolnikow, teruggaat op Le crime et le châtiment.
Van het werk dat Brinkman, de uitgever van De misleide, in 1885 aanmeldde bij de ‘Commissie Vertalings-Recht’ verstrekt Kingma (1981: 157) een gedetailleerd bibliografisch profiel, waaraan één Duitse vertaling beantwoordt, met dat verschil dat het niet in 1884, maar in 1885 gepubliceerd werd: het door Konstantin Jürgens ingeleide en vertaalde Erniedrigte und Beleidigte. Over het feit dat deze vertaling dienst heeft gedaan als brontekst, getuigen steekproeven op microtekstueel niveau (zie fragment 8). Een exhaustieve vergelijking van De misleide met Erniedrigte und Beleidigte en Unižennye i oskorblënnye, de overeenkomstige Russische brontekst, bevestigt de veronderstelde genealogische relatie over vrijwel de hele lijn.
Fragment 8. De misleide
| Я взял франкфуртскую газету, прочел две строки и задремал.[26] (III: 172) | Ich nahm die “Frankfurter Zeitung”, las ein paar Zeilen und schlummerte ein. (Erniedrigte und Beleidigte 1885: 10) | Ik nam de Frankfurter Zeitung op, maar, nadat ik een paar regels gelezen had, sluimerde ik in. (De misleide 1886: 6) |
Er zijn in De misleide echter enkele passages te vinden die toelaten te veronderstellen dat de anonieme Nederlandse vertaler ook enkele malen de in Frankrijk zeer succesvolle vertaling Les humiliés et offensés geconsulteerd heeft. Het meest overtuigende geval is het volgende. Waar de Russische tekst ‘рублевая бумажка’ (een roebelpapiertje) vermeldt, heeft de Duitse vertaler het gewoon over ‘ein Rubel’. Niettemin is in de Nederlandse tekst de adequatere vertaling ‘een papieren roebel’ terechtgekomen. Deze vaststelling laat zich verklaren door de invloed van de Franse vertaling, aangezien hierin sprake is van ‘un rouble en papier’ (zie fragment 9).
Fragment 9. De misleide
|
Но ему показалось мало; он достал портмоне, и, вынув из него рублевую бумажку, – всё, что там было, – положил деньги в руку маленькой нищей.[27] (III: 212-3) |
Es schien ihm aber noch zu wenig, er griff nach seinem Taschenbuche, nahm einen Rubel – alles, was sein Taschenbuch enthielt – und drückte ihn der kleinen Bettlerin in die Hand. (Erniedrigte und Beleidigte 1885: 50)
Mais cela lui parut trop peu, il tira de son portemonnaie un rouble en papier, tout ce qu’il contenait, et le mit dans la main de la mendiante. (Les humiliés et offensés 1884: 62) |
Dat scheen hem echter nog te weinig, want eensklaps haalde hij zijne portefeuille uit den borstzak, nam er een papieren roebel uit, den eenigen, die er in te vinden was, en drukte dien de kleine bedelaarster in de hand. (De misleide 1886: 71)
|
De mededeling van Kingma (1891) met betrekking tot Uit Siberië dat in 1887 de vertaalrechten gereserveerd werden van Aus dem todten Hause, legitimeert de veronderstelling dat de anonieme Nederlandse vertaler gebruik heeft gemaakt van een Duitse vertaling die in dat jaar of eerder gepubliceerd werd onder de genoemde titel. Aangezien Aus dem todten Hause vertaling van L.A. Hauff pas verscheen in 1890, komt deze vertaling niet in aanmerking als potentiële intermediaire tekst. In 1887 waren wel de volgende twee Duitse vertalingen van Zapiski iz mërtvogo doma beschikbaar: het in 1864 gepubliceerde Aus dem todten Hause. Nach dem Tagebuche eines nach Sibirien Verbannten en het in 1886 gepubliceerde Aus dem
todten Hause. Denkwürdigkeiten eines nach Sibirien Verbannten.[28] Het ligt voor de hand om bij wijze van werkhypothese te veronderstellen dat de laatstgenoemde titel als brontekst werd gebruikt om twee redenen. Ten eerste omdat het de meest recente vertaling van de twee is. Ten tweede omdat de andere vertaling geen grote verspreiding had gekend, maar integendeel door de uitgever, Gerhard, als oud papier was verkocht.[29]
Op basis van steekproeven in de eerste hoofdstukken ontstaat de indruk dat Uit Siberië inderdaad simpelweg een vertaling is van Aus dem todten Hause, zoals men op basis van de door Kingma (1981) vergaarde inlichtingen geneigd is aan te nemen. Zo bevat de Nederlandse tekst analoge voetnoten als de Duitse tekst, onder andere ter toelichting van realia (zie fragment 10). Een exhaustieve vergelijking tussen Uit Siberië, Aus dem todten Hause en Zapiski iz mërtvogo doma maakt deze veronderstelling echter onhoudbaar: met grote regelmaat duiken in de doeltekst zinnen op die op een of ander aspect adequater vertaald zijn ten opzichte van de brontekst dan de Duitse vertaling.
Fragment 10. Uit Siberië
| Мыло продавалось тут же, в передбаннике, вместе с сбитнем, калачами и горячей водой.[30] (IV: 97) | Seife wurde hier in der Vorbadstube zusammen mit Sbiten,*) Semmeln und heissem Wasser verkauft.
_____ *) Getränk aus Wasser, Honig und Lorbeerblättern, oder Salbei, das von den niederen Klassen als Thee getrunken wird. D. Ueber. (Aus dem todten Hause 1886: 164-5) |
Dat Zeep, sbiten1), zemelen en heet water wordt in de voorbadkamer verkocht.
_____ 1) Drank bestaande uit water, honig en laurierbladen, of salie dat bij de mindere standen als thee gedronken wordt. (Uit Siberië 1891: 192) |
Ook in dit geval wordt het enigma pas opgelost door de toen wijdverspreide Franse vertaling van de betreffende brontekst naast de Nederlandse vertaling te leggen. In tegenstelling tot Schuld en boete en De misleide is de invloed van de gebruikte Franse vertaling, hier Souvenirs de la maison des morts (1886), bij Uit Siberië eerder regel dan uitzondering. De hoofdstukken waarin geen Franse invloed kon worden vastgesteld, beperken zich tot de inleiding, hoofdstukken I-III en VI-IX van het eerste deel en hoofdstuk II van het tweede deel. De overige twaalf hoofdstukken zijn op macrostructureel niveau en op microtekstueel niveau onmiskenbaar schatplichtig aan Souvenirs de la maison des morts. De laatste twee hoofdstukken van Uit Siberië, hoofdstuk IX en X van het tweede deel, lijken zelfs hoofdzakelijk tot stand gekomen te zijn via deze Franse vertaling (zie bijvoorbeeld fragment 11).
De ontdekking van Kingma (1981: 158) dat A. Rössing, de uitgever van het in 1888 gepubliceerde De onderaardsche geest, in 1887 het voornemen geuit heeft om een vertaling van L’esprit souterrain uit te geven, legitimeert de veronderstelling dat de Nederlandse tekst op dit werk teruggaat. Dostoevskij heeft echter nooit een verhaal of roman met een dergelijke titel geschreven. Semantisch komt Zapiski iz podpol’ja het dichtst in de buurt. Wellicht om die reden wordt dit werk door bibliografen als Kingma (idem) en Waegemans & Willemsen (1991: 168) aangewezen als de overeenkomstige Russische brontekst van De onderaardsche geest. Boutchik (1934: 55) beweert hetzelfde met betrekking tot L’esprit souterrain, de vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice die in 1886 bij Plon gepubliceerd werd. Terwijl dit werk zichzelf presenteert als een inadequate vertaling, door vermelding op de titelpagina van de woorden ‘traduit et adapté’, ontbreekt op de titelpagina van de Nederlandse vertaling een dergelijke vermelding.
Fragment 11. Uit Siberië
|
В этот год в одном углу форштадта только что начинала свое поприще одна молодая и весьма пригожая девица, по прозвищу Ванька–Танька[31] (IV: 222)
|
Cette année–la, une jeune demoiselle de conduite légère, d’extérieur très agréable, nommée Vanika-Tanika, venait de s’établir dans un coin du faubourg (Souvenirs de la maison des morts 1886: 342)
In diesem Jahre hatte soeben in einem Winkel der Vorstadt ein junges und sehr hübsches Mädchen, mit Zunamen Wanka-Tanka, ihre Laufbahn begonnen (Aus dem todten Hause 1886: 395) |
Dat jaar had zich een jonge dame, van zeer lichtzinnig gedrag, in een verwijderd gedeelte van de voorstad metterwoon gevestigd, zij heette Vanika-Fanika [sic] en zag er allerliefst uit. (Uit Siberië 1891: 196)
|
Een exhaustieve vergelijking van bron-, veronderstelde intermediaire en veronderstelde doeltekst, levert een merkwaardige bevinding op. De onderaardsche geest blijkt wel een vertaling te zijn van L’esprit souterrain, maar deze teksten verschillen beide grondig van Zapiski iz podpol’ja. Zo wordt in de eerste zin van de Nederlandse en van de Franse vertaling het personage Ordinov opgevoerd, terwijl in Zapiski iz podpol’ja nergens een personage met een dergelijke naam voorkomt. De held van Chozjajka daarentegen heet Ordynov. De eerste zin van dit pre-Siberische verhaal komt overeen met die van de Nederlandse en de Franse vertaling (zie fragment 12).
Fragment 12. De onderaardsche geest
| Ордынов решился наконец переменить квартиру.[32] (I: 264) | Ordinov se décida enfin à changer de chambre. (L’esprit souterrain 1886: 1) | Ordinov besloot eindelijk een andere kamer te gaan zoeken. (De onderaardsche geest 1888: 1) |
Uit een exhaustieve vergelijking van alle betrokken teksten blijkt dat de vertalers van L’esprit souterrain twee werken van Dostoevskij hebben samengesmolten tot één: Chozjajka, dat het eerste deel van de vertaling uitmaakt (p. 1-151), en Zapiski iz podpol’ja, dat min of meer overeenkomt met het tweede deel (p. 156-298). In het begin van het tweede deel hebben de vertalers een overgangsfragment ingevoegd (p. 153-6), dat ontsproten is aan hun eigen fantasie.[33] In de Nederlandse doeltekst neemt de vertaling van Chozjajka 140 pagina’s in beslag, en de vertaling van Zapiski iz podpol’ja (p. 144-270) 126 pagina’s. De ingepaste overgangspassage is verspreid over pagina’s 141-4. Men kan dus met recht zeggen dat De onderaardsche geest en L’esprit souterrain zowel chronologisch als kwantitatief in de eerste plaats vertalingen zijn van Chozjajka en dan pas van Zapiski iz podpol’ja.[34]
Met betrekking tot de Franse vertaling is deze ontdekking niet nieuw: uit nader onderzoek blijkt dat in de afgelopen eeuw verscheidene auteurs hierop hebben gewezen, zoals Minssen (1933: 16), Gesemann (1961: 132), Miller (1973) en Luft & Stenberg (1991: 441). Grote weerklank hebben ze echter niet gekregen, wat kenmerkend is voor het belang dat tot voor enkele decennia aan vertaalonderzoek werd toegekend. Zo zijn met gemak latere publicaties te vinden waarin de tweeledige natuur van L’esprit souterrain wordt veronachtzaamd.[35] Met betrekking tot De onderaarsche geest is de genealogische ontdekking daarentegen wel radicaal nieuw, aangezien de genealogie van deze vertaling nog nooit eerder onderzocht was. Vandaar dat Kingma (1981: 165) en Waegemans & Willemsen (1991: 165) vermelden dat de eerste vertaling van Chozjajka pas gepubliceerd werd in 1923, onder de titel De jonge hospita.
Zoals de titelpagina van de 1917-uitgave van De gebroeders Karamazow aangeeft (zie afbeelding 6), is dit werk tot stand gekomen via het Frans. Bibliografen, zoals Boutchik (1934: 52), geven aan dat in 1913, toen de eerste boekuitgave van de Nederlandse vertaling verscheen, twee verschillende Franse vertalingen bestonden van Brat’ja Karamazovy: Les frères Karamazov (1888) van Halpérine-Kaminsky en Morice, en Les frères Karamazov (1906) van Bienstock en Torquet. De veronderstelling ligt voor de hand dat de vertaalster Anna van Gogh-Kaulbach zich baseerde op de meest recente vertaling. Steekproeven suggereren echter dat De gebroeders Karamazow zowel via de vertaling van Bienstock en Torquet (fragment 13) als via die van Halpérine-Kaminsky (fragment 14) tot stand is gekomen.
Fragment 13. De gebroeders Karamazow
|
в комнате заметны были некоторые перемены: одна из боковых лавок была вынесена, и на место ее явился большой старый кожаный диван под красное дерево. На нем была постлана постель с довольно чистыми белыми подушками. На постели сидел Смердяков всё в том же своем халате.[36] (XV: 58) |
Il y avait quelques changements dans la chambre: on avait substitué à l’un des bancs un grand divan recouvert de cuir avec des oreillers. Smerdiakov, toujours vêtu de sa vieille robe de chambre, se tenait assis sur le divan. (Les frères Karamazov 1888 II: 161)
Sur un lit assez propre, le laquais était assis, vêtu de sa robe de chambre ouatée. (Les frères Karamazov 1906: 407) |
Op een vrij zindelijk bed zat Smerdiakov, gekleed in zijn versleten kamerjapon. (De gebroeders Karamazow 1913: 330) |
Fragment 14. De gebroeders Karamazow
|
Проговорил Смердяков хоть и не спеша и обладая собою по-видимому, но уж в голосе его даже послышалось нечто твердое и настойчивое, злобное и нагло-вызывающее. Дерзко уставился он в Ивана Федоровича, а у того в первую минуту даже в глазах зарябило: – Как? Что? Да ты в уме али нет?[37] (XV: 51) |
Smerdiakov prononça ces paroles avec le plus grand calme. Il était maître de lui; son ton avait même quelque chose d’insolent.
– Comment? Quoi? Es-tu fou? (Les frères Karamazov 1888 II: 154)
Il regardait Ivan d’un air provocant. – Non, mais es-tu fou? (Les frères Karamazov 1906: 402) |
Smerdiakow sprak deze woorden met de grootste kalmte uit. Hij was meester over zichzelf; zijn toon had zelfs iets beleedigends. “Wat? Maar ben je krankzinnig?” (De gebroeders Karamazow 1913: 326) |
Een exhaustieve vergelijking tussen doeltekst, beide Franse intermediaire teksten en de brontekst, bevestigt de gesuggereerde tweeledigheid van De gebroeders Karamazow. Naar schatting 85% van deze tekst lijkt hoofdzakelijk een vertaling te zijn van Les frères Karamazow (1906). Het betreft pagina’s 1-324, 326-30, 360-72, 379-403 en 415-7. Voor de pagina’s 325, 331-59, 373-8 en 418-42 was Les frères Karamazow (1888) de belangrijkste brontekst. Op een groot aantal plaatsen in de Nederlandse doeltekst vindt men echter voorbeelden van interferentie van beide Franse vertalingen binnen één en dezelfde alinea.
De ontdekking dat De gebroeders Karamazow een amalgaam is van twee verschillende Franse vertalingen kwam exclusief tot stand door vergelijkend vertaalonderzoek. Intussen is echter paratekstuele evidentie aan het licht gekomen: de eerder besproken brief waarmee Van Gogh-Kaulbach (1914) repliceerde op de aanval van Stokvis (1914) in De Amsterdammer.
Tot slot dient hier ook Een misdaad – Wroeging besproken te worden, de vertaling waarvan Kingma (1981) geen melding maakt, maar die opgemerkt werd door Waegemans & Willemsen (1991) en zich in de privécollectie van de laatste bevindt. De schrijfwijze van de naam van de auteur op de titelpagina, ‘F. Dostoievsky’, doet meteen vermoeden dat het om een vertaling uit het Frans gaat. Hetzelfde geldt voor de eigennamen van de personages. Bij vergelijking met Le crime et le châtiment van Victor Derély blijkt dat deze hypothese klopt: de anonieme Nederlandse vertaler heeft zich onmiskenbaar op deze Franse tekst gebaseerd, waarover de talrijke gelijklopende schrijfwijzes, woordkeuzes en voetnoten in beide teksten getuigen (zie bijvoorbeeld fragment 15).
Recentelijk publiceerde de Duitse emeritus hoogleraar in de slavistiek Rainer Grübel (2008) in de bundel Eén of twee Nederlandse literaturen? een studie waarin hij de receptie van Dostoevskij in enerzijds Nederland en anderzijds Vlaanderen met elkaar poogt te vergelijken. Dit met de uiteindelijke bedoeling om in diachroon perspectief te peilen naar de mate waarin de literatuur in Vlaanderen en die in Nederland van elkaar verschillen. Ter ondersteuning van zijn stelling, die gezien de gebrekkige argumentatie aan intuïtie ontsproten lijkt te zijn, dat de Nederlandse literatuur Dostoevskij gedurende minstens een halve eeuw ‘ten dele gemeenschappelijk met de
Fragment 15. Een misdaad
| Это был молодой парень в кафтане, с бородкой, и с виду походил на артельщика.[38] (VI: 93) | C’était un garçon à la barbe naissante, vêtu d’un cafetan et paraissant ête un artelchtchik1.
––– 1 Membre d’une association d’ouvriers ou d’employés. (Le crime et le châtiment 108) |
Het was een jongmensch met een vlasbaard; hij had een kaftan aan, en scheen een artelchtchik (1) te zijn.
–––– 1) Artelchtchik, lid van een vakvereeniging van arbeiders of bedienden. (Een misdaad 140) |
Duitse (en in mindere mate met de Engelse) literatuur’[39] recipieerde, voert hij als hoofdargument aan dat ‘de vroegste uitgaven van Dostoevskijs proza’, hoofdzakelijk doelend op de publicaties voor de Eerste Wereldoorlog, volgens ‘empirisch onderzoek’ vertaald zijn uit het Duits.[40] Nadat hij deze veralgemenende uitspraak heeft geillustreerd met enkele voorbeelden, zoals Schuld en boete (1885), poneert hij dat in nota bene heel de Nederlandse receptiegeschiedenis ‘uit het Frans […] maar één titel [van Dostoevskij] in het Nederlands [is] vertaald’, namelijk De gebroeders Karamazow (1913). Ondanks de omvangrijke bibliografie die bij deze studie hoort, worden geen bronnen opgegeven voor deze schijnbaar revelerende kwantitatieve data, die zogezegd de vrucht zijn van empirisch onderzoek. Het is dan ook niet te achterhalen wie dit onderzoek heeft gevoerd, laat staan volgens welke methodologie.
Ironisch genoeg prijst Grübel (2008: 49) de bibliografische studie van Kingma (1981) als een bron die voor zijn onderzoek ‘onmisbaar’ was. Indien hij deze ook aandachtig had geconsulteerd, dan zou hij opgemerkt hebben dat hierin op basis van de vertaalrechten nog een andere Nederlandse uitgave van Dostoevskij naar voren geschoven wordt als een vertaling uit het Frans: De onderaardsche geest (1888). Al volstaat een dergelijke bibliografische aanwijzing niet om met een aan zekerheid grenzende plausibiliteit uitspraken te doen over de genealogie van een doeltekst, zoals gebleken is.
Op basis van het hierboven beschreven empirisch onderzoek komt men tot conclusies die drastisch verschillen van die van Grübel (2008): van het DT-corpus, bestaande uit elf Nederlandse Dostoevskij-vertalingen gepubliceerd voor de Eerste Wereldoorlog, werd één doeltekst rechtstreeks vertaald uit het Russisch, kwamen vijf doelteksten exclusief via het Duits tot stand, blijken twee doelteksten vertalingen uit het Duits met enige sporen van Franse bemiddeling, kwam één doeltekst in min of meer gelijke mate via het Duits als via het Frans tot stand en, tot slot, werden twee doelteksten exclusief uit het Frans vertaald. Bovendien is Een misdaad, dat niet opgenomen is in het DT-corpus, een vertaling uit het Frans gebleken. De concrete genealogische relaties worden grafisch voorgesteld in figuren 3-7. Binnen de specifieke tabellen wordt daarbij de publicatievolgorde behouden van de doel- en intermediaire teksten, maar niet van de bronteksten.[41]
Figuur 3. Onbemiddelde vertaling
| Belye noči | Witte nachten (1906) |
Figuur 4. Duitse bemiddeling
| Bednye ljudi | Arme Leute (1887) | Arme menschen (1887) | ||
| Igrok | Der Spieler (1890) | De speler (1890) | ||
|
Unižennye i oskorblënnye |
Erniedrigte und Beleidigte (1890) |
Arme Nelly (1891) |
||
|
Zapiski iz mërtvogo doma |
Aus dem todten Hause (1890) |
Uit het doodenhuis (1906) |
||
| Večnyj muž | Der Hahnrei (1888) | De echtgenoot (1907) |
Figuur 5. Duitse bemiddeling met enige Franse invloed
| Raskolnikow (1882) | ||||
| Prestuplenie i nakazanie | Schuld en boete (1885) | |||
| Le crime et le châtiment (1884) | ||||
| Les humiliés et offensés (1884) | ||||
| Unižennye i oskorblënnye | De misleide (1886) | |||
| Erniedrigte und Beleidigte (1885) |
Figuur 6. Duitse en Franse bemiddeling
| Aus dem todten Hause (1886) |
|
|||
|
Zapiski iz mërtvogo doma |
|
Uit Siberië (1891) |
||
| Souvenirs de la maison
des morts (1886) |
|
Figuur 7. Franse bemiddeling
| Chozjajka | ||||
| L’esprit souterrain (1886) | De onderaardsche geest (1888) | |||
| Zapiski iz podpol’ja | ||||
|
Prestuplenie i nakazanie |
Le crime et le châtiment (1884) |
Een misdaad (1895) |
||
| Les frères Karamazov (1888) | ||||
|
Brat’ja Karamazovy |
De gebroeders Karamazow (1913) | |||
| Les frères Karamazov (1906) |
Zoals Toury (1995: 134) waarschuwt, ‘the more significant the role of intermediate translation, the more severe the problems involved in establishing the body of texts that should be taken into account’. Aangezien het volledige DT-corpus op één vertaling na tot stand gekomen blijkt via het Frans en/of het Duits, dient het onderzoekscorpus te worden uitgebreid met twee IT-corpora, respectievelijk het Franse en het Duitse. Het Franse IT-corpus bestaat uit vier vertalingen: Souvenirs de la maison des morts, L’esprit souterrain, Les frères Karamazov (1888) en Les frères Karamazov (1906). De vertalingen Le crime et le châtiment en Les humiliés et offensés kunnen praktisch volledig buiten beschouwing gelaten worden, aangezien ze slechts een minimale rol gespeeld hebben in de bemiddeling van respectievelijk Schuld en boete en De misleide, en omdat Een misdaad (1995) niet opgenomen is in het DT-corpus. Het Duitse IT-corpus bestaat uit zeven verschillende vertalingen: Arme Leute, Der Spieler, Der Hahnrei, Aus dem todten Hause, Erniedrigte und Beleidigte (1885) en Erniedrigte und Beleidigte (1890). Tot slot heeft het genealogisch onderzoek ook aan het licht gebracht welke concrete werken van Dostoevskij aan de grondslag liggen van de Nederlandse vertalingen. Het betreft de volgende tien titels, die tezamen het BT-corpus uitmaken: Belye noči, Bednye ljudi, Igrok, Večnyj muž, Zapiski iz mërtvogo doma, Unižennye i oskorblënnye, Prestuplenie i nakazanie, Chozjajka, Zapiski iz podpol’ja en Brat’ja Karamazovy. Het DT-corpus, beide IT-corpora en het BT-corpus bevatten in totaal 26 verschillende Nederlandse, Franse, Duitse en Russische teksten. Hoewel dit neerkomt op vele duizenden pagina’s, is het zinvol en wenselijk om deze allemaal in aanmerking te nemen bij vertaalwetenschappelijk onderzoek naar de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij.
Aangezien slechts één vertaling van het DT-corpus, namelijk Witte nachten, direct tot stand gekomen blijkt, is het legitiem om te concluderen dat de Nederlandse vertaling van Dostoevskij voor de Eerste Wereldoorlog systematisch bemiddeld werd. Een dergelijke vaststelling kan op het eerste gezicht triviaal lijken. Zo verklaart Béghin (2007: 23) in zijn studie van de Turijnse receptie van Russische literatuur het feit dat de eerste Italiaanse uitgaven van Anna Karenina en andere Russische werken vertaald zijn uit het Frans met ‘la scarsa diffusione della lingua russa in Italia’. Daarmee is de zaak wat hem betreft voldoende afgehandeld. Indien men zich als onderzoeker echter wapent met inzichten van de descriptieve vertaalwetenschap, dan kan een vastgestelde bemiddeling op middelgrote of grote schaal aanleiding geven tot een rijk gamma van potentieel zinvolle reflecties. Zoals Ringmar (2007: 4) benadrukt, valt indirecte vertaling namelijk niet altijd en vaak helemaal niet te herleiden tot ‘a mere matter of lacking knowledge of certain source languages’.
De afwezigheid of de onvoldoende beschikbaarheid van vertalers die de Russische taal machtig genoeg waren om hieruit rechtstreeks te vertalen, kan met recht beschouwd worden als één van de oorzaken van de systematische bemiddeling van Dostoevskij voor de Eerste Wereldoorlog. Men moet echter beseffen dat het literaire landschap ten dele gestuurd wordt door het marktmechanisme van vraag en aanbod. Indien bij de ontdekking van Dostoevskij in 1885 uitgeverijen een reële behoefte hadden aan directe vertalingen van zijn proza, dan zou allicht binnen het bestek van enkele jaren tijd een vertaler met de nodige competentie gecontracteerd of desnoods opgeleid zijn. Ook een rechtstreekse duovertaling, waarbij een native speaker van de brontaal en één van de doeltaal samen worden gezet, zoals dit in Frankrijk voorkwam met bijvoorbeeld Halpérine-Kaminsky en Morice of Bienstock en Torquet, zou de lacune kunnen hebben opgevuld. Tenminste tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef indirecte vertaling van Dostoevskij in de praktijk echter de norm.
Bij de analyse van de literaire kritiek in diachroon perspectief is niet gebleken dat de bemiddeling van Dostoevskij problematisch werd bevonden: recensenten die oog hadden voor de bemiddelde status van de vertalingen in kwestie uitten in de regel slechts hun bekommernis om de leesbaarheid van de doeltekst. De vertaler werd niet met de vinger gewezen indien hij uit het Duits vertaalde, zolang hij maar het aantal germanismen binnen de perken hield.[42] Sterker nog, wanneer in 1906 bij wijze van uitzondering een rechtstreekse vertaling van Dostoevskij uit het Russisch verschijnt, namelijk Witte nachten, dan wijst een recensent meteen op de tekortkoming van een dergelijke onderneming: de taalkenmerken van de tekst zouden te dicht bij het Russisch staan.[43] Deze vaststellingen suggereren dat de indirecte vertaling van Dostoevskij niet slechts getolereerd werd binnen de Nederlandse literatuur als systeem, maar zelfs wenselijk werd bevonden.
Zoals Ringmar (2007: 1) herinnert, ‘the constant choice of mediating texts in a dominant language may reinforce the loss of adequacy as a result of ITr [indirect translation]’. De reden hiervoor is dat iedere vertaling, hoe adequaat ook, op een of ander aspect gekenmerkt wordt door equivalentieverlies. Bij het indirecte vertalen komen zowel verschuivingen voor bij het vertalen van BT naar IT als bij het vertalen van IT naar DT. In praktijkgerichte, normatieve werken over vertalen, zoals dat van Langeveld (2008: 12), wordt erop gewezen dat de indirecte vertalingen door deze ‘dubbele verschuivingen […] bijna onvermijdelijk […] nog veel verder van het origineel af staan dan nodig is’. Als zodanig ligt het voor de hand om de vastgestelde tolerantie voor indirecte vertaling te interpreteren als een duidelijke aanwijzing dat de preliminaire norm van adequatie van weinig tel was voor de betrokken vertalers en uitgevers.
Voorzichtigheid is echter geboden bij het trekken van conclusies enkel op basis van vastgestelde bemiddeling. Er zijn namelijk gevallen te vinden waarin uitgeverijen geopteerd hebben voor indirecte vertaling precies omwille van de adequatie. Zo publiceerde uitgeverij Polak & Van Gennep in 1981 een indirecte vertaling van Paul Beers via het Duits en het Frans van Ferdydurke (1937) van de Poolse auteur Witold Gombrowicz, hoewel reeds in 1962 van deze roman een rechtstreekse Nederlandse vertaling van Willem A. Maijer op de markt was gezet door Moussault’s Uitgeverij. Verbazingwekkend genoeg werd met de indirecte vertaling tegemoet gekomen aan de wens van de auteur zelf, die de uitgeverij had aangeschreven met de boodschap ‘de voorkeur te geven aan een goede vertaling naar het Frans en Duits boven een matige uit het Pools’.[44]
Aangezien de Franse intermediaire teksten L’esprit souterrain (1886) en Les frères Karamazov (1888) zichzelf aan het lezerspubliek presenteerden als inadequaat, door vermelding op de titelpagina’s van de woorden ‘traduit et adapté’, is duidelijk dat adequatie geen dominante preliminaire norm was voor de vertalers van de resulterende doelteksten De onderaadsche geest en De gebroeders Karamazow. In dit verband zij opgemerkt dat Anna van Gogh-Kaulbach (1914: 2), toen ze zich door Stokvis gebrandmerkt voelde als ‘bedriegster’, geprobeerd heeft te doen uitschijnen dat ze adequatie wel degelijk hoog in het vaandel droeg: ze verklaarde haar persoonlijk initiatief om naast Les frères Karamazov (1906) van Bienstock en Torquet ook de twee decennia oudere gelijknamige vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice als intermediaire tekst te gebruiken met een streven naar volledigheid. Deze verontschuldiging houdt echter geen steek, aangezien – nogmaals – Les frères Karamazov (1888) zichzelf aandiende als bewerking. Het volgend commentaar van Toury (1995: 66) is hier van toepassing:
Even with respect to the translators themselves, intentions do not necessarily concur with any declaration of intent (which is often put down post factum anyway, when the act has already been completed)
Het geval van de andere Franse en de Duitse intermediaire teksten is minder duidelijk, aangezien deze vertalingen zichzelf niet expliciet presenteren als adaptaties. Ook hier geldt echter dat de Nederlandse vertalers, bij gebrek aan kennis van het Russisch of een onderbouwd oordeel van bijvoorbeeld Dostoevskij zelf, niet over garanties beschikten dat deze vertalingen gekenmerkt werden door een hoge graad van adequatie. Bovendien was het een publiek geheim dat Franse vertalers zichzelf traditioneel een grote vrijheid toestonden. Om deze redenen kan men bezwaarlijk aannemen dat de preliminaire norm van adequatie voorop stond bij het vertalen van Dostoevskij uit het Frans en/of het Duits. Voor Zadok Stokvis, de enige onder de Dostoevskij-vertalers die rechtstreeks uit het Russisch kon vertalen en vertaalde, lijkt deze norm daarentegen wél dominant geweest te zijn. De hypothese dat zijn bekommernis om vertaaladequatie reëel was, wordt ondersteund door de eerder besproken lezersbrief in De Amsterdammer, waarin hij deze expliciet verwoordde.[45]
De (in)directheid van vertaling kan ook op een andere manier gestuurd zijn door preliminaire normen. Zoals Toury (1995: 129) benadrukt, kan het teruggrijpen naar indirecte vertaling significant zijn voor de gehele doelcultuur. Hij pleit ervoor om herhaaldelijke indirectheid te aanvaarden als ‘evidence of the forces which have shaped the culture in question, along with its concept of translation’, in het bijzonder wanneer vaste patronen gedetecteerd kunnen worden. Dit laatste is onmiskenbaar het geval bij de vroege Nederlandse Dostoevskij-vertalingen: zij werden systematisch bemiddeld door Duitse en/of Franse teksten. In polysystemische termen kunnen deze patronen begrepen worden als een aanwijzing dat de Nederlandse literatuur als systeem tenminste tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ondergeschikt was aan zowel de Duitse als de Franse buurliteratuur, die beide een modellerende functie vervulden. Het dominante vertaalconcept in de Nederlandse literatuur kan dan ook verondersteld worden hybride geweest te zijn: enerzijds aanknopend bij de Duitse traditie, anderzijds bij de Franse. Om deze algemene hypothese hard te maken, is echter meer vertaalwetenschappelijk onderzoek vereist dan enkel de voorliggende studie. Er zijn namelijk onvoldoende redenen om te veronderstellen dat de Nederlandse receptie van Dostoevskij onder dit aspect representatief is voor de Nederlandse literatuur in het algemeen; het is ook denkbaar dat de specificiteit van Dostoevskijs proza de Nederlandse vertalers en uitgevers genoopt heeft tot het maken van enigszins afwijkende keuzes met betrekking tot de intermediaire talen en teksten.
In ieder geval staat de vaststelling dat de Nederlandse doelteksten behoudens één allemaal tot stand kwamen via het Duits en/of het Frans toe te concluderen dat de positie van Dostoevskij in de Duitse en Franse literatuur door de Nederlandse uitgevers zo niet cruciaal, dan toch in hoge mate relevant werd bevonden bij zijn selectie ter vertaling. Mutatis mutandis kan men op basis van het feit dat Dostoevskij slechts per uitzondering rechtstreeks uit het Russisch vertaald werd veronderstellen dat zijn positie binnen de Russische literatuur irrelevant werd bevonden. Deze hypothese wordt ondersteund door het feit dat de Nederlandse critici die zich in mindere of meerdere mate baseerden op Russische bronnen op één hand te tellen zijn: De Clercq (1881), Van der Meij (1889), Van Wijk (1907) en Stokvis (1909). Een rechtstreekse relatie tussen de Nederlandse literatuur en de Russische literatuur lijkt dus amper bestaan te hebben, wat een aanwijzing kan zijn dat de Russische letteren als op zichzelf staand geheel geen prestige genoten in het Nederlandse taalgebied. Voorzeker heeft het er alle schijn van dat een werk van Dostoevskij eerst moest uitgegroeid zijn tot een succesvol Frans of Duits literair product vooraleer ook maar in aanmerking te komen om vertaald te worden in het Nederlands. In die functionele zin kunnen de intermediaire Duitse en Franse teksten vergeleken worden met originele Duitse en Franse teksten: voor al deze teksten geldt dat erkenning binnen en door de dominante Duitse en Franse literatuur een conditio sine qua non vormde om geselecteerd te worden voor vertaling in het Nederlands.
Volgens Toury (1995: 134) mogen de modus en de reikwijdte van de indirecte vertaling, tezamen met de veranderingen die hierin kunnen plaatsvinden, beschouwd worden als symptomatisch voor de constellatie in macroperspectief van de recipiërende literatuur in kwestie. Vertrekkend van deze assumptie betoogt hij dat ‘since second-hand translation always involves more than just two systems, it can clearly be taken as at least a clue to the position of one literature in relation to other languages/literatures, acting as mediating and mediated’. Aangezien de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij, die binnen de Russische literatuur een centrale positie bekleedde, bemiddeld blijkt door de Duitse en de Franse literatuur, moet de driehoeksrelatie tussen recipiërende, bemiddelende en bemiddelde literatuur voorgesteld worden als ontdubbeld. Daarbij rijst de vraag in welke mate deze twee driehoeksrelaties, tussen de Russische literatuur, respectievelijk de Franse of de Duitse literatuur en de Nederlandse literatuur, ten eerste met elkaar in evenwicht zijn en ten tweede los van elkaar kunnen gedacht worden.
Aangezien enerzijds vijf teksten van het DT-corpus exclusief via het Duits tot stand kwamen, twee doelteksten hoofdzakelijk uit het Duits vertaald werden en één doeltekst voor ongeveer de helft uit het Duits vertaald is, en anderzijds slechts drie doelteksten volledig of in belangrijke mate bemiddeld blijken door Franse intermediaire teksten, lonkt de conclusie dat de Duitse literatuur als bemiddelende instantie een veel doorslaggevendere rol heeft gespeeld in de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij dan de Franse literatuur.[46] Op zijn beurt zou een dergelijke analyse aanleiding kunnen geven tot de gedachte dat het centrum van de Nederlandse literatuur in de bestudeerde periode naar het Oosten was verschoven ten opzichte van de voorgaande decennia, waarin de Franse literatuur de voornaamste subordinerende macht was.
Indien men de telling echter baseert op de gebruikte intermediaire teksten in plaats van op de doelteksten, dan ontstaat een gevoelig verschillend beeld van de machtsverhoudingen tussen enerzijds de Nederlandse en de Duitse en anderzijds de Nederlandse en de Franse literatuur: in totaal zijn immers zeven Duitse vertalingen door de Nederlandse vertalers in acht genomen tegenover zes Franse vertalingen. Ook al werden twee van die zes Franse vertalingen slechts bij wijze van uitzondering en oppervlakkig geconsulteerd, toch suggereren deze cijfers dat de Franse literatuur als bemiddelaar van Dostoevskij een rol speelde van een vergelijkbare orde als de Duitse literatuur.
Er bestaat een nog fundamenteler bezwaar tegen het toekennen van een predominante rol aan de Duitse literatuur en een mindere rol aan de Franse literatuur in de Nederlandse receptie van Dostoevskij: het feit dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse vertalingen tot stand kwamen via het Duits, en slechts enkele via het Frans, illustreert slechts de kwantitatieve impact van de Duitse literatuur als bemiddelaar tussen de Russische en de Nederlandse literatuur. Over de kwalitatieve dimensie van de receptie zwijgen deze statistieken echter. In welke mate Dostoevskij in vroege Nederlandse vertaling gegermaniseerd dan wel gefranciseerd was, is afhankelijk van de grootte en de aard van de verschuivingen die de Duitse respectievelijk de Franse intermediaire teksten kenmerken ten opzichte van de overeenkomstige bronteksten. Het is daarbij niet uitgesloten – gezien de Franse vertaaltraditie valt dit zelfs te verwachten – dat de verschuivingen bij de Franse vertalingen groter zullen blijken dan bij de Duitse. In dit opzicht zou het wel eens kunnen dat het Dostoevskij-beeld dat uit het geheel van de doelteksten resulteert meer een Franse dan een Duitse stempel draagt. Verder vertaalwetenschappelijk onderzoek moet deze hypothese bevestigen of ontkrachten.
Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de posities die de vertalingen van Dostoevskij bekleedden in de Franse literatuur mee bepalend waren voor de selectie van de overeenkomstige bronteksten voor vertaling in het Nederlands, ook in de gevallen dat geopteerd werd voor Duitse intermediaire teksten. Het is niet omdat bijvoorbeeld Schuld en boete praktisch volledig vertaald blijkt uit het Duits, dat Prestuplenie i nakazanie hoofdzakelijk geselecteerd werd voor vertaling in het Nederlands onder invloed van het succes van Raskolnikow in Duitsland. Zoals in het vorig hoofdstuk uitgebreid aan bod is gekomen, was het immers vooral de Franse receptie van de brontekst, vertaald als Le crime et le châtiment, die in het Nederlandse taalgebied weerklank vond. Meer in het algemeen is aangetoond dat de Nederlandse Dostoevskij-kritiek, die bij de selectie van bronteksten ter vertaling allicht door de uitgevers in rekening werd genomen, grotendeels afhankelijk was van de Franse literatuur, en in veel mindere mate van de Duitse.
Duidelijk is dat met name De Vogüé tot ongeveer 1905 in het Nederlandse taalgebied de onbetwiste autoriteit uitmaakte. Op de waslijst van critici die aan hem refereerden en/of hem napraatten staan namen als Segers (1885), Ten Brink (1886, 1888), Henriëtte van der Meij (1886), Wolfgang van der Meij (1889) en Spin (1898). Bovendien is gebleken dat de Franse criticus ook in het Duitse taalgebied de toon van de kritiek zette. Het is dus plausibel dat hij ook via de Duitse literatuur de selectie van Dostoevskij-titels voor vertaling in het Nederlands gestuurd heeft. Zijn autoriteit kan zowel bijgedragen hebben tot positieve keuzes, de selectie van bronteksten voor vertaling, als tot negatieve keuzes, de al dan niet tijdelijke non-selectie van bronteksten voor vertaling. Tot de eerste groep behoren, naast Prestuplenie i nakazanie, ook Bednye ljudi en Zapiski iz mërtvogo doma. Tot de tweede groep kunnen titels gerekend worden als Bratja Karamazovy, Podrostok, Besy en Idiot, waarover de bruggraaf zich laatdunkend had uitgelaten. Het is legitiem om te vermoeden dat de burggraaf met uitspraken als ‘L’idiot ne soutient pas la comparaison avec Crime et châtiment. […] Ce n’est pas aux lettrés que je le recommande’[47] Nederlandse uitgevers heeft afgeschrikt om een vertaling van de overeenkomstige brontekst op de markt te brengen.
De onbetwiste autoriteit van De Vogüé volstaat op zichzelf om aan te nemen dat de selectie van bronteksten ter vertaling in het Nederlands in belangrijke mate tot stand is gekomen onder rechtstreekse of onrechtstreekse invloed van de Franse literatuur. Niettemin verdient het nadruk dat de Franse receptie van Dostoevskij zelfs in haar kritisch aspect niet te herleiden valt tot de publicaties van De Vogüé. Ook andere critici, zoals Courrière (1875) en Barine (1884), hebben zich immers over Dostoevskij uitgesproken. Enkelen van hen vonden ook enige weerklank in het Nederlandse taalgebied, bijvoorbeeld bij N.J.B. (1886) en Ten Brink (1886). Daarnaast is duidelijk dat enkele actoren die een rol hebben gespeeld in de Nederlandse Dostoevskij-receptie, georiënteerd waren op de Franse literatuur, hoewel ze niet expliciet refereerden aan nader genoemde Franse critici. Voorbeelden van dergelijke actoren zijn Prins en Busken Huet (1886). De lijst Duitse critici die in het Nederlandse taalgebied geciteerd werden is daarentegen bijzonder beperkt. Namen die hierop figureren zijn Ebers en Haller (1882). Aan hen werd, behoudens de uitgeversreclame en het voorwoord van Schuld en boete, amper gerefereerd. De enige Duitstalige criticus wiens visie op Dostoevskij in het Nederlandse taalgebied gedetailleerd uiteengezet werd, is Brandes (1889, 1910). Hij schreef echter, zoals eerder aangetoond, op zijn beurt onder invloed van De Vogüé.
Het is stuitend dat Grübel (2008) zijn belangwekkende beweringen, dat de receptie van Dostoevskij in de Noordelijke Nederlanden afhing van de Duitse en dat de Rus in Vlaanderen grotendeels gerecipieerd werd via de Franse literatuur, behalve met bedenkelijke resultaten van niet nader omschreven empirisch vertaalonderzoek staaft met zijn vondst dat Segers (1885) De Vogüe uitgebreid citeerde. Uit het feit dat hij de schatplicht van de Lierse criticus aan de Franse burggraaf voorstelt als typisch Vlaams, kan men opmaken dat hij ofwel manipulatief omspringt met argumenten, ofwel niet de moeite heeft genomen om Franse invloeden op te sporen in de Dostoevskij-kritiek van de Noordelijke Nederlanden. In ieder geval moeten zijn algemene conclusies afgedaan worden als ongegronde speculatie. Empirisch vertaalonderzoek en de studie van kritische teksten dringen namelijk verschillende gevolgtrekkingen op. Ten eerste dat de Duitse en de Franse literaturen ongeveer een gelijk aantal intermediaire teksten geleverd hebben voor de Nederlandse Dostoevskij-receptie – zeker indien men aanneemt dat De kerstboom uit het Frans is vertaald, wat hoogst waarschijnlijk het geval is. Ten tweede werd de (non-)selectie van de bronteksten allicht in grotere mate bepaald door de Franse Dostoevskij-kritiek dan door de Duitse.
Peilen naar de precieze verhoudingen tussen de invloed van de Franse literatuur en de Duitse literatuur op de Nederlandse Dostoevskij-receptie blijft echter een heikele onderneming, temeer daar er grond bestaat om aan te nemen dat de Franse en de Duitse Dostoevskij-recepties elkaar aanzienlijk ondersteunden en beïnvloedden. Espagne (1996) gaat zelfs zover om de dubbele, Frans-Duitse receptie van Dostoevskij te beschouwen als een bewijs dat er een prerevolutionaire driehoeksverhouding bestond tussen de Russische, Franse en Duitse cultuursystemen. De vaststelling dat de Nederlandse receptie van Dostoevskij in haar vertaalaspect en in haar kritisch aspect zowel door de Duitse als door de Franse literatuur bemiddeld is, kan dus geïnterpreteerd worden als een manifestatie van de ondergeschiktheid van de Nederlandse literatuur aan enerzijds de Franse en anderzijds de Duitse literatuur, maar ook als een manifestatie van de wisselwerking die tussen deze dominante literaturen bestond (zie figuur 8).
Figuur 8. De bemiddeling van de Nederlandse Dostoevskij-receptie
| Franse literatuur | |||
|
Nederlandse literatuur
|
Russische literatuur |
||
| Duitse literatuur | |||
Nu het onderzoekscorpus dankzij een genealogische studie vertrekkend van de doelteksten vervolledigd is met intermediaire teksten en bronteksten, kan een comparatief perspectief aangenomen worden. Vooraleer de eigenlijke doelteksten die gepresenteerd worden als Dostoevskijs proza te vergelijken met de intermediaire teksten en de bronteksten, is het aangewezen om aandacht te besteden aan wat Genette (1987: 9) gedoopt heeft tot ‘péritexte’.
Periteksten vormen net als epiteksten een subcategie van de zogenaamde parateksten, waartoe alle teksten en tekens behoren die gericht zijn op het presenteren van teksten als boeken, en die hun receptie en consumptie als zodanig aanmoedigen. Genette (1987: 11) baseert het onderscheid tussen epiteksten en periteksten op een ruimtelijk criterium. Epiteksten zijn boodschappen die wel het boek betreffen, maar tenminste bij de eerste uitgave buiten zijn materiële reikwijdte vallen. Voorbeelden zijn interviews, briefwisseling en dagboeken. Tot de categorie van de periteksten behoren dan weer alle teksten en tekens die de eigenlijke auteurstekst begeleiden binnen de uitgave van het betreffende boek, zoals titels, voorwoorden, hoofdstuktitels en bepaalde voetnoten.
Terwijl de voor de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij relevante epiteksten – bijvoorbeeld de uitgeversreclame voor De misleide, de advertenties voor De gebroeders Karamazow in tijdschriften en de brief van Anna van Gogh-Kaulbach in De Amsterdammer – in dit proefschrift reeds behandeld zijn, werd aan de periteksten tot nog toe slechts oppervlakkige aandacht geschonken. In dit vertaalwetenschappelijke luik wordt een poging ondernomen om over deze teksten en tekens zinvol te reflecteren op basis van een systematische analyse in comparatief perspectief. De onderliggende assumptie is dat ook de aard en de vorm van parateksten gestuurd worden door normen.
De periteksten die het meest en het eerst in het oog springen behoren tot de technische categorie die Genette (1987: 21) bestempelt als ‘péritexte éditorial’. In zijn definitie betreft het ‘toute cette zone du péritexte qui se trouve sous la responsabilité directe et principale (mais non exclusive) de l’éditeur, ou peut-être, plus abstraitement mais plus exactement, de l’édition, c’est-à-dire du fait qu’un livre est édité, et éventuellement réédité, et proposé au public sous une ou plusieurs présentations plus ou moins diverses’. De meest voor de hand liggende voorbeelden van zulke periteksten zijn het formaat, de boekomslag, de papiersoort en de typografische compositie.
De formaatkeuze is wat Genette (1987: 22-6) betreft ‘l’aspect le plus global de la réalisation du livre’. In een historische excursie toont hij aan dat het formaat waarin een werk uitgegeven werd in de Nieuwe tijd afhankelijk was van de inhoud. Terwijl de grote formaten gereserveerd waren voor ernstige werken, zoals religieuze en filosofische traktaten, werden literaire werken van hoge en lage genres in middelgroot respectievelijk in klein formaat uitgegeven. Vanaf het begin van de 19e eeuw, toen grote volumes zeldzamer werden, kozen uitgevers van ‘littérature sérieuse’ in de regel voor octavo. De kleinere formaten werden geschikt bevonden voor populaire lectuur en vrouwenboeken. De band tussen het prestige en het formaat van een boek werd in de loop van de 19e eeuw versoepeld door het heruitgeven van succesvolle ernstige werken in klein formaat, ‘pour une lecture plus familière et plus ambulatoire’.[48] Niettemin had de formaatkeuze in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog nog enige indicatieve waarde voor de ernst van het genre. In principe zouden de formaten waarin de vroege Nederlandse vertalingen van Dostoevskij werden uitgegeven dus aanleiding kunnen geven tot tentatieve hypotheses.
Door grote heterogeniteit worden de formaten van de doelteksten niet gekenmerkt. De vertalingen met het grootste formaat zijn Uit het doodenhuis en De echtgenoot (circa 14,5 x 20 cm), beide uitgegeven bij Cohen Zonen. Relatief groot qua formaat zijn De onderaardsche geest (circa 13 x 21 cm), Schuld en boete (circa 13 x 20 cm) en De gebroeders Karamazow (circa 14 x 19,5 cm). De vertalingen Arme Nelly (circa 12,5 x 19,5 cm), De misleide (circa 12,5 x 19,5 cm) en Uit Siberië (circa 12,5 x 20 cm) hebben een kleiner formaat. Het kleinst zijn De speler (circa 11 x18 cm), Arme menschen (circa 11,5 x18,5 cm) en Witte nachten (circa 12,5 x 16,5 cm). Dit laatste boek valt tussen de doelteksten qua omvang het meeste op, te meer daar het ook de enige is waarvan de oppervlakte van de witmarges groter is dan die van de gedrukte tekst – waaraan het boek ondanks het beperkt aantal woorden toch nog een zekere dikte ontleent. In dit verband moet opgemerkt worden dat de Dostoevskij-vertaling van Stokvis deel uitmaakt van een reeks, namelijk Bibliotheek van Russische literatuur, en vermoedelijk hieraan zijn formaat dankt. De Franse en Duitse intermediaire teksten, op hun beurt, worden meer nog dan de doelteksten gekenmerkt door een beperkte variatie in formaat.[49]
De bovenstaande vaststellingen zijn op zichzelf banaal; ze kunnen bezwaarlijk als basis dienen voor relevante conclusies. Toch zou men aan de hand van het gebruikte formaat kunnen vermoeden dat voor De speler, Arme menschen en Witte nachten meer dan bijvoorbeeld voor Uit het doodenhuis, De echtgenoot en Arme Nelly geldt dat ze aan het publiek gepresenteerd werden als ontspanningslectuur. Dit zou ook kunnen verklaren – althans ten dele – waarom alle grote en middelgrote werken, waaronder de drie laatstgenoemde titels, voorzien werden van een stevige kaft, terwijl de omslag van Witte nachten slechts bestaat uit een gekleurd papiertje (zie afbeeldingen 8 en 9).[50] Uitgaven van zogenaamd ernstige literatuur
zijn in de regel namelijk steviger dan uitgaven van lichte lectuur. Een van de redenen hiervoor is dat de laatste categorie boeken op de markt wordt gezet met de bedoeling om op korte termijn een maximale verkoop te realiseren, terwijl de eerste categorie boeken een blijvende waarde wordt toegedicht, wat in de ogen van de consument een investering rechtvaardigt in een kaft die reële bescherming biedt. Men moet echter ook in rekening brengen dat de uitgeverij van Witte nachten, Maas & Van Suchtelen, zich richtte op de arbeidersklasse, die een beperkte koopkracht had. Het kleine formaat en de zachte boekomslag kunnen dus voortgekomen zijn door een eenvoudige bekommernis om de uitgavekosten en dus de verkoopsprijs zo laag mogelijk te houden.
| Afbeelding 8. De kaft van Uit het
doodenhuis |
Afbeelding 9. De kaft van Witte nachten |
Naast de keuze van formaat en boekomslag valt ook de invulling van de titelpagina(’s) onder de hoofdverantwoordelijkheid van de uitgever. Hoewel hij hierin ten dele gebonden is aan conventies en informatie die aangereikt wordt door de vertaler, toch heeft hij enige vrijheid om de titelpagina vorm en inhoud te geven. Zonder volledigheid na te streven somt Genette (1987: 28) een twintigtal typen inlichtingen op die op de hoofdpagina vermeld kunnen staan. Bij descriptief vertaalwetenschappelijk onderzoek kan het de moeite lonen om een aantal van deze periteksten in aanmerking te nemen in comparatief perspectief.
De uitgeverij en de plaats van uitgave vormden in de periode waarop dit onderzoek zich concentreert obligate paratekstuele informatie. Het strookt dan ook met de verwachtingen dat ze bij iedere vertaling van het DT-corpus en van de IT-corpora op de titelpagina vermeld staan. Het jaar van uitgave wordt daarentegen niet bij iedere doeltekst opgegeven. Meer bepaald ontbreken inlichtingen hieromtrent bij De echtgenoot, Uit het doodenhuis, De speler en Uit Siberië. Interessant is dat de uitgever van de laatstgenoemde titel, S. Warendorf Jr., in 1889 al eens op de vingers getikt was door een anonieme criticus van De Gids (1889: 567) omdat hij het jaar van uitgave niet vermeld had op de titelpagina van Sturmfelts van Marie Boddaert. Hieruit kan men opmaken dat de norm niettemin was om deze inlichting aan het publiek niet te onthouden. Cohen Zonen en Warendorf sloegen deze standaard vermoedelijk in de wind met de bedoeling om de boeken in kwestie op middellange termijn te beschermen tegen een gedateerd voorkomen. Dit kan begrepen worden als een indicatie dat ze weinig vertrouwen hadden in een snelle verkoop van hun voorraad eerste uitgaven. Ter vergelijking: bij de vijf door Plon uitgegeven Franse intermediaire teksten wordt het jaar van uitgave vermeld op een van de bijlagen van de titelpagina en bij Les frères Karamazov (1906) op de titelpagina zelf; van het Duitse IT-corpus zijn er vier vertalingen waarbij het jaar van uitgave niet opgegeven staat: Erniedrigte und Beleidigte (1885), Erniedrigte und Beleidigte (1890), Der Spieler en Aus dem todten Hause (1890).
Terloops zij opgemerkt dat de uitgeverijen, de plaats en de data van uitgave van de bronteksten in geen van de intermediaire teksten of doelteksten ter sprake worden gebracht – eventuele voorwoorden buiten beschouwing gelaten: deze paratekstuele informatie werd kennelijk totaal irrelevant bevonden.
Meer nog dan de uitgeverij en de plaats van uitgave is de naam van de auteur essentiële paratekstuele informatie. Ook in de periode waarop dit onderzoek zich concentreert, namelijk 1881-1914, was het ondenkbaar om een vertaling uit te geven zonder een auteur te noemen. Logisch dus dat bij alle doelteksten de naam van Dostoevskij vermeld staat op de titelpagina. Hiermee is echter niet alles gezegd. In het Russisch bevat de volledige naam van Dostoevskij behalve zijn familienaam ook zijn voornaam, Fëdor, en zijn vadersnaam, Michajlovič. De uitgevers moesten dus beslissen welke van deze drie namen ze zouden weergeven op de titelpagina en volgens welke transcriptie of transliteratie of door middel van welk equivalent. Deze beslissing is niet zo triviaal als ze op het eerste gezicht lijkt: de naam van de auteur bepaalt mede de verkoopbaarheid van een bepaald werk.[51] Figuur 9 maakt de vergelijking mogelijk tussen de keuzes van de Nederlandse uitgevers onderling en met de keuzes van de Duitse en Franse uitgevers van de overeenkomstige intermediaire teksten.
Figuur 9. Vermelding van de auteur
| DT–titel | Auteur DT | Auteur Duitse IT | Auteur Franse IT |
| Schuld en boete | F.M. Dostojewsky | F.M. Dostojewskij | Th. Dostoïevsky |
| Arme menschen | F.M. Dostojewsky | Theodor Dostojewski | |
| De onderaardsche geest | F.M. Dostojewsky | Th. Dostoïevsky | |
| De misleide | Dostojewski | Theodor Dostojewski | Th. Dostoïevsky |
| De speler | F.M. Dostojewski | F.M. Dostojewski | |
| Arme Nelly | F.M. Dostojewski | F.M. Dostojewski | |
| Uit Siberië | I. [sic] M. Dostojewsky | Theodor Dostojewski | |
| Uit het doodenhuis | F.M. Dostojewski | F.M. Dostojewski | Th. Dostoïevsky |
| Een misdaad – Wroeging | F. Dostoievsky | Th. Dostoïevsky | |
| De echtgenoot | F.M. Dostojewski | Fedor Dostojewski | |
| Witte nachten | F.M. Dostojefskiej | ||
| De gebroeders Karamazow | F.M. Dostojefsky | Th. Dostoïevsky (1888) + Dostoïevski (1906) |
Het eerste wat opvalt, is dat alle Nederlandse uitgevers behalve Brinkman, die slechts Dostoevskijs familienaam weergeeft, geopteerd hebben voor de initialen van voor- en vadersnaam gevolgd door de familienaam. Deze keuze kan gekwalificeerd worden als lichtjes exotiserend, aangezien het gebruik van vadersnamen in de Nederlandse cultuur niet voorkomt. Bij vergelijking met de auteursvermelding bij de overeenkomstige teksten van het Duitse en van het Franse IT-corpus blijkt dat de Nederlandse uitgevers in deze keuze eerder aansluiten bij de Duitse traditie dan bij de Franse, waarin de vadersnaam systematisch van de titelpagina geweerd wordt. Ook de transcriptie van de Russische letter ‘Ф’ (in prerevolutionaire spelling ‘ϴ’) als ‘F’ is conform de dominante Duitse traditie, aangezien uitgeverij Plon hiervan systematisch ‘Th’ maakte. Het feit dat Warendorf er ‘I’ van gemaakt heeft is dan weer verwonderlijk. Wellicht is deze transcriptie te wijten aan slordigheid.
Een volgende vaststelling is dat de Nederlandse uitgevers onderlinge variatie aan de dag leggen in de manier waarop Dostoevskijs familienaam wordt weergegeven. Rössing, die de spits afbeet, wordt in zijn systematische keuze voor ‘Dostojewsky’, dat een Frans-Duitse hybride is, slechts gevolgd door Warendorf. De erfgenaam van de laatstgenoemde, namelijk Van Holkema & Warendorf, behoudt de Frans aandoende uitgang ‘-y’, maar vervangt de Duitse letter ‘w’ door de ‘f’. De Volksdagblad-Bibliotheek hanteert als enige een uitgesproken Franse transcriptie, met de ‘v’ en de uigang ‘-y’. Het meest succesvol is echter de schrijfwijze ‘Dostojewski’, waaraan vrijwel alle Duitse uitgevers vasthielden: deze wordt in acht genomen door Brinkman, Van Balen, Holdert & Co en Cohen Zonen. Geïsoleerd is de schrijfwijze ‘Dostojefskiej’ van Witte nachten; door het gebruik van de exotiserende uitgang ‘-iej’ wilde Stokvis mogelijk suggereren dat zijn tekst voor het eerst niet uit Duits of het Frans vertaald was, maar rechtstreeks uit het Russisch. Overigens staat op de boekomslag van Witte nachten niet ‘Dostojefskiej’, zoals op de titelpagina, maar wel ‘Dostojesfkiej’. Deze drukfout staat toe te vermoeden dat de uitgave weinig zorg heeft gekregen. Opmerkelijk genoeg werd de schrijfwijze ‘Dostojevski’, die vanuit fonetisch oogpunt zeer verdedigbaar is en vandaag de dag in het Nederlandse taalgebied de w-variant (‘Dostojewski’) lijkt te verdringen,[52] door geen een van de betrokken Nederlandse uitgevers geschikt bevonden.
Overigens is de variatie van de schrijfwijze van Dostoevskijs naam in de Nederlandse kritiek nog groter dan op de titelpagina’s van de doelteksten die in dezelfde periode het licht zagen. Praktisch iedere criticus, literatuurhistoricus of recensent kwam op de proppen met een eigen variant, al dan niet geïnspireerd door de Franse en/of de Duitse transcriptie.[53] Daarbij valt op dat enkelen kozen voor een genaturaliseerde versie van de voornaam.
Uit het empirisch onderzoek naar de schrijfwijze van Dostoevskijs naam op de titelpagina’s en in de literaire kritiek kunnen drie tentatieve conclusies getrokken worden. Ten eerste suggereert het feit dat deze schrijfwijze in het Nederlandse taalgebied sterk varieerde van uitgever tot uitgever en van criticus tot criticus, terwijl in de Duitse en de Franse literaturen hieromtrent wel een breed gedragen consensus bestond, dat de Russische schrijver er moeilijk gevestigd raakte. Het is namelijk zo dat canonisering de uniformisering van de schrijfwijze van auteursnamen in de hand werkt. Ten tweede is de schatplicht van de vele transcripties van Dostoevskijs naam aan de Duitse en/of de Franse transcriptie een aanwijzing te meer dat zijn roem in Frankrijk en Duitsland van vitaal belang was voor zijn Nederlandse receptie. Ten derde doet de vaststelling dat de vadersnaam van Dostoevskij in zijn initialen behouden werd, dat met andere woorden de voorkeur werd gegeven aan ‘F.M’ boven ‘Theodoor’, vermoeden dat de uitgevers enig Russisch coloriet op zijn plaats vonden en dus niet gebrand waren op een zo hoog mogelijke naturalisering.
In verband met de vermelding van Dostoevskijs naam op de titelpagina’s kan ook opgemerkt worden dat hij in het geval van De gebroeders Karamazow aangeprezen werd als ‘de schrijver van Schuld en boete enz.’ (zie afbeelding 10), waaruit af te leiden valt dat hij in de ogen van Van Holkema & Warendorf aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog nog altijd introductie behoefde bij het Nederlandse leespubliek en dat de titel van Prestuplenie i nakazanie bekender was dan hijzelf.
Op de mate waarin de doelteksten hun vertaalde status etaleren werd al eerder ingegaan, maar deze werd nog niet vergeleken met die van de intermediaire teksten. Welnu, het valt op dat bij alle betrokken Franse en Duitse vertalingen uitgezonderd Aus dem todten Hause (1886) de (schuil-)naam van de vertaler vermeld staat op de titelpagina, terwijl dit bij drie vertalingen van het DT-corpus en bovendien ook in het geval van Een misdaad niet het geval is. In dit verband kan opgemerkt worden dat de naam Anna van Gogh-Kaulbach op de titelpagina van De gebroeders Karamazow in opvallend grote letters is weergegeven (zie afbeelding 10). Ongetwijfeld wilde uitgeverij Van Holkema & Warendorf de uitgave in kwestie aan prestige doen winnen door te benadrukken dat de vertaalster een gevestigde schrijfster was.
Afbeelding 10. Titelpagina van De gebroeders Karamazow
In verband met de vermelding van de vertaler moet ook opgemerkt worden dat de titelpagina’s van de Franse intermediaire teksten L’esprit souterrain en Les frères Karamazov (1888), beide vertaald door Halpérine-Kaminsky en Morice, het opschrift ‘traduit et adapté’ dragen. Hiermee wordt aan het leespubliek te kennen gegeven dat de vertalers in kwestie zichzelf een creatievere rol hebben toegedicht dan doorgaans door vertalers wordt gespeeld. Dat met andere woorden de resulterende tekst geen adequate weergave is van het origineel. Op de titelpagina’s van géén van de Nederlandse doelteksten komt een dergelijke toelichting voor. Zelfs niet bij De onderaardsche geest en De gebroeders Karamazow, die nochtans gebaseerd zijn op de Franse vertalingen die als adaptaties gepresenteerd werden.
De Franse en de Duitse uitgevers zijn over het algemeen beschouwd ook mededeelzamer dan de Nederlandse uitgevers over de taal waaruit vertaald werd. De titelpagina’s van Le crime et le châtiment, Souvenirs de la maison des morts en Les frères Karamazov (1906) vermelden ‘traduit du russe’. De vertalingen Erniedrigte und Beleidigte (1885), Erniedrigte und Beleidigte (1890), Aus dem todten Hause (1886), Aus dem todten Hause (1890), Der Spieler en Arme Leute presenteren zichzelf expliciet als vertaald ‘Aus dem Russischen’. De hoogste transparantie biedt de titelpagina van Raskolnikow, door de vermelding ‘Nach dem vierten Auflage des russischen Originals “Преступление и наказание” [Prestuplenie i nakazanie] übersetzt’. Het is een indicatie van broncultuurgetrouwheid dat in dit geval zelfs cyrillische lettertekens gebruikt werden. De enige intermediaire teksten die hun brontaal niet expliciet prijsgeven zijn de twee vertalingen van Halpérine-Kaminsky en Der Hahnrei.
Het contrast met de doelteksten is wat het etaleren van de vertaalde status betreft zeer scherp, aangezien Witte nachten de enige Nederlandse vertaling is waarvan de titelpagina de taal vermeldt waaruit effectief vertaald werd. De titelpagina van Arme Nelly vermeldt ‘naar het Russisch’, maar is een vertaling uit het Duits gebleken. Drie andere doelteksten, De speler, De onderaardsche geest en Arme mensen, dragen de ondertitel ‘Russische roman’, waardoor tenminste gesuggereerd wordt dat het Russisch de finale brontaal is, maar zijn eigenlijk vertaald uit het Duits of het Frans. Hetzelfde geldt voor Een misdaad, dat de ondertitel ‘Russische roman’ draagt, maar vertaald is uit het Frans. In het geval van de overige zes doelteksten, namelijk Schuld en boete, De misleide, Uit Siberië, Uit het doodenhuis, De echtgenoot en De gebroeders Karamazov wordt op de overeenkomstige titelpagina’s geen brontaal gesuggereerd of vermeld. Het volgend commentaar van Toury (1995: 76) lijkt van toepassing te zijn op de constellatie van de Nederlandse literatuur voor de Eerste Wereldoorlog: ‘Many producers of second-hand translations would have failed to make this fact known, especially in cultural contexts where translation is regarded as just one of several ways of generating texts’.[54]
Tot nog toe werd in dit proefschrift steeds naar de werken van Dostoevskij verwezen door middel van de meest in het oog springende titel. Op de titelpagina’s van een groot aantal van zijn boeken staan echter meerdere titels vermeld. Dostoevskij voorzag de titels van zijn werken immers in de regel van een generische aanduiding – voor zover deze in de hoofdtitel zelf nog niet besloten lag, zoals bij Zapiski iz mërtvogo doma of Zapiski iz podpol’ja –, die eventueel aangevuld werd met macrostructurele informatie. Zo werd Chozjajka geëtiquetteerd als povest’ (lang verhaal), Večnyj muž als rasskaz (kortverhaal), Prestuplenie i nakazanie als roman en Brat’ja Karamazovy als Roman v četyrëch častjach s ėpilogom (Roman in vier delen met epiloog). Enkele van zijn titels breidde hij bovendien uit met een niet-generische ondertitel – in flagrante tegenstelling tot wat Genette beweert (1987: 99)[55]. Zo bevat de titel van Belye noči naast de aanduiding Sentimenyal’nyj roman (Sentimentele roman) ook de ondertitel, aangebracht tussen haakjes, Iz vospominanij mečtatelja (Uit de herinneringen van een dromer).
Genette (1987: 80-3) onderscheidt drie hoofdfuncties van titels: eenvoudige benoeming (‘désignation’) – het kind een naam geven, om er over te kunnen spreken –, aanduiding van de inhoud en verleiding van het leespubliek. De aanduiding van de inhoud wordt in zijn terminologie breed opgevat, als thematisch of formeel/generisch. Sommige thematische titels verwijzen naar de hoofdpersonages, bijvoorbeeld Brat’ja Karamazovy, of naar de onderliggende thematiek, zoals Prestuplenie i nakazanie. Titels met zuiver formele en/of generische informatie, zoals Roman v devjati pis’mach, classificeert Genette (1987: 89-93) als ‘rhématiques’. Hij wijst echter ook op het voorkomen van mengvormen, bijvoorbeeld titels die beginnen met een generische aanduiding, maar verdergaan met een aanduiding van het thema. Ook zulke titels komen bij Dostoevskij voor: Zapiski iz mërtvogo doma of Zapiski iz podpol’ja.
De manier waarop Dostoevskij zijn werken voorzag van een generisch etiket zou wel eens een diepere betekenis kunnen hebben dan op het eerste gezicht lijkt. Tenminste in de verfrissende analyse van Roesen (2007) zijn het aangeduide genre en de narratieve situatie in zijn oeuvre onderling nauw verbonden. Meer bepaald verdedigt ze de stelling dat het genresysteem van Dostoevskij – anders dan dat van de meeste andere schrijvers – opgebouwd is rond de wijze waarop de ‘speech act’ geïmiteerd wordt en weinig of geen betrekking heeft op het thema, de lengte, de intrige en de compositie:
In Dostoevskij […] the same themes recur in different genres, a novel may be nine pages long – as A Novel in Nine Letters – or seven hundred pages long – as The Brothers Karamazov [–], and a short story [rasskaz] may have what is commonly regarded as novelistic length and plot, as is the case with The Eternal Husband. (Roesen 2007: 155-6)
Volgens Genette (1987: 78) rust de verantwoordelijkheid voor het toekennen van een bepaalde titel in principe deels bij de auteur en deels bij de uitgever. Bij vertalingen van werken waarvan de auteur overleden is, zoals die van Dostoevskij, kan de rol van de auteur in mindere of meerdere mate overgenomen worden door zijn erven of door de vertaler. De uitgever heeft in dit geval echter meestal het laatste woord. Daarbij primeert in de praktijk meer wel dan niet – dat geldt ook vandaag nog – het commerciële belang boven eventuele vertaaladequatie. De titel wordt immers beschouwd als een soort van visitekaartje voor het werk zelf. Zoals Genette (1987: 79) onderstreept, vormt deze tekst, evenals de naam van de auteur, ‘un objet de circulation – ou, si l’on préfère, un sujet de conversation’. Rekening houdend met de functie van het verleiden van de consument, is het begrijpelijk dat uitgevers van vertalingen er niet voor terugschrikken om volstrekt nieuwe titels te introduceren – Genette (1987: 73) heeft het in dit verband over ‘l’habitude fort courante de modifier le titre lors d’une traduction de l’œuvre’. Mutatis mutandis is een adequate vertaling van een titel, vooral wanneer deze commercieel weinig interessant is, een niet mis te verstane indicatie dat acceptabiliteit voor de uitgever niet voorop stond.
Vandaag de dag, nu Dostoevskij onmiskenbaar tot de literaire canon behoort, worden de titels van zijn werken doorgaans hoogst adequaat in het Nederlands vertaald. Wanneer nieuwe titels worden toegekend – kwestie van de nood aan een nieuwe vertaling te suggereren –, dan wordt gestreefd naar een hogere graad van adequatie. Men heeft het al decennia niet meer over Schuld en boete, maar wel over
Misdaad en straf. Arthur Langeveld verkiest De broers Karamazov boven De gebroeders Karamazov, omdat hij meent dat deze laatste variant in het Nederlands van vandaag een connotatie heeft die in het origineel ontbreekt. Kort geleden gooide Hans Boland (2008: 68-9) naar eigen zeggen een ‘knuppel in het hoenderhok’ door afstand te nemen van Boze geesten en Demonen als vertaling van de titel Besy, ten voordele van Duivels. Deze keuze verantwoordt hij door te stellen dat de eerste twee titels ‘in alle opzichten minder juist en sterk’ zijn dan de door hem voorgestelde variant. In de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog was de bekommernis van de Nederlandse uitgevers en vertalers om adequatie in het vertalen van Dostoevskijs titels gevoelig minder ontwikkeld. Hierover getuigt figuur 10, waarin de titels van de Franse en Duitse intermediaire teksten en van de Nederlandse doelteksten naast elkaar zijn gezet.
Een eerste vaststelling na vergelijking van de Nederlandse titels met die van de intermediaire teksten en de bronteksten betreft titelinformatie over de macrostructuur. Die ontbreekt bij de Duitse, Franse en Nederlandse vertalingen. De enige uitzondering hierop is Uit Siberië, dat volgens de bijkomende titel een roman is ‘in twee delen’. Deze inlichting komt echter niet voort uit bekommernis om vertaaladequatie, aangezien de titel van het overeenkomstige origineel, Zapiski iz mërtvogo doma, géén macrostructurele inlichtingen bevat.
Figuur 10. De titels
| Bronteksten | Intermediaire teksten | Doelteksten |
| Prestuplenie i nakazanie. Roman | Raskolnikow. Roman + Le crime et le châtiment | Schuld en boete. Roman |
| Unižennye i oskorblënnye. Roman v četyrëch častjach s ėpilogom | Erniedrigte und Beleidigte. Roman + Humiliés et offensés | De misleide |
| Bednye ljudi. Roman | Arme leute. Roman | Arme menschen. Russische roman. |
| Chozjajka. Povest’ + Zapiski iz podpol’ja | L’esprit souterrain | De onderaardsche geest. Russische roman |
| Igrok. Roman (Iz zapisok molodogo čeloveka) | Der Spieler. Aus den Erinnerungen eines jungen Mannes. Roman | De speler. (De gedenkschriften van een gouverneur). Russische roman |
| Unižennye i oskorblënnye. Roman v četyrëch častjach s ėpilogom[56] | Erniedrigte und Beleidigte. Roman | Arme Nelly |
| Zapiski iz mërtvogo doma | Aus dem todten Hause. Denkwürdigkeiten eines nach Sibirien Verbannten. + Souvenirs de la maison des morts | Uit Siberië. Een roman in twee deelen |
| Prestuplenie i nakazanie. Roman | Le crime et le châtiment | Een misdaad – Wroeging. Russische roman |
| Belye noči. Sentimenyal’nyj roman. (Iz vospominanij mečtatelja) | Witte nachten. Sentimenteele roman. (Uit de herinneringen van een droomer) | |
| Zapiski iz mërtvogo doma | Aus dem todten Hause. Roman | Uit het doodenhuis |
| Večnyj muž. Rasskaz | Der Hahnrei. Roman | De echtgenoot |
| Brat’ja Karamazovy. Roman v četyrëch častjach s ėpilogom. | Les frères Karamazov (1888) + Les frères Karamazov (1906) | De gebroeders Karamazow |
Een tweede vaststelling heeft te maken met het genre-etiket. Ieder van de Russische bronteksten draagt een titel met een dergelijke aanduiding. In totaal worden daarbij vier verschillende genres genoemd: ‘роман’ (roman), ‘рассказ’ (rasskaz/kortverhaal), ‘повесть’ (povest’/lang verhaal) en ‘записки’ (zapiski/aantekeningen).[57] Bij alle zes Franse intermediaire teksten wordt de generische informatie simpelweg achterwege gelaten. Zoals Genette (1987: 99) illustreert, bestond in de Franse literatuur vanaf de tweede helft van de 19e eeuw een sterke tendens om generische inlichtingen uit titels te bannen. De Duitse teksten zijn wat dat betreft enigszins adequater: bij slechts één Duitse vertaling, namelijk Aus dem todten Hause (1886), is de generische informatie zonder meer geëlimineerd. Dit wil echter niet zeggen dat de andere titels het door Dostoevskij gesuggereerde genre adequaat weergeven. In twee gevallen wordt namelijk een verschillend genre dan door Dostoevskij gekozen naar voren geschoven: Der Hahnrei en Aus dem todten Hause (1890) worden gepresenteerd als romans in plaats van als, respectievelijk, een kortverhaal/rasskaz en aantekeningen/zapiski. De verklaring ligt voor de hand. Ten eerste kan Večnyj muž, zoals Roesen (2007: 156) onderschrijft, qua lengte en intrige doorgaan voor een roman. Ten tweede is het genre van de aantekeningen/
zapiski door Dostoevskij zelf in het leven geroepen. Een equivalent hiervan was in de Duitse literatuur dus niet voor handen.
De Nederlandse vertalingen, op hun beurt, vallen wat hun generische etiquettering betreft uiteen in twee groepen: zes doelteksten bevatten een titel met generische informatie, de andere zes doelteksten niet. Net als bij de Duitse intermediaire teksten, is bij de Nederlandse vertalingen enkel het genre ‘roman’ behouden. Dit is ook logisch, aangezien de genres ‘kort verhaal’ en ‘aantekeningen’ door de Duitse en Franse vertalers al geëlimineerd waren. Toch blijken niet alle Nederlandse uitgevers zich strikt gehouden te hebben aan de generische informatie van de intermediaire teksten. Aan de titel van De onderaardsche geest, dat in feite een amalgaam is van een lang verhaal/povest’ en aantekeningen/zapiski, werd door Rössing ‘Russische roman’ toegevoegd, hoewel een dergelijke inlichting bij de Franse intermediaire vertaling ontbreekt. Een dergelijke ingreep betreft Een misdaad. Ook de titel van Uit Siberië, strikt genomen te bestempelen als zapiski, kreeg de vermelding ‘Russische roman’, hoewel de uitgevers van de overeenkomstige intermediaire vertalingen geen genre suggereren. Bij Uit het doodenhuis, De echtgenoot, Arme Nelly en De misleide wordt géén genre opgegeven, hoewel de overeenkomstige Duitse intermediaire teksten zichzelf presenteren als ‘romans’.
De vier genres die Dostoevskij in zijn eigen oeuvre onderscheidde blijken dus door de Nederlandse uitgevers en/of vertalers, die zich daarbij lieten assisteren door Franse en Duitse actoren, gereduceerd te zijn tot twee categorieën: enerzijds de categorie van het niet expliciet vernoemde genre en anderzijds de categorie die het best in de westerse markt lag: de roman.[58] Dit is een duidelijke indicatie dat er een sterke tendens was om de werken van Dostoevskij dichter bij de Nederlandse lezers te brengen eerder dan omgekeerd, of dat – met andere woorden – acceptabiliteit over het algemeen genomen voorop stond.
De vergelijking van de thematische titels van de Nederlandse doelteksten met de thematische titels van de overeenkomstige Russische bronteksten, daarbij abstractie makend van de generische en macrostructurele informatie, levert eveneens interessante bevindingen op.
Ten eerste komen slechts vier Nederlandse titels in hoge mate overeen met de Russische: Witte nachten. Sentimenteele roman (Uit de herinneringen van een dromer), Arme menschen, Uit het doodenhuis en De gebroeders Karamazow. Bij de vier laatstgenoemde doelteksten hebben de vertalers simpelweg de keuzes gerespecteerd van de Franse en Duitse intermediaire vertalers. Het geval van Witte nachten springt het meest in het oog, aangezien alle drie leden van de titel perfect adequaat werden vertaald – wat suggereert dat Stokvis dicht bij de brontekst wilde blijven. Overigens heeft hij de hoofdtitel voor zijn lezers ook inzichtelijk gemaakt, door deze in de tekst zelf in een voetnoot te verduidelijken – evenwel zonder veel gevoel voor nuance: ‘De zomernachten in Petersburg, wanneer het nooit geheel donker wordt. Vert.’[59]
Ten tweede dragen twee Nederlandse vertalingen titels die een zekere graad van adequatie bereiken, maar niet de hoogst mogelijke. Schuld en boete is, zoals bekend, denotatief gezien niet helemaal gelijk aan Prestuplenie i nakazanie. De Russische woorden ‘преступление’ en ‘наказание’ zijn immers rechtstermen, geen moraaltermen. Dat de Nederlandse uitgever/vertaler geopteerd heeft voor deze variant, valt niet te verklaren door de bemiddeling van de Duitse intermediaire tekst, aangezien die Raskolnikow getiteld is – overeenkomstig de in de 19e eeuw nog populaire traditie om romans naar de hoofdpersonages te vernoemen.[60] Vermoedelijk gaat de titel Schuld en boete terug op Le crime et le châtiment, die Petros Kuknos ook geconsulteerd heeft bij het maken van zijn vertaling. Het woord ‘crime’ is net als het Russische ‘преступление’ een rechtsterm. ‘Le châtiment’ heeft een educatieve connotatie, maar staat denotatief niet ver af van ‘наказание’.[61] Dat de Franse titel niet vertaald werd als Misdaad en straf, kan te maken hebben met de wijdverspreide overtuiging, treffend verwoord door de recensente Etty (1998), dat ‘het (christelijke) thema […] van de schuldbelijdenis en boetedoening als enige redding voor de door zonden geteisterde menselijke ziel’ beter tot uiting komt in Schuld en boete. Het lijkt erop dat Rössing met het oog op acceptabiliteit het christelijke aspect van Dostoevskijs roman in de verf wilde zetten, dat hij de christelijke interpretatie wilde vergemakkelijken.[62] Ook niet in hoogst mogelijke mate adequaat vertaald is de ondertitel van De speler. De gedenkschriften van een gouverneur. In het Russisch wordt het beroep van het hoofdpersonage namelijk niet opgegeven; hij wordt bestempeld als een ‘молодой человек’ (jongeman). Deze denotatieve verschuiving gaat niet terug op de Duitse intermediaire tekst, aangezien hierin sprake is van ‘ein junger Mann’: ook dit was dus het initiatief van de Nederlandse uitgever/vertaler.
Ten derde zijn zes Nederlandse thematische titels inadequate vertalingen van de overeenkomstige Russische titels: De echtgenoot, De onderaardsche geest, De misleide, Arme Nelly, Uit Siberië en Een misdaad – Wroeging. In de eerstgenoemde titel ontbreekt een vertaling van het adjectief ‘вечный’ (eeuwig), dat in het origineel een poëtiserend effect sorteert en verwijst naar de categorie van de zogenaamde eeuwige echtgenoten, waarvan in dit verhaal sprake is.[63] De verantwoordelijkheid van deze denotatieve en connotatieve verschuiving ligt deels bij de uitgever/ vertaler van Der Hahnrei, aangezien deze titel evenmin een adequate weergave is van het origineel.[64] Het geval van De onderaardsche geest is anders: de Nederlandse uitgever/vertaler heeft in dit geval simpelweg de intermediaire tekst, in dit geval L’esprit souterrain, gerespecteerd. Deze titeladaptatie werd door Halpérine-Kaminsky, ruim veertig jaar na datum, gemotiveerd op een manier die duidelijk blijk geeft van een streven naar acceptabiliteit. Enerzijds vond hij dat de titel van het verhaal Chozjajka, dat het eerste deel van L’esprit souterrain uitmaakt, niet paste bij deze brontekst.[65] Anderzijds had hij ook bezwaren tegen de titel Zapiski iz podpol’ja, hoewel hij het aandeel van dit werk in zijn adaptatie belangrijk genoeg vond om er de titel van zijn boek van af te leiden:
Notes de dessous le plancher, terme incompréhensible dans le sens tout particulier qui lui est attribué, n’est nullement saisissable pour le lecteur étranger; le titre de Sous-sol, qui fait présumer la déscription des mœurs des habitués d’un sous-sol de bâtiment, ou des travailleurs du sous-sol, déroute le lecteur. Nul sous-sol ni ses habitants ne figurent dans l’ouvrage de Dostoïevsky: il s’agit de notes d’un solitaire, d’un reclus volontaire, ou plus exactement d’un homme qui se renferme dans sa vie intérieure, dans son “esprit souterrain”. (Halpérine-Kaminsky 1929: xxv)
De misleide, Arme Nelly, Uit Siberië en Een misdaad – Wroeging vormen een aparte subcategorie. De overeenkomstige intermediaire teksten, Erniedrigte und Beleidigte (1885), Erniedrigte und Beleidigte (1890), Aus dem todten Hause (1886), Souvenirs de la maison des morts en Le crime et le châtiment, dragen namelijk titels die aanzienlijk dichter bij de overeenkomstige originelen staan.[66] De titel Uit Siberië riep bij de Nederlandse lezer onmiddellijke associaties op met het tsaristisch penitentiair systeem, meer bepaald met ballingschap en dwangarbeid. Als zodanig kan het beschouwd worden als een geval van concretisatie. De dubbeltitel Een misdaad – Wroeging laat eveneens minder aan de verbeelding van de lezer over dan het origineel; de vervanging van de rechtsterm ‘наказание’ (straf) door de ethisch en psychologisch beladen term ‘wroeging’ suggereert dat de inzinkingen van Raskol’nikov na het plegen van de moord gezien kunnen worden als een manifestatie van spijt. Dit was door Dostoevskij niet bedoeld, aangezien de hoofdfiguur pas in de epiloog berouw toont.[67] Deze titelwijziging stemt overeen met de christelijke idee dat zonde gevolgd moet worden door wroeging, maar het is onduidelijk of deze associatie ook doelbewust nagestreefd werd – per slot van rekening was de uitgever lid van de arbeidersbeweging. De titels De misleide en Arme Nelly, allebei vertalingen van Unižennye i oskorblënnye, informeren respectievelijk in dezelfde en in mindere mate dan de tweeledige titels van het origineel en van de intermediaire vertalingen dat het boek vernedering thematiseert. In dit verband zij opgemerkt dat de titel van Dostoevskijs werk bij zijn verschijnen bekritiseerd werd, omdat het de oningeloste verwachting schiep een eenduidig sociale roman te zijn.[68] Eigenaardig aan deze twee Nederlandse titels is dat het meervoud vervangen is door het enkelvoud. In het Russische werk is immers meer dan één hoofdpersonage beklagenswaardig door de manier waarmee anderen er mee omgaan. Vooral Arme Nelly stelt duidelijk dat Nelly (Nelli) het hoofdpersonage bij uitstek is, terwijl zij in de brontekst niet centraler staat dan Nataša. Door het naar voren schuiven van één vrouwelijk hoofdpersonage, dat bovendien een Angelsaksische naam draagt, vertoont Arme Nelly opvallende verwantschap met titels van zedenkundige werken à la Richardson, die grotendeels een vrouwelijk leespubliek viseerden.[69] Het is dus aannemelijk dat de uitgever, Holdert, of de vertaalster, Mme La Bastide, deze doeltekst wilde inschrijven in de sentimentele romantraditie. Overigens is dit niet zo vergezocht, aangezien Unižennye i oskorblënnye, waarvan de tweeledige, poëtische titel reminiscenties kan oproepen aan Jane Austens Pride and Prejudice of Sense and Sensibility, inderdaad een sterke sentimentele, zelfs melodramatische inslag heeft. Dit betekent echter niet dat Dostoevskijs eerste post-Siberische roman naar alle maatstaven past in het keurslijf van de zedenkundige romans.[70]
Terwijl de verschuivingen waardoor de titels Schuld en boete en De speler. De gedenkschriften van een gouverneur gekenmerkt worden, bescheiden zijn, en de identificatie van deze teksten als vertalingen van respectievelijk Prestuplenie i nakazanie en Igrok. Roman (Iz zapisok molodogo čeloveka) geenszins in de weg staan, zijn de titels De echtgenoot, De onderaardsche geest, De misleide, Arme Nelly en Uit Siberië dermate vervormd ten opzichte van de overeenkomstige originelen, dat ze door de lezers niet licht geïdentificeerd kunnen worden als vertalingen van de overeenkomstige bronteksten. Bovendien verwijzen deze vijf doelteksten evenmin op een andere plaats dan op de titelpagina’s naar de titels van de overeenkomstige bronteksten, zoals vandaag de dag wel gebruikelijk is. Duidelijk is dat de verantwoordelijke uitgevers, respectievelijk Cohen Zonen, Rössing, Brinkman, Holdert en Warendorf, er geen graten in zagen om de lezers de mogelijkheid te ontnemen om de doelteksten efficiënt te associëren met de overeenkomstige bronteksten, die in literaire overzichten zoals die van Ten Brink (1886) onder adequater vertaalde titels aan bod kwamen.
‘A literature which pays […] little heed to adequacy in its own concept of translation is hardly apt to bother with the non-adequacy of the mediating texts as translations,’ zo neemt Toury (1995: 133) aan. Als zodanig kan de empirisch vastgestelde tolerantie binnen de Nederlandse literatuur om de vertaalde status van de doelteksten in obscuriteit te hullen – door de reële brontaal, de titel van de brontekst, en in enkele gevallen ook de naam van de vertaler achter te houden voor het leespubliek – beschouwd worden als een indicatie dat vertaaladequatie voor de vertalers en uitgevers in kwestie niet van primordiaal belang was. De enige doeltekst waarop deze analyse in geen enkele mate betrekking heeft is Witte nachten, aangezien op de titelpagina hiervan zowel de reële brontaal, een identificeerbare titel als de vertaler vermeld staan.
De uitgevers van de intermediaire teksten tonen zich integendeel over het algemeen gevoelig zorgzamer in het etaleren van de vertaalde status: in de regel vermelden zij wel de reële brontaal, de naam de vertaler en een identificeerbare titel. De enige intermediaire teksten die op basis van de titelpagina’s niet op het eerste gezicht herkend kunnen worden als vertalingen van de overeenkomstige bronteksten zijn L’esprit souterrain en Der Hahnrei. Ten eerste suggereert deze vaststelling dat de positie die Dostoevskij bekleedde binnen de Russische literatuur door de Franse en Duitse literaire actoren wél relevant werd bevonden. Ten tweede voedt deze vaststelling het vermoeden – indien men tenminste voor een tweede maal de bovenstaande assumptie van Toury onderschrijft – dat aan adequatie bij het vertalen van Dostoevskij zowel in de Duitse als in de Franse literatuur meer belang werd toegekend dan in de Nederlandse literatuur.
Zoals Genette (1987: 120-46) aantoont, heeft de traditie om literaire werken op te dragen aan personen een rijke geschiedenis, die aanvangt in de klassieke oudheid. Terwijl de opdracht in oorsprong de functie van economische hommage had, richt deze paratekst zich vanaf de 19e eeuw in de regel op het afficheren van een relatie tussen de auteur en de persoon aan wie de opdracht gericht is. In dit verband merkt Genette (1987: 138-9) op:
De toute évidence, si la fonction directement économique de la dédicace a aujourd’hui disparu, son rôle de patronage ou de caution morale, intellectuelle, ou esthétique s’est maintenue pour l’essentiel: on ne peut, au seuil ou au terme d’une œuvre, mentionner une personne ou une chose comme destinataire privilégié sans l’invoquer de quelque manière […], et donc l’impliquer comme une sorte d’inspirateur idéal.
Het BT-corpus bevat slechts één werk dat van een opdracht voorzien is. Brat’ja Karamazovy, dat door Dostoevskij is opgedragen aan zijn tweede en laatste echtgenote, Anna Grigor’evna Dostoevskaja. Aangezien zij geen publieke figuur was, behoort ze volgens de terminologie van Genette (1987: 134) tot de categorie van de ‘dédicataires privés’. Ongetwijfeld wilde Dostoevskij met deze opdracht enerzijds aan zijn echtgenote zijn erkentelijkheid uitdrukken voor haar morele en praktische steun – waaraan hij volgens zijn biografen met name in zijn laatste levensfase veel te danken had –, en anderzijds aan het leespubliek te kennen geven dat de publicatie van Brat’ja Karamazovy niet mogelijk was geweest zonder de bijdrage van zijn echtgenote.
Hoewel bezwaarlijk gesteld kan worden dat de opdracht van Bra’tja Karamazovy tot een beter begrip van de roman zelf leidt, hebben de uitgevers van de intermediaire teksten – al dan niet op voorspraak van de vertalers – geopteerd voor het behoud van deze paratekstuele informatie (zie fragment 16). Hiervoor werd zowel door Plon als door Fasquelle zelfs een aparte pagina voorzien. Daarbij valt op dat de achternaam van Dostoevskijs echtgenote door Bienstock en Torquet genaturaliseerd werd, in die zin dat de vrouwelijke uitgang vermannelijkt is – wat de identificatie van de persoon aan wie de opdracht gericht is als een familielid van Dostoevskij voor een westers doelpubliek vergemakkelijkt. Halpérine-Kaminsky en Morice hebben zich daarentegen beperkt tot een transcriptie van de achternaam Dostoevskaja. In beide vertalingen is de vadersnaam behouden, hoewel deze categorie in de Franse cultuur onbestaande is. In de vertaling van Anna van Gogh-Kaulbach, op zijn beurt, is de opdracht van Dostoevskij aan zijn echtgenote simpelweg achterwege gelaten.
Fragment 16. De gebroeders Karamazow
|
Посвящается Анне Григорьевне Достоевской[71] (XIV: 5) |
Dédié à Anna Gregorievna Dostoï-evskaïa (Les frères Karamazov 1888: [vii])
A Anna Grigorievna Dostoïevski (Les frères Karamazov 1906) |
/ (De gebroeders Karamazow 1913) |
Uit de historische excursie van Genette (1987: 147-52) blijkt duidelijk dat het motto minder diepe wortels heeft dan de opdracht. Volgens zijn analyse heeft dit type parateksten zijn weg gevonden in het narratieve proza via het Angelsaksische genre van de gothic novel.[72] In de Franse literatuur heeft het motto ingang gevonden in het begin van de 19e eeuw. Het kende een grote verspreiding dankzij auteurs als Stendhal en Balzac, die er kwistig mee omsprongen. In het oeuvre van Flaubert en Zola is het motto dan weer praktisch afwezig. ‘La parenthèse ouverte par Ann Radcliff et Walter Scott se referme à peu près au milieu du XIXe siècle,’ zo stelt Genette (1987: 152) vast.
De meest courante plaats voor een motto is in de grenszone tussen de titelpagina en de eigenlijke prozatekst. Aanvankelijk kon dit type parateksten, althans in de Franse traditie, ook ondergebracht worden op de titelpagina zelf.[73] In deze twee gevallen betreft het – in de terminologie van Genette (1987: 152) – ‘épigraphes liminaires’ of inleidende motto’s, die het verwachtingspatroon van de lezer beïnvloeden nog voor deze de lectuur van de eigenlijke tekst heeft aangevat. Minder frequent worden motto’s geplaatst binnen de grenzen van de tekst, bij de hoofdstukken. Het laatste type motto’s, waarvan ook bij Dostoevskij voorbeelden te vinden zijn,[74] worden hier buiten beschouwing gelaten. In de regel bestaan motto’s uit citaten en een verwijzing naar hun auteur. Minder voor de hand liggend zijn de functies die door motto’s kunnen worden uitgeoefend. Genette (1987: 159-63) onderscheidt er vier. Ten eerste kan het motto bedoeld zijn als commentaar op de titel – wat bij het ontstaan van dit type parateksten in zwang was. Gecanoniseerd is echter de tweede functie: het motto als commentaar op de tekst zelf. De derde functie bestaat in de activering van associaties door de naam van de geciteerde auteur, die belangrijker kan zijn dan het eigenlijke citaat. De vierde functie heeft simpelweg te maken met de aanwezigheid van een motto, die volgens Genette (1987: 163) op zichzelf een indicatie vormt van de stijlperiode, het genre of de strekking van het werk.
Het BT-corpus bevat drie teksten met inleidende motto’s. Twee daarvan behoren tot het vroege, sentimentele oeuvre van Dostoevskij: Bednye ljudi en Belye noči. De overige titel is zijn rijpste werk, Brat’ja Karamazovy. Het motto van het eerstgenoemde werk bevat een citaat uit een werk van vorst Vladimir Odoevskij, die beschouwd kan worden als een van de hoofdvertegenwoordigers van het Duitse idealisme in Rusland. Dit motto kan een dubbele functie vervuld hebben: enerzijds Bednye ljudi in verband brengen met het Duitse idealisme, anderzijds de gunst winnen van Odoevskij en zijn bewonderaars. Overigens heeft het motto Dostoevskij geen windeieren gelegd, aangezien Odoevskij in de hoedanigheid van criticus zijn debuut mee tot een succes heeft gemaakt.[75] Ook het motto van Belye noči bevat een citaat van een contemporaine Russische schrijver. Ditmaal echter van Turgenev, die in het midden van de jaren 1840 reeds een zekere reputatie had en zelf ook al geëxperimenteerd had met dromers als hoofdpersonages.[76] Naast de derde en de vierde functie lijkt ook de tweede functie hier belangrijk te zijn: het motto kondigt aan dat het verhaal in kwestie over de liefde gaat. In het geval van Brat’ja Karamazovy lijkt de tweede functie te primeren: het motto kan bedoeld zijn als sleutel tot de roman, die echter onvoltooid is gebleven. Het vergt weinig fantasie om de stervende graankorrel in verband te brengen met Alëša, indien men tenminste in aanmerking neemt dat Dostoevskij van dit personage in het volgende deel een revolutionair wilde maken.[77] Daarnaast is zeker ook de derde functie van tel: door een citaat te kiezen uit de Schrift, maakt Dostoevskij zijn lezer duidelijk dat in het boek religie gethematiseerd wordt.
Uit descriptief vertaalonderzoek blijkt dat de vertaler van Arme Leute het motto van Bednye ljudi hoogst adequaat heeft weergegeven (zie fragment 17). Van den Hoek, die verantwoordelijk was voor de Nederlandse vertaling, heeft de intermediaire tekst hierin nauw gevolgd, al heeft hij zich kleine denotatieve afwijkingen toegestaan. Deze adequatie is des te betekenisvoller, daar Odoevskij bij het Nederlandse leespubliek nooit noemenswaardige bekendheid heeft genoten.
Fragment 17. Arme menschen
| Ох уж эти мне сказочники! Нет чтобы написать что-нибудь полезное, приятное, усладительное, а то всю подноготную в земле вырывают!.. Вот уж запретил бы им писать! […] Кн. В. Ф. Одоевский[78] (I: 13)
|
“Ach! diese Geschichtenschreiber! Wenn sie noch etwas Nützliches, Angenehmes, Ergötzliches schreiben würden, – aber da graben sie alle Geheimnisse aus der Erde heraus!… Ich würde ihnen verbieten, zu schreiben! […]”
Fürst W. Odojewsky. (Arme Leute 1887: 1) |
“Ach! die romanschrijvers! Als zij nog iets nuttigs, iets aangenaams wisten te schrijven, – maar zij graven slechts alle geheimenissen op, die in de aarde begraven liggen!…. Ik zou hun willen verbieden om te schrijven! […]”
Vorst W.F. Odojewsky. (Arme menschen 1887: 1) |
Hoewel Turgenev, in tegenstelling tot Odoevskij, wel enig prestige had in het Nederlandse taalgebied en Stokvis zich bovendien profileerde als een vertaler met zin voor adequatie,[79] blijkt het motto van Belye noči niet terecht gekomen te zijn in Witte nachten (zie fragment 18). Vanzelfsprekend is daarmee ook de met het motto samenhangende functie verloren gegaan – al lag die buiten de historische en culturele context minder voor de hand. Frank (1979: 346) analyseert Belye noči, waarin het spanningsveld tussen idealen en realisme gethematiseerd wordt, op overtuigende wijze als ‘Dostoevsky’s vibrantly poetic contribution to the attack on Romantic mechtatelnost [dromerigheid] so common in Russian literature of the late 1840s’. Het aan Turgenev ontleende motto is dan ook eerder te begrijpen als een ironisch knipoog dan als plat eerbetoon. Mogelijk vreesde Stokvis dat dit de Nederlanders anno 1907 zou ontgaan, en vond hij het daarom opportuun om het motto onvertaald te laten. In ieder geval doorprikt de vastgestelde eliminatie de illusie dat een rechtstreekse vertaling automatisch adequater is dan een onrechtstreekse.
Fragment 18. Witte nachten
| Иль был он создан для того,
Чтобы побыть хотя мгновенье Ив. Тургенев[80] (I: 102) |
/ (Witte nachten 1907) |
Het Bijbelcitaat in Brat’ja Karamazovy deed in mindere mate dan bijvoorbeeld het motto van Belye noči beroep op kennis over de Russische cultuur. Niettemin werd ook dit motto eenvoudigweg genegeerd bij de vertaling in het Nederlands. Deze vaststelling kan verbazen, aangezien in beide intermediaire vertalingen het motto wél adequaat is weergegeven (zie fragment 19). De indruk is gewekt dat getrouwheid aan de Franse vertalingen voor Van Gogh-Kaulbach, die ook al Dostoevskijs echtelijke opdracht schrapte, minder belangrijk was dan ze zelf beweerde in haar lezersbrief in De Amsterdammer.
Fragment 19. De gebroeders Karamazow
|
Истинно, истинно говорю вам: если пшеничное зерно, падши в землю, не умрет, то останется одно; а если умрет, то принесет много плода. (Евангелие от Иоанна, гл. XII, ст. 24)[81] (XIV: 5)
|
En vérité, en vérité, je vous dis: si le grain de froment ne meurt après qu’il a été jeté dans la terre, il demeure seul; mais s’il meurt, il porte beaucoup de fruit.
(Saint Jean, XII, 24.) (Les frères Karamazov 1888: [iv])
En vérité, je vous le dis: si le grain de froment ne meurt après qu’on l’a jeté dans la terre, il demeure seul; mais s’il meurt il porte beaucoup de fruits. Evangile selon St-Jean, XII-24. (Les frères Karamazov 1906: [iii]) |
/ (De gebroeders Karamazow 1913) |
Een van de laatste te behandelen typen parateksten is het voorwoord, dat door Genette (1987: 164) gedefinieerd wordt als ‘toute espèce de texte liminaire (préliminaire ou postliminaire), auctorial ou allographe, consistant en un discours produit à propos du texte qui suit ou qui précède’. Voorwoorden komen in verschillende vormen voor en kunnen in principe bij iedere nieuwe uitgave van een bepaald werk verschijnen of verdwijnen. Bij een nadere bepaling onderscheidt Genette (1987: 181-97) drie rollen die de ‘destinateurs’ van voorwoorden kunnen opnemen: auctorieel, actorieel of allografisch, respectievelijk die van auteur, die van handelend personage of die van een derde persoon. De rollen kunnen worden opgenomen in ieder van de drie volgende regimes: authentiek, fictief of apocrief. Dit wil zeggen dat de rol in kwestie wordt toegewezen aan, respectievelijk, een reëel bestaande persoon die daadwerkelijk de auteur van het voorwoord is, een fictief personage, of aan een reëel bestaande persoon die in werkelijkheid niet de auteur is van het voorwoord. Op die manier zijn in totaal negen verschillende soorten voorwoorden denkbaar.
Figuur 11. Soorten voorwoorden in de onderzoekscorpora
| Auctorieel | Allografisch | Actorieel | |
| Authentiek | Zapiski iz podpol’ja* | Raskolnikow; Erniedrigte und Beleidigte (1885);
Souvenirs de la maison des morts; Schuld en boete |
/ |
| Fictief | Brat’ja Karamazovy | Zapiski iz mërtvogo doma*; Souvenirs de la maison des morts*;
Aus dem todten Hause 1886;Aus dem todten Hause 1890; Uit Siberië; Uit het doodenhuis |
/ |
| Apocrief | / | / | / |
In de verzamelde onderzoekscorpora zijn drie van deze negen voorwoordsoorten vertegenwoordigd: één brontekst bevat een auctoriëel fictief voorwoord; vier teksten, meer bepaald drie intermediaire teksten en één doeltekst, worden ingeleid door een allografisch authentiek voorwoord; vier teksten, twee intermediaire teksten en twee doelteksten, bevatten een allografisch fictief voorwoord. Daarnaast zijn in sommige werken teksten terug te vinden die niet formeel, maar wel functioneel bestempeld kunnen worden als voorwoord. Eén brontekst en één intermediaire vertaling worden ingeleid door een tekst met de functie van allografisch fictief voorwoord. Tot slot bevat één brontekst een tekst die de functie heeft van auctorieel authentiek voorwoord. Zie figuur 11, waarin de titels die enkel een voorwoord bevatten in functionele zin voorzien zijn van een asterisk.
Het ligt voor de hand om eerst het allografisch authentieke voorwoord te bespreken, aangezien het paratekstueel karakter van dit teksttype meer uitgesproken is dan dat van het auctoriëel authentiek voorwoord, het auctoriëel fictief voorwoord en het allografisch fictief voorwoord, die ondanks de fysieke afstand integraal deel uitmaken van Dostoevskijs prozatekst. De allografische authentieke voorwoorden kunnen op basis van het auteurschap in drie subcategorieën onderverdeeld worden: Schuld en boete wordt ingeleid door de uitgever, Rössing, het voorwoord van Souvenirs de la maison des morts is geschreven door een criticus, namelijk De Vogüé, en de voorwoorden van Raskolnikow en Erniedrigte und Beleidigte zijn geschreven door vertalers, respectievelijk door Henckel en door Jürgens.
Op de inhoud van het voorwoord van Schuld en boete werd al eerder ingegaan: het bevat lovende citaten van een aantal vooraanstaande Duitse critici, waarmee Rössing de Nederlandse lezers en critici welwillend hoopte te stemmen voor de ontvangst van Dostoevskij – wat geen eenduidig succes is gebleken. Het feit dat geen enkele andere doeltekst dan Schuld en boete een authentiek allografisch voorwoord bevat, is een betekenisvolle vaststelling. Uitgevers van vertalingen gericht op acceptabiliteit zijn in de regel immers minder geneigd om voorwoorden in te lassen dan uitgevers van vertalingen gericht op adequatie. De reden hiervoor is dat voorwoorden de aandacht van de lezer vestigen op de vertaalde status, en dus op de vreemde origine van het vertaalde werk in kwestie. Vanzelfsprekend geldt dit in meerdere mate voor voorwoorden geschreven door vertalers, waarin zij de selectie en de vertaalstrategie toelichten, dan voor een voorwoord zoals dat van Rössing, dat enkel een aanbevelende functie vervult en dus gelijkgesteld kan worden met een reclameadvertentie. In die zin kan quasi-afwezigheid van authentieke allografische voorwoorden in de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij beschouwd worden als een indicatie dat adequatie voor de uitgevers niet voorop stond. Kennelijk vonden zij het geen enkele maal nodig om de lezers in te lichten over de biografie van de auteur en de genese van de gepubliceerde werken, wat ten minste in het geval van Uit het doodenhuis voor misverstanden heeft gezorgd.[82] Deze praktijk steekt schril af bij die van uitgeverij Plon in Frankrijk, die voor verscheidene voorwoorden op vertalingen van Dostoevskij een beroep deed op de competentie van De Vogüe. Het voorwoord dat hij schreef op de intermediaire tekst Souvenirs de la maison des morts, werd al eerder inhoudelijk besproken: het vervult niet zozeer een aanbevelende, als wel een verantwoordende en toelichtende functie.
Het voorwoord geschreven door een vertaler wordt hier beschouwd als een subcategorie van het authentieke allografische voorwoord. Toch vertoont dit type parateksten, zoals Genette (1987: 267) suggereert in een voetnoot, affiniteiten met het authentieke auctoriële voorwoord: de vertaler is in zekere zin namelijk de auteur van zijn vertaling. De enige twee vertalingen van de onderzoekscorpora die een voorwoord van de vertaler bevatten, zijn van Duitse makelij: Raskolnikow en Erniedrigte und Beleidigte (1885).[83] Aan het voorwoord dat Henckel (1882a: vii-viii) schreef op de vertaling waarmee Dostoevskij zou doorbreken in het Duitse taalgebied werd eerder al aandacht geschonken, omdat hij zich erin verontschuldigt voor het vertaald hebben van een werk waarin met Duitsers systematisch de spot wordt gedreven. Zijn verzekering aan het adres van de lezer ‘daß einiges zu Grelle gemildert und manches ganz fortgelassen wurde’ is vanuit vertaalwetenschappelijk opzicht van bijzondere waarde. Het is vooreerst een duidelijke aanwijzing dat waar de nationale trots in het spel was, vertaaladequatie van ondergeschikt belang was. Ten tweede getuigt deze verantwoording van de wens om de hier toegepaste vertaalstrategie aan de lezer kenbaar te maken. Overigens bekent Henckel (1882: vii) zijn bemiddeling niet beperkt te hebben tot de fragmenten waarin Duitse personages belachelijk gemaakt worden; hij heeft het ook over ‘wenige Kürzungen, im Interesse des deutschen Lesers’, die echter niet in de tekst gesitueerd worden. Een soortgelijke toelichting bij de vertaalstrategie is aanwezig in de ‘Einleitung’ die Jürgens (1885: 6) in Erniedrigte und Beleidigte heeft geplaatst. Nadat hij het werk gesitueerd heeft in het leven van Dostoevskij, heeft hij het namelijk over ‘einige Kürzungen’ in zijn vertaling. Deze worden echter niet nader gespecificeerd.[84] Daarentegen wordt in geen enkele Nederlandse vertaling de gehanteerde vertaalstrategie toegelicht in een voorwoord. Zelfs niet in de vertalingen Schuld en boete en De misleide, die nochtans gebaseerd zijn op Raskolnikow en Erniedrigte und Beleidigte (1885).[85] De vaststelling dat de Nederlandse uitgevers de gehanteerde vertaalstrategieën hulden in obscuriteit, ook wanneer Duitse tussenvertalingen gebruikt werden die in voorwoorden gepresenteerd werden als in mindere of meerdere mate gericht op acceptabiliteit, is een aanwijzing te meer dat vertaaladequatie niet hun hoogste bekommernis was.
Het onderzoekscorpus bevat één tekst met een voorwoord dat toegeschreven is aan de auteur van de tekst: Brat’ja Karamazovy, die begint met twee pagina’s ‘от автора’ (vanwege de auteur).[86] De toekenning van het auteurschap behoort echter tot het fictionele, aangezien deze peritekst zich niet zozeer aan de lezer aanbiedt als een pennevrucht van de reële schrijver, Dostoevskij, als wel van een door hem bestierde biograaf. Wel is het onderscheid tussen Dostoevskij en de fictionele verteller, die in het boek af en toe spreekt als ik-figuur, niet bijster scherp. Volgens Frank (2003: 573), die hierin de onderzoekster Vetlovskaja volgt, heeft Dostoevskij dit vaag onderscheid tussen hemzelf en de verteller doelbewust nagestreefd om publicistische redenen, meer bepaald ‘because this indistinction allowed him to express his own opinions in a veiled and seemingly naïve and innocent fashion’. Deze analyse vertoont nauw verwantschap met het volgend commentaar van Genette (1987: 282) over de functies van fictionele voorwoorden: ‘rien n’interdit à l’auteur (réel) de la préface d’y dire ou d’y faire dire à propos du texte dont il est également l’auteur réel diverses choses qu’il pense sérieusement’.
In het voorwoord van Brat’ja Karamazovy wijst Dostoevskij bij monde van zijn fictionele auteur op het belang van één personage in het bijzonder: Aleksej Fëdorovič Karamazov. Hij werpt de retorische vraag op waarom twee romans te wijden aan zulk een bescheiden en onbestemde held. Hiermee geeft hij te kennen dat er een vervolg op Brat’ja Karamazovy zal komen – een plan dat door zijn overlijden echter in het water is gevallen. Tevens motiveert hij de ondergeschikte rol die Alëša speelt in deze eerste roman: in de tweede roman, die gebeurtenissen zal beschrijven ‘в наше время’ (in onze tijd), zou hij een belangrijker rol spelen. Duidelijk is dat het voorwoord verschillende functies vervult: het is een leesinstructie, in die zin dat het hoofdpersonage expliciet wordt aangewezen, het dient als rechtvaardiging voor de roman, zonder welke het vervolg onbegrijpelijk zou zijn, en het sluit met de lezer een ‘contrat de véridicité’[87] af, door over Alëša te spreken alsof het een reëel bestaande mens is. Het belangrijkst van al is het voorwoord wellicht omdat de lezer er kennis maakt met de verteller zelf, wiens bijzonder taalgebruik, zoals Frank (2003: 573) argumenteert, de eigentijdse Russische lezer welwillend moest stemmen voor essayistische trekken door associaties op te roepen met het genre van de hagiografie, waarin een prekerige toon de norm is.
Bij het bespreken van de stilistische middelen die Dostoevskij inzette om zijn verteller een eigen taalgebruik te schenken, dat enerzijds hagiografisch aandoet en anderzijds vlot leesbaar blijft, merkt Frank (2003: 573) op: ‘Many of these stylistic devices are of course lost in translation’. Des te meer dringt de vraag zich op hoe de Franse vertalers en de Nederlandse vertaalster het auctorieel fictief voorwoord van Brat’ja Karamazovy vertaald hebben. Het antwoord hierop is kort: Halpérine-Kaminsky en Morice, Bienstock en Torquet, en logischerwijs ook Van Gogh-Kaulbach, blijken allen geopteerd te hebben voor een gemakkelijke, inkortende ingreep: van het voorwoord is in hun vertalingen geen enkel spoor terug te vinden. De grootste consequentie hiervan is – behoudens het verlies van de andere met het voorwoord verbonden functies – dat de ik-verteller naar de achtergrond verdwijnt. Deze verschuiving, die allerminst getuigt van een streven naar vertaaladequatie, suggereert dat de Franse vertalers van Brat’ja Karamazovy de narratieve instantie die door Dostoevskij in het leven was geroepen als schild tegen de toorn van antimoralistische critici, ongeschikt achtten voor een Frans leespubliek. Bij gebrek aan een andere intermediaire tekst zag Van Gogh-Kaulbach, op haar beurt, zich gedwongen om deze eliminatie uit onwetendheid te onderschrijven.
Zapiski iz mërtvogo doma bevat een inleiding van vier pagina’s lang, geschreven door een ik-personage dat zichzelf presenteert als de vinder en uitgever van het manuscript.[88] Aangezien deze inleiding is ondergebracht binnen de eigenlijke tekst, na de titel ‘часть первая’ (deel één), kan deze niet formeel bestempeld worden als een peritekst in het algemeen of als voorwoord in het bijzonder. Qua functie komt deze inleiding echter wel overeen met een allografisch fictief voorwoord. Meer bepaald met wat Genette (1987: 283) benoemt met de term ‘auctoriale dénégative’, waarmee hij verwijst naar voorwoorden die zich presenteren als een inleidend commentaar van de fictionele uitgever.
Verschillende functies kunnen bij dit type periteksten onderscheiden worden. De eerste, meest voorkomende functie ligt besloten in een beschrijving van de omstandigheden waarin de pseudo-uitgever in het bezit is geraakt van het betreffende manuscript.[89] Genette (1987: 284) vervolgt: ‘Les détails, plus ou moins pittoresques, de ces circonstances offrent évidemment l’occasion de récits plus ou moins développés par lesquels ce type de préface participe déjà de la fiction romanesque, fournissant à celui du texte une sorte de récit-cadre, généralement à un seul bord’. Deze analyse is uitstekend van toepassing op de inleiding van Zapiski iz mërtvogo doma, waarin de uitgever, die optreedt als ik-verteller van de raamvertelling, met gevoel voor detail de omstandigheden beschrijft waarin hij kennismaakte met de voormalige landheer Aleksandr Petrovič Gorjančikov, en hoe hij in het bezit is gekomen van zijn aantekeningen, die de rest van het boek uitmaken. De tweede functie die Genette (1987: 285) toeschrijft aan dit type voorwoorden is het becommentariëren van al dan niet aangebrachte correcties aan de tekst – wat slechts van toepassing is op Dostoevskijs werk in kwestie in die zin, dat verantwoord wordt waarom slechts één deel van de teruggevonden notities gepubliceerd worden. De derde en vierde functies zijn duidelijker geactiveerd: er worden enige biografische inlichtingen verschaft over de fictionele auteur – de lezer komt bijvoorbeeld te weten dat hij dwangarbeid in Siberië heeft verricht – en de inleiding bevat ook een commentaar op de eigenlijke tekst – meer bepaald geeft de fictionele uitgever de lezer een reden om de aantekeningen van Gorjančikov door te nemen: hoewel ze geschreven lijken door een waanzinnige werpen ze een licht op een ‘совершенно новый мир’[90] (geheel nieuwe wereld).
Bovenstaande functies zijn niet typisch voor het werk in kwestie van Dostoevskij, maar komen vaak voor bij het betreffende type voorwoorden. In zijn bespreking van de inleiding op Zapiski iz mërtvogo doma wijst Frank (1986: 217-8) echter op wat beschouwd kan worden als een vijfde, door Dostoevskij speciaal in werking gestelde functie. In de inleiding wordt namelijk uitgeweid over het leven in Siberië op een sarcastische toon, die door de Russische lezer begrepen zou zijn als een uitnodiging om in het werk tussen de regels op zoek te gaan naar verborgen betekenis. Het lijkt er inderdaad op dat Dostoevskij, die de censuur wilde passeren met een werk dat de tsaristische repressie thematiseert, op die manier vanaf de inleiding van Zapiski iz mërtvogo doma de lezer op het juiste spoor trachtte te zetten.
In de IT-corpora en het DT-corpus bevinden zich in totaal vijf vertalingen van Zapiski iz mërtvogo doma. Een eerste vaststelling betreft de materiële verhouding van de inleiding van de fictionele uitgever ten opzichte van de rest van de tekst. Enkel in Souvenirs de la maison des morts is deze inleiding net zoals bij Dostoevskij binnen het eerste deel van de tekst geplaatst. In de Duitse intermediaire teksten Aus dem todten hause (1886) en Aus dem todten Hause (1890), en in de doelteksten Uit Siberië en Uit het doodenhuis is de structurerende titel ‘часть первая’ (deel één) daarentegen niet vertaald. Ten gevolge hiervan bevindt de inleiding van de fictionele uitgever zich vóór de eigenlijke tekst. De Duitse vertalers, die door de Nederlandse vertalers gevolgd werden, blijken zich een corrigerende rol te hebben toegedicht: wat bij Dostoevskij slechts functioneel een voorwoord is, werd in vertaling ook formeel tot voorwoord gemaakt.
Een tweede vaststelling betreft verschuivingen binnen de inleiding van de fictionele uitgever. Terwijl deze peritekst in Aus dem todten Hause (1886) en Uit Siberië redelijk adequaat is vertaald, werd deze in de latere vertalingen Aus dem todten Hause (1890) en Uit het doodenhuis met ongeveer 1/4 ingekort. Meer bepaald zijn twee fragmenten van de originele inleiding geëlimineerd op initiatief van Hauff, die hierin gevolgd werd door Faassen. In het eerste fragment, dat zich uitspreidt over 35 regels,[91] staat de relatie tussen de raamverteller en Gorjančikov centraal. De eliminatie ervan maakt dat de eerste, typische functie van het betreffende type voorwoorden ondermijnd wordt. In het tweede geschrapte fragment, nog eens 13 regels,[92] wordt uitgeweid over de affectie die Gorjančikov voor het kleindochtertje van zijn hospita koesterde vanaf het ogenblik dat hij van haar te weten kwam dat haar naam Katja was. Op die manier geeft Dostoevskij subtiel te kennen dat het hoofdpersonage tot op het einde van zijn leven is blijven houden van de vrouw die hijzelf vermoordde. De eliminatie van deze tweede passage heeft dus niet enkel de psychologische karakterbeschrijving van Gorjančikov verschraald, maar ook de impliciete uitnodiging om tussen de regels te lezen afgezwakt. Mogelijk is deze laatste functie de vertalers simpelweg ontgaan. Ze waren immers gericht op het Westen, waarin, bij gebrek aan een strenge censuur op maatschappijkritiek, de traditie om tussen de regels te lezen minder ontwikkeld was dan in het 19e-eeuwse Rusland.
In dezelfde functionele zin als de inleiding van Zapiski iz mërtvogo doma een auctorieel fictief voorwoord is, kan gesteld worden dat Zapiski iz podpol’ja een auctorieel authentiek voorwoord bevat. Bij de titel van het eerste deel, ‘Подполье’ (Het ondergrondse), is namelijk een verwijzing geplaatst naar een voetnoot van 10 regels waarin Dostoevskij (V: 99) zich rechtstreeks tot de lezer richt, ditmaal zonder zich te verschuilen achter een fictieve instantie.
Op het eerst gezicht valt de belangrijkste functie die door de voetnoot vervuld wordt in de klassieke categorie die Genette (1987: 219) bestempelt als ‘contrats de fiction’, aangezien Dostoevskij hierin meteen benadrukt dat de zapiski en hun auteur fictief zijn. Ten tweede is de voetnoot duidelijk bedoeld als toelichting van de structuur van het werk. De lezer verneemt namelijk dat terwijl in het eerste deel de fictieve auteur uitweidt over zichzelf, zijn visie en de redenen van zijn verschijnen, het tweede deel enkele gebeurtenissen uit het leven van dit personage beschrijft. Volgens Frank (1986: 313-5) is de belangrijkste functie van de voetnoot nog een andere: de essentie zou besloten liggen in Dostoevskijs verzekering dat hoewel de auteur van de zapiski fictief is, hij als type in de maatschappij per definitie voorkomt, meer bepaald als nog levende vertegenwoordiger van een tijdperk dat reeds voorbij is. Hiermee zou Dostoevskij de aandacht van zijn leespubliek willen vestigen op ‘the satirical and parodistic nature of his conception’.[93] Dit zou hij echter dermate dubbelzinnig gedaan hebben, dat zijn leesinstructie – Genette (1987: 212-3) noemt dit ‘le thème du comment’ – haar doel heeft gemist; de satirisch-parodistische dimensie in Zapiski iz podpol’ja is aan het gros van de Russische lezers voor de Eerste Wereldoorlog voorbijgegaan.
Terwijl de Russische lezers van Zapiski iz podpol’ja van Dostoevskij tenminste nog een aanwijzing meekregen – zij het dan een onduidelijke – dat dit werk satirisch bedoeld is, werden zijn eerste Franse lezers in het ongewisse gelaten hoe dit eigenaardige werk geïnterpreteerd kon worden: in L’esprit souterrain (1886: 156) is de betreffende voetnoot simpelweg onvertaald gelaten. Hetzelfde geldt voor de lezers die zich behielpen met Nederlandse vertalingen: in De onderaardsche geest (1888: 144) is – wat gezien de genealogie logisch is – evenmin een spoor terug te vinden van Dostoevskijs voetnoot. Kennelijk vonden de Franse vertalers, Halpérine-Kaminsky en Morice, deze peritekst eerder storend dan functioneel. Deze eliminatie kan als volgt verklaard worden: ten eerste spreekt het fictief statuut van de zapiski en hun auteur voor zich – bij uitstek in de Franse adaptatie, aangezien de vertaling van Zapiski iz podpol’ja hierin wordt voorafgegaan door een vertaling van Chozjajka; ten tweede maakt ook de structuur van het werk zichzelf tijdens de lectuur sowieso kenbaar – bovendien is de structuur van het boek als geheel in de Franse adaptatie dermate gewijzigd dat de voetnoot van Dostoevskij enkel opgaat voor de tweede helft van L’esprit souterrain; ten derde moesten Halpérine-Kaminsky en Morice rekening houden met het feit dat de satirische-parodistische interpretatie in een Franse context nog moeilijker overgebracht kon worden dan dit in de Russische al het geval was – indien ze de voetnoot überhaupt al begrepen hadden.
Nu de preliminaire periteksten van de bronteksten, de intermediaire teksten en de doelteksten van de onderzoekscorpora in comparatief perspectief zijn geanalyseerd, waarbij een aantal hypotheses geformuleerd is over de initiële en preliminaire normen, kan het descriptief vertaalwetenschappelijk onderzoek zich concentreren op de zogenaamde operationele normen: de concrete keuzes die de vertalers gemaakt hebben tijdens het vertalen van Dostoevskijs eigenlijke proza. Het is logisch om vooreerst op zoek te gaan naar de matrixnormen, die door Toury (1995: 59-60) als volgt omschreven worden:
So-called matricial norms may govern the very existence of target-language material intended as a substitute for the corresponding source-language material (and hence the degree of fullness of translation), its location in the text (or the form of actual distribution), as well as the textual segmentation.
Het meest voor de hand ligt uiteraard de vraag, geformuleerd door Van Gorp & Lambert (1984: 48): ‘Are the general text structures of the ‘adequate’ type (total/partial translation […])[?]’ Onduidelijk in de modellen van enerzijds Van Gorp & Lambert (1984) en anderzijds Toury (1995) is echter de kwestie in hoeverre de graad van volledigheid van een vertaling door matrixnormen dan wel door tekstueel-linguïstische normen beïnvloed wordt. In het geval van de eliminatie van een hoofdstuk in zijn geheel of één enkel woord bestaat er geen twijfel: dit betreft de matrixnormen respectievelijk de tekstueel-linguïstische normen. Maar wat te doen met de grijze zone die zich bevindt tussen het macrostructurele niveau en het microtekstuele niveau? Aangezien het in de praktijk niet altijd met grote plausibiliteit te achterhalen valt of een omissie het gevolg is van matrixnormen dan wel van textueel-linguïstische normen, of van een wisselwerking tussen beide, dringt een pragmatische houding zich op bij de presentatie van onderzoeksresultaten. In dit onderdeel wordt in de regel dan ook niet diep ingegaan op eventuele weglatingen van kleinere stukken tekst – woorden, zinsdelen, zinnen, meerdere zinnen tot en met alinea’s – die de narratieve structuur niet ingrijpend veranderen; deze komen in een apart onderdeel ter sprake.
Behalve aan de macrostructurele volledigheid wordt in dit onderdeel ruime aandacht besteed aan macrostructurele tekstkenmerken als de hoofdstukvolgorde, de verdeling van de tekst tussen de hoofdstukken, en wat Genette (1987: 297-320) ‘les intertitres’ noemt: de nummering en -betiteling van hoofdstukken. In het geval van opmerkelijke verschuivingen wordt gepeild naar de manier waarop deze de narratieve functionaliteit van de originele teksten wijzigen. Met dit oogmerk worden de originele intriges in herinnering gebracht. Tot slot wordt een poging ondernomen om de vastgestelde verschuivingen te verklaren.
De presentatie van de onderzoeksresultaten is in dit onderdeel meer nog dan eerder het geval was opgebouwd rondom de doelteksten. De volgorde waarin de doelteksten besproken worden volgt hier grotendeels de chronologie van hun publicatie. Doelteksten van één en dezelfde brontekst, zoals ten eerste De misleide en Arme Nelly en ten tweede Uit Siberië en Uit het doodenhuis, worden echter achtereenvolgens behandeld, om het leesgemak te verhogen.
Prestuplenie i nakazanie wordt door Frank (1997: 96) geïntroduceerd als ‘the first of the truly great novels of his mature period’. In deze roman wordt de lezer getuige van ‘the full flowering of the narrative form’ die de Russische schrijver begon te ontwikkelen na zijn terugkeer uit Siberië. De specificiteit ervan komt voort uit het centraal plaatsen van Raskol’nikovs psyche en de ideeën die uiteindelijk leiden tot zijn fatale transgressie. Ook de andere tekstkenmerken, zoals de andere personages, werpen een licht op ‘the agonizing dilemma in which Raskolnikov is caught, with its inextricable mixture of tormenting passions and lofty rationalizations’.[94] Het boek begint in medias res. Vrijwel meteen wordt de lezer op de hoogte gesteld van het moordplan van Raskolnikov. De suspense in het boek wordt, eenmaal de dubbelmoord gepleegd is, verzekerd door het voortdurende steekspel tussen de onderzoeksrechter Porfirij Petrovič en de jonge crimineel. De intrige, die ten dienste staat van Dostoevskijs polemiek met het nihilistische gedachtegoed, bevat echter een groot aantal zijsprongen, waarvan de relevantie niet altijd voor de hand ligt. De hoofdfunctie van deze passages is volgens Frank (1997: 98), die voor de gelegenheid te leen gaat bij Roland Barthès, ‘“l’effet du réel”, the illusion that the novelist is conveying what the reader will recognize as “real life” in all its diffuse abundance’. Dostoevskij ging hierin in Prestuplenie i nakazanie dermate ver, dat men kan zeggen dat hij een nieuw soort realisme heeft gecreëerd.
Het eigenzinnige realisme dat Dostoevskij in het leven riep in Prestuplenie i nakazanie helpt de omvang van de roman te verklaren. Deze bestaat uit zes delen en een epiloog. Ieder van de zes delen is onderverdeeld in een aantal hoofdstukken die elk getiteld zijn met een Romeins nummer. De eerste twee delen bevatten elk zeven hoofdstukken, delen drie en vier bevatten elk zes hoofdstukken, deel vijf omvat vijf hoofdstukken en deel zes, op zijn beurt, bevat acht hoofdstukken. De epiloog, tot slot, is onderverdeeld in twee hoofdstukken. Uit descriptief vertaalonderzoek blijkt dat Henckel, de vertaler van Raskolnikow, deze verdeling in hoofdstukken en de nummering ervan hoogst adequaat heeft weergegeven. De enige noemenswaardige structurerende ingreep van zijn kant is de toevoeging van ‘Ende’ op het einde van Raskolnikow (III: 309). Dezelfde vaststelling gaat op voor Kuknos, die de vertaling Schuld en boete verzorgde; in navolging van Henckel heeft hij de narratieve structuur van Prestuplenie i nakazanie adequaat weergegeven. Ook zijn vertaling sluit klaar en duidelijk af – meer bepaald met de woorden ‘einde van het derde en laatste deel’.[95]
Zoals eerder aangehaald, geeft Henckel (1882: vii) in het voorwoord van zijn vertaling aan dat hij Dostoevskijs roman enigszins heeft ingekort. Interessant genoeg suggereert de manier waarop hij dit formuleert dat hij eerder de noodzaak voelde te verantwoorden waarom hij de roman zo weinig heeft ingekort, dan wel waarom hij deze überhaubt heeft ingekort: ‘Ich habe mir nur wenige Kürzungen, im Interesse des deutschen Lesers erlaubt, da ich das Ganze möglichst so wirken lassen wollte, wie der Verfasser selbst es beabsichtigte’. Uit descriptief vertaalonderzoek blijkt dat deze woorden geen holle retoriek zijn: met zijn in totaal 876 pagina’s is Raskolnikow een vrijwel volledige vertaling van Prestuplenie i nakazanie. Wel zijn her en der zinsdelen en volzinnen en enkele malen zelfs passages van tientallen regels gesneuveld. In totaal gaat het over niet meer dan 150 regels van de brontekst, die verspreid zijn over een vijftiental min of meer substantiële coupures.[96] Dit komt neer op ongeveer 0,5 % van de tekst.[97] Rekening houdend met de verantwoording van Henckel, lijken deze omissies eerder plaatsgevonden te hebben ondanks dan dankzij de dominante matrixnormen.[98] Kuknos, op zijn beurt, heeft op geen enkel punt de vertaling van Henckel noemenswaardig ingekort. Het 714 pagina’s tellende Schuld en boete is dus evenals Raskolnikow een quasi volledige vertaling van Prestuplenie i nakazanie; de passages van het origineel die niet in hun totaliteit in de doeltekst zijn terechtgekomen zijn uiterst dun gezaaid.[99]
Enigszins overdreven, maar niet zonder grond van waarheid is de bewering van Frank (1976: 137) dat geen enkel literair debuut zo veel bediscussieerd is geweest als Bednye ljudi. Belangrijk om de sensatie te begrijpen die deze roman teweegbracht bij de eigentijdse landgenoten van Dostoevskij, is het besef dat het sociaal-realistische thema in de jaren 1840 in de Russische literatuur pas haar intrede had gedaan. Als zodanig gold Bednye ljudi als een innovatief antwoord op het romantische paradigma dat door toonaangevende critici als Belinskij verguisd werd.
De plot van Bednye ljudi is van een bijzondere eenvoud: een arme oude kopiist, Devuškin, stelt alles in het werk om het bestaan van de jonge meid Varvara, waarmee hij een of andere familiale band heeft, lichter te maken. Van zijn kant is er duidelijk verliefdheid in het spel, maar door het grote leeftijdsverschil is het sociaal onwenselijk dat de twee een relatie aangaan. Daarom communiceren ze per brief, hoewel ze in dezelfde straat wonen. Uiteindelijk gaat Varvara echter om pragmatische redenen een liefdeloos huwelijk aan met een oude bemiddelde man. Deze neemt haar mee naar de provincie, waardoor Devuškin alleen achter blijft. Deze narratieve lijn, alsook de details van het dagdagelijkse leven van arme mensen die in de correspondentie tussen de oude man en zijn vriendin ter sprake komen, evoqueren wat Frank (1976: 143) noemt ‘an image of the same unavailing struggle to keep afloat humanly in the face of crushing circumstances’.
Veel minder revolutionair dan de sociale thematiek was de epistolaire vorm waarin Dostoevskij zijn roman heeft gegoten. Volgens Frank (1976: 149) was de keuze voor de briefroman onverwacht en zelfs een anachronisme. Dit genre was in het begin van de 19e eeuw door de dramatische roman à la Walter Scott namelijk enigszins in onbruik geraakt, hoewel schrijvers als Balzac en Sand, door de jonge Dostoevskij erg bewonderd, van de epistolaire techniek toch nog gebruik durfden te maken. In de eerste helft van de 19e eeuw was het epistolaire genre, dat succesvol was geworden met romans als Clarissa Harlowe van Richardson, Julie van Rousseau en Werther van Goethe, echter stilaan synoniem geworden voor romantisch of zelfs sentimentalistisch proza waarin de zedelijke en spirituele superioriteit aangetoond werd van aristocratische of bourgeois personages tegenover de hen omringende verdorven geprivilegieerde wereld. Het feit dat Dostoevskij voor het schetsen van een tot mislukken gedoemde romance tussen arme mensen gebruik maakte van het epistolair genre kwam dus neer op een schending van ‘the hitherto accepted conventions of narrative’.[100]
Dostoevskijs onconventionele briefroman bestaat enerzijds uit een 45-tal brieven, wisselend in omvang en nu eens geschreven door Varvara en dan weer door Devuškin, en anderzijds uit enkele bladzijden met autobiografische aantekeningen van Varvara. De brieven functioneren enigszins als hoofdstukken, in die zin dat ze de tekst visueel structureren – in de regel begint elke brief met een aanspreking van de geadresseerde en de datum, al vermelden sommige brieven, die zogezegd haastig geschreven zijn, enkel de datum.[101] De autobiografische aantekeningen van Varvara, die gepresenteerd worden als bijlage van de achtste brief, zijn onderverdeeld in twee met een Romeins cijfer genummerde hoofdstukken. Ondanks de peritekstuele drempels tussen de verschillende brieven onderling en de aantekeningen, is de materiële afstand tussen deze teksten klein gehouden: de brieven en aantekeningen volgen elkaar onmiddellijk op, slechts van elkaar gescheiden door een simpele witregel en de betreffende peritekstuele informatie.
De adequatie die Hauff heeft bereikt bij het vertalen van de macrostructurele dimensie van Bednye ljudi is redelijk hoog. Zijn tekst wordt niet gekenmerkt door middelgrote of grote coupures. Wel zijn er op microtekstueel niveau een dertigtal zinsdelen en zinnen weggevallen, die in totaal goed zijn voor een dertigtal volle regels of circa 1 % van de tekst.[102] De brieven en de aantekeningen worden in Arme Leute op een gelijkaardige manier als in het origineel gepresenteerd: de overgang tussen deze teksten is naadloos. Niettemin zijn er enkele verschuivingen op te merken voor wat betreft de macrostructuur van de briefroman: zo zijn een aantal brieven die op 1, 27, 28, 29 juli, en 15 en 19 september geschreven zijn door de Duitse vertaler ontdaan van hun datering. Hierdoor kost het de lezer extra moeite om het discours van de personages te situeren in de tijd, waardoor zijn zicht op de intensiteit van hun communicatie vertroebeld wordt. Bijvoorbeeld is het voor een juist begrip van de relatie tussen de hoofdpersonages onontbeerlijk om te weten dat er een kloof gaapt van twintig dagen tussen Varvara’s brief van 27 juli en haar voorgaande brief.[103] De lezer van Arme Leute dient dit, bij gebrek aan datering, echter zelf af te leiden uit de inhoud van de betreffende brief. Het is zeer de vraag of Hauff de dateringen in kwestie doelbewust heeft laten vallen. Aannemelijker is dat deze omissies simpelweg het gevolg zijn van een verslapping van de concentratie.
Uit een vergelijking van Arme menschen met Arme Leute en Bednye ljudi blijkt dat Van der Hoek, de Nederlandse vertaler, ongeveer dezelfde, maar toch niet helemaal dezelfde matrixnormen als Hauff heeft gehanteerd. Ten eerste komt Arme menschen qua volledigheid sterk in de buurt van Arme Leute. Op initiatief van de Nederlandse vertaling is echter een zestal bijkomende volle tekstregels weggevallen, verspreid over vier coupures.[104] Aan het totale percentage van de brontekst dat vertegenwoordigd is in de doeltekst verandert dit echter weinig. Ten tweede is de manier waarop de verschillende brieven en aantekeningen aan de lezer voorgeschoteld worden lichtjes verschillend. Tussen iedere brief is in Arme menschen immers een lijn afgedrukt – het is onduidelijk of dit het gevolg is van een beslissing van de uitgever of van de vertaler. Veel ingrijpender nog is de keuze, allicht gemaakt door de vertaler, om de autobiografische aantekeningen van Varvara los te koppelen van de brief waarvan ze in de brontekst de bijlage vormen: in de Nederlandse vertaling zijn deze notities voorzien van een titel, waarvoor bovendien een volledige titelpagina wordt uitgetrokken: ‘Herinneringen van Warwara Dobroselow’.[105] De brieven die op de aantekeningen volgen, worden hiervan gescheiden door een volledige lege pagina. Allicht waren deze macrostructurele verschuivingen in het leven geroepen met de bedoeling om het narratieve geraamte van de tekst explicieter en dus toegankelijker te maken voor de lezer. Het neveneffect van de toevoeging van de betreffende periteksten is echter dat de door Dostoevskij gesuggereerde naïviteit en authenticiteit van de verzameling teksten die tezamen de roman uitmaken ietwat in het gedrang komen. Ten derde heeft de Nederlandse vertaler de datering van de brieven nog verder vertroebeld dan al gebeurd was in Arme leute. Een brief die bij Dostoevskij en Hauff de datum 22 juni draagt, is in Arme menschen ‘12 juni’ gedateerd, hoewel de voorgaande brief een latere datum draagt. Daarnaast werd de datering in drie bijkomende gevallen, namelijk in brieven van 19 en 21 augustus en 29 september, geëlimineerd. Aangezien deze inconsequente omissies bezwaarlijk verklaard kunnen worden door operationele vertaalnormen, geldt ook hier het vermoeden dat verstrooidheid hiervan oorzaak was. Toch is de vastgestelde gebrekkige datering significant: het is een indicatie dat de doeltekst niet onderworpen is aan een nauwgezette revisie vooraleer uitgegeven te worden.
Eerder al werd aangegeven dat De onderaardsche geest, de derde en laatste vertaling van Dostoevskij die door Rössing op de Nederlandse markt werd gezet, via L’esprit souterrain teruggaat op twee verschillende werken: enerzijds op de heden weinig gelezen povest’ Chozjajka, dat voor het eerst gepubliceerd werd in 1847, en anderzijds op het bekendere povest’ Zapiski iz podpol’ja, dat voor het eerst verscheen in 1864.
Chozjajka wordt door Frank (1979: 332-43) geanalyseerd als het eerste werk waarin Dostoevskij een dromer opvoert met de bedoeling het paradigma van de romantische literatuur in vraag te stellen. Meer dan waarschijnlijk liet hij zich bij de creatie van het hoofdpersonage inspireren door de Peterburgse vertellingen van Gogol’, meer bepaald door het verhaal Nevskij Prospekt. Hierin wordt de jonge kunstenaar Piskarev hopeloos verliefd op een prostituee, hij vraagt haar in een onirische reddersfantasie ten huwelijk, wordt bij wijze van antwoord in het gezicht uitgelachen en pleegt tot slot zelfmoord. De stijl en de plot van Chozjajka zijn op hun beurt in verband gebracht met Gogol’s eerste boek, Večera na chutore bliz Dikan’ki (Avonden op een hoeve bij Dikan’ka). In één van deze folkloristisch gekleurde verhalen wordt het personage Katerina opgevoerd; zij is het slachtoffer van een incestueuze relatie met haar vader, een tovenaar die haar moeder vermoordt.[106] De overeenkomst tussen deze verhalen van Gogol’ en Chozjajka is inderdaad treffend. In dit laatste verhaal wordt de dromerige, zenuwzieke jongeman Ordynov op het eerste gezicht verliefd op de mysterieuze jonge vrouw Katerina, die zich in de macht bevindt van Murin, een oudere man, die magische krachten toegedicht worden en uiteindelijk haar vader blijkt te zijn. Ordynovs pogingen om Katerina te bevrijden mislukken, waarna hij zijn zelfvertrouwen verliest en ten prooi valt aan een vorm van mysticisme. Voor de uitwerking van deze intrige heeft Dostoevskij zijn verhaal onderverdeeld in twee delen met telkens drie Romeins genummerde hoofdstukken. Terwijl het eerste deel gedomineerd wordt door mysterie – Ordynov is in de ban van Katerina, maar kent haar achtergrond niet – staat het tweede deel in het teken van de confrontatie: Ordynov stoot op zijn onmacht om Katerina te bevrijden uit de macht van Murin, hoewel die haar ongelukkig maakt.
Vandaag de dag bestaat er een consensus dat Chozjajka niet tot de artistieke successen van Dostoevskij behoort, een mening die ook door het gros van zijn tijdgenoten verkondigd werd. Frank (1979: 337) rechtvaardigt de hekel die Belinskij aan dit verhaal had door te wijzen op het overmatig gebruik van ‘Gothic and Romantic accessories’. Indien het verhaal heden door Dostoevskij-kenners geprezen wordt, dan is het in de regel slechts omdat het in veel opzichten later werk anticipeert. Met name geldt dit voor het thema van de vrijheid, dat voor de rijpere Dostoevskij zo belangrijk zal worden; de dubbelzinnige relatie tussen Katerina en Murin kan begrepen worden als een symbolische uitbeelding van de strijd van de individuele persoonlijkheid tegen de verdrukking van het Russische despotisme, die onvoorwaardelijke subordinatie eist. Ook is Chozjajka het eerste werk waarin Dostoevskij de moreel-psychologische kaart trekt, die later zijn handelsmerk zou worden. Dit doet hij onder meer door uit te weiden over het vilein genot dat Katerina uit haar eigen schuld en vernedering put. De psychische realiteit van Ordynov is echter amper uitgewerkt. Dit brengt Frank (1979: 342) tot de volgende diagnose:
Dostoevsky was not yet master of the artistic means that could have made this ‘reality’ seem anything more than what Belinsky called it – an attempt ‘to reconcile Marlinsky and Hoffmann’, in which everything was ‘far-fetched, exaggerated, stilted, spurious, and false’.
Bijna twee decennia na Chozjajka kwam Dostoevskij, die intussen in een Siberische strafkolonie de ervaring van zijn leven had opgedaan en zichzelf na een decennium afwezigheid opnieuw op het literaire toneel had geplaatst met enkele werken waarin tijdgenoten vooral continuïteit zagen, voor de dag met Zapiski iz podpol’ja. Zowel wat het publicatiejaar 1864 als wat de thematiek betreft, markeert deze povest’ (lang verhaal) de overgang tussen het vroege oeuvre van Dostoevskij en het vijftal grote filosofische romans waarop zijn hedendaagse roem hoofdzakelijk gebaseerd is: Prestuplenie i nakazanie, Idiot, Besy, Podrostok en Brat’ja Karamazovy. Het is echter niet slechts in de hoedanigheid van anticipatie van latere titels dat Zapiski iz podpol’ja een plaats verworven heeft in de canon van de wereldliteratuur: tal van grote culturele ontwikkelingen en stromingen van de twintigste eeuw, waaronder de filosofie van Nietzsche, de leer van Freud, expressionisme, surrealisme, crisistheologie en existentialisme, zijn door hun eigen aanhangers of door buitenstaanders in verband gebracht met de ondergrondse man, het hoofdpersonage van Zapiski iz podpol’ja.[107] Bij leven van Dostoevskij kreeg Zapiski iz podpol’ja echter amper aandacht van de literaire kritiek. Aan de hand van een uitgebreide analyse toont Frank (1986: 310-47) aan dat dit werk te hermeneutisch was om door Dostoevskijs Russische tijdgenoten op waarde geschat te worden. Overigens geldt dit evenzeer, of misschien nog meer, voor latere en/of niet-Russische lezers. Het werk staat namelijk bol van de min of meer subtiele allusies en ironische wendingen, zodat de interpretatie die hijzelf in gedachten had slechts bereikt kan worden mits grote kennis van de Russische literatuur, van de Russische intelligentsia en van het gedachtegoed van Dostoevskij, telkens in diachroon perspectief.
Zapiski iz podpol’ja volgt een ongewone narratieve structuur; het is een diptiek. Het eerste deel, dat ‘Подполье’ (Het ondergrondse) getiteld is, bestaat uit elf korte titelloze hoofdstukken, die aangeduid worden met een Romeins nummer. Hierin is het woord aan de ondergrondse man, een ex-ambtenaar die zich uit de maatschappij teruggetrokken heeft in zijn woning, van waaruit hij zich tot een denkbeeldig leespubliek richt met een lange, sarcastische monoloog over zijn eigen aard, en bij uitbreiding over de aard van de mens. Dit discours wordt, zoals Frank (1986: 316-31) aantoont, gekenmerkt door een aantal fundamentele contradicties. Enerzijds verklaart hij zichzelf een aanhanger van het zuivere rationele denken – zoals dat door de Russische intelligentsia bij monde van Černyševskij gepropageerd werd. Anderzijds is zijn gedrag hiermee niet in overeenstemming. Zo lijdt hij aan een leverziekte, maar weigert hij deze te laten behandelen door een dokter. Zijn masochisme, dat hijzelf onder woorden brengt, verklaart hij door een overontwikkeld moreel bewustzijn, dat het voor hem onmogelijk maakt om welke handeling dan ook te stellen. Hij aanvaardt met zijn verstand het determinisme, maar slaagt er duidelijk niet in om zijn gedrag hiermee in overeenstemming te brengen. Door de ondergrondse man zijn masochisme tentoon te laten spreiden, zo beargumenteert Frank (1986: 320), wilde Dostoevskij duidelijk maken dat een mens, ongeacht zijn rationele overtuigingen, niet kan aanvaarden een speelbal te zijn van de natuurwetten. Een andere contradictie zit besloten in de jaloezie die de ondergrondse man naar eigen zeggen voelt voor de mensen die uit gebrek aan bewustzijn in staat zijn tot handelen, waaronder wraak nemen. In het vervolg van zijn monoloog ontwikkelt hij de gedachte dat de leer van het rationele egoïsme voorbij gaat aan een fundamentele menselijke behoefte: die van de vrijheid, die hem dierbaarder zou zijn dan zijn eigen welzijn. Vervolgens doet de ondergrondse man zijn zegje over het zogenaamde kristallen paleis, een optimistisch concept dat door Černyševskij in het leven was geroepen: hij gelooft niet in de mogelijkheid van deze idyllische samenleving, omdat de mens van nature dermate ondankbaar is, dat hij zijn eigen welzijn zou opofferen om niet zelf in het determinerende kristallen paleis te moeten leven, ook al schept hij er een genoegen in dit mee te bouwen. In hoofdstuk X, dat door de censuur zwaar gehavend werd, geeft Dostoevskij een glimp van het mogelijke alternatief voor het kristallen paleis: namelijk een maatschappij waarin de autonomie van de wil en de vrijheid van de persoonlijkheid wordt gerespecteerd. Frank (1986: 330) speculeert dat dit alternatieve ideaal in de oorspronkelijke versie duidelijker gesuggereerd werd dan voor de censoren aanvaardbaar was. Duidelijk is alleszins dat de ondergrondse man blijft revolteren tegen de ideeën die hijzelf aanhangt, dat zijn ratio niet in staat blijkt om zijn zedelijke behoeften te bevredigen. Het eerste deel eindigt met de suggestie dat hij hunkert naar iets dat hij niet kan vinden – een gedachte die aan duidelijkheid wint wanneer men er het tweede deel bijneemt.
Het tweede deel bevat tien Romeins genummerde hoofdstukken. Dit deel draagt de titel ‘По поводу мокрого снега’ (Naar aanleiding van de natte sneeuw), die ogenschijnlijk losstaat van de hierin beschreven gebeurtenissen. Het is echter aan het licht gebracht dat deze titel een symbolische betekenis heeft: op het einde van de jaren 1840, waarin de actie plaatsgrijpt, werd het beeld van de natte sneeuw door vele schrijvers gebruikt om het sombere Peterburgse landschap op te roepen. Associaties met de literatuur van de jaren 1840 worden ook opgeroepen door het motto dat bij deze titel is geplaatst: een citaat van een gedicht van N.A. Nekrasov, waarin de mannelijke weldoener de gewetenswroeging beschrijft van een prostituee die hij door zijn liefde van het verderf verlost heeft. Het gedicht wordt echter niet volledig geciteerd: de laatste regels zijn vervangen door de woorden ‘И т.д., и т.д., и т.д.’[108] (Enz., enz., enz.), wat aan de goede verstaander duidelijk maakt dat Dostoevskij geen ode wil brengen aan het sentimentele sociale romantisme van de jaren 1840, waarin de van het verderf geredde prostituees welig tierden, maar er integendeel een parodie op wil brengen.[109] Met het oog hierop spoelt hij de tijdsband terug naar de tijd waarin de ondergrondse man, die in het eerste deel optreedt als veertiger, een jongeman was van vierentwintig jaar oud. Hij is een soort van overtollige mens, zoals die in de Russische literatuur met Evgenij Onegin zijn intrede had gedaan: een jongeman die vol is van het verlangen om de mensheid vooruit te helpen, maar niet in staat is om ook maar van enig nut te zijn. De toon van het tweede deel is opmerkelijk lichter en humoristischer dan het eerste – Frank (1986: 334) noemt het ‘a tribute of the power of the received ideas […] that Dostoevsky’s sharply derisive comedy should so long have gone unnoticied’; hierin komen dan ook groteske scènes voor waarin de ondergrondse man zijn onvermogen tentoonspreidt, voortkomend uit ijdelheid, een superioriteitscomplex en een overontwikkeld bewustzijn, om met zijn medemens in een normale relatie te treden.
In het tweede deel van Zapiski iz podpol’ja wordt de monologue intérieur van de ondergrondse man afgewisseld met regelrechte actie. Hij blikt terug op zijn lyceumjaren, waarin hij slechts één vriend had, die hij trachtte te domineren. Hij droomt er letterlijk van erkend te worden als weldoener van de mensheid. Grotesk wordt het wanneer hij zichzelf uitnodigt op een samenkomst van onderling bevriende ex-klasgenoten, waarop hij zich schandelijk misdraagt door de eregast te beledigen. Hij wil zijn eer redden door deze gast uit te dagen tot een duel, om uiteindelijk in de lucht te schieten. Met dit oogmerk volgt hij zijn kennissen naar een bordeel. Hij treft hen hier echter niet aan. Daarom wreekt hij zich op een jonge prostituee, die hij een zedenles leest nadat hij van haar diensten gebruik heeft gemaakt. Zij blijkt ontvankelijk voor zijn valse woorden, en barst in tranen uit. Conform de rol van romantische weldoener die hij zichzelf heeft toegedicht, geeft hij haar zijn adres. Eenmaal thuisgekomen, maakt hij zich ongerust dat de prostituee in kwestie, Liza, hem daadwerkelijk zal komen opzoeken: dan zal blijken dat hij een lagere sociale positie bekleedt dan hij haar heeft voorgespiegeld. Uiteindelijk komt zij langs op een ogenblik dat hij in een genante ruzie verkeert met zijn knecht Apollon. Hij voelt zich dermate vernederd door haar komst, die hij als ontmaskerend ervaart, dat hij haar de smerigste verwijten naar het hoofd slingert. Haar reactie hierop is dat ze hem in haar armen sluit om hem te troosten. De ondergrondse man kan niet nalaten om haar, bij wijze van ultieme wraak, na afloop een vijfroebelbiljet toe te steken. Hij wordt echter meteen door berouw bevangen door deze smerige daad, die hem gedicteerd werd door zijn verstand. Na enige reflectie besluit hij dat Liza met de belediging goed af is, omdat ze zich erdoor gezuiverd zal voelen.
L’esprit souterrain heeft een enorme invloed uitgeoefend op het westerse denken: het is via deze vertaling dat Nietzsche voor het eerst in contact is gekomen met Dostoevskij. Zoals eerder besproken, was hij meteen razend enthousiast: deze ontdekking deed hem denken aan zijn kennismaking met Stendhal en hij prees de Russische auteur onmiddellijk als de enige die hem psychologische inzichten kon bijbrengen. De positieve leeservaring van L’esprit souterrain zette hem aan om daarna ook kennis te maken met Unižennye i oskorblënnye en Zapiski iz mërtvogo doma, en wellicht ook met Prestuplenie i nakazanie en Besy, allemaal in Franse vertaling.[110] Wat hij echter niet wist, is dat de vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice een wel zeer vergaande adaptatie is. Dat het een amalgaam betreft van Chozjajka en Zapiski iz podpol’ja werd voor het eerst opgemerkt door Minssen (1933: 16), ongeveer een halve eeuw na publicatie van de vertaling. Het duurde echter nog vier decennia vooraleer deze tekst voor het eerst onderworpen werd aan een gedetailleerde analyse, wat het initiatief was van Miller (1973). De vergelijking van L’esprit souterrain met de overeenkomstige brontekst brengt nochtans een aantal opmerkelijke macrostructurele verschuivingen aan het licht, die het de lezer nog moeilijker maken om Zapiski iz podpol’ja te interpreteren zoals Dostoevskij volgens Frank (1986: 310-47) had bedoeld.
Het eerste deel van L’esprit souterrain bestaat uit een quasi volledige vertaling van Chozjajka: inkortingen komen hierin slechts per hoge uitzondering voor, en zijn bijzonder beperkt in omvang.[111] Relevant voor de kwestie van de volledigheid is ook de vaststelling dat Halpérine-Kaminsky en Morice slechts per uitzondering een paar zinnen aan de brontekst hebben toegevoegd.[112] Van weinig bekommernis om adequatie getuigt dan weer het feit dat ze een zelf uitgevonden titel hebben toegekend aan dit verhaal: ‘Katia’, naar de vrouwelijke protagoniste waarop Ordynov verliefd is. Van de oorspronkelijke titel, Chozjajka, is nergens een glimp te bespeuren. Overigens hebben de vertalers ook de onderverdeling van de tekst in twee delen teniet gedaan: de hoofdstukken van hun vertaling zijn genummerd van I tot en met VI.
Macrostructureel is de vertaling van Zapiski iz podpol’ja, zoals deze is terechtgekomen in het tweede deel van L’esprit souterrain, aanzienlijk minder adequaat. Conform hun ingrepen in Chozjajka hebben Halpérine-Kaminsky het tweede deel van hun vertaling getiteld met de naam van de vrouwelijke protagoniste, in dit geval ‘Lisa’. Ook hebben ze opnieuw de oorspronkelijke onderverdeling in twee delen geannuleerd. Daarbij is de titel van het tweede deel, ‘По поводу мокрого снега’ (Naar aanleiding van de natte sneeuw), onvertaald gelaten.[113] Het aan Nekrasov ontleende citaat is wel weergegeven, maar is ondergebracht binnenin hoofdstuk XII. Hierdoor wordt het onduidelijk dat het door Dostoevskij geplaatst was bij de hoofdstukken die in L’esprit souterrain beantwoorden aan XII-XX van het tweede deel.[114] Een andere macrostructurele verschuiving betreft het aantal hoofdstukken: L’esprit souterrain bevat in totaal slechts twintig, in plaats van eenentwintig hoofdstukken. De verklaring hiervoor is niet dat een bepaald hoofdstuk in zijn geheel onvertaald is gelaten. Wel zijn hoofdstuk V en VI van het tweede deel in de Franse vertaling samengesmolten tot hoofdstuk XVI, waarin ze van elkaar gescheiden worden door een witregel. Dit is niet de enige maal dat Halpérine-Kaminsky en Morice de oorspronkelijke onderverdeling in hoofdstukken hebben aangepast: hun hoofdstuk XIII beantwoordt aan hoofdstuk II van het tweede deel plus een groot stuk van hoofdstuk III. De rest van het vertaalde hoofdstuk III is echter opgenomen in een nieuw hoofdstuk, onder nummer XIV. Mogelijk waren deze ingrepen gericht op een meer gelijkmatige spreiding van de tekst over de verschillende hoofdstukken. Toch varieert hun lengte in L’esprit souterrain meer nog dan dit al het geval was in Zapiski iz podpol’ja. De verklaring hiervoor is dat de Franse vertalers ditmaal wel veelvuldige coupures hebben ingelast, die een individuele omvang tot en met een achttal integrale pagina’s bereiken.[115] In totaal werden ruim 1200 regels weggeknipt, wat overeenkomt met ongeveer 30% van de brontekst. Hoewel de inkortingen vooral de beschouwingen van de ondergrondse man betreffen en weinig betrekking hebben op de actie in het verhaal – het is dan ook grotendeels een filosofische monologue intérieur – laten ze de eigenlijke plot niet onaangeroerd. Een uitgesponnen satirische episode is immers gesneuveld. Hierin zoekt de ondergrondse man tijdens een periode van ontucht vruchteloos ruzie met een officier, neemt hij aanstoot aan de weinige aandacht die hem geschonken wordt, en valt hij uiteindelijk ten prooi aan de dwanggedachte dat hij geen duimbreed voor deze man mag wijken bij het kruisen op de Nevskij Prospekt.
Voor de macrostructuur van L’esprit souterrain zijn de inkortingen, hoe omvangrijk deze in de vertaling van Zapiski iz podpol’ja ook mogen zijn, minder cruciaal dan bepaalde toevoegingen die Halpérine-Kaminsky en Morice hebben ingelast. Met het oog op het vergroten van de in oorsprong onbestaande narratieve coherentie tussen beide luiken, respectievelijk hun vertaling van Chozjajka en van de tweedelige aantekeningen van de ondergrondse man, hebben zij de ondergrondse man en Ordynov laten samensmelten tot één enkel personage. Met het oog hierop werd een overgangspassage van drie pagina’s geschreven, die als inleiding geplaatst is bij het tweede deel, ‘Lisa’. Daarin wordt de lezer voorbereid op de schok dat een romantisch en vriendelijk personage als Ordynov, die slechts het doel naleefde om een jonge vrouw te redden, veranderd is in de ondergrondse man, die zijn filosofisch gal in het aangezicht van de lezer spuwt en zich bovendien onuitstaanbaar gedraagt tegenover zijn medemens in het algemeen en de jonge, onschuldige prostituee Liza in het bijzonder. Om dit te bereiken wijzen de Franse vertalers erop dat het mislukte avontuur met Katia ‘une triste influence’ op het karakter en het leven van Ordynov uitoefende:
il vécut inutile aux autres, insupportable à lui-même, et mourut à soixante ans, seul, pauvre laissant aux rares personnes qui l’avaient connu le souvenir d’un homme singulier, – ce qui est bien la pire injure parmi les honnêtes gens, – singulier et même bizarre, c’est-à-dire capricieux et quinteux, et pour tout dire, très-désagréable. (L’esprit souterrain 153)
Na deze algemene woorden verneemt de lezer hoe het Ordynov vergaan is in zijn verdere leven. Een jaar na zijn laatste ontmoeting met ‘Yaroslav Iliitch’, die in het eerste deel een niet onbelangrijke rol speelt, heeft hij twee maanden rondgereisd, om uiteindelijk moe, geënerveerd en nog altijd even triest terug te keren naar Sint-Petersburg. Gedurende enige tijd heeft hij een administratieve functie uitgeoefend, maar dit heeft hij niet lang volgehouden. Hij was, zo schrijven Halpérine-Kamins-ky en Morice, ‘dégoûté de la grossiereté des moujiks avec lesquels ses fonctions le mettaient en rapport’.[116] Bij zijn terugkeer in Petersburg, neemt hij een nieuwe, slechter betaalde baan aan. Hij trekt opnieuw in bij zijn oude huisbaas Schpis en neemt een huisknecht, Apollon. Door een kleine erfenis herwint hij de onafhankelijkheid. Zijn leven blijft echter ‘morne et grise’ tot op de laatste dag.[117] Niettemin heeft hij nog een opflakkering van liefde gekend. Deze trieste geschiedenis – een allusie op de relatie die zich zou ontwikkelen tussen de ondergrondse man en Liza – heeft hijzelf neergeschreven. Op dit punt maakt de schijnbaar alwetende verteller die het woord heeft zich kenbaar als een man die de handgeschreven aantekeningen van ‘Ordinov’ na diens dood gekocht heeft van Apollon.
De inleiding wordt besloten met een verklaring van de titel van de vertaling als geheel. In het manuscript komt regelmatig het woord ‘souterrain’ voor. Waar dit op slaat wordt door Halpérine-Kaminsky en Morice bij monde van de fictieve uitgever geduid op een manier die enerzijds de essentie van de problematiek van de onderaardse man raakt, en anderzijds een verband probeert te leggen met de jonge jaren van Ordynov:
Il vivait, en effet, en une sorte de souterrain spirituel, il avait un esprit souterrain, toujours agitant d’obscurs problèmes, toujours sondant les ténèbres de sa pensée, toujours creusant plus avant et plus profond dans les mystères de sa conscience: “la conscience, cette maladie!” écrit-il quelque part. Du temps déjà de son amour pour Catherine [Katja], il avait le germe de cette maladie: le malheur en fit éclore la fleur empoisonnée et immortellement vivace. – C’est donc bien du Souterrain qu’il pouvait dater cette histoire lugubre d’un homme victime de sa trop vive clairvoyance intime. Car cet homme se vit et se connut, et son destin est une triste réponse à l’antique maxime: “Connais-toi.” – Non, il n’est pas bon à l’homme de se connaître lui-même. (L’esprit souterrain 155-6)
Met het oogmerk om van Zapiski iz podpol’ja een geloofwaardig vervolgverhaal op Chozjajka te maken, hebben Halpérine-Kaminsky en Morice nog drie andere passages aan Dostoevskijs tekst toegevoegd. De eerste passage, bestaande uit een tiental regels,[118] is ondergebracht in hoofdstuk V van het tweede deel van L’esprit souterrain. Hierin blikt Ordynov vanuit het ondergrondse met smart terug op zijn verhouding met Katja: ‘Je n’ai connu de pires souffrances que celles […] que j’endurai quand Katia me laissa voir qu’elle pourrait m’aimer et presque aussitôt m’abandonna’.[119] De Franse vertalers laten deze monologische passage, waarin Murin de exotische evaluatie ‘l’horrible mechtchanine’ krijgt, eindigen met de mededeling ‘D’ailleurs, c’est une histoire que vous ignorez’.[120] Hiermee wordt het verschil tussen de verteller van het eerste deel, die alwetend is, en die van het tweede deel, Ordynov als ik-figuur, expliciet onder de aandacht van de lezer gebracht. In de tweede toegevoegde passage, die een twintigtal regels beslaat,[121] beklaagt de onderaardse man het zich dat zijn leven zich niet enkel in de ondergrond afgespeeld heeft. Daarbij verwijst hij nogmaals naar Katja, al wordt zij ditmaal niet bij naam genoemd: ‘J’ai rêvé la vie au loin, sur les bords de la mère Volga, avec la si belle, la si étrange fille, dont je n’ai pas eu la force de m’emparer quand elle m’était offerte […]’.[122] Het beeld van de Volga-rivier als moeder is hier tactisch geplaatst, aangezien in het eerste deel van L’esprit souterrain (44) sprake was van ‘la mère Volga’, een beeld dat teruggaat op ‘Волга-матушка’ (Moedertje Volga) van Chozjajka (V: 280). De derde passage die door Halpérine-Kaminsky en Morice toegevoegd werd om coherentie tussen de delen ‘Katia’ en ‘Lisa’ te suggereren, is helemaal op het einde van de roman geplaatst. Op de ontboezeming van de ondergrondse man dat hij niet langer vanuit het ondergrondse wil schrijven, volgt één zin die volstaat om zijn twee liefdesavonturen, elk op eigen wijze mislukt, in onderlinge associatie op de voorgrond te plaatsen: ‘Maintenant d’ailleurs tout est fini. Katia! Lisa! – et quarante ans!’
De toevoeging van de besproken passages volstaan niet om Chozjajka en Zapiski iz podpol’ja samen te laten smelten tot een consistent tweeluik over de lotgevallen van één hoofdpersonage in zijn jonge jaren respectievelijk in een latere levensfase. De cynische ondergrondse man is bij Dostoevskij op het ogenblik van zijn groteske avonturen met zijn ex-klasgenoten en met Liza immers slechts vierentwintig jaar oud, wat ongeveer overeenkomt met de leeftijd van de romantische Ordynov. Om de dreigende narratieve inconsistentie weg te werken hebben Halpérine-Kaminsky en Morice de leeftijd van de ondergrondse man in de betreffende episode opgetrokken tot ‘trente ans’.[123]
Overigens wordt Halpérine-Kaminsky en Morice’s vertaling van Zapiski iz podpol’ja tevens gekenmerkt door een tiental toevoegingen die niet rechtstreeks in verband te brengen zijn met de ingrepen in de narratieve structuur van deze tekst.[124] Al deze toevoegingen behoudens één alinea van een veertiental regels bevinden zich in de hoofdstukken XII-XX, wat overeenkomt met het tweede deel van de brontekst. Omdat ze in het leven geroepen lijken onder invloed van verschillende tekstnormen, wordt hun inhoud elders besproken. Hun bestaan, ongeacht hun inhoud, volstaat echter om te vermoeden dat de gehanteerde matrixnormen gericht waren op maximale acceptabiliteit: de vertalers stonden zichzelf niet enkel veelvuldige coupures, maar ook een noemenswaardig aantal toevoegingen toe – ook zonder dat dit de macrostructurele coherentie ten goede kwam.
Het is duidelijk geworden dat het opschrift ‘traduit et adapté’[125] niet zonder reden op de titelpagina van L’esprit souterrain prijkt. Deze vertaling knoopt namelijk aan bij de classicistische traditie van de belles infidèles, waarin adaptatie niet gezien werd als verraad aan de brontekst, maar eerder als een aangewezen manier om een buitenlands werk in overeenstemming te brengen met de eigen conventies.[126] Hoewel de traditie van de belles infidèles in de negentiende eeuw haar aanhang had verloren bij de meest toonaangevende literatoren, werd de vergaande adaptatie van Halpérine-Kaminsky en Morice in eerste instantie niet aanstootgevend bevonden. Wel integendeel, zoals eerder aan bod kwam, sprak niemand minder dan De Vogüé (1886c) in persoon zijn appreciatie uit voor hun creatieve vertaalstrategie, te meer daar hij het originele Zapiski iz podpol’ja rekende tot Dostoevskijs mindere werken. Het staat buiten twijfel dat de zegen die de burggraaf over L’esprit souterrain uitsprak bijgedragen heeft tot het stormachtige commerciële succes dat de uitgever ermee zou oogsten. Herdrukken bleven op regelmatige basis verschijnen tot de late jaren 1920, waarin de naoorlogse Dostoevskij-cultus in Frankrijk een hoogtepunt bereikte.
Bijzonder belangwekkend voor dit vertaalonderzoek is de uitgave van 1929 van L’esprit souterrain. Deze blijkt namelijk een door Halpérine-Kaminsky geschreven voorwoord te bevatten, getiteld ‘Comment on a dû traduire Dostoïevsky’, waarin hij de door hemzelf en Morice gehanteerde vertaalstrategie toelicht en verantwoordt. Zoals hij aangeeft, werd de aanleiding hiervoor gevormd door de verwijten die hem en zijn collega, die bij gebrek aan kennis van het Russisch niet betrokken was bij het vertaalproces in strikte zin, veertig jaar na datum ten laste gelegd werden: dat ze het oeuvre van Dostoevskij niet adequaat vertaald hebben.
De verdediging van Halpérine-Kaminsky’s boogt op de stelling dat het Franse publiek in de jaren 1880 nog niet rijp was voor een rauwe versie van bepaalde werken van Dostoevskij. Om dit te ondersteunen haalt hij er – hoe kan het ook anders – prompt De Vogüé bij, die als attaché bij de Franse ambassade in Petersburg en echtgenoot van een Russische vrouw Rusland kende zoals geen enkele andere Fransman, maar het een heikele onderneming vond om Dostoevskijs universum voor zijn eigen landgenoten kenbaar te maken. Hierna wordt door Halpérine-Kaminsky (1929: iii-vii) een waslijst ingelast met lange citaten, afkomstig uit Le roman russe, waarin de burggraaf in scherpe bewoordingen het problematische gehalte van een groot aantal aspecten van Dostoevskijs oeuvre gispt. Het betreft vooral de compositietechniek van de schrijver. In dit verband merkt Halpérine-Kaminsky (1929: iv) op dat De Vogüés bezwaren tegenover Dostoevskijs zogenaamde gebreken – die hijzelf zag als typisch Russisch – gedeeld werden door ‘les critiques russes les plus qualifiés’, zowel bij leven van de schrijver als erna. De bedoeling hiervan is geenszins om De Vogüé in diskrediet te brengen, maar wel om aan te tonen dat de opiniemaker zijn tijd goed begrepen had en terecht moeite had te geloven dat Dostoevskij door het toenmalige Franse publiek geapprecieerd zou kunnen worden. Halpérine-Kaminsky (1929: viii) is het dan ook oneens met de beschuldiging van André Gide (1923: 5),[127] dat de betreffende minachtende waardeoordelen van De Vogüé ‘purent retarder […] la traduction, la publication et la diffusion de Dostoïevsky, décourager d’avance bien de lecteurs.’ Wat de beroemde schrijver volgens de vertaler uit het oog verliest, is dat de burggraaf de popularisering van Dostoevskij bij het Franse publiek precies in de hand werkte, door de uitgevers en de vertalers te waarschuwen voor bepaalde gebreken van diens werk:
il [Vogüé] mettait en garde les traducteurs contre la transposition trop servile de cette oeuvre en une autre langue; et si nous, les premiers traducteurs, nous n’avions pas tenu compte de cet avertissement, c’est alors que nous aurions certainement retardé pour de longues années la connaissance de l’oeuvre de Dostoïevsky en France. (Halpérine-Kaminsky 1929: ix)
Dat Halpérine-Kaminsky zijn pijlen op Gide richt is niet toevallig: in 1911 had de Franse schrijver, die Dostoevskij onder andere via Duitse vertalingen een klein decennium eerder had leren kennen en waarderen,[128] naar aanleiding van de opvoering van de toneelbewerking Les frères Karamazov van J. Copeau en J. Croué de in 1888 bij Plon uitgegeven gelijknamige vertaling afgeschilderd als een verminking. Nadat de hoofdverantwoordelijke deze specifieke adaptatie uitgebreid heeft verdedigd – wat later in dit proefschrift nog aan bod zal komen – verklaart hij enkel ingekorte versies van Dostoevskijs romans afgeleverd te hebben, wanneer het werk in kwestie hierom vroeg. Zo slaat hij zichzelf op de borst dat hij bijvoorbeeld Igrok, dat in zijn ogen een aanvaardbare omvang heeft, integraal heeft vertaald. Dat een groot aantal van Dostoevskijs andere creaties aan langdradigheid lijden, illustreert hij met citaten van Belinskij met betrekking tot Bednye ljudi en Dvojnik. Dit brengt hem ertoe te reflecteren over de oorzaak van Dostoevskijs gebrekkige compositie, die hij als weerzijde ziet van de medaille van diens talent, en over de implicaties hiervan voor diens vertalers, bij uitstek voor de Franse:
Le cerveau bouillonnant d’idées, le coeur débordant de passions, il [Dostoevskij] se montrait incapable de discipliner son fougueux “élan poétique”, selon son propre mot, dans sa réalisation créatrice. La superstition de sujets, le surgissement d’épisodes étrangers au récit de fond, les longueurs digressives, la répétition de mêmes phrases et termes s’en explique. Jugez cependant de la peine et de la responsabilité de ceux qui assument la transposition de cette forme et de cette langue en une forme et une langue etrangères, en la française surtout, claire, nette, précise, d’une syntaxe commandant la discipline de l’exposition. Tout traducteur consciencieux est bien contraint, dans l’intérêt de l’auteur comme du lecteur, de recourir à la méthode d’adaptation, partout où le texte original l’impose.[129] (Halpérine-Kaminsky 1929: xix-xx)
De bovenstaande werkwijze heeft Halpérine-Kaminsky (1929: xxii) met de hulp van Morice toegepast op Zapiski iz podpol’ja en Chozjajka, wat bij het verschijnen van het resulterende werk L’esprit souterrain – zoals hijzelf benadrukt – in Frankrijk evenmin als in Rusland ophef veroorzaakte. In zijn zelfrechtvaardiging gaat hij nog een stap verder: hij argumenteert dat de grote betekenis die aan L’esprit souterrain in Frankrijk onder anderen door André Gide anno 1923-24 wordt toegekend, te danken is aan de adaptatie in kwestie. Inderdaad heeft de Franse schrijver het in zijn Dostoïevsky over deze geadapteerde titel, terwijl het origineel Zapiski iz podpol’ja luidt.
Op de retorische vraag waarom Zapiski iz podpol’ja bij zijn verschijnen bij leven van Dostoevskij en ook na zijn overlijden zo weinig aandacht werd toebedeeld, antwoordt Halpérine-Kaminsky (1929: xxii-xxxiii) dat de lange, moralistische preambule die het eigenlijke verhaal vooraf gaat hieraan schuldig is. Immers ‘le simple lecteur qui lit pour son propre agrément cherche et découvre la vraie joie d’art et de pensée dans la partie narrative de l’œuvre de Dostoïevsky, et non dans sa partie raisonneuse, parfois fastidieuse’. Over het narratieve gedeelte van Zapiski iz podpol’ja blaast Halpérine-Kaminsky (1929: xxiv) de loftrompet. Naar zijn aanvoelen betreft het ‘une des oeuvres maîtresses du romancier’, omdat het een voorbode is van latere werken, zoals Prestuplenie i nakazanie, Besy en Brat’ja Karamazovy.
Deze analyse verklaart waarom het tweede deel van Zapiski iz podpol’ja, ‘По поводу мокрого снега’ (Naar aanleiding van de natte sneeuw), in verhouding weinig ingekort werd. Halpérine-Kaminsky (1929: xxiv) lijkt, na ruim vier decennia, vergeten dat hij ook in dit deel de schaar heeft gezet. Hij beweert immers dat hij en Morice van dit verhaal ‘la traduction intégrale’ verschaffen, ‘car nul passage n’aurait pu en être élagué sans en compromettre l’ordonnance parfaite’. Met betrekking tot de preambule – de lange, actieloze, filosofische monoloog van de ondergrondse man – beweert de vertaler daarentegen dat het nodig was om deze te ontdoen van ‘digressions, redites et autres scories évidentes’.[130] Hij heeft naar eigen zeggen echter behouden wat nodig was om de psychologische samenhang te garanderen, inclusief korte gedachtensprongen en tussenwerpsels.
Met de vrees dat hij hiervoor nog sterker veroordeeld zal worden door bepaalde vurige bewonderaars van Dostoevskij – waaruit blijkt dat dit anno 1929 nog niet alom bekend was – bekent Halpérine-Kaminsky (1929: xxv) vervolgens dat hij zijn vertaling van Zapiski iz podpol’ja met een integrale vertaling van Chozjajka verenigd heeft tot een diptiek, waarvan de delen samengehouden worden door slechts enkele pagina’s, door hemzelf en Morice geschreven. De eerste reden die hij voor deze ingrijpende macrostructurele verschuiving opgeeft, betreft Zapiski iz podpol’ja: omdat dit verhaal op zichzelf niet volstond om een boekdeel van gebruikelijke omvang te vormen zag hij zich gedwongen om het aan te vullen. De tweede reden houdt verband met de aard van Chozjajka. Belinskij zelf, die hier naar voren geschoven wordt als de autoriteit op het gebied van de Rusissche literaire kritiek, heeft verklaard dat dit werk vreemdsoortig en onbegrijpelijk aandoet. Tachtig jaar later heeft Leonid Grossman echter opgemerkt dat het belang van Chozjajka erin besloten ligt dat het hoofdpersonage Ordynov een typische held van Dostoevskij is: als eenzame, in zijn isolement opgesloten jongeman met verstand kan hij beschouwd worden als een prototype van Raskolnikov. Volgens Halpérine-Kaminsky (1929: xxvi-xxvii) is het zo, dat indien Ordynov een voorloper van Raskolnikov is, hij evenzeer beschouwd kan worden als de dubbelganger van de ondergrondse man. Om de gelijkschakeling te vervolledigen, volstaan volgens hem de pagina’s waarin ‘le nouvel état psychologique’ van de held wordt geschetst. Daarenboven ziet de vertaler ook in de vrouwelijke protagonisten van Chozjajka en Zapiski i podpol’ja ‘les deux modèles de femmes qu’on rencontrera le plus souvent dans l’oeuvre ultérieure de Dostoïevsky’. Door de twee verhalen samen te voegen meent hij dan ook tegemoet gekomen te zijn aan de eis van Belinskij om de betekenis van Chozjajka te verduidelijken. Om misverstanden te vermijden benadrukt hij niettemin dat de adaptatie niet in de eerste plaats bedoeld was om de Russische critici, maar wel om het Franse leespubliek te paaien:
Nous nous sommes simplement trouvés devant l’impossibilité de former un livre de format habituel avec le seul Esprit souterrain, alors que c’est la partie narrative qui prévalait à nos yeux; nous craignions, d’autre part, amoindrir sa portée aux yeux du lecteur en l’enfouissant dans un receuil des pages d’inspirations diverses; de son côté, la Logeuse, publiée isolément, aurait été encore moins goûtée par nos lecteurs que par les Russes; en se complétant, ces deux nouvelles acquièrent par leur rapprochement leur véritable portée d’art et de pensée.[131] (Halpérine-Kaminsky 1929: xxvii)
Aan zijn tweeledige argumentatie ter verdediging van zijn vertaalstrategie voegt Halpérine-Kaminsky (1929: xxvii) enkele machtargumenten toe: L’esprit souterrain heeft aan de Russische critici geen protest ontlokt, de tekst is de eer te beurt gevallen om op zijn beurt vertaald te worden in verscheidene andere talen, en de theatermaker M.H.-R. Lenormand heeft er zijn toneelversie op gebaseerd. Over de bijzondere appreciatie die De Vogüé (1886c) voor de adaptatie koesterde, zwijgt de vertaler opvallend genoeg, hoewel hij de burggraaf anno 1928 nog steeds als een uitzonderlijke autoriteit beschouwt op het gebied van de Russische cultuur. Liever haalt hij aan dat zijn criticaster André Gide en andere schrijvers via L’esprit souterrain kennis nemen van de hogere betekenis van Zapiski iz podpol’ja. Dit alles brengt Halpérine-Kaminsky (1929: xxviii) ertoe om te stellen: ‘notre adaptation française fait désormais figure de l’une des oeuvres classiques de Dostoïevsky’. Dat deze bewering gespeend is van overdrijving, blijkt onweerlegbaar uit het feit dat L’esprit souterrain ruim veertig jaar na zijn eerste publicatie nog steeds zonder fundamentele veranderingen heruitgegeven werd – evenwel steeds met de vermelding dat het om een adaptatie gaat.
Gide formuleerde zijn eerste kritiek aan het adres van Halpérine-Kaminsky en Morice reeds in het eerste decennium van de 20e eeuw, maar zijn reserves kregen pas ruchtbaarheid na 1923, wanneer zijn bundel essays Dostoïevsky het licht zag. In de tweede helft van de jaren 1880 was L’esprit souterrain daarentegen verzekerd van een hoogstaande reputatie dankzij de zegen die de auteur van Le roman russe erover had uitgesproken – wat hij had gedaan zonder op te merken dat het een fusie van twee verschillende titels betreft. Als zodanig hoeft het geen verbazing te wekken dat deze vertaling op het hoogtepunt van de Franse Dostoevskij-mode door Rössing, de uitgever van Schuld en boete, geselecteerd werd voor vertaling in het Nederlands. Of Rössing en de door hem aangeworven anonieme vertaler al dan niet op de hoogte waren van de macrostructurele verschuivingen versus Chozjajka en Zapiski iz podpol’ja, of überhaupt wisten dat deze twee bronteksten door Halpérine-Kaminsky en Morice samengevoegd waren tot één boek, is echter bijzonder twijfelachtig. Wel waren ze zich er zeker van bewust dat L’esprit souterrain een adaptatie is, aangezien dit op de titelpagina aangegeven is door de woorden ‘traduit et adapté’.[132] Het getuigt dan ook van weinig bekommernis om adequatie dat deze paratekstuele informatie voor de Nederlandse lezer achtergehouden werd: in De onderaardsche geest wordt op geen enkele wijze gealludeerd op de spectaculaire ingrepen van de vertalers. Wel is het zo dat de Nederlandse vertaler een macrostructureel uiterst adequate vertaling van de intermediaire vertaling afgeleverd heeft. Het enige wat in dit verband opgemerkt dient te worden, is dat in het eerste deel van De onderaardsche geest een vijftal regels[133] van de brontekst zijn gesneuveld die door Halpérine-Kaminsky en Morice wel waren vertaald, en in het tweede deel een achttal regels.[134] Meer ingrepen in de narratieve structuur werden dus niet opportuun bevonden door de Nederlandse vertaler – zijn Franse collega’s hadden zich dan ook geen moeite getroost om de teksten acceptabel te maken voor een westers leespubliek.
Zoals bekend, stond Dostoevskij bij het schrijven van Igrok onder grote tijdsdruk. Met zijn schuldeiser was hij overeengekomen binnen de termijn van één maand een afgewerkte prozatekst af te leveren. In geval van mislukking zou hij de publicatierechten op zijn oeuvre kwijtspelen. Het werk heeft een naar de normen van de rijpe Dostoevskij bijzonder eenvoudige narratieve structuur; het begint in medias res, maar volgt slechts één verhaallijn. De tekst spreidt zich uit over 17 Romeins genummerde hoofdstukken, die in totaal goed zijn voor meer dan 100 pagina’s. Ook het aantal handelende personages is relatief beperkt. Ter verklaring van het welslagen van Dostoevskijs race tegen de tijd volstaat het niet om naar de eenvoudige structuur van het werk te verwijzen. Enerzijds was de hulp van zijn typiste Anna Grigor’evna Snitkina van cruciaal belang om de strakke deadline te halen. Anderzijds blijkt uit een brief aan Strachov dat Dostoevskij reeds in 1863 het plan koesterde om een roman te schrijven over de roulette.
Interessant is dat Dostoevskij zelf een parallel trok tussen Igrok en Zapiski iz mërtvogo doma: zoals hij eerder als eerste het Siberische penitentiair systeem in detail had uitgebeeld, zo wilde hij ook als eerste de wereld van het gokken uitbeelden.[135] In die zin is het niet verbazend dat de narratieve structuur van Igrok en Zapiski iz mërtvogo doma grote verwantschap vertonen: de eerstgenoemde titel is eveneens opgevat als een reeks aantekeningen van een ik-persoon. Er is nog een opvallend vergelijkingspunt: ook Igrok is sterk autobiografisch gekleurd. Er bestaat een consensus dat Appolinaria Suslova, de vrouw met wie Dostoevskij in 1863 doorheen Europa reisde, model stond voor Polina, wier hart de speler hoopt te veroveren door een fortuin te winnen.
Frank (1997: 172-82) waarschuwt echter tegen een te sterk doorgedreven biografische interpretatie. Ten eerste is Polina niet zo demonisch als de speler haar ziet. Dat Aleksej een onbetrouwbare verteller is, blijkt uit de drastisch verschillende perceptie van Polina door andere, ethisch hoogstaande personages. Ten tweede is het Dostoevskij in Igrok niet zozeer te doen om het uitbeelden van zijn eigen gokverleden, als wel om een statement te maken over het nationale Russische karakter, door de Russische tegen de Europese personages uit te spelen. In Igrok wordt de neiging om verslaafd te raken aan de roulette voorgesteld als typisch Russisch. In die zin kunnen deze zapiski (aantekeningen) beschouwd worden als tegelijkertijd een zelfveroordeling en een apologie naar aanleiding van het eigen gokgedrag van de schrijver.[136] Vanzelfsprekend was een ik-verteller uiterst geschikt voor zo’n dubbelzinnige biecht – al wil dit niet zeggen dat de speler volledig gelijkgesteld kan worden met Dostoevskij zelf.
Descriptief vertaalonderzoek suggereert dat L.A. Hauff bij het vertalen van Der Spieler door min of meer dezelfde vertaalnormen beïnvloed werd als eerder bij het vertalen van Arme Leute. Zijn vertaling van Igrok bereikt namelijk een gelijkaardige graad van macrostructurele adequatie. De originele onderverdeling in hoofdstukken werd nauwgezet gerespecteerd. Dit geldt ook voor de Romeinse nummering van de hoofdstukken. Het aantal korte zinnetjes of bijzinnen dat geschrapt werd is legio, maar coupures van vijf regels of meer komen slechts bij wijze van uitzondering voor.[137] In totaal werden ongeveer 100[138] volle regels onvertaald gelaten, wat overeenkomt circa met 2% van de brontekst.
Op het macrostructurele vlak blijkt De speler een gevoelig minder adequate vertaling van de Russische brontekst te zijn dan de Duitse intermediaire tekst waarop hij gebaseerd is. Ten eerste is De speler een grondig ingekorte vertaling van Der Spieler. Op initiatief van de anonieme Nederlandse vertaler zijn er een 200-tal[139] volle bijkomende regels van de brontekst geëlimineerd, wat het totaal percentage van gesneuvelde brontekst op circa 6% brengt.[140] Ten tweede heeft de Nederlandse vertaler de oorspronkelijke hoofdstukindeling enigszins naar zijn hand gezet. Hij heeft wel 17 verschillende hoofdstukken behouden – tevens aangeduid met Romeinse nummers –, maar de verdeling van de tekst over de hoofdstukken is niet exact dezelfde. De laatste alinea van hoofdstuk VI van de Duitse tekst is in de Nederlandse vertaling namelijk verplaatst naar het begin van hoofdstuk VII. Interessant genoeg betreft het een terloopse, losstaande bedenking van Aleksej, die in het origineel – maar niet in de vertaling van Hauff – tussen haakjes was geplaatst. Dit wekt het vermoeden dat de verplaatsing van deze passage een doelbewuste ingreep was van de Nederlandse vertaler.
Unižennye i oskorblënnye is de eerste grote roman die Dostoevskij na zijn Siberische dwangarbeid geschreven heeft. Vandaag de dag geniet dit werk weinig bekendheid en populariteit. Er bestaat onder hedendaagse critici een consensus dat het ‘by far the weakest of Dostoevsky’s six major post-Siberian novels’[141] is. De 19e-eeuwse literaire kritiek was evenmin mild voor dit werk. De bezwaren die in het Westen verkondigd werden door De Vogüé en consorten waren Dostoevskijs Russische tijdgenoten niet vreemd. Overigens was de schrijver zelf ontevreden over zijn artistieke prestatie, zo blijkt uit zijn correspondentie met Apollon Grigor’ev.[142] Niettemin werd de roman, die in 1861 in afleveringen verscheen in het tijdschrift Vremja, in Rusland een groot commercieel succes. Volgens Frank (1986: 114) apprecieerden velen Unižennye i oskorblënnye als sleutelroman omdat het hoofdpersonage, een jonge schrijver die optreedt als verteller, sterk autobiografisch geïnspireerd is: de lezer kreeg de indruk een blik te mogen werpen ‘behind the scenes into the coulisses of Russian literary life’, wat in die tijd – bij gebrek aan biografische studies – buitengewoon was.
Meer dan als sleutelroman laat Unižennye i oskorblënnye zich echter analyseren als een onhandige fusie van enerzijds een typisch sentimentele romantische roman en anderzijds een roman-feuilleton, zoals het bij socialisten geliefde Les mystères de Paris. De intrige valt namelijk uiteen in twee verhaallijnen die ongeveer hetzelfde gewicht hebben. De eerste, sentimentele verhaallijn beschrijft het lot van Nataša Ichmeneva, de dochter van verarmde adel, op wie de verteller verliefd is. Tot schande van haar vader ontvlucht zij het ouderlijk huis om ongetrouwd samen te hokken met Alëša Valkovskij, de zoon van een rijke buurman. Omdat vorst Valkovskij zijn zoon wil trouwen met een rijke adelijke, om zo ook zijn eigen sociale status te verbeteren, kan van een huwelijk tussen Nataša en Aleksej geen sprake zijn. Vorst Valkovskij slaagt erin om zijn zoon, die zeer naïef en manipuleerbaar is, verliefd te maken op de geschikte huwelijkskandidate, waarna Nataša alleen en onteerd achter blijft. In de tweede, griezelachtige verhaallijn speelt het arme, mysterieuze jonge meisje Nelli de hoofdrol. Nadat haar moeder overleden is, komt ze in de handen van een bordeelhoudster. Met behulp van een jeugdvriend slaagt de verteller erin om haar te bevrijden, waarna hij haar in huis neemt. Tijdens haar ziekte, die steeds ergere vormen aanneemt, wordt haar verleden beetje bij beetje ontsluierd. Uiteindelijk blijkt ze het biologische, maar niet erkende kind van vorst Valkovskij te zijn. De twee verhaallijnen, die elkaar afwisselen, vloeien samen wanneer de verteller de doodzieke Nelli meeneemt naar de Ichmenevs. Nelli stemt hen tot verzoening met hun dochter door te vertellen over haar eigen moeder, die door haar grootvader verworpen werd. Eind goed al goed, ware het niet dat Nelli kort daarop bezwijkt aan haar slechte gezondheid. De pathetiek wordt nog verhoogd doordat de roman zich presenteert als de aantekeningen die de verteller op zijn sterfbed een jaar na de beschreven gebeurtenissen gemaakt heeft.
Dit vlechtwerk van twee verhalen, waarin enkele filosofische en moreel-psychologische ideeën vervat zitten, maar dat dermate gekenmerkt wordt door sentimentalistisch humanisme dat tijdgenoten nog geen breuk met het pre-Siberische oeuvre van Dostoevskij bespeurden, is opgedeeld in vier genummerde delen, die respectievelijk uit 15, 11, 10 en 9 genummerde hoofdstukken bestaan, en een epiloog, die de ondertitel ‘Последние воспоминания’ (Laatste herinneringen) draagt. Dit alles is tezamen goed voor 272 pagina’s.
Macrostructureel is Erniedrigte und Beleidigte (1885) een inadequate vertaling. Ten eerste heeft Konstantin Jürgens de opdeling van de tekst in vier delen teniet gedaan: zijn tekst bestaat uit 45 elkaar opvolgende hoofdstukken, elk genummerd met een Arabisch cijfer, en een epiloog met de adequaat vertaalde ondertitel ‘Die letzten Erinnerungen’.[143] Ten tweede heeft hij de oorspronkelijke verdeling van de tekst over de verschillende hoofdstukken niet nauwgezet gerespecteerd. Zo is de eindregel van het eerste hoofdstuk van het derde deel, die functioneerde als cliffhanger bij de publicatie van de roman in afleveringen in Vremja, in de Duitse tekst terechtgekomen als de beginregel van hoofdstuk 28.[144] Ten derde blijken de ‘einige Kürzungen’ waarvan Jürgens (1885: 6) gewag maakte in de inleiding op zijn vertaling, bijzonder talrijk te zijn. De weglatingen van enkele regels zijn talloos, hele alinea’s tot zelfs volledige pagina’s blijken onvertaald gelaten te zijn. In totaal gaat het om niet minder dan 1500 geëlimineerde regels, wat neerkomt op ruim 11 % van de brontekst.[145] De coupures zijn min of meer evenwichtig verspreid over de verschillende hoofdstukken. De oorspronkelijke narratieve structuur is dan ook weinig aangetast. De systematische eliminatie van zinnen en passages maakt duidelijk dat Dostoevskijs roman te langdradig werd bevonden voor de Duitse markt, en dat de Duitse vertaler hieraan een mouw heeft proberen te passen.
Gezien de eerder besproken inhoud van de advertentie van Brinkman (1887) voor De misleide en de inadequate vertaling van de titel viel het te verwachten dat deze vertaling gekenmerkt was door een hoge graad van inadequatie. Tenminste op macrostructureel vlak is dit onmiskenbaar het geval, maar dat komt hoofdzakelijk voort uit het feit dat vertaald werd vanuit het inadequate Erniedrigte und Beleidigte (1885). De anonieme Nederlandse vertaler heeft zelf namelijk weinig macrostructurele verschuivingen in het leven geroepen, zo blijkt uit empirisch onderzoek. Toch heeft hij de Duitse vertaler niet in alles nauwgezet gevolgd. Ten eerste zijn in De misleide de Arabische cijfers waarmee de hoofdstukken in de Duitse tekst zijn aangeduid vervangen door Romeinse cijfers, wat een indicatie is dat de betreffende matrixnormen in de Duitse en Nederlandse literaturen onderling verschilden. Ten tweede is de onderverdeling in hoofdstukken halfslachtig overgenomen: het laatste hoofdstuk is wel XLV getiteld, maar de nummers XXVI, XXXI en XXXIII ontbreken simpelweg in de doeltekst – de overeenkomstige hoofdstukken zijn in de doeltekst dus samengesmolten met de voorgaande hoofdstukken, met als gevolg dat deze in vergelijking met de andere hoofdstukken buitenproportioneel groot worden –, het nummer XXXIV wordt tweemaal achtereen vermeld en hoofdstuk XLIII heeft het nummer XLIV gekregen. Deze verschuivingen zijn vermoedelijk ongewild, en laten zich verklaren door een gebrekkige zorg en/of revisie. Ten derde is de vertaling van ‘Epiloog’ als ‘Besluit’ niet volstrekt adequaat, in denotatieve evenmin als in connotatieve zin. Deze ingreep is echter banaal en betekent geen noemenswaardige aantasting van de oorspronkelijke functionaliteit van de tekst. Tot slot blijkt dat de anonieme vertaler van Een misleide op eigen initiatief amper noemenswaardige inkortingen doorgevoerd heeft. Slechts van een drietal zinnetjes[146] van de brontekst die wel zijn terechtgekomen in Erniedrigte und Beleidigte (1885) ontbreekt het spoor in de doeltekst, wat de graad van volledigheid van vertaling niet verandert. Wellicht rekende de Nederlandse vertaler erop dat die coupures die Jürgens zonder scrupules had doorgevoerd met het oog op de Duitse lezers volstonden om de roman qua lengte ook acceptabel te maken voor het Nederlandse publiek, dat per slot van rekening gewoon was aan de Duitse literaire normen.
Aangezien de Duitse faam van Dostoevskij in de tweede helft van de jaren 1880 tot een hoogtepunt klom, ligt de veronderstelling voor de hand dat de normen die zijn vertalingen domineerden in 1890 ten opzichte van 1885 in de richting van meer adequatie geëvolueerd waren. Dit zou ook verklaren waarom amper vijf jaar na de publicatie van Erniedrigte und Beleidigte van Jürgens voldoende vraag bleek op de Duitse markt naar een nieuwe vertaling van Unižennye i oskorblënnye. Uit een vergelijking van Erniedrigte und Beleidigte (1890) met de overeenkomstige brontekst blijkt echter dat A. Hauff, de productiefste vertaler van Russische literatuur van het Duitse fin de siècle, ongeveer dezelfde matrixnormen heeft gehanteerd als zijn voorganger, die hierin tenminste nog enige transparante schiep.
In de vertaling van 1890 zijn de vier delen eveneens samengesmolten tot een verzameling van 45 hoofdstukken, die gevolgd worden door een epiloog met de titel ‘Letzte Erinnerungen’. Wel zijn de hoofdstukken ditmaal genummerd met Romeinse in plaats van met Arabische cijfers. Belangwekkender is het feit dat ook Hauff een zwaar ingekorte versie brengt van Unižennye i oskorblënnye: in totaal heeft hij in de 190 in detail bestudeerde pagina’s, die 70% van de brontekst uitmaken, niet minder dan 1600 regels onvertaald gelaten, wat op zichzelf goed is voor circa 12% van de totale brontekst.[147] Meer nog dan in de vertaling van Jürgens zijn de inkortingen gelijkmatig verspreid over de verschillende hoofdstukken. Naar schatting is dan ook proportioneel een gelijk aantal regels, namelijk 685, weggelaten in de overige 30% van de brontekst. Het totaal aantal geschrapte regels kan dus geraamd worden op ongeveer 2300, wat overeenstemt met ruim 17% van de brontekst. De inkortingen van Hauff betreffen vooral passages met gedachten, gesprekken of gebeurtenissen die de handeling van de hoofdintrige niet rechtstreeks vooruit helpen. In die zin blijft de narratieve structuur van het werk buiten schot.
De opvallende gelijkenis tussen de macrostructurele ingrepen van Jürgens en Hauff vormt overtuigende evidentie dat hun vertaalgedrag niet idiosyncratisch was, maar integendeel uitging van een consensus in de Duitse literatuur dat in het geval van Unižennye i oskorblënnye een vereenvoudiging van de externe organisatie van de hoofdstukken evenals substantiële inkortingen zich opdrongen of tenminste wenselijk waren – niettegenstaande de zich voltrekkende canonisering van de auteur. Deze hypothese stemt overeen met het eerder aangetoonde feit dat de critici die verantwoordelijk waren voor Dostoevskijs popularisering in het Duitse taalgebied, waaronder Zabel en De Vogüé, diens eerste post-Siberische roman eenstemmig gebreken als langdradigheid en verwardheid ten laste legden.
Aangezien Hauff zijn vertaling van Unižennye i oskorblënnye in tegenstelling tot Jürgens niet voorzien had van een voorwoord waarin hij zijn vertaalstrategie al was het maar in enige mate toelichtte, wist Mme La Bastide, die de Nederlandse vertaling verzorgde, allicht niet dat Erniedrigte und Beleidigte (1890) een zwaar ingekorte versie was van het origineel. Interessant genoeg blijkt uit empirisch onderzoek dat haar vertaling macrostructureel in hoge mate inadequaat is ten opzichte van de gebruikte intermediaire tekst, die op zichzelf staand al een macrostructureel inadequate vertaling was. Arme Nelly is dus op macrostructureel vlak een inadequate vertaling in de tweede graad. Verschillende spectaculaire verschuivingen dienen in dit verband besproken te worden. Ten eerste bestaat de Nederlandse vertaling uit slechts 32 hoofdstukken, elk aangeduid met een Romeins cijfer, en een epiloog. Het is niet zo dat verschillende hoofdstukken zijn samengesmolten, wel zijn dertien hoofdstukken van de Duitse tekst, namelijk XVI, XVII, XXI, XXV, XXVII-XXX en XXXIII-XXXVII, in hun totaliteit of in hun quasitotaliteit onvertaald gelaten.[148] Ten tweede heeft Mme La Bastide de hoofdstukken van de Duitse tekst XV, XXII, XLI en XLII, die respectievelijk overeenkomen met hoofdstukken XV, XIX, XXVIII en XXIX van de doeltekst, zwaar ingekort en heeft ze ook in de rest van de tekst een aanzienlijk aantal regels weggesnoeid. In totaal is een 4500-tal overeenkomstige regels of circa 35% van Unižennye i oskorblënnye gesneuveld op haar initiatief.[149] Rekening houdend met de coupures van Hauff, die de brontekst met ongeveer 17% inkorten, is dus minder dan de helft van de Russische brontekst terechtgekomen in Arme Nelly.
De gigantische inkortingen waardoor Arme Nelly gekenmerkt wordt, maken duidelijk dat de coupures van de Duitse vertaler Hauff naar het aanvoelen van Mme La Bastide op verre na niet volstonden om de tekst te ontdoen van zijn storende langdradigheid. Indien zij en haar uitgever op de hoogte waren van het bestaan van de eerder gepubliceerde vertaling van dezelfde brontekst, De misleide – wat meer dan waarschijnlijk is – dan oordeelden zij allicht dat het gebrekkige succes van deze eerdere vertaling verband hield met zijn al te grote omvang, en dat drastische coupures de slaagkansen van de commerciële onderneming aanzienlijk zouden vergroten.
Gezien de grote omvang van de inkortingen, is het logisch dat ze de narratieve structuur zwaar aantasten. Een summiere beschrijving van de handelingen die plaatsvinden in de geschrapte passages dringt zich op. In hoofdstuk I van het tweede deel verschijnt Alëša voor het eerst op het toneel, en toont hij zich meteen een lichtzinnige losbol. In hoofdstuk II doet zijn vader zijn intrede in het verhaal; hij komt op bezoek bij Nataša, zogezegd om voor zijn zoon een aanzoek om haar hand te doen. Hij ontpopt zich echter al snel tot een intrigant. In hoofdstuk VI brengt de verteller een bezoek bij de moeder van Nataša en bij Nataša zelf. In hoofdstuk X bezoekt hij respectievelijk Nataša en Alëša, die niet thuis blijkt te zijn, waarna hij terugkeert naar huis en er de vader van Nataša aantreft, de oude Ichmenev. Hij praat met haar over zijn dochter, maar ook over Nelli. In hoofdstuk I van het derde deel gaat de verteller opnieuw langs bij Nataša. In het volgende hoofdstuk komen Alëša en kort daarop ook zijn vader erbij. Het gesprek gaat over Katja. De sfeer tussen Nataša en vorst Valkovskij wordt grimmig. Het derde hoofdstuk speelt zich tussen dezelfde personages af; de grimmige sfeer mondt uit in een ruzie tussen Nataša en Valkovskij, waarbij Alëša begin te huilen. Vorst Valkovskij gaat kwaad weg. In hoofdstuk IV ontspint zich een gesprek tussen Nataša en Alëša, die zichzelf uitroept tot de schuldige van alles en zijn vader achterna loopt. Hierna draagt Nataša aan de verteller op om contact te leggen met Katja om uit te vissen hoe zij haar relatie met Alëša ziet. Ook in de geschrapte passage op p. 327-9 spelen Nataša en Alëša de hoofdrol. In hoofdstuk VII treft de verteller vorst Valkovskij aan in zijn woning; Nelli heeft hem binnengelaten. In hoofdstuk VIII voert de verteller een gesprek met de vorst. In hoofdstuk IX slaagt de verteller erin om een onderhoud te hebben met Katja, die haar wens kenbaar maakt om Nataša te ontmoeten. Hoofdstuk X beschrijft het restaurantbezoek van de verteller en de vorst, die in een gespannen sfeer met elkaar converseren. In hoofdstuk I van het vierde deel is de verteller onthutst over het gedrag van de vorst. Ook de ziekte van Nelli komt hierin ter sprake. In hoofdstuk V beschrijft de verteller een nieuwe ontmoeting met Nataša, die hij tracht voor te bereiden op een scheiding met Alëša, die even later opdaagt. In hoofdstuk VI, het laatste dat door Mme La Bastide integraal werd geschrapt, komt Katja op bezoek bij Nataša; de meisjes bespreken hun liefde voor de hulpeloze Alëša. Ze delen de analyse dat hij niet in staat is om bij Nataša te blijven.
Het valt op dat de hoofdstukken die in hun totaliteit of quasitotaliteit onvertaald gelaten zijn, zich concentreren op de eerste verhaallijn van Unižennye i oskorblënnye, op de sentimentele, tot mislukken gedoemde romance tussen Nataša en haar onstandvastige geliefde Alëša. Ook zijn vader, vorst Valkovskij, en zijn tweede geliefde, Katja, spelen een aanzienlijke rol in de geschrapte passages. De inkortingen getuigen niet enkel over het streven naar de creatie van een lichtere roman in letterlijke zin, maar ook in figuurlijke zin: wat oorspronkelijk een vlechtwerk was van twee verhaallijnen, wordt in de Nederlandse vertaling gereduceerd tot één hoofdverhaallijn, die slechts oppervlakkig doorspekt is met verwijzingen naar de gebeurtenissen die Nataša, haar geliefde Alëša, zijn gemene vader Valkovskij en zijn tweede geliefde Katja betreffen. Deze personages verdwijnen niet volledig uit het verhaal, maar worden resoluut teruggedrongen tot de achtergrond. Enerzijds is Mme La Bastide met deze ingreep in de intrige van Unižennye i oskorblënnye tegemoet gekomen aan een reeks gewichtige bezwaren die door de dominante critici, De Vogüé op kop, geopperd werden: ten eerste dat de roman te langdradig en verward is; ten tweede dat de dubbele plot te gesofistikeerd is; ten derde dat Dostoevskij er met vader en zoon Valkovskij niet in geslaagd is om geloofwaardige edellieden neer te zetten, dat met name Alëša een overdreven belachelijk personage is; ten vierde dat de liefde van Nataša voor Alëša en de opofferingsgezindheid van de verteller tenminste voor een westers publiek volstrekt ongeloofwaardig is. Anderzijds wordt in Arme Nelly, zoals de titel al doet vermoeden, door de selectieve eliminatie van passages één hoofdpersonage in de schijnwerpers gezet: Nelli. Zij maakte in de ogen van De Vogüé (1885) een van de sterktes van de roman uit, wat in het Nederlandse taalgebied herkauwd werd door onder anderen Ten Brink (1886). Gezien deze treffende overeenkomsten valt niet licht aan de indruk te ontsnappen dat Mme La Bastide haar vertaalstrategie geschoeid heeft op de leest van de kritiek die de brontekst voorafgaandelijk in Frankrijk en Nederland te beurt was gevallen.
Met Zapiski iz mërtvogo doma, dat in afleveringen gepubliceerd werd in Vremja tussen april 1861 en december 1862, overtrof Dostoevskij in eigen land de faam die hij met Bednye ljudi had geoogst. De vurige interesse waarmee deze roman door het Russische publiek gelezen en geprezen werd, laat zich hoofdzakelijk verklaren door het feit dat er in de Russische literatuur nog geen gevangenisliteratuur bestond. Het werk van Dostoevskij, die door iedereen gekend was als ex-dwangarbeider, werd qua thematiek beschouwd als baanbrekend; hij was de eerste schrijver in Rusland die aandacht opeiste voor de strafkampen, waarin onder anderen lijfeigenen terechtkwamen die het waagden met geweld tegen hun onrechtvaardige lot te rebelleren. Men las de aantekeningen van Dostoevskij aanvankelijk als een humanistisch pleidooi, maar ook als een getrouwe weergave van zijn eigen ervaringen, waarbij de fictionele auteur, Aleksandr Petrovič Gorjančikov, ontmaskerd werd als een doorzichtige kunstgreep om de censuur te omzeilen. Toch schippert Zapiski iz mërtvogo doma, zoals Frank (1986: 214) overtuigend argumenteert, in feite tussen autobiografisch proza en zuivere fictie. Wat het eerste leespubliek ook grotendeels ontging, is dat enkele passages van dit werk een aanzet vormen tot polemiek met het utilitaristische denken à la Černyševskij.[150] Belangrijker hier is echter dat de artistieke vorm waarmee Dostoevskij gestalte gaf aan zijn kampherinneringen en hierdoor beïnvloede overtuigingen, typisch was voor de Russische literatuur van de jaren 1850-60. Onder invloed van een versoepeling van de censuur was er een nieuwe semi-journalistieke mode ontstaan onder de Russische schrijvers: de losse sketches. Die van Dostoevskij waren voorafgegaan door Zapiski ochotnika (Aantekeningen van een jager) van Turgenev en Sevastopol’skie rasskazy (Verhalen van Sebastopol) van Tolstoj. Voor Dostoevskij was de stap naar de relatieve plotloosheid van dit genre zeer groot, aangezien hij zich had toegelegd op experimenten met de verteltechniek van de roman-feuilleton.[151] In die zin kan Zapiski iz mërtvogo doma beschouwd worden als een atypisch werk van zijn hand. Het verdient echter nadruk dat zijn sketches meer naar een plot neigen dan die van Turgenev en Tolstoj: er is tenminste een grotere samenhang, die gewaarborgd wordt door de eenheid van plaats en door de langzame exploratie van het kampleven en zijn bewoners door de verteller.[152] Deze dynamiek beantwoordt aan een macrostructurele indeling in twee delen. Het eerste deel bevat, naast de eerder besproken inleiding, 11 hoofdstukken, die Romeins genummerd zijn en een thematische titel dragen. Overigens komen de titels ‘Первые впечатления’ (Eerste indrukken) en ‘Первый месяц’ (Eerste maand) respectievelijk driemaal en tweemaal voor – allicht werden de betreffende sketches verspreid over meerdere hoofdstukken met het oog op publicatie in tijdschriftvorm en/of omwille van de harmonische verhoudingen van de hoofdstukken qua lengte binnen het geheel. Het tweede deel, waarin de routine van het kampleven zich definitief heeft ingezet en de observaties en reflectie algemener worden, bevat tien hoofdstukken, tevens voorzien van Romeinse nummers en thematische titels. De titel ‘Госпиталь’ (Het hospitaal) wordt niet letterlijk herhaald, maar de twee hoofdstukken die hierop volgen dragen de voor boeken ongewone titel ‘Продолжение’ (Vervolg).
Eerder werd opgemerkt dat de inleiding in Souvenirs de la maison des morts uit het eerste hoofdstuk is gelicht en hieraan voorafgaand is geplaatst. Voor het overige lijkt de tekst van Charles Neyroud macrostructureel redelijk adequaat. Helemaal volledig is zijn vertaling niet, maar inkortingen schijnen slechts bij wijze van uitzondering voor te komen.[153] De opdeling van de tekst in twee delen met respectievelijk 11 en 10 hoofdstukken is nauwgezet gerespecteerd. Dit geldt ook voor de nummering van de hoofdstukken. Daarnaast zijn de hoofdstuktitels over het algemeen genomen adequaat vertaald. Wel is de titel ‘Первые впечатления’ bij zijn tweede en derde voorkomen vertaald als ‘Premières impressions’ met de toevoeging van ‘(suite)’ en is de titel ‘Первый месяц’ bij zijn tweede voorkomen vertaald als ‘Le premier mois (suite)’. Gelijkaardig aan deze ingreep is ook de beslissing van de vertaler om de vervolghoofdstukken op ‘Госпиталь’, die slechts de titel ‘Продолжение’ (Vervolg) dragen – wat van inconsequentie vanwege Dostoevskij getuigt, aangezien bij eerdere vervolgen simpelweg de titel werd herhaald – weer te geven als ‘L’hôpital (suite)’. Er is slechts één hoofdstuktitel regelrecht inadequaat vertaald: ‘Выход из каторги’ (Uittocht uit de strafkolonie) is weergegeven als ‘La délivrance’. Niet enkel stemt dit op denotatief vlak niet helemaal overeen met het origineel, er kleeft ook een religieuze connotatie aan die bij Dostoevskij ontbreekt.
De matrixnormen die aan de grondslag liggen van Aus dem todten Hause (1886) zijn op het eerste gezicht nog meer gericht op adequatie dan die van Neyroud, evenwel zonder de hoogst mogelijke adequatiegraad te bereiken. Ten eerste is de inleiding, zoals eerder aangegeven, in deze vertaling niet in de ruimte voorafgaand aan het eerste deel ondergebracht. Ten tweede heeft de anonieme vertaler de oorspronkelijke opdeling van de tekst in delen en in Romeins genummerde hoofdstukken nauwgezet gevolgd. Ten derde zijn alle hoofdstuktitels ditmaal met grote adequatie vertaald. Weinigzeggend is het feit dat de titel ‘Первые впечатления’ (Eerste indrukken) bij zijn eerste vermelding vertaald is als ‘Die ersten Eindrücke’, en daarna tweemaal als ‘Erste Eindrücke’ – mogelijk heeft de vertaler toch enige stilistische variatie nagestreefd, evenwel zonder hiervoor te betalen met denotatieve equivalentie. ‘Первый месяц’ (Eerste maand) is daarentegen tweemaal vertaald als ‘Der erste Monat’. De weinig aantrekkelijke titel ‘Продолжение’ (Vervolg) is tweemaal adequaat vertaald, als ‘Fortsetzung’. Dit geldt ook voor ‘Выход из каторги’ (Uitttocht uit de strafkolonie), dat weergegeven is als ‘Austritt aus dem Zwangarbeithause’. Ten vierde is Aus dem todten Hause (1886), ondanks zijn 411 goed gevulde pagina’s, evenmin als de Franse vertaling vrij van coupures. Deze komen uitzonderlijk voor, maar sommige kunnen een omvang van meer dan tien regels bereiken.[154] Het lijkt er dus op dat de Duitse vertaler geen absolute volledigheid, maar toch quasivolledigheid nastreefde.
De inadequaat vertaalde titel Uit Siberië, het feit dat vertaler noch publicatiedatum vermeld worden op de titelpagina en de foutieve initialen van Dostoevskijs naam, namelijk I. [sic] M. Dostojewsky, doen vermoeden dat deze vertaling gekenmerkt wordt door weinig zorg in het algemeen en weinig zorg om vertaaladequatie in het bijzonder. Toch blijkt deze vertaling op macrostructureel vlak niet opmerkelijk inadequater dan de Franse en Duitse intermediaire teksten waarop deze gebaseerd is. Voor de opdeling in delen en hoofdstukken heeft de anonieme Nederlandse vertaler zich aangesloten bij Aus dem todten Hause (1886). Het eerste deel van Uit Siberië bestaat dan ook uit een inleiding die gevolgd wordt door 11 Romeins genummerde hoofdstukken. Het tweede deel bevat 10 hoofdstukken, waarvan er echter slechts 9 genummerd zijn: bij hoofdstuk VI is de vertaler of uitgever uit slordigheid vergeten een Romeins nummer te plaatsten. De hoofdstuktitels openbaren zich als nu eens uit het Duits en nu eens uit het Frans vertaald. De titels van hoofdstukken II-VI, ‘De eerste indrukken’ en ‘De eerste maand’, worden naar Duits voorbeeld simpelweg herhaald. De titel van hoofdstuk II en III van het tweede deel is echter uit het Frans vertaald, als ‘Het Hospitaal (Vervolg)’, terwijl de Duitse vertaling ‘Forsetzung’ een hogere graad van equivalentie bereikt. Dit geldt ook voor de titel van het laatste hoofdstuk, die in het Nederlands naar Frans voorbeeld ‘De bevrijding’ luidt. Bij gebrek aan toegang tot de brontekst heeft de Nederlandse vertaler allicht gekozen tussen de Duitse en de Franse vertaalkeuzes op basis van zijn eigen smaak. Dat hij alleszins niet gestreefd heeft naar een zo hoog mogelijke graad van adequatie, blijkt uit het feit dat Uit Siberië meer nog dan de intermediaire vertalingen gekenmerkt wordt door onvolledigheid. Ten eerste is een aantal passages dat wel vertaald was door de Duitse vertaler, maar niet door de Franse, niet terechtgekomen in de doeltekst.[155] Ten tweede geldt ook het omgekeerde: van een aantal passages dat vertaald is in Souvenirs de la maison des morts, maar niet in Aus dem todten Hause (1886), is geen spoor terug te vinden in Uit Siberië.[156] Ten derde is een aantal passages, in totaal minstens 80 regels, dat zowel door de Duitse als door de Franse vertaler weergegeven was, door de Nederlandse vertaler onvertaald gelaten.[157] Dit neemt echter niet weg dat Uit Siberië, met zijn in totaal 468 pagina’s, al bij al niet substantieel ingekort is. De originele narratieve structuur is door de gehanteerde matrixnormen dan ook niet noemenswaardig aangetast.
Amper vier jaar na de publicatie van Aus dem todten Hause (1886) verscheen een nieuwe vertaling van Zapiski iz mërtvogo doma op de Duitse markt, onder precies dezelfde titel. Uit onderzoek blijkt dat beide vertalingen terdege van elkaar verschillen, ook op macrostructureel vlak. Ten eerste heeft Hauff, in tegenstelling tot zijn anonieme voorganger, de oorspronkelijke indeling van de tekst in twee delen met respectievelijk 11 en 10 hoofdstukken niet gerespecteerd. Hij heeft de onderverdeling in twee delen simpelweg laten vallen en alle hoofdstukken achter elkaar geplaatst – met als gevolg dat de evolutie in de observaties van de verteller minder duidelijk weerspiegeld is in de structuur van het werk. Ook heeft hij de tekst die bij Dostoevskij beantwoordt aan hoofdstuk III van het tweede deel, verplaatst naar het hoofdstuk dat overeenkomt met hoofdstuk II van het tweede deel. Aus dem todten Hause (1890) bestaat dus uit 20, in plaats van uit 21 hoofdstukken. Ten tweede blijkt de Romeinse nummering van de hoofdstukken niet consequent aangepast aan deze ingrepen: het laatste hoofdstuk draagt het nummer XXI, wat te verklaren is door het feit dat er in zijn tekst geen hoofdstuk bestaat met het nummer XVII. Deze slordigheid wekt het vermoeden dat de vertaling onder grote tijdsdruk vervaardigd is, wat gezien de monsterproductiviteit van Hauff bijna ongetwijfeld het geval was. Ten derde zijn de hoofdstuktitels zelf adequaat vertaald, ook wanneer het herhalingen betreft. Er is slechts één uitzondering: het nuchtere ‘Выход из каторги’ (Uittocht uit de strafkolonie) is in het Duits weergegeven als het emotionelere ‘Die Befreiung’. Ten vierde blijkt Aus dem todten Hause (1890) als vertaling van Zapiski iz mërtvogo doma aanzienlijk onvollediger dan Aus dem todten Hause (1886): de coupures zijn veelvuldig, variëren qua omvang tussen enkele woorden of zinsdelen tot en met meerdere elkaar opeenvolgende pagina’s en spreiden zich uit over vele honderden regels – minstens een 600-tal, wat overeenkomt met ruim 5% van de brontekst –, en laten geen enkel hoofdstuk onaangetast.[158]
De bovenstaande verschuivingen maken dat Aus dem todten Hause (1890) op macrostructureel vlak in mindere mate gekenmerkt wordt door een streven naar adequatie dan de voorgaande Duitse vertaling van de overeenkomstige brontekst. Enerzijds strookt deze vaststelling met de verwachtingen, aangezien uit onderzoek van Hauffs vertaling van Unižennye i oskorblënnye, namelijk Erniedrigte und Beleidigte (1890), reeds gebleken was dat hij niet terugschrok voor vergaande macrostructurele ingrepen. Anderzijds kan deze vaststelling verrassen, aangezien Dostoevskij in 1890 een grotere erkenning genoot in het Duitse taalgebied dan in 1886.[159] In ieder geval maken de ingrepen duidelijk dat anno 1890 in Duitsland nog altijd bezwaren bestonden tegen de omvang van sommige van Dostoevskijs werken, en dat deze dermate gewichtig waren dat ze een adequate vertaling in de weg stonden.
Een vergelijking van Aus dem todten Hause (1890) en Uit het doodenhuis toont aan dat de door M. Faassen gehanteerde matrixnormen gericht waren op adequatie, al is deze niet ten volle bereikt. Ten eerste heeft hij de door Hauff voorgestelde structurele indeling overgenomen: zijn tekst bestaat eveneens uit twintig achter elkaar geplaatste hoofdstukken. Opmerkelijk is dat hij de inconsequentie in de hoofdstuknummering vanwege Hauff niet verbeterd heeft: ook het laatste hoofdstuk van Uit het doodenhuis draagt het nummer XXI, terwijl dit eigenlijk het twintigste hoofdstuk is. Overigens is Faassen zelf ook inconsequent geweest bij de hoofdstuknummering: hij heeft aan ieder van de hoofdstukken die overeenkomen met hoofdstuk XII, XIII en XV van de Duitse tekst het nummer XIII toegekend, en het hoofdstuk dat overeenkomt met hoofdstuk XVII van de Duitse tekst is hij vergeten te nummeren. Als deze macrostructurele slordigheden iets bewijzen, dan is het wel dat Uit het doodenhuis niet onderworpen is aan een nauwgezette revisie vooraleer gepubliceerd te zijn. Ten tweede heeft Faassen de eigenlijke hoofdstuktitels over het algemeen genomen adequaat vertaald. Slechts twee verschuivingen zijn het vermelden waard: de laconieke titel ‘Entschlossene Leute’ is vertaald als ‘Koelbloedige mensen’, wat meer emotionele betrokkenheid van de verteller suggereert, en ‘Die Beschwerde’ is ‘De klachten der gevangenen’ geworden, wat een geval is van explicitatie. Ten derde manifesteert Uit het doodenhuis zich tijdens een vertaalvergelijking als een in hoge mate volledige vertaling van Aus dem todten Hause: er is slechts één inkorting aan het licht gekomen, die bovendien beperkt is tot enkele regels.[160] Dit neemt echter niet weg dat de vertaling van Faassen, gezien de aard van de geselecteerde intermediaire tekst, op macrostructureel vlak aanzienlijk minder adequaat is ten opzichte van Zapiski iz mërtvogo doma dan Uit Siberië, de voorgaande Nederlandse vertaling van deze brontekst. Als zodanig vertoont Uit het doodenhuis een frappante overeenkomst met Arme Nelly: beide doelteksten suggereren dat de behoefte om Dostoevskij te bemiddelen bij het leespubliek door middel van macrostructureel inadequate vertalingen in de loop van zijn vooroorlogse Nederlandse receptie eerder toenam dan afnam.
Met Večnyj muž heeft Dostoevskij een eigenzinnige bijdrage geleverd aan de zogenaamde echtbreukliteratuur, die in de tweede helft van de 19e eeuw in Europa, met name in Frankrijk, door het publiek verslonden werd. Er zijn echter cruciale verschillen met de romans van een Paul de Kock, zo benadrukt Frank (1997: 383). Ten eerste grijpt de Russische schrijver het thema van de echtbreuk aan om, zoals volgens Strachov Tolstoj op briljante wijze had gedaan in Vojna i mir (Oorlog en vrede), te reflecteren over de filosofische idee van Grigor’ev dat onder de Russen twee sociaal-culturele types voorkomen: de roofdieren en de vredelievenden.[161] Ten tweede speelt de intrige zich bij Dostoevskij af na afloop van het echtelijk bedrog.
Negen jaar na datum duikt in het leven van de hypochonder Vel’čaninov de gehoornde Trusockij op, die na het overlijden van zijn vrouw achter haar liaison met de eerstgenoemde is gekomen. Vel’čaninov probeert zich, als zelfverklaard vrijdenker, van schuldgevoelens te vrijwaren door de bedrogene als zo belachelijk en kwaadaardig mogelijk te percipiëren. Ook de eeuwige echtgenoot wordt gekweld door een innerlijk conflict. Enerzijds voelt hij nog altijd vriendschap voor Vel’čaninov, en wil hij bij hem zijn hart uitstorten. Anderzijds wil hij hem, uit wraak, schade berokkenen. De relatie tussen beiden wordt nog geladener wanneer de achtjarige Liza door haar wettelijke vader Trusockij wordt aangewezen als het biologische kind van Vel’čaninov. Na een periode van verwaarlozing door haar wettelijke vader, die haar zowel bemint als verafschuwt, sterft ze. Toch gaat Vel’čaninov nog verder om met Trusockij, nadat deze door een periode van ontucht is gegaan. Hij bezoekt samen met hem zijn nieuwe verloofde, een vijftienjarig meisje, wat uitdraait op een publieke vernedering voor de bedrogen echtgenoot. Trusockij onderneemt een mislukte moordpoging op Vel’čaninov, waarna hun wegen scheiden. De voormalige minnaar wordt door de bedrogen echtgenoot een onverstuurde brief van diens echtgenote nagelaten, waardoor hij alsnog gegrepen wordt door medelijden. In de epiloog komen beide mannen elkaar nog eenmaal toevallig tegen. Dan blijkt dat er bij geen van beiden een morele heropstanding heeft plaatsgevonden: ze hebben hun oude rolpatronen heropgenomen.
In vergelijking met andere creaties van Dostoevskij is Večnyj muž qua vorm uitermate klassiek. Frank (1997: 394) beargumenteert dat de briljante balletachtige organisatie van de ontmoetingen tussen Trusockij en Vel’čaninov, hun geleidelijke toenadering en hun uiteindelijke verwisseling in houding tegenover elkaar, dit rasskaz tot ‘the most perfect and polished of all Dostoevsky’s shorter works’ maakt. Macrostructureel relevant is ook het feit dat Večnyj muž onderverdeeld is in zeventien hoofdstukken, die elk voorzien zijn van een min of meer sobere thematische titel. Voorbeelden van deze titels zijn ‘Господин с крепом на шляпе’ (De heer met de rouwband om de hoed), ‘Жена, муж и любовник’ (De vrouw, de man en de minnaar) en ‘Сашенька и Наденька’ (Sašen’ka en Naden’ka). Volgens Genette (1987: 308-9) kwamen hoofdstuktitels in oorsprong enkel voor bij populaire of komische fictie. In de loop van de 19e eeuw raakte dit paratekstueel verschijnsel echter ook verspreid in de ‘fiction sérieuse’, waarvan de hoofdstukken traditioneel slechts met een Romeins cijfer werd aangeduid. Omdat beide systemen omstreeks de publicatiedatum van Večnyj muž in ernstige fictie courant voorkwamen, kan bezwaarlijk gesteld worden dat de hoofdstuktitels bedoeld waren als een aanduiding dat het een licht genre betreft. Dit is des te minder aannemelijk daar Dostoevskij met Večnyj muž filosofische bedoelingen had – hoewel dit verhaal ook een sterk komische inslag heeft. Wel is het een onweerlegbaar feit dat de hoofdstuktitels de lectuur verlichten. Ze moedigen de lezer aan om verder te lezen door op voorhand een tipje van de sluier op te lichten. Zo draagt het laatste hoofdstuk dezelfde, enigmatische titel als het boek zelf. De functie hiervan ligt voor de hand: in deze tekst wordt aangetoond dat Trusockij inderdaad behoort tot de door Vel’čaninov beschreven categorie van de eeuwige echtgenoten.
Der Hahnrei heeft zich tijdens een nauwgezette vergelijking met de brontekst geopenbaard als een macrostructureel matig adequate vertaling. De Duitse tekst is wel conform het origineel opgedeeld in 17 hoofdstukken, maar alle titels van deze hoofdstukken zijn vervangen door Arabische nummers. Rekening houdend met de analyse van Genette (1987: 297-320) van het type parateksten van de ‘intretitres’, kan deze ingreep geïnterpreteerd worden als een poging om de connotatie van het lichtere genre af te zwakken. Eveneens mogelijk is dat de titels, die de lezer voortdurend aansporen om kennis te nemen van de verdere inhoud, simpelweg overbodig of zelfs storend werden bevonden, omdat elk van de hoofdstukken slechts een tiental pagina’s in beslag neemt. Alleszins bewijst de eliminatie van de hoofdstuktitels dat August Scholz, die ook al de filosofische titel van het werk concretiseerde, niet op de hoogst mogelijke graad van adequatie mikte. Deze analyse wordt bevestigd door een onderzoek naar de volledigheid van de vertaling: in totaal werd een 70-tal regels[162] geschrapt, wat gelijkstaat met iets meer dan 1% procent van de brontekst. Ondanks hun beperkte omvang zijn deze inkortingen zeer betekenisvol, aangezien Večnyj muž sowieso een van Dostoevskijs meest gepolijste werken is – in die zin liggen coupures in dit verhaal minder voor de hand dan in andere werken van zijn oeuvre. Tot slot moet ook opgemerkt worden dat Scholz zich een zestal korte toevoegingen gepermitteerd heeft, waarvan de meeste de innerlijke toestand van het hoofdpersonage nader beschrijven (zie fragment 20).[163]
Aangezien M. Faassen de door Scholz in het leven geroepen verschuivingen simpelweg heeft overgenomen, is De echtgenoot in dezelfde mate als de Duitse
Fragment 20. De echtgenoot
| – Но в каком вы сами-то, однако же, волнении, здоровы ли вы-с?[164] (IX: 21)
/ (IX: 83) |
“Aber Sie sind ja so aufgeregt!” sagte er dann mit einem kaum merklichen Anflug von Spott – “was fehlt Ihnen denn? Sind Sie krank?” (Der Hahnrei 40)
Als Weltschaninow in den Wagon stieg, befand er sich in der ärgerlichsten Stimmung. Er ärgerte sich über sich selbst und über sein ganzes Verhalten an diesem Tage. (Der Hahnrei 183) |
“Maar, wat zijt ge toch opgewonden!” hernam hij vervolgens met ‘n nauw merkbaren zweem van spot. “Wat scheelt u dan toch? Zijt ge ziek?” (De echtgenoot 21)
Toen Weltschaninow in het rijtuig steeg, bevond hij zich in de meest verdrietige stemming. Hij ergerde zich over zichzelf en over z’n geheele gedrag van die dag. (De echtgenoot 107) |
intermediaire tekst een macrostructureel adequate vertaling van Večnyj muž. De enige belangwekkende ingreep van de Nederlandse vertaler betreft de nummering van de hoofdstukken: de Arabische cijfers werden systematisch door Romeinse cijfers vervangen. Allicht was dit een kwestie van nauwer aan te sluiten bij de heersende conventies in proza. Van enige slordigheid getuigt het feit dat de numerieke aanduiding van het eerste hoofdstuk is weggevallen. Dit neemt niet weg dat de matrixnormen van Faassen onmiskenbaar gericht waren op adequatie ten opzichte van Der Hahnrei, wat vooral blijkt uit het feit dat hij op eigen initiatief geen enkele noemenswaardige coupure heeft aangebracht. Kennelijk oordeelde hij dat Dostoevskijs verhaal in de door Scholz gefilterde vorm – los van de vraag of hij zich bewust was van de verschuivingen – in macrostructureel opzicht zonder meer geschikt was voor de Nederlandse boekenmarkt.
Heden staat Belye noči geboekstaafd als een van de weinige pre-Siberische meesterwerken van Dostoevskij. Deze evaluatie, zoals deze verkondigd wordt door Frank (1979: 346-7), is gebaseerd op de gevoeligheid van toon en de lyrische elegantie waarmee Dostoevskij een ietwat dubbelzinnige bijdrage leverde aan de in Rusland in de late jaren 1840 populaire aanval op het romantische thema van de mečtatel’nost’ (dromerigheid), door het conflict tussen idealen en werkelijkheid te schetsen. De actie zelf daarentegen wordt door Frank (1979: 344) de grond in geboord als ‘a bare schema of the most banal and insignificant sentimental intrigue’.
Inderdaad is de plot van Belye noči weinig gesofisticeerd. Een jonge, eenzame, tot mijmeren geneigde man, die optreedt als verteller, doolt ‘s nachts door de straten van Sint-Petersburg. Hij ontmoet een door droefheid bevangen jonge vrouw, die vergeefs op haar verloofde blijkt te wachten. Tijdens nachtelijke ontmoetingen groeit er tussen hen een liefdevolle band. Hij vertelt haar over wat men zou kunnen bestempelen als zijn sociale fobie. Zij kan begrip tonen voor zijn eenzaamheid, omdat ze in haar jeugd zelf door haar blinde grootmoeder min of meer gevangen werd gehouden. Trouwplannen worden gesmeed. Wanneer haar verloofde dan toch opdaagt, gaat de jonge vrouw meteen met hem weg. Na enkele dagen van smart ontvangt de dromer van haar een brief met het aanbod om vrienden te blijven. Hij bergt zijn eigen ambities echter grootmoedig op. Hij is dankbaar voor het kortstondige geluk dat hij met haar beleefd heeft, maar koestert geen hoop op verbetering in zijn eigen situatie.
Aan de simpele plot van Belye noči beantwoordt een narratieve structuur van zes korte hoofdstukken, die ook sober getiteld zijn: ‘Ночь первая’ (Eerste nacht), ‘Ночь вторая’ (Tweede nacht), ‘История Настеньки’ (Nasten’ka’s geschiedenis), ‘Ночь третья’ (Derde nacht), ‘Ночь чертвёртая’ (Vierde nacht) en ‘Утро’ (Ochtend). In de vertaling van Stokvis, zijn geen middelgrote of grote tekstblokken van het origineel weggevallen. Slechts bij wijze van uitzondering heeft hij korte regels van het origineel geschrapt. De inkortingen in kwestie zijn geen echte coupures, in die zin dat ze het gevolg lijken van stilistische parafrase. De macrostructuur van het origineel is dan ook adequaat weergegeven. Ook de hoofdstuktitels komen denotatief overeen met het origineel: ‘Eerste nacht’, ‘Tweede nacht’, ‘De geschiedenis van Nastjenjka’, ‘Derde nacht’, ‘Vierde nacht’, ‘De ochtend’. De enige macrostructurele verschuiving betreft de bladspiegel: terwijl Dostoevskij voor de introductie van een nieuw hoofdstuk geen aparte pagina voorzag, heeft Stokvis dit wel systematisch gedaan. Dit doet echter niets af aan het feit dat de macrostructuur van Witte nachten evidentie vormt voor het eerder geformuleerde vermoeden – slechts gecontesteerd door het wegvallen van het motto – dat adequatie voor Stokvis voorop stond.
Brat’ja Karamazovy is de laatste van Dostoevskijs vijf grote filosofische romans. Enerzijds wordt dit werk door vrijwel alle hedendaagse critici van naam, zowel in Rusland als erbuiten, beschouwd als de kroon op zijn rijpe oeuvre. Anderzijds gaat het door voor een van de grootste bijdragen ooit geleverd tot de wereldliteratuur. De secundaire literatuur is navenant: hele bibliotheken werden bijeen geschreven over Brat’ja Karamazovy. Een ontelbaar aantal auteurs behandelt deze roman vanuit een theologische invalshoek – al dan niet met kennis van de Russische taal en literatuur. Dit is ook logisch, aangezien het dominante thema het conflict tussen de ratio en het christelijke geloof is. Dit conflict komt aan bod in de veelvuldige diepgaande gesprekken tussen de verschillende personages, maar zit ook vervat in de plot van Brat’ja Karamazovy zelf. [165]
De lezer maakt kennis met Fëdor Karamazov en zijn drie zoons. Deze personages zijn door Dostoevskij allen begiftigd met de zogezegd brede Russische natuur. Niettemin beschikken ze ook elk over een terdegen verschillend karakter. De vader is landheer. Hij is opvliegend, losbandig, egoïstisch en bovendien een paljas. Zijn oudste zoon, Dmitrij, afkomstig uit zijn eerste huwelijk, houdt er dezelfde liederlijke levenstijl op na. Hij is verloofd met Katerina Ivanovna, maar dit weerhoudt hem er niet van de zedenloze minnares van zijn vader, Grušen’ka, te begeren. Behalve hartstochtelijk is hij ook vechtlustig. De tweede zoon, Ivan, is de typische jonge intellectueel van Dostoevskij. Hij heeft een goed hart, maar cultiveert met verve immoreel rationalisme. Alëša is de jongste zoon. Hij is een toegewijde monnik, die door Vader Zosima uit het klooster wordt gestuurd om de mensen te dienen. Na het overlijden van zijn mentor beleeft hij een spirituele crisis, evenwel zonder aan sereniteit in te boeten. Wanneer Fëdor Karamazov vermoord wordt aangetroffen, wijst alles erop dat Dmitrij deze gepleegd heeft. Na een grootschalige proces wordt hij veroordeeld tot dwangarbeid in Siberië. Alëša, die ondanks alle rationeel inzichtelijke bewijzen nooit aan de schuld van Dmitrij heeft geloofd, ontdekt echter dat hun buitenechtelijke halfbroer Smerdjakov de moord gepleegd heeft. Vooraleer zelfmoord te plegen vergoeilijkt deze epilepticus zijn daad met het excuus dat hij slechts in praktijk heeft gebracht wat Ivan, die intussen gek geworden is, theoretiseerde. Tot zover de hoofdverhaallijn, zoals deze door Dostoevskij tot ontwikkeling wordt gebracht in twaalf thematisch getitelde ‘книги’ (boeken), waarvan de Romeinse nummering geen rekening houdt met de onderverdeling van de tekst in vier delen. Deze twaalf boeken zijn onderverdeeld in een variërend aantal hoofdstukken en deelhoofdstukken, die op hun beurt elk een thematische titel dragen.
Tijdens een macrostructurele vergelijking met de brontekst openbaart Les frères Karamazov (1888) zich als een buitengewoon inadequate vertaling.[166] Het enige punt van macrostructurele overeenkomst met de Russische brontekst is de manier waarop de tekst is onderverdeeld: Halpérine-Kaminsky en Morice onderscheiden in hun vertaling namelijk eveneens vier delen en een groot aantal doorlopend genummerde boeken, die op hun beurt uit talrijke hoofdstukken bestaan.
De thematische titels van de verschillende boeken werden door Halpérine-Kaminsky en Morice over het algemeen genomen adequaat vertaald.[167] De titels van de eigenlijke hoofdstukken – bij Dostoevskij zijn dat er een honderdtal – zijn daarentegen systematisch achterwege gelaten. Dezelfde tweeledige, tentatieve verklaring als bij de gelijkaardige vaststelling in Der Hahnrei dringt zich op: ofwel werden de hoofdstuktitels verwijderd om af te raken van de connotatie van ‘fiction comique ou populaire’,[168] ofwel werden de hoofdstukken kort en duidelijk genoeg bevonden om zonder voorafgaandelijke korte inhoud in de vorm van een titel aan de lezer gepresenteerd te worden.
Dat de gehanteerde matrixnormen niet op adequatie gericht waren, blijkt ook uit de volgorde waarin het tekstmateriaal gepresenteerd wordt. In Brat’ja Karamazovy opent het eerste deel met het vijf hoofdstukken tellende boek ‘История одной семейки’ (De geschiedenis van een gezinnetje), waarin prompt de vier belangrijkste personages en Zosima, en ook de belangrijkste thematische motieven toegelicht worden.[169] Pas daarna, in het tweede boek, getiteld ‘Неуместное собрание’ (Een misplaatste bijeenkomst), begint de eigenlijke handeling van het verhaal: het gezin van de Karamazovs komt bijeen in het klooster van Alëša, met als bedoeling de ruzie tussen de vader en Dmitrij bij te leggen. In de vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice zijn het eerste en het tweede boek echter omgewisseld van plaats,[170] waardoor de lezer met de personages geconfronteerd wordt in medias res. De vertalers oordeelden kennelijk dat deze retorische kunstgreep, die traditioneel dient om de aandacht van de lezer te trekken,[171] de narratieve structuur van het werk gevoelig verbeterde. Volgens Hemmings (1950a: 232) werd de ingreep zelfs noodzakelijk geacht, omdat de angst bestond dat de lezer anders van meet af aan ontmoedigd zou worden ‘by Dostoevsky’s slowness in coming to the point of action’. Ter verklaring van de geselecteerde kunstgreep wijst hij er ook op dat deze door Zola en andere succesvolle romanciers aangemoedigd was.
Ingrijpender voor de narratieve structuur zijn de gigantische inkortingen waardoor Les frères Karamazov (1888) gekenmerkt wordt. Eerder reeds werd opgemerkt dat het voorwoord ‘от автора’ (vanwege de auteur), dat integraal deel uitmaakt van de brontekst, onvertaald gelaten werd. Hetzelfde lot was veelvuldige alinea’s en hoofdstukken van de eigenlijke tekst beschoren.[172] Het gaat vooral om passages die tenminste op het eerste gezicht niet relevant zijn voor de centrale handeling, zoals stukken dialoog en nevenverhaallijnen. Hemmings (1950a: 232-3) argumenteert echter dat het belang van een aantal geschrapte scènes besloten ligt in het schetsen van de psychologische gesteldheid van Ivan en Smerdjakov; als zodanig zijn ze cruciaal om het motief van de gepleegde vadermoord te ontrafelen. In totaal is maar liefst een dertigtal hoofdstukken – iets minder dan een derde – zo goed als volledig gesneuveld. De coupures van integrale hoofdstukken bevinden zich redelijk gelijkmatig verdeeld over de tekst, in die zin dat van ieder boek één of meer hoofdstukken onvertaald zijn gelaten.[173] De enige uitzondering hierop is het vijfde boek: hiervan zijn wel alle hoofdstukken vertaald. Het valt Hemmings (1950a: 234) op dat de legende van de groot-inquisiteur door Halpérine-Kaminsky en Morice vrijwel volledig weergegeven wordt, hoewel deze, als verhaal binnen het verhaal, niet rechtstreeks in verband staat tot de hoofdverhaallijn. Mogelijk is deze inconsistentie van de vertalers te danken aan het feit dat dit fragment zijn aantrekkingskracht op het Franse publiek al bewezen had; hiervan was op 25 april 1886 een Franse vertaling van Victor Derély gepubliceerd in Revue contemporaine. Bijna volledig vertaald is het negende boek, dat vooral bestaat uit een weergave van de verhoren van Mitja: hier is slechts één hoofdstuk gesneuveld. Het zesde boek, ‘Русский инок’ (Een Russische monnik), dat een door Alëša geschreven hagiografie van Zosima bevat, werd dan weer in zijn geheel weggelaten – al zijn sporen van zijn geloofsleer wel terug te vinden in de epiloog. Volgens Hemmings (1950a: 233) kan dit soort coupures ten dele verklaren waarom ‘so little trace is found of Dostoevsky’s religious thought among those French writers who were so strongly influenced in other ways by the Russian novelist’. Overigens lijkt het op die manier terugdringen van de christelijke dimensie in te gaan tegen De Vogüé, die Dostoevskijs spiritualiteit net een verbetering vond op het Franse atheïstische naturalisme – al vond hij de aanpak van de schrijver soms al te pamflettistisch. Het elfde boek, dat zich concentreert op de vriendschapsrelatie tussen Alëša en het jongetje Iljušečka, is tevens integraal onvertaald gelaten. Sterker nog, in de gehele vertaling komt dit vertederende personage nergens ter sprake, evenmin als zijn vader, kapitein Snegirov. Ook deze vereenvoudigende ingreep kan verbazen, aangezien De Vogüé (1886: 265-6), die Brat’ja Karamazovy over het algemeen literaire waarde ontzegde, precies Iljušečka geprezen had als een epische figuur. De vertalers hebben de talrijke geschrapte passages over Iljušečka en zijn schoolgenoten echter niet links laten liggen. Wel integendeel, ze hebben er een apart werk van ongeveer 150 pagina’s mee samengesteld, dat in 1889 uitgegeven werd onder de titel Les précoces.[174] Tot slot werd ook in het twaalfde en laatste boek, waarin het proces en de veroordeling van Dmitrij uitvoerig beschreven worden, zwaar gesnoeid: van de veertien oorspronkelijke hoofdstukken hebben Halpérine-Kaminsky en Morice er slechts negen over gehouden, en dan nog in verkorte vorm.
Op de twaalf boeken van Brat’ja Karamazovy volgt bij Dostoevskij een epiloog, die opgebouwd is uit drie hoofdstukken. In het eerste daarvan, ‘Проекты спасти Митю’ (Plannen om Mitja te redden), is er sprake van een vaag plan om de onterecht veroordeelde Dmitrij te bevrijden uit de gevangenis. Dit plan is afkomstig van Ivan. Hij heeft Katerina opgedragen het plan ten uitvoer te brengen en haar geld verstrekt voor het geval dat hij hier zelf niet toe in staat zou zijn. Het grootste obstakel voor het plan was – tenminste volgens de analyse van Frank (2003: 679) – Alëša; Katerina zegt hem in een gesprek dat Dmitrij bang is dat Alëša op morele grond niet akkoord zou gaan met de ontsnapping. Ten overstaan van Dmitrij laat hij weten geen bezwaar aan te tekenen tegen het plan omdat hij niet gelooft aan diens schuld. Hij verklaart zelfs in staat te zijn om een wachter om te kopen, al vindt hij dit ‘нечестно’[175] (oneerlijk). Het reddingsplan wordt in Brat’ja Karamazovy echter niet ten uitvoer gebracht. De roman eindigt met een moraliserend aandoende redevoering van Alëša ten overstaan van een groep schoolkinderen. Deze finale kan door de lezer als enigszins onbevredigend ervaren worden. Het was dan ook de bedoeling van de schrijver – waarvan sprake in het auctoriële voorwoord – om op Brat’ja Karamazovy een vervolg te schrijven, waarin Alëša de absolute hoofdrol zou spelen. Dit plan viel echter in het water door Dostoevskijs overlijden op 28 januari 1881.
De epiloog van Les frères Karamazow (1888) bestaat niet uit drie, maar uit acht hoofdstukken. Terwijl de eerste twee hoofdstukken vertalingen zijn van de overeenkomstige hoofdstukken van de brontekst, is van het originele hoofdstuk III geen spoor terug te vinden en zijn hoofdstukken III tot en met VIII van de Franse vertaling ontsproten aan de ongebreidelde fantasie van Halpérine-Kaminsky en Morice. De toegevoegde hoofdstukken blijken niet zozeer in het leven geroepen om de ideeën van Dostoevskij te verduidelijken, als wel om de roman te voorzien van spectaculaire actie en een happy ending – de Russische filosoof werd dus aangepast aan de normen van de populaire literatuur.
In de vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice beslist Alëša, hiertoe aangemoedigd door Katerina Ivanovna, het plan om Dmitrij te bevrijden daadwerkelijk ten uitvoer te brengen. Op de vooravond van het vertrek van het konvooi der veroordeelden naar Siberië, brengen hij en de verleidelijke Grušen’ka, vermomd als boer en boerin, een bezoek aan de gevangenis waar Dmitrij verblijft. Alëša ontpopt zich prompt tot een uitgekiend manipulator: door een eerste wachter dronken te voeren met brandewijn en een tweede om te kopen, weet hij zichzelf toegang tot de cel van Dmitrij te verschaffen. Verbazingwekkend genoeg verklaart hij ten overstaan van zijn broer, nadat hij hem bevrijd heeft, vrijwillig zijn plaats in te willen nemen. Nadat Dmitrij het hazenpad gekozen heeft, valt Alëša op de grond van de cel in een diepe slaap. In zijn droom verschijnt zijn overleden mentor aan hem. Zoals Hemmings (1950a: 237) ontdekte, gaat de preek die vader Zosima in deze droom houdt, over de rol van het Russische volk in de moderne wereld, liefde, rechtvaardigheid, vrijheid, lijden en de functie van de monastieke geloften, onmiskenbaar terug op de homilie die hij in het zesde boek had uitgesproken, kort voor zijn overlijden. Overigens velt Hemmings (1950a: 237) het onderbouwde oordeel dat de recuperatie van het betreffende discours van Zosima, dat bestaat uit een reeks weloverwogen argumenten, de droom als zodanig ongeloofwaardig maakt – ‘whereas Dostoevsky excelled in making his dreams superbly dream-like, chaotic, inexplicable’.[176]
De hierboven geschreven actie is bij Halpérine-Kaminsky en Morice ondergebracht in hoofdstukken III tot en met VI. Hun epiloog gaat met nog drie hoofdstukken verder, waarin de handeling een absolute climax bereikt. Eenmaal Alëša’s identiteit ontdekt is, wordt een ophefmakend proces tegen hem aangespannen. De nobele broer neemt zijn eigen verdediging op zich, wat resulteert in lange, moraliserend aandoende redevoeringen. Zoals te verwachten valt, heeft hij zowel het hof als het publiek op zijn hand. Hij vraagt om zijn vrijspraak ‘parce que, et seulement pour cela, Dmitri Fedorovitch Karamazov est innocent – du moins au fait’. Hij voorziet zijn argumentatie van een grote dosis pathos en retoriek:
Il vous a déclaré lui-même qu’il avait eu le désir de tuer. Certes, l’intention équivaut à l’action. Pourtant, les secrets désirs vous échappent. Vous n’avez pas le droit de les poursuivre dans les mystérieuses retraites du cœur. Et d’ailleurs, dans les grandes âmes, de tels désirs sont suivis, presque autant que les actions, de remords qui les châtient. Mon frère échappe au bagne, mais il reste prisonnier dans sa conscience. Toutefois, puisque le désir a été révélé, ce châtiment invisible du remords serait peut-être insuffisant. Il faut une peine publique au criminel désir public. Vos codes n’ont point édicté de peines contres de tels crimes intimes, eh bien, messieurs, faites justice! Vous ne pouvez point me punir d’un meurtre dont vous ne songez pas à m’accuser, mais par le fait même et même indépendamment de votre volonté, en me punissant, si vous me punissez, ce sera la mauvaise pensée de mon frère que vous aurez poursuivie. Car, sachez-le, je me suis souvenu d’avoir entendu mon frère accompagner de menaces de mort le nom de mon père. Non pas que je croie qu’il aurait jamais pu exécuter ses menaces; mais ces menaces sont un crime et un scandale – expiés du reste peut-être déjà par l’humiliation d’une injuste condamnation. Ainsi, diversement, tous les coupables ont été châtiés: mon frère Ivan, de ses erreurs purement spirituelles par l’égarement – momentané, plaise à Dieu! – de son esprit; l’assassin, de mort; et mon frère Dmitri, par une sorte de dégradation morale. J’estime donc que votre justice devrait être satisfaite. Je n’ai rien de plus à dire, messieurs, sinon que j’accepte d’avance et en toute humilité et que je respecte votre jugement, quel qu’il puisse être. (Les frères Karamazov 1888 II: 293-4])
Alëša’s hoogravende pleidooi mist zijn effect bij het hof en het publiek niet: ‘l’émotion était telle qu’elle ne se manifesta que par un silence de mort entrecoupé seulement de sanglots.’[177] Als kers op de taart komt op dat ogenblik Liza, die voorheen kreupel was, op eigen kracht de rechtszaal binnen gelopen, zonder rolstoel of krukken. Wijzend op Alëša roept ze: ‘C’est un juste! Il m’a sauvée!’,[178] waarna ze flauwvalt. Op de openbaring van deze wonderbaarlijke genezing, die door iedereen toegeschreven wordt aan Alëša – de verteller meent dat er wellicht een of andere fysiologische verklaring moet bestaan –, volgt zijn vrijspraak. Alëša blijft er bescheiden bij. Hij vertrekt naar huis met Liza, waarna hij zich met haar verlooft. Op die manier eindigt Les frères Karamazov met de sprookjesachtige suggestie dat de broers Karamazov nog lang en gelukkig leefden – op Ivan na, want hij was nog steeds gek.
In april 1911, ruim twee decennia na de eerste uitgave van Les frères Karamazow, publiceerde André Gide naar aanleiding van de opvoering van Les frères Karamazov van Jacques Copeau en J. Croué een artikel met dezelfde titel in Le Figaro. Hiermee wilde hij het Franse publiek aanmoedigen om op grotere schaal kennis te maken met het rijpe oeuvre van Dostoevskij. Hij was namelijk van oordeel dat door de schuld van De Vogüé, wiens verdiensten als pionier op het gebied van de Russische literatuur hij niet ontkent, het Franse publiek slechts een bepaalde Dostoevskij had leren appreciëren, echter niet de beste, niet de schrijver van Brat’ja Karamazovy:
de Vogüé qui présentait la littérature russe à la France, il y a quelque vingt ans, semblait effroyé de l’énormité de ce monstre. Il s’excusait, il prévenait compréhension du premier public; grâce à lui, on avait chéri Tourgueneff; on admirait de confiance Pouchkine et Gogol; on ouvrait un large crédit pour Tolstoï; mais Dostoïevsky… décidément, c’était trop russe; M. de Vogüé criait casse-cou. Tout au plus consentait-il à diriger les curiosités des premiers traducteurs sur les deux ou trois tomes de l’œuvre qu’il estimait les plus accessibles et où l’esprit se pouvait le plus indolemment retrouver; mais par ce même geste il écartait, hélas! les plus significatives, les plus ardues sans doute, mais, nous pouvons oser le dire aujourd’hui, les plus belles. Cette prudence était, penseront certains, nécessaire […]. S’il fut bon d’attarder et de limiter les premières curiosités aux Pauvres Gens, à La Maison des morts, et à Crime et châtiment, il est temps aujourd’hui que le lecteur affronte les grandes œuvres: l’Idiot, les Possédés, et surtout les Frères Karamazov. (Gide 1923: 59-60)
Nadat hij eerst De Vogüé met de vinger heeft gewezen, onderwerpt Gide ook Halpérine-Kaminsky en Morice aan zijn strenge kritiek. Daarbij valt op dat hij met geen woord rept over de spectaculaire plotwending in de epiloog, maar vooral oog heeft voor de omvang van de inkortingen. Interessant is dat hij zich bereid toont om aan te nemen dat de adaptatie begrepen moet worden in haar historische context. Vandaar dat hij de vertalers niet aanvalt omdat ze Dostoevskij tout court inadequaat vertaald hebben, maar wel omdat ze de Franse lezers een rad voor de ogen zouden hebben gedraaid door dit niet kenbaar te maken:
Effrayés par son étendue, les premiers traducteurs ne nous donnèrent de ce livre incomparable qu’une version mutilée; sous prétexte d’unité extérieure, des chapitres entiers, de-ci de-là, furent amputés, – qui suffirent à former un volume supplémentaire paru sous ce titre: les Précoces. Par précaution, le nom de Karamazov y fut changé en celui de Chestomazov, de manière à achever de dérouter le lecteur. […] Peut-être certains, se rapportant à l’époque où elle parut, estimeront-ils que le public n’était point mûr encore pour supporter une traduction intégrale d’un chef-d’œuvre aussi foisonant; je ne lui reporocherai donc que de ne point s’avouer incomplète.[179] (Gide 1923: 62)
Toen het artikel van Gide in 1911 in Le Figaro verscheen deed het in Parijs geen stof opwaaien – wat zich ten dele laat verklaren door het feit dat de auteur toen nog maar beperkte bekendheid genoot. Halpérine-Kaminsky voelde echter wel de behoefte om zich te verdedigen toen het stuk in 1923 een tweede maal gepubliceerd werd, als onderdeel van de bundel essays Dostoïevsky van de inmiddels gevestigde Gide. De vertaler reageerde via de voorwoorden van heruitgaven van respectievelijk L’esprit souterrain (1929) en Les frères Karamazov, die hem hiervoor ter beschikking werden gesteld door Plon.[180]
In het voorwoord op L’esprit souterrain (1929: xi) verweert de vertaler zich tegen het verwijt van Gide dat hij de lezers om de tuin zou hebben geleid door te verwijzen naar het opschrift ‘traduit et adapté’, wat volgens hem geheel conform ‘l’usage en pareil cas’ was. Essentiëler voor Halpérine-Kaminsky’s verdediging is zijn argument dat de Franse lezers destijds nog niet rijp waren voor een adequate vertaling van Brat’ja Karamazovy, wat hij illustreert aan de hand van citaten uit Le roman russe van De Vogüé, wiens autoriteit ter zake niet betwist wordt.[181] In een volgende stap gaat hij zover om te beweren dat de adaptatie niet slechts wenselijk was, maar een noodzakelijke voorwaarde vormde voor de roman om door te breken in de Franse literatuur:
Au vrai, c’est grâce à cette adaptation que ce chef-d’oeuvre, rendu… mettons, moins “foisonnant”, est devenu classique aux yeux du public, a permis à la critique et à M. André Gide lui-même de connaître ce qu’il y avait de plus hautement significatif dans l’œuvre de Dostoïevsky, voire donner naissance à la merveilleuse adaptation scénique des Frères Karamazov dont la construction et le développement ont été exactement calqués sur notre texte français du roman, comme me l’a écrit l’un des auteurs de la pièce, M. Jacques Copeau.[182] (Halpérine-Kaminsky 1929: xii)
In het voorwoord op Les frères Karamazov van 1932 komt Halpérine-Kaminsky (1932: 13) terug op de gedachte dat een integrale vertaling van Brat’ja Karamazovy anno 1888 de Franse receptie van Dostoevskij niet ten goede gekomen zou zijn. Ditmaal steunt zijn argumentatie grotendeels op zijn analyse dat deze roman gebukt gaat onder het feit dat het geplande vervolg nooit geschreven is, dat de betekenis van veel scènes daardoor verborgen blijft voor de lezer:
Présenter à cette époque la traduction complète du texte russe qui s’étendait sur plusieurs volumes et dont un bon tiers contenait des épisodes sans lien direct avec la marche générale de l’action, c’eût été éloigner à plaisir et pour des longues années les lecteurs français des Frères Karamazov. C’est que les épisodes qui surchargent superfétatoirement le roman sont placés là en guise d’amorces à l’action future d’une série de romans qui devaient former une suite aux Frères Karamazov, et que la mort de Dostoïevsky l’empêcha de réaliser. Aussi avons-nous jugé utile, dans l’intérêt même du génial écrivain russe de ne pas laisser aux premiers lecteurs français du chef-d’œuvre, l’impression d’une œuvre inachevée, déséquilibrée, touffue à l’excès, encombrée d’épisodes dont on ne saisissait pas le lien avec l’ensemble de l’action. (Halpérine-Kaminsky 1932: 14)
In zijn verantwoording van de coupures licht Halpérine-Kaminsky (1932: 14) in een voetnoot ook zijn beslissing toe om de passages omtrent Iljušečka uit te geven als een afzonderlijke vertaling van Dostoevskij, onder de titel Les précoces (1889); hij is namelijk van oordeel – hier sluit hij zich bij De Vogüé aan – dat de betreffende episodes behoren tot de best gelukte pagina’s van de schrijver en dat het daarom betreurenswaardig zou zijn geweest om deze achter te houden voor de Franse lezers.
Tot slot geeft Halpérine-Kaminsky (1932: 14) nadere uitleg bij de wel zeer merkwaardige epiloog van Les frères Karamazov (1888). Daarbij hamert hij erop geen verraad gepleegd te hebben aan de auteur, maar integendeel gehandeld te hebben te goeder trouw. ‘C’est toujours Dostoïevsky qui s’exprime, mais par le libre truchement de ses interprètes français,’ zo klinkt het. Gezien de spectaculaire narratieve verschuivingen lijkt deze uitspraak absurd. Het is echter zo dat belles infidèles traditioneel bedoeld waren, en ook zo beschouwd werden, als een welwillende verduidelijking van de ideeën van de auteur.[183] Zichzelf inschrijvend in deze traditie stelt Halpérine-Kaminsky dat de toegevoegde hoofdstukken in wezen niet uitgevonden zijn omdat ze geïnspireerd zijn op ‘des indications précises de l’auteur disséminées au cours du roman même et de sa correspondance privée, inédite’.[184] Dat de roman zelf inderdaad als inspiratiebron gefungeerd heeft voor het hernieuwen van de epiloog wordt op overtuigende wijze geïllustreerd aan de hand van de verschijning van Zosima aan de slapende Alëša:
Nous nous sommes servis notamment du journal intime du staretz Zossima qui forme un véritable traité théologique fort développé, au beau milieu du roman, que nous avons dû supprimer, et nous en avons reproduit les passages les plus saissisants sous une forme imaginée. Adoptant celle qu’emploie l’auteur en faisant controverser Ivan Karamazov avec le diable pendant une semi-vieille, nous faisons apparaître le staretz Zossima pendant le rêve d’Aliocha Karamazov à qui il fait entendre ses conseils de haute conduite. La morale du roman en ressort d’une façon certaine, puisque précédement définie par l’auteur, mais elle se révèle à sa place, en conclusion. (Halpérine-Kaminsky 1932: 4)
De bewering dat bij het herschrijven van de epiloog ook rekening gehouden werd met precieze aanwijzingen uit Dostoevskijs persoonlijke correspondentie wordt daarentegen niet hard gemaakt. Het is immers tot op heden nog steeds niet geweten welke concrete bedoelingen Dostoevskij had met het vervolg op Brat’ja Karamazovy. Volgens zijn tijdgenoot Suvorin zou hij gezegd hebben van plan te zijn van Alëša een atheïst te maken en hem de tsaar te laten vermoorden.[185] Gezien het feit dat kort na Dostoevskijs overlijden de tsaar daadwerkelijk vermoord is, lijkt het echter onwaarschijnlijk dat dit plan – indien het überhaupt bestond – zou zijn doorgegaan. Het enige wat met zekerheid gezegd kan worden over de visie van Dostoevskij op het vervolgverhaal is dat Alëša hierin een meer prominente rol zou krijgen dan in de eerste roman, aangezien dit in het voorwoord van de auteur met zo veel woorden gezegd wordt. Wat dit punt betreft hebben Halpérine-Kaminsky en Morice de epiloog dus inderdaad aangepast in overeenstemming met Dostoevskijs aanwijzingen.
Het spreekt voor zich dat Les frères Karamazov (1888) volgens onze hedendaagse vertaalnormen veel te wensen over laat, te meer daar Dostoevskij ondertussen opgenomen is in de canon van de wereldliteratuur. Dit doet echter niets af aan het feit dat deze vertaling een cruciale rol heeft gespeeld in de popularisering van Dostoevskij in het algemeen en van Brat’ja Karamazovy in het bijzonder. Hoewel in 1906 en 1923 een meer adequate Franse vertaling van dezelfde brontekst door Jean-Wladimir Bienstock en Charles Torquet en een adequate Franse vertaling door Henri Mongault en Marc Laval werden gepubliceerd, bleef de versie van Halpérine-Kaminsky op regelmatige basis herdrukt tot het midden van de jaren 1930.
Op de titelpagina van Les frères Karamazov (1906) van Bienstock en Torquet prijkt het opschrift ‘édition complète en un volume’, dat wellicht bedoeld was om deze publicatie te onderscheiden van de gelijknamige adaptatie van Halpérine-Kaminsky en Morice. Een vergelijking van dit werk met de brontekst maakt duidelijk dat deze vertaling op macrostructureel vlak voorzeker adequater is – zo werden er ditmaal geen plotwendingen toegevoegd –, maar op volledigheid kan ze geen aanspraak maken. Niet enkel is vrijwel iedere zin van Dostoevskij in deze vertaling ingekort, de vertalers hebben volledige alinea’s en zelfs enkele volledige hoofdstukken van de brontekst onvertaald gelaten. Behalve om het voorwoord vanwege de auteur gaat het om hoofdstukken II. ‘Детвора’ (Kinderen) en III. ‘Школьник’ (Een schooljongen) van het tiende boek, om hoofdstuk III. ‘Бесёнок’ (Een duiveltje) van het elfde boek, waarin Alëša een bezoek brengt aan Liza, en om hoofdstuk VIII. ‘Трактат о Смердякове’ (Traktaat over Smerdjakov) van het twaalfde boek. Sommige kleinere stukken tekst van deze geschrapte hoofdstukken, die niet toevallig van ondergeschikt belang zijn voor de intrige, werden geïntegreerd in andere, wel vertaalde hoofdstukken. Over weinig zorg om macrostructurele adequatie getuigt ook het feit dat de originele nummering van de boeken door de vertalers aangepast werd: in Les frères Karamazov (1906) begint de nummering van de boeken in ieder deel vanaf I, terwijl deze nummering bij Dostoevskij doorloopt over de grenzen van de delen heen. Daartegenover staat dat de thematische hoofdstuktitels, die bij Halpérine-Kaminsky en Morice geschrapt waren, ditmaal wel zijn vertaald, bovendien over het algemeen op een denotatief adequate manier.[186]
Gezien de opvallende inkortingen waardoor Les frères Karamazov (1906) gekenmerkt wordt, behoeft het geen verbazing dat ook deze vertaling niet ontsnapte aan de kritiek van André Gide, die er in zijn artikel in Le Figaro in 1911 de volgende woorden aan wijdde:
Elle [la nouvelle traduction] offrait ce grand avantage de présenter, en un volume plus serré, l’économie générale du livre; je veux dire qu’elle restituait en leur place les parties que les premiers traducteurs en avaient d’abord éliminées; mais, par une systématique condensation, et j’allais dire congélation de chaque chapitre, ils dépouillaient les dialogues de leur balbutiement et de leur frémissement pathétiques, ils sautaient le tiers des phrases, souvent des paragraphes entiers, et des plus significatifs. Le résultat est net, abrupt, sans ombre, comme serait une gravure sur zinc, ou mieux un dessin au trait d’après un profond portrait de Rembrandt. Quelle vertu n’est donc point celle de ce livre pour demeurer, malgré tant de dégradations, admirable! (Gide 1923: 63)
Het is opmerkelijk dat in de nasleep van Gide’s kritiek ook Halpérine-Kaminsky, ondanks zijn eigen inadequate vertalingen van Dostoevskij, niet nalaten kon om de zogenaamd volledige vertaling van Bienstock en Torquet in diskrediet te brengen:
Plus de vingt ans après notre adaptation des Frères Karamazof, parut une traduction qui s’ « avouait », elle, « complète », et cela « en un seul volume » , alors que notre texte comptait deux volumes, déjà fort compacts. Je renvoie le lecteur à l’avis compétent d’André Gide lui-même […] pour se rendre compte de la trahison de cette « traduction complète ». Et M. Gide ignore, évidemment, toute sa monstruosité, puisqu’il lui était impossible de la confronter avec le texte original… (Halpérine-Kaminsky 1929: xiii)
Op de derde uitgave van De gebroeders Karamazow staat vermeld dat het een vertaling betreft uit het Frans. Een vergelijking van de doeltekst met de twee Franse vertalingen die omstreeks anno 1910 bestonden toont aan dat de meest recente van de twee, Les frères Karamazov van Bienstock en Torquet, dienst gedaan heeft als belangrijkste intermediaire vertaling; zoals eerder aangehaald, komt ongeveer 85% van de Nederlandse tekst overeen met deze Franse vertaling. Overigens gaat ook de titeling en de nummering van de boeken en hoofdstukken in De gebroeders Karamazow terug op het systeem van Bienstock en Torquet – wel ontbreekt de titel ‘Eerste gedeelte’, wat een enigszins slordige indruk maakt. De overige 15% van de doeltekst blijkt echter terug te gaan op de adaptatie van Halpérine-Kaminsky en Morice. Deze vaststelling is des te belangwekkender, daar de invloed van Les frères Karamazov (1888) op de eerste Nederlandse vertaling van Dostoevskijs laatste werk zich vooral laat gelden in de epiloog
De epiloog van De gebroeders Karamazow telt maar liefst negen hoofdstukken, wat nog één hoofdstuk meer is dan de epiloog van Halpérine-Kaminsky en Morice (zie figuur 12).
Figuur 12. De epiloog van Brat’ja Karamazvy in vertaling
| Dostoevskij | Halpérine-Kaminsky & Morice | Bienstock &Torquet | Van Gogh-Kaulbach |
| I. Проекты спасти Митю. | I. | Chapitre premier. Plans pour sauver Mitia | Eerste hoofdstuk. Plannen om Mitia te redden. |
| II. На минутку ложь стала правдой. | II. | Chapitre II. Ou le mensonge devient pour un moment la vérité | Tweede hoofdstuk. Waarin de leugen voor een oogenblik tot waarheid wordt. |
| III. Похороны Илюшечки. Речь у камня. | / | Chapitre III. L’enterrement d’Ilucha | Derde hoofdstuk. Ilucha’s begrafenis. |
| / | III. | / | Vierde hoofdstuk. De keuze. |
| / | IV. | / | Vijfde hoofdstuk. Mitia’s vertrek. |
| / | V. | / | Zesde hoofdstuk. Mitia’s ontvluchting. |
| / | VI. | / | Zevende hoofdstuk. Vader Zossima. |
| / | VII. | / | Achtste hoofdstuk. Weer een Karamazow. |
| / | VIII. | / | Negende hoofdstuk. De uitspraak. |
Bij nadere beschouwing blijkt dat de eerste twee Nederlandse hoofdstukken, ‘Plannen om Mitia te bevrijden’ en ‘Waarin de leugen voor een oogenblik tot waarheid wordt’, via Les frères Karamazov (1888) teruggaan op de tekst van Dostoevskij. Het derde hoofdstuk, ‘Ilucha’s begrafenis’, gaat eveneens terug op Dostoevskij, maar ditmaal via de vertaling van Bienstock en Torquet – bij Halpérine-Kaminsky en Morice is dit hoofdstuk onvertaald gelaten. De zes laatste hoofdstukken vinden hun oorsprong niet bij Dostoevskij, maar komen overeen met de zes uitgevonden hoofdstukken van Les frères Karamazov. Het enige noemenswaardige verschil is dat ze bij Van Gogh-Kaulbach titels dragen, respectievelijk ‘De keuze’, ‘Mitia’s vertrek’, ‘Mitia’s ontvluchting’, ‘Vader Zossima’, ‘Weer een Karamazow’ en ‘De uitspraak’. De verklaring ligt voor de hand: Van Gogh-Kaulbach, die de bij Bienstock en Torquet aanwezige hoofdstuktitels systematisch vertaald had – overigens op een adequate manier – zag zich in haar streven naar consequentie genoodzaakt om zelf titels te bedenken voor die hoofdstukken die afkomstig waren uit Les frères Karamazov (1888), dat geen hoofdstuktitels bevat.
De schatplicht van Van Gogh-Kaulbach aan Halpérine-Kaminsky en Morice valt vooral op in de epiloog, maar is hier geenszins toe beperkt. Ook binnen de roman zelf, meer bepaald in het vierde en laatste gedeelte, zijn vier hoofdstukken te vinden die overwegend vertaald zijn uit Les frères Karamazow (1888). Het be–treft het zesde, het achtste en het negende hoofdstuk van het tweede boek, respectievelijk ‘Tweede bezoek aan Smerdiakow’ (330-40), ‘De duivel’ (341-55) en ‘Hij heeft het gezegd’ (356-9), en het vijfde hoofdstuk van het derde boek, ‘De catastrofe’ (373-9). Daarnaast zijn ook elders nog passages, zinswendingen en woordkeuzes te vinden zijn die de onmiskenbare stempel dragen van de betreffende Franse vertaling.[187] Het overgrote deel van de doeltekst gaat echter terug op de vertaling van Bienstock en Torquet.
Er is een grote, allicht onvoorziene consequentie verbonden aan het feit dat Van Gogh-Kaulbach een puzzel heeft gemaakt op basis van twee macrostructureel grondig verschillende vertalingen: tot tweemaal toe bereikt haar tekst een echo-effect. Het uitgevonden gedeelte van de epiloog van Halpérine-Kaminsky en Morice bevat twee hoofdstukken die door deze vertalers bedoeld waren als recuperatie van eerder geschrapt tekstmateriaal. Ten eerste was heel het zesde boek, ‘Русский инок’ (Een Russische monnik), waarin Zosima’s leer bij Dostoevskij is ondergebracht, onvertaald gelaten, wat gecompenseerd werd in de scène waarin Zosima aan de slapende Alëša verschijnt. Ten tweede was het derde hoofdstuk van de originele epiloog, ‘Похороны Илюшечки. Речь у камня’ (De begrafenis van Iljušečka. De rede bij de steen), gesneuveld, maar ter compensatie kreeg Alëša een lange pathetische redevoering in de rechtszaal. In De gebroeders Karamazow werden het zesde boek en het derde hoofdstuk van de epiloog van de brontekst echter wel vertaald, via de tekst van Bienstock en Torquet. Tegelijkertijd voorzag Van Gogh-Kaulbach ook in de compenserende hoofdstukken van Halpérine-Kaminsky en Morice’s epiloog. Ten gevolge hiervan zet Zosima in de Nederlandse vertaling twee maal zijn leerstellingen uiteen en steekt Alëša binnen een en de zelfde epiloog tweemaal een moraliserende redevoering af. Het is zeer de vraag of deze echo’s het leesplezier van het Nederlandse publiek ten goede is gekomen. In ieder geval kan deze vertaling bezwaarlijk geholpen hebben om de destijds wijdverspreide opinie te ontkrachten dat Dostoevskij zich schuldig maakt aan overbodige herhalingen.
Gezien de hybride natuur van De gebroeders Karamazow lijkt het erop dat de beschikbaarheid van twee verschillende Franse vertalingen, enerzijds de bijzonder inadequate, maar des te succesvollere versie van Halpérine-Kaminsky en Morice en anderzijds de ietwat adequatere, maar minder succesvolle versie van Bienstock en Torquet, geresulteerd heeft in een compromis tussen een zekere graad van macrostructurele volledigheid en regelrechte acceptabiliteit. Dat anno 1911 nog de voorkeur gegeven werd aan een verzonnen epiloog boven een adequate vertaling van Dostoevskijs finale, is zeer merkwaardig. Het is een indicatie te meer dat de receptie van de Russische schrijver toen nog altijd bemoeilijkt werd door bezwaren tegen de specificiteit van zijn proza in het algemeen, en van zijn rijpe oeuvre in het bijzonder. Vanzelfsprekend moet ter verklaring ook in aanmerking genomen worden dat de Nederlandse markt niet bepaald warm was gemaakt voor Brat’ja Karamazovy. De hoofdverantwoordelijke hiervoor was De Vogüé (1886: 255, 265-6), die, zoals eerder behandeld, de roman had afgedaan als langdradig, chaotisch, al te essayistisch en dus onleesbaar. In het Nederlandse taalgebied was deze mening, in lichtjes gewijzigde, nog aangedikte vorm, wijd verspreid geraakt door Ten Brink (1886: 82), die als hoogleraar autoriteit ter zake genoot. Een van de eerste positieve uitlatingen over Brat’ja Karamazovy kwam van Stokvis, die deze roman in zijn literatuurgeschiedenis het belangrijkste werk van Dostoevskij noemde. Tegelijkertijd wees hij er echter op dat het ook het moeilijkste werk was van de schrijver. De Nederlandse uitgeverijen waren dus gewaarschuwd dat de vertaling van Brat’ja Karamazovy een commercieel risico inhield, wat een voor de hand liggende verklaring vormt voor de spectaculaire macrostructurele verschuivingen waardoor De gebroeders Karamazow gekenmerkt wordt.
Nu aan het licht is gekomen welke gedaante de laatste roman van Dostoevskij in de versie van Van Gogh-Kaulbach aangenomen heeft, is het des te bevreemdender dat het enige punt van kritiek dat haar ten laste werd gelegd door Attie Nieboer (1916) het naar zijn aanvoelen al te gekunstelde taalgebruik betreft. Over het feit dat de vertaling een dermate inadequate weergave van het Russische origineel is, rept hij daarentegen met geen woord – kennelijk was dit beoordelingscriterium voor hem irrelevant.
Er was echter één persoon in het Nederlandse taalgebied die wél aanstoot nam aan de vrijheden die de vertaalster had genomen: Zadok Stokvis, die tot de kleine elite van Nederlandse Ruslandkenners van die tijd behoorde. Hoewel hij sinds 1908 in het Nederlands-Indische Semarang verbleef om er de functie van schooldirecteur uit te oefenen, bleef hij de Nederlandse receptie van de Russen enigszins volgen. Naar aanleiding van de publicatie van De gebroeders Karamazow in boekvorm schreef hij op 12 december 1913 een open brief, die door De Amsterdammer geplaatst werd op 1 maart 1914.[188] Hierin drukt hij vooreerst zijn verbazing uit dat Anna van Gogh-Kaulbach haar goede reputatie als schrijfster ‘in de waagschaal stelde’ door haar naam te verbinden aan de vertaling in kwestie, die hij ergerlijk inadequaat vond.[189] Zijn aantijgingen aan haar adres waren niet mals:
Mij voorbereidende voor een bespreking van dit boek in De Locomotief, bleek mij, bij een vergelijking van deze vertaling met den Russischen tekst, dat de bewerking ongeveer de helft van het oorspronkelijke besloeg, dat pl. m. 1000 blz. compres telt.
Bij nader onderzoek werd mij duidelijk dat mevrouw Van Gogh een Fransche vertaling van ‘de Karamazows’ nog eens over vertaald heeft, en dat haar voorganger op onverantwoordelijke wijze in het prachtige boek van Dostojefsky geknoeid heeft. Ik beschuldig mevr. Van Gogh er van, dat zij de goê-gemeente in den waan heeft gebracht een eerste-handsvertaling te leveren, terwijl zij inderdaad een slechte Franse vertaling gebruikt heeft, zonder na te gaan of er ook andere bestonden van beter gehalte. Zou zij dit gedaan hebben, dan had zij kunnen bevinden, dat er zeer goede en vrij volledige Duitsche vertalingen bestaan, die minder geweld gepleegd hebben aan het onvergetelijke werk van den grooten schrijver. En waar heeft mevr. Van Gogh het slot van haar vertaling gevonden dat ik aantrof nòch in het Russisch, nòch in de Franse en Duitsche vertaling? Of…?[190] (Stokvis 1914:2)
Met zijn éénlettergrepige slotzin, ‘Of…?’, suggereert Stokvis onterecht dat het Van Gogh-Kaulbach zelf was die de epiloog van Brat’ja Karamazovy de gekende spectaculaire wending heeft toegedicht. Hij was dus niet vertrouwd met Les frères Karamazov (1888) van Halpérine-Kaminsky en Morice. De voorafgaande beschuldiging raakt meer grond. Opmerkelijk is overigens dat Stokvis, die zelf rechtstreeks uit het Russisch vertaalde, zich er helemaal niet druk over maakte dat Brat’ja Karamazovy, dat hijzelf beschouwde als Dostoevskijs belangrijkste werk, onrechtstreeks tot stand was gekomen. Twee andere zaken ergerden hem: ten eerste dat de vertaalster het onrechtstreekse statuut van haar vertaling niet expliciet kenbaar had gemaakt aan het publiek, ten tweede dat ze niet was uitgekomen bij de meest adequate tekst om als intermediaire vertaling te dienen, in casu een Duitse vertaling.[191]
Van Gogh-Kaulbach (1914: 2) voelde zich door de aantijgingen van Stokvis ‘min of meer als bedriegster’ aan de kaak gesteld. De redactie van De Amsterdammer gaf haar onverwijld, in hetzelfde nummer als waarin de open brief van Stokvis was geplaatst, de kans om zich te verdedigen. Dit deed ze op verontwaardigde toon, door zich enerzijds achter haar opdrachtgever en een niet nader genoemde Russische vrouw en anderzijds achter haar eigen goedgelovige onwetendheid te verschuilen.
Ik ontving indertijd van de Uitgeversmaatschappij Elsevier de opdracht, eene vertaling te maken van De gebroeders Karamazow ter plaatsing in het door genoemde maatschappij uitgegeven weekblad De wereld. De heer Robbers zond mij daartoe de Fransche vertaling van Bienstock en Torquet, met de bijvoeging, dat hij gaarne eene vertaling had die zooveel mogelijk het oorspronkelijke nabij kwam en dat hij daarom eene Russische dame, die alleszins bevoegd was tot oordeelen, verzocht had de vertaling te keuren. Genoemde dame keurde de vertaling goed, al sprak zij van enkele bekortingen, die er in waren aangebracht. Ik handelde dus volkomen ter goeder trouw, toen ik de opdracht aannam, naar deze Fransche vertaling de mijne te maken. (Van Gogh-Kaulbach 1914: 2)
Gezien de keuze van Les frères Karamazov (1906) als eerste brontekst van De gebroeders Karamazow valt het moeilijk te geloven dat uitgever werkelijk uit was op een zo adequaat mogelijke vertaling. Indien deze getuigenis toch geloof verdient, dan heeft Robbers een ernstige inschattingsfout gemaakt. Hetzelfde geldt voor de niet nader genoemde Russische vrouw. Haar inschatting dat de Franse tekst ‘enkele bekortingen’ bevat, is immers al te eufemistisch gesteld. Ofwel heeft de Russische in kwestie de vertaling van Bienstock en Torquet slechts vluchtig en oppervlakkig vergeleken met de Russische brontekst, ofwel geeft Anna van Gogh-Kaulbach haar woorden afgezwakt weer – bijvoorbeeld om zichzelf buiten schot te houden.
Dat de vertaalster weinig bereid was tot het slaan van een mea culpa, bewijst de manier waarop ze het gebruik van Halpérine-Kaminsky en Morice’s vertaling als tweede brontekst verantwoordt. De bedoeling hiervan zou geweest zijn ‘om nog vollediger te zijn’, en dat ze er ‘zoo ernstig en conscentieus’ naar gestreefd heeft om ‘het oorspronkelijke zooveel mogelijk te benaderen’. Deze redenering is lapidair: aangezien ze wist dat Les frères Karamazov (1888) een adaptatie was – dit stond namelijk vermeld op de titelpagina – had ze geen redenen om aan te nemen dat deze vertaling geschikt was om de lacunes mee op te vullen waardoor de versie van Bienstock en Torquet, die zichzelf presenteerde als adequater, gekenmerkt wordt. Het is dan ook zeer twijfelachtig dat de vertaalster werkelijk gekozen heeft voor de finale van Halpérine-Kaminsky omdat ze dacht dat die bij Dostoevskij ook voorkwam – het vermoeden is gerechtvaardigd dat ze zich hierin heeft laten leiden door haar persoonlijke smaak. Nochtans wijst ze iedere verantwoordelijkheid voor de wending die de intrige van De gebroeders Karamazow in de epiloog neemt resoluut af:
En nu […] dat leelijke, hoogst beleedigende woordje “Of…?” in het artikeltje van den heer Stokvis. Wanneer de heer S. de moeite wil doen, de vertaling van Halpérine-Kaminsky open te slaan, zal hij daar het slot vinden, dat ik vertaalde. Is dat slot een mystificatie van de Fransche bewerkers, dan ben ik daar het slachtoffer van geweest, doch dat is heel iets anders dan wat dat insinueerende “of…?” van den heer Stokvis zou doen vermoeden. (Van Gogh-Kaulbach 1914: 2)
Het enige punt waarvoor de vertaalster een zeker mea culpa slaat is het niet vermelden van de effectieve brontaal, al geeft ze aan dat ze niet de bedoeling had om zich uit te geven voor een vertaalster met kennis van het Russisch:
Wat betreft het niet vermelden op den titel, dat de vertaling uit ‘t Fransch geschiedde – ik geef toe, dat dit een ernstig verzuim is: ik had er op moeten aandringen, bij de uitgevers, dat erken ik, doch geen oogenblik is de gedachte in mij geweest, het te doen voorkomen, alsof ik uit het Russisch vertaalde. Ik heb er tegenover niemand een geheim van gemaakt, dat ik de Fransche bewerking gebruikte en ik geloof ook wel, dat dit algemeen bekend is.[192] (Van Gogh-Kaulbach 1914: 2)
Conform de bovenstaande schuldbekentenis werd bij de heruitgave van De gebroeders Karamazow de vermelding ‘uit het Fransch vertaald’ toegevoegd aan de titelpagina.[193] Verder gingen de concessies van uitgeverij Van Holkema & Warendorf aan de kritiek van Stokvis echter niet: hoewel de ‘mystificatie van de Fransche vertalers’ nu aan het licht was gebracht, bleef de door Van Gogh-Kaulbach vervaardigde adaptatie – nota bene de enige Nederlandse vertaling van Brat’ja Karamazovy tot de jaren 1930[194] – in heruitgaven van 1915, 1917 en 1920 ten gronde ongewijzigd. Bovendien werd de Nederlandse lezer niet op de hoogte gesteld van het hoogst inadequate karakter van De gebroeders Karamazow via paratextuele informatie. Ten eerste bewijst dit dat de uitgeverij, die zich niet langer kon verschuilen achter eventuele onwetendheid, geenszins bekommerd was om vertaaladequatie. Ten tweede ontstaat de indruk dat zij de sancties van de consument niet hoefde te vrezen, dat met andere woorden de verontwaardiging van Stokvis niet opwoog tegen het commerciële voordeel dat met een dergelijke vertaling kon worden gedaan.
Bijna twee decennia lang was de door Van Gogh-Kaulbach op originele wijze samengepuzzelde De gebroeders Karamazow de enige vertaling van Brat’ja Karamazovy op de hele Nederlandse boekenmarkt. Gezien dit feit, kan vermoed worden dat de impact van deze vertaling op het Nederlandse imago van Dostoevskijs laatste roman zeer groot was. Dit wordt ook gesuggereerd door de reactie van de Nederlandse publicist Johannes Diederik Bierens de Haan (1866-1943) op de Dostoevskij-enquête van De stem in 1921. Onmiskenbaar steunend op Van Gogh-Kaulbachs vertaling,[195] karakteriseert hij Brat’ja Karamazovy als een roman met ‘korte hoofdstukken’, ‘hevige, afgebroken gesprekken’, een ‘al te schetsmatige aanduiding der situatie’ en, meer algemeen, een modern-Europees aandoende emotionaliteit.[196] Het monopolie van de vertaling De gebroeders Karamazow (1913) in de beeldvorming van Dostoevskijs opus magnum werd pas doorbroken in de vroege jaren 1930, toen twee nieuwe Nederlandse vertalingen onder dezelfde titel het licht zagen. De eerste werd uitgegeven door het Hollandsch Uitgeversfonds rond 1930 en was een verkorte en bewerkte tekst van een anonieme vertaler. Significant is dat de epiloog van deze vertaling, hoewel dit niet aangegeven is, opnieuw gebaseerd op die van Halpérine-Kaminsky en Morice: dit is een indicatie dat precies deze versie in het Nederlandse taalgebied canoniek was geworden. Opmerkelijk is ook dat in deze vertaling illustraties van André Vlaanderen zijn opgenomen, onder andere van een van de uitgevonden scènes: afbeelding 11 toont Alëša op het ogenblik dat hij een visioen krijgt van zijn overleden mentor Zosima, nadat hij zijn broer Dmitrij bevrijd heeft uit de gevangenis. Pas in 1932 verscheen een Nederlandse vertaling van Brat’ja Karamazovy die zichzelf presenteerde als ‘onverkort’, van A. Kosloff.[197]
Afbeelding 11. Prent uit de epiloog van De gebroeders Karamazow (1930, II-III: 248)
Volgens de polysysteemtheorie van Even-Zohar (1978) zijn de normen die een vertaling sturen in belangrijke mate afhankelijk van de positie die voorzien wordt voor de tekst in kwestie. In de regel geldt dat een vertaling die met het oog op een perifere positie gemaakt wordt, gekenmerkt wordt door minder adequatie dan een vertaling die gemaakt wordt met het oog op een centrale positie. De logica die hierachter schuilt, is dat een potentieel prestigieuze auteur grotere afwijkingen van de eigen literaire normen worden toegestaan dan een marginale schrijver. In dit opzicht is het significant dat de allervroegste Nederlandse Dostoevskij-vertaling, Schuld en boete (1885), op macrostructureel vlak misschien niet 100% volledig, maar toch in hoge mate adequaat is: het is een indicatie dat de uitgever verwachtte dat deze doeltekst enig prestige zou verwerven. Dit verwachtingspatroon kan verklaard worden door het stormachtige succes van de overeenkomstige Franse en Duitse vertalingen in Frankrijk en Duitsland, en door de waardeoordelen van critici als De Vogüé. Uit het vorige deel van dit proefschrift is echter gebleken dat de Nederlandse receptiegemeenschap met meer terughoudendheid reageerde op de ontdekking van Dostoevskij dan de Franse en de Duitse lezers. De verwachtingen werden niet ten volle ingelost. Het is dan ook niet verbazend dat uit de macrostructurele analyse blijkt dat de vertaalnormen in het geval van Dostoevskij met het verstrijken van de jaren niet evolueerden in de richting van adequatie. Veeleer was het omgekeerde het geval. De misleide (1886), de eerste Nederlandse vertaling van Unižennye i oskorblënnye, was ondanks zijn grote inkortingen aanzienlijk vollediger dan de tweede vertaling van dezelfde brontekst, Arme Nelly (1891). De coupures in deze laatste tekst, meestal in het leven geroepen door de Nederlandse vertaalster, laten zich ook hier verklaren door een drang naar inkorting – per slot van rekening werd Dostoevskij te pas en te onpas in de literaire kritiek misplaatste langdradigheid ten laste gelegd. Ten tweede kan vermoed worden dat de vertaalster streefde naar een simplificatie van de door critici als te ingewikkeld versleten intrige. Ook Uit Siberië (1891), de eerste Nederlandse vertaling van Zapiski iz mërtvogo doma, was een stuk vollediger dan de tweede vertaling van dezelfde brontekst, Uit het doodenhuis (1907), waarvan bovendien de hoofdstuknummering inconsequent was. Enkele jaren na Schuld en boete gaf Rössing Arme menschen (1887) uit: een quasivolledige vertaling met enkele macrostructurele slordigheden die van een gebrekkige revisie getuigen. Daarna volgde bij dezelfde uitgever de vertaling De onderaardsche geest (1888), die terug blijkt te gaan op een Franse adaptatie van twee verschillende bronteksten. Ook De speler (1890) blijkt gekenmerkt door belangrijke macrostructurele verschuivingen, meer bepaald door inkortingen die doorgevoerd werden op initiatief van de Nederlandse vertaler. De doelteksten Witte nachten (1906) en De echtgenoot (1907) zijn dan weer op macrostructureel vlak in hoge mate adequaat – coupures werden wellicht niet opportuun bevonden omdat het sowieso geen omvangrijke werken zijn. De vooroorlogse Nederlandse Dostoevskij-receptie werd echter afgesloten met een regelrechte belle infidèle: de vertaling De gebroeders Karamazow (1913), die het magnum opus van Dostoevskij betreft. De spectaculaire narratieve verschuivingen binnen deze laatste vertaling, het feit dat amper de helft van de brontekst is weergegeven en dat de epiloog een andere ontknoping brengt dan door Dostoevskij voorzien was, suggereren dat zijn aanzien aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in Nederland nog altijd uiterst gelimiteerd was – wat strookt met de eerder besproken kritiek van Nieboer (1916). Voor zover Dostoevskijs rijp filosofisch oeuvre überhaupt ter beschikking werd gesteld van het Nederlandse leespubliek, was dit – behoudens Prestuplenie i nakazanie – het voorwerp van een op macrostructureel vlak ingrijpende bemiddeling.
Holmes (1988: 47), die hiervoor zijn beroemde assenstelsel in het leven heeft geroepen, suggereert dat vertaalkeuzes gericht op adequatie – hijzelf spreekt van conservering – neigen naar exotiseren, terwijl keuzes gericht op acceptabiliteit – of op herschepping, zo men wil – een vorm van naturalisering impliceren. Uit het onderzoek op preliminaire data en macrostructurele eigenschappen van het DT-corpus is gebleken dat de dominante preliminaire normen en matrixnormen voor het merendeel van de doelteksten, De onderaardsche geest, Arme Nelly en De gebroeders Karamazow voorop, in mindere of meerdere mate gericht waren op acceptabiliteit, wat gematerialiseerd is in een groot aantal macrostructurele verschuivingen die inderdaad met groot gemak geïnterpreteerd kunnen worden als naturaliserend. Dit geldt bij uitstek voor de grootschalige inkortingen waardoor de teksten van het DT-corpus gekenmerkt worden, aangezien de grote omvang van Dostoevskijs boeken door critici beschouwd werd als typisch Russisch. Op het eerste gezicht rechtvaardigt dit de verwachting dat ook de dominante tekst-linguïstische normen, die het microtekstuele niveau betreffen, gericht zullen blijken op een zich in naturalisering vertalende acceptabiliteit.
Tegen deze redenering zijn echter reserves in te brengen. Zo wijzen Van Gorp en Lambert (1984: 46) erop dat geen enkele vertaalactiviteit volledig coherent is voor wat betreft het dilemma acceptabel versus adequaat. Mutatis mutandis is het perfect denkbaar dat een vertaling macrostructureel in hoge mate naturaliserend is, maar op het microtekstuele niveau een exotiserend effect sorteert, of omgekeerd. Ook deze voorstelling van zaken is evenwel vereenvoudigend. Het microtekstuele niveau bestaat immers dankzij een veelheid van beslissingen vanwege de vertaler, die verschillende dimensies van de tekst betreffen. In zijn analyse van poëzievertalingen onderscheidt Holmes (1988: 47) er drie: de socioculturele context, de linguïstische context en de literaire intertekst. Op ieder van deze domeinen wordt de poëzievertaler, en bij uitbreiding iedere vertaler van een literaire tekst, voor keuzes geplaatst die de as naturalisering versus exotiseren betreffen. Zoals Holmes het ziet, bestaat er een zekere graad van coherentie binnen de keuzes die op ieder van de respectieve domeinen gemaakt worden, in die mate dat generalisaties geoorloofd zijn. Een eerste voorbeeld van zo’n veralgemening, de vrucht van empirisch onderzoek, is dat onder hedendaagse vertalers een opvallende neiging bestaat tot naturalisering van de linguïstische context, gepaard gaande met een soortgelijke, maar minder uitgesproken tendens wat betreft de literaire intertekst, maar een tegengestelde tendens tot exotiseren in de socioculturele situatie. Relevanter voor dit onderzoek is het tweede voorbeeld dat Holmes aanhaalt: dat vertalers in de 19e eeuw veel meer dan heden geneigd waren tot exotiseren van zowel de socioculturele context, de linguïstische context als de literaire intertekst. Deze uitspraken moeten echter gerelativeerd worden. Ten eerste omdat Holmes zich concentreert op vertalers van poëzie. Ten tweede omdat, zoals hijzelf bedenkt, vrijwel alle vertalers, inclusief de pleitbezorgers van maximale conservering of maximale herschepping, inconsequent zijn in hun keuzes.
Om bovenstaande redenen kunnen op basis van onderzoek op preliminaire vertaaldata en macrostructurele verschuivingen bezwaarlijk algemene voorspellingen worden gedaan over de mate waarin een doeltekst of een DT-corpus op microtekstueel niveau naturaliserend dan wel exotiserend vertaald zal blijken. Het is dus onbevooroordeeld dat in dit hoofdstuk een antwoord gezocht wordt op deze vraag, die geïnterpreteerd kan worden als een peilen naar de door de vertalers toegestane dosis couleur locale. Dit onderzoek valt, conform de indeling van Holmes, uiteen in drie onderdelen. Vooreerst wordt de vertaling van vier categorieën lexicale eenheden die de socioculturele dimensie betreffen onder de loep genomen: topografische verwijzingen, persoonsnamen, aanspreekvormen en realia. Hierna wordt een licht geworpen op de mate waarin de puur linguïstische dimensie van de bronteksten naturaliserend dan wel exotiserend vertaald is. Tot slot wordt het onderzoek naar de couleur locale vervolledigd met een summiere vertaalstudie van de literaire intertekst in vertaling.
Zoals dit ook geldt voor andere werken van het Russische realisme, zijn Dostoevskijs prozateksten doorspekt met een grote hoeveelheid Russische toponiemen, hodoniemen en andere topografische aanduidingen. Met name omdat zijn werken zich vaker wel dan niet afspelen op bestaande plaatsen in Sint-Petersburg en elders in Rusland, draagt de topografische informatie in belangrijke mate bij tot de illusie dat het beschrevene werkelijk is voorgevallen. De volledige activering van dit effect wordt echter geconditioneerd door de capaciteit van de lezer om de gegeven toponiemen, hodoniemen en dergelijke te herkennen als werkelijk bestaand. Vanzelfsprekend was het hiervoor vereiste Russische socioculturele referentiekader bij Dostoevskijs Nederlandse lezers ten tijde van zijn vroege receptie nagenoeg volledig afwezig. Hoogstens waren zij in staat om sommige Russische toponiemen, hodoniemen en dergelijke te herkennen als Russisch. Als zodanig kon een exotiserende vertaling, bijvoorbeeld door middel van transcriptie, de couleur locale verhogen. Ook dit creëert een schijn van realisme, zij het op een minder fijngevoelige wijze. Een naturaliserende vertaling van topografische aanduidingen, op zijn beurt, draagt niet bij tot het gevoelen dat het om een echt Russisch werk gaat. Dit betekent evenwel niet dat het originele realistische effect volledig ondermijnd wordt bij naturaliserende vertaling; dit is pas het geval wanneer aan de vertaling van dergelijke schijnbaar overbodige lexicale elementen tout court wordt verzaakt, wanneer ze met andere woorden uit de tekst worden geschrapt. Relevant voor de Dostoevskij-vertaler zijn ook de beschouwingen van Boland (2008: 70) dat een doorgedreven handhaving van Russische toponiemen ten eerste ‘leesirritatie’ kan veroorzaken bij de westerse lezer en ten tweede woordspelingen kan verloren doen gaan.
Meer specifiek kunnen de volgende zeven procedés – waarvan de eerste vier de couleur locale in mindere of meerdere mate conserveren en de laatste drie min of meer naturaliserend werken – worden toegepast voor het vertalen van topografische aanduidingen: (1) Eenvoudige transcriptie, waarbij de keuze zich opdringt tussen fonetische of letterlijke transcriptie; (2) Toevoeging van de soortnaam; (3) Gefixeerde vertaling, die slechts mogelijk is in het geval van goed bekende plaatsnamen, zoals Moskou; (4) Toelichting, al dan niet tussen haakjes of in een voetnoot; (5) Denotatieve woordelijke vertaling, slechts mogelijk bij ‘sprekende aanduidingen’; (6) Vervanging door hyperoniem, hyponiem of equivalent, al dan niet uit doelcultuur; (7) Weglating. Deze lijst is niet exhaustief, en procedés kunnen ook in combinatie met elkaar toegepast worden. Hieronder wordt voorgesteld welke van deze vertaalprocedés geprivilegieerd werden in de Franse en Duitse intermediaire vertalingen en in de Nederlandse doelteksten van het onderzoekscorpus.
Vier intermediaire teksten zijn van de hand van L.A. Hauff: Arme Leute, Der Spieler, Aus dem todten Hause (1890) en Erniedrigte und beleidigte (1890). Deze Duitse vertaler heeft de topografische aanduidingen van de Russische bronteksten in de regel adequaat vertaald, waarbij het procedé van de eenvoudige fonetische transcriptie geprivilegieerd werd.[198] Dit komt de couleur locale zeker ten goede, maar niet altijd de begrijpelijkheid. Zo is ‘Каменный Пояс’ (Stenen Gordel), een gefixeerde poëtische verwijzing naar het Oeralgebergte, in Arme Leute weergegeven als het voor de Duitse lezer onbevattelijke ‘Kammeny-Pojas’.[199] Hauff heeft consequent dezelfde transcriptie aangehouden, op enkele uitzonderingen na.[200] Interessant is het geval ‘Невский’: deze straatnaam werd door de vertaler, ondanks de originele ellips, systematisch voluit weergegeven, namelijk als ‘Newsky-Prospect’ – allicht om de herkenbaarheid te vergroten.[201] Het tweede procedé, de toevoeging van de soortnaam, is slechts enkele malen gebruikt, en dan nog steeds in combinatie met het eerste.[202] Het derde procedé lijkt overal toegepast waar dit mogelijk was.[203] De vertaler heeft ook meermaals gebruik gemaakt van het toelichtende procedé, dat de lezer dichter bij de broncultuur brengt. In Arme Leute zijn hiervoor drie voetnoten gebruikt. [204] In Aus dem todten Hause (1890) wordt de toelichting verschaft in de tekst zelf, meestal tussen haakjes.[205] Het vijfde procedé, dat van de denotatieve woordelijke vertaling, komt eveneens enkele malen voor.[206] Zeldzaam zijn dan weer de gevallen waarin Hauff een topografische aanduiding, of afgeleide, heeft vertaald door het equivalent te vertalen.[207] Tot slot is er in de vertalingen van Hauff enige geografische informatie gesneuveld, wellicht omdat die overtollig werd bevonden.[208]
De Nederlandse vertalers van Arme menschen, De Speler en Uit het doodenhuis hebben de door Hauff gemaakte keuzes over het algemeen beschouwd nauwgezet gevolgd, maar toch zijn er enkele interessante verschuivingen op te merken. In Arme menschen zet Van den Hoek enerzijds een inconsequentie recht, door ‘Gorafowajastraße’ te vertalen als ‘Gorochawajastraat’.[209] Anderzijds maakt hij ook twee inadequate vertaalkeuzes: ‘sechtste Linie’ wordt vertaald als ‘de zesde afdeling’[210] – zodat niet langer duidelijk is dat het over een straat gaat; en ‘Kamenny-Pojas’ wordt vervormd tot ‘Kamenez in Podilie’ (!),[211] waarin de Oeral zelfs voor iemand met kennis van het Russisch niet meer te herkennen valt. De anonieme vertaler van De speler, op zijn beurt, heeft de Duitse transcriptie van Hauff vernederlandst. Zo is het Duitse ‘Nischniy Nowgorod’ weergegeven als ‘Nisjnii-Nowgorod’.[212] Buiten de categorisering valt het volgende geval: ‘In der Bädern’, wat een adequate vertaling is van het Russische ‘На водах’, is in het Nederlands geconcretiseerd als ‘In Baden’[213] – inderdaad is Igrok geïnspireerd op de ervaringen die Dostoevskij opdeed in Baden-Baden, maar deze plaatsnaam wordt in het origineel niet vermeld. M. Faassen, die de doeltekst Uit het doodenhuis verzorgde, heeft de Duitse transcriptie nauwgezet behouden, wat onverwachte schrijfwijzen oplevert als ‘Kursk’ (Koersk) en ‘‘n Tschetschenze’ (Tsjetsjeen).[214] Toch zijn voor wat betreft de schrijfwijze van topografische aanduidingen ook in zijn vertaling enkele kleine verschuivingen te vinden, al dan niet te wijten aan slordigheid.[215]
In tegenstelling tot de vertalers van Arme menschen, De Speler en Uit het doodehuis heeft Mevr. C.A. La Bastide, die de vertaling Arme Nelly heeft verzorgd, zich niet grotendeels aangesloten bij de vertaalstrategie van Hauff. Conform haar macrostructurele ingrepen, die er onmiskenbaar op gericht waren om de plot gemakkelijker ingang te doen vinden bij de lezer, heeft ze voor wat betreft de topografische aanduidingen getracht om de culturele barrière te verlagen. Het springt in het oog dat in haar vertaling een groot aantal straatnamen al dan niet systematisch is weggevallen, ook in passages die verder gevrijwaard zijn van coupures.[216] Het verlies van straatnamen werd in sommige gevallen gecompenseerd door de toevoeging van meer algemene topografische aanduidingen.[217] De indruk die ontstaat is dat La Bastide zowel het gamma als de frequentie van exotische plaatsnamen zeer gedoseerd aan haar lezer wilde toedienen. Bovendien heeft ze enkele plaatsnamen tenminste voor de helft naturaliserend vertaald.[218] Tot slot heeft ze een ander aantal straatnamen die niet geduid waren door de Duitse vertaler op eigen initiatief toegelicht in een voetnoot[219] – daarbij is onduidelijk op welke secundaire bron ze zich gebaseerd heeft.
Naast Arme menschen, De speler, Uit het doodenhuis en Arme Nelly werden nog drie andere Nederlandse vertalingen hoofdzakelijk uit het Duits vertaald: Schuld en boete, De misleide en De echtgenoot. De respectievelijke Duitse vertalers, W. Henckel, K. Jürgens en A. Scholz, hebben de topografische aanduidingen van de bronteksten ieder naar eigen inzicht en smaak vertaald.
In Raskolnikow is het eerste procedé, van de eenvoudige transcriptie, met regelmaat toegepast. Wel is er sprake van enige inconsequentie. Bij wijlen, maar niet altijd, neemt de transcriptie bijzonder exotiserende vormen aan.[220] Henckel heeft echter ook van de andere procedés gebruik gemaakt. Het tweede procedé, waarbij de soortnaam toegevoegd wordt, komt regelmatig voor in combinatie met andere procedés.[221] Uit de manifeste aanwezigheid van het vierde procedé, dat van de nadere toelichting in een voetnoot of elders,[222] blijkt dat de Duitse vertaler de gelegenheid te baat wilde nemen om zijn publiek nader kennis te laten maken met het dagdagelijkse leven in Petersburg. Het procedé van de woordelijke vertaling, dat de tegenhanger vormt van de transcriptie zonder meer, is toegepast in de meeste gevallen waarin dit mogelijk was.[223] Interessant is dat Henckel uitzonderlijk geopteerd heeft voor de vertaling van een equivalent[224] of voor weglating[225] – de hoogst mogelijke graad van microtekstuele adequatie heeft hij dus niet nagestreefd. Petros Kuknos, die Raskolnikow vertaald heeft in het Nederlands, heeft de betreffende tekstnormen van Henckel relatief nauwgezet overgenomen. Slechts drie verschuivingen, alle drie min of meer naturaliserend, vallen op. Ten eerste heeft hij de transcriptie enigszins aangepast aan de doeltaal: zo is de uitgang ‘–ij’ systematisch weergegeven als het gemakkelijker uitspreekbare ‘–y’.[226] Ten tweede is de aanduiding ‘Piter’, die bij Henckel vergezeld ging van de voetnoot ‘Volkstümlich für Petersburg’, vertaald door middel van het minder exotische equivalent ‘Sint-Petersburg’.[227] Ten derde is in Schuld en boete af en toe topografische informatie weggevallen.[228]
In mindere mate dan Henckel heeft Jürgens de topografische aanduidingen van Dostoevskij adequaat vertaald. In Erniedrigte und Beleidigte (1885) is vaak gebruik gemaakt van transcriptie zonder meer.[229] De gefixeerde vertaling is, zoals gebruikelijk was en nog steeds is, toegepast waar mogelijk. Het tweede en vierde procedé, respectievelijk de toevoeging van de soortnaam en de toelichting, lijken in deze intermediaire tekst amper voor te komen. Wel is in enkele gevallen een denotatieve vertaling gebruikt.[230] Vooral opvallend is echter dat Jürgens meerdere topografische aanduidingen simpelweg onvertaald heeft gelaten, wat de couleur locale, maar ook de realistische schijn enigszins vermindert.[231] Dat microtekstuele adequatie van beperkt belang werd geacht, blijkt verder uit de vertaling van de straatnaam ‘Шестилавочная’ (Šestilavočnaja) als ‘Nadeshdinskaja’[232] en uit het feit dat verwijzingen naar het ‘Marienpaleis’ en naar de stad Perm werden ingelast waar hier in de brontekst geen sprake van was.[233] De anonieme vertaler van De misleide heeft zich aan de door Jürgens uitgestippelde lijn gehouden, al zijn enkele inconsequenties op te merken in zijn transcriptie.[234] Eerder banaal dan betekenisvol, maar niettemin wijzend op een zekere drang naar naturalisering, is de vaststelling dat ‘Petersburg’ in De misleide vertaald is als ‘St. Petersburg’.[235]
Bij het vertalen van topografische aanduidingen in Der Hahnrei heeft Scholz het naturaliserende procedé van de denotatieve vertaling geprivilegieerd.[236] Daarbij valt op dat de door hem voorgestelde vertaling niet altijd adequaat is.[237] Slechts uitzonderlijk is gebruik gemaakt van eenvoudige transcriptie.[238] Toch garanderen topografische aanduidingen als ‘Petersburg’, ‘Krim’, ‘Sibirien’, ‘Newa’, ‘Nowgorod’, ‘Odessa’ en ‘Smolnakloster’[239] nog een zekere couleur locale. Op zijn beurt heeft Faassen de topografische aanduidingen van Der Hahnrei adequaat vertaald. Een uitzondering vormt ‘bucharische Täppiche’[240] dat in De echtgenoot weergegeven is als ‘Bulgaarse tapijten’.[241] Het valt niet te achterhalen of deze verschuiving doelbewust in het leven geroepen was – omdat de Nederlandse lezer wel al had gehoord van Bulgarije, maar niet van de Oezbeekse stad Buchara –, dan wel te wijten is aan onaandachtige lectuur.
Eerder is Uit Siberië macrostructureel geanalyseerd als ongeveer in gelijke mate een vertaling van Aus dem todten Hause (1886) als van Souvenirs de la maison des morts. In deze twee intermediaire teksten zijn de topografische aanduidingen van Zapiski iz mërtvogo doma over het algemeen genomen adequaat vertaald. De Duitse vertaler heeft, in tegenstelling tot de Franse, overvloedig gebruik gemaakt van voetnoten die de lezer inzicht verschaffen in de broncultuur.[242] Beiden hebben echter regelmatig gebruik gemaakt van eenvoudige transcriptie. Vanzelfsprekend wijkt de Duitse transcriptie af van de Franse. Interessant genoeg blijkt de Nederlandse vertaler enigszins een spagaathouding te hebben aangenomen: meestal heeft hij de Duitse vertaling gevolgd, maar soms ook de Franse.[243] Twee verschillende transcriptiesystemen worden in de doeltekst dus door elkaar gebruikt. Daarnaast vallen veelvuldige inconsequenties en verschuivingen op in de eigenlijke schrijfwijzen, die het gevolg lijken van slordigheid of onaandachtzaamheid.[244] Bovendien zijn enkele minder bekende topografische aanduidingen door de Nederlandse vertaler niet als zodanig, maar wel als eigennamen van personages begrepen.[245]
Halpérine-Kaminsky en Morice schrokken er niet voor terug om de narratieve structuur van Chozjajka, Zapiski iz podpol’ja en Brat’ja Karamazovy ingrijpend aan te passen aan de smaak van het geviseerde leespubliek, maar met de topografische aanduidingen die zich in deze bronteksten bevinden – meer bepaald in de passages die buiten het bereik van de grootschalige coupures vallen – zijn ze niet naturaliserend omgesprongen. Wel integendeel, plaatsnamen, straatnamen en dergelijke worden door Halpérine-Kaminsky en Morice in de regel adequaat weergegeven – ook wanneer het minder bekende toponiemen betreft.[246] Er is een zekere hang naar exotisering merkbaar, in die zin dat het procedé van de eenvoudige transcriptie ook is toegepast in sommige gevallen waarin meer naturaliserende procedés voor de hand liggen. Bijvoorbeeld is ‘Сенная [площадь]’ (Hooi[markt]) weergegeven als ‘Sennaïa’,[247] zonder denotatieve vertaling of verduidelijking dat het om een marktplein gaat.[248] De anonieme vertaler van De onderaardsche geest heeft zich bij Halpérine-Kaminsky en Morice aangesloten, zij het met enige inconsequentie.[249]
De vertaling Les frères Karamazov (1906) van Bienstock en Torquet mag dan wel macrostructureel adequater zijn dan die van Halpérine-Kaminsky en Morice, de topografische aanduidingen van de brontekst zijn hierin over het algemeen beschouwd veel minder adequaat weergegeven. In het geval van onbekende plaatsnamen wordt slechts uitzonderlijk gebruik gemaakt van eenvoudige transcriptie.[250] Liever doen de vertalers een beroep op eenvoudige weglating (zie fragment 21) of – indien de informatie belangwekkend genoeg bevonden wordt – op naturaliserende procedés, zoals omschrijving[251] of denotatieve vertaling, die evenwel niet altijd adequaat is toegepast.[252]
Fragment 21. De gebroeders Karamazow
| там эта роща моя, в двух участках, в Бегичеве да в Дячкине, в пустошах[253] (XV: 252) | C’est mon bois de là-bas (Les frères Karamazov 1906: 191) | ‘t is over mijn hout daar (De gebroeders Karamazow 153) |
Van Gogh-Kaulbach heeft de keuzes van de Franse vertalers nauwgezet overgenomen, met als gevolg dat in De gebroeders Karamazow, overigens net als in De onderaardsche geest, heel wat Russische plaatsnamen weergegeven zijn door middel van Franse transcriptie.[254]
De verwachting dat Witte nachten als enige rechtstreekse vertaling van het DT-corpus ook wat betreft de topografische aanduidingen gericht is op adequatie blijkt te kloppen. Enigszins exotiserend is de transcriptie die Stokvis, die zich in tegenstelling tot andere vertalers niet baseerde op de Franse of Duitse transcriptie, in het leven heeft geroepen.[255] In sommige gevallen geeft hij zelfs de juiste klemtoon aan.[256] Dat hij opzettelijk naar couleur locale heeft gestreefd, wordt gesuggereerd door de vertaling van ‘набережная’ (kade) als ‘Njewàkade’.[257] Om de kloof tussen de lezer en de broncultuur toch overbrugbaar te maken zijn enkele voetnoeten ingelast.[258] Daarnaast zijn bepaalde topografische aanduidingen in Witte nachten niet getranscribeerd, maar voorzien van een letterlijke vertaling.[259] Stokvis heeft dus een evenwichtig compromis gesloten tussen enerzijds toegankelijkheid en anderzijds couleur locale, zonder dat hiervoor inadequate vertaalkeuzes gemaakt werden.
De namen van de personages vormen voor de westerse lezer van Russische literatuur een klassiek obstakel. Enerzijds steunt de barrière op de exotische vorm van de namen, die het moeilijk maakt om ze uit te spreken en te memoriseren.[260] Anderzijds kan de veelheid van namen waarmee binnen een bepaalde tekst naar eenzelfde personage verwezen wordt verwarring veroorzaken – daarom voorziet menig hedendaagse vertaling uit het Russisch in een ‘dramatis personae’.[261] Russische personen zijn hierin uniek dat ze behalve een voornaam en een achternaam – bij vrouwen is dat een vervrouwelijkte vorm van de achternaam van hun vader of echtgenoot – ook een vadersnaam dragen.[262] Verschillende combinaties zijn frequent.[263] Zo schrijft de etiquette voor om in formele omstandigheden een Rus aan te spreken met zijn voornaam en vadersnaam, wat een westerse lezer vreemd voorkomt. Hier komt bij dat van vrijwel iedere Russische voornaam een groot gamma van namen kan worden afgeleid, met verschillende overeenkomstige gevoelswaarden. In verband met de eigennamen van Dostoevskijs personages moet ook opgemerkt worden dat ze vaak sprekend of betekenisvol zijn. Zoals Boland (2008: 62-4) inlicht, vormt deze techniek van de sprekende namen in feite een kenmerk van de preromantische literatuur. Dostoevskij trok er zich echter niets van aan dat sprekende namen eigenlijk al na 1800, en zeker na 1830 als passé golden.
De vertaler van Russische literatuur kan ernaar streven om de door de Russische namen opgeworpen barrière te behouden of te verkleinen. Hiervoor kan hij gebruik maken van grofweg zeven vertaalprocedés, al dan niet gecombineerd. (1) Het meest adequaat is de handhaving door zuivere transcriptie. Dit procedé komt voorzeker de couleur locale, maar niet de toegankelijkheid van een tekst ten goede. Hierbij rijst wel de vraag welke concrete transcriptie gehanteerd moet worden. Heden bestaat hierover in het Nederlandse taalgebied een zekere consensus – al blijft het bijvoorbeeld een kwestie van smaak of men de letter ‘в’ als een ‘v’ dan wel als een ‘w’ transcribeert –, maar voor de Eerste Wereldoorlog was hiervan nog niet de minste sprake.[264] (2) Matig adequaat is de simplificatie van de naam. (3) Het derde procedé geldt enkel sprekende namen, die evenwel bij Dostoevskij frequent voorkomen: deze kunnen weergegeven wordt aan de hand van een sprekende naam van de doelcultuur. (4) Eveneens mogelijk is de vervanging van de naam van een bepaald personage door een andere, eventueel gemakkelijker herkenbare of uitspreekbare Russische naam van ditzelfde personage.[265] (5) Inadequater is het procedé waarbij er een nieuwe, uitgevonden Russische naam wordt toegekend aan een bepaald personage.[266] (6) Uitgesproken naturaliserend is dan weer het zesde procedé, nog inadequater dan het voorgaande, waarbij de Russische naam in kwestie vervangen wordt door een naam uit de doelcultuur.[267] (7) Tot slot kan de vertaler er natuurlijk ook voor opteren om verwijzingen naar personages aan de hand van bepaalde namen onvertaald te laten, zonder dit te compenseren met een andere naam.
De Duitse vertaler L.A. Hauff blijkt matig consequent omgesprongen te zijn met de ontelbare Russische eigennamen die hij tegenkwam bij het vervaardigen van Arme Leute, Der Spieler, Aus dem todten Hause (1890) en Erniedrigte und Beleidigte (1890). In de overgrote meerderheid van de gevallen heeft hij deze namen gehandhaafd door middel van een eenvoudige transcriptie, die de culturele barrière in stand houdt.[268] De verwarring wordt nog in de hand gewerkt omdat eenzelfde naam soms op grondig verschillende wijzen getranscribeerd wordt.[269] De sprekende namen heeft Hauff nu eens getranscribeerd, waardoor de soms humoristische betekenis verduisterd wordt,[270] en dan weer vertaald aan de hand van een sprekende Duitse naam.[271] Daarnaast heeft hij ook gebruik gemaakt van andere naturalistische procedés, die de culturele barrière verkleinen. Van de vrouwelijke achternamen geeft hij systematisch de mannelijke variant weer.[272] Ook is een groot aantal voornamen in mindere of meerdere mate verduitst.[273] In sommige gevallen is de originele Russische naam getranscribeerd met tussen haakjes de toevoeging van een Duits equivalent.[274] In andere gevallen is de originele Russische naam simpelweg vervangen door een Duits equivalent.[275] Er zijn in Hauffs vertalingen ook voorbeelden te vinden waarbij een naam vervangen is door een andere naam van hetzelfde personage,[276] of door een geheel andere Russische naam.[277] Vooral vadersnamen moesten het ontgelden,[278] al zijn ze vaker getranscribeerd dan weggelaten. Tot slot heeft Hauff uitzonderlijk de naam van een personage onvertaald gelaten, en dit gecompenseerd door er op een andere manier dan aan de hand van een naam naar te verwijzen.[279]
De Nederlandse vertalers van Arme menschen, De speler, Arme Nelly en Uit het doodenhuis, hebben zich grotendeels aangesloten bij de manier waarop Hauff de Russische persoonsnamen vertaald heeft – met een enigszins inconsequente[280] en soms uitgesproken Duitse transcriptie[281] van Russische namen tot gevolg. Toch zijn op dit vlak ook interessante verschuivingen op te merken. Zo zijn in ieder van de genoemde vertalingen onregelmatigheden geslopen, die veroorzaakt lijken door onaandachtzaamheid.[282] Van der Hoek, de vertaler van Arme menschen, heeft een aantal naturaliserende vertaalkeuzes gemaakt.[283] De vertaler van De speler is daarentegen gevoelig exotiserender te werk te zijn gegaan dan Hauff zelf.[284] La Bastide heeft dan weer keuzes gemaakt die nu eens een exotiserend en dan weer een naturaliserend effect sorteren, maar die bij nader inzien gericht blijken op homogenisatie: in Arme Nelly wordt naar de personages vaak met dezelfde naam verwezen, terwijl Erniedrigte und Beleidigte op dit vlak net als de Russische brontekst gekenmerkt wordt door grote heterogeniteit.[285]
Henckel, die met Raskolnikow voor Dostoevskijs doorbraak in de Duitse literatuur zorgde, heeft de voornamen, afgeleide voornamen, vadersnamen en familienamen van de personages van Prestuplenie i nakazanie extreem adequaat vertaald.[286] Hij maakt daarvoor gebruik van een transcriptie die nauw aansluit bij de Russische spelling. In veel gevallen geeft hij zelfs het zachte teken weer, door middel van een apostrof.[287] Om de lezer toch niet al te veel te verwarren, last hij met grote regelmaat voetnoten in, waarin de meest exotische namen toegelicht worden, al dan niet aan de hand van een Duits equivalent.[288] De sprekende namen, zoals ‘Раскольников’ (Raskolnikov) zelf, worden als zodanig echter niet toegelicht. Slechts bij wijze van uitzondering heeft Henckel de schrijfwijze van de Russische namen vervangen door een minder exotische Russische naam[289] of een Duits equivalent,[290] of heeft hij de aangepast aan de Duitse morfologie.[291] Overigens laat hij ook af en toe een steekje vallen, in die zin dat in Raskolnikow eenzelfde naam soms op verschillende wijzen getranscribeerd wordt.[292] Kuknos, op zijn beurt, heeft er meestal naar gestreefd om de vertaalprocedés van Henckel adequaat over te nemen, met als gevolg dat ook Schuld en boete tal van voetnoten bevat waarin persoonsnamen toegelicht worden – al is de toelichting niet zo vergaand en adequaat als in Raskolnikow.[293] De transcriptie heeft hij weinig of niet vernederlandst; deze doet soms bevreemdend Duits aan voor zogezegd Russische personages.[294] Daarnaast lijkt hij doelbewust een aantal naturalistische ingrepen gepleegd te hebben.[295] Vooral opvallend in Schuld en boete zijn echter de ontelbare inconsequenties waardoor de schrijfwijzen van de persoonsnamen gekenmerkt worden.[296] Deze verschuivingen, die de Nederlandse lezer niet anders dan verward kunnen hebben, getuigen dat Kuknos geen consistente visie had op hoe deze cultuurgebonden lexicale elementen te vertalen.
De Duitse vertaler Jürgens is bij het vertalen van de persoonsnamen een stuk minder adequaat te werk gegaan dan bijvoorbeeld zijn voorganger Henckel, zo blijkt uit een vergelijking van Erniedrigte und Beleidigte (1885) met de brontekst. Hoewel hij in de meeste gevallen een adequate Duitse transcriptie handhaaft, ook bij vadersnamen, heeft hij niet weinig naturaliserende keuzes gemaakt. Zo is de vrouwelijke uitgang in familienamen systematisch weggevallen,[297] zijn meerdere Russische namen vervangen door een Duits equivalent,[298] en is her en der een naam simpelweg onvertaald gelaten.[299] Behalve naar naturalisering heeft hij ook gestreefd naar simplificatie[300] en homogenisatie,[301] zo suggereren een aantal verschuivingen. Tot slot heeft hij ook enkele inconsequente keuzes gemaakt.[302] De anonieme vertaler van De misleide heeft Jürgens quasi blindelings gevolgd, met als gevolg dat een aantal namen wat de vorm of de schrijfwijze betreft zeer Duits aandoen.[303] Af en toe zijn in deze doeltekst ook kleinere verschuivingen op te merken, die nu eens verklaard kunnen worden door ten eerste een streven naar verdere naturalisering,[304] ten tweede een streven naar consequentie,[305] en ten derde door onaandachtzaamheid.[306]
Scholz heeft in zijn vertaling van Večnyj muž ongeveer hetzelfde evenwicht als Jürgens bereikt tussen exotisering en naturalisering. De meeste persoonsnamen, inclusief de sprekende,[307] heeft hij adequaat vertaald middels een transcriptie – al heeft hij zich hierin wel enige vrijheden toegestaan.[308] In sommige gevallen, maar deze zijn eerder uitzonderlijk, last hij voetnoten in met uitspraakadvies[309] of andere toelichting.[310] Daarnaast zijn veel verschuivingen met een naturaliserend effect in het leven geroepen: de vrouwelijke familienamen zijn ontdaan van hun
vrouwelijke uitgang,[311] meerdere namen zijn qua morfologie[312] of volgorde[313] aan- gepast aan de Duitse taal, eenmaal is een Russische naam vervangen door zijn Duitse equivalent,[314] de combinatie van voornaam en vadersnaam is al eens vervangen door een andere naam van het overeenkomstige personage,[315] en tot slot zijn enkele namen simpelweg onvertaald gelaten[316] – onder andere in een moeilijk te vertalen woordspeling (zie fragment 22).
Fragment 22. De echtgenoot
| Одна из них, Катя, взялась “во всякое время Павла Павловича разыскать потому, что он от Машки Простаковой теперь не выходит, а денег у него и дна нет, а Машка эта – не Простакова, а Прохвостова,[317] и в больнице лежала, и захоти только она, Катя, так сейчас же ее в Сибирь спрячет, всего одно слово скажет”.[318] (IX: 60) | […] da er seit einiger Zeit nicht mehr zu ihnen kam, sondern, wie eine der Damen, Namens Katja, erzählte, bei einer gewissen Maschka sitze, “einer ganz gefährlichen Kreatur, die längst nach Sibirien gehört und den guten Pawel Pawlowitsch jedenfalls gründlich rupft.” (Der Hahnrei 130) | […] daar hij haar sedert eenigen tijd in ‘t geheel niet meer opzocht, doch zooals eender der dames, Katja genaamd, mededeelde, met ‘n zekere Maschka samenwoonde, “‘n heel gevaarlijk creatuur, dat eerstdaags wel naar Siberië zou verhuizen en den goedgeefschen Pawel Pawlowitsch in elke geval geheel kaalplukte.’ (De echtgenoot 76) |
Faassen heeft de meeste namen van Scholz onveranderd overgenomen. In enkele gevallen heeft hij enkele kleinere verschuivingen in het leven geroepen,[319] waarvan sommige met een enigszins naturaliserend effect.[320] Dat adequatie voor hem van minder tel was dan voor Scholz blijkt ook uit het feit dat het uitspraakadvies is weggevallen.[321]
In de twee intermediaire teksten waarop Uit Siberië gebaseerd is, Aus dem todten Hause (1886) en Souvenirs de la maison des morts, zijn de persoonsnamen in de regel adequaat vertaald. De Franse en de Duitse vertaler hebben het overgrote merendeel eenvoudigweg getranscribeerd, daarbij rekening houdend met de spellingsconventies van respectievelijk het Frans en het Duits.[322] Inadequate transcripties komen zowel in de Franse als Duitse tekst slechts uitzonderlijk voor.[323] De Duitse vertaler lijkt in een aantal gevallen aanzienlijk naturaliserender te werk gegaan dan de Franse, die soms dermate exotiserende keuzes maakt dat de toegankelijkheid eronder lijdt.[324] Er zijn echter ook voorbeelden van het omgekeerde te vinden.[325] Zowel de Duitse vertaler, en in mindere mate de Franse, maakt gebruik van voetnoten om de connotaties en de betekenis van bepaalde namen te verduidelijken.[326] De spagaathouding waardoor Uit Siberië gekenmerkt wordt wat betreft de topografische aanduidingen blijkt eveneens van toepassing op de persoonsnamen. In de meeste gevallen heeft de vertaler de Duitse tekst gevolgd, met een aantal uitgesproken Duitse schrijfwijzen tot gevolg.[327] De doeltekst bevat echter ook tal van op typisch Franse wijze getranscribeerde namen.[328] Daarnaast komen ook veel hybride vormen voor: persoonsnamen met eigenschappen van enerzijds de Duitse en anderzijds de Franse transcriptie.[329] Wat de verwarring die voortkomt uit het gelijktijdig gebruik van meerdere transcriptiesystemen compleet maakt, zijn de veelvuldige naamsvervormingen die de Nederlandse vertaler in het leven heeft geroepen.[330] Het komt vaak voor dat eenzelfde naam op zeer verschillende wijzen wordt weergegeven, in die mate dat de onherkenbaarheid bereikt wordt.[331] Minder dan zijn Duitse en Franse voorgangers is de Nederlandse vertaler geneigd tot het gebruik van toelichtende voetnoten, al heeft hij er her en der toch een overgenomen[332] of tussen haakjes gebracht in de tekst zelf.[333] Daarnaast zijn enkele bijkomende naturalistische keuzes gemaakt.[334]
De tendens om te exotiseren van Halpérine-Kaminsky en Morice wat betreft de weergave van topografische aanduidingen is tevens voelbaar in de aan de personages toegekende namen. In de intermediaire teksten L’esprit souterrain en Les frères Karamazov (1888) zijn vrijwel alle namen, inclusief de afgeleide varianten[335] en de sprekende namen,[336] zonder meer terechtgekomen in getranscribeerde vorm. De transcriptie is evenwel niet altijd consequent.[337] In De onderaardsche geest zijn vele van de betreffende namen qua schrijfwijze lichtjes gewijzigd. Terwijl sommige verschuivingen veroorzaakt lijken door slordigheid,[338] zijn andere onmiskenbaar bewust doorgevoerd om de cultuurbarrière kleiner te maken.[339] De transcriptie van eigennamen blijft in De onderaardsche geest echter uitgesproken Frans.[340]
Bienstock en Torquet zijn wat betreft de eigennamen bij het schrijven van Les frères Karamazov (1906) gevoelig minder exotiserend te werk gegaan dan Halpérine-Kaminsky en Morice. In de meeste gevallen maken ook zij gebruik van transcriptie. In sommige gevallen is omwille van de toegankelijkheid een voetnoot geplaatst bij een eigennaam.[341] Ook de betekenis van een beperkt aantal sprekende namen wordt op die manier verduidelijkt.[342] Om de kloof tussen de broncultuur en de lezer overbrugbaar te houden zijn in Les frères Karamazov ook andere maatregelen genomen. De variëteit en het gamma van namen zijn ingedijkt doordat vele namen ofwel worden weergegeven aan de hand van de standaardnaam,[343] ofwel simpelweg onvertaald zijn gelaten.[344] Daarnaast is de vrouwelijke variant van de achternaam systematisch vervangen door de mannelijke.[345] Tot slot is een groot aantal voornamen vervangen door een Frans equivalent.[346] Zoals eerder aangegeven, heeft Van Gogh-Kaulbach zich vooral gebaseerd op de vertaling van Bienstock en Torquet en in mindere mate op die van Halpérine-Kaminsky en Morice. Haar keuzes komen dan ook grotendeels overeen met die van het eerstgenoemde vertalerspaar, al zijn er ook gevallen waarin ze het tweede vertalerspaar gevolgd is.[347] Hoewel ze af en toe een accent laten vallen heeft en de letter ‘v’ bijna systematisch vervangen heeft door de meer Germaans aandoende ‘w’,[348] is haar transcriptie uitgesproken Frans.[349] Daarnaast komen ook een groot aantal verschuivingen en inconsequenties voor die te wijten lijken aan slordigheid.[350] Van de veelvuldige verhelderende voetnoten van Les frères Karamazov (1906) zijn er slechts enkele overgebleven.[351] Over het algemeen geldt dat sprekende namen niet als zodanig kenbaar zijn gemaakt in De gebroeders Karamazow.[352] Tot slot valt in deze doeltekst op dat de variëteit en de frequentie van de namen nog verder aan banden is gelegd.[353]
De enige rechtstreekse vertaling van het DT-corpus, Witte nachten, is in hoge mate adequaat is gebleken wat betreft de topografische aanduidingen. De verwachting dat hetzelfde geldt voor de vertaling van de namen van de personages blijkt bij controle te kloppen. Het handvol namen dat in Belye noči vervat zit is op één na adequaat getranscribeerd.[354] Ronduit exotiserend is de weergave van de naam ‘Иван Васильевич’, beter bekend als Ivan de Verschrikkelijke, als ‘Iwan Wasiljewietsj’.[355] Hier tegenover staat één inadequate, lichtjes naturaliserende vertaalkeuze: ‘Машенька’ (Mašen’ka) is vertaald als ‘Katjenjka’,[356] allicht omdat deze voor een Nederlandse lezer meer voor de hand ligt.
Naast topografische aanduidingen en persoonsnamen zijn ook de woordverbindingen waarmee Russische personages elkaar betitelen en aanspreken drager van couleur locale. Het gamma van aanspreekvormen is in het Russisch bijzonder ontwikkeld. In mindere of meerdere mate courant in de 19e eeuw waren onder meer de beleefde, vriendschappelijke of affectief geladen aansprekingen ‘-с’ (mijnheer), ‘батюшка’ (vadertje), ‘старик’ (letterlijk: oude man), ‘старушка’ (letterlijk: oud vrouwtje), ‘бабушка’ (grootmoeder), ‘мать’ (moeder), ‘брат’ (broer), ‘дядя’ (oom), ‘родной’ (verwant), ‘голубчик’ (duifje), ‘душа’ (ziel), ‘друг’ (vriend)[357] en ‘жизнь’ (leven), ‘ребята’ (kinderen) en het scheldwoord ‘собачье мясо’ (hondenvlees). Deze lijst is geenszins exhaustief, te meer omdat talrijke varianten kunnen worden afgeleid, telkens met een andere gevoelswaarde.
Dostoevskij, die zijn best doet om door en door Russische personages neer te zetten, heeft in al zijn prozateksten gretig gebruik gemaakt van de bovenstaande aansprekingen. Bij confrontatie ziet de Franse, Duitse en/of Nederlandse vertaler zich genoodzaakt een keuze te maken tussen naturalisering of exotisering, of naar een compromis tussen beide te streven. Naturaliserend zijn de procedés waarbij de oorspronkelijke vorm in vertaling ontdaan wordt van de couleur locale. Het meest radicale is de eenvoudige weglating. Tenminste functionele equivalentie blijft behouden in het geval van vervanging door een equivalent uit de doelcultuur. Exotiserend is dan weer de denotatieve vertaling van de aanspreking in kwestie, of van een variant ervan.[358] Nog meer gericht op de couleur locale is de transcriptie van de aanspreking in kwestie of van een variant ervan. Bij dit procedé kan de vertaler ervoor kiezen een denotatieve vertaling of een equivalent uit de doelcultuur toe te voegen, al dan niet tussen haakjes of in een voetnoot.
Meer nog dan wat de topografische aanduidingen en de persoonsnamen betreft, heeft L.A. Hauff naar exotisering gestreefd bij het vertalen van de vormen waarmee Dostoevskijs personages elkaar aanspreken. Met name Arme Leute en Der Spieler zijn in hoge mate exotiserend: in deze vertalingen bevindt zich een groot aantal gevallen waarin typisch Russische aansprekingen getranscribeerd werden, nu eens met toevoeging van de overeenkomstige vertaling en dan weer zonder.[359] Ten gevolge hiervan krijgt de Duitse lezer bevreemdende aansprekingen onder ogen als ‘Warwara Alexejewna! Golubtschik, mein Mütterchen!’.[360] Het meest van al heeft Hauff gebruik gemaakt van het procedé van de denotatieve vertaling zonder meer, dat eveneens een bevreemdend effect sorteert.[361] Daarnaast zijn ook gevallen te vinden waarin hij voor naturalisering gekozen heeft.[362] Opvallend is dat aansprekingen van vrouwen als ‘дружочек’ (vriendje) of ‘старушка’ (oude vrouw) nooit gehandhaafd zijn – dit was kennelijk een brug te ver.[363] Daarnaast zijn aansprekingen die anders wel exotiserend vertaald werden in sommige gevallen vertaald aan de hand van een equivalent uit de doelcultuur – allicht omwille van de stilistische variatie.[364] In de vertaling van passages waarin zich een cumulatie bevindt van typisch Russische aansprekingen zijn bepaalde vormen onvertaald gelaten, wat dan weer duidt op een streven naar dosering.[365]
De Nederlandse vertalers die zich baseerden op de door Hauff vervaardigde teksten hebben zijn keuzes met betrekking tot de aanspreekvormen in wisselende mate gerespecteerd. Van de Hoek, de vertaler van Arme menschen, volgt hem grotendeels, maar heeft toch een aantal exotiserende keuzes afgezwakt.[366] Het meest spectaculair is de weergave van ‘Batuschka’ als ‘lompert’.[367] Daarnaast heeft hij ook enkele disfunctionele verschuivingen veroorzaakt in de transcriptie, allicht door onaandachtzaamheid.[368] Mme La Bastide, op haar beurt, heeft onmiskenbaar een naturaliserende strategie gehanteerd. Het Russisch coloriet van de aanspreekvormen is systematisch geneutraliseerd, simpelweg geschrapt,[369] vervangen door een functioneel equivalent uit de doelcultuur,[370] of door de eigennaam van het personage in kwestie.[371] Van ‘duifjes’ of ‘broertjes’ is in Arme Nelly dus geen spoor terug te vinden. De anonieme vertaler van De speler heeft een voorkeur voor de handhaving van de exotische vormen,[372] maar grijpt niettemin regelmatig terug op uitgesproken naturaliserende vertaalprocedés. Zo zijn aansprekingen als ‘Väterchen’ en ‘Matuschka’ qua couleur locale in de regel geneutraliseerd, door eenvoudige weglating of door vertaling aan de hand van een equivalent uit de doelcultuur.[373] Faassen is nog een stap verder gegaan in het naturaliseren, al zijn de aansprekingen in Uit het doodenhuis niet allemaal volledig ontdaan van het Russisch coloriet: hij maakt veelvuldig gebruik van de vorm ‘vadertje’, ook wanneer in de intermediaire tekst eigenlijk sprake is van ‘Brüderchen’.[374] De gevallen waarin ‘broertje’ gehandhaafd is, zijn zeer dun bezaaid.[375] Het meest van al is ‘Brüderchen’ vertaald door ‘jongen’.[376] Daarnaast zijn nog andere naturaliserende maatregelen genomen.[377] De dosis couleur locale is in Uit het doodenhuis dus beperkt gebleven.
In Raskolnikow van Henckel zijn de aansprekingen doorgaans vertaald op een adequate manier, zonder aan toegankelijkheid in te boeten. Zo zijn ‘батюшка’ en ‘брат’ systematisch vertaald als ‘Väterchen’ respectievelijk ‘Brüderchen’.[378] Gevallen van naturalisering komen uitzonderlijk voor.[379] Wel is de verouderde beleefdheidsvorm ‘-с’ (mijnheer), die een ironische connotatie heeft, door Henckel nooit vertaald.[380] Kuknos heeft onmiskenbaar een naturaliserende kaart getrokken. In de meeste gevallen is het coloriet in aansprekingen als ‘Väterchen’ en ‘Brüderchen’ geneutraliseerd, doordat dit soort elementen vervangen is door de naam van het geviseerde personage of door een equivalent uit de doelcultuur.[381] Van een drang om te naturaliseren getuigt ook het feit dat de briefondertekening ‘Die deinige bis zum Grabe’[382] vertaald is als ‘Je lieve moeder’.[383] Interessant is dat Kuknos op het einde van Schuld en boete, na tal van naturalistische vertaalkeuzes, plots de hyperexotiserende aanspreking ‘Matouchka’[384] inlast – een onmiskenbare schatplicht aan de exotiserende Franse vertaling Le crime et le châtiment van Derély.
In Erniedrigte und Beleidigte (1885) blijft amper Russisch coloriet over in de aansprekingen. Bijna in alle gevallen dat Jürgens ‘брат’ (broeder), ‘батюшка’ (vadertje), ‘голубчик’ (duifje) en dergelijke niet onvertaald laat,[385] geeft hij ze weer aan de hand van een equivalent uit de doelcultuur, zoals ‘mein Lieber’, ‘treuer Mann’ en ‘Treuer’.[386] Slechts in uitzonderlijke omstandigheden heeft hij een typisch Russische aanspreking adequaat vertaald.[387] Aangezien het Russische coloriet in de aansprekingen al zo goed als volledig weggefilterd was in de intermediaire vertaling, valt niet te achterhalen in hoeverre de anonieme vertaler van De misleide zelf tolerant was voor exotische vertaalkeuzes op dit vlak..[388]
Wat de vertaling van aanspreekvormen betreft, helt de balans in Der Hahnrei lichtjes door naar de pool van de naturalisering. De reden hiervoor is dat aansprekingen als ‘батюшка’ (vadertje), ‘Катя, голубчик’ (Katja, duifje) en ‘душенька’ (zieltje) vertaald zijn aan de hand van equivalenten, respectievelijk ‘mein Lieber’, ‘liebe Katja’ en ‘mein Herzchen’.[389] De verouderde beleefdheidsvorm ‘-c’ (mijnheer), waarvan het gluiperige personage Trusockij in een bepaalde passage tot ergernis van Vel’čaninov om de haverklap gebruik gemaakt, is onvertaald gelaten – wat de spanning van de originele scène enigszins ondermijnt.[390] Weinig adequaat is ook de vertaling van ‘братец родной’ (bloedeigen broer) en ‘здравствуйте’ (goedendag) als ‘Bruderherz’ respectievelijk ‘Ihr Diener’.[391] Hier tegenover staan enkele gematigde exotiserende vertaalkeuzes.[392] Faassen, op zijn beurt, heeft de aansprekingen adequaat vertaald, op twee gevallen van naturalisering na.[393]
Zowel Aus dem todten Hause (1886) als Souvenirs de la maisons des morts is wat betreft de vertaling van de aanspreekvormen redelijk adequaat. Hyperexotiserende transcriptie komt in geen van beide intermediaire teksten voor. In de regel hebben de Duitse en de Franse vertalers geopteerd voor denotatieve vertaling. Er zijn veelvuldige gevallen te vinden waarin de Franse vertaler een exotiserende vertaalkeuze gemaakt heeft, waar de Duitser naturaliserend te werk is gegaan.[394] Ook van het omgekeerde zijn echter tal van voorbeelden aan te halen.[395] De Nederlandse vertaler heeft zich afwisselend aangesloten bij de Franse vertaler en de Duitse vertaler. Bovendien heeft hij een aantal aansprekingen op eigen initiatief inadequaat weergegeven.[396] Ten gevolge hiervan wordt Uit Siberië gekenmerkt door een zekere variëteit aan aanspreekvormen, die evenwel niet allemaal drager zijn van Russische couleur locale. Bijvoorbeeld is de aanspreking ‘брат’ (broeder) in de doeltekst terechtgekomen als ‘broeder’ (via het Duits), ‘kameraad’ (via het Frans) en ‘beste vriend’ (een geval naturalisering op initiatief van Nederlandse vertaler zelf).[397]
Halpérine-Kaminsky en Morice hanteren een veelheid aan procedés voor het vertalen van aanspreekvormen. De tendens is exotisering. Veelvuldige typisch Russische aansprekingen in L’esprit souterrain en Les frères Karamazov (1888) zijn zonder meer getranscribeerd, ook wanneer dit de begrijpelijkheid in de weg staat.[398] De meeste aansprekingen zijn echter weergegeven aan de hand van een denotatieve vertaling, wat in sommige gevallen eveneens een bevreemdend effect teweeg brengt.[399] Uitzonderlijk is de vervanging van de aanspreking door een equivalent uit de doelcultuur.[400] Nog zeldzamer toegepast is het eveneens naturalistische procedé van de eenvoudige weglating.[401] De Nederlandse vertaler van De onderaarsche geest heeft de aansprekingen van Halpérine-Kaminsky en Morice in de regel gehandhaafd. Van de weinige verschuivingen die in het leven geroepen zijn, getuigt er slechts één van een zeker streven naar naturalisering.[402]
In gevoelig mindere mate dan Halpérine-Kaminsky en Morice hebben Bienstock en Torquet er bij het vertalen van Brat’ja Karamazovy naar gestreefd om de aanspreekvormen te vertalen met behoud van het Russische coloriet; in Les frères Karamazov (1906) zijn tal van aansprekingen in genaturaliseerde vorm terecht gekomen.[403] Bepaalde aansprekingen zijn simpelweg geschrapt, wat belangrijke functionele verschuivingen met zich mee heeft gebracht.[404] Toch is enige couleur locale tot stand gekomen dankzij de denotatieve vertaling van een aantal typisch Russische aanspreekvormen.[405] Van eenvoudige transcriptie is echter geen sprake. Voor zover dit afgeleid kan worden uit de vergelijking van De gebroeders Karamazow met de intermediaire teksten en de brontekst, lijkt het erop dat Van Gogh-Kaulbach, op haar beurt, geen uitgesproken visie had op de vertaling van aanspreekvormen: in vrijwel alle gevallen heeft ze de keuze van de intermediaire vertalers gerespecteerd.
In Witte nachten zijn de typisch Russische aansprekingen meestal exotiserend, maar soms ook naturaliserend vertaald. Bij ‘брат’ (broeder) en ‘батюшка’ (vadertje) heeft Stokvis geopteerd voor denotatieve vertaling, als ‘broeder’ respectievelijk ‘vadertje’.[406] Eveneens adequaat is de vertaling van ‘-c’ (mijnheer) als ‘meneer’.[407] Bepaalde vormen kwamen ook de Ruslandliefhebber echter al te exotisch voor: de aansprekingen van Nasten’ka als ‘друг мой’ (mijn vriend) en ‘мой дружочек’ (mijn vriendje) zijn weergegeven als ‘mijn lieve Nastjenjka’ respectievelijk ‘mijn lief meisje’.[408] In zeldzame gevallen is de aanspreking onvertaald gelaten.[409] Interessant is het geval van de aanspreking ‘касатик’ (zwaluw, lieveling), die de protagonist te beurt valt. Deze heeft Stokvis vertaald als ‘Liefje, vadertje!’, met toevoeging van de voetnoot ‘Het Russische heeft: “mijn zwaluwtje”.’[410] Deze ingreep is een mooie illustratie van zijn streven om de Nederlandse lezer dichter bij de broncultuur in het algemeen en de brontekst in het bijzonder te brengen, zonder hem al te zeer te bevreemden.
Het woord ‘realia’, dat niet weg te denken is uit teksten over vertalen, is vanuit het middeleeuws Latijn de Nederlandse taal binnengeslopen omstreeks 1763.[411] Het is de verzelfstandigde meervoudsvorm van het onzijdige adjectief ‘reale’, wat in het middeleeuws Latijn ‘echt’ betekent.[412] Het woord ‘realia’ is in het Nederlands, zoals ook in andere talen, een pluralis tantum.[413] Toch vermeldt Grit (2004: 279) dat het enkelvoud hiervan ‘reale’ is. Hoewel dit vanuit een puristisch standpunt afgedaan moet worden als onjuist, wordt dit voorstel hier om pragmatische redenen aangenomen.
Problematischer dan de vorm is de inhoud van de term ‘realia’; hierover bestaat geen consensus. In gewoon taalgebruik wordt aan ‘realia’ de wel zeer algemene betekenis toegekend van ‘concrete zaken’. In teksten over vertalen wordt de term ‘realia’ eerder gebruikt als synoniem voor ‘culturally marked words’.[414] Er zijn echter talloze auteurs die zich buigen over de problematiek van de vertaling van cultuurgebonden woorden zonder ook maar eenmaal gebruik te maken van de term ‘realia’.[415] Onder degenen die het toch doen, verzaken velen aan het verschaffen van een heldere definitie. Dit geldt voor Angelsaksische, maar ook voor de Nederlandstalige publicaties. Zo omschrijft Hulst (1991: 16) ‘realia’ als ‘woorden die verwijzen naar instellingen, gewoontes en producten die deel uitmaken van de cultuur van een specifiek land.’ Mewe (2005: 8) heeft het over ‘culturele realia’, waarbij ter verduidelijking slechts het voorbeeld ‘maateenheden en munten’ gegeven wordt. In het eveneens recente naslagwerk Terminologie van de vertaling van Delisle et al. (2003: 108), dat bedoeld is als basis voor een spreken over vertaling, wordt de term ‘realia’ dan weer omschreven als ‘concrete buitentekstuele elementen waarnaar in een brontekst of een doeltekst wordt verwezen’, met de toevoeging ‘Vb. feesten, gebouwen, gerechten, instellingen, personen, straten, enzovoort’.
Een meer doordachte poging om ‘realia’ te definiëren wordt ondernomen door Grit (2004: 279). Hij merkt op dat onder deze term in ruime zin twee verschuivingsvormen worden aangeduid: ten eerste ‘de concrete unieke verschijnselen of categorale begrippen die specifiek zijn voor een bepaald land of cultuurgebied en die elders geen of hooguit een gedeeltelijk equivalent kennen’ en ten tweede ‘de voor deze verschijnselen / begrippen gebruikte termen’. Aan deze definitie voegt Grit een lijst toe van zes begripscategorieën: historische, geografische, particulier-institutionele, publiek-institutionele, eenheids- en sociaal-culturele begrippen.
Waardevol aan deze begripsbepaling is de explicitering van het feit dat de term ‘realia’ zowel kan verwijzen naar de talige referent als naar de buitentalige werkelijkheid. Belangrijker nog is de impliciete erkenning dat realia enkel bestaan in een comparatief perspectief.[416] Men kan immers pas van cultuurgebonden specificiteit spreken na vergelijking met andere culturen. Wat echter ontbreekt in de begripsomschrijving van Grit (2004), is aandacht voor de verschillende verschijningsvormen van realia en de functie die ze in literaire teksten vervullen. Bovendien is zijn categorisering nogal ruw en vatbaar voor discussie – zo is het niet duidelijk waarom geografische aanduidingen wel, maar eigennamen van personen niet tot de realia gerekend worden. Hieraan kan een mouw gepast worden met behulp van het handboek Neperevodimoe v perevode (Het onvertaalbare in vertaling) van Vlachov en Florin (2009), dat vrijwel integraal aan de problematiek van de realia gewijd is.
Vlachov en Florin (2009) benaderen ‘realia’ vooral als een probleem waar de vertaler een oplossing voor dient te zoeken. Ze onderscheiden dit fenomeen van aanverwante problemen zoals termen, eigennamen van personen, aanspreekvormen, taalgebruik dat afwijkt van de standaardnormen en heterolinguale elementen. Na reflectie roepen ze voor realia de volgende, functionele definitie in het leven:
слова (и словосочетания), называющие объекты, характерные для жизни (быта, культуры, социального и исторического развития) одного народа и чуждые другому; будучи носителями национального и/или исторического колорита, они, как правило, не имеют точных соответствий (эквивалентов) в других языках, а следовательно, не поддаются переводу на «общем основании», требуя особого подхода.[417] (Vlachov & Florin 2009: 49)
In de bovenstaande definitie, die hier onderschreven wordt, is de categorie van de ‘realia’ vormelijk beperkt tot ‘слова и словосочетания’ (woorden en woordgroepen). Met dit laatste wordt gedoeld op woordverbindingen die semantisch gelijk zijn aan woorden.[418] Hoewel de overgrote meerderheid van de realia die Vlachov en Florin ter illustratie presenteren zelfstandige naamwoorden zijn, kunnen ook bepaalde adjectieven ‘realia’ genoemd worden. In veel gevallen gaat het daarbij om adjectieven die afgeleid zijn van zelfstandige naamwoorden, zoals ‘рублевый’ (roebel-).[419]
Ook de semantische criteria waaraan Vlachov en Florin de categorie der realia onderwerpen verdienen toelichting. Volgens hun definitie benoemen realia ‘объекты’ (objecten). Hiermee bedoelen ze niet enkel materiële voorwerpen, maar ook begrippen en verschijnsels.[420] Essentiëler is dat de objecten waarnaar realia verwijzen tegelijkertijd karakteristiek zijn voor een bepaald volk en vreemd aan een ander volk. Het begrip ‘народ’ (volk) wordt door Vlachov en Florin (2009: 36) zeer breed geïnterpreteerd, als een natie, stam of gewoon als een bepaalde sociale groep. De vraag dringt zich echter op hoe bepaald kan worden wat een bepaalde gemeenschap typeert en wat er vreemd aan is. Hoewel ze in hun definitie een comparatief perspectief hanteren, suggereren Vlachov & Florin (2009: 46) dat het in principe mogelijk is om een min of meer stabiele lijst te maken van realia van een bepaalde gemeenschap, zonder vergelijking met een tweede gemeenschap. Juister lijkt het om te erkennen dat een voorwerp, begrip of verschijnsel pas karakteristiek bevonden kan worden voor een bepaalde gemeenschap op voorwaarde dat het vreemd is aan een welbepaalde andere gemeenschap, dat realia met andere woorden een fundamenteel relatief statuut hebben. Het bestaan van realia impliceert dus steeds een vergelijking tussen een eerste en een tweede gemeenschap, bijvoorbeeld een bron- en een doelcultuur.[421] Vlachov en Florin (2009: 36-7) benadrukken dat niet ieder woord dat verwijst naar een object zonder materiële dekking in een tweede gemeenschap een reale is. Tevens maken ze een onderscheid tussen equivalentloos lexicon en realia. De meest fundamentele eigenschap van realia is in hun optiek immers het nationale en/of historische coloriet.[422] Dit coloriet bevindt zich op het niveau van de connotatie. De connotatie in kwestie, de potentie om associaties op te roepen met een bepaalde gemeenschap uit een bepaalde periode, houdt echter nauw verband met de specifieke denotatie:
В плане содержания отличительной по сравнению с другими словами чертой реалии является характер ее предметного содержания, т.е. тесная связь референта […] с народом (страной), племенем или, реже, с другой социальной общностью, с одной стороны, и историческим отрезком времени, с другой; отсюда соответствующий национальный (местный) и/или исторический (временной) колорит.[423] (Vlachov & Florin 2009: 36)
Als aanvulling op hun bepaling van realia geven Vlachov en Florin (2009: 49-76) een bijzonder uitgewerkte classificatie van realia. Ze schuiven drie verschillende opdelingen naar voren: de eerste volgens objecttype, de tweede volgens plaats, en de derde volgens tijd. Wat de opdeling volgens objecttype betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen geografische, etnografische en sociopolitieke realia. Deze subcategorieën worden op hun beurt uitgebreid toegelicht, geïllustreerd en verder onderverdeeld.[424] Wat de opdeling volgens plaats betreft, wordt vanuit het oogpunt van één taal een onderscheid gemaakt tussen eigen (nationale, lokale of microlokale) en vreemde (internationale of regionale) realia. Vanuit het oogpunt van twee talen worden enerzijds inwendige en anderzijds uitwendige realia onderscheiden.[425] Op basis van het tijdscriterium zijn eigentijdse en historische realia te onderscheiden.[426]
Aangezien Dostoevskij meer geïnteresseerd is in de beschrijving van gemoedstoestanden, gedachten en gesprekken met een enigszins filosofische inslag dan van dagelijkse levensomstandigheden, is de hoeveelheid door hem ingelaste Russische realia relatief beperkt. Niettemin vormt zijn proza geen uitzondering op de regel dat een Russisch literaire tekst doorspekt is met Russische realia. Traditioneel worden deze lexicale eenheden beschouwd als een lijdensweg voor de vertaler. Zoals dit ook geldt voor topografische aanduidingen, eigennamen van personages en aanspreekvormen, kan en moet hij ervoor kiezen om ze op een naturaliserend dan wel op een exotiserende wijze te vertalen – als zodanig kan de manier waarop realia vertaald zijn in een bepaalde doeltekst indicatief zijn voor de gehanteerde vertaalstrategie.
Vlachov en Florin (2009: 89) onderscheiden vijf soorten procedés die geschikt zijn om realia te vertalen. De meest exotiserende is een adequate transcriptie of transliteratie. Het tweede procedé is de vervanging van de reale door een neologisme: een kalk, een halve kalk, transcriptie met morfologische aanpassingen of een semantisch neologisme. Het derde procedé is het vervangen van een reale van de broncultuur door een reale van de doelcultuur. Het vierde procedé is de benaderende vertaling, aan de hand van een soortgelijk substituut, een functioneel equivalent, omschrijving, toelichting of verklaring. Het vijfde procedé is de contextuele vertaling. Verhelderend is de lijst vertaalprocedés van Grit (2004: 282-4). Hij onderscheidt er zeven, die onderling gecombineerd kunnen worden: handhaving (ongewijzigde overname[427]), leenvertaling (woordelijke vertaling), benadering, omschrijving of definiëring in de doeltaal, kernvertaling (bijvoorbeeld aan de hand van een hyperoniem), adaptatie (aan de hand van een equivalent uit de doelcultuur) en weglating. Het spreekt voor zich dat de couleur locale, die met de realia onlosmakelijk verbonden is, niet door ieder procedé in gelijke mate bewaard of gereproduceerd wordt.
Wat betreft de vertaling van realia wordt Raskolnikow gekenmerkt door tegenstrijdige tendensen. Een groot aantal realia is op een adequate manier vertaald. In enkele gevallen is het reale weergegeven in getranscribeerde vorm (al dan niet met morfologische aanpassingen).[428] Soms wordt dit procedé gecombineerd met een verduidelijkende voetnoot. Zo is ‘Пирог’ (pirog) vertaald als ‘Pirog’ met in een voetnoot de toelichting ‘Ein pastetenartiges Gebäck’.[429] In de meeste gevallen waar dit mogelijk was, heeft Henckel het oorspronkelijke reale woordelijk vertaald. Zo is de meeteenheid ‘шаг’ (pas) systematisch vertaald als ‘Schritte’.[430] Bij samenstellingen betreft het in de regel een kalk,[431] al dan niet met morfologische aanpassingen. Ook dit procedé gaat in Raskolnikow vaak vergezeld van een verduidelijkende voetnoot.[432] Eerder zeldzaam zijn de gevallen waarin een reale vertaald is aan de hand van een ander reale van de broncultuur.[433] Tegenover de vertaalkeuzes die het Russische coloriet min of meer conserveren of reproduceren, staat een groot aantal vertaalkeuzes met een naturaliserend effect. Hiervoor zorgt bijvoorbeeld het procedé van de omschrijving.[434] Daarnaast zijn tal van realia voorzien van een kernvertaling.[435] Tot slot zijn enkele realia weergegeven aan de hand van een equivalent uit de doelcultuur,[436] of eenvoudigweg geschrapt.[437] Kuknos heeft de vertaalkeuzes van Henckel niet altijd gerespecteerd; wat betreft realia is Schuld en boete aanzienlijk meer gericht op naturalisering dan Raskolnikow. Enerzijds blijkt dit subtiel uit de toevoeging van informatie over de doelcultuur in de voetnoot bij het gerecht ‘Kutja’.[438] Anderzijds komt dit onmiskenbaar tot uiting in bijvoorbeeld de foutieve kernvertaling van ‘Titularrath’ als ‘gewezen ambtenaar’,[439] de vervanging van ‘Groschen’ door het equivalent ‘penning’[440] en de weergave van het eufemistische ‘der Weg über Wladimir’ met verduidelijkende voetnoot als ‘Siberië’.[441]
In tegenstelling tot zijn voorganger Henckel heeft Hauff de realia amper aangegrepen om de lezer nader kennis te laten maken met de Russische cultuur. Voetnoten waarin deze lexicale eenheden toegelicht worden, komen in zijn vertalingen slechts zeer uitzonderlijk voor.[442] De zeldzame keren dat hij uitleg verschaft bij een getranscribeerd reale, is deze uitleg beperkt tot enkele woorden.[443] Frequent gebruikte realia als ‘Samowar’[444] en ‘Werst’[445] worden zonder nadere toelichting gepresenteerd. Hetzelfde geldt voor bepaalde kalken en denotatieve vertalingen. Zo is de folkloristische figuur ‘Иванушка-дурачок’ vertaald als ‘Iwan Dummkopf’[446] – wat de begrijpelijkheid niet ten goede komt. De couleur locale is eveneens behouden bij de vervanging van bepaalde Russische realia door andere, beter gekende realia. Dit procedé blijkt meermaals te zijn toepast bij munteenheden.[447] Vaker maakt Hauff echter gebruik van een kernvertaling of benadering.[448] In sommige gevallen gaat dit gepaard met een allicht onbedoelde denotatieve verschuiving.[449] Daarnaast zijn heel wat realia in Arme Leute, Der Spieler, Erniedrigte und Beleidigte (1890) en Aus dem Todten Hause (1890) vervangen door een equivalent uit de doelcultuur.[450] Tot slot moet opgemerkt worden dat de Duitse vertaler zeer inconsequent is omgesprongen met de vertaling van realia, ook binnen eenzelfde tekst.[451]
De Nederlandse vertalers die zich baseerden op de teksten van Hauff hebben er bij het vertalen van de realia in wisselende mate naar gestreefd om de cultuurbarrière verder te verkleinen. Faassen heeft de vertaalstrategie van de Duitse vertaler nauwgezet onderschreven, in die mate dat de transcriptie van de realia in Uit het doodenhuis uitgesproken Duits aandoet.[452] De enkele verschuivingen die het opmerken waard zijn, kunnen beschouwd worden als gevallen van naturalisering.[453] De vertaler van De speler heeft weinig of geen noemenswaardige verschuivingen in het leven geroepen[454] – overigens bevat de overeenkomstige brontekst, die zich volledig afspeelt buiten Rusland, in vergelijking met andere prozateksten van Dostoevskij zeer weinig Russische realia. Van den Hoek durft al eens afwijken van de lijn van Hauff, op voorwaarde dat het de begrijpelijkheid ten goede komt. Bijvoorbeeld is de munt ‘Groschen’ in Arme menschen weergegeven als ‘kopeke’.[455] Inconsequentie is ook in deze tekst aan de orde.[456] Daarnaast komen veelvuldige kleine denotatieve verschuivingen voor.[457] De meest naturaliserende aanpak is die van Mme La Bastide, die er kennelijk voor beducht was om de lezer te bevreemden met exotisch lexicon: ‘werst’ is in Arme Nelly voorzien van een verduidelijkende voetnoot[458] en een reale als ‘Samowar’ is vertaald als ‘theeboel’, ‘theeblad’ of ‘thee’.[459]
Geheel in lijn met de manier waarop hij de namen van de personages vertaald heeft, toont Jürgens zich wat realia betreft een voorstander van naturalisering. Tot de selecte realia die in Erniedrigte und Beleidigte (1885: 22, 29) gehandhaafd zijn, behoren ‘Werst’ en ‘Ssamowar’.[460] Russische couleur locale blijft ook geconserveerd in de omrekening van ‘семь гривен’ (zeven grivnja’s) naar ‘siebzig Kopeken’.[461] In het merendeel van de gevallen zijn de Russische realia echter volledig ontdaan van hun coloriet. Hiervoor werden de procedés kernvertaling,[462] benadering[463] en vervanging door cultuurequivalent[464] toegepast. De anonieme vertaler van De misleide heeft de realia waarvan het Russisch coloriet behouden was niet verder genaturaliseerd.[465] Wel zijn tal van lexicale eenheden die hun Russische eigenheid al verloren hadden, verder genaturaliseerd.[466] Dit zorgt voor nieuwe, belangwekkende betekenisverschuivingen.[467]
Ook wat betreft de vertaling van realia wordt Der Hahnrei gekenmerkt door een naturaliserende tendens. Slechts in één geval wordt het reale getranscribeerd en voorzien van een verduidelijkende voetnoot.[468] ‘Samowar’,[469] dat voor de Duitse lezer niet nieuw meer was, wordt hem zonder toelichting gepresenteerd. Eveneens adequaat is de woordelijke vertaling van de ambtelijke graden.[470] Andere realia werden echter weergegeven door middel van benadering[471] of kernvertaling,[472] of geschrapt.[473] Faassen heeft ook hier een adequate vertaalstrategie gehanteerd, waarbij het Russische coloriet – of wat er nog van overbleef in de intermediaire vertaling – geconserveerd is.
De vertalers van Souvenirs de la maison des morts en Aus dem todten Hause (1886) hebben realia dankbaar aangegrepen om de Russische cultuur zichtbaar te maken. Met name de Franse vertaler heeft een aantal uitgesproken exotiserende keuzes gemaakt, wat de begrijpelijkheid niet altijd ten goede komt.[474] Zowel hij als de Duitse vertaler maakt herhaaldelijk gebruik van voetnoten om realia nader toe te lichten.[475] Wel zijn de gehandhaafde realia gedoseerd: in Souvenirs de la maison des morts en Aus dem todten Hause (1886) is immers ook een groot aantal realia, waaronder zeer voor de handliggende, op een naturaliserende wijze vertaald.[476] De anonieme vertaler van Uit Siberië heeft nu eens een reale-vertaling overgenomen van de Franse, en dan weer van de Duitse vertaler, waardoor eenzelfde reale soms op drastisch verschillende wijze vertaald wordt.[477] Er lijkt absoluut geen visie te zitten in manier waarop de realia vertaald worden. Veeleer lijkt de vertaler nu eens de ene en dan weer de andere intermediaire tekst blindelings te volgen, ook al leidt dit tot inconsequenties. Ook de voetnoten werden nu eens uit het Duits, en dan weer uit het Frans vertaald.[478] In bepaalde gevallen heeft de Nederlandse vertaler beslist om de voetnoot in kwestie te schrappen.[479] Dat hij slechts op een beperkte graad van adequatie mikte, blijkt ook uit het feit dat hij een aantal Russische realia op eigen initiatief heeft genaturaliseerd.[480] Daarbij zijn enkele interessante denotatieve verschuivingen in het leven geroepen.[481]
Halpérine-Kaminsky en Morice hebben meer dan andere vertalers de Russische realia van Dostoevskijs proza vertaald met behoud van de couleur locale. Het geprivilegieerde procedé is de handhaving door transcriptie. Realia als ‘cafetan’, ‘izba’ en ‘dvornik’,[482] wier betekenis duidelijk wordt in de context, worden de lezer voorgeschoteld zonder verduidelijkende informatie. Daarnaast worden tal van min of meer complexe realia toegelicht in voetnoten, in de regel op een adequate manier.[483] Een aantal realia zijn vertaald aan de hand van andere realia.[484] Uitgesproken naturaliserende procedés zijn daarentegen slechts per uitzondering toegepast.[485] De vertaler van De onderaardsche geest heeft de veelal exotiserende vertaalkeuzes van zijn Franse voorgangers gerespecteerd – in die mate zelfs dat de gehandhaafde realia in de doeltekst een Franse spelling kennen.[486] De veelvuldige voetnoten zijn allemaal, zonder uitzondering, overgenomen.[487] Wel zijn her en der belangrijke denotatieve verschuivingen op te merken.[488]
Bienstock en Torquet mogen Brat’ja Karamazovy op macrostructureel vlak dan veel adequater vertaald hebben dan Halpérine-Kaminsky en Morice, het omgekeerde geldt voor de manier waarop ze zijn omgesprongen met de Russische realia. De gevallen waarin deze gehandhaafd zijn door transcriptie zijn dun bezaaid.[489] Toelichtende voetnoten bij realia komen in Les frères Karamazov (1906) niet voor. Uitzonderlijk is het procedé toegepast waarbij een reale vertaald is aan de hand van een ander, bekender reale.[490] In de meeste gevallen is de couleur locale van de realia geneutraliseerd, door middel van kernvertaling,[491] benadering[492] of weglating.[493] Wat realia betreft wordt de vertaalstrategie van Van Gogh-Kaulbach gekenmerkt door een grote gespletenheid, die voorkomt uit het gebruik van twee grondig verschillende intermediaire teksten. Enerzijds zijn de meeste realia in De gebroeders Karamazow beland in genaturaliseerde vorm, via de tekst van Bienstock en Torquet.[494] Anderzijds zijn sommige realia bijzonder exotiserend vertaald, waarin zich een onmiskenbare schatplicht aan Halpérine-Kaminsky en Morice verraadt.[495] Het feit dat de vertaling van een reale soms overgenomen werd uit Les frères Karamazov (1888) in een passage die hoofdzakelijk vertaald werd uit Les frères Karamazov (1906)[496] suggereert dat de voorkeur van Van Gogh-Kaulbach uitging naar het behoud van couleur locale – een voorkeur die echter ondermijnd werd door de invloed van Bienstock en Torquet op haar vertaling. Het is opvallend dat de epiloog van De gebroeders Karamazow doorspekt is met gehandhaafde realia, zoals ‘izba’, ‘wodka’ en ‘moujik’,[497] terwijl naar dezelfde objecten in dezelfde doeltekst elders verwezen wordt op naturaliserende wijze, als ‘hut’, ‘brandewijn’ en ‘boer’.[498] De verklaring is dat de epiloog van de doeltekst, in tegenstelling tot het gros van de voorafgaande pagina’s, grotendeels teruggaat op de fantasie van Halpérine-Kaminsky en Morice, die dankbaar gebruik maakten van gehandhaafde realia om de uitgevonden pagina’s de schijn te geven van een onvervreemdbaar deel van een origineel Russisch werk.
Stokvis heeft enkele malen gebruik gemaakt van voetnoten om de enkele realia die Belye noči rijk is toe te lichten. Zo wordt ‘dàtsja’ in Witte nachten verduidelijkt als een ‘houten zomerhuisje in de nabijheid van een groote stad’.[499] Helemaal consequent is de Nederlandse vertaler echter niet in het behouden van couleur locale; bijvoorbeeld is ‘на дачу (naar [zijn] datjsa) elders naturaliserend vertaald, als ‘naar buiten’.[500]
Behalve met de socioculturele situatie, die tot uiting komt in de Russische topografische aanduidingen, eigennamen van personages, aanspreekvormen en realia, ziet de vertaler zich geconfronteerd met de literaire intertekst en de linguïstische context van de brontekst. Als voorbeeld van deze laatste te vertalen dimensie noemt Holmes (2004: 275) de syntaxis van de brontaal. De vertaler kan ervoor kiezen om deze op een exotiserende – wat uitzonderlijk is in vertalingen van proza – dan wel op een naturaliserende wijze te vertalen. Hetzelfde geldt voor afzonderlijke lexicale eenheden die niet behoren tot de woordcategorieën met een socioculturele stempel: in principe kunnen ook woorden van de brontekst die niet verwijzen naar objecten die typisch zijn voor de broncultuur gehandhaafd worden door middel van transcriptie. In dit geval spreken Vlachov en Florin (2009: 36-7) van ‘экзотическая лексика’ (exotisch lexicon) of ‘экзотизмы’ (exotismen), die te onderscheiden zijn van realia omdat de overeenkomstige woorden in de brontekst geen drager zijn van couleur locale. Omdat het gebruik van exotisch lexicon geen kwestie is van conservering, maar wel van productie van couleur locale vormt het een uitstekende indicatie dat de vertaler hiernaar bewust gestreefd heeft.
Exotisch lexicon bevindt zich weinig of niet in de intermediaire vertalingen Raskolnikow, Der Spieler, Erniedrigte und Beleidigte (1885), Erniedrigte und Beleidigte (1890), Aus dem todten Hause (1886), Aus dem todten Hause (1890) en Les frères Karamazov (1906). Hetzelfde geldt voor de doelteksten die op de genoemde vertalingen gebaseerd zijn: Schuld en boete, De speler, De misleide, Arme Nelly, Uit Siberië, Uit het doodenhuis en De gebroeders Karamazow. In Der Hahnrei is uitzonderlijk een Russische uitdrukking exotiserend vertaald, wat door de vertaler van De echtgenoot adequaat is weergegeven.[501] Arme Leute is de enige vertaling van Hauff waarin het exotisch lexicon in het oog springt. Het woord ‘чиновник’ (ambtenaar) is systematisch vertaald als ‘Tschinownik’.[502] Ook het woord ‘дурак’ (domkop) is gehandhaafd door transcriptie, zij het de eerste maal met toevoeging van de betekenis tussen haakjes: ‘Durak (Narr)’.[503] De Nederlandse vertaler van Arme menschen heeft deze exotiserende keuzes gerespecteerd, met als gevolg dat in deze vertaling sprake is van ‘den Tschinownik’[504] en dat hierin zinnen staan als ‘Een durak die mij dat zijt [sic]’.[505] Exotisch lexicon is overvloedig aanwezig in de vertalingen van Halpérine-Kaminsky en Morice, met name in L’esprit souterrain. Hoewel geen realia, zijn woorden als ‘любушка’ (≈liefje), ‘люба’ (≈liefje) en ‘баба’ (oude vrouw, wijf) gehandhaafd door middel van transcriptie, respectievelijk als ‘lioubouschka’, ‘liouba’ en ‘baba’.[506] In De onderaardsche geest zijn deze exotiserende keuzes in de regel gerespecteerd, op enkele uitzonderingen na.[507] In de passages die ze vertaalde uit Les frères Karamazov (1888) is ook Van Gogh-Kaulbach heel wat exotisch lexicon tegengekomen. Uit de vertaling van bijvoorbeeld ‘tchinovniks’ als ‘staatslieden’[508] blijkt dat haar tolerantie hiervoor begrensd was, hoewel ze bij het vertalen van realia een voorkeur aan de dag legde voor exotisering. Naast Arme menschen en De onderaardsche geest is er nog één tekst van het DT-corpus die opvallend exotiserende woordkeuzes bevat: de rechtstreekse vertaling Witte nachten. Bijvoorbeeld is het Russische woord ‘извозчик’ (koetsier) gehandhaafd door transcriptie, als ‘iezwosjtsjiek’.[509] Interessant is ook het geval van ‘сновидение’ (droom); hiervan heeft Stokvis de kalk ‘droomgezicht’[510] gemaakt.
De syntaxis en infinitiefconstructies van de Russische taal werden door de vertalers van alle intermediaire teksten naturaliserend vertaald. Halpérine-Kaminsky en Morice vormen op deze tendens een eenzame uitzondering. Met name in L’esprit souterrain zijn tal van zins- en infinitiefconstructies te vinden die opvallend nauw aansluiten bij de brontekst. In de gevallen dat de exotiserende zinsbouw zich in de tekst zelf bevindt, is deze voorzien van een voetnoot waarin gewezen wordt op de Russische eigenheid van de uitdrukking in kwestie en/of waarin de betekenis ervan geduid wordt. Bijvoorbeeld is de zin ‘я ее в сырую землю зарыла’ woordelijk vertaald, als ‘Je l’ai enfouié dans la terre humide’, met in een voetnoot de verduidelijking ‘Expression russe: j’ai causé sa mort’.[511] In een kleiner aantal gevallen is de originele zin in de tekst zelf naturaliserend vertaald, maar wordt in een voetnoot een meer woordelijke vertaling van de originele Russische zin aangereikt. Zo is de zin ‘Да он тебе в глаза расхохочется.’ (≈ Hij zal voor je ogen in lachen uitbarsten.) vertaald als ‘il te rira au nez’, met toevoeging van de voetnoot ‘En russe: il te rira dans les yeux’.[512] De Nederlandse vertaler van De onderaardsche geest heeft deze exotiserende vertaalkeuzes, die kennelijk strookten met de symbolistische poëtica van de dichter Morice, nauwgezet gerespecteerd, met inbegrip van de voetnoten. Ook Witte nachten bevat enkele exotische uitdrukkingen, al ging Stokvis hier minder ver in dan Halpérine-Kaminsky en Morice. Bijvoorbeeld is in deze doeltekst de zin ‘Я принимал всё за чистую монету’ (≈Ik nam alles aan voor zoete koek) vrijwel woordelijk vertaald, als ‘Ik nam alles voor goeden munt aan’.[513]
Naast het socioculturele en het linguïstische kan ook de literaire intertekst van een gegeven brontekst volgens Holmes (2004) exotiserend dan wel naturaliserend vertaald worden. Deze intertekstualiteit komt tot stand doordat de brontekst geschreven wordt in het kader van andere teksten binnen een bepaalde literaire traditie, waarbinnen hij zijn eigen betekenis krijgt. Holmes (2004: 275), die zich concentreert op poëzievertaling, wijst erop dat kunstgrepen als ritme, metrum, rijm, assonantie, maar ook beeldspraak, thematiek en topoi in een bepaald gedicht nauw verbonden zijn met diezelfde facetten in een onoverzienbare hoeveelheid andere teksten. Een gelijksoortig voorbeeld van een literair-intertekstueel element uit het proza van Dostoevskij is het terugkerend gebruik van zogezegd gecensureerde toponiemen en eigennamen, van het type ‘Т-в мост’ (de T-v-brug), die mits uitgediepte kennis van de Russische cultuur meestal gemakkelijk te decoderen vallen. Deze kunstgreep, die bijdraagt tot de schijn van waarachtigheid van het verhaalde, is typisch voor het Russische realisme en komt bijvoorbeeld voor bij Gogol’.
Literaire intertekstualiteit, verwijzingen naar andere teksten van eenzelfde literaire traditie als waarin een brontekst zich inschrijft, kan echter ook minder subtiele vormen aannemen. Zo worden in het oeuvre van Dostoevskij, die het literaire debat van zijn tijd op de voet volgde, tal van literatoren, literaire werken of personages door de verteller of door personages expliciet genoemd. De functies hiervan zijn verscheiden: nu eens wordt naar een schrijver of literator verwezen als eerbetoon, dan weer om op thematisch verwantschap te wijzen, of om polemiek met hem te voeren. Vast staat echter dat de lezer hiermee attent gemaakt wordt op het feit dat de tekst in kwestie deel uitmaakt van de Russische literatuur.
De vertalers van Dostoevskij die zich geconfronteerd zien met de literaire intertekst in zijn proza, die talloze gedaanten aanneemt, hebben grofweg twee opties: ofwel hiervan een exotiserende vertaling maken, wat de conservering van couleur locale impliceert – dat wil zeggen: voor de lezer die de typisch Russische kunstgrepen en/of de expliciete verwijzingen naar andere literaire teksten als zodanig herkent, al dan niet met hulp van de vertaler; ofwel een naturaliserende vertaling maken, met andere woorden de couleur locale neutraliseren. Bij wijze van steekproef wordt hieronder gepeild naar de vormen waarin ten eerste de kunstgreep van de gecensureerde toponiemen en eigennamen en ten tweede de expliciete verwijzingen naar Russische literatoren, werken en personages terechtgekomen zijn in de doelteksten.
De IT-copora en het DT-corpus worden over het algemeen gekenmerkt door een tendens om de gecensureerde namen van plaatsen, personages en personen adequaat te vertalen.[514] De enige intermediaire vertaler die zich intolerant toont voor deze typisch Russische kunstgreep is Hauff. In Erniedrigte und Beleidigte (1890) heeft hij de gecensureerde toponiemen systematisch vertaald als onbepaalde plaatsnamen. Bijvoorbeeld heeft hij in deze tekst ‘в -ской губернии’ (in het gouvernement -skaja) weergegeven als ‘in einem südlichen Gouvernement’.[515] In Aus dem todten Hause (1890) is de stad ‘T-к’ expliciterend vertaald, als ‘Tomsk’.[516] In sommige gevallen heeft Hauff de kunstgreep in kwestie als zodanig niet geneutraliseerd, maar zijn toch verschuivingen vast te stellen. Zo is de stad ‘У-горск’ (U-gorsk), die door de Russische lezer zonder grote moeite ontcijferd kan worden als Ust’-Kamenogorsk, vertaald als ‘N-gorsk’.[517] De andere vertalers tonen zich toleranter voor de gecensureerde aanduidingen – al zijn ook in hun teksten vele kleinere verschuivingen op te merken.[518] Ook de Franse vertalers lijken weinig of geen moeite met dit procedé gehad te hebben. In Souvenirs de la maison des morts komt dit zelfs voor zonder dat de brontekst er aanleiding toe geeft.[519] Halpérine-Kaminsky en Morice geven de voorkeur aan de asterisk boven initialen of eindletters: in L’esprit souterrain is ‘в …й канвелярии’ (in de kanselarij …j) terechtgekomen als ‘au bureau de **’.[520] Bienstock en Torquet zijn wat dit betreft adequater te werk gegaan, zonder de adequatie ten volle te bereiken: als vertaling van ‘К–ская губерния’ (gouvernement K.) stellen ze ‘le gouvernement de K.’[521] voor. Interessant is de manier waarop Stokvis hiermee omgaat. Wat betreft de toponiemen maakt hij geen bezwaar tegen de kunstgreep in kwestie, al vertaalt hij deze met enige vrijheid.[522] Waar in de brontekst sprake is van ‘чтение поэмы у графини В–й-Д–й’ (de lezing van een poëem bij gravin V.D.) wordt Witte nachten echter gekenmerkt door een korte coupure[523] – vermoedelijk omdat de vertaler de initialen zelf niet herkende als die van de vermaarde gravin A.K. Voroncova-Daškova (1818-56), of omdat hij de Nederlandse lezer deze verwijzing wilde besparen.
In het gros van de doelteksten zijn Dostoevskijs verwijzingen naar Russische auteurs, werken of personages adequaat weergegeven. De meeste betrokken intermediaire vertalers hebben af en toe een voetnoot ingelast om nadere toelichting te verschaffen. In Raskolnikow zijn onder meer voetnoten geplaatst bij ‘Dobroljubow’, ‘Radischtschew’ en ‘Belinskij’, maar niet bij ‘Puschkin’[524] – mogelijk omdat die door de vertaler beschouwd werd als gekend door het geviseerde publiek. In Schuld en boete zijn deze voetnoten adequaat vertaald, maar sommige eigennamen zijn dermate vervormd dat ze bijna of helemaal onherkenbaar worden.[525] Gelijkaardige voetnoten komen ook voor in Aus dem todten Hause (1886), Souvenirs de la maison des morts, Uit Siberië,[526] Der Hahnrei, De echtgenoot,[527] Les frères Karamazov (1888),[528] Les frères Karamazov (1906)[529] en Witte nachten.[530] In Erniedrigte und Beleidigte (1885) en De misleide ontbreken ze echter.[531] Hauff is wat betreft het vertalen van expliciete verwijzingen naar de Russische literatuur inconsequent. In Arme Leute heeft hij enkele verwijzingen naar de Russische literatuur toegelicht in een voetnoot,[532] maar in Der Spieler, Erniedrigte und Beleidigte (1890) en Aus dem todten Hause (1890) heeft hij hieraan verzaakt. In deze laatste drie intermediaire teksten, en dus ook in de hierop gebaseerde doelteksten, De speler, Arme Nelly en Uit het doodenhuis, zijn tal van intertekstuele verwijzingen zelfs eenvoudigweg onvertaald gelaten.[533] Zo ver zijn in veel gevallen ook Bienstock en Torquet gegaan: in hun Les frères Karamazov (1906), waarop De gebroeders Karamazow grotendeels gebaseerd is, zijn verwijzingen naar onder meer Puškin, Gogol’, Lermontov, Griboedov, Tjutčev en naar een bylina gesneuveld.[534] Kennelijk waren ze in hoge mate beducht voor een doorgedreven broncultuurgerichte vertaling van literaire intertekstualiteit – dit in tegenstelling tot hun voorgangers Halpérine-Kaminsky en Morice, al hebben ook zij soms uitgesproken naturaliserende vertaalkeuzes gemaakt op het vlak van de literaire intertekst.[535]
In dit hoofdstuk is een descriptief onderzoek ingesteld naar de mate waarin de vroege Nederlandse vertalingen van Dostoevskij drager zijn van Russische couleur locale. Overeenkomstig de indeling van Holmes zijn drie dimensies onder de loep genomen: het socioculturele, het linguïstische en de literaire intertekst. Hoewel slechts een selectie van de talloze bestaande vertaalproblemen aan bod is gekomen, zijn enkele duidelijke tendensen aan het licht gebracht.
Wat het socioculturele betreft, valt vooral de opmerkelijke inconsequentie op waarmee de intermediaire vertalers evenals de Nederlandse vertalers te werk zijn gegaan. Lexicale eenheden met een socioculturele lading zijn nu eens exotiserend en dan weer naturaliserend vertaald, waarbij een groot gamma procedés is gebruikt. Over het algemeen geldt dat de vertalers gestreefd hebben naar een compromis tussen exotisering en naturalisering, en tussen deze twee polen voortdurend schipperden. Hun devies bij het vertalen van topografische aanduidingen, eigennamen, aanspreekvormen en realia kan gereconstrueerd worden als ‘russo, ma non troppo’; de geproduceerde teksten moesten zichzelf presenteren als van Russische oorsprong, zonder de lezer al te zeer te bevreemden. Wel verschilt de mate van exotisering en naturalisering van vertaling tot vertaling. Tot de sociocultureel meest exotiserende teksten behoren Raskolnikow, Schuld en boete, Arme Leute, Arme menschen, Les frères Karamazov (1888), L’esprit souterrain, De onderaardsche geest en Witte nachten. De meest naturaliserende vertaling op sociocultureel vlak – voor zover zich dat laat afleiden uit de vertaling van topografische aanduidingen, eigennamen, aanspreekvormen en realia, is Arme Nelly. In iedere vertaling, zelfs in Witte nachten van Stokvis, zijn inadequate vertaalkeuzes gevonden die verklaard kunnen worden door een zekere drang naar acceptabiliteit. Toch kan men bezwaarlijk stellen dat de begrijpelijkheid voorop werd gesteld: deze is in het gros van de vertalingen namelijk ondermijnd door bepaalde bijzonder exotiserende vertaalkeuzes en door talloze verschuivingen in schrijfwijzen, die allicht voortkomen uit slordigheid – wat het imago van Dostoevskij als chaotisch schrijver niet ten goede kan zijn gekomen. De vertalers hebben de barrière die de Russische persoonsnamen opwerpen voor de westerse lezer dus niet verkleind, maar in sommige gevallen zelfs vergroot. Hoewel het merendeel van de socioculturele elementen denotatief adequaat vertaald is, zijn veel subtiliteiten, waaronder humoristische connotaties in het geval van sprekende namen, bij de omzetting in het Nederlands verloren gegaan. Interessant is ook de vaststelling dat de Nederlandse vertalers – behoudens Stokvis, de enige die uit het Russisch vertaalde – geen eigen transcriptiesysteem in het leven hebben geroepen, maar dat van de gebruikte intermediaire teksten hebben overgenomen – met als gevolg dat in sommige doelteksten twee verschillende transcriptiesystemen naast en door elkaar voorkomen. Overigens hebben de Nederlandse vertalers tout court relatief weinig veranderingen aangebracht in de manier waarop de socioculturele lexicale elementen van Dostoevskijs doelteksten vertaald werden door hun Duitse en Franse collega’s – het lijkt erop dat het hen aan een eigen visie ontbrak. Een uitzondering hierop vormt La Bastide, wier vertaling Arme Nelly op microtekstueel niveau gekenmerkt wordt door een uitgesproken tendens naar naturalisering, terwijl deze in de gebruikte intermediaire vertaling ontbreekt.
Wat de literaire intertekstualiteit betreft, is een gelijkaardige tendens als op het socioculturele vlak vast te stellen: over het algemeen genomen lijken de vertalers gestreefd te hebben naar een gematigde dosering van de verwijzingen naar de Russische literatuur. Een aantal referenties werd voor het gemak van de lezer toegelicht in een voetnoot, een ander aantal werd allicht om dezelfde reden uit de tekst gehaald. Het Russische literaire procedé van de gedeeltelijk weergegeven plaatsnaam werd door de meeste vertalers kennelijk als niet storend ervaren – al blijft de vraag onbeantwoord of de lezers dit procedé herkenden als typisch Russisch. Op het linguïstische vlak, meer bepaald wat betreft de Russische syntaxis en de lexicale elementen zonder duidelijke socioculturele lading, zijn de meeste vertalingen van de IT-corpora en het DT-corpus weinig of niet exotiserend gebleken. De vertalingen Arme Leute, Arme menschen, Les frères Karamazov (1888), L’esprit souterrain, De onderaardsche geest en Witte nachten bevatten daarentegen heel wat exotiserende woordkeuzes. Exotiserende syntaxis is daarentegen zeer zeldzaam: dit wordt enkel teruggevonden in de vertalingen van Halpérine-Kaminsky en Morice en in De onderaardsche geest.
De eindbalans opmaken van de mate waarin de teksten van de IT-corpora en van het DT-corpus drager zijn van couleur locale is een bijzonder heikele onderneming. Ten eerste omdat couleur locale zich bevindt op het niveau van de connotatie – als zodanig blijft het een enigszins subjectief aanvoelen of een bepaalde vertaalkeuze plaatselijke coloriet conserveert of produceert of niet. Ten tweede omdat de vertalers een groot gamma procedés door elkaar hebben gebruikt om met name de socioculturele dimensie van de bronteksten over te brengen. Toch kan met stelligheid geponeerd worden dat twee intermediaire teksten en één doeltekst het meest van al gericht zijn op de conservering en de productie van Russisch coloriet: L’esprit souterrain en Les frères Karamazov (1888) van Halpérine-Kaminsky en Morice, en De onderaardsche geest. Deze observatie is des te interessanter, daar precies deze vertalingen op macrostructureel vlak het meest van al genaturaliseerd zijn. De historische context waarin deze belles infidèles het licht zagen, kan verklaren waarom ze voorzien werden van een dun laagje, oppervlakkig Russische vernis: tenslotte was Dostoevskij in Frankrijk gepopulariseerd met de bedoeling om de Franse geesten gunstig te stemmen voor een Russisch-Frans bondgenootschap – wat niet geldt voor zijn Duitse receptie. De Russische oorsprong van zijn werken werd in hoge mate relevant bevonden, en moest dik in de verf gezet worden. Dit verhoogde ook de kansen op commercieel succes, gezien de Ruslandmode in de jaren 1880 dermate hoog oplaaide dat zelfs Franse auteurs romans gingen schrijven met een Russische setting.[536] Deze analyse wordt bevestigd door de Dostoevskij-enquête van De Stem. Verscheidene respondenten, waaronder Prins, verklaarden namelijk dat ze zich tot Dostoevskij aangetrokken voelden ‘door het vreemde, Russische, in zijn werk’.[537]
[Klik hier voor het vervolg van Hoofdstuk IV. De vertalingen.]
[1] Zie Waegemans & Willemsen (1991: 8).
[2] De respectievelijke nummers waaronder deze vertalingen bij Waegemans & Willemsen (1991: 158-79) kunnen teruggevonden worden zijn [746], [732], [671], [716], [736], [755], [673], [770], [731a], [751], [670], [768], [792], [695] en [706].
[3] De zoektocht naar de vertalingen in kwestie zou niet zo succesvol geweest zijn zonder de doortastende hulp van de medewerkers van de dienst voor Interbibliothecair leenverkeer van de K.U.Leuven.
[4] Om de geschetste problematiek werd in 1997 in Nederland een Nationaal programma voor Conservering van Bibliotheekmateriaal opgestart. Zie http://www.metamorfoze.nl/.
[5] Kingma (1981: 157) wist slechts van het bestaan van Arme Nelly af dankzij Brinkman’s Catalogus.
[6] Het betreft Kansalliskirjasto, de Nationale Bibliotheek van Finland te Helsinki.
[7] Zoekertjes werden onder meer geplaatst in de krant De Standaard en op nationale en internationale internetfora.
[8] Zie infra.
[9] Zie supra.
[10] Dit feit staat niet vermeld in de bibliografie van Waegemans en Willemsen (1991).
[11] Toury (1995: 58).
[12] De gebroeders Karamazow behoort strikt genomen niet tot deze categorie, aangezien de eerste uitgave van deze vertaling geen melding maakt van de werkelijke brontaal. Deze wordt echter wel vermeld op de titelpagina van de tweede uitgave van deze vertaling. Allicht gaf de uitgever hiermee gevolg aan een verzoek van Anna van Gogh-Kaulbach, aangezien ze bij wijze van repliek op de aanval van Stokvis in De Amsterdammer te kennen had gegeven dat de brontaal inderdaad vermeld had moeten worden (zie supra en infra).
[13] Ondanks de veelbelovende titel Die Russische und die Literaturen der früheren Sowjetrepubliken in deutscher Übersetzung maakt de bibliografie van Schweikert (2003: 7) geen melding van de Duitse vertalingen van Dostoevskij (of andere ‘allgemein bekannte Autoren’). Voor een uitgebreid, maar onvolledig overzicht van Duitse Dostoevskij-vertalingen, zie Romein (1924: 196-200) en Bautz (1990: 1365-72). Een eveneens onvolledige lijst van Franse Dostoevskij-vertalingen wordt verschaft door Romein (1924: 210-2), Boutchik (1934: 50-8) en Gide (1923: 5-6). Romein (1924: 205-6) somt ook een groot aantal vertalingen van Dostoevskij uit het Engels op.
[14] Zie supra.
[15] Vertaling: ‘En wat vervelend vond ik het, mijn duifje, dat ik uw lief gezichtje niet goed kon onderscheiden!’
[16] Vertaling: ‘Op het hoogste vlak van de brede bordes troonde, de treden opgedragen in een fauteuil en omgeven door knechten, dienstmeisjes en het veeltallige kruiperige dienstpersoneel van het hotel, in aanwezigheid van niemand minder dan de maître d’hôtel, die naar buiten was gekomen om de hoge gaste te verwelkomen die met zo’n poeha en ophef, met haar eigen personeel en met zoveel hutkoffers en koffers aangekomen was, babuška!’
[17] Alle vermelde titels zijn uitgegeven bij Holdert & Co.
[18] Bij deze vergelijking viel op dat Injury and Insult (1885) op verschillende punten op een gelijkaardige wijze als Humiliés et offensés (1884) afwijkt van de Russische brontekst. Deze eventuele genealogische relatie tussen beide vertalingen valt echter buiten de focus van het hier gepresenteerde onderzoek.
[19] Vertaling: ‘Vadertje, Ivan Petrovič, vertel me eens gauw, waar is hij naartoe geweest?’
[20] De Staatsbibliotheek te Berlijn bezit hiervan een exemplaar.
[21] Vertaling: ‘Een half jaar daarvoor had hij het bericht gekregen dat zijn ex-vrouw in het huwelijk was getreden, en hij was zeer bedroefd geworden.’
[22] Vertaling: De echtgenote kreeg een rood hoofd en keek hem boos met fonkelende ogen aan, kennelijk om die ‘Lipočka’.
[23] Vertaling: ‘Van spijzen waren er, behalve koetja, drie à vier gerechten (waaronder trouwens pannenkoeken), alles uit de keuken van Amalija Ivanovna.’
[24] Zie supra.
[25] Vertaling: ‘Moedertje, Sof’ja Semenovna, jij bent ons teder, meelijwekkend moedertje!’
[26] Vertaling: ‘Ik nam een Frankfurtse krant, las twee regels en dommelde in.’
[27] Vertaling: ‘Maar het leek hem te weinig; hij haalde zijn portefeuille tevoorschijn, en nadat hij er een roebel van papier uit had gehaald – alles wat erin zat – stopte hij het geld in de hand van de kleine bedelares.’
[28] Van beide vertalingen is een exemplaar aanwezig in de Duitse Staatsbibliotheek te Berlijn.
[29] Zie supra.
[30] Vertaling: ‘Zeep werd ook hier verkocht, in de badhuisvoorkamer, tezamen met mede, zachte krakelingen en heet water.’
[31] Vertaling: ‘Dat jaar was in een hoek van de voorstad een jong en uiterst knap meisje, met de bijnaam Van’ka-Tan’ka, pas aan haar loopbaan begonnen.’
[32] Vertaling: ‘Ordynov had eindelijk besloten om van woning te veranderen.’
[33] Zie infra.
[34] Ook Miller (1973: 209) gaf aan dat Chozjajka bij L’esprit souterrain de vertaling domineert.
[35] Bijvoorbeeld Hayman (1980: 304), die de vertaling aanraakt in verband met Nietzsche’s ontdekking van Dostoevskij. Hij beweert dat Zapiski iz podpol’ja het eerste werk van de Rus was dat de filosoof met de hamer las, wat gezien de ingrepen van Halpérine-Kaminsky en Morice strikt genomen niet klopt. In dit verband zij opgemerkt dat Nietzsche, die niet op de hoogte was van hoe de adaptatie in elkaar zat, vooral lof had voor het tweede deel van de roman. Op 13 mei 1887 schreef hij hierover het volgende in een brief aan zijn vriend Franz Overbeck: ‘Gerade daß die höchste psychologische Mikroscopie und Feinsichtigkeit noch ganz und gar nichts zum Werthe eines Menschen hinzuthut, das ist ja eben das Problem D[ostojewsky]’s, das ihn am meisten interessirt: wahrscheinlich weil er es in russischen Verhältnissen so oft aus der Nähe erlebt hat! (Ich empfehle dafür übrigens das zuletzt ins Französische übersetze kleine Werk D[ostojewsky]’s “l’esprit souterrain”, dessen zweiter Teil jenes sehr tatsächliche Paradoxon auf eine beinahe fürchterliche Weise illustrirt).’ Geciteerd naar Colli & Montinari (1984: 75).
[36] Vertaling: ‘In de kamer waren enkele veranderingen merkbaar: een van de zijbanken was weggenomen en in zijn plaats was een grote oude lederen zetel verschenen in de stijl van mahoniehout. Daarop was een bed gespreid met redelijk schone witte kussens. Op dat bed zat Smerdjakov, nog altijd in diezelfde kamerjas van hem.’
[37] Vertaling: ‘Smerdjakov sprak misschien zonder haast en zichzelf duidelijk meester, maar in zijn stem klonk toch iets hards en vastberadens, kwaadaardigs en grof-uitdagends. Stoutmoedig gaapte hij Ivan Fëdorovič aan, en in diens ogen duizelde het gedurende het eerste ogenblik: – Hoezo? Wat? Ben je bij je verstand of niet?’
[38] Vertaling: ‘Het was een jeugdige jongen in een kaftan, met een baardje en uiterlijk gelijkend op een gildebroeder.’
[39] Grübel (2008: 50).
[40] Ibidem (51-2).
[41] Hiervoor werd geopteerd om te vermijden dat de pijlen die de genealogische relaties voorstellen door elkaar lopen.
[42] Een voorbeeld van dergelijke literaire kritiek is het eerder besproken stuk van ‘B’ (1907: 390).
[43] Zie Van Huizen (1907: 3).
[44]Geciteerd naar JBWP (1992: 283).
[45] Zie Stokvis (1914).
[46] Dit is de conclusie van Grübel (2008), wiens data echter niet kloppen (zie infa en supra).
[47] De Vogüé (1887: i).
[48] Genette (1987: 23).
[49] Hier worden de approximatieve formaten weergegeven van de Duitse en de Franse intermediaire teksten: Raskolnikow: 11,5 x17,5 cm; Erniedrigte und Beleidigte (1885): 13,5 x 20 cm; Erniedrigte und Beleidigte (1890): 12 x 18 cm; Aus dem todten Hause: 11 x 18 cm; Arme Leute: 11 x 18 cm; Der Hahnrei : 11,5 x 17,5 cm; Der Spieler: 12 x 18 cm; Les frères Karamazov (1888): 11×17,5cm; Les frères Karamazov (1906): 11 x 18 cm; L’esprit souterrain 11,5 x 17,5 cm Souvenirs de la maison des morts: 11 x 18 cm.
[50] Het is niet achterhaald kunnen worden of ook Arme menschen en De speler voorzien zijn van een zachte kaft, aangezien deze vertalingen enkel in de vorm van microfiches consulteerbaar waren.
[51] Een mooie, hedendaagse illustratie hiervan wordt geleverd door Otto Boele (2006): zijn voorstel om Sigizmund Kržižanovskij te vertalen in het Nederlands werd verworpen omdat de familienaam van de schrijver onmogelijk bevonden werd.
[52] De titelpagina’s van de meest recente Dostoevskij-uitgaven in de prestigieuze reeks Russische Bibliotheek van Van Oorschot vermelden als auteur ‘Dostojevski’.
[53] Ziehier een greep uit het arsenaal varianten: ‘Feodor Dostojeffsky’ (anonymus in De Portefeuille 1881: 443), ‘Theodoor Dostojevski’ (P.H.d.C. 1881: 168), ‘Th. Dostoievsky’ (Cooplandt 1885: 10), ‘Theodoor Michaïlovitch Dostojewski’ (Ten Brink 1886: 71), ‘Fedor Michaelowitch Dostoievsky’ (Segers 1885: 89), ‘Dostoievski’ (Busken Huet 1886: 48), ‘Dostojewsky’ (171), ‘Feodor Michaëlowitsch Dostojewski’ (Ten Brink 1888: 581), ‘Dostojewsky’ (Wolfgang 1889b: 125), Theodoor Dostojewsky (Van der Meij 1889: 1), ‘Feodor Michailowitsch Dostojewsky’ (Spin 1898: 550), Dostojewskij (Van Wijk 1907: 156), Dostoiewsky (Querido 1908b: 574), Dostojefski (Brandes 1910: 316), ‘Tjodor Michailowietsj Dostojefskie’ (Stokvis 1909: 120), Dostoievsky (Nieboer 1916: 332), Dostoiëvsky (Nieboer 1916: 373, 420).
[54] Toury (1995: 76) vervolgt: ‘or else where prevailing norms disfavour indirect translation’, maar dit laatste is allerminst van toepassing op de constellatie van de Nederlandse literatuur voor de Eerste Wereldoorlog.
[55] Genette (1987: 99) schrijft: ‘aucun des romans […] de Dostoïevski […] ne comporte d’indication générique’. Wellicht komt deze onwaarheid voort uit een naïeve, veel voorkomende verwarring tussen de vertalingen van Dostoevskij, in dit geval de Franse vertalingen, en zijn origineel œuvre.
[56] Aanvankelijk, bij zijn publicatie in 1861, droeg Unižennye i oskorblënnye de ondertitel Iz zapisok neudavšegosja literatora, die aangevuld werd met de generische informatie Roman. In 1879 viel de ondertitel echter weg en werd de generische aanduiding uitgebreid met macrostructurele informatie. Zoals Roesen (2007: 151) opmerkt, was deze verandering in overeenkomst met de stijl waarin Dostoevskij zijn rijpe romans titelde.
[57] Roesen (2007: 146-7) verdedigt de stelling dat de zapiski een apart, door Dostoevskij heruitgevonden genre vormen. In essentie zou dit genre neerkomen op ‘the writings of an anonymous, observing, journalist type; that is, a kind of feuilleton-writer, who appears as an outsider to the world he describes’.
[58] Overigens heeft de term ‘roman’ in het Nederlands een andere connotatie dan in het Russisch, waar dit woord ook ‘romance’ kan betekenen – volgens Roesen (2007: 147) maakte Dostoevskij doelbewust van deze tweede connotatie gebruik bij de bestempeling van enkele pre-Siberische werken, zoals Bednye ljudi en Belye noči, als romans.
[59] Witte nachten (1907: 3).
[60] Raskol’nikov is een sprekende naam, die teruggaat op de Russische woorden ‘raskol’ en ‘raskolnik’, waarmee respectievelijk afvalligheid en een afvallige van het Russisch orthodoxe geloof kan worden aangeduid (zie ook Frank 1997: 98). Deze betekenis bleef voor de Duitse lezers van Raskolnikow echter verborgen.
[61] Le Trésor de la Langue Française informatisé (http://atilf.atilf.fr/tlf.htm) definieert ‘châtiment’ als ‘Punition sévère donnée à celui qui a commis une faute, pour le corriger.’
[62] Zoals Genette (1987: 96) in navolging van Eco onderstreept: ‘Un titre […] est déjà – malheureusement – une clé interprétative’.
[63] In het boek zelf wordt naar de titel ‘Вечный муж’ (Een eeuwige echtgenoot) meermaals expliciet verwezen. Ten eerste male bij de behandeling van de theorie van Vel’čaninov dat er een type vrouwen bestaat die gepredestineerd zijn om hun echtgenoten te bedriegen en dat hieraan een type mannen beantwoordt wier essentie erin besloten ligt dat ze heel hun leven niets anders zijn dan echtgenoten (Dostoevskij IX: 27). Ten tweede male wanneer Vel’čaninov Pavel Pavlovič in het gezicht slingert dat hij een eeuwige echtgenoot is en de laatstgenoemde verzoekt om dit concept toe te lichten (ibidem 47). Ook verder in het verhaal duikt de term ‘вечный муж’ nog enkele malen op (ibidem 70, 83, 102, 103). In de Duitse vertaling zijn de verwijzingen naar dit concept systematisch inadequaat weergegeven: eenmaal is het weggelaten, meestal is het vertaald als ‘Hahnrei’, en een enkele maal als ‘Tröpfen’ of ‘arme Narr’ (Der Hahrei 54, 100, 153, 187, 228 en 230). De Nederlandse vertaler heeft hiervan gemaakt: ‘horendrager’, ‘arme stakkers’ en ‘arme dwaas’ (De echtgenoot 57, 89, 109, 133, 134).
[64] ‘Hahnrei’ betekent ‘kapoen’ (gecastreerde haan) of ‘bedrogen echtgenoot, hoorndrager’.
[65] Halpérine-Kaminsky (1929: xxv).
[66] Hiermee is niet gezegd dat de intermedaire teksten Aus dem todten Hause (1886) en Souvenirs de la maison des morts de hoogst mogelijke adequatie bereiken. De Duitse tekst draagt immers een ondertitel die in het Russisch ontbreekt: Denkwürdigkeiten eines nach Sibirien Verbanntes. In de titel van de Franse tekst is dan weer het woord ‘Souvenirs’ geïntroduceerd door de uitgever/vertaler.
[67] Overigens waren veel critici, waaronder De Vogüé (1886), de mening toegedaan dat Raskolnikov na de moord gegrepen werd door iets anders dan berouw.
[68] Zie Frank (1986: 18). De puur sociale interpretatie van het werk wordt bemoeilijkt door het feit dat de personages eerder het slachtoffer zijn van hun eigen grillen en trots dan van determinerende omstandigheden.
[69] Zoals Mudde (2007: 81) opmerkt is het ‘voor literair historici een interessant punt […] dat de auteurs van zedenkundige romans à la Richardson, in hun streven naar maximale herkenbaarheid voor hun lezers, ons een beeld van die geïntendeerde lezers geven. Alleen al de titels van hun werken spreken wat dat betreft boekdelen: Pamela, Clarissa, Sidney Bidulph, Julia Mandeville, Delia Stanhope, de Freule van Sternheim, Sara Burgerhart: de titel- en hoofdfiguren zijn allemaal jonge vrouwen.’
[70] Volgens Frank (1986: 111-2) hebben literatuurwetenschappers met variërende overtuigingskracht in Unižennye i oskorblënnye sporen teruggevonden van Schiller, Goethe, Dickens, Laclos, Rousseau, De Sade, Sue en E.T.A. Hoffmann. Terwijl de verhaallijn opgebouwd rond Nataša typisch is voor ‘the sentimental novel’, is de verhaallijn opgebouwd rond het mysterieuze personage Nelli eerder in verband te brengen met het genre van de roman-feuilleton.
[71] Vertaling: ‘Opgedragen aan Anna Grigor’evna Dostoevskaja.’
[72] Genette (1987: 149).
[73] Zie Genette (1987: 152).
[74] Zo opent Dostoevskij (V: 124) deel II van zijn Zapiski iz podpol’ja met 15 versregels uit een gedicht van N.A. Nekrasov.
[75] Odoevskij schreef lange, lovende kritieken over Bednye ljudi. Zie Frank (1979: 174).
[76] Zie Frank (1979: 334).
[77] Dit beweerde Dostoevskijs tijdgenoot Suvorin. Zie Frank (2003: 727).
[78] Vertaling: ‘Die sprookjesschrijvers toch! Iets nuttigs, aangenaams, verrukkelijks schrijven doen ze niet, maar wel graven ze uit de aarde op wat onder onze voeten ligt!.. Ik zou hen gewoon verbieden te schrijven! […] Vorst V.F. Odoevskij.’
[79] Zie zijn lezersbrief in De Amsterdammer.
[80] Vertaling:’Of was hij geschapen om al was het maar een ogenblik in de nabijheid van jouw hart te vertoeven?.. Iv. Turgenev.’
[81] Vertaling: ‘Waarachtig, waarachtig zeg ik u: als een graankorrel die gevallen is op aarde niet sterft, blijft het er één, maar als hij sterft draagt hij veel vrucht. (Evangelie volgens Johannes, hoofdstuk XII, p. 24).’
[82] Zie supra, deel III. De recensent ‘B’ (1907) kon het werk niet situeren in de tijd of in verband brengen met de biografie van Dostoevskij.
[83] Heruitgaven van L’esprit souterrain na de Eerste Wereldoorlog bevatten ook een voorwoord van een van de vertalers, namelijk van Halpérine-Kaminsky. Aagezien deze paratekst echter pas in een later stadium toegevoegd werd aan de tekst, wordt deze hier buiten beschouwing gelaten.
[84] Interessant is ook dat Jürgens (1885: 6) expliciet de hoop uitdrukt dat Erniedrigte und Beleidigte (1885) zal bijdragen tot de verspreiding van het aanzien van de auteur buiten de grenzen van zijn vaderland.
[85] Het is wel zo dat de uitgever van de laatstgenoemde doeltekst, Brinkman (1887: 192), in een reclameadvertentie aangaf dat bij de vertaling sporen van ‘ruwheid en platheid’ uitgevaagd waren (zie supra). Deze toelichting werd echter niet ondergebracht in de uitgave van het werk zelf. Als zodanig betreft het geen peritekst van De misleide, maar een epitekst.
[86] Dostoevskij (XIV: 5-6)
[87] Genette (1987: 209).
[88] Dostoevskij (IV: 5-8).
[89] Genette (1987: 283).
[90] Dostoevskij (IV: 8).
[91] Dostoevskij (IV: 7r19-8r5). Vgl. Aus dem todten Hause (1890: 3) en Uit Siberië (1891: 7).
[92] Dostoevskij (IV: 8r17-30). Vgl. Aus dem todten Hause (1890: 4) en Uit Siberië (1891: 7).
[93] In de overtuigende analyse van Frank (1986: 313-4) is de ondergrondse man zowel ‘a moral-psychological type’, wiens egoïsme door Dostoevskij wordt tentoongesteld, als ‘a social-idealogical one, whose psychology must be seen as intimately interconnected with the ideas he accepts and by which he tries to live’. Meer bepaald gebruikte Dostoevskij zijn geesteskind om Čto delat’ (Wat te doen?) van Černyševskij te parodiëren en om maatschappelijke satire te brengen.
[94] Frank (1997: 98).
[95] In Schuld en boete (1885: III, 252), dat net als Raskolnikow uitgegeven werd in drie boekdelen, zijn de originele ‘части’ (delen) omgedoopt tot ‘afdeelingen’.
[96] Vgl. Dostoevskij (VI 101, 138; 216; 220; 221; 228, 299-300, 330; 341; 363-4; 264-5; 366; 368-70; 370-1) met Raskolnikow (I, 199; I, 273-4; II, 147; II, 154-5; II, 170; III, 53; III, 119; III, 141; III, 189; III, 191; III, 192; III, 195; III, 198; III, 199).
[97] Het aantal geschrapte volle regels laat zich niet gemakkelijk bepalen, aangezien de coupures zich vaker wel dan niet uitspreiden over meerdere regels, zonder de regels in volledigheid aan te tasten. De hier en elders gepresenteerde percentages van geschrapte tekst moeten dus begrepen worden als ruwe schattingen, die slechts kenmerkend zijn voor de grootteorde van de inkortingen.
[98] Meteen valt op dat het merendeel van de zwaar ingekorte fragmenten gesprekken betreft tussen Raskol’nikov en het wellustige personage Svidrigajlov. Daarnaast is ook geknipt in een passage waarin Dostoevskij de spot drijft met de Duitse vrouw Amalija Ivanovna. Op deze inkortingen wordt elders teruggekomen.
[99] Aan de eerder aangegeven pagina’s van Prestuplenie i nakazanie (Dostoevskij VI), waarop zich passages bevinden die niet terecht gekomen zijn in Raskolnikow, beantwoorden de volgende pagina’s van Schuld en boete: I, 161, I, 222-3; II, 118; II, 125; II, 125; II, 137; III, 95; III, 115; III, 154; III, 155; III, 155 [bis]; III, 157; III, 160-1; III, 161.
[100] Frank (1976: 149).
[101] Zie bijvoorbeeld Dostoevskij (I: 46; 58)
[102] Dostoevskij (I: 14r24-5; 18r1-2; 20r1-2; 20r15; 27r12-3; 28r26-30; 29r21-2; 31r25-6; 33r17, r18-9; 34r48-35r1; 35r3-4, r11-2, r13-6, r20-1; 37r15-6; 47r29, r47-8; 76r43-4; 85r6; 89r43-4; 77r9-10; 85r6; 89r43-4; 90r41; 107r7-8). Deze coupures bevinden zich in Arme Leute op de volgende respectieve pagina’s: 3; 10; 15; 32, 36; 38; 43; 47; 51; 52; 57; 85; 162; 163; 185; 197; 201; 245.
[103] Vgl. Dostoevskij (I: 57; 63) met Arme Leute (111; 128).
[104] Vgl. Dostoevskij (I: 40r12-3, r16, r36-40; 55r16).
[105] Arme menschen (27).
[106] Zie Frank (1979: 334-5).
[107] Zie Frank (1986: 310).
[108] Dostoevskij (V: 124).
[109] Zie Frank (1986: 333).
[110] Miller (1973: 203).
[111] De inkortingen in het eerste deel van L’esprit souterrain betreffen slechts de volgende regels van de brontekst (Dostoevskij I): 272r20; 275r18; 307r34-5; 315r16.
[112] Het betreft de laatste twee regels van hoofdstuk V van L’esprit souterrain (126r2-4).
[113] De eliminatie van deze titel heeft de vertalers er niet van weerhouden om de symboliek van smeltende sneeuw ter sprake te brengen en toe te lichten. Ze hebben namelijk onder andere de volgende passage toegevoegd aan Dostoevskijs tekst: ‘[…] il me semble que c’est la neige fondue qui me remet en mémoire une histoire de ma jeunesse’ (L’esprit souterrain 191). Het vervolg luidt ‘contons donc cette histoire à propos de la neige fondante’ (ibidem), een zin die bij Dostoevskij (V: 123) ondergebracht was op het einde van het elfde en laatste hoofdstuk van het eerste deel van Zapiski iz podpol’ja.
[114] Bovendien wordt de ironische presentatie van het gedicht teniet gedaan, doordat de regel ‘И т.д., и т.д., и т.д.’ (Enz., enz., enz.) onvertaald is gelaten.
[115] De volgende regels van de brontekst (Dostoevskij V) worden door de coupures aangetast: 99r22-31; 102r44-103r3; 103r13-4, 21-32; 105r47-106r19; 107r14-20; 107r35-108r2; 108r2-109r9; 109r29-34, 36-8; 109r39-110r1; 112r9-10, 26-38; 113r31-2, 47-8; 114r8-115r8; 115r10, 14-20, 21-3, 25-9, 34-9; 115r41-117r37; 118r3-7, 10-22, 24-5, 31; 119r13-7; 19-48; 120r1-6; 121r16-24; 121r30-123r34; 124r48-125r1; 125r7-18, 34-5; 125r39-126r2; 126r13-9; 126r31-127r10; 127r14-134r45; 134r47-135r6; 135r12-3, 16-7, 21-2; 135r43-136r13; 136r17-137r3; 138r13, 29-30; 139r10-140r30; 141r5-30, 41-2; 142r1-2, 23-35; 143r11-2, 24, 31-2; 144r38; 144r40-145r3; 145r5-8, 20; 146r26-9, 37; 146r42-147r2; 147r13-4, 18-31; 148r40-2, 43-4; 149r6-8, 15, 30-4, 34-6, 40-1; 149r48-150r4; 150r17-8, 19-22, 23-8; 152r14-21; 155r22-3; 164r9-165r13; 169r28; 171r9-10; 178r21-5; 178r26-179r9; 179r13-5. Deze lijst inkortingen is gevoelig vollediger dan die van Luft en Stenberg (1991: 442-3). Zij beweren dat de Franse vertaling van het tweede deel ‘some omissions’ bevat, maar in het algemeen ‘true to the narrative’ is. Dit is aanvechtbaar, aangezien de grootste coupure (127r14-134r45), die niet enkel beschouwingen, maar ook de handeling van het verhaal betreft, zich precies in het tweede deel bevindt.
[116] L’esprit souterrain (154).
[117] Ibidem.
[118] Ibidem (176r3-11).
[119] Ibidem (176).
[120] Ibidem.
[121] Ibidem (188r10-189r13).
[122] Ibidem (189). Cursivering toegevoegd.
[123] Ibidem (191).
[124] Ibidem: 189r23-190r12; 191r8-13, 195r21-3; 196r9-11, 12; 198r12-3; 199r3; 216r22-3; 269r22-3.
[125] Cursivering toegevoegd.
[126] Voor een kort overzicht van de geschiedenis van de belles infidèles in de zeventiende en de achttiende eeuwen, zie Salama-Carr (1998: 411-3).
[127] Dit verwijt werd voor het eerst geformuleerd in 1908 in een krantenartikel, en kreeg bekendheid na publicatie van zijn gevierde Dostoïevski in 1923, waarin dit artikel als een afzonderlijk hoofdstuk opgenomen is.
[128] Rayfield (2000: 340).
[129] Cursivering toegevoegd.
[130] Cursivering toegevoegd.
[131] Cursivering toegevoegd.
[132] Cursivering toegevoegd.
[133] Dostoevskij (I): 264r31; 312r27-8; 316r16-20.
[134] Dostoevskij (V): 145r25; 146r10; 147r48; 161r33-7; 169r28.
[135] Frank (1997: 171-2).
[136] Zie Frank (1997: 82).
[137] De weggevallen zinnen bevinden zich bij Dostoevskij (V) op de volgende plaatsen: 210r7; 213r42-4; 215r24-6, 29-31; 216r34-6; 217r3-13; 217r41-218r9; 218r28-30; 226r10-4; 229r30-1; 235r23-6; 237r21-2; 238r32-7; 243 r40-1, 46; 244r40-1; 245r2-3; 247r42; 248r14-5; 249r1-3, 47; 250r1-2, 3-4, 33, 34-6; 253r24-6; 256r12; 257r30-1, 45-7; 258r25-6, 36; 259r15-18; 260r10-1, 43; 265r6-7; 266r20-1; 268r20-1,33-5; 269r17; 270r23-4; 271r9; 272r11-3; 273r39-40; 276r181; 277r20; 278r38; 281r21-2, 23-5, 33; 282r4, 6-9, 12-3, 15-6; 283r19-20, 23-7, 36; 285r24-5, 28; 286r8-9, 21-2; 293r27, 43-4; 298r45-299r4; 302r7; 302r38-303r2; 303r7-9; 308r2-3; 311r4; 312r45-7; 313r31-2.
[138] De coupures verspreiden zich over ongeveer 180 regels, maar niet alle regels werden volledig geëlimineerd.
[139] De coupures verspreiden zich over ongeveer 400 regels, maar niet alle regels werden volledig geëlimineerd.
[140] Dostoevskij (V): 210r14-5; 212r16-20, 27; 214r1-2; 216r16-31; 217r33-41; 220r24, 38-9; 223r7; 227r30-2; 227r48-228r1; 228r30-4; 229r8-9, 29-30; 230r4-16, 18-23, 24-9; 230r44-6; 231r1-2, 9-14, 17, 24; 231r37-232r4; 232r8, 34-6; 234r3-4, 25-6; 236 r11-4; 236r34-46; 238r25-6, 40; 238r48-239r1; 239r4-7, 21-3; 239r38-240r8; 240r20-1; 240r43-241r26; 243r39, 45-6; 244r9, 12-3, 22-3, 27-8, 30, 32-4, 41-3; 245r11, 17; 246r5-14, 23, 48; 247r42-5; 249r5-7, 37, 43-5; 250r30-2, 36-8; 252r4-7, 14-5, 23-4; 254r24-6; 255r47-8; 260r10, 14-5, 24-5; 265r7-11, 15-24, 25-8; 267r43-4; 268r40-269r14; 271r28-9, 42-5; 272r10-1; 273r18, 39; 279r40; 280r11; 281r11; 282r4-6; 282r46-282r15; 284r5-14, 31-5, 36-8; 284r46-285r4; 285r34-5; 287r14-8; 291r7-9, 30-46; 292r3-14; 293r4-6; 294r44-7, 36-7; 298r34-5; 303r31-2; 304r36-7; 305r23-5; 306r42-307r1; 309r19-21; 315r33-316r39.
[141] Frank (1986: 110).
[142] Ibidem (110-1).
[143] Erniedrigte und Beleidigte (1885: 214).
[144] Hoofdstuk 28 van Erniedrigte und Beleidigte (1885: 127) komt overeen met hoofdstuk II van de brontekst (Dostoevskij III: 305).
[145] De coupures betreffen de volgende regels van de brontekst (Dostoevskij III): 178r7-8; 188r14-21; 189r29-33; 190r31-2; 213r2-3; 232r8-233r12; 235r30-6, 37-8; 236r14-237r4; 239r40-240r12; 241r10-11; 243r46-244r9; 252r25-9; 263r4-39; 266r37-44; 267r37-44, 23-36, 46-7; 268r25-8; 269r29-31; 34-8; 42; 270r30, 40, 46; 272r12-3; 272r22-3, 32-4; 272r35-273r20; 273r30-1, 40-8; 274r3-19, 21, 33-40; 275r1-48; 276r6-7, 14-9, 25; 287r16-43; 291r8-9, 39; 293r35-6; 294r30; 295r40-3; 301r35-8; 305r33-5; 320r39-321r10; 329r32-7; 331r1-332r1; 333r11-37; 338r28-40; 343r25-35; 345r17-42; 349r31-8; 353r29-30; 354r3; 355r44-7; 356r2-6, 19-20, 22-4; 358r1; 359r2-; 359r9-360r14; 360r33-4, 36-9; 361r47-362r5; 363r33-365r2; 365r39-366r15; 366r35; 367r19, 36, 37, 44-5; 368r31; 368r43-6; 369r2-5, 11-2; 370r25-6, 29-30, 31-2, 33, 35-7, 39-40, 45; 371r3; 372r30-1; 373r23-5; 373r42-374r4; 374r17-26; 374r47-375r1; 375r19-34, 36-9; 376r7, 9-10, 14-5, 25, 28-9, 32-4, 34-6, 38-44; 377r3; 373r27-378r35; 378r47-8; 379r9, 26, 44-5, 47-8; 380r7-8, 10, 13-4, 14-5; 380r30, 32, 33, 34-8; 381r2-3, 8-10, 18-20, 22-3, 33, 38, 39-43; 382r3-7, 10-3, 25-7, 34-5, 40-1, 49; 383r3-4, 25-8, 34-5, 40-2; 384r4-8, 18-9, 34-5, 40-2; 384r4-8, 18-9, 34-6, 40-2; 385r9, 16-9; 386r6-11, 22-4, 26, 41-2, 46-7; 387r1, 12, 14-5, 32-3, 43-4; 388r5-11, 15-6, 19-20, 24-9, 33-43; 389r10-14, 28, 43; 390r3-4, 10, 28, 32-3, 36, 42-4; 391r27; 37-40; 392r11-9; 392r48-393r18; 393r32; 393r47-394r7; 394r46; 395r18-9; 396r22, 25-5, 29, 31-3, 35-6, 41; 397r2, 4-5, 8-9, 12-6, 20-3, 32-7, 38, 45, 46-8; 398r1-2, 16-7, 18-9, 34; 399r22-4, 27, 48; 400r3-5, 8, 14-26, 31, 39; 400r44-401r22; 401r36-40, 42-3; 402r7-12, 15, 16-30, 34-5, 47-8; 403r2-3, 7-8, 21-2; 404r29; 405r21-2, 33, 40-7; 406r21-3, 24-5, 28-9, 33-4, 37-8, 42-8; 407r7-10, 15, 25, 34-5, 37, 40-1, 42, 44-5, 45; 408r1, 14-5, 17-8, 21-6, 30, 36-7, 48; 409r2-10, 20-1, 38-45; 410r3, 8-16, 19-26, 37, 41, 46-8; 411r8, 18, 46-7; 412r6-32; 412r47-413r3; 413r9-10, 31-2, 45; 414r29; 415r2-31, 6-17, 21-6, 39-49; 416r19, 21, 22, 23-4, 28-9, 45-8; 417r15, 19-24, 25-8, 33-4; 418r5-6, 8-28; 420r30, 32, 48; 421r3-422r13; 422r31, 32; 423r9-10, 19-20, 21-4; 423r25-425r6; 425r8-12, 14-5, 16-25, 28-9, 30-1, 38-9; 426r3, 10-9, 29, 32-4; 426r25-427r2; 427r4-6, 29-31; 428r3-5; 6-10; 16-30; 38-44; 428r46-429r2; 429r7-9, 19; 430r14-6, 17-23, 26, 37-8; 430r40-431r6; 431r9-20, 46; 432r1, 12-24, 26-7; 434r9-12, 27-41, 42-3; 435r2, 4-16; 435r23-437r30; 437r40-438r2; 438r9-10, 12-5, 16-8, 20, 21-7; 438r36-439r13; 439r19-21, 21-2, 37.
[146] Deze inkortingen betreffen de volgende regels van de brontekst (Dostoevskij III): 197r17; 334r9; 372r43-5.
[147] De inkortingen betreffen onder andere de volgende regels van de brontekst (Dostoevskij III): 171r4-7, 20-7; 171r48-172r1; 172r45-8; 173r20, 28-30; 174r4, 7-8, 10-11, 35-6; 175r11, 20-1, 23-4, 27; 177r31-3; 178r28-179r2; 180r10-11, 27-33; 181r18-9, 34-5; 182r36; 183r31-3, 42-3; 184r9-14, 24; 185r1-5; 186r30-1, 37-45; 187r16-8, 21-31, 42-3; 187r46-188r5; 188r30-1, 39-40, 43-4; 189r10, 12, 13, 14-7, 24-6, 29-33, 45-6; 190r16-9; 190r10-3, 27-31, 44-5; 193r20; 194r25; 194r47-195r3; 195r5-6, 10-1, 24-5, 36; 196r9; 197r19-21, 36-7; 198r2, 7-8, 12, 43; 199r22-5, 28-9; 200r10-1, 35-6; 201r26-7, 29; 202r8, 25; 202r45-203r3; 203r17-8; 204r4, 14, 16-21; 204r48-205r2; 205r4-7, 41-4; 205r45-206r8; 206r11-2, 14-7; 207r6-8, 13-4, 16, 19-34, 36-8; 208r25-6; 209r16-7, 43-5, 48; 210r31-211r4; 211r44-5; 212r1, 15-31; 213r11-6, 17-8, 28-30; 214r1; 215r12, 22-3, 44; 215r47-216r16; 216r21-2, 35-6; 217r6-14, 19; 218r47-219r1; 219r2-3, 34-5; 220r10-1; 13-28; 29-30; 31-2; 35-6; 42; 221r1-6, 14, 22-5, 29-39, 41-2; 222r8-24; 223r2, 42, 48; 224r9, 12-7, 33-40, 43-4; 225r19-24, 38; 226r17, 29-30, 35-8, 42, 43-4; 227r2, 6, 19-20; 227r23-228r32; 228r33-4, 36, 40-1; 229r10-2, 39-41; 229r43-230r3; 230r11-2, 18, 24-6, 37-41; 231r3-4, 6, 9-10, 15-20, 21-3; 232r8, 18-29, 38, 42; 254r12, 17, 30, 36; 38-40; 255r10-1, 21-2, 36; 256r45-6; 257r9-11, 28-30, 33-4; 258r5, 38-40, 48; 259r6, 22-6; 260r1, 3-4, 5, 10, 14, 17, 18-9; 261r14-5; 261r38-9, 40; 262r8-13, 18-9, 28-31; 263r5-264r39; 264r43-4; 265r6-8, 14-6, 43, 47; 266r15, 34-5, 37-47; 267r5-6, 26, 34-5, 45; 272r24, 25, 27-9, 33-4, 35, 36-41; 272r43-273r19; 273r20, 21, 25-6, 29-30, 30-31; 273r37-48; 274r4-5, 6, 11, 12, 23, 31, 33-40, 43-4; 274r45-275r19; 275r22-48; 276r5-7, 11-3, 39, 43; 277r2-3, 5-9, 14-6, 20-33; 277r44-278r2; 278r16-8, 21-5; 279r48-280r8; 282r36, 40-2; 283r10, 11-2, 12-3, 14-5, 22, 24-6, 41, 43; 284r1-6, 8-11, 32-3, 35-6, 47-8; 285r16-7, 31-3, 37-8, 39-40, 45-6; 286r2-4, 10; 293r40-1; 294r1-3, 8, 28-30, 35, 36, 38-9; 295r5, 12, 15, 20-2, 35-43, 45-6; 296r1-3, 6-7, 34, 40-1; 296r45-297r4; 297r5-9, 10-3, 16-7, 21, 23-5, 27-8, 35-6, 41-2; 298r1-2, 17-8, 19-21, 33-4, 41; 299r37-40, 44; 300r10-4, 22; 324r1-7; 324r10-325r22; 325r23, 28-9, 35-6, 39-40, 41-2, 44-6, 48; 326r1-2, 5-6, 10-1, 25-30, 31-2, 35-6, 37; 327r1-2, 17-8; 330r4-5, 8, 15, 17-9, 20-1, 24-5, 32-3, 35, 37, 41-8; 331r4-8; 331r9-332r1; 332r11, 15-8, 20-2, 34-5, 40; 332r43-333r2; 333r10-37; 334r1, 9, 24-5, 34-6, 39-41, 43; 335r8-9, 20-2, 37; 237r1, 30-3, 39-40, 43-4; 338r11, 21, 28, 33-40; 371r1-2, 3; 372r2-4, 22-3, 24-5, 48; 373r4-5, 10, 11-2; 373r40-374r4; 374r12-4, 22-6; 375r7-10, 13, 15, 16-7, 19-34, 36-9; 376r7, 8-10, 15, 23; 377r43-378r35; 378r9, 21, 26, 47-8; 379r7-8, 10, 12-3; 380r35-6, 40-1; 381r8-10, 30-1, 33-4, 42-3; 382r1-3, 5-7, 12, 15-6, 21, 26-7, 31, 34-7, 40; 383r3, 4-10, 25-8, 34-6, 39, 40-2, 44-6; 384r4-7, 16-8, 23, 34-6; 385r40, 44-6; 386r5-11, 14-5, 43, 47, 47-8; 387r12, 23-4, 32-3, 34-5, 26, 47-8; 391r39-40, 46-7; 392r7, 34-5; 392r48-393r6; 393r7-8, 14-8, 27-8; 393r47-394r7; 394r28-34, 39-40, 46; 395r8-9, 23-4; 396r12-3, 21, 22-3; 400r3-5, 8-9; 400r31-401r23; 401r36, 38-40; 402r15, 41, 42, 47-8; 403r19, 20-2, 35, 45-8; 404r47; 405r16, 18-9, 36-7, 40-1; 406r8, 12-3, 22, 33-6, 42-8; 407r3-4, 4, 7-9, 11-2, 17-9, 31, 34-5, 41-2, 44-5; 408r1, 3-4, 6-9, 20, 22-6, 29, 33-5, 36-7, 48; 409r15-6, 24-5, 26-7, 31-2, 42-3, 44-5; 410r8-16, 19-24, 27-8, 30-1, 33, 34, 39-40; 411r7-8, 22-3, 43-5; 412r6, 9, 12-3, 18-20, 24-7, 40-1; 413r8, 12, 16, 31-2, 45-6; 414r5, 29; 415r21, 23-4; 418r5-6, 26-7, 37-8; 420r4-10, 12, 30, 36-8, 46-7; 421r5-26, 39-37, 38-45; 422r5-6, 14, 16, 18-20, 28-30, 36-7; 423r10-3, 15, 15-20, 21-5; 423r25-425r6; 425r8-9, 15-25, 27-8, 30-32, 34-7, 38-9; 425r46-426r4; 426r6, 7-8, 10-9, 23; 427r4-5, 8-11, 35-6, 38-40, 43; 428r2-5, 19-30, 32-6, 38-44; 428r46-429r2; 429r6-31, 35-41, 42-7; 430r48-431r2; 431r4, 23-4, 44; 432r12-8, 27-8; 433r10, 28-31; 434r2-4, 10-2, 13, 22-4, 27-41, 43-5; 435r8-16; 436r11-2, 14-30; 437r15-7; 437r40-438r2; 438r12-5, 16-8, 22-8; 438r36-439r6; 439r21-2, 36-7; 439r48-440r2; 440r13-5, 31, 34, 37; 441r12-3. Daarnaast zijn er ook coupures van wisselende lengte die de de pagina’s 235-53, 268-72, 287-93, 305-23, 327-29, 338-76, 388-91 en 396-9 betreffen. Deze zijn evenwel niet exhaustief onderzocht, omdat de overeenkomstige hoofdstukken niet vertegenwoordigd zijn in de Nederlandse vertaling van Erniedrigte und Beleidigte (1890).
[148] De hoofdstukken van de brontekst (Dostoevskij III) die hiermee overeenkomen zijn, respectievelijk, hoofdstukken I, II , IV en X van het tweede deel, hoofdstukken I-IV en VII-X van het derde deel en hoofdstuk I van het vierde deel. Hoofdstuk IV van het derde deel, dat overeenkomt met hoofdstuk XXX van de Duitse tekst, werd door Mme La Bastide volledig geschrapt, behoudens enkele regels van de laatste alinea (Dostoevskij III: 323r14-6); deze werden verplaatst naar het begin van het volgende hoofdstuk.
[149] De volgende regels van de brontekst, die wel vertegenwoordigd zijn in Erniedrigte und Beleidigte (1890), werden aanzienlijk ingekort tot zelfs volledig geëlimineerd door Mme La Bastide: 176r21-2; 183r23; 193r1-2; 195r41, 46; 196r28; 198r1; 198r46; 202r16-9; 207r44-5; 209r38-40; 210r22-3; 217r33; 218r28-33, 36; 222r8-24; 224r9-10; 226r42; 232r44-253r29; 253r40-1; 254r8-9, 11; 257r32, 41; 259r8-9; 260r47-8; 265r45; 268r4-272r13; 280r9-282r8; 286r24-293r36; 300r23-323r14; 327r24-329r48; 338r41-370r48; 371r4-5, 10, 11-5, 15, 29-30; 375r4-6; 376r14, 37-44; 388r1-391r31; 396r44-399r48; 401r27, 32; 402r2-3, 15, 22-3, 29-30, 48; 403r3-6, 23, 28, 43-4; 405r27.
[150] De verteller gelooft niet dat de mens in alles gedreven wordt door rationeel egoïsme, en maakt duidelijk dat manifestatie van de drang naar vrijheid en van de eigen persoonlijkheid het hoogste goed uitmaken van de gevangenen, dat zij bereid zijn om hiervoor te lijden. Zie Frank (1986: 230-2).
[151] Zie Frank (1986: 217).
[152] Frank (1986: 220-2).
[153] Onder andere in de volgende regels van Dostoevskij (IV) bevinden zich zinnen die door Neyroud onvertaald gelaten werden: 136r6-19;138r9-48, 198r19-26 en 227r29-30. De Franse tekst werd evenwel niet exhaustief vergeleken met de brontekst.
[154] In de Duitse vertaling, die hierop niet exhaustief onderzocht werd, zijn onder andere de volgende regels van Dostoevskij (IV) niet of onvolledig vertaald: 93r48; 163r46-8; 202r48; 226r43-227r20.
[155] Bijvoorbeeld zinsdelen en zinnen die bij Dostoevskij (IV) de volgende regels betreffen : 136r6-39: 138r9-48; 198r19-26; 227r29-30.
[156] Het betreft onder andere de volgende regels van Dostoevskij (IV): 92r42-93r5; 93r6-8; 163r46-8; 226r43-227r20.
[157] Bijvoorbeeld zinsdelen en zinnen die zich bij Dostoevskij (IV) over de volgende regels uitspreiden: 110r20-111r25; 114r19-24, 119r2-24, 27-8; 202r48.
[158] De coupures van Hauff betreffen onder andere de volgende regels bij Dostoevskij (IV): 7r19-8r5; 8r17-30; 11r16-7; 13r25-6; 17r5-7; 17r41-18r7; 19r27-9, 41; 23r12-3; 23r16-24r2; 25r13; 28r1-23; 39r18-9; 42r44-43r1; 44r21-2; 45r19-48r35; 61r24-6; 69r26-8; 70r41-8; 71r1; 94r24-5; 99r32-4; 118r1-2, 4-5, 6; 121r29-31, 32-7; 124r2-3; 128r1-5; 130r29-30; 132r3; 133r8-11, 33; 134r5-9; 136r6-19; 137r31; 137r31-138r48; 139r9-14, 36-43; 139r48-140r3; 142r5-6; 154r26-37; 158r4-5; 165r22-4, 25-31; 166r36-48; 167r12-25; 168r10-11; 181r12-6, 46; 188r4-14, 24-6; 200r6-8; 201r43-4; 203r21-2; 205r47-206r9; 207r31-208r3; 214r43-6; 214r48-215r2; 216r41-3; 217r13-4; 218r31-220r4; 221r22-5; 225r7-8; 226r35-41; 227r2-20.
[159] Volgens de polysysteemtheorie resulteert de centralisatie van de positie van een bepaalde auteur in een literair polysysteem in de regel in een opschuiven van de betreffende vertaalnormen in de richting van adequatie.
[160] Het betreft de volgende regels bij Dostoevskij (IV): 198r25-6.
[161] Frank (1997: 382-3).
[162] Dostoevskij (IX): 18r4-10, 16, 41; 24r21-2; 26r48-27r4; 27r10-11, 31-2; 29r45-6; 36r23-5; 38r19, 38-9; 40r25-9, 32-9, 42-6; 41r9-12, 40-1; 47r40; 58r29-31; 60r9; 61r15-20; 61r40-5, 46-8; 62r1-4; 65r2-3; 79r47; 80r11; 88r45-89r1; 96r16-7; 99r24; 99r48-100r1; 101r25-7; 107r40-1.
[163] Vgl. ook Dostoevskij (IX: 30, 56, 72, 83) met Der Hahnrei (60, 121, 159, 183).
[164] Vertaling: ‘Maar in wat voor een opgewonden staat bent u zelf, bent u wel gezond, mijnheer?’
[165] Voor een uitgebreide analyse van Brat’ja Karamazovy, zie Frank (2003: 567-703).
[166] De onderstaande bevindingen zijn de vrucht van de studie van Hemmings (1950a) en van eigen descriptief vertaalonderzoek, dat in een vroeger stadium uiteengezet werd in het vertaalwetenschappelijke tijdschrift Babel (Boulogne 2009).
[167] Vgl. ‘История одной семейки’ (De geschiedenis van een gezinnetje) met ‘Histoire d’une famille’; ‘Неуместное собрание’ (Een misplaatste bijeenkomst) met ‘Une réunion malencontreuse’; ‘Сладострастники’ (De wellustelingen) met ‘Les sensuels’;; ‘Pro и Contra’ (Pro en Contra) met ‘Pro et contra’; ‘Алёша’ (Alëša) met ‘Aliocha’; ‘Митя’ (Mitja) met ‘Mitia’; ‘Предварительное следствие’ (Het vooronderzoek) met ‘L’instruction’; ‘Судебная ошибка’ (Een gerechtelijke fout) met ‘Une méprise judiciaire’. Minder adequaat vertaald zijn de titels ‘Надрывы’ (Emoties) en ‘Брат Иван Федорович’ (Broer Ivan Fëdorovič), die respectievelijk weergegeven zijn als ‘Les amours d’Aliocha’ en ‘Ivan’.
[168] Genette (1987: 308).
[169] Met dit procedé van ‘foreshadowing’ was Dostoevskij niet aan zijn proefstuk toe: eerder had hij dit op afzonderlijke personages van Besy en Podrostok toegepast, respectievelijk op Stavrogin en Versilov. Zie Frank (2003: 575).
[170] Les frères Karamazov (1888: 1-74).
[171] Zie ‘In medias res’ in Van Gorp, Delabastita & Ghesquiere (1998: 220).
[172] Hemmings (1950a: 232-6) geeft van de belangrijkste coupures een gedetailleerd overzicht, waarbij hij de normatieve vraag beantwoordt in hoeverre ze Dostoevskij tekort doen.
[173] Het tweede boek bevat in de betreffende vertaling zeven hoofdstukken in plaats van acht; het derde boek bevat acht hoofdstukken in plaats van elf; het vierde boek bevat vier hoofdstukken in plaats van zeven; het zevende boek bevat twee hoofdstukken in plaats van vier; het achtste boek bevat zes hoofdstukken in plaats van acht; van het negende boek zijn acht in plaats van negen hoofdstukken vertaald; van de tien hoofdstukken van het elfde boek zijn er acht vertaald; de vertaling van het twaalfde boek bevat negen hoofdstukken in plaats van veertien; van de epiloog is het derde hoofdstuk onvertaald gelaten.
[174] De naam Karamazov is in Les précoces vervangen door ‘Chestomazov’. Pas in de dubbeluitgave Le journal intime de Raskolnikov, Les Précoces (1930) werd de oorspronkelijke naam hersteld.
[175] Dostoevskij (XV: 185).
[176] Hemmings (1950a: 237).
[177] Ibidem (294).
[178] Ibidem (295).
[179] Cursivering toegevoegd.
[180] Deze voorwoorden werden niet in aanmerking genomen door Miller (1973), Hemmings (1950a) en Luft & Stenberg (1991), hoewel de vertaalstrategie van Halpérine-Kaminsky het voorwerp van hun studie uitmaakt.
[181] Halpérine-Kaminsky (1929: iii).
[182] De betreffende brief, die de versie van Halpérine-Kaminsky bevestigt, werd geveild in Basel in 2006 en wordt geciteerd in de beschrijving van de objecten. Opmerkelijk is dat Copeau (2006: 189) hierin ten overstaan van de Franse vertaler beweert ‘Ce que je dois vous dire, cependant, c’est que toujours je me suis tourné vers vous pour approfondir mon intélligence de l’oeuvre’. Daarnaast geeft hij toe dat de uitgevonden epiloog de laatste akt sterk beïnvloed heeft. In de tekst van Copeau en Croué (1911) wordt Mitja evenwel niet bevrijd uit de gevangenis.
[183] Zie Guillerm (1996).
[184] Halpérine-Kaminsky (1932: 13). Cursivering toegevoegd.
[185] Zie Frank (2003: 727).
[186] Slechts drie hoofdstuktitels werden in mindere mate adequaat vertaald. ‘За коньячком’ (Achter een cognacje) en ‘Обе вместе’ (Beiden samen) zijn respectievelijk weergegeven als ‘Propos d’ivrogne’ en ‘Les deux rivales’. Van ‘Похороны Илюшечки. Речь у камня’ (De begrafenis van Iljušečka. De rede bij de steen) is dan weer enkel het eerste gedeelte vertaald: ‘L’enterrement d’Ilucha’.
[187] In het vijfde hoofdstuk van het eerste boek van het eerste gedeelte, meer bepaald in de titel: ‘De staretsi’ (13); in het eerste, het tweede, het vierde en het zesde hoofdstuk van het derde boek van het vierde gedeelte: ‘De noodlottige dag’ (360, 362), ‘De gevaarlijke getuigen’ (362, 366, 367), ‘Het lot lacht Mitia toe’ (369, 371, 372) en ‘Het Requisitoire’ (380).
[188] Deze belangwekkende brief was nog niet ontdekt bij het schrijven van het artikel ‘The French influence in the early Dutch translation of F.M. Dostoevsky’s Brat’ja Karamazovy’ (Boulogne 2009).
[189] Stokvis (1914: 2).
[190] Cursivering toegevoegd.
[191] De eerste Duitse vertaling van Brat’ja Karamazovy werd gepubliceerd in 1884. In 1901 verscheen een volledig nieuwe vertaling van S. Himmelstjerna. Vijf jaar later werd dezelfde roman opnieuw vertaald in het Duits, ditmaal door E.K. Rahsin. Zie Bautz (1990: 1366) en Romein (1924: 200).
[192] Cursivering toegevoegd.
[193] Zie afbeelding 6.
[194] Zie Waegemans & Willemsen (1991: 162, 164).
[195] Dat Bierens de Haan geen andere vertaling dan die van Van Gogh-Kaulbach gelezen had, blijkt uit het feit dat hij het heeft over de slotzin ‘Iwan was nog steeds krankzinnig’. Zie Coster (1921a: 1065).
[196] Zie Coster (1921a: 1062, 1065).
[197] Hoewel deze vertaling de plot ‘getrouw weergeeft’, is de tekst ook ditmaal zwaar ingekort, op microtekstueel niveau. Dit blijkt uit het artikel met de veelzeggende titel ‘Verminkte meesters’ van Tavernier (1964: 3).
[198] In Arme Leute is bijvoorbeeld sprake van ‘Tula’ (23), ‘Gostini-Dwor’, ‘Irtysch’ (101) en ‘Fontanka’ (185, 186). ‘Васильевский Остров’ is door Hauff echter systematisch weergegeven als ‘Wassili Ostrow’, wat geen adequate fonetische transcriptie is. Zie Erniedrigte und Beleidigte (1890: 10, 53, 99).
[199] Arme Leute (99).
[200] Zo is de straatnaam ‘Гороховая’ in Arme Leute eerst tweemaal getranscribeerd als ‘Gorafowa’ (186), en later tweemaal als ‘Gorochowaja’ (232).
[201] Ibidem (102, 122, 213). Eénmaal is de straatnaam gespeld als ‘Newky-Prospect’ (117), wat allicht een drukfout is.
[202] In Arme Leute is ‘Волково’ vertaald als ‘Wolkowo-Kirchhof’ (115). Ook de variant ‘Wolkower Kirchhof’ (28) komt éénmaal voor. ‘Выборгская’ is weergegeven als ‘Wiborg’sche Stadttheil’ (150). Als vertaling van ‘Гороховая’ komt ook eenmaal de variant ‘Gorafowajastraße’ (186) voor.
[203] In Arme Leute in de vertaling van ‘Сибирь’, ‘Петербург’ en ‘Кронштадт’ als ‘Sibirien’ (19), ‘Petersburg’ (40) en ‘Kronstadt’ (99).
[204] Zo wordt ‘Wassili Ostrow’, een weinig adequate transcriptie van ‘Васильевский остров’, in een voetnoot verhelderd als ‘Stadttheil von St. Petersburg’ (40). Gelijkaardige voetnoten zijn geplaatst bij ‘Gostinni Dwor’ (66) en ‘Peterburger Seite’ (34).
[205] ‘Нерчинск’ wordt vertaald als ‘Nertschinsk (eine Stadt in Ost-Sibirien mit kaiserlichen Bergwerken)’ (Aus dem todten Hause 48); ‘Туляк’ als ‘Tuljak (Einwohner von Tula)’ (ibidem 86); ‘Полтава’ als ‘Poltawa (Stadt in Kleinrußland) (ibidem 86); ‘‘Тюмень’ als ‘Tjumen’ (Stadt in Westsibierien) (ibidem 87); ‘Петропавловский порт’ als ‘Petropawlowsk am stillen Weltmeer’ (ibidem 263).
[206] In Arme Leute beantwoordt de straat ‘Шестая линия’ aan ‘sechste Linie’ (40) en de stadswijk ‘Петербургская сторона’ aan ‘Peterburger Seite’ (34). In Erniedrigte und Beleidigte (1890: 129) is ‘Толкучий’ vertaald als ‘Trödelmarkt’.
[207] In Zapiski iz mërtvogo doma (54, 109) gebruikt Dostoevskij meermaals het woord ‘черкесы’ (Tsjerkessen) als hyperoniem. In Aus dem todten Hause (1890: 63, 141) is het eerst vertaald door middel van de hyponiem ‘Tschetchenzen’, en later als ‘Tcherkessen’.
[208] In Aus dem todten Hause is bijvoorbeeld ‘Пермская губерния’ (het gouvernement Perm) onvertaald gelaten. Ook is de vloek ‘Чума бендерская!’ (De pest van Bender!) naturaliserend vertaald als ‘Die Pest sollst du kriegen!’ (26).
[209] Arme menschen (159).
[210] Vgl. ‘Anna Feodorowna wohnte in ihrem eigenen Hause in der sechtsten Linie’ (Arme Leute 40) met ‘Anna Feodorowa woonde in haar eigen huis in de zesde afdeeling.’ (Arme menschen 36).
[211] Ibidem (86).
[212] Vgl. Der Spieler (6) met De speler (10).
[213] Vgl. Der Spieler (132) met De speler (144).
[214] Uit het doodenhuis (29, 50).
[215] Zo is de rivier ‘Moskwa’ (aus dem todten Hause 236) weergegeven als ‘Moskowa’ (Uit het doodenhuis 183).
[216] In Arme Nelly zijn de volgende topografische aanduidingen al dan niet systematisch onvertaald gelaten: ‘Wosnesensky-Propect’ (Erniedrigte und Beleidigte 1890: 52); ‘Wassili-Ostrow’ (53, 99); ‘sechste Linie’ (10, 101); ‘kleinen Prospekt’ (104); ‘Schestilawotschnajastraße’ (118).
[217] De straat ‘sechste Linie’(10, 101), die in de brontekst een belangrijke rol speelt, is volledig uit het verhaal geknipt. Minstens drie maal zijn de verwijzingen naar deze en een andere straat vervangen door een verwijzing naar de stadswijk ‘Wassili Ostrow’. Zie Arme Nelly (13, 51, 77).
[218] In Arme Nelly zijn ‘Wosnesensky-Prospect’ en ‘Litjeni-Prospect’ [sic] respectievelijk vertaald als ‘Litjeni-straat’ (66) en ‘Wosnesensky-straat’ (51).
[219] Wanneer de ‘Wosnesensky-Prospect’ voor het eerst ter sprake komt in Arme Nelly (5), is hierbij de volgende voetnoot geplaatst: ‘Prospect=straat. Wosnesensky-prospect beteekent: Opstandingsstraat’. Een verduidelijkende voetnoot werd ook geplaatst bij ‘Wassili Ostrow’ (12).
[220] Enkele malen werd zelfs de Russische adjectivale uitgang ‘–ij’ behouden. Zo is in Raskolnikow sprake van ‘Krestowskij’ (Raskolnikow III: 134). Vgl. met ‘Wosneßenski-Prospect’ (I: 225; III: 157), ‘Newski-Prospekt’ (III: 121) en ‘Irtysch’ (III: 294). Minder adequaat, maar nog steeds exotiserend, is de schrijfwijze ‘Wassilij-Ostrow’ (III, 230).
[221] Bijvoorbeeld ‘Insel Krestowskij’ (III: 134), ‘Jussupow-Garten’ (I: 203; II: 151)’, ‘Katherinenkanals (I: 167)’, ‘Nikolaibrücke’ (I: 176) en ‘Park von Petrowskij’ (III: 236).
[222] Voetnoten zijn geplaatst ter verduidelijking van ‘Palais de Crystal’ (I: 203), ‘Peßki’ (I: 211), ‘Piter’ (I: 266) en ‘Heumarkt’ (I: 4). Bij de voorlaatstgenoemde plaatsnaam gaat de toelichting het verst: ‘Der s.g. Heumarkt dient vorzugsweise für den Verkauf von Nahrungsmitteln und Hausbedraf, der Handel mit Heu, früher Hauptsache, ist jetzt daselbst nebensächlich.’
[223] ‘Сенная’, ‘Толкучий’, ‘Пять Углов’, ‘Садовая’ zijn respectievelijk vertaald als ‘Heumarkt’ (Raskolnikow I: 4), ‘Trödelmarkt’ (III: 133), ‘Fünf-Ecken’ (I: 189) en ‘Gartenstraße’ (I: 241).
[224] где-нибудь в ‘Мещанской улице’ (ergens in de Meščanskaja ulica) (Dostoevskij VI: 280) is vertaald als ‘irgendwo in der Gegend des Heumarkts’ (III: 12).
[225] Het zinsdeel ‘По Подьяческой пошел’ (hij liep doorheen de Pod’jačeskaja[-straat]) (Dostoevskij VI: 11) is onvertaald gelaten.
[226] Bijvooreeld in ‘het eiland Krestowsky’ (Schuld en boete III: 109).
[227] Vgl. Raskolnikow (I: 266) met Schuld en boete (I: 217).
[228] Bijvoorbeeld is ‘bei den Fünf-Ecken’ (Raskolnikow I: 189) onvertaald gelaten. Het zinsdeel ‘zur dritten Linie von Wassilij-Ostrow’ (idem III: 230) is dan weer vertaald als ‘waar zij wezen wilde’ (Schuld en boete III: 186).
[229] Bijvoorbeeld ‘Wosnessenski-Prospekt’ (Erniedrigte und Beleidigte 1885: 7, 48). Net als de andere Duitse vertalers transcribeert Jürgens ‘Васильевский остров’ (Vasil’evskij ostrov) nogal vrij, in casu als ‘Wassili-ostrow’ (ibidem 13, 49, 85).
[230] Zo zijn ‘Шестая линия’ en ‘Толкучий’ respectievelijk vertaald als ‘sechste Linie’ (ibidem 13) en ‘Trödelmarkt’ (ibidem 108).
[231] Onvertaald zijn bijvoorbeeld ‘Васильевский’ (Dostoevskij IV: 410), ‘Мещанская’ (ibidem), ‘Гостиный’ (idem, 259), ‘Владимирская’ (idem 277), Торговой мост’ (idem 340) en ‘Гороховая’ (idem 414).
[232] Ibidem (96). Allicht oordeelde Jürgens dat deze aanduiding voor een Duitse lezer gemakkelijker leesbaar is.
[233] Zie ibidem (50, 216).
[234] Vgl. ‘Wossnessenski-Prospect’ (De misleide 2, 6) met ‘Wosnessenski-Prospect’ (ibidem 67); ‘Wasili-Ostrow’ (ibidem 11) met ‘Wassili-Ostrow’ (ibidem 69, 129); ‘Kleine-Moskasa’ (ibidem 173) met ‘de groote Morskaja’ (ibidem 266). ‘Ssemjonowsche Brücke’ (Erniedrigte und Beleidigte 1885: 62) is vertaald als ‘Ssemjonowsche brug’ (De misleide 89), terwijl de dubbele Duitse ‘s’ wel weggelaten is in de vertaling van ‘Ssimbirsk’ (Erniedrigte und Beleidigte 1885: 159) als ‘Simbirsk (De misleide 254)’
[235] Vgl. Erniedrigte und Beleidigte (1885: 16, 19) met De misleide (16, 21).
[236] ‘Большой театр’ als ‘Große Teatr’ (Der Hahnrei 6), ‘Черная речка’ als ‘schwarze Bache’ (ibidem 18), ‘Полицейский мост’ als ‘Polizeibrücke’ (ibidem 18), ‘Петербургская сторона’ als ‘Peterburger Seite’ (ibidem 65).
[237] Vgl. ‘на углу Подьяческой и Мещанской’ (op de hoek van de Advokatenstraat en de Burgerstraat) (Dostoevskij IX: 11) met ‘an der Ecke der Advokaten- und Brückenstraße’ (Der Hahnrei 20). ‘Покровская гостиница’ is vertaald als ‘Gasthause an der Fürbittenkirche’ (ibidem 47).
[238] ‘Вознесенский проспект’, ‘Невский проспект’ en ‘Лесное’ zijn wél gestranscribeerd, respectievelijk als ‘Wosnessenski-Prospekt’ (ibidem 129), ‘Newski Prospect’ (ibidem 18) en ‘Ljesnoje’ (ibidem 74).
[239] Der Hahnrei (1, 16, 115, 27, 119, 238, 22).
[240] Ibidem (27).
[241] De echtgenoot (14).
[242] Voetnoten zijn in Aus dem todten Hause (1886) geplaatst bij ‘Pest von Bender!’ (35), ‘Starodub’ (50), ‘Nertchinsk’ (63), ‘Tuljak’ (118), ‘Poltwawa’ (118), ‘Tjumen’ (120) en ‘tschernigowsche Altgläubige’ (206).
[243]Vertaald uit het Duits zijn bijvoorbeeld ‘Kursk’ (Uit Siberië I: 54) en ‘Peter-Paulshaven’ (idem II: 147). Vertaald uit het Frans is dan weer ‘die Touliak (bewoner van Toula)’ (idem I, 137).
[244] Vgl. ‘Nerschinck’ (Uit Siberië 75) met ‘Nertchinsch’ (idem 91) en ‘Nertschinsk’ (ibidem 154). Vgl. ‘Leszghinen’ (ibidem 95) met ‘Lesghinen’ (ibidem 96). Vgl. ‘Sibérie occidentale’ (Souvenirs de la maison des morts 284) en ‘westliche Sibirien’ (Aus dem todten Hause 326) met ‘oostelijk Siberië’ (Uit Siberië II: 118).
[245] De stad Tobolsk is vervormd tot ‘Tobolks’ en wordt gepresenteerd als een personage (Uit Siberië I, 192). Ook ‘Kalmücke’ (idem II: 31), oorspronkelijk een verwijzing naar de etnische afkomst van een personage, wordt weergegeven alsof het de naam van een personage betreft. Hetzelfde geldt voor ‘Lesghien’ (idem II: 134).
[246] Zo is ‘Рязанская губерния’ vertaald als ‘le gouvernement de Riazan’ (L’esprit souterrain 52).
[247] L’esprit souterrain (230, 233).
[248] Hier tegenover staat bijvoorbeeld dat de soortnaam van ‘Волково’ in de vertaling wel toegevoegd wordt: ‘cimetière de Volkovo’.
[249] In De onderaardsche geest (209, 211) is er eerst sprake van ‘Sennaï’ en daarna pas van ‘Sennaïa’.
[250] Bijvoorbeeld ‘Soukhoï–Possiolok’ (Les frères Karamazov 1906: 256) als vertaling van ‘Сухой Посёлок’ (XV: 338).
[251] Zo is ‘близ Соборной площади’ (XV: 5) vertaald als ‘près de la cathédrale’ (Les frères Karamazov 1906: 236).
[252] De brug ‘Новый Каменный мост’ (XV: 77) [de Nieuwe Stenen brug] wordt vertaald door het bekend in de oren klinkende ‘Pont-Neuf ‘ (Les frères Karamazov 1906: 53).
[253] Vertaling: ‘Daar heb ik een bosje, op twee lappen grond, in Begičevo en ook in Djačkino, temidden van braakliggende gronden.’
[254] Bijvoorbeeld is in De gebroeders Karamazow (18, 23) sprake van ‘het gouvernement Toula’ of ‘Eene dame uit Kharkow’, terwijl de schrijfwijzen ‘Toela’ en ‘Charkov’ meer stroken met de Nederlandse spelling.
[255] Bijvoorbeeld ‘Njefskiej-prospect’ (Witte nachten 4).
[256] Bijvoorbeeld in ‘Fontànka’ (ibidem 5).
[257] Ibidem (4).
[258] ‘Kalomna’ [sic], een vertaling van ‘Коломна’, wordt in een voetnoot geduid als ‘Russische stad aan de Wolga’ (ibidem 52). ‘Pawlofsk’ wordt gedefinieerd als ‘Villadorp nabij Petersburg’ (ibidem 58).
[259] ‘Черная речка’, ‘Каменный остров’ en ‘Аптекарский остров’ zijn respectievelijk weergegeven als ‘het Zwarte Riviertje’ en als ‘het Steenen- en Apothekerseiland’ (ibidem 11, 10).
[260] Een recensent van De Vaderlandsche Letteroefeningen hekelde bij het bespreken van één van de eerste in het Nederlands vertaalde Russische boeken de ‘veelvuldige Russische eigennamen, die door een Hollandschen mond niet zijn uit te spreken en voor een Hollandsch geheugen moeijelijk maar noodzakelijk te bewaren’ (geciteerd naar Willemsen 1989a: 67).
[261] Een uitgewerkt voorbeeld hiervan is De broers Karamazov (2005: 943-5) van Arthur Langeveld.
[262] De vadersnaam bestaat enkel in het Russisch. Zelfs in andere Slavische talen komt deze niet voor. Zie Vlachov & Florin (2009: 224).
[263] Zelfs de verwijzing naar personages aan de hand van slechts hun vadersnaam komt voor. Volgens Vlachov en Florin (2009: 224) drukt dit een zekere hartelijkheid en beleefdheid uit, die zeer moeilijk te vertalen is.
[264] Zo merkte de criticus ‘een winckel-bediende’ (1918: 164) op dat Čechovs naam ‘als vele Russische namen’ in verschillende schrijfwijzen voorkomt. Dat over de transcriptie van Russische namen in het Nederlandse taalgebied geen consensus bestond, bewijst ook de variërende schrijfwijze van Dostoevskijs naam op de titelpagina’s van het DT-corpus (zie supra).
[265] Bijvoorbeeld heeft Boland (2008: 71) bij het vertalen van Dostoevskijs Besy ‘de zogeheten vadersnamen (patroniemen) […] vernederlandst’ door ze systematisch te vervangen door een andere naam. De argumentatie die hij hiervoor opgeeft is tweeledig. Enerzijds vindt hij het gebruik van vadersnamen in een Nederlandse tekst verwarrend en anderzijds ‘feitelijk onjuist’, omdat het in het Nederlands het beleefdst van al is om iemand met zijn achternaam aan te spreken.
[266] Boland (2008: 71) heeft dit procedé eenmaal gebruikt bij het vertalen van Besy: hij heeft Stavrogin, wiens achternaam door Dostoevskij niet opgegeven wordt, ‘Jegorov’ gedoopt, een naam die afgeleid is van zijn vadersnaam ‘Egorovič’, die in Besy wel ter sprake komt.
[267] Over dit procedé zegt Boland (2008: 71), die anders niet terugschrikt voor naturaliserende vertaalkeuzes, dat de toepassing ervan zou getuigen van slechte smaak en een roman van Dostoevskij ongeloofwaardig zou maken.
[268] Ook typische hondennamen ‘Шарик’, ‘Жучка’ zijn getranscribeerd, respectievelijk als ‘Scharik’ en ‘Schutschka’ (Aus dem todten Hause 248, 249).
[269] Zo wisselt Hauff in Aus dem todten Hause soms af tussen de uitgangen ‘-ow’ enn ‘-off” als vertaling van de uitgang ‘-ов’. Vgl. ‘Petrow’ (14) met ‘Petroff’ (309), ‘Gorjantschikow’ (2, 270) met ‘Gorjantschikoff’ (257) en ‘Martinow’ (236) met ‘Martinoff’ (267).
[270] De sprekende naam ‘Желтопуз’, die vrij vertaald kan worden als ‘Geelpens’, is in Arme Leute (101) humorloos weergegeven als ‘Scheltopus’.
[271] In Aus dem todten Hause is de sprekende naam ‘Двугрошовая’ weergegeven als ‘Dwugroschowaja (die Vierkopekige)’ (32). De namen ‘Махни-драло’, ‘А я за ним Топор’, ‘Точи не зевай’ en ‘Потачивай небось’ zijn vertaald als, respectievelijk, ‘Reißaus’ (209), ‘Mitihm’ (ibidem), ‘Mitdembeil’ (210), ‘Schleiferasch’ (ibidem) en ‘Ohnefurcht’ (ibidem). In Erniedrigte und Beleidigte (1890: 182) is dan weer sprake van ‘Baron Spülwasser’, wat een vertaling is van ‘барон Помойкин’ .
[272] In Arme Leute (13, 20) heet de protagoniste ‘Warwara Dobroselow’. In Erniedrigte und Beleidigte (1890: 4, 69) is sprake van ‘Anna Andrejewna Schumilow’ en ‘Katharina Fedorowna Philimenow’.
[273] De voornaam ‘Полина’ (Polina) is in Der Spieler weergegeven als ‘Pauline’ (28, 42, 45) of als ‘Paulina’ (2, 55). De voornaam ‘Алексей’ (Aleksej) is in dezelfde vertaling weergegeven als ‘Alexe’ (85). In Erniedrigte und Beleidigte is de voornaam ‘Елена’ (Elena) weergegeven als ‘Helene’ (105). De voornamen ‘Емеля’ (Emelja), ‘Федосей’ (Fedosej) en ‘Евстафий’ (Evstafij), op hun beurt, zijn in Arme Leute terecht gekomen als, respectievelijk, ‘Emil’ (141), ‘Theodosius’ (149) en ‘Eustachius’ (204).
[274] De afgeleide voornaam ‘Маша’ (Maša) is in Arme Leute (17) vertaald als ‘Mascha oder Marie’. In Erniedrigte und Beleidigte (13) is de afgeleide voornaam ‘Наташа’ weergegeven als ‘Natascha (Natalie)’. In Der Spieler (2) is de afgeleide voornaam ‘Миша’ (Miša) vertaald als Mischa (Michael)’.
[275] In Erniedrigte und Beleidigte is de afgeleide voornaam ‘‘ (Lenočka) terecht gekomen als ‘Lenchen’ (143) en de afgeleide voornaam ‘Сашенька’ (Sašen’ka) als ‘Alexandra’ (176). In het tweede geval is de affectieve connotatie van het origineel verloren gegaan.
[276] In Aus dem todten Hause (2) is de combinatie van voor- en vadersnaam ‘Иван Иваныч’ (Ivan Ivanyč) vervangen door de achternaam van het overeenkomstige personage, namelijk ‘Gwosdikow’. In Der Spieler (2, 13, 18) zijn de afgeleide voornamen ‘Надя’ (Nadja) en ‘Наденька’ (Naden’ka) beiden weergegeven aan de hand van de getranscribeerde voornaam ‘Nadjeschda’. In dezelfde vertaling is de afgeleide voornaam ‘Марфуша’ (Marfuša) weergegeven als ‘Martha’ (214). Door dit soort ingrepen gaan connotaties van beleefdheid en affectie verloren.
[277] In Aus dem todten Hause (81) is ‘Настасья’ (Nastas’ja) vervangen door de minder exotische voornaam ‘Maria’.
[278] Bijvoorbeeld is in Erniedrigte und Beleidigte (66) van de voornaam en vadersnaam ‘Николай Сергеич’ (Nikolaj Sergeič) enkel de voornaam vertaald, als ‘Nikolai’. Het gevolg hiervan is dat de oorspronkelijke connotatie van beleefdheid vervangen wordt door een connotatie van informaliteit.
[279] In Aus dem todten Hause (288) wordt naar het perosnage ‘Дранишников’ (Dranišnikov) simpelweg verwezen aan de hand van zijn beroep: ‘der Aufseher’.
[280] In Uit het doodenhuis wordt bijvoorbeeld, net als in Aus dem todten Hause, naar eenzelfde personage verwezen als ‘Petrow’ (14, 238) en dan weer als ‘Petroff’ (206).
[281] Uitgesproken Duits is bijvoorbeeld de schrijfwijze van de naam ‘Bükow’ in Arme menschen (23). Ook in de andere doelteksten gebaseerd op de vertalingen van Hauff is de typisch Duitse transcriptie behouden, al zijn her en der uitzonderingen op te merken. Zo is in Uit het doodenhuis (166) de voornaam ‘Akulka’ terechtgekomen in vernederlandse vorm, als ‘Akoelka’.
[282]In Arme menschen wordt de protagoniste de volgende vadersnamen toebedeeld: ‘Alexejowona’ (1), ‘Alexejewna’ (4) en ‘Alexjewna’ (72). In dezelfde tekst wordt de voornaam ‘Axenty’ vervormd tot ‘Arenty’ (182), wat te verklaren is door het feit dat de letters ‘r’ en ‘x’ in het Gothisch schrift erg op elkaar lijken. In De speler zijn de namen ‘Tarassewitsch’ en ‘Potapitsch’ terecht gekomen als, respectievelijk, ‘Farassewitsch’ (115) en ‘Potopitsch’ (119). In Uit het doodenhuis heet eenzelfde personage nu eens ‘Pozlikin’ (125) en dan weer ‘Pozeikin’ (126). In Arme Nelly wordt afgewisseld tussen ‘Nicolai’ (64) en ‘Nikolai’ (ibidem).
[283] Interessant is dat ‘Wladimir’ in Arme menschen herschreven is als ‘Wladimar’ (85), waardoor deze naam meer gaat lijken op de Germaanse naam ‘Waldemar’, waarmee deze vermoedelijk etymologisch verwant mee is (zie Van het Reve 2010: 392). In dezelfde doeltekst komen ook gevallen voor waarbij de vadersnaam onvertaald is gelaten. Bijvoorbeeld is het beleefde ‘Emil Iwanowitsch’ vertaald als het informele ‘Emile’ (126).
[284] De namen ‘Kathrine’, ‘Alexe’ en ‘Antonia’ zijn door de vertaler van De speler verrussischt, als ‘Catharina’ (160), ‘Alexei’ (117, 118, 150) en ‘Antonida’ (99).
[285] In Arme Nelly zijn de eenheden ‘Natascha (Natalie)’ en ‘Natalia’ beiden vertaald als ‘Natascha’ (15, 144). De afgeleide naam ‘Nataschinka’ (33) wordt wel gehandhaafd. De informele voornaam ‘Katja’ is herschreven door middel van de naam ‘Katharina Feodoroa [sic]’ (142), waarmee het betreffende personage eerder in de tekst al eens werd aangeduid.
[286] Ook de vrouwelijke uitgang van de achternamen is gehandhaafd. Ter illustratie: de naam ‘Марфа Петровна Свидригайлова’ is getranscribeerd als ‘Marfa Petrowna Swidrigailowa’ (57).
[287] Bijvoorbeeld is de roepnaam ‘Митька’, afgeleid van ‘Дмитрий’ (Dmitrij), adequaat getranscribeerd als ‘Mit’ka’ (134).
[288] Bijvoorbeeld is bij de voornaam ‘Aljona’ een voetnoot geplaatst met de verduidelijking: ‘Corrumpiert für Helene’ (I: 9). Soortgelijke voetnoeten werden onder meer geplaatst bij de namen ‘Semjon Sacharitsch’ (I: 29), ‘Mikolka’ (I: 88), ‘Matwej’ (I: 88), ‘Lisaweta’ (I: 97), ‘Mit’ka’ (I: 134), ‘Nikodim Fomitsch’ (I: 157), ‘Paschenka’ (I: 183), ‘Afroßinjuschka’ (I: 262), ‘Tit’ (I: 266), ‘Aljoschka’ (I: 268), ‘Lidotschka (II: 203)’, ‘Kolja’ (I: 290) en ‘Kol’ka’ (III: 119).
[289] ‘Афанасий Иванович’ (Afanasij Ivanovič) heet in Raskolnikow (I, 60) ‘Wassilij Iwanowitsch’.
[290] Zo is ‘Пётр’ (Pjotr) vertaald als ‘Peter’ (222) en ‘Софья’ (Sof’ja) als ‘Sophie’ (II, 71).
[291] Dit is gebeurd in de vertaling van ‘Порфирий’ (Porfirij) en ‘Амалия’ (Amalija) als, respectievelijk, ‘Porphyrius’ (204) en ‘Amalie’ (279).
[292] Zo wordt naar het personage ‘Луиза Ивановна’, die bij Dostoevskij (VI: 79) ook wel eens ter sprake komt als ‘Лавиза Ивановна’, in Raskolnikow op de volgende drie verschillende wijzen verwezen: ‘Luise Iwanowna’ (150), ‘Lawisa Iwanowna’ (156), ‘Lawise Iwanowna’ (246).
[293] Bijvoorbeeld wordt in Schuld en boete (I: 37) de afgeleide voornaam ‘Dunja’ toegelicht als ‘verkleinwoord van Dunetschka’, wat niet klopt. Ter vergelijking: in Raskolnikow wordt ‘Dunja’ verduidelijkt als ‘Dunja, Dunetschka, Schmeichelform für Awdotja (Eudoria)’ (I: 46).
[294] Bijvoorbeeld in de namen ‘Pesträkow’ (133) en ‘Lebesätnikow’ (183), die via het Duits teruggaan op ‘Пестряков’ (Pestrjakov) en ‘Лебезятников’ (Lebezjatnikov).
[295] Zo is de naam van de koopman ‘Wassilij Iwanowitsch Wachrushin’ in Schuld en boete (37) gereduceerd tot zijn voornaam: ‘Wassily’.
[296] Zo is de naam ‘Katerina Iwanowna’ in het Nederlands respectievelijk weergegeven als ‘Katerina Iwanowna’ (I: 16), ‘Katharina Iwanowna’ (I: 224), ‘Kathariua [sic] Iwannowna [sic]’ (I: 234), ‘Katharina Iwawana [sic] (III: 93)’ en ‘Katharina Iwonowna’ (III: 95). Kuknos geeft ook een inconsequente transcriptie van de namen ‘Ilja Petrowitsch’ (vgl. I: 125, 127, 128), ‘Luise Iwanowna’ (vgl. I: 122, 127, 128, 200), ‘Milokai’ (vgl. I: 169, 170), ‘Dimitrij’ (vgl. I: 26, 60, 175, 178, III: 89), ‘Lydia’ (vgl. III: 33, 92), ‘Poletschka’ (vgl. II: 64, 168), ‘Amalie Iwanowna’ (vgl. I: 227, III: 28) en ‘Awdotja Romanowna’ (I: 4, 5, 8, II: 5, 60). Hier tegenover staat dat in Schuld en boete ook één inconsequentie van de Duitse vertaler is rechtgezet: de naam ‘Липпевехзель’ (Lippevechzel’) was door Henckel eerst vertaald als ‘Lippowitz’ en daarna als ‘Lippewechsel’. Kuknos heeft het echter systematisch over ‘Lippowitz’ (I: 19, 226, III: 3).
[297] De vrouwelijke personages ‘Шумилова’ (Šumilova), ‘Бубнова’ (Bubnova) en ‘Филимонова’ (Filimonova) heten in Erniedrigte und Beleidigte (1885) respectievelijk ‘Schumilow’ (17), ‘Bubnow’ (92) en ‘Filimonow’ (63).
[298] De namen ‘Пётр’ (Pjotr), ‘Елена’ (Elena), ‘Леночка’ (Lenočka), ‘Левенька’ (Leven’ka) en ‘Володька’ (Volod’ka, een afgeleide naam van Vladimir) zijn respectievelijk vertaald als ‘Peter’ (17), ‘Helene’ (87), ‘Lenchen’ (117), ‘Leo’ (129) en ‘Woldemar’ (151).
[299] Zo is de koosnaam ‘Сашенька’ (Sašen’ka) geschrapt (zie Erniedrigte und Beleidigte 1885: 148).
[300] De naam ‘Боренька’ (Boren’ka) is teruggebracht tot ‘Boris’ (129) en de hondennaam ‘Азорка’ (Azorka) is vereenvoudigd tot ‘Azur’ (12).
[301] Jürgens grijpt vaak terug naar één en dezelfde naamsvariant, daar waar in de brontekst een variëteit aan namen heerst. Zo heeft hij de naam ‘Ванюша’ (Vanjuša) vertaald als het sowieso frequentere ‘Wanja’, waarbij de connotatie van vriendschappelijkheid gered wordt door toevoeging van ‘guter, lieber’ (224). De namen ‘Наталья’ (Natal’ja) en ‘Настенька’ (Nasten’ka) zijn op hun beurt systematisch weergeven als ‘Natascha’ (31, 32, 33, 78), dat eigenlijk een informele afgeleide naam is. Dit levert aansprekingen op die in het Russisch zelden of nooit voorkomen, zoals ‘Natascha Nikolajewna’ (78).
[302] Bijvoorbeeld is de naam ‘Иван Александрыч’ (Ivan Aleksandryč) nu eens inadequaat vertaald als ‘Iwan Andrejewitsch’ (207) en dan weer adequaat vertaald als ‘Iwan Alexandrowitch’ (211).
[303] Dit geldt voor ‘Ssergejewitsch’ (14, 23, 27, 72), met de typisch Duitse dubbele ‘s’, en voor de als Russisch gepresenteerde voornaam ‘Woldemar’ (243).
[304] Enerzijds is in De misleide een aantal vadersnamen gesneuveld. Zo is ‘Katharina Feodorowna’ gereduceerd tot ‘Katharina’ (117). Anderzijds is ‘Lenchen’ naturaliserend vertaald als ‘Leentje’ (183).
[305] Zo is een inconsequentie van Jürgens rechtgezet: de namen ‘Iwan Andrejewitsch’ en ‘Iwan Alexandrowitsch’, die naar hetzelfde personage verwijzen, zijn beiden weergegeven als ‘iwan Andrejewitsch’ (345).
[306] De vertaler van De misleide twijfelt tussen ‘Nikolai’ (14, 23) en ‘Nicolai’ (27, 72). Af en toe bij de transcriptie zijn letters weggevallen of veranderd. Zo is ‘Petrowitsch’ veranderd in ‘Petrowich’ (35) en ‘Trifimowna’, dat eigenlijk al een inadequate transcriptie is van ‘Трифоновна’ (Trifonovna), in ‘Trofimowna’ (137).
[307] De sprekende naam ‘Трусоцкий’ (Trusockij), afgeleid van het woord ‘трус’ (lafaard), is getranscribeerd als ‘Trussozki’ (34), waardoor de satirische betekenis verloren gaat.
[308] Zo is de Russische letter ‘c’, die uitgesproken wordt als ‘ts’, in Der Hahnrei systematisch weergegeven door middel van een ‘z’.
[309] Bij de naam ‘Bagautow’ is de volgende uitleg in een voetnoot geplaatst: ‘Sprich: Baga-ǔtow’ (38).
[310] De naam ‘Sachenka’ wordt toegelicht als ‘Diminutiv von Alexander’ (209).
[311] Bijvoorbeeld is de ‘m-me Захлебинина’ (Zachlebinina) vertaald als ‘Madame Sachlebinin’ (154).
[312] De namen ‘Пратокл’ (Pratokl), ‘Ферсит’ (Fersit) en ‘Олимпиада’ (Olimpiada) zijn respectievelijk getranscribeerd als ‘Patroklus’ (93), ‘Thersites’ (ibidel) en ‘Olympia’ (245).
[313] De naam ‘Погорельцев Александр Павлович’ (Pogorel’cev Aleksandr Pavlovič) is herschreven tot ‘Alexander Pawlowitsch Pogorjelzow’ (72).
[314] Dit geldt voor de naam ‘Пётр’ (Pjotr), die in de Duitse vertaling ‘Peter’ (212) heet.
[315] ‘Павел Павлович’ (Pavel Pavlovič) is vervangen door ‘Trussozki’ (232) en ‘Катерина Федосеевна’ (Katerina Fedoseevna) door ‘Katja’ (174).
[316] Naar het personage ‘Петр Карлович’ (Pjotr Karlovič) wordt in Der Hahnrei slechts verwezen als ‘Ihr Advocat’ (12).
[317] De woordspeling is gebaseerd op het feit dat ‘Простакова’ (Prostakova) verwant is met het woord ‘просто’ (eenvoudig, naïef) en ‘Прохвостова’ (Prochvostova) met het woord ‘прохвост’ (schelm, oplichter).
[318] Vertaling van H. Leerink: ‘Een van haar, Katja, zei, wel kans te zien, “Pawel Pawlowitsj te allen tijde op te sporen, aangezien hij nu niet van de zijde van Masjka Prostakowa week, en hij heeft een bom duiten, en die Masjka heet niet Prostakowa (sul), maar wel Prochwostowa (slimmerik), en ze heeft in het hospitaal gelegen, en als zij (Katja) maar wilde, zou zij (Masjka) meteen naar Siberië gedeporteerd worden, het hoefde haar (Katja) maar een woord te kosten”‘ (De eeuwige echtgenoot, 1996: 121).
[319] ‘Golubenko’ is vervormd tot ‘Colubenko’ (De echtgenoot 69).
[320] De naam ‘Mawra’ is herschreven tot ‘Maura’ (De echtgenoot 33), ‘Lisa’ tot ‘Lize’ (ibidem 37) en ‘Katerina’ tot ‘Katharina’ (ibidem 91).
[321] Bij de naam ‘Bagatautow’ (De echtgenoot 20).
[322] Bijvoorbeeld zijn de namen ‘Шилкин’ (Šilkin) en ‘Шишков’ (Šiškov) in Aus dem todten Hause (1886: 396, 300) respectievelijk vertaald als ‘Schilkin’ en ‘Schischkow’, en in Souvenirs de la maison des morts (343, 253) als ‘Chilkine’ en ‘Chichkof’.
[323] De joodse achternaam ‘Бумштейн’ (Bumštejn) is in Aus dem todten Hause (1886: 22, 156) weergegeven als ‘Bodenstein’ en ‘Bumschleie’, de naam ‘Морозов’ (Morozov) in Souvenirs de la maison des morts (255) als ‘Marosof’.
[324] De voornamen ‘Лука’ (Luka) en ‘Марья’ (Mar’ja) zijn in Aus dem todten Hause (1886: 118, 294) en Souvenirs de la maison des morts (104, 257) respectievelijk terechtgekomen als ‘Lukas’ en ‘Marie’, en ‘Louka’ en ‘Maria’. De afgeleide voornaam ‘Саша’ (Saša) wordt in Aus dem todten Hause (1886: 171, 172) ‘Alexanderchen’ en ‘lieber Alexander’. De hondennaam ‘Жучка’ (Žučka), meestal gebruikt om een zwarte hond mee aan te duiden, is door de Duitse vertaler weergegeven als ‘eine schwarze Hündin’ (ibidem 336) en in Souvenirs de la maison des morts (293) als het ontoegankelijke ‘cette Ioutchka’.
[325] De typische hondennamen ‘Шарик’ (Šarik) en ‘Белка’ (Belka) zijn in Aus dem todten Hause (1886: 334, 334) terechtgekomen in getranscribeerde vorm, respectievelijk als ‘Scharik’ en ‘Belka’, terwijl de vertaler van Souvenirs de la maison des morts (291, 292) ze weergegeven heeft aan de hand van een equivalent, namelijk ‘Boulot’ en ‘Blanchet’. De sprekende naam ‘Двугрошовая’ is door de Duitse vertaler simpelweg gestranscribeerd, als ‘Dwugroschowaja’ (Aus dem todten Hause 1886: 43), terwijl de Franse vertaler aan zijn transcriptie tussen haakjes de verduidelijking ‘Quatre-Kopecks’ (Souvenirs de la maison des morts 41) plaatst.
[326] Zo wordt in Aus dem todten Hause (1886: 6) de naam ‘Katja’ verduidelijkt als ‘russisches Verkleinerungswort von Katharina’. In Souvenirs de la maison des morts (104) is bij ‘Louka Kouzmitsch’ de volgende toelichting geplaatst: ‘Appeler quelqu’un par son seul nom de baptême constitue en Russie une grave impolitesse, surtout dans le peuple. On ajoute le nom du père’.
[327] Bijvoorbeeld ‘Ssuschilow’ (II: 112) en ‘Scherebätnikow’ (II: 36).
[328] Bijvoorbeeld ‘Nourra’ (96) als vertaling van de naam ‘Нура’ (Nura).
[329] Hybride vormen zijn bijvoorbeeld ‘Koudimowna’ (II: 81), ‘Schilkine’ (II: 197) en ‘Jelkine’ (II: 125).
[330] ‘Almasow’ (Aus dem todten Hause 1886: 362) / ‘Almazof’ (Souvenirs de la maison des morts 315) heet in Uit Siberië (II: 159) ‘Almazon’, en ‘Michael Waßiljitsch’ (Aus dem todten Hause 1886: 266) / ‘Mikail Vassilitch’ (Souvenirs de la maison des morts 231) heet ‘Michael Ivasziejitch’ (II: 45).
[331] Bijvoorbeeld is de naam ‘Вася’ (Vasja) in Uit Siberië (I: 176, 180, 181, II: 78, 204) respectievelijk terechtgekomen als ‘Worzja’,’Wasja’, ‘Waffa’, ‘Wosja’ en ‘Wazka’.
[332] Bijvoorbeeld staat in Uit Siberië (I: 175) een verduidelijkende voetnoot, geschoeid op Duitse leest, bij de naam ‘Lutschka’ (175) .
[333] De Duitse voetnoot bij de naam ‘Katja’ werd door de Nederlandse vertaler in de tekst van Uit Siberië (I: 7) zelf geïntegreerd, door toevoeging tussen haakjes van de naam ‘Katharina’.
[334] Zo is de naam ‘Stepka’, adequaat getranscribeerd in het Frans en in het Duits, in Uit Siberië (I: 223) weergegeven als ‘Stephan’ . De Nederlandse vertaler heeft ook een aantal namen onvertaald gelaten, zoals de achternaam van het joodje ‘Isaï Fomitsch’ (I: 182-3). De naam ‘Wanka Otpetij’ (Aus dem todten Hause 1886: 215) / ‘Vanka Ospiéty’ (Souvenirs de la maison des morts 189) is gereduceerd tot ‘Wanka’ (243).
[335] Bijvoorbeeld is de afgeleide naam ‘Катеринушка’ (Katerinuška) weergegeven als ‘Catharinouschka’ (L’esprit souterrain 101).
[336] De sprekende naam ‘Кошмаров’ (Košmarov), afgeleid van ‘кошмар’ (nachtmerrie) wordt niet uitgelegd, maar getranscribeerd – en dan nog inadequaat: ‘Korschmarov’ (L’esprit souterrain 57).
[337] Inconsequent is bijvoorbeeld de manier waarop de naam ‘Василий’ (Vasilij) getranscribeerd wordt: nu eens als ‘Wassili’ (L’esprit souterrain 24), en dan weer als ‘Vassili’ (ibidem 32).
[338] Zo is de naam ‘Tarassov’ weergegeven als ‘Zarassov’ (De onderaardsche geest 49).
[339] Bijvoorbeeld heeft de vertaler een trema toegevoegd bij het herschrijven van ‘Sergeev’ tot ‘Sergeëv’ (De onderaardsche geest 49). Dat de Nederlandse vertaler minder tolerant was voor exotische namen dan Halpérine-Kaminsky en Morice, blijkt duidelijk uit het vereenvoudiging van de naam ‘Catherinouschka’ tot ‘Catharina’ (ibidem 94).
[340] Bijvoorbeeld de namen ‘Troudolioubov’ en ‘Ferfitchkine’ (De onderaardsche geest 181).
[341] Zo is bij ‘Aliocha’ in een voetnoot het commentaar ‘Diminutif d’Alexeï’ (Les frères Karamazov 1906: 10) geplaatst. De vadersnaam ‘Feodorovitch’ wordt toegelicht als volgt: ‘Fils de Feodor. Le lecteur sait qu’en Russie l’usage et la politesse veulent qu’on appelle les personnes par leur nom de baptême suivi de celui de leur père’ (ibidem 65).
[342] De sprekende naam ‘Smerdiatschaïa’ wordt in een voetnoot vertaald als ‘La puante’ (ibidem 63).
[343] De afgeleide naam ‘Илюшечка’ (Iljušečka) is teruggebracht tot ‘Iljucha’ (ibidem 434). Een soortgelijke ingreep bleef echter achterwege bij de naam ‘Марьюшка’ (Mar’juška), die simpelweg getranscribeerd is, als ‘Mariouchka’ (ibidem 296).
[344] Bijvoorbeeld de naam ‘Карташова’ (Kartašova), zie Les frères Karamazov (1906: 489). Van de combinatie Фёдор Павлович’’ (Fëdor Pavlovič) is op een bepaald moment enkel de eerste naam vertaald, namelijk ‘Feodor’ (ibidem 3). Tevens de achternaam ‘Верховцева’ (Verchovceva) is onvertaald gelaten (ibidem 441). In sommige gevallen wordt naar een personage dat in de brontekst een naam heeft in de Franse vertaling verwezen aan de hand van zijn beroep. Bijvoorbeeld wordt ‘Вишняков’ (Višnjakov) ‘un employé de Plotnikow’ (ibidem 360) en ‘Степанида Ильинишна Бедрягина’ (Stepanida Il’inišna Bedrjagina) ‘une femme de marchand’ (ibidem 31).
[345] Zo is er sprake van ‘une demoisele Mikaïlev’ (ibidem 361) en ‘Mlle Svetlov’ (ibidem 433).
[346] De namen ‘Марья’ (Mar’ja), ‘Юлия’ (Julija), ‘Иосиф’ (Iosif), ‘Лиза’ (Liza), ‘Андрей’ (Andrej), ‘Ипполит’ (Ippolit) en ‘Михаил’ (Michail) zijn weergegeven als, respectievelijk, ‘Marie’ (307), ‘Julie’ (122), ‘Joseph’ (38), ‘Lise’ (33), ‘André’ (276), ‘Hyppolyte’ (447) en ‘Michel’ (197). De voornamen ‘Пётр’ (Pjotr) en ‘Софья’ (Sof’ja) zijn daarentegen simpelweg getranscribeerd, respectievelijk als ‘Piotr’ (4) en ‘Sophia’ (6), hoewel Franse equivalenten ook voor deze namen voor de hand liggen.
[347] De naam ‘Warwinski’ (ibidem 247) is vertaald uit Les frères Karamazov (1906), maar later in de doeltekst wordt gesproken over ‘Warwinsky’ (329, 404), een schrijfwijze die onmiskenbaar teruggaat op de gelijknamige Franse vertaling van Halpérine-Kaminsky en Morice.
[348] Zo is de naam ‘Snéguirev’ (Les frères Karamazov 1906: 133) herschreven als ‘Sneguirew’ (De gebroeders Karamazow 107). Uitzonderlijk is de ‘v’ behouden, zoals in ‘Ivan’ (ibidem 76).
[349] Bijvoorbeeld de naam ‘Boulkine’ (ibidem 291 ) of ‘Vorokhow’ (ibidem 5).
[350] Zo is de naam ‘Fetioukovitch’ getranscribeerd als ‘Tetioukovitch’ (ibidem 302)
[351] Voetnoten zijn overgenomen van Bienstock en Torquet bij de namen ‘Liagavi’ (ibidem 206), ‘Aliocha’ (9), ‘Elisabeth Smerdiatchaïa’ (51) en ‘Feodorowitch’ (53).
[352] Dit geldt bijvoorbeeld voor de namen ‘Колбасников’ (Kolbasnikov), afgeleid van ‘колбаса’ (worst) en ‘Нелюдов’ (Neljudov), verwant met ‘нелюдим’ (eenzelvig persoon), die in De gebroeders Karamazow (292, 247) respectievelijk zijn terechtgekomen als ‘Kalbanikow’ [sic] en ‘Neliondow’ [sic], zonder verduidelijking van de originele betekenis.
[353] Zo is eenmaal het gebruik van de naam ‘Fétioukovitch’ vermeden door naar dit personage te verwijzen als ‘de verdediger’ (ibidem 100).
[354] De voornaam van de protagoniste, ‘Настенька’, is door Stokvis zelfs voorzien van de juiste klemtoon: ‘Nástjenjka’ (Witte nachten 37).
[355] Ibidem (52). Eveneens exotiserend is de transcriptie van de sprekende naam ‘Баранников’ als ‘Baranniekof’,[355] die van verdere toelichting gespeend is.
[356] Ibidem (77).
[357] Deze aanspreking kan ook gebruikt ten overstaan van vrouwen.
[358] Vlachov en Florin (2009: 252) wijzen er bijvoorbeeld op dat het Duitse woord ‘Brüder’ geen aanspreking is.
[359] De aansprekingen ‘душечка’ (zieltje), ‘батюшка’ (vadertje), ‘голубчик’ (duifje) en ‘матушка’ (moedertje) zijn in Arme Leute (107, 165, 169, 202) respectievelijk getranscribeerd als ‘Duschetschka’, ‘Batuschka’, ‘Golubtschik’ en ‘Matotschka’ [sic]. De laatste twee aansprekingen komen voor zonder vertaling. Ook de vertaling Der Spieler (132) bevat tal van getranscribeerde aanspreekvormen, al is hierin ‘батюшка’ (vadertje) systematisch vertaald als ‘Väterchen’ .
[360] Cursivering toegevoegd. Ibidem (169).
[361] Bijvoorbeeld zijn in Aus dem todten Hause (25, 256) de aanspreking ‘брат’ (broer) en het scheldwoord ‘собачье мясо’ (hondenvlees) adequaat vertaald, respectievelijk als ‘Bruder’ en ‘Hundefleisch’.
[362] Bijvoorbeeld is de vriendschappelijke aanspreking van het personage Masloboev door de verteller als ‘душа моя’ (mijn ziel) vertaald als ‘mein Lieber’ (Erniedrigte und Beleidigte 1890: 176).
[363] Vgl. bijvoorbeeld Dostoevskij (I: 58) met Arme Leute (115), waarin ‘дружочек’ (vriendje) onvertaald is gelaten. In Erniedrigte und Beleidigte (1890: 26, 28) is ‘Старушка’ dan weer inadequaat vertaald, nu eens als ‘die Frau’ en dan weer als ‘die Mutter’.
[364] Bijvoorbeeld komt in Erniedrigte und Beleidigte (1890: 37) een geval voor waarin de aanspreking ‘голубчик’ (duifje), die in de regel in deze tekst denotatief vertaald wordt, weergegeven is als ‘mein Freund’.
[365] In de Duitse vertaling van de passage ‘да дочечка моя, – пишете, ангельчик, чтоб мне займов не делать? Голубчик вы мой’ (Dostoevskij I: 70-1) is de laatste aanspreking, ‘голубчик’ (duifje), onvertaald gelaten. Zie Arme Leute (146).
[366] Bijvoorbeeld is ‘Mein Täubchen’ herschreven tot ‘Moedertje’ (Arme menschen 203). De aanspreking van Varvara door Deduškin als ‘родная моя’ (mijn verwante) – niet noodzakelijk letterlijk op te vatten – is in het Duits vertaald als ‘meine liebe Verwandte’ (Arme Leute 84), wat op zijn beurt in het Nederlands is weergegeven als ‘lieve nicht’ (ibidem 74). Op die manier ontstaat de indruk van een echte bloedband tussen de protagonisten.
[367] Arme menschen (142). In de betreffende passage spreekt een oude vrouw Deduškin aan omdat hij haar emmer heeft omgestoten. De vertaalkeuze in kwestie maakt van haar een onbeleefder personage dan ze in de brontekst is.
[368] Zo heeft hij ‘Matotschka’ herschreven tot ‘Motoschka’ (Arme menschen 3).
[369] Onder andere de uitdrukking ‘Liebe Seele’ is geschrapt (zie Arme Nelly 86).
[370] De aanspreking ‘Brüderchen’ is nu eens vertaald als ‘amice’ (ibidem 93), wat een hoger stijlregister impliceert, en dan weer als ‘beste kerel’ (110). ‘Väterchen’ is meestal geneutraliseerd, als in ‘mijn jongen’ (60). In sommige gevallen dat de aanspreking letterlijk kan begrepen worden is deze denotatief gehandhaafd, als ‘vadertje’ (62). De aanspreking ‘Täubchen’ is dan weer weergegeven als ‘beste vriend’ (70).
[371] Zo is ‘der Alte’ vertaald als ‘Ichmenjew’ (ibidem 25).
[372] Getuige hierover de veelvuldige ‘Babuschka’s’, zie De speler (138, 148, 49, 150).
[373] Voor een voorbeeld van het geval waarin ‘Väterchen’ onvertaald is gelaten, vgl. Der Spieler (213) met De speler (180). De uitroep ‘Matuschka’ is door de Nederlandse vertaler op een gegeven ogenblik vervangen door ‘Drommels!’ (ibidem 134), wat functioneel gezien een adequate vertaling is.
[374] Vgl. bijvoorbeeld Aus dem todten Hause (1890: 274) met Uit het doodenhuis (211).
[375] Uit het doodenhuis (163, 151).
[376] Ibidem (29).
[377]Zo zijn de adequaat vertaalde aansprekingen ‘meine Seele’, ‘meine Erdbeere’ en ‘du hundefleisch’ door Faassen weergegeven als, respectievelijk, ‘m’n hartje’, ‘m’n duifje’ en ‘jou hondsvot’ (Uit het doodenhuis 122, 172).
[378] Raskolnikow (7, 190).
[379] Bijvoorbeeld is de uitroep ‘Батюшки’ (vadertjes) vertaald als ‘Herr Gott’ (Raskolnikow I: 262). Wanneer Pul’cherija Aleksandrovna haar zoon Raskol’nikov aanspreekt als ‘голубчик’ (duifje), dan wordt dit door Henckel vertaald als ‘mein Liebster’ (idem III: 248).
[380] Zo is ‘вот-с’ (ziedaar, mijnheer) in Raskolnikow (8) eenvoudigweg weergegeven als ‘Nun also’.
[381] ‘Väterchen’ is bijvoorbeeld vertaald als ‘mijn waarde’ (Schuld en boete III: 129), en ‘Brüderchen’ als ‘Rodja’, ‘beste vriend’ of ‘mijn waarde’ (idem I: 154, 178; II: 83). De aanspreking ‘Dukelchen’ is gehandhaafd, als ‘oom’, maar uit de context blijkt dat de Nederlandse vertaler – in tegenstelling tot Henckel, die aanhalingstekens hanteert – in de veronderstelling verkeerde dat de spreker daadwerkelijk een neef was van de aangesprokene (zie idem I: 216).
[382] Raskolnikow (I: 61). Dit is een adequate vertaling van ‘Твоя до гроба’ (De jouwe tot aan het graf).
[383] Schuld en boete (I: 50).
[384] Schuld en boete (III: 246).
[385] Bijvoorbeeld luidt de zin ‘Ну брат Ваня, хорошо, хорошо!’ (Nou, broer Vanja, goed, goed!) (IV: 189) in Erniedrigte und Beleidigte (27) ‘Nun, Wanja, es war gut sehr gut!’.
[386] Erniedrigte und Beleidigte (25, 59, 35). Wanneer Elena door de verteller aangesproken wordt als ‘друг’, wat in de brontekst schering en inslag is, dan heeft Jürgens dit weggelaten of heeft hij er ‘Liebes Kind’ van gemaakt (ibidem 108, 109). De aanspreking ‘душа моя’ (mijn ziel), op zijn beurt, wordt ‘mein Freund’ (ibidem 148).
[387] Zo is ‘голубушка моя’ (mijn duifje) vertaald als ‘mein süßes Täubchen’ (ibidem 210). Dat in dit geval een redelijk adequaat vertaalprocedé gehanteerd werd, is wellicht te verklaren doordat de aanspreking geen man, maar een klein meisje betreft.
[388] In de enkele gevallen dat Jürgens toch de aanspreking ‘Brüderchen’ hanteert, heeft de vertaler van De misleide (143, 235 dit gehandhaafd, als ‘broertje’.
[389] Der Hahnrei (36, 172, 245).
[390] Vgl. ‘Это меня-то вы, Алексей Иванович, подлецом называете, вы-с и меня-с?’ (Ben ik het die door u, Aleksej Ivanovič, een schoft wordt genoemd, ik, mijnheer, door u, mijnheer?) met ‘”Sie nennen mich eine Schuft, Alexej Iwanowitsch?” wagte er sich endlich schüchtern hervor – “Sie mich?”‘ (Der Hahnrei 121).
[391] Der Hahnrei (131, 138).
[392] De meest exotische vertaalkeuze betreft ‘милое существо’ (lief wezen), waarmee een dienstmeid aangesproken wordt. Dit is weergegeven als ‘ihr liebes Geschöpfchen’ (ibidem 95). Er zijn in Der Hahnrei ook aansprekingen als ‘Väterchen’ en ‘Mütterchen’ te vinden (ibidem 76, 95).
[393] ‘Ihr liebes Geschöpfchen’ is vertaald als ‘lief kind’ en ‘Brüderherz’ als ‘Broeder in den nood’ (De echtgenoot 54, 76).
[394] In de Franse vertaling is ‘батюшка’ (vadertje) meestal gehandhaafd en in de Duitse meestal niet. Bijvoorbeeld is ‘батюшка Александр Петрович’ (vadertje Aleksandr Petrovič) in Souvenirs de la maison des morts (355) vertaald als ‘petit père Alexandre Pétrovitch’ en in Aus dem todten Hause (1886: 408) als ‘lieber Alexander Petrowitsch’. Over het algemeen is in de Franse vertaling ‘батюшка’ (vadertje) gehandhaafd en in de Duitse niet.
[395] Over het algemeen zijn ‘брат’ (broeder) en de afgeleide varianten in de Duitse vertaling gehandhaafd en in de Franse niet. Bijvoorbeeld is de aanspreking ‘братцы’ in Aus dem todten Hause (1886: 401) terechtgekomen als ‘liebe Brüder’ en in Souvenirs de la maison des morts (347) als ‘camerades’.
[396] Zo heeft de Nederlandse vertaler de aanspreking ‘lieber Onkel’ (Aus dem todten Hause 1886: 169) / ‘oncle’ (Souvenirs de la maison des morts 259) vertaald als ‘vadertje’ (Uit Siberië II: 81).
[397] Uit Siberië (II: 163, 44; I: 138).
[398] Zo zijn ‘любушка’ (liefje), ‘барин’ (heer) en ‘мужик’ (boer, kerel) weergegeven als, respectievelijk, ‘ljuouboushka’, ‘barine’, en ‘moujik’ (L’esprit souterrain 97, 109, 134).
[399] De vormen ‘матушка’ (moedertje) en ‘старина’ (eerste betekenis: verleden, oudheid, oude tijd) werden door Halpérine-Kaminsky en Morice vertaald als ‘ma petite mère’ en ‘vieilesse’ (L’esprit souterrain 112, 283).
[400] Zo zijn er in L’esprit soutterain (31, 74, 136, 257) gevallen waarin de aansprekingen ‘голубь’ (duif), ‘родная моя’ (mijn verwante), ‘батюшка’ (vadertje) en ‘друг мой’ (mijn vriend; gezegd tegen een meisje) vertaald zijn als, respectievelijk, ‘mon mignon’, ‘ma chérie’, ‘monsieur’ en ‘ma chère’.
[401] Bijvoorbeeld is de aanspreking van Ordynov door Katerina als ‘голубь горячий мой’ (mijn hete duif) eenvoudigweg onvertaald gelaten (zie L’esprit souterrain 103).
[402] Namelijk de vertaling van ‘vieilesse’ als ‘oude’ (De onderaardsche geest 104).
[403] Zo zijn ‘брат’ (broeder) en ‘голубчик’ (duifje) en in bepaalde gevallen vertaald als ‘mon garçon’ en ‘mon cher’ (Les frères Karamazov 1906: 83, 234).
[404] Het personage Svidrigajlov maakt overmatig gebruik van de verouderde beleefdheidsvorm ‘-с’, die enerzijds zijn ondergeschikte sociale status en anderzijds zijn karakter kenmerkt. In de vertaling van Bienstock en Torquet zijn deze subtiele aansprekingen onvertaald gebleven (zie Les frères Karamazov 1906: 149 e.v.).
[405] In sommige gevallen is ‘брат’ (broeder) vertaald als ‘frère’ en ‘батюшка’ (vadertje) als ‘petit père’ (Les frères Karamazov 1906: 51, 369).
[406] Witte nachten (58, 133)
[407] Ibidem (78).
[408] Ibidem (45, 135).
[409] Dit geldt bijvoorbeeld voor ‘друг мой, друг мой’ (mijn vriend, mijn vriend). Zie Witte nachten (124).
[410] Witte nachten (136).
[411] Zie Van der Sijs (2001: 1056).
[412] Zie Van Veen (1991: 662). De verzelfstandiging kwam tot stand onder invloed van analoge processen. Vgl. met ‘personalia’, het onzijdig meervoud afgeleid van ‘personalis’. Zie Van Veen (1991: 569).
[413] Ook in andere talen dan het Nederlands, bijvoorbeeld het Italiaans, Frans en Engels, kent het woord ‘realia’ strikt genomen geen enkelvoud. Vandaar dat vertaalwetenschappers geïsoleerde pogingen ondernemen worden om een enkelvoud uit te vinden. Bij Aslanov (1999: 464) heeft dit geleid tot het nieuwe Franse meervoud ‘realias’. In het Russisch ontbreekt deze problematiek: ‘реалия’ (realija) is gefixeerd als regelmatig vrouwelijk enkelvoudig woord.
[414] Dit is bijvoorbeeld de betekenis die Baranauskienė & Staškevičiūtė (2005: 201) toekennen aan realia, al hebben ze het ook over ‘cultural realia’.
[415] Zo heeft Newmark (1988: 103) het over ‘foreign cultural words’.
[416] Als zodanig moet het woord ‘realia’ niet als een literaire term, maar wel als een vertaalwetenschappelijke term beschouwd worden. In overeenstemming met dit inzicht is het feit dat het lemma ‘realia’ niet opgenomen is in de recente uitgaven van Het lexicon voor literaire termen (Van Gorp et al. 1998).
[417] Vertaling: ‘woorden (en woordgroepen) die objecten benoemen die karakteristiek zijn voor het leven (de levenswijze, de cultuur, de sociale en historische ontwikkeling) van een volk en die vreemd zijn aan een ander [volk], als dragers van een nationaal en/of historisch coloriet, hebben meestal geen precieze overeenstemming (equivalenten) in andere talen, en daardoor kunnen ze niet vertaald worden op “algemene grond”, maar vereisen ze een bijzondere aanpak.’
[418] Zie Vlachov & Florin (2009: 27). Een voorbeeld van een woordgroep die semantisch gelijk is aan een woord is ‘красное знамя’ (het rode vaandel) (idem: 57).
[419] Dit adjectief is afgeleid van het zelfstandige naamwoord ‘рубль’ (roebel). Er zijn echter ook adjectieven die afgeleid zijn van realia, die bij de afleiding de couleur locale en dus ook de status van reale verloren zijn. Zo beschouwen Vlachov en Florin (2009: 30) het adjectief ‘копеечный’ in de betekenis ‘goedkoop’, ‘laagbetaald’ of ‘kleinzielig’, hoewel afgeleid van het reale ‘копейка’ (kopeke), niet als een echt reale. Terloops zij opgemerkt dat in het Russisch, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Frans, Duits of het Nederlands, van vrijwel ieder zelfstandig naamwoord een of meerdere adjectieven kunnen worden afgeleid.
[420] Zie Vlachov & Florin (2009: 36). Inderdaad fungeren tussen de als voorbeeld gegeven realia tal van woorden die niet verwijzen naar materiële woorden, zoals ‘День Победы’ (Dag van de Overwinning) (idem: 55).
[421] Zo is ‘водка’ (vodka) een Russisch reale als men ernaar kijkt vanuit bijvoorbeeld de Nederlandse, maar niet vanuit de Oekraïense cultuur. Een stoel is bezwaarlijk een Nederlands reale te noemen, tenzij men een Nederlandse tekst vertaalt voor een publiek van een cultuur waarin het gebruik van stoelen niet wijd verspreid is.
[422] Zie Vlachov & Florin (2009: 42).
[423] Cursivering toegevoegd. Vertaling: ‘Op het vlak van de inhoud is een ten opzichte van andere woorden onderscheidende eigenschap van een reale het karakter van zijn materiële inhoud, d.w.z. de hechte band van de referent […] met enerzijds het volk (het land), de stam of, enger, met een andere sociale gemeenschap, en anderzijds met een historische afbakening in de tijd; vandaar het overeenstemmende nationale (plaatselijke) en/of historische (temporele) coloriet.’
[424] Voor meer details, zie ibidem (52-7).
[425] Zie ibidem (58-64).
[426] Voor een bespreking van deze opdeling, zie ibidem (64-72).
[427] Grit (2004) haalt zijn voorbeelden uit Engelse teksten en houdt geen rekening met het eventuele bestaan van andere alfabetten dan het Latijnse. Vandaar dat bij de toelichting van het procedé van de handhaving geen sprake is van transcriptie.
[428] Zo is ‘самовар’ vertaald als ‘Ssamowar’ (Raskolnikow III :255).
[429] Raskolnikow (I: 84). Gelijksoortige voetnoten zijn geplaatst bij ‘Kutja’ (I: 86), ‘Balalaiken’ (I: 88) en ‘Blinny’ (III: 36).
[430] Raskolnikow (I: 5).
[431] Bijvoorbeeld is ‘надворный советник’ (hofraad) weergegeven als ‘Hofrath’ Raskolnikow (II: 216).
[432] Bij ‘Hofrath’ staat in een voetnoot: ‘Der Rang eines Hofraths im Civildienst entspricht dem eines Obristleutenants im Militär’ (Raskolnikow III: 51). Soortgelijke voetnoten zijn geplaatst bij ‘ein gelbes Billet’ (I: 19), dd), ‘nach der siebenten Werst’ (II: 213) en ‘den Weg über Wladimir’ (III: 228).
[433] Bijvoorbeeld is ‘двугривенный’ (muntstuk van twee grivnja) vertaald als ‘ein Zwanzigkopekenstück’ (Raskolnikow I: 177). In het proza van Dostoevskij is soms sprake van roebelmuntgeld en soms van papieren roebels. De waarde hiervan is verschillend. Hauff rekent meer dan eens de waarde om. Bijvoorbeeld in Arme Leute (60), waarin ‘десять рублей серебром’ (tien zilveren roebels) vertaald is als ‘fünfunddreißig Rubel Papier oder zehn Rubel Silber’.
[434] Zo is de uitroep ‘Юродивая!’ (Jurodivaja!) vertaald als ‘Sie ist närrisch, hat der reliogiösen Wahnsinn!’ (Raskolnikow II: 212).
[435] Het kledingstuk ‘кацавейка’ (kacavejka) is vertaald als ‘Pelzjack’ (Raskolnikow II: 27). De voedingswaren ‘Пироги и калачи’ zijn dan weer vertaald als ‘Kuchen und Weißbrot’ (III: 301). De folkloristische figuur ‘Петрушка’ (Petruška) is vertaald als ‘Hanswurst’ (III: 119).
[436] In Raskolnikow is ‘водка’ (vodka) meestal vertaald als ‘Schnaps’ (III: 35), en soms ook als ‘Branntwein’ (III: 141). De meeteenheid ‘аршин’ (aršin) is vertaald als ‘ein paar Quadrat-Ellen’ (Raskolnikow II: 264).
[437] Zo is van het kledingstuk ‘сибирка’ (Dostoevskij VI: 11) geen spoor terug te vinden in Raskolnikow (I: 13).
[438] Van Henckel neemt Kuknos de toelichting over dat het een gerecht is ‘dat ter nagedachtenisviering der dooden mede naar de kerk gebracht wordt’. Hier voegt hij echter aan toe: ‘Ook in ons land, in Drenthe, wordt bij de begrafenis rijst gegeten’ (Schuld en boete I: 71).
[439] Schuld en boete (I: 13).
[440] Idem (III: 76).
[441] Idem (II: 173).
[442] Een uitzondering is bijvoorbeeld de volgende voetnoot bij ‘die grüne Gasse’ in Aus dem todten Hause (1890: 12): ‘Die grüne Gasse bedeutete die Reihen grün unformirter Soldaten, welche die Spießruthengasse bildeten’.
[443] Bijvoorbeeld de vertaling van ‘квас’ (kwas) en ‘Масленица’ (maslenica, soort van carnavalsweek) als, respectievelijk, ‘Quass (Honigbier)’ (Aus dem todten Hause 1890: 25) en ‘Maslänitza (Butterwoche)’ (Arme Leute 158). De dans ‘Kamarinskaja’ wordt als zodanig door Hauff verduidelijkt, door toevoeging van de woorden ‘eine russische Nationaltanz’ (Aus dem todten Hause 1890: 165).
[444] Erniedrigte und Beleidigte (1890: 175).
[445] Der Spieler (49).
[446] Arme Leute (188).
[447] Zo is ‘гривенник’ (grivennik) vertaald als ‘Groschen’ (Arme Leute: 141), wat zowel op ‘грош’, de Russische munteenheid, als op de gelijknamige Duitse munteenheid kan slaan.
[448] Bijvoorbeeld is het bereide gerecht ‘пироги’ (pirogi) vertaald als ‘pasteten’ (Aus dem todten Hause 1890: 142). ‘юродивуй’ (jurodivyj, heilige gek) is vertaald als ‘Idiot’ (ibidem 31).
[449] Zo is de functie ‘пономарь’ (orthodoxe koster, kerkbewaarder, altaardienaar, misdienaar, voorzanger) vertaald als ‘Waldhüter’ (Der Spieler 126).
[450] Bijvoorbeeld is ‘водка’ (vodka) in Aus dem todten Hause (1890: 201) vertaald als ‘Schnaps’.
[451] Zo is de functie ‘дворник’ (straatveger, huisbewaarder, conciërge) in Erniedrigte und Beleidigte (1890: 11, 105, 108) afwisselend vertaald als ‘Dwornik (Portier)’, ‘Hausknecht’ en ‘Dwornik’.
[452] Bijvoorbeeld de spelling van ‘Quass’ (Uit het doodenhuis 22), of de hoofdletter in ‘Samovar’ (ibidem 92).
[453] Zo is ‘Groschenschuld’ vertaald als ‘schuld van ‘n stuiver’ (ibidem 58). De meeteenheid ‘zoll’, die Hauff gebruikt ter vervanging van het Russische ‘вершок’, verving Faassen door ‘centimeter’ (ibidem 97). Ook is op een bepaald ogenblik ‘Quass’ vertaald als ‘honingbier’ (ibidem 173) zonder meer, terwijl dit reale eerder wel gehandhaafd was.
[454] Uitzonderlijke werd een reale geneutraliseerd. Zo is de zin ‘für eine Groschen’ vertaald als ‘voor een kleinigheid’ (De speler 109).
[455] Arme menschen (121). In deze tekst is ook een geval te vinden waarin ‘Griwenik’ gehandhaafd is, als ‘Griewenik’ (ibidem 170).
[456] Het reale ‘Samowar’ is nu eens gehandhaafd, en dan weer vertaald als ‘theetafel’ (Arme menschen 19, 32).
[457] Zo is de ambtelijke titel ‘Titulair-Rath’ vertaald als ‘klerk-titulair’ (Arme menschen 126). De feestelijke week ‘Maslänitza (Butterwoche)’ is vertaald als ‘Maslanitza (feest der waterwijding)’ (ibidem 135). Het reale ‘венчик’ (krans met religieuze opschriften die om het hoofd van een dode wordt gelegd) was in het Duits terechtgekomen als ‘Stirnband’, waarvan de Nederlandse vertaler ‘den hoofddoek’ (ibidem 67) maakte.
[458] De voetnoot luidt: ‘Een werst is een Russische lentemaat = 1066 meter’ (Arme Nelly 23).
[459] Arme Nelly (7, 69, 110, 150, 171).
[460] Het reale ‘самовар’ (samovar) komt echter ook voor in de gedaante van ‘Theetische’ Erniedrigte und Beleidigte (1885: 219).
[461] Ibidem (211).
[462] Bijvoorbeeld is ‘пирог’ (pirog) vertaald als ‘Gebäck’ (ibidem 209)
[463] De realia ‘киот’ (kiot, kastje waarin iconen uitgestald worden) en ‘образ’ (icoon) zijn beide vertaald als ‘Gottesbilde’ (ibidem 54, 65, 208). ‘Закуска’ (zakuska) is nu eens vertaald als ‘kalte Aufschnitte’ en dan weer als ‘Imbiß’ (ibidem 139).
[464] Naar ‘водка’ (vodka) wordt verwezen door middel van ‘Schnaps’ (ibidem 93). Het zinsdeel ‘ни копейки’ (geen kopeke) is vertaald als ‘keinen Heller’ (ibidem 19).
[465] ‘Ssamowar’ is in De misleide (37) vertaald als ‘Samovar’.
[466] Het zinsdeel ‘keinen Heller’ is vertaald als ‘geen stuiver’ (ibidem 20) en ‘Schnaps’ als ‘brandewijn’ (93).
[467] Bijvoorbeeld bidden de oude Ichmeneven zijn echtgenote in Unižennye i oskorblënnye voor een ‘образ’ (icoon). Van de Duitse vertaling ‘Gottesbilde’ maakt de Nederlandse vertaler ‘kruisbeeld’ (76) en ‘het beeld der Moeder Gods’ (339), wat taferelen oplevert die voor de Nederlandse lezer bijzonder vertrouwd waren. Het reale ‘закуска’ (zakuska) was in Erniedrigte und Beleidigte (1885: 137) respectievelijk terechtgekomen als ‘kalte Aufschnitte’ en ‘Imbiß’. Hiervan heeft de vertaler van De misleide (221) respectievelijk ‘gebraad’ en ‘een klein soupeetje’ gemaakt.
[468] Bij ‘Gorjelki’ is de volgende voetnoot geplaatst: ‘Russisches Fangspiel’ (Der Hahnrei 163).
[469] Ibidem (213).
[470] Zo is in Der Hahnrei (18, 72) sprake van ‘Staatsrath’ en ‘Geheimrath’.
[471] ‘Дворник’ (dvornik, zie supra) is vertaald als ‘Hausknecht’ (ibidem 28).
[472] ‘Дача’ (datsja) is in Der Hahnrei meestal terechtgekomen als ‘Landhause’ (18, 72, 74).
[473] Geschrapt zijn alle verwijzingen naar de ‘венец’ (kroon, krans), die bij orthodoxe huwelijken door de getuige boven het hoofd van bruidegom gehouden wordt. Vgl. Dostoevskij (IX: 55, 56) met Der Hahnrei (120).
[474] Zo is ‘изба’ (soort boerenhut) in Souvenirs de la maison des morts (194) terechtgekomen als ‘une izba’, terwijl de Duitse vertaler er ‘Bauernhutte’ (Aus dem todten Hause 1886: 220) van maakt.
[475] Zo zijn in Aus dem todten Hause voetnoten geplaatst bij ‘die grüne Gasse’ (15), ‘Sbiten’ (164), ‘Warnàk’ (34) en ‘Siberische Pelmänen’ (53). In Souvenirs de la maison des morts worden onder meer ‘kvass’ (2), ‘l’artel’ (89) en ‘balalaïka’ (103) toegelicht in een voetnoot.
[476] Bijvoorbeeld is ‘водка’ (vodka) in Aus dem todten Hause (389) terechtgekomen als ‘Branntwein’ en in Souvenirs de la maison des morts als ‘eau-de-vie’.
[477] Zo is ‘самовар’ (samovar) eerst als ‘theemachine’ en vervolgens als ‘samovar’ , terechtgekomen in Uit Siberië (I: 183; II: 116), respectievelijk via het Duitse ‘Theemachine’ (Aus dem todten Hause 1886: 156) en het Franse ‘samovar’ (Souvenirs de la maison des morts 283).
[478] Zo werden voetnoten overgenomen uit Aus dem todten Hause (1886) bij de realia ‘groene straat’ , ‘sbiten’ en ‘Warnàk’ (Uit Siberië I: 18, 192; II: 42). Uit Souvenirs de la maison des morts werd achtergrondinformatie gehaald met betrekking tot de realia ‘krass’ [sic, bedoeld is kwas], ‘artel’ en ‘balalaika’ (Uit Siberië I: 40, 117, 219). In het geval van dit laatste reale, werd de toelichting die de Franse vertaler in een voetnoot had geplaatst, in tekst zelf geïntegreerd.
[479] In Zapiski iz mërtvogo doma heeft Dostoevskij de plaatselijke reale ‘чистяк’ (afgeleid van ‘чистый’, wat ‘zuiver’ betekent) toegelicht in een voetnoot, die adequaat vertaald is in Aus dem todten Hause (1886: 32). De vertaler van Uit Siberië (I: 38) heeft deze voetnoot niet overgenomen, hoewel de passage in kwestie onmiskenbaar gebaseerd is op de Duitse intermediaire tekst. Ook voetnoten van de Duitse vertaler zelf zijn gesneuveld, bijvoorbeeld die bij ‘Pelmänen’ (zie Uit Siberië I: 63).
[480] Zo is ‘Bastschuhe’ (een vertaling van ‘лапти’) vertaald als ‘schoenen’ (Uit Siberië I: 19).
[481] In Uit Siberië zijn ‘Kopeken’ veranderd in ‘goudstukken’ (II: 9). ‘Дядька’ (djadj’ka, een mannelijke slaaf die zich bezighoud met de opvoeding van een adellijke jongeling) is via het Duitse ‘Kinderausseher’ (Aus dem todten Hause 1886: 165) veranderd in ‘kindermeisje’ (Uit Siberië I: 193). Het reale ‘образ’ (icoon) werd in het Frans en Duits respectievelijk vertaald als ‘une image’ (Souvenirs de la maison des morts 163) en ‘Heiligenbild’ (Aus dem todten Hause I: 186), maar kwam in Uit Siberië (I: 218) terecht als ‘Christusbeeld’.
[482] L’esprit souterrain (10, 16, 20).
[483] Alleen al in L’esprit souterrain zijn onder meer voetnoten geplaatst bij ‘stchi’ (27), ‘bourlakis’ (43), ‘bourlaki’ (132), ‘la mère Volga’ (44), touloupe (50-1), ‘zakouska’ (54), ‘vodka’ (54), ‘poletka’ [sic] (64), ‘drojki’ (64), ‘Raskolniki’ (77), ‘vagnka’ (220), ‘verschoks’ (231) en ‘sukhars’ (278).
[484] Zo is de ‘гривенник’ (grivennik, tienkopekemunt) vertaald als ‘une pièce de vingt [sic] kopecks’ en ‘грош’ (grosj) als ‘un demi-kopeck’ (L’esprit souterrain 21, 205).
[485]Enigzins naturaliserend is de vertaling van ‘иконы’ als ‘images’ (L’esprit souterrain 10). Meer uitgesproken naturaliserend is de vertaling van de zin ‘Мне нужен угол’ (‘Ik heb een hoek nodig’), die verwijst naar de Russische gewoonte om een hoek van een kamer te huur aan te bieden, als ‘Je n’ai besoin que de très-peu de place’ (ibidem 22). Eveneens naturaliserend is de vertaling van ‘пироги’ (pirogi) als ‘pâtés’ (ibidem 27).
[486] Bijvoorbeeld ‘touloupe’ (De onderaardsche geest 48).
[487] Ten gevolge daarvan zijn in De onderaardsche geest voetnoten geplaatst bij onder meer ‘stchi’ (25), ‘bourlakis’ (41), ‘bourlaki’ (122), ‘Moeder Wolga’ (41), ‘touloupe’ (48), ‘zakouska’ (50), ‘vodka’ (50), ‘poletka’ [sic] (60), ‘drojki’ (60), ‘Raskolnicki’ (72), ‘vagnka’ (201), ‘verschoks’ (210) en ‘soukhars’ (253).
[488] Van het Franse ‘images’, waarmee gedoeld wordt op iconen, wordt in De onderaardsche geest (10) ‘heiligenbeelden’ gemaakt, waarmee een derde dimensie gesuggereerd wordt. Het reale ‘zakouska’ (50) wordt in de doeltekst verduidelijkt als ‘ontbijt’, terwijl het Franse ‘collation’ (lichte maaltijd) wel adequaat is.
[489] Tot de in Les frères Karamazov (1906) gehandhaafde realia behoren ‘izba’ (152), ook ‘isba’ (4) gespeld, ‘kvass’ (81) en ‘icôns’ (24).
[490] Bienstock en Torquet vertalen ‘тарантас’ (tarantas, vierwielige reiswagen) als ‘troïka’ (ibidem 246) en ‘грош’ (grosj) als ‘kopek’ (276).
[491] In enkele gevallen is het reale ‘изба’ (izba, boerenhut van boomstammen), hoewel elders gehandhaafd, vertaald als ‘chaumière’ (ibidem 256) of ‘cahute’ (367).
[492] De Russisch-orthodoxe heiligenkalender ‘Четьи-Минеи’ werd vertaald als ‘Martyrologue’ (ibidem 26), ‘водка’ (vodka) als ‘eau de vie’ (235) en ‘юродивый’ (dwaze in Christus, dwaas aan wie profetische gaven worden toegeschreven) als ‘fou’ (130).
[493] Bijvoorbeeld het kledingstuk ‘поддëвка’ (poddjovka, soort lange, getailleerde herenjas ) is onvertaald gelaten (ibidem 192).
[494] Zo is ‘водка’ (vodka) in De gebroeders Karamazow weergegeven als ‘brandewijn’ (188) en ‘изба’ (izba, boerenhut van boomstammen) als ‘huisje’ (297).
[495] Zo is de lengte-eenheid ‘аршин’ (arsjin) via Les frères Karamazov (1888 I: 258) in De gebroeders Karamazow (412) vertaald als ‘archine’.
[496] Van Gogh-Kaulbach heeft het over ‘staretsi’ (De gebroeders Karamazow 13), een vervormde transcriptie van ‘старцы’ (starcy) die geduid wordt in een voetnoot, terwijl Bienstock en Torquet het woord ‘religieux’ (Les frères Karamazov 1906: 15) gebruiken. Deze vaststelling laat zich verklaren door de invloed van Halpérine-Kaminsky en Morice, die al op de eerste pagina van hun Les frères Karamazov (1888 I: 1) de term ‘starets’ verduidelijken in een voetnoot. Eveneens ontleend aan de eerste Franse vertaling van Brat’ja Karamazovy is de vertaling van ‘самовар’ (samovar) als ‘samovar’ (340), waar Bienstock en Torquet dit gebruiksvoorwerp in de betreffende passage onvertaald hebben gelaten (zie Les frères Karamazov 1906: 414).
[497] De gebroeders Karamazow (426-7).
[498] Ibidem (206, 207, 282).
[499] Witte nachten (8). Van zijn streven om de Nederlandse lezer iets bij te leren over de Russische cultuur getuigt ook de volgende voetnoot, door Stokvis geplaatst bij ‘rekenbord’: ‘In winkels en ook in huis gebruiken de Russen vaak telramen om berekeningen te maken’ (ibidem 73).
[500] Ibidem (4). Eveneens naturaliserend is de weergave van ‘богдыхан’ (bogdychan) als ‘prins’ (37), wat een inadequate vertaling is, aangezien met de term in kwestie gedoeld wordt op de keizer van China.
[501] De uitdrukking ‘кровь с молоком’ (letterlijk: bloed met melk), dat fungeert als synoniem voor jong en gezond, is in Der Hahnrei (7) vertaald als ‘Milch und Blut’ en in De echtgenoot (2) als ‘melk en bloed’.
[502] Arme Leute (125, 128, 137, 142).
[503] Ibidem (171).
[504] Arme menschen (108).
[505] Ibidem (146).
[506] L’esprit souterrain (71, 88, 287). Bij ‘liouba’ is de volgende voetnoot geplaatst: ‘Une bien-aimée; locution populaire’. Bij ‘baba’ staat in een voetnoot ter verduidelijking ‘Femmelette’.
[507] Zo is het Franse ‘baba’ genaturaliseerd tot ‘vrouw’ (De onderaardsche geest 124).
[508] Vgl. Les frères Karamazov (1888 II: 182) met De gebroeders Karamazow (345).
[509] Witte nachten (11).
[510] Ibidem (50).
[511] L’esprit souterrain (79). Voetnoten zijn ook geplaatst bij de exotische zinnen en zinsdelen ‘elle achevait son siècle’ (ibidem 29), ‘Garde tes larmes pour tes “jours noirs”‘ (71), ‘Salue ton hôte, et prends-le par sa main blanche’ (108), ‘si elle voulait du lait d’oiseau, je lui en donnerais’ (141) en ‘Il essayera, peut-être, de se venger […] de derrière le poêle’ (169).
[512] L’esprit souterrain (249). Bij ‘je réfléchis’ is een soortgelijke voetnoot geplaatst: ‘Mot à mot: je pense une pensée’ (82).
[513] Witte nachten (95). Cursivering toegevoegd.
[514] Bijvoorbeeld is in Raskolnikow (I: 170) sprake van de ‘K-Boulevard’, wat in Schuld en boete (I: 138) vertaald is als ‘K.-Boulevard’.
[515] Erniedrigte und Beleidigte (1890: 12).
[516] Aus dem todten Hause (1890: 132). Ook in Arme Leute (32) is de kunstgreep in kwestie enkele malen geneutraliseerd: zo is ‘Т-я губерния’ selectief onvertaald gelaten. In deze intermediaire tekst is de censuur wel bewaard in bijvoorbeeld ‘Fürst P.’ (ibidem), maar hiervan heeft de vertaler van Arme menschen (29) op zijn beurt eenvoudigweg ‘den vorst’ gemaakt.
[517] Aus dem todten Hause (279). Faassen maakt hiervan ‘N-Gowsk’ (Uit het doodenhuis 215).
[518] Bijvoorbeeld maakt de vertaler van De misleide (20, 195) ‘graaf R.’ van ‘Graf N.’ en ‘Gouvernement R.’ van ‘Gouvernement N.’. Vgl. met Erniedrigte und Beleidigte (1885: 19, 195). Deze verschuivingen zijn het gevolg van de gelijkenis tussen de letters ‘R’ en ‘N’ in het Gothisch schrift. Allicht gewild is daarentegen de verandering van de anonymus ‘A-w’ (Aus dem todten Hause 1886: 102) of ‘A-f’ (Souvenirs de la maison des morts 91) in ‘A.W.’, alsof het initialen betreft, in Uit Siberië (I: 120-2). De Nederlandse vertaler is echter inconsequent, want later heeft hij het toch over ‘A-f’ (idem II: 177).
[519] Zo valt in Souvenirs de la maison des morts (177) te lezen ‘à N…’ waar de brontekst gewag maakt van ‘в городе’ (in de stad).
[520] L’esprit souterrain (209).
[521] Les frères Karamazov (1906: 140).
[522] ‘-ский мост’ (-skij-brug) is weergegeven als ‘de K.sche brug’ (Witte nachten 127).
[523] Ibidem (42).
[524] Raskolnikow (II: 175; III: 20, 23). Overigens worden in deze vertaling ook bekende kleermakers en dergelijke geduid in een voetnoot. Bijvoorbeeld ‘Scharmer’ (idem II: 201).
[525] Zo is ‘Dobroljubow’, de bekende Russische criticus, vervormd tot ‘Doboljabon’ (Schuld en boete III: 13) en ‘Radischtschew’ tot ‘Radischtschen’ (idem II: 141).
[526] Bij het personage ‘Nosdrew’ is in Aus dem todten Hause (1886: 225) een voetnoot toegevoegd met als tekst ‘Eine Hauptperson in Gogols Todte Seelen’. De Franse vertaling Souvenirs de la maison des morts (225) bevat een gelijkaardige voetnoot bij ‘Nosdrief’. De Duitse voetnoot is adequaat vertaald in Uit Siberië (II: 36-7). Een voorafgaandelijke Duitse voetnoot bij de schilder ‘Brylow’ (207) werd daarentegen onvertaald gelaten, hoewel ook de Franse intermediaire tekst voorziet in een voetnoot bij ‘Brulof’ (Souvenirs de la maison des morts 182). Dit kan een indicatie zijn dat literaire intertekst voor de anonieme Nederlandse vertaler van bijzonder belang was.
[527]Der Hahnrei (205) bevat een voetnoot bij de schrijver ‘Sschtschedrin’, die door Faassen in De echtgenoot (205) adequaat is vertaald.
[528] In Les frères Karamazov (1888 II: 192) wordt bijvoorbeeld ‘Bielinskij’ in een voetnoot geduid. Hoewel de overeenkomstige passage van De gebroeders Karamazow (352) vertaald is van deze Franse tekst, is de voetnoot niet overgenomen.
[529] Zo lassen Bienstock en Torquet de voetnoot ‘citation d’un passage des Ames mortes’ in (Les frères Karamazov 1906: 287). Deze voetnoot is niet overgenomen door Van Gogh-Kaulbach in De gebroeders Karamazow.
[530] In Witte nachten (47, 76) zijn voetnoten gewijd aan ‘Zjoekofskiej’ en ‘Poesjkin’.
[531] In deze vertalingen wordt bijvoorbeeld wel de naam ‘Karamsin’ vermeld, maar deze wordt verstrekt zonder duiding. Hetzelfde geldt voor de allusies op Belinskij in de vorm van ‘B.’. Zie Erniedrigte und Beleidigte (1885: 56, 24) en De misleide (80, 29).
[532] Bij ‘der Mantel’ is de voetnoot ‘Von Gogol’ geplaatst, gevolgd door de titel van een beschikbare Duitse vertaling. Zie Arme Leute (119). Van der Hoek heeft deze voetnoot overgenomen, behoudens de commerciële informatie. Zie Arme menschen (102).
[533] In Der Spieler (215) heeft Hauff een verwijzing naar Russische kranten en hun feuilletonschrijvers onvertaald gelaten. In Erniedrigte und Beleidigte (1890: 28, 24, 112) is een parodiërende allusie op het tijdschrift Severnaja pčela (De Noordelijke bij) in de vorm van ‘Северный трутень’ (De Noordelijke hommel) gesneuveld. Hetzelfde geldt voor een verwijzing naar de criticus Belinskij. Meer toegankelijke vermeldingen, van Puškin en Gogol’, zijn echter wel vertaald. In Aus dem todten Hause (1890: 189) is dan weer onder andere een verwijziging naar het Gogoliaanse personage Nozdrev weggevallen.
[534] Zie Les frères Karamazov (1906: 51, 83, 89, 148, 167, 274).
[535] In L’esprit souterrain (223) is de zinsnede ‘это из Сильвио и из «Маскерады» Лермонтова’ (‘dat komt uit Silvio en uit Maskerade van Lermontov’) vertaald als ‘c’était là une scène de Silvio ou de Bal masqué de Fermastor’. Wie deze Fermastor is, kon niet achterhaald worden. De Nederlandse vertaler noemt daarentegen geen literatoren bij naam. Hij heeft het slechts over ‘een laffe komedie’ (De onderaardsche geest 202).
[536] Zie supra.
[537] Zie Coster (1921a: 1107).
[De onderstaande tekst komt uit de dissertatie Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Klik hier voor de algemene inhoudstafel.]
| III. De Nederlandse kritiek en actoren |
| Inleiding |
| 1 De voorgeschiedenis (1789-1881) |
| 2 Pioniers vs ‘een Chinese muur’ (1881-85) |
| 3 Schuld en boete: publicatie en recensies (1885-86) |
| 4 De directe impact van Ten Brink (1886-87) |
| 5 Een voorlopig hoogtepunt (1887-91) |
| 6 Ten prooi aan vergetelheid (1892-1903) |
| 7 De herontdekking (1904-07) |
| 8 Het voorwerp van studie (1907-10) |
| 9 De publicatie van De gebroeders Karamazow (1911-WOI) |
| Besluit |
Inleiding
In het vorige deel van deze studie werd de internationale context van de Nederlandse Dostoevskij-receptie geschetst. Meer bepaald werd beschreven hoe, waarom en door wie Dostoevskij post mortem in het centrum van de bovengeschikte Franse en Duitse literaturen geplaatst en gefixeerd werd. In dit deel verschuift de focus naar de essentie: een poging wordt ondernomen om de receptiegeschiedenis van Dostoevskij in de ondergeschikte Nederlandse literatuur te reconstrueren in chronologisch perspectief, in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog. De bedoeling is na te gaan welke positie Dostoevskij bekleedde in het Nederlandse literaire polysysteem, welke functie hij uitoefende en in hoeverre hij een gecanoniseerde status genoot. Daarnaast wordt gezocht naar een antwoord op de vragen wanneer de Russische schrijver ontdekt werd, welke institutionele actoren welke bijdrage geleverd hebben tot zijn popularisering, wat hun sociologische achtergrond was, hoe invloedrijk ze waren, in welke mate ze zelf onder invloed stonden van anderen, welke werken naar voren geschoven en welke achtergesteld werden, op welke manier deze geïnterpreteerd werden, en tot slot wat de dominante receptiemotieven waren.
De literaire kritiek vormt een van de hoofdbronnen voor het in dit deel gepresenteerde onderzoek. Deze wordt breed opgevat, in die zin dat ook parateksten van vertalingen, zoals voorwoorden en reclameadvertenties, aan een discoursanalyse worden onderworpen. De eigenlijke doelteksten worden pas in het volgende deel ontleed, maar komen wel aan bod in de hoedanigheid van publicatiefeiten. Bij het verzamelen en bespreken van de Nederlandse kritische teksten werd geen strenge selectie gemaakt. In tegendeel werden zo veel mogelijk relevante teksten in aanmerking genomen – het in dit deel gepresenteerde onderzoek maakt dan ook meer aanspraak op volledigheid dan de voorgaande internationale contextualisering, hoewel volmaakte exhaustiviteit uiteraard niet bereikt wordt. Het merendeel van de teksten werd aangereikt door Kingma (1981). Omdat deze bibliograaf exclusief Vlaamse publicaties niet vermeldt, werd ook de Bibliographie van de Moderne Vlaamsche Literatuur 1893-1930 van Roemans (1930) geraadpleegd – wat echter slechts één recensie heeft opgeleverd.[1] Daarnaast werden de reeds beschikbare primaire en secundaire publicaties systematisch afgespeurd op kruisverwijzingen.[2] Tot slot werden veelvuldige zoekopdrachten doorgevoerd op internet en in gedigitaliseerde bibliotheken en tijdschriftdatabanken, met wisselend succes.[3]
1 De voorgeschiedenis (1789-1881)
eerste kennismaking met russische literatuur
Uit de studie van Willemsen (1989a: 64-6) blijkt dat er in Nederland reeds op het einde van de 18e eeuw noemenswaardige interesse bestond voor Rusland, al bleef de belangstelling voor originele Russische cultuurproducten tot 1830 sporadisch en gering. Men kan de Nederlandse receptiegeschiedenis van Russische literatuur laten aanvangen in 1789. Toen werd immers in Amsterdam de eerste – voor zover bekend – Nederlandse literaire vertaling uit het Russisch gepubliceerd: het toneelstuk De familietwist van Catherina de Grote. Dat het een gelegenheidsvertaling betreft, blijkt uit het feit dat deze tekst ondergebracht was in een bundel met zedelijke toneelstukken afkomstig uit verscheidene landen. Een duidelijkere indicatie voor belangstelling vormen de vertalingen, tot stand gekomen via het Duits, van de reisindrukken van Nikolaj Karamzin: deze verschenen immers in drie delen over een periode van vier jaar: in 1804, 1805 en 1808. Via deze brieven vernam men in Nederland dat ook Rusland een nationale literatuur bezat. Hierop speelde in 1808 de uitgeverij Meurs in, met de uitgave van een verhalenbundel van Karamzin. Twee jaar later werd in de Vaderlandsche letteroefeningen door een anonieme literatuurhistoricus een kort overzicht van het Russische toneel gepubliceerd, waarin het publiek behalve met Lomonosov en Sumarokov ook geconfronteerd werd met een groot aantal tweederangsauteurs. De lezer kreeg de denigrerende boodschap mee dat de smaak van de Russen met de dag beschaafder werd – het cliché van het barbaarse Rusland was nog dominant. Hierin kwam lichtjes verandering dankzij de lawine aan persartikelen over Rusland die in 1816 ontketend werd door het huwelijk van grootvorstin Anna Paulowna met kroonprins Willem. De reputatie van Rusland bleef in de ogen van de Nederlanders echter bezoedeld door zijn maatschappelijke en politieke organisatie. De Russen plaatsen zichzelf ook op het Nederlandse toneel door hun overwinning op Napoleon. Het toneel is hier ook letterlijk te begrijpen, want een groot aantal toneelstukken werd gewijd aan de figuur van Peter de Grote. Volgens Willemsen (1989a: 66) werd zijn beschavingsarbeid, die tot streling van de nationale trots in verband werd gebracht met zijn Hollandse periode, aangegrepen als verklaring voor de nederlaag van Napoleon.
Meer nog dan de dynastieke huwelijkspolitiek stemde de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van België in 1830 de Nederlandse geesten welwillend voor de Russische staat, die deze schending van de uitgangspunten van het Congres van Wenen als enige grootmacht in Europa streng veroordeelde. Onder invloed van het Russisch-Nederlandse bondgenootschap werden in de loop van de volgende acht jaar een aantal nieuwe Russische werken ontdekt. Deze invoer werd opnieuw bemiddeld door Duitse, maar ook door Franse vertalingen. Zoals Willemsen (1989a: 66) illustreert, betrof het in hoofdzaak historische romans, onder andere van Bulgarin en Zagoskin, die de recensenten in overeenstemming met de tijdsgeest evalueerden vanuit een conservatief-nationalistisch perspectief: het Russisch christelijke geloof, zeden en patriottisme werden beschouwd als deugden, het vermeende imperialisme als een kwaal.
In de periode 1838-69 krijgt het buitenland, en dus ook Rusland, van de Nederlanders zeer minieme aandacht, wat Willemsen (1989b: 68) wijt aan het internationale isolement van Nederland. Niettemin wordt in 1838 de eerste geschiedenis van de Russische letterkunde in het Nederlands gepubliceerd. Het is een bewerking van het eerder vermelde Literarische Bilder aus Rußland van
de opkomst van turgenev
Na drie decennia van desinteresse in Russische literatuur kreeg de Nederlandse culturele elite, die in deze de Franse en Duitse kritiek achterna hinkte, omstreeks 1870 Turgenev in het vizier. Hij zou tot 1885 de enige Russische schrijver blijven die in Nederland op bekendheid mocht rekenen. In deze periode stelden verscheidene vooraanstaande intellectuelen zich open voor het proza van Turgenev.[6] In hun kritische teksten, de ene al enthousiaster dan de andere, treft men sporen aan van het moeizame gevecht dat in die tijd geleverd werd om de esthetica met behulp van de natuurwetenschappen los te maken uit de greep van de metafysica en de ethiek, die in Nederland zeer strak was.
In 1868 beet H.P.G. Quack de spits af als redacteur van De gids. Uit zijn essay blijkt dat hij Turgenev, die hij kende via de Franse vertalingen van Mérimée, vooral interessant vond als bron van kennis over de Russische maatschappij, die hij barbaarse fundamenten toeschreef. Toch had hij ook oog voor de vernieuwende stijl, gebaseerd op het principe van de neutrale verteller, en voor de psychologische uitdieping van de personages. In het daarop volgende jaar verschenen twee Nederlandse vertalingen van Turgenev, die in De gids met een scherpe ondertoon gerecenseerd werden door ene S. Gorter. Ook zijn interesse ging hoofdzakelijk uit naar de uitbeelding van de Russische maatschappij, waarin hij echter behalve een barbaarse ook een beschaafde tendens onderkende.
Een volgende die zich uitsprak over Turgenev was de ietwat vergeten, maar destijds toonaangevende criticus en geleerde Allard Pierson. Hoewel dit door Willemsen (1989b: 71) niet vermeld wordt, is het relevant om op te merken dat Pierson na zijn geloofscrisis in 1863 naar Duitsland vertrok en pas in 1874 terugkeerde naar Nederland:[7] men mag aannemen dat hij zijn ontdekking van Turgenev dankte aan diens literaire reputatie in Duitsland. Conform zijn kosmopolitische ingesteldheid pleitte hij er in 1873 voor dat de Nederlandse lezers hun blik zouden richten op de cultuur van geïsoleerde landen, zoals Rusland. Hoe konden ze anders van andere naties verwachten interesse op te brengen voor hun vaderlandse schrijvers? Ook gaf hij van de Russische literatuur een summiere voorstelling, waarbij de namen van Puškin, Lermontov, Gogol’, Gončarov en Turgenev vielen, maar niet die van Dostoevskij. Tegenover het Russische realisme plaatste hij wel enkele bezwaren, zo ergerde hij zich aan het cynische materialisme. Dat in zijn ogen met name Turgenev toch een hogere waarheid bereikte dan de Franse realisten en naturalisten, beargumenteerde hij in 1878, ditmaal met de autoriteit van professor, in zijn voorwoord op de vertaling Nieuw land.
Het rijtje van vroege Nederlandse bewonderaars van Turgenev wordt door Willemsen (1989b: 72-3) afgesloten met Marcellus Emants, die de literatuurgeschiedenis in is gegaan als de eerste Nederlandse naturalist. In 1876 had hij Turgenev te Parijs bezocht, wat na enige gisting resulteerde in een artikel dat in 1880 het licht zag in het tijdschrift Nederland. Hieruit blijkt dat hij zich verwant voelde met het zogenaamd wetenschappelijke pessimisme van Turgenev. Meer concreet onderschreef hij de idee dat leed niet uit te roeien is en zelfs noodzakelijk is om het doel van het leven te verwezenlijken. Interessant is ook dat de Nederlandse bellettrist Turgenev trachtte te beschermen tegen de scherpe aanvallen van de kritiek die de Franse naturalisten en consorten te beurt vielen. Zo beweerde hij dat de blik van de Rus in de menselijke ziel dieper reikte dan die van Flaubert. Tevens wekte hij interesse voor Turgenev door zijn sombere schilderingen, daarbij doelend op de populaire Duitse vertaling Skizzen aus dem Tagebuche eines Jägers, te vergelijken met de Haagse schilderschool. Achteraf beschouwd lijkt deze op marktmaat gesneden propaganda zo absurd niet, indien men tenminste in aanmerking neemt dat de school van de Haagse schilders een grote invloed heeft uitgeoefend op de Tachtigers.[8]
In tegenstelling tot zijn voorganger toonde Emants niet de minste interesse voor de Russische maatschappij, die nochtans het voorwerp vormde van Turgenevs schilderingen. Meer kenmerkend voor de algemene Nederlandse appreciatie van de Russische schrijver, die in belangrijke mate tot stand kwam dankzij de bemiddeling van de Franse en Duitse literatuur, is dat de plaats die hij inneemt binnen de Russische literatuur volstrekt irrelevant wordt bevonden. De roem van Turgenev wekte geen interesse op voor zijn schrijvende landgenoten. Het lijkt erop dat hij werd beschouwd als de uitzondering die de regel bevestigde dat Rusland achterlijk was – een imago dat althans op staatkundig vlak bijgesteld moest worden toen Rusland in 1878 de zege behaalde in de Russisch-Ottomaanse oorlog.
2 Pioniers vs. ‘een Chinese muur’ (1881-85)
overlijdensbericht van een groot onbekende
Ironisch genoeg was het overlijden van Dostoevskij het eerste wat de Nederlandse lezer via een letterkundig tijdschrift over hem te weten kon komen. Een parallel met Puškin dringt zich op. Waar de dichter echter opviel door zijn spectaculaire levenseinde – hij was gestorven in een duel –, was het in het geval van Dostoevskij de precedentloze grootschaligheid en plechtstatigheid van de begrafenisstoet die de Nederlandse pers haalde. De weerklank van deze gebeurtenis mag echter niet overdreven worden: in de lente van 1881 werd – voor zover bekend – enkel een kort overlijdensbericht geplaatst in het letterkundige weekblad De portefeuille, dat slechts twee jaar eerder was opgericht. Bovendien schitterde Dostoevskij in Nederland door onbekendheid, wat het bericht van zijn overlijden enigszins irrelevant maakte. Wel nam de anonieme auteur van ‘Necrologie’ (1881: 443) enige moeite om de overleden schrijver kort te schetsen. De klemtoon wordt daarbij gelegd op zijn strijd tegen sociale onderdrukking, die actiever en zelfs revolutionairder wordt voorgesteld dan deze in werkelijkheid was:
Hij streefde in zijne werken steeds het doel na, in den geest der arme, verdrukte bevolking de hoop op eene aanstaande bevrijding van het dwangjuk levendig te houden. Hij werd onder de regeering van Nicolaas ter dood veroordeeld […] omdat hij lid was eener vereeniging, die ongeveer hetzelfde beoogde als de beste onder de tegenwoordige Russische nihilisten.
Dat Dostoevskij zich in feite na zijn verbanning loyaal heeft opgesteld tegenover de tsaar, tot ergernis van progressieve tijdgenoten, en in zijn werken nooit expliciet voor sociale hervormingen pleitte, maar deze wel aanwendde om de goddeloze Russische nihilisten het leven zuur te maken, wordt voor de lezer achtergehouden. Eveneens betwistbaar is de mededeling dat Dostoevskijs bekendste roman Levend begraven of tien jaren dwangarbeid in Siberië is – hier wordt Zapiski iz mërtvogo doma bedoeld. Daarnaast worden vijf andere titels genoemd, behalve de eerste allemaal in inadequate vertaling: De arme lieden, De kleinen en de onderdrukten, De slechten, De meerderjarige en Broeder [sic] Karamazoff. Merkwaardig genoeg ontbreekt in dit lijstje Prestuplenie i nakazanie, waaraan Dostoevskij toch een groot stuk van zijn binnen- en buitenlandse literaire roem dankte. Van dezelfde onkunde getuigt het feit dat de geboorte van de auteur gesitueerd wordt in 1822 in plaats van 1821.
Het lijdt geen twijfel dat de hierboven besproken inlichtingen overgenomen waren, misschien zelfs zonder meer vertaald, van een overlijdensbericht uit de buitenlandse pers. Naar alle waarschijnlijkheid uit de Angelsaksische pers, aangezien de titel Levend begraven of tien jaren dwangarbeid in Siberië onmiskenbaar teruggaat op Buried Alive: Or, Ten Years Penal Servitude in Siberia, een vertaling die korte tijd daarvoor verschenen was te Londen.[9] Deze hypothese wordt ondersteund door het feit dat de naam van Dostoevskij in dit stuk – behoudens één zet- of tikfout – geschreven wordt als ‘Dostojeffsky’. Deze schrijfwijze vertoont namelijk opvallend verwantschap met de Angelsaksische spelling ‘Dostoyeffsky’, zoals deze prijkt op de titelpagina van Buried Alive. Op een vertaald essay van Kropotkin (1907) na, is dit de enige publicatie in de gehele vroege Nederlandse Dostoevskij-kritiek waarin invloed van de Engelse literatuur vastgesteld is.
de clercq: een bankspecialist als dostoevskij-pionier
Een meer ernstige en oorspronkelijke bijdrage tot de Nederlandse receptie van Russische literatuur was het artikel ‘De letterkunde in Rusland’, eveneens geplaatst in De portefeuille. Het stuk is ondertekend met de initialen P.H.d.C. en werd geschreven te Sint-Petersburg in maart 1881, amper enkele weken na Dostoevskijs overlijden. De auteur, door Kingma (1981: 171) niet geïdentificeerd, is zo goed als zeker P.H. de Clercq, die in die jaren nauw betrokken was bij het Petersburgse bankwezen, zoals blijkt uit de publicatie van zijn in het Frans geschreven boek Les finances de l’empire de Russie (1886).[10] De letterkunde vormde kennelijk niet zijn hoofdspecialisatie. Dat hij hiervoor toch een brede interesse koesterde, en deze ook professionaliseerde, valt af te leiden uit het feit dat hij eerder de bundel Francesca da Rimini en andere gedichten uit het Italiaans had vertaald.[11]
P.H.d.C. (1881: 3) was van oordeel dat de Russische literatuur ‘niet in bloeienden toestand’ verkeerde: hij vond dat het kunstgehalte van de nieuwste werken te lijden had onder de voorliefde voor tendentie van de auteurs. Toch wilde hij met zijn initiatie in de Russische letterkunde weerstand bieden aan het feit dat in Nederland wel de schone letteren van Frankrijk, Duitsland, en zelfs die van Italië, Spanje en de Scandinavische rijken bekend raken en besproken worden, terwijl ‘de Russische schrijvers van beteekenis zelfs niet bij name bekend’ zijn. Hoewel hij deze discriminatie niet goedkeurt, tracht hij deze toch te begrijpen. Ter verklaring wijst hij ten eerste op de moeilijkheid om de Russische taal aan te leren en te vertalen, en ten tweede op het veronderstelde feit dat de toestanden die uitgebeeld worden in de Russische romans de West-Europese volken vreemd zijn.
Nadat P.H.d.C. (1881: 3-4) enkele merkwaardige eigenschappen van de Russische letterkunde besproken heeft, bijvoorbeeld dat de tijdschriften een belangrijke rol spelen, gaat hij over tot de bespreking van een handvol individuele schrijvers. Ščedrin, Ostrovskij, Gončarov en Gogol’ – ‘den Russische Dickens’ – worden oppervlakkig aangeraakt. Slechts Turgenev en Dostoevskij worden enigszins besproken. De bewondering van de Nederlander gaat voornamelijk uit naar de eerstgenoemde, wiens werk hij naar eigen aanvoelen niet hoeft te bepreken, omdat het voldoende bekendheid heeft verworven dankzij de vertalingen. In dit verband wil hij er toch op wijzen dat de harmonieuze stijl verloren gaat in vertaling, althans volgens het oordeel van de Russen – kennelijk was hijzelf het Russisch onmachtig, of toch niet machtig genoeg om deze bewering te onderschrijven of te ontkrachten. Interessant is ook zijn opmerking dat het Frans minder geschikt is dan de Germaanse talen om de Russische vormen en uitdrukkingen weer te geven.
In een poging om de lezer in een notendop een beeld te geven van Dostoevskij, stelt P.H.d.C. (1881: 4) hem voor als de Russische versie van Balzac, die hij in de eerste plaats als een psycholoog ziet. Deze vergelijking dankt de Russische auteur aan de onbarmhartigheid waarmee hij de ellende en de slechtheid van de mensen geschilderd heeft. Toch wordt ook aandacht besteed aan Dostoevskijs specificiteit:
Hij was zijn geheele leven doordrongen van medelijden met het lot der ongelukkigen en schreef de schuld daarvan aan de maatschappij toe. Als middel ter verbetering der toestanden in Rusland wilde hij geen geweld maar verspreiding van meer kennis omtrent het lot der lagere klassen. […] Dit streven heeft al zijne werken bezield. (P.H.d.C. 1881: 4)
Dat P.H.d.C. deze sociaal-ethische bevlogenheid bijzonder op prijs stelt, blijkt uit het feit dat hij de Rus nobele eigenschappen toedicht. Hij noemt hem in één adem ‘den ernstigen, onafhankelijken waarheidzoeker, den beschermer der ellendigen, den edelen realist’.
Hoewel dit auteursportret van de Nederlandse bankspecialist, die allicht slechts voor de gelegenheid in de huid van literatuurhistoricus gekropen was, nauwer aansluit bij de werkelijkheid dan het geval was in de besproken ‘Necrologie’, is hierop toch wat aan te merken. Zo legt hij de oorzaak van Dostoevskijs epilepsie in de Siberische mijnen, terwijl deze ziekte zich eigenlijk reeds gemanifesteerd had voor de verbanning – een feit dat later bekendheid zou krijgen dankzij De Vogüé. Ook niet helemaal pertinent is de suggestie dat Dostoevskij gespecialiseerd was in de uitbeelding van de boerenstand; zijn boeken spelen zich immers voornamelijk af in een stedelijke omgeving en zijn personages behoren grotendeels tot de burgerij.
courrière geplagieerd
Het artikel ‘De letterkunde in Rusland’ moet begrepen worden als een bescheiden en welgemeende poging van een niet-specialist om de totale onwetendheid van het Nederlandse publiek ten aanzien van de Russische romanciers in het algemeen en Dostoevskij in het bijzonder aan te vechten. De noodzakelijke argumenten, literair of politiek, waarom de Nederlanders zich voor deze ethisch gevoelige ‘Russische Balzac’ of zijn landgenoten dienden te interesseren ontbraken in dit stuk echter volledig. Bovendien was de onbekende economist ‘P.H.d.C.’, die zich ook nog eens in Petersburg bevond, in het Nederlandse letterkundige debat van geen enkele tel. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat zijn aansporing niet meer teweeg bracht dan een roep in de woestijn: in de jaren 1882-83 werden – voor zover dit achterhaald is kunnen worden – geen nieuwe pogingen ondernomen om Dostoevskij bekend te maken bij het Nederlandse publiek.
Ook de Duitse kennismaking met Dostoevskij via Raskolnikow (1882) kreeg in de Nederlandse literatuur in eerste instantie nauwelijks weerklank. De enige teruggevonden recensie van deze vertaling in de Nederlandse letterkundige pers is het artikel ‘Een letterkundige roman’ van de anonieme C. (1884).[12] Dat het geplaatst werd door De Amsterdammer is niet verbazend: zoals Van den Berg & Couttenier (2009: 580) laten verstaan, was dit weekblad onder hoofdredactie van J. de Kloo ongeveer het enige forum van het Nederlandse letterkundige landschap dat in de jaren 1882-84 open stond voor nieuwe vormen in de literatuur.
De recensent, zich verschuilend achter de letter C. (1884: 4), leidt zijn stuk in met de vaststelling dat misschien niet de Russische letteren, dan toch de Russische sociale en politieke toestanden in Nederland een groeiende belangstelling genieten. Prestuplenie i nakazanie komt hieraan tegemoet: het verklaart veel van het Russische leven ‘wat tot nu toe verborgen en duister was’. Aan dit didactisch argument waarom het werk de moeite waard is, wordt onmiddellijk een gezagsargument toegevoegd: in Duitsland hebben uitmuntende critici zoals Georg Ebers, Paul Heyse en Georg Brandes er hun bewondering voor uitgesproken.
Merkwaardig genoeg is het overgrote deel van deze recensie plagiaat: het bestaat uit al dan niet vrij vertaalde uitspraken van Courrière (1875), die evenwel nergens als bron vermeld wordt. Als gevolg van deze verholen schatplicht wordt Raskol’nikov voorgesteld als de incarnatie van de strijd tussen het nihilisme en de werkelijkheid. De originaliteit van C. (1884: 5) beperkt zich hoofdzakelijk tot het citeren van een Duits fragment uit Raskolnikow en enkele betwistbare inlichtingen over de plot – zoals dat Raskol’nikov herhaaldelijk zou uitgegaan zijn ‘met het plan om zich aan justitie over te leveren’, maar telkens verhinderd werd door het toeval of een ‘zeer begrijpelijke aarzeling’. Daarnaast wordt ook een uitspraak van Ebers herkauwd – ditmaal wel met bronvermelding: namelijk dat Sonja ‘een lelie [is] die door den Hagelslag beschadigd werd’. De criticus besluit dat de roman zeker geen aangename lectuur is, maar wel aandacht verdient als getrouwe schildering van het nihilisme en als karakterstudie. Men kan veronderstellen dat deze dubieuze evaluatie niet volstond om een groot publiek Nederlandse lezers aan te zetten tot het lezen van deze driedelige roman. Tevens is het aannemelijk dat de weinig passende titel dia aan deze recensie gegeven werd, ‘Een nihilistische roman’, voor conservatieven en traditionalisten een doorn in het oog was.
prins: een chinese muur in Nederland
Het feit dat de recensie van de anonieme C. (1884) de enige aan het licht gekomen Nederlandse studie van Dostoevskij is die in de jaren 1882-84 gepubliceerd werd, en bovendien een geval van plagiaat is, getuigt van de onwil of het onvermogen van de Nederlandse intelligentsia om zich Dostoevskij eigen te maken en hem populair te maken bij het Nederlandse publiek. Ook toen Le crime et le châtiment op aanbeveling van De Vogüé in het voorjaar van 1885 in Parijs, voor velen het walhalla van de West-Europese letterkunde, het voorwerp ging uitmaken van een hype, kwam hierin niet onmiddellijk verandering. Toch bestonden er ook in het Nederlandse taalgebied enkele schrijvers die met Dostoevskij dweepten, en er aanstoot aan namen dat hij op de Nederlandse markt geen plaats kreeg toegewezen. Een voorbeeld is de literator en industrieel Arij Prins.
Ook Prins bracht Dostoevskij ter sprake in De Amsterdammer. Dit deed hij terloops in een lovende recensie van Germinal, geschreven op 5 april 1885. Verscholen achter het pseudoniem A. Cooplandt (1885: 10) voorspelde hij dat deze naturalistische roman van Zola het succes van L’assommoir niet zou evenaren – ten onrechte, want op termijn is Germinal, althans in Frankrijk, uitgegroeid tot een van de beroemdste romans van de reeks Les Rougon-Macquart. De beperkte slaagkans weet hij aan de sombere en bittere indruk die het maakte. In dit opzicht beweerde hij slechts één moderne roman te kennen die met Germinal vergeleken kon worden, namelijk ‘Le crime et le châtiment van de grooten, hier te lande onbekende russischen schrijver Th. Dostoïevsky’.[13]
Het verdient nadruk dat Prins met het proza van Dostoevskij via de Franse vertaling had kennisgemaakt, zoals blijkt uit de vermelding van Le crime et le châtiment, en niet via de Duitse vertaling Raskolnikow.[14] Aangezien hij in 1885 enige tijd in Hamburg had verbleven als agent van de kaarsenfabriek van zijn vader, zou men immers het omgekeerde kunnen veronderstellen. Overigens bestaat er bewijs dat hij tijdens dit verblijf te Hamburg reeds in de ban was van Dostoevskij: in 1922 herinnerde Lodewijk van Deyssel (1971: 328), die hem opgezocht had, zich dat Prins hem er voorlas uit zijn geliefde auteurs en hem op die manier de Russische schrijver leerde kennen.
Vermoedelijk in hetzelfde jaar 1885 uitte Prins zijn ergernis over de onbekendheid van Dostoevskij, maar ook van Tolstoj en anderen, bij zijn landgenoten. Dit deed hij in het gematigd liberale dagblad Het nieuws van de dag, een van Nederlands eerste tijdschriften die de verdediging voerden van Zola en andere naturalisten:
Tolstoi, Balzac, Gogol, Dostoievsky, Stendhal, George Moore, Duranty, Henri Becque, Lemonnier, Céard, Caze worden niet gelezen. Het schijnt somwijlen of wij een chineeschen muur aan de grenzen hebben opgetrokken om deze en vele andere schrijvers buiten ons land te houden.[15]
Overigens blijkt uit een brief die Prins op 4 of 5 februari 1885 schreef aan zijn vriend Lodewijk Van Deyssel dat hij ter bevordering van het naturalisme in eigen land een studie voorbereidde ‘over de russische Naturalisten Gogol, Tolstoi, Dostoievsky’[16] voor het tijdschrift Nederland. Deze studie is echter nooit verschenen. Misschien was hij ontmoedigd door de artikelen van De Vogüé, die de Russische romanciers net uitspeelde tegen de naturalisten. De burggraaf had aan Prins bij schrijven van 7 februari 1885 immers inlichtingen verstrekt over zijn bekende artikelen in La revue de deux mondes.[17] Er bestaan bewijzen dat de Nederlandse literator deze met veel interesse las, nog voor deze verschenen in boekvorm.[18] Hoewel hij afstapte van het plan om een studie over de Russen te publiceren, bleef de Nederlandse literator doorgaan met het promoten van Dostoevskij. Hierin heeft ook zijn reis naar Parijs in 1886 een rol gespeeld; volgens Jans (1952: 43) ervoer hij er dat ‘sommige schrijvers van het soort van Huysmans, Villiers de l’Isle Adam en ook Léon Bloy in die tijd warm liepen voor Dostojewskij, wiens werken zij boven die van Tolstoj stelden’. Zijn door Parijs aangewakkerde enthousiasme voor de Russische schrijver heeft Prins doorgegeven aan Van Deyssel. Wel zou hij in 1921, terugblikkend op zijn kennismaking met Dostoevskij, verkondigen niet te geloven dat diens werken hem beïnvloed hadden.[19]
segers: de superioriteit van het eigen volk
In hoeverre een schrijver als Dostoevskij in Nederland inderdaad op de spreekwoordelijke Chinese muur botste, zoals Prins bij wijze van boutade aangaf, is vandaag moeilijk te achterhalen. Feit is alleszins dat er voor zover bekend in 1885 in het gehele Nederlandse taalgebied slechts twee studies over Dostoevskij gepubliceerd werden, waarvan alleszins de eerste de stelling bevestigt dat de weerstand tegen de Rus bijzonder groot was. Het betreft hier ‘Fedor Michaelowitch Dostoievsky’ van de Vlaming Gustaaf Segers.
Dit omvangrijke artikel was ondergebracht in Nederlandsche dicht- en kunsthalle. Dit in 1878 in Vlaanderen opgerichte maandblad over kunst en literatuur, gematigd vooruitstrevend, legde de nadruk op de samenhorigheid van Noord en Zuid, geïntegreerd in een Groot-Nederlands cultureel geheel. Dit kwam tot uiting in het feit dat het zowel in Antwerpen (door Dela Montagne) als in Amsterdam (door Schalekamp, Van de Grampel & Bakker) werd uitgegeven.[20] In dit opzicht kan het artikel dus beschouwd worden als een bijdrage aan zowel de Zuid-Nederlandse als de Noord-Nederlandse Dostoevskij-kritiek.
Gustaaf Jan Segers (1848-1930) werd geboren te Hoogstraten, werkte tussen 1868 en 1879 als onderwijzer in Leuven en in Antwerpen.[21] Vervolgens onderwees hij Nederlandse taal- en letterkunde en Duits aan de staatsnormaalschool van Lier. In zijn vrije tijd schreef hij pedagogische en letterkundige artikelen voor tijdschriften als De toekomst, De dicht- en kunsthalle, De Vlaamsche kunstbode en La revue des langues modernes. Daarnaast is hij de auteur van een aantal Kempische volksverhalen, geschreven in een mild realisme, en enkele studies over Joost van den Vondel, door hem zeer bewonderd.
Hoewel hij onderwijzer Duits was, heeft het er alle schijn van dat Segers (1885) zijn studie over Dostoevskij, de allereerste in het Nederlandse taalgebied, exclusief schreef onder invloed en naar aanleiding van diens doorbraak in de Franse letteren. De twee enige bronnen waarnaar hij verwijst zijn immers de Russische literatuurgeschiedenis van Courrière (1875) en het artikel van De Vogüé (1885) in Revue des deux mondes. Bovendien heeft hij het over De misdaad en de straf – een vertaling van de titel Le crime et le châtiment – en niet over Raskolnikow. Overigens was de Nederlandse vertaling Schuld en boete nog niet verschenen, of in ieder geval werd deze niet als bron gebruikt.[22] Op de Duitse kritiek van Dostoevskij wordt niet één maal gealludeerd. Sterker nog, Segers (1885: 92) doet zelfs uitschijnen – onterecht – dat de Duitse receptie van Dostoevskij vooraleer hij werd vertaald in het Frans niets voorstelde:
Zijne werken blijven nagenoegen in Europa ongekend. Het is slechts sedert de Fransche uitgave van eenige romans, dat de letterkundige tijdschriften zich met deze schrijver bezig houden […].
Gezien de taalsituatie in Vlaanderen in die tijd, het klimaat van verfransing, en de geografische nabijheid van Frankrijk, is de vastgestelde preponderantie van de Franse culturele invloed op de Vlaamse criticus niet verbazend.
Het vertrekpunt van het artikel van Segers (1885: 89-90) is de begrafenis van Dostoevskij. Het betreft een synthese van het ooggetuigenverslag van De Vogüé (1885: 351-6), die hier ook uitgebreid geciteerd wordt. Het zelf opgelegde doel dat de Vlaamse criticus hierna expliciteert is te verhelderen wat de man ‘die met zo veel deelneming ter aarde werd besteld […] verricht [heeft] om deze volksliefde te verdienen’. Met het oog op het beantwoorden van deze vraag, belooft hij het leven en de werken van Dostoevskij te onderzoeken. De hierop volgende biografische inlichtingen, waarin kommer en kwel centraal staan, zijn eveneens ontleend aan de studie van de Franse burggraaf. Vermoedelijk was dit ook de enige bron die Segers hiervoor ter beschikking had, aangezien Courrière (1875) geen levensbijzonderheden van Dostoevskij meedeelt.
Bijzondere aandacht besteedt de Vlaamse criticus aan de sensationele schijnexecutie die de Russische schrijver moest ondergaan. Zijn post-Siberische periode krijgt daarentegen weinig of geen behandeling. De Vlaamse zondagscriticus liet de talrijke biografische inlichtingen die bij De Vogüé nauw vervlochten zijn met de bespreking van de werken van Dostoevskij, links liggen. In plaats daarvan besluit Segers (1885: 92): ‘Sedert [zijn terugkeer naar Rusland] leefde hij van de wereld afgetrokken, en hield zich uitsluitend met letterkundige arbeid bezig’ – een uitspraak die schril contrasteert met het feitelijke maatschappelijke engagement van de Russische bellettrist en publicist.
Segers (1885: 92) belooft aan zijn lezers om de hoofdwerken van Dostoevskij ‘zoo volledig mogelijk [te] doen kennen’. Toch zijn de enige romans die hij bespreekt Besy en Prestuplenie i nakazanie. Zapiski iz mërtvogo doma krijg slechts een korte vermelding in het biografische gedeelte. In deze selectie toont de criticus zich meer een volgeling van Courrière (1875) dan van De Vogüé (1885), die Besy slechts interessant vond vanuit didactisch oogpunt, en een veel grotere bewondering aan de dag legde voor Zapiski iz mërtvogo doma en Bednye ljudi.[23]
Voor zijn analyse van Besy haalt Segers, die deze roman zelf niet gelezen had – en hiertoe bij gebrek aan kennis van het Russisch en beschikbare vertalingen ook niet in staat was –, zijn mosterd bij Courrière, die meermaals uitgebreid geciteerd wordt. Er is echter een fundamenteel verschil in de aanpak van de Vlaamse criticus met die van de Franse literatuurhistoricus. Zo toont de eerste niet de minste belangstelling voor het maatschappelijke fenomeen van het nihilisme, de diepere thematiek van Besy, terwijl het de tweede precies hierom te doen was. Segers (1885: 92-3) vermeldt nergens dat de roman een satirische uitbeelding is van een groep nihilistische revolutionairen, maar blijft steken op het niveau van het oppervlakkige.
Onverwijld stort de Vlaamse criticus zich op de personages, die hij met een onverholen sensatiezucht voorstelt. Over Stavrogin zegt hij dat deze ‘gereed [is] de grootste dwaasheden te begaan, zich aan de laagste, schandelijkste daden over te geven om dierlijke genietingen te hebben’. De morele verontwaardiging die hier doorklinkt is groter dan bij Courrière, op wie deze analyse teruggaat. Om de schandelijkheid van het personage in kwestie te illustreren, wordt dan Šatov geciteerd, wanneer hij onder andere suggereert dat Stavrogin erger is dan markies de Sade en kinderen perverteert. Segers (1885: 92) schat het choquerende effect van deze woorden op zijn lezers in, en waarschuwt hen – met grote overdrijvingsdrang – dat dit slechts het topje van de ijsberg is:
Mogelijk zullen vele lezers bij deze uitboezeming weinig tevreden wezen. Zij dienen echter op voorhand te weten dat Stavroguine een engel is, in vergelijking met de andere personaadjes, die zullen optreden. Men vergete niet dat Dostoievsky ‘een zielkundig raadsel’ blijft.
Om nog een beter idee te geven van het verontrustende aspect van Dostoevskijs proza citeert Segers (1885: 93) vervolgens een lang fragment van Courrière, in eigen vertaling, waarin deze in een metaforische taal – symbolistisch avant la lettre – de zinsverbijstering schetst van de lezer wanneer hij voor het eerst Prestuplenie i nakazanie leest. Het geschetste universum is wanstaltig. De lezer zwerft door ‘enge, vuile, kromme straten’, waar ‘armoedige, oude huizen’ staan ‘waarvan het vocht afdruipt’. Van overal stijgen ‘ongezonde, zware dampen, muffe geuren’ op, ‘die slechts in die plaatsen worden ingeademd, waar de armoede, de ontucht en de misdaad wonen’. Deze wereld wordt enkel bevolkt door ‘verkwijnde, ziekelijke of akelige wezens’. Dan wordt de lezer inzicht verschaft in ‘de donkere kamers van deze [hun] hersens’. De akelige scene bereikt een hoogtepunt:
Dan deinst gij verschrikt achteruit. Gij bevindt u in tegenwoordigheid van eenen dollen duivel, van een zedelijk monster, welks gestel, hoewel volledig, in zijne voornaamste levenstuigen is ontaard. Gij woont de geboorte van een gedacht bij, hetwelk u slechts afgrijzen inboezemt. Gij vraagt u af, of dit alles wel mogelijk is. En wanneer de werkelijkheid terugkeert, voelt gij de ontzenuwing nog, en eenen onverklaarbaren schrik, door dezen droom te weeg gebracht.
Dat het citaat van Courrière in zijn oorspronkelijke context enkel betrekking had op Prestuplenie i nakazanie en geenszins op Besy, houdt de Vlaamse criticus voor zijn lezers verborgen. Overigens houdt het enige eigen commentaar dat Segers (1885: 94) hier plaatst, namelijk dat het ‘onmogelijk is om den Russischen schrijver beter te schetsen’, geen rekening met de pre-Siberische, sentimentalistische werken van Dostoevskij. Het globale beeld dat hij van de Russische schrijver schetst, is dat hij bedreigend is voor het morele welzijn van zijn lezer, omdat hij deze opzadelt met morele gedrochten en hem weerzinwekkende gedachten toont.
Het volgende personage van Besy dat besproken wordt is Kirillov, die zelfmoord pleegt om te bewijzen dat God niet bestaat. Hij wordt simpelweg afgedaan als stapelgek, dat is hij althans ‘in de oogen der Vlamingen en Nederlanders’. Deze uitspraak wordt niet genuanceerd, maar integendeel veralgemeend. Segers (1885: 94) meent namelijk dat ‘naar onze degelijke levensopvatting’ alle helden van Dostoevskij iets in het hoofd scheelt. Deze krankzinnigheid wordt in een volgende stap toegedicht aan de Russische schrijver zelf, die volgens de Vlaamse criticus de vertolker is van de nationale begrippen – tussen de regels lijkt hij hier te suggereren dat het hele Russische volk lotje getikt is. Tenslotte worden ook aan de schurkachtige personages Verchovenskij, Tolkačenko, Ėrkel en Šigalëv enige woorden gewijd – meer bepaald wordt hier het commentaar van Courrière inspiratieloos herkauwd.
Oorspronkelijker toont Segers (1885: 96-100; 117-29) zich bij de behandeling van Prestuplenie i nakazanie, wat ook logisch is, aangezien hij dit boek in tegenstelling tot Besy zelf gelezen had. Omdat hij deze roman, in navolging van De Vogüé, beschouwt als Dostoevskijs hoofdwerk, geeft hij hiervan een uitgebreide bespreking. Deze beperkt zich voornamelijk tot de plot en een aantal hoofd- en nevenpersonages, die gedetailleerd uit de doeken worden gedaan. De stijl wordt geheel veronachtzaamd. De weinig synthetische initiatie tot Prestuplenie i nakazanie is gelardeerd met stukken tekst die de Vlaamse criticus met enige vrijheid vertaald had uit Le crime et le châtiment. Kennelijk interesseerde hij zich in het bijzonder voor de theorie waarmee Raskol’nikov zijn moord rechtvaardigt: het geciteerde driemansgesprek hierover tussen de jonge moordenaar, zijn vriend Razumichin en de onderzoeksrechter Porfirij Petrovič neemt in dit artikel meer dan zes volle pagina’s in beslag.
Tot kritische beschouwingen over de nihilistische thematiek of tot een reële analyse komt Segers (1885: 123-5) niet: hij fronst slechts zijn wenkbrauwen. Zo illustreert de theorie van Raskol’nikov in zijn ogen enkel dat dit personage in een onverklaarbare zielkundige toestand verkeert. Deze komt volgens hem ook tot uiting in de scène waarin de moordenaar de voeten van Sonja kust. Overigens lijkt hij zich er over te verbazen dat deze ‘onteerde vrouw’ door de andere personages niet veracht wordt. Dit brengt hem bij het personage Lebezjatnikov, die hij ‘de voornaamste vertolker […] der nihilistische grondbeginselen’ noemt. Hij is zeer geïnteresseerd in deze radicale vrijdenker, die prostitutie ziet als verzet tegen de maatschappelijke orde en gelooft dat dit beroep in de toekomst een andere betekenis zal krijgen, maar voegt er wel aan toe dat men niet weet ‘of men wakker is, wanneer men hem zijne theoriëen [sic] hoort ontwikkelen’. Ook de ‘rare kerel’ Svidrigajlov brengt op hem een bevreemdend effect teweeg.
In zijn conclusie noemt Segers (1885: 129-30) Dostoevskij ‘een schrijver, die aan alle beoordeling ontsnapt’. Aangezien hij de besproken personages allen onbegrijpelijk, zelfs gek vond, is het enigszins vreemd dat hij hier zijn bewondering uit voor de psychologische portretten van Dostoevskij – wellicht is deze opinie simpelweg overgenomen van De Vogüé. Wel waarschuwt hij dat de werken van de Rus ‘eenen onverklaarbaren, akeligen indruk’ maken. Dit gegeven verklaart hij – en hierin is hij wel origineel – deterministisch, wat volgens Gobbers (1984: 10) de invloed kan verraden van de destijds modieuze theorieën van Taine: de kunst was ‘gelijk zij noodzakelijk zijn moest’. De Vlaamse criticus is namelijk van oordeel dat de kunst de hoogste synthesis is van het ‘denken en gevoelen, vreezen en hopen’ van een volk. Indien de kunst van een volk de lezers blij stemt, dan is dit een grote weldaad voor dat volk, want dat bewijst dat dit volk talent heeft voor geluk. Volgens Segers (1885: 130) mogen wat dat betreft de Vlamingen en Nederlanders – dat hij min of meer als één volk beschouwt – zich gelukkig prijzen. Dat het Nederlandse en Vlaamse volk een ‘jolige, eerlijke en goede natie’ is, moet blijken uit de waslijst aangehaalde kunstenaars, waartoe onder anderen de gebroeders Van Eyck, Memlinck, Rubens en Rembrandt behoren – Bosch wordt hier vanzelfsprekend niet vermeld. In het vervolg van zijn redenering geeft de Lierse onderwijzer zijn nationalisme vrije teugel, waardoor deze mystieke en profetische vormen aanneemt. Hij beweert namelijk dat in de ‘zedelijke gezondheid en levensblijheid’ van het Vlaamse en Nederlandse volk ‘het geheim harer [sic] kracht gelegen [is], waardoor zij in de geschiedenis zooveel luister verspreidde, waardoor zij in de toekomst harer [sic] ouden roem zal herwinnen’. Tegenover de Nederlanders en Vlamingen, die trots mogen zijn dat ze de levenskunst verstaan, worden de Russen geplaatst:
De Russische kunstenaars zijn somber gestemd, omdat het Slaafsche volkskarakter van nature droefgeestig is. De vertegenwoordigers der hoogste standen, zoowel als de ellendigste wezens; grijsaards en maagdelijnen; veldheeren en galeiboeven verklaarden zich in vele gelegenheden aanhangers van het zwartste pessimismus, dat geen zin heeft voor al de genoegens welke het leven in zoo ruime mate oplevert.
Behalve bij Dostoevskij stelt Segers ook een ongeziene portie ‘bedrogen hoop en bitterheid’ vast bij andere Russen, de schilder Vereščagin, bij Lermontov en Turgenev, die als zodanig de nationale volksgeest van Rusland zouden uitdrukken. Deze studie van Dostoevskij eindigt met een pathetische oproep aan de Vlamingen en Nederlanders om nooit te vergeten dat de kunst de ‘schoone uitdrukking van ons nationale leven’ is. Het komt er op aan om conform de eigen volksgeest over mooie, deugdzame zaken te schrijven:
Bezingen wij al de eigenschappen van ons edel karakter; dringen wij diep in het hart onzer landgenooten door, doch zorgen wij vooral, dat die deugden niet verdoken blijven, welke aan het minst geoefend oog niet ontsnappen. Dan zal men later van de werken onzer tijdgenooten kunnen getuigen, hetgeen onlangs een Fransch schrijver van de meesterstukken onzer groote voorouders verklaarde: ‘Si cette race immortelle devrait disparaître du monde, on la retrouverait toute entière dans les productions de son genie.[24]
Uit deze studie, in het bijzonder uit de conclusie, blijkt ontegensprekelijk dat Segers volstrekt niet de bedoeling had om Nederlandse en Vlaamse lezers aan te zetten tot het lezen van Dostoevskij, maar integendeel een pleidooi hield opdat de Nederlandse literatuur gevrijwaard zou blijven van het pessimisme en het moreel bedenkelijke, dat typisch zou zijn voor de Slavische volkeren in het algemeen en het Russische in het bijzonder. Daarbij gebruikte hij Dostoevskij, die hij slechts kende van de vertaling Le crime et le châtiment en van de studies van Courrière en De Vogüé, om de morele superioriteit van zijn eigen volk te poneren. Met het oog hierop werd het universum van de schrijver eerst neergetekend als bijzonder verontrustend – niet toevallig heeft een sentimentele, moreel hoogstaande liefdesgeschiedenis als Bednye ljudi in deze studie geen plaats – en vervolgens gebombardeerd tot spiegel van het Russische zielsleven. Vandaar ook dat Besy niet wordt geduid als de satirische uitbeelding van nihilisten; de lezer moet denken dat het een kunstzinnige weergave is van de Russische mens in het algemeen. Overigens zit in dit artikel een tegenspraak besloten: enerzijds wijt Segers (1885: 90) de sombere aard van Dostoevskij aan het feit dat hij zijn jeugd doorbracht in een gasthuis voor armen – deze inlichting is overgenomen van De Vogüé –, anderzijds geeft hij in zijn conclusie aan dat de kunst van Dostoevskij somber is omdat deze de uitdrukking is van de Slavische geest, die van nature somber is.
Gobbers (1984: 7), die het artikel van Segers vergeleek met de latere studies van Busken Huet (1886) en Ten Brink (1886), heeft er terecht op gewezen dat de Vlaming in zijn artikel de religieuze of evangelische dimensie van Dostoevskijs oeuvre volledig veronachtzaamt, hoewel hij De Vogüé (1885) als bron gebruikte.[25] Wat hij echter onvoldoende benadrukt, is dat de Franse burggraaf op een gouden schoteltje van welsprekendheid critici als Segers tal van argumenten had aangereikt om Dostoevskij te beschouwen als een onwenselijk curiosum. Nog afgezien van de artistieke bezwaren, had ook hij ernstige twijfels geuit over de morele waarde van Prestuplenie i nakazanie – die door Segers overigens als zodanig niet veroordeeld wordt, aangezien deze in zijn ogen nu eenmaal getrouw is aan de Russische volksgeest – en over de psychische gezondheid van Dostoevskijs personages. Het conservatieve nationalistische receptiemotief van Segers lijkt daarentegen wel oorspronkelijk. Gobbers (1984: 15), die niet stilstaat bij het feit dat de criticus voor de Vlaams-Nederlandse markt schreef en de Vlamingen en Nederlanders min of meer als één volk beschouwde, ziet hierin een typisch Vlaams fenomeen:
Het steunt namelijk op het typische argument van de kleine en zwakke literatuur [de Vlaamse], die, in haar behoefte haar bestaansrecht te verzekeren in de drukkende schaduw van de machtige Franse buur en rivaal, steun zocht in het voorbeeld van het buitenland. En Dostojevski was in dat opzicht inderdaad een bijzonder inspirerend voorbeeld.
Ook al instrumentaliseerde Segers (1885) Dostoevskij om zijn stelling te poneren dat ieder volk kunst moest creëren conform zijn eigen geest, en er tussen de regels voor pleitte om de grenzen tussen de veronderstelde verschillende literaturen te bewaken, feit blijft dat hij één van de eersten was in Vlaanderen én Nederland die de Russische auteur uitgebreid ter sprake brachten. Behoudens het artikel van Segers is slechts één andere Dostoevskij-studie in het Nederlands bekend die in het jaar 1885 gepubliceerd werd. De auteur hiervan is niemand minder dan Busken Huet, die herinnerd wordt als ‘de begenadigste, de meest gevreesde en soms onbillijkste Nederlandse criticus van de negentiende eeuw’.[26]
busken huet: in de ban van de rusland-hype te parijs
Conrad Busken Huet (1826-86) was afkomstig uit een oude Hugenoten-familie. Na zijn studie theologie in Leiden was hij enkele jaren verbonden met de Waalse kerk in Haarlem. Zijn relatie met de kerkelijke autoriteiten verzuurde echter, wat hem ertoe bracht om zich in 1862 helemaal aan de literatuur te wijden. Gedurende de twee hierop volgende decennia schreef hij talloze bijdragen voor verscheidene kranten en culturele bladen, waaronder De Gids, Opregte Haarlemsche Courant en Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië. Als literair criticus introduceerde hij in navolging van Saint-Beuve de psychologische beschouwing van persoon en werk. Hij nam geen blad voor de mond en schiep er genoegen in om tegen de schenen van gevestigde Nederlandse schrijvers te schoppen, wat hem de bijnaam ‘de beul van Haarlem’ en een geïsoleerde positie opleverde. Zijn imago werd zwaar beschadigd door het uitkomen van zijn betrokkenheid bij een project om de liberale pers in Nederlands-Indië te muilkorven. Evenmin heilzaam voor zijn reputatie was de publicatie van zijn naturalistische roman Lidewyde (1868), die in de kritiek vergeleken werd met Madame Bovary van Flaubert – wat toen in Nederland neerkwam op een banvloek.[27] Onder invloed van zijn cultuurpessimistische visie op zijn moederland, waarvan hij tijdens zijn jarenlang verblijf in Nederlands-Indië ook vervreemd was, besloot hij voorgoed te emigreren naar Parijs, waar hij in mei 1886 stierf. Tot op het einde van zijn dagen heeft hij zijn ongenoegen geuit over de middelmatigheid van de Nederlandse literatuur. Hij was echter niet meer in de positie om veel te veranderen; die rol was inmiddels overgenomen door de Tachtigers.[28] Toch kan aangenomen worden dat Huet erin geslaagd is de interesse voor de Russen in Nederland aan te wakkeren.[29]
De Dostoevskij-kritiek van Busken Huet maakt deel uit van een bredere studie over de eigentijdse Russische literatuur, die in 1885 verscheen in het in 1849 opgerichte maandschrift Nederland. Prosa en poëzie van Nederlandsche auteurs, en een jaar later opgenomen werd in het 23e deel van zijn veel gelezen Litterarische fantasien en kritieken. Daar de Nederlandse criticus zich in Parijs bevond toen hij deze letterkundige studie – één van zijn laatste – schreef, is het aannemelijk dat hij hiertoe indien zo niet gemotiveerd, dan toch aangemoedigd werd door de doorbraak in Frankrijk van de Russische romanciers. De opgegeven secundaire bronnen met betrekking tot de zogenaamde Slavische beweging en Tolstoj – Huets Russische lievelingsschrijver – zijn in ieder geval exclusief Frans. In het onderdeel over Dostoevskij worden geen secundaire bronnen met naam genoemd, maar Busken Huet heeft het slechts over studies van ‘verschillende tijdschriften’. Het is echter onwaarschijnlijk dat hij de ruchtbare artikelen van De Vogüé over Russische literatuur in Revue des deux mondes niet gelezen had.[30]
De aanloop die Busken Huet (1886: 44) neemt om het over de Russische letteren te hebben, start bij zijn observatie van de opkomst van het ‘slavisch ras’ in het algemeen en van Rusland in het bijzonder. Deze opkomst is in zijn ogen ‘een van de kapitale feiten der nieuwere geschiedenis’. Het gaat niet om de ‘halffransche Russen’ uit het begin van de 19e eeuw of om de Baltische Russen, ‘die halve Duitschers zijn’, maar wel om de ‘groote afdeling der Slavische volkegroep welke het eigenlijk Rusland vormt en in de laatste jaren Centraal-Azië veroverde’. Na enkele beschouwingen over de diversiteit van de Slaven die Centraal- en Oost-Europa bevolken, geeft hij aan dat het ontwaken van het zogenaamde Slavisch bewustzijn zich in de eerste plaats in Rusland afspeelt. Volgens hem is dit zowel oorzaak als gevolg van het afschaffen van de lijfeigenschap door Alexander II. De veertig miljoen Russen vormen een van de weinige Slavische volkeren met een eigen natie. ‘En onze tijd,’ zo meent Busken Huet (1886: 45), ‘is er getuige van dat dit volk zijne plaats komt eischen onder de zon.’
De Nederlandse criticus is verbaasd dat in West-Europa over de Slavische volkeren lange tijd weinig bekend was. Hierin is slechts toevallig verandering gekomen door het oprichten van een leerstoel slavistiek bij het Collège de France in 1840. Hij hekelt het feit dat deze leerstoel eerder bedoeld was als gunst aan Mickiewicz dan als een ernstige poging om de kennis over de Slavische literatuur te verspreiden. Hij heeft voor de academische prestaties van de Poolse dichter in ballingschap dan ook weinig lof. De reden die wordt opgegeven is dat Mickiewicz in zijn leerstoel aan Rusland amper een plaats toekende. ‘De poëet, de patriot, benevelde den blik van de filoloog,’ zo klinkt het bij Busken Huet (1886: 46). Behalve de oprichting van een Slavische leerstoel aan het Collège de France worden ook andere oorzaken genoemd voor de groeiende belangstelling in de Slavische wereld: de Europese omwentelingen van 1848 en de zogenaamde Slavische beweging, waarin de Russische letteren een centrale plaats innemen – meer recente (internationaal) politieke factoren, zoals de imperialistische politiek van Bismarck of het Frans-Russische bondgenootschap komen hier niet aan bod. Volgens Busken Huet (1886: 47), die hierin vooruit loopt op de stand van zaken, is de Russische literatuur intussen ‘europeesch gemeenbezit’ geworden.
De inleiding van zijn studie over de Russische letteren eindigt Busken Huet (1886: 47-8), die in Parijs getuige was van een in kracht en omvang groeiende Rusland-hype, met de enigszins provocerende opmerking dat als ‘de zonen der nu levende Nederlanders op de hoogte van hun tijd wenschen te blijven’ ze Russisch moeten gaan leren. Hieraan voegt hij de aanbeveling toe om in ‘minstens één der rijksuniversiteiten weldra een leerstoel voor de Slavische talen’ op te richten. Men kan vermoeden dat dit pleidooi in Nederland voor wenkbrauwgefrons heeft gezorgd. In ieder geval heeft het geen grote bijval gekregen, aangezien de eerste leerstoel voor slavistiek pas opgericht zou worden in 1913.
Busken Huet (1886: 48) schetst de belangstelling voor Russische literatuur in Europa als een zeer recent fenomeen, dat met Turgenev begonnen is. Wel merkt hij zelf op dat deze voorstelling van zaken misschien ‘te zeer een hollandsch karakter draagt’. Immers, in Duitsland werd de Russische literatuur al langer bestudeerd en ook in Frankrijk hadden schrijvers als Gogol’ en Turgenev al een solide reputatie ‘toen in Nederland hunne namen nog voor het eerst genoemd moesten worden’. De enigszins laatdunkende toon kan verbazen, indien men tenminste de ontdekking van Willemsen (1989b: 74) in aanmerking neemt dat de eerste kennismaking van Busken Huet met Turgenev, tot stand gekomen onder invloed van zijn mentor Potgieter, gespeend was van enthousiasme.
Op de vraag naar de redenen van doorbraak van de Russische roman in Europa geeft Busken Huet (1886: 48-9) een tweeledig antwoord. Ten eerste is het aan de voortreffelijke, originele en frisse kwaliteiten van de roman zelf te danken – een mening die ook De Vogüé was aangedaan. Wat de ex-predikant benadrukt, is dat de Russische schrijvers een boodschap hebben. Het zijn geen ‘broodschrijvers’ of ‘fabrikanten van litteratuur’, maar ‘geboren dichters in proza, bij voorkeur heldedichters’. Ten tweede dankt de Russische roman zijn Europese doorbraak aan het feit is dat hij een bron van kennis vormt over het nog onbekende Russische rijk.
In tegenstelling tot degenen die zich sinds de romantiek scharen achter de door de Russische dichter Tjutčev pregnant geformuleerde mystieke idee dat Rusland – zogezegd in tegenstelling tot andere naties – rationeel niet te vatten is, gelooft Busken Huet (1886: 48) dat de westerse lezer wel degelijk in staat kan worden gesteld om de schijnbaar raadselachtige gebeurtenissen in Rusland min of meer te begrijpen. Met name de Russische roman kan als sleutel fungeren. Deze speelt de criticus uit tegen de vaak goed geschreven, maar veelal nietszeggende romans waaronder de westerse markt bedolven wordt – mogelijks was hij daarbij geïnspireerd door Courrière (1875: vi), die een decennium eerder ongeveer dezelfde uitspraak had gedaan.
De eigenlijke bespreking van Dostoevskij beperkt zich in deze studie tot beknopte biografische inlichtingen en een bespreking van Prestuplenie i nakazanie, het enige werk van de Rus dat de criticus naar eigen zeggen kende. Veel sympathie wordt aan de dag gelegd voor het progressieve gedachtegoed dat Dostoevskij in Siberië deed verzeilen. Deze veroordeling wordt voorgesteld als een logisch gevolg van ‘zijne fatsoenlijke afkomst, zijne beschaafde opvoeding, zijn ontluikend genie, zijne onafhankelijke denkwijs’. Busken Huet (1886: 50) beweert zelfs dat Dostoevskij geen goede Rus zou zijn geweest als hij onder Nicolaas I niet tot enkele jaren dwangarbeid veroordeeld was. Tegelijkertijd slooft hij zich uit om duidelijk te maken, in de hem typerende stijl, hoezeer Siberië voor de Russische schrijver een beproeving was: hiervan kunnen de ‘bedorven kinderen der rustige rust die wij zijn, groot geworden bij moeders pappot’ zich moeilijk iets bij voorstellen. Deze ervaring stelt de criticus niettemin voor als iets positiefs, want louterend voor zowel het karakter als het talent van Dostoevskij.
Ondanks zijn onverholen sympathie voor het revolutionaire gedachtegoed waarmee de jonge Russische schrijver flirtte, wil Busken Huet (1886: 51) het ook hebben over de tekorten van de jonge hervormers waartoe deze behoorde: zoals Dostoevskij zelf later inzag, waren het utopisten, die niet in staat bleken om het volk te overtuigen. Kort door de bocht is dan weer de bewering dat Dostoevskij voorafgaand aan zijn Siberische ballingschap enkel omging met ‘de jongelieden van zijn eigen stand’ – hieruit blijkt dat de kennis van de criticus over de biografie van de behandelde auteur, die in feite al vanaf zijn prille kindertijd omgang had met het gewone Russische volk, te wensen overliet.
Centraal in Busken Huets bespreking van Prestuplenie i nakazanie staat, zoals voor de hand ligt, de figuur van Raskol’nikov. In de ogen van de criticus is hij een utopist, die in aanraking komt met de Petersburgse volksklasse. Met name het realisme waarmee de ontmoetingen tussen de student en het volk geschilderd zijn, maakt de waarde van het boek uit. Pas in tweede instantie toont de criticus interesse voor de afschuwelijke dubbele moord. Hij veronderstelt dat deze zijn toehoorder zal verbazen, eveneens als de positieve rol van Sonja, ‘eene genumeroteerde [sic] jonge dochter’. Veelzeggend over de Nederlandse literatuur is dat Busken Huet (1886: 51-2) de kritiek anticipeert dat Dostoevskij door het samenbrengen van een prostituee met een sluipmoordenaar indruk zou willen maken op ‘de bedorven verbeelding van onwaardige lezers’. Met het oog hierop stelt hij Sonja, die trouw gebleven is aan het christelijke mysticisme dat typisch is voor het Russische volk, voor als het prototype van de zondares uit het Nieuwe Testament. Deze interpretatie grijpt de ex-predikant aan om te benadrukken dat Dostoevskij in Siberië dankzij het Nieuwe Testament bekeerd is tot het ‘nationaal christendom’, zoals hij de Russisch-orthodoxe kerk verhullend noemt. De Russische auteur heeft het nihilisme de rug toegekeerd, omdat het hem duidelijk is geworden ‘dat Rusland uit de evangelische geschiedenis een eerbied en ene deernis voor het lijden put, een gevoel van hulde voor de berusting’.
Eerder dan in een gedetailleerde weergave van de plot of van de ‘ziektegeschiedenis […] van den moordenaar’ is Busken Huet (1886: 53) geïnteresseerd in de oorzaak van het mislukken van Raskol’nikovs plan. Hij schuift opnieuw een christelijke interpretatie naar voren: met al zijn overmoed en logica is de student niet opgewassen tegen het Bijbels gebod ‘Gij zult niet doodslaan!’. Na de moord doet hij dan ook niets anders dan ‘beven als een juffershondje’, waardoor hij zichzelf verraadt. Na deze pittige uitspraak wijst de criticus erop dat de toon waarop Dostoevskij zich over de moordenaar uitlaat ‘edelmoediger en humaner’ is. De reden hiervoor is dat de Russische schrijver, afgezien van de dubbele moord, zelf een Raskol’nikov is geweest:
een russische knaap met eene gebersten hersenpan, een martelaar van het russisch despotisme, een broodeloos staatkundig hervormer, iemand met te veel wilskracht om in zijn noodlot te berusten, en met te weinig om uit het kwade iets goed te doen voortkomen.
Omdat het standpunt van de auteur jegens zijn geesteskind er één is van inleving, zonder verachting of bewondering, gaat ook de lezer tot op het einde mee met ‘den jongen Rus en moordenaar’.
Zijn opstel over Dostoevskij eindigt Busken Huet (1886: 54) op een positieve, acceptabele noot, met een beknopte weergave van de epiloog – die in vele Duitse en Franse kritische teksten veronachtzaamd werd: Raskol’nikov, in de figuur van Sonja bijgestaan door ‘het lijdend Moskovie’, wordt zich bewust van zijn misstap, maar blijft van de wanhoop gevrijwaard dankzij zijn geloof in de toekomst van Rusland. Zijn uiteindelijke houding is er een van berusting en deemoed, wat goed past in de sterk christelijk gekleurde visie van Busken Huet op Prestuplenie i nakazanie.
In zijn interpretatie van Dostoevskijs antinihilistische roman is de ex-predikant uit Haarlem niet opvallend schatplichtig aan De Vogüé of andere buitenlandse critici. Zoals hijzelf aangaf, was deze rechtstreeks tot stand gekomen onder indruk van de Franse vertaling Le crime et le châtiment en de Duitse Raskolnikow. Van de Nederlandse vertaling Schuld en boete is, in tegenstelling tot wat Gobbers (1984: 5) doet uitschijnen, in zijn studie geen sprake. Dit kan drie zaken betekenen: ofwel was deze tekst nog niet verschenen, ofwel had het nieuws van de publicatie hem nog niet bereikt, ofwel – minder waarschijnlijk, maar niet uitgesloten – vond hij het niet waard deze vertaling te vermelden.
3 Schuld en boete: publicatie en recensies (1885-86)
een duitse lauwerkrans
Met het driedelige Schuld en boete zette Adrianus Rössing in 1885, dus drie jaar na de Duitse vertaling Raskolnikow en amper één jaar na de Franse vertaling Le crime et le châtiment, de allereerste Nederlandse boekvertaling van Dostoevskij op de markt. Over deze uitgever, gevestigd in ’s Gravenhage, is weinig geweten. Hij leefde van 1844 tot 1925 en was de broer van de toneelcriticus Johann Hermann Rössing. In de jaren 1885-87 voerde hij een intensieve professionele briefwisseling met de dichter Albert Verwey.[31] Uit de collecties van antiquariaten blijkt dat A. Rössing in de eerste helft van de jaren 1880 behalve diens gedichten ook een reeks binnen- en buitenlandse toneelstukken publiceerde. Bekend is hij als uitgever echter nooit geworden – in tegenstelling tot de Franse en Duitse uitgevers die Dostoevskijs eerste romans uitbrachten.
Nog groter is de obscuriteit waarin de vertaler van Schuld en boete gehuld gaat. Het op de titelpagina aangegeven pseudoniem ‘Petros Kuknos’ komt niet voor op de titelpagina’s van werken die bewaard worden in de talloze geraadpleegde antiquariaten, bibliotheken en bibliografieën.[32] In het interbellum heeft Romein (1924: 18), zich baserend op het feit dat ‘κύκνος’ Grieks is voor ‘zwaan’, de plausibele kýknos
veronderstelling geuit dat achter dit pseudoniem een man genaamd Pieter Zwaan zou schuilgaan. Een speurtocht naar een vertaler met een dergelijke naam in digitale encyclopedieën van antiquariaten en bibliotheken heeft echter niets opgeleverd.[33] Tevens heeft men er het raden naar wat de motieven van de vertaler waren om zich te verschuilen achter een pseudoniem. Een voor de hand liggende reden is schrik om met de vinger gewezen te worden voor het vertalen van een werk van moreel bedenkelijk allooi. Ook mogelijk is dat de vertaler als zodanig weinig of geen ervaring had, en dat de uitgever er uit commerciële overwegingen op had aangedrongen dat hij zijn naam verborgen zou houden – kwestie van het professionele imago van de uitgeverij niet te schaden. Deze hypotheses kunnen evenmin hard gemaakt als ontkracht worden.
Enerzijds doet de titel van deze vertaling, Schuld en boete, vermoeden dat de uitgever vooral aansluiting zocht bij de Franse vertaling Le crime et le châtiment, waarop in de Nederlandse letterkundige pers al meermaals gealludeerd was. Anderzijds is de doeltekst vrijwel volledig tot stand gekomen via de Duitse vertaling Raskolnikow.[34] Een voor de hand liggende verklaring voor de lichtjes hybride oorsprong van de Nederlandse vertaling, is dat haar publicatie aangemoedigd was door het monstersucces van zowel Le crime et le châtiment in Frankrijk als Raskolnikow in Duitsland. Toch is er een reden om aan te nemen dat de Duitse waardering voor Prestuplenie i nakazanie de doorslag gaf voor de publicatie van Schuld en boete: in het voorwoord wordt namelijk verwezen naar het lovende oordeel van een groot aantal critici, waarvan het overgrote deel van Duitse afkomst.
De eerste criticus die in het voorwoord van Schuld en boete (1885: [ii-iii]) aan bod komt is Georg Ebers, die de roman in de eerste plaats apprecieert als ‘teekening naar het leven van een geweldig zielkundig proces en van beklagenswaardige sociale toestanden’. Zijn aanbeveling is enigszins ambigu. Enerzijds wordt hij bijzonder geraakt door de liefde tussen Raskol’nikov en Sonja, de ‘door hagelslag beschadigde blanke lelie’. Anderzijds argumenteert hij dat ‘dit vreeslijke boek’ dubbel gruwelijk is: ten eerste omdat het waar is en ten tweede omdat het de lezer aangrijpt en vernedert. Minder verwarrend is het commentaar van de tweede geciteerde criticus: ‘de beroemde hoogleeraar’ Georg Brandes. Deze voorspelt dat de protagonist van deze roman de reputatie van de schrijver zal vestigen ‘als een onvergelijkelijken meester in de pathologische psychologie’. Hieraan voegt hij een didactisch argument toe om Prestuplenie i nakazanie te lezen: het is te beschouwen als ‘de voornaamste [kennis-]bron van de wordingsgeschiedenis van het moderne Rusland’. Ten derde wordt ook geciteerd uit de recensie van de anonieme C. (1884) in De Amsterdammer. Op deze verdoken manier werd de interpretatie van Courrière (1875) verspreid dat Raskol’nikov geen socialist is, maar de incarnatie van de strijd tussen nihilisme en realiteit. Aan de lof van deze drie critici wordt een waslijst toegevoegd van niet minder dan acht literatoren die een ‘dergelijk oordeel vellen’: ‘Paul Heyse, Fr. Bodenstedt, Jul. Grosze, Rob. Waldmüller, Hyronym. Lorm, E.A. König, R. Döhn, L. Laistner, e.a.’ Deze toevoeging laat er geen twijfel over bestaan: behoudens het citaat uit De Amsterdammer is dit voorwoord op Schuld en boete een vertaling van de reclameadvertentie die Wilhelm Henckel, de Duitse vertaler van Raskolnikow, korte tijd daarvoor op grote schaal had laten plaatsen in talrijke Duitse tijdschriften en boekpublicaties.[35]
Ten einde de verkoop van Schuld en boete te maximaliseren, liet Rössing advertenties plaatsen in letterkundige tijdschriften. Bijvoorbeeld verscheen in het najaar van 1885 in De Amsterdammer een selectie van lovende citaten over dit boek van George Ebers, aangeprezen als ‘de schrijver van Een Egyptische Koningsdochter’, George Brandes en ook uit de studie in Nederland van Busken Huet.[36] De uitgever sorteerde het gewenste effect, tenminste in die zin dat van Schuld en boete recensies verschenen in talrijke kanalen van de Nederlandse letterkundige pers, waaronder Nederland, De portefeuille, De Nederlandsche spectator, De lantaarn en Het leeskabinet.[37]
nederland: de kunst onwaardig
De gezagsargumenten van Rössing om Schuld en boete te populariseren vielen niet bij iedereen in de smaak. In het maandblad Nederland werd hierover een agressief vonnis geveld door een anonymus die zich verschool achter de letter ‘W.’ (1886: 225).[38] Onder de slogan ‘goede wijn behoeft geen krans’ hekelt hij in de inleiding van zijn recensie de verwijzingen die Rössing in het voorwoord van Schuld en boete had opgenomen naar de lofbetuigingen van vooraanstaande Duitse critici. Hij laakt de mening, die hij toeschrijft aan de uitgever, dat ‘waar George Ebers […] den loftrompet steekt, alle Nederlandsche critici, in eerbiedig opzien tot den grooten maestro, eenparig hun snarentuig in denzelfden toon zullen stemmen’. Voor de dissonantie zorgt W. zelf: zijn betoog is een aaneenschakeling van ergernissen, die slechts een enkele maal onderbroken wordt voor een gematigd positieve noot.
Het eerste punt van ergernis betreft het taalgebruik, wat ten laste van de vertaler wordt gelegd. De recensent klaagt dat de tijd van een vertaler als Jacob Geel voorbij is, omdat ‘het taalgevoel der Hollandsche lezers […] waarlijk niet ontwikkeld en verfijnd [wordt] door de vertaalde romans die jaarlijks bij honderdtallen de pers verlaten’. Ter illustratie van de erbarmelijke stijl van Schuld en boete citeert hij maar liefst zeven zinnen of zinsdelen die hem als onnatuurlijk voorkomen.
Het tweede punt van ergernis betreft de keuze van uitgebeelde onderwerpen, wat vanzelfsprekend ten laste wordt gelegd van Dostoevskij zelf. Hij sleurt de lezer ‘door het diepste slijk’, schildert ‘tooneelen van de grofste verdierlijking’ en ‘verzuimt niet ons schoonheidsgevoel op elke bladzijden een gevoeligen knak toe te brengen’. Drie passages in het bijzonder doen de recensent walgen: het doodranselen van het paard, de toestand in het huis van de familie Marmeladov en het autobiografisch relaas van de losbandige Svidrigajlov.
De enige sterkte die W. (1886: 226-7) in Schuld en boete benoemt, is dat het ‘uit zielkundig oogpunt niet van waarde ontbloot is’. Meer bepaald herkent hij de meesterhand in het portret van het beklagenswaardige hoofdpersonage, dat onder invloed van nihilistische theorieën zijn medemensen heeft opgedeeld in twee categorieën: de gewonen en de ongewonen. De moord is bedoeld als zelftest: Raskol’nikov wil nagaan of hij daadwerkelijk tot de laatste categorie behoort. Voor de recensent, die de moraal hoog in het vaandel draagt, is het duidelijk dat de student ‘nog te zeer mensch is om het gruwzame van zijn misdrijf niet te begrijpen en te voelen dat hij voortaan geen recht meer heeft zijn plaats in de maatschappij in te nemen’. Om deze reden valt hij ten prooi aan vreselijk psychisch leed, tot hij zich op aandringen van Sonja gaat aangeven.
In het laatste stuk van zijn recensie reikt W. (1886: 227-9) de lezer een selectie aan van aanstootgevende en bevreemdende elementen, waarmee hij te kennen geeft dat de psychologische verdiensten niet opwegen tegen de gebreken van Schuld en boete. Ten eerste de lentedroom van Raskol’nikov. Hierin staat een ziekelijk meisje centraal dat heel klein en heel lelijk was. Het hoofdpersonage meent: ‘als zij lam was geweest of een bochel had gehad, had ik nog meer van haar gehouden’. Ten tweede de bewering van een nevenpersonage dat hij een gelukkig huwelijk heeft gehad, aangezien hij de knoet in zeven jaar slechts tweemaal heeft moeten gebruiken – hieruit wordt gretig de conclusie getrokken dat het huwelijk in Rusland in het algemeen geen pretje is. Ook het derde element illustreert deze stelling: de fysieke geweldplegingen waarmee Marmeladov onthaald wordt door zijn echtgenote wanneer hij dronken thuiskomt. W. noemt de beschrijving hiervan ‘in de hoogste mate walgelijk’. Tot slot van deze selectie worden enige woorden gewijd aan de gasten van het begrafenismaal voor Marmeladov. Onder hen bevinden zich figuren die door Dostoevskij geportretteerd worden als ‘een kleine, leelijke, sprakelooze kantoorklerk in een jas, die glom van het vet, zijn gezicht vol puisten, die een akelige stank verspreidden’ en ‘een vent met een ongewassen gezicht, ongekamde haren en een wegrottende neus’. De recensent meent met deze voorbeelden voldoende duidelijk gemaakt te hebben dat aan Schuld en boete geen kunstgehalte kan worden toegeschreven:
Den lezers van Nederland sparen wij de verdere bizonderheden van dit maal, waar de liederlijkheid hoogtij viert en de fantasie ontwijd wordt door voorstellingen van toomelooste [sic] losbandigheid. Waar de beschrijving van dergelijke bacchanalieën ons voor meesterwerk wordt opgedrongen, daar wendt de Kunst haar aangezicht af en versmaadt een harer zoo onwaardig offer.
Op basis van deze argumenten – die niet esthetisch, maar wel ethisch van aard zijn – betwijfelde de kenner van de Nederlandse literatuur of Dostoevskij inderdaad, zoals George Brandes voorspelde, ‘over de geheele “beschaafde” wereld verbreid en “bewonderd” zal worden’.
van der meij: geen boek voor gewone lezers
De bespreking van Schuld en boete in het gezaghebbende De Nederlandsche spectator, dat sinds zijn oprichting in 1860 door vernieuwingsgezinde jongeren als spreekbuis werd gebruikt,[39] is ondertekend door ene Wolfgang. Kingma (1981: 172) vermoedt dat achter dit pseudoniem Wolfgang van der Meij schuilgaat. Deze identificatie is juist, zoals blijkt uit Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers van Kempenaer (1970: 492). De recensie in De portefeuille is van de hand van ene Prawda-Matka, een Slavische codenaam die door Kingma (1981: 156) niet gekraakt werd. Opmerkelijk genoeg blijkt het om dezelfde Van der Meij te gaan. Immers, volgens Van den Branden en Frederiks (1891) schreef deze literator in De portefeuille kritieken van Russische werken onder de schuilnaam ‘Pranda-Motka’ [sic], wat onmiskenbaar een verbastering is van Prawda-Matka. Van der Meij was dus op zijn eentje verantwoordelijk voor beide recensies van Schuld en boete die door Kingma in de letterkundige pers werden teruggevonden. Toelichting bij het leven en werk van deze persoon dringt zich op.
Hendrik Wolfgang van der Meij (1842-1914)[40] werd geboren te Gronau in West-Falen, net over de Nederlands-Duitse grens, als zoon van een beroepsmilitair. Hij trad in de voetsporen van zijn vader en ging in 1859 in dienst bij het zogenaamde Instructie-bataillon. In 1865 werd hij officier bij de infanterie, waar hij opklom tot eerste luitenant. Beroepshalve en tijdens zijn verlofperiodes bereisde hij verscheidene streken van Europa, meestal te voet. Zijn drijfveer was romantisch van aard: hij was ontgoocheld in zijn eigen cultuur, die hij onnatuurlijk vond, en hoopte verademing te vinden in exotische, buitenlandse culturen.[41] In 1877 schreef hij over zijn kennismaking met Noorwegen Wandelingen in Noorwegen – dit waren zijn eerste stappen in de letterkunde.
Volgens zijn eigen getuigenis[42] werd Van der Meij in die jaren ook sterk aangetrokken ‘door het veelbewogen Russische leven’, en maakte hij zich daarom moeizaam de Russische taal eigen. Hij vroeg aan het ministerie van defensie de toestemming om een reis naar Rusland te maken, maar dit werd hem om onbekende redenen geweigerd.[43] De militair was vooral geïnteresseerd in het Russische nihilisme, zoals blijkt uit het feit dat hij zijn kennis van de Russische taal aanwendde om in 1879 bij W.C. de Graaf in Haarlem het werk Rusland en het nihilisme te laten verschijnen. In hetzelfde jaar mocht hij vervroegd op pensioen omdat hij tijdens zijn dienst een hartkwaal had opgelopen. Hij had toen ongeveer de helft van zijn leven achter zich. De volgende helft zou hij vrijwel geheel in het teken stellen van de letterkunde.
Hoewel de roem van Van der Meij als criticus beperkt is gebleven – het ontbrak hem mogelijk aan letterkundige vorming – heeft hij een groot aantal recensies gepubliceerd in verscheidene letterkundige tijdschriften. In 1883 schopte hij het tot vast recensent van De Nederlandsche Spectator, waarin hij tot 1907 de literaire nieuwigheden op de voet volgde.[44] Wel kreeg hij vooral de tweede- en derderangstitels ter recensering. De werken die echt belangrijk werden bevonden kwamen namelijk terecht bij andere recensenten.[45] In de eerste helft van de jaren 1880 vertaalde Van der Meij ook enkele boeken uit het Russisch, te beginnen met In den kruitdamp van N.N. Karazin. [46]
Behalve in enkele vertalingen kwam de belangstelling van Van der Meij voor Slavische literatuur tot uiting in kritische stukken. Een van de eerste Slavische auteurs die hij behandelde was Puškin. Zijn studie over de dichter is echter een bewerking van een Franse bron en als zodanig weinig oorspronkelijk. Enige bekendheid als kenner van de Slavische letteren verwierf hij met het artikel, uniek in zijn opzet, ‘Het Servische epos’, dat in 1885 gepubliceerd werd in Nederland. Vervolgens richtte hij zijn aandacht opnieuw op Rusland. Van de moderne Russische romanciers was hij vooral onder de indruk van Gogol’ en Tolstoj, over wie hij dan ook uitgesponnen lovende essays schreef. Daarbij steunde hij op originele bronnen, maar ook op de deskundigheid van De Vogüé.
Hoewel Van der Meij net als Dostoevskij een grote behoefte had aan de erkenning van een transcendente wereld – dit blijkt uit zijn filosofisch geschrift Het aardsche heldendom (1881), waarin hij voor het eerst stelling nam tegen het Franse naturalisme – had hij van deze Rus een minder hoge pet op dan van Tolstoj. Dit valt gemakkelijk af te leiden uit de recensies van Schuld en boete die hij in 1886 liet verschijnen in twee veel gelezen literaire tijdschriften: De Nederlandse spectator en De portefeuille. Opmerkelijk is dat het de redactie van het eerstgenoemde tijdschrift was die in 1886 aan Van der Meij vroeg om over Dostoevskij, Tolstoj en Gogol’ te schrijven; het initiatief kwam dus niet van hemzelf. Overigens nam hij het aanbod met tegenzin aan; het zat hem namelijk dwars dat de recensie beknopt moest zijn en dat de geleverde arbeid dus slecht betaald zou worden.[47]
Aangezien Van der Meij eerder een boek had gepubliceerd over het Russische nihilisme – een fenomeen waarvan hij volgens Willemsen (1993: 189) de wereldwijde verspreiding vreesde – is het logisch dat hij dit in de hoedanigheid van Wolfgang (1886: 202) in De Nederlandsche spectator meteen herkent als thema van Schuld en boete. Toch komt het nihilisme in zijn bespreking weinig aan bod. Hij stelt slechts dat de manier waarop Dostoevskij dit fenomeen uitbeeldt de lezer waarschijnlijk meer aanspreekt dan Otcy i deti (Vaders en zonen) van Turgenev, die in Nederland toch enige erkenning genoot. Deze aanbeveling ondermijnt hij echter door in het vervolg van zijn recensie de ontoegankelijkheid van de roman voor de Nederlandse lezer in de verf zetten.
Om te beginnen verklaart Van der Meij dat de zielkundige analyse van Dostoevskij zo ragfijn is uitgesponnen dat ‘enkel degenen, die in het lezen geen leken zijn – bedroevend verschijnsel voorwaar – het boek geheel in zich kunnen opnemen’. Even verder gaat de recensent, die zich kennelijk ver verheven voelt boven de gemiddelde lezer, er prat op dat het niet volstaat ‘de kostschoolliteratuur’ ontgroeid te zijn, maar dat men ook voldoende spiritueel ontwikkeld moet zijn om de volle waarde van Prestuplenie i nakazanie te kunnen waarderen. Daarnaast zijn de potsierlijke en ontaarde personages ‘van den Hollandsche lezer te ver verwijderd, om hem belang te doen stellen in de opvoering, hoe naturalistiesch die ook zij’. Omdat de Nederlanders vrij zijn van vreemde smetten, kunnen ze zich evenmin een voorstelling maken van de dronkaard Marmeladov, het zwijn Svidrigajlov en de lage egoïst Lužin als van de personages uit Mërtvye duši (Dode zielen) van Gogol’. Ook zullen ze moeilijk kunnen geloven ‘aan de echtheid van het ziekelijk geredeneer der Russen’. Ter illustratie verwijst Van der Meij, die de roman kennelijk tracht voor te stellen als zo exotisch mogelijk, naar de verklaring van Lebezjatnikov dat het nemen van een minnaar zijn vrouw zou doen stijgen in zijn achting. Hij waarschuwt dat dit slechts één voorbeeld is om te bewijzen ‘hoe ver het radicalisme gaat bij z.g. orthodox opgevoede volken’. Het enige personage dat zijn bewondering wegdraagt, is de reine prostituee Sonja:
een prachtige schepping, waaruit de naturalistische schrijvers, die in den mest blijven rondploeteren, kunnen leeren hoe een naturalist, tevens een verheven geest, de vieze korst der realiteit doorbreekt, opdat de reine adem der menschenziel vervloeie in den dampkring van het tastbaar schoone en ware.
Van der Meij waagt zich ook kort aan een eigen analyse van de roman. Deze getuigt van een ietwat zonderlinge lectuur. Hij meent dat de daad van Raskol’nikov het gevolg is van een geestelijke ziekte, die op haar beurt veroorzaakt werd door gekwetste eigenliefde. Omdat hij enerzijds te arm was om zich omhoog te werken tot de stand van zijn gelijken en anderzijds de zedelijke kracht miste om de grenzen te overschrijden als een Napoleon of beursspeculant, heeft hij zich uiteindelijk, gekweld door gewetenswroeging, overgegeven aan de politie. Volgens de recensent is het Dostoevskij in deze roman te doen om de pathologische zielkunde, om de uitbeelding van dronkenschap, waanzin en fatsoen in verschillende verschijningsvormen. Interessant is dat hij, als een van de weinige critici in Europa van zijn tijd, hier en daar ‘een komisch tooneel’ opmerkt. Het geheel wordt echter beheerst ‘door de voorstelling van de wonderbare diepten der Russische ziel’, die volgens Van der Meij groots, expansief en raadselachtig is.
Ondanks het continu benadrukken van de culturele en spirituele barrière die de roman van Dostoevskij opwerpt voor de Nederlandse lezer, lijkt de recensent hem zelf wel te waarderen: hij heeft het namelijk over ‘het werk van een genie’. Veel scherper is zijn evaluatie van Tatjana, een roman over de Russische ambtenaarswereld van vorst Joseph Lubomirski, die in dezelfde ‘Letterkundige kroniek’ besproken wordt. Van der Meij (1886: 203) vermoedt dat deze uitgave slechts te danken is aan ‘de liefhebberij van Piet en Paul om te vertalen’, en betreurt dat men een boek op de markt heeft gebracht dat slechts dient ‘om den ongevormden smaak onzer goede landgenooten nog meer te doen afdwalen’. Op basis van de veelvuldige waarschuwingen die hij bij Prestuplenie i nakazanie plaatste en deze laatste uitspraak wordt duidelijk dat Van der Meij anno 1886 eerder een fatalistisch denkende exponent van zijn belerende tijd was dan een inspirerend bewonderaar van Russische romanciers – toch zeker wat Dostoevskij betreft.
Een nieuwe, meer uitgewerkte en genuanceerde recensie van de vertaling Schuld en boete heeft Van der Meij geschreven voor De portefeuille, ditmaal onder de schuilnaam Prawda-Matka (1886: 357). Enerzijds prijst de recensent ditmaal expliciet het waarheidsgehalte van de schilderingen en geeft hij een bezielde weergave van de plot. Hierbij worden behalve Sonja, die zich ‘in den poel der schande’ heeft geworpen om haar gezin aan brood te helpen, nu ook nevenpersonages als Porfirij en de zuster en moeder van Raskol’nikov besproken. Bovendien wordt in deze recensie aangegeven dat Dostoevskijs roman tegemoet kan komen aan reëel bestaande behoeften, die voortkomen uit de oververzadiging van de Nederlandse boekenmarkt door erotiek, romantiek en naturalisme:
Voor onze van erotische verhalen geblaseerde harten; voor onze van een schaapachtig romantisme verzadigde of van een brutaal naturalisme walgende hersenen, biedt een Russisch schrijver nieuw voedsel aan, en gunt ons een blik in het ziekelijke, geprikkelde zenuwleven van een groot volk, welks expansieve natuur met haar peillooze diepten van laagheid en zieleadel voortdurend onze bevreemding wekt.
Anderzijds legt Prawda-Matka (1886: 358) de Russische schrijver, over wie hij geen enkele biografische inlichtingen meedeelt, effectbejag ten laste. Hij zou zich bij voorbaat verheugen ‘den lezer midden in het hart te hebben getroffen’ en zich vermeiden ‘in de verontwaardiging, die zal losbarsten; in de vervloekingen, over zijn hoofd uitgestort’. Bovendien vraagt de recensent zich, eenmaal aanbeland bij de moordplannen van Raskol’nikov, hardop af of het boek wel geschikt is ‘voor onze gewone lezers’. Deze paternalistische vraag is slechts retoriek: zijn antwoord staat namelijk vast en is negatief. De reden hiervoor is dat Prestuplenie i nakazanie volgens hem voor het Nederlandse publiek ‘te streng en te somber, te wetenschappelijk en te naar’ is. Hij durft deze roman slechts aanbevelen aan degenen die over voldoende spirituele maturiteit beschikken, of zoals hij het zelf zegt: aan degenen ‘die de diepten van het leven hebben gepeild, de werkelijkheid onder oogen dorsten zien, en gezond bleven’. Het feit dat hier tussen de lijnen gesuggereerd wordt dat van Dostoevskijs roman een potentieel schadelijke invloed uitgaat, kan verband houden met het onvermogen van de criticus om geloof te hechten aan het geestelijke herstel of de wederopstanding van Raskol’nikov: per slot van rekening is hij in staat geweest tot een moord met een bijl. Eens een dief, altijd een dief lijkt de boodschap van Van der Meij te zijn.
Op deze pessimistische noot, die meer gericht is op de ethiek dan op de esthetiek van Dostoevskij, eindigt ‘De vermetelheid der wanhoop’, één van de eerste recensies die de publicatie van Schuld en boete aan de Nederlandse letterkundige pers ontlokte, nota bene geschreven door één van de enige Nederlanders die zich kenner van de Russische taal en cultuur konden noemen. In plaats van de popularisering van Dostoevskij in het Nederlandse taalgebied met geestdrift in de hand te werken, waarvoor Van der Meij als kenner van de Slavische wereld goed geplaatst was, heeft hij deze popularisering nolens volens bemoeilijkt, door te schermen met de zedelijke ongeschiktheid van Prestuplenie i nakazanie voor de gemiddelde Nederlandse lezer. Deze vaststelling is des te merkwaardiger, aangezien hij vrijzinnig en antireligieus was.[48] Het is evenwel niet geheel duidelijk of het hier een normatief of een met fatalisme verkondigd descriptief standpunt betreft. In ieder geval corrigeren, zo niet nuanceren de vastgestelde uitspraken het beeld van ‘miskende pionier’ in de Russische letteren dat Willemsen van hem schetst op basis van andere geschriften dan zijn recensies in De portefeuille en De Nederlandsche spectator.[49] Alleszins voor wat betreft Dostoevskij is Van der Meij bezwaarlijk een enthousiasmerende pionier te noemen, aangezien hij pas interesse voor deze schrijver toonde nadat hij in het Nederlands vertaald was en hem bovendien met stelligheid ongeschikt verklaarde voor het gewone publiek.
het leeskabinet: een langdradig meesterwerk
In 1886 verscheen ook een recensie van Schuld en boete door ene N.J.B. (1886) in Het leeskabinet. Mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen. Dit geïllustreerd blad, dat de ontwikkelingen van kunst en wetenschap in binnen- en buitenland op de voet volgde, verscheen maandelijks sinds 1834. Door de hoge kostprijs was het aantal particuliere abonnees beperkt. Het werd daarentegen veel gelezen in leesgezelschappen. Voor zover bekend werkte in de periode 1880 tot 1886, toen de hoofdredactie in handen was van de toneelschrijver en letterkundige D.F. van Heyst, geen van de medewerkers en recensenten ook voor andere tijdschriften. Dit bood de mogelijkheid om een visie op literatuur te verkondigen die grondig afweek van de lijn die getrokken werd door meer invloedrijke tijdschriften waaronder De Nederlandsche spectator, De portefeuille en Nederland.[50] Misschien daarom dat van de talrijke ethische reserves die W., Wolfgang en Prawda-Matka in deze tijdschriften tegen Schuld en boete koesterden geen zweem terug te vinden is bij N.J.B.
De aanloop voor de eigenlijke literaire kritiek is de anekdote over de ontdekking van Bednye ljudi door Grigorovič, Nekrasov en Belinskij. De bron waaruit N.J.B. zijn kennis put is, zoals hijzelf ook aangeeft, het eerder besproken artikel van Arvède Barine (1884). Nog in de inleiding verklaart hij de laattijdige selectie van Prestuplenie i nakazanie voor vertaling in het Frans, Duits en dus ook het Nederlands door ‘de weinige belangstelling die men in andere landen voor de Russische literatuur deed blijken’. Evenals Barine (1884: 805) geeft N.J.B. een verkeerd sterftejaar van Dostoevskij op, namelijk 1880. Hij ontleent ook aan haar de idee dat de schrijver een product is van de maatschappelijke en staatkundige omstandigheden waarin hij leefde.
Ondanks de invloed van de Franse critica, lijken de romananalyse van N.J.B. (1886: 64-5) en zijn waardeoordeel min of meer autonoom tot stand gekomen te zijn. Raskol’nikov behoort tot de ‘geëxalteerde persoonlijkheden’ die typisch zijn voor de personages van de Russische literatuur in het algemeen en van Dostoevskij in het bijzonder. Hij schippert tussen enerzijds heldere rationaliteit en edele gevoelens en anderzijds krankzinnigheid en laagheid. Door te piekeren raakt hij in de ban van de ‘idee fixe’ – hier blijkt opnieuw de schatplicht aan Barine (1884: 805) – dat het vermoorden van een oude woekeraarster een dienst zou betekenen aan de mensheid. Na de moord begint zijn geweten echter te knagen. Uiteindelijk komt hij tot boetedoening onder invloed van een jonge zondares. N.J.B. noemt haar ‘een door hagelslag beschadigde blanke lelie’. Hij laat niet na de auteur van deze vergelijking eer te bewijzen: het is ‘niemand minder dan Ebers’ .
N.J.B. (1886: 65) geeft twee sterkte punten van Schuld en boete op: hij herkent de hand van een meester in de portretten en prijst – enigszins merkwaardig – Dostoevskijs stijl als ‘sober’. Het doorgedreven realisme heeft één gebrek, namelijk dat sommige uitweidingen ‘op het punt staan langdradig te worden’. De recensent is de auteur echter goed gezind; wie beweert dat een meesterstuk volkomen vlekkeloos moet zijn, is in zijn ogen ‘dwaas en kortzichtig’. Ter illustratie van het verdedigde meesterschap citeert hij de passage waarin Raskol’nikov zijn misdaad aan Sonja opbiecht, waarop ze hem kust en hem de ongelukkigste op de hele wereld noemt. Voor N.J.B. is deze passage ‘een der fraaiste bladzijden uit den roman’. Bij wijze van lovende slotevaluatie richt hij zich tot de ‘verdienstelijke vertaler’. Hoewel hij zich er bewust van is dat Schuld en boete via het Duits tot stand is gekomen, verzoekt hij hem om niet te lang te wachten met de volgende Dostoevskij-vertalingen – hij had naar eigen zeggen van Rössing vernomen dat er twee nieuwe titels in voorbereiding waren.
de lantaarn: een boodschap voor de klassenstrijd
Behalve in Het leeskabinet werd Schuld en boete eenduidig lovend onthaald in De lantaarn, een tweewekelijks letterkundig tijdschrift dat in 1885 was opgericht door twee jonge enthousiaste literatoren,[51] maar niet genoeg succes zou genieten om zijn vierjarig bestaan te kunnen beleven.[52] De recensent was de dertigjarige journalist H.J. Stratemeijer (1886: 4-5), over wie weinig bekend is.
De roman van Dostoevskij wordt tezamen met Studiën en Schetsen van Mr. H.P.G. Quack behandeld in de rubriek met de veelzeggende titel ‘Vluchtige opmerkingen’. Beide werken worden met elkaar in verband gebracht via het thema van de klassenstrijd. Waar Quack de lezer met zijn geloof in sociale evolutie doet mijmeren over de mogelijkheid om ‘den ongelukkigen strijd onzer dagen te zien volgen door een schoon vredesfeest’, laat Dostoevskij hem uit deze droom opschrikken. De schrijver wordt voorgesteld als een getuige van de clash tussen de theorie en de praktijk van het nihilisme. De nihilistische beweging, gevoed door ‘een poel van ongerechtigheden en zonden’, wordt door de roman inzichtelijker gemaakt dan door ‘duizend geleerde opstellen’.
Stratemeijer geeft wel het thema, maar niet de intrige van de roman prijs. Het fictionele universum omschrijft hij vaag als ‘een chaos van overspannen onnatuurlijke wezens, van onmogelijke tegenstrijdigheden’. Niettemin meent hij op iedere pagina te voelen dat het geschrevene waar is. Hij verkondigt dat het boek boeit van het begin tot het einde. Deze evaluatie is des te gewichtiger, daar hij de vertaling afdoet als gebrekkig – evenwel zonder zijn evaluatiecriteria te expliciteren. Meer in het bijzonder prijst hij het ‘echte naturalisme’ van de auteur, zoals dat tot uiting komt in de ‘scherpzinnige diagnose’ waaraan de geesteszieke Raskol’nikov onderworpen wordt. Schuld en boete is beter dan Zola’s Assomoir, ‘met al zijn noodelooze viezigheden’, omdat het ‘nergens kwetst’ en – zeer stichtelijk – ‘de verderfelijke werking van het alcoholisme’ doet voelen. Stratemeijer wijst erop dat het einde van Dostoevskijs roman een ‘geest van vrede’ uitademt. Doelend op de spanningen tussen de klassen vraagt hij zich af of ‘na dezen tijd van duisternis’ opnieuw het licht de overhand zal krijgen. Hij besluit hoopvol, althans voor wat betreft de lange termijn: ‘Gezegend […] die na ons komen!’
het jubelen van de kritiek
Jacqueline Bel (1993: 43) schrijft in haar gezaghebbende Nederlandse literatuur in het fin de siècle dat de eerste Nederlandse vertaling van Dostoevskij bij haar verschijnen werd ‘bejubeld door de Nederlandse kritiek’. Zoals hierboven al gebleken is, doet deze veralgemening de historische realiteit niet volledig recht. Juister lijkt het om de eerste reacties onder te verdelen in vier categorieën. De eerste categorie is er een van stilzwijgen. Bijvoorbeeld De nieuwe gids, dat in 1885 was opgericht, schonk aan Schuld en boete geen aandacht. Overigens lieten de Tachtigers de Franse Ruslandhype in het algemeen links liggen. Deze veronachtzaming, die ook vastgesteld is door Jans (1952: 30) en Willemsen (1993: 205), wordt door Coster (1921b: 1111-3) verklaard door ‘het feit, dat de hernieuwing van menschelijkheid, die met de Nieuwe Gids in onze literatuur ontstond, allereerst en bij de meesten hunner een primitief karakter had’. Deze ‘primitiviteit van aandrift en aandoening’, waarvan het belangrijkste wapen volgens Coster de taal was, werd geregistreerd op ‘geraffineerd-cerebrale wijze’. Hij vraagt zich dan ook af: ‘welk een ondoordringbare en duistere verschijning moest voor den zoo gestemden mensch een Dostojevsky zijn, arm en onbegrijpelijk terzelfdertijd van noodelooze volte’. De weigerachtige houding van de Tachtigers om Dostoevskij te bejubelen kan echter ook begrepen worden als een reactie tegen oudere, francofiele literatoren – per slot van rekening betrof het een uit Parijs afkomstig modefenomeen. De tweede categorie reacties is er een van eenduidig misprijzen, zoals de anonieme W. dit uitspuwde in Nederland. De derde categorie wordt gekenmerkt door gemengde gevoelens: enerzijds bewondering, anderzijds gewichtige reserves. Hiertoe behoort Van der Meij, zoals die recenseerde voor De Nederlandsche spectator en De portefeuille. De vierde categorie is de enige die met recht bestempeld kan worden als ‘jubelend’. De desbetreffende recensies verschenen echter in tijdschriften met weinig invloed, namelijk Het leeskabinet en De lantaarn. De laatste categorie zou nog in 1886 aangevuld worden met een gewichtige stem in een tijdschrift met aanzien: die van Ten Brink in Nederland.
4 De directe impact van Ten Brink (1886-87)
ten brink : inspiratieloze knieval voor de vogüé
Dankzij de weerklank die Schuld en boete in de letterkundige pers had gekregen, klonk de naam van Dostoevskij het Nederlandse leespubliek niet meer totaal vreemd in de oren. Enkel zijn roman Prestuplenie i nakazanie had tot dan echter noemenswaardige aandacht gekregen. De enige criticus die ook even halt had gehouden bij een ander werk van Dostoevskij was Segers (1885), die enkele uitspraken van Courrière (1875) over Besy herkauwd had. Op andere werken van Dostoevskijs omvangrijke oeuvre was in de Nederlandse kritiek nog niet ingegaan. Hier kwam verandering in met Ten Brink, die beschouwd kan worden als de criticus die van alle Nederlanders de belangrijkste bijdrage heeft geleverd tot de bekendmaking van het leven en werk van Dostoevskij in het Nederlandse taalgebied in de tweede helft van de jaren 1880 – dit ondanks zijn gebrek aan originaliteit.
Jan ten Brink (1834-1901)[53] werd geboren in Appingedam uit een academische familie. Hij studeerde godgeleerdheid in Utrecht, waarin hij in 1860 de graad van doctor behaalde. Om aan deze wetenschapstak, die hem was opgedrongen door zijn ouders, te ontsnappen, trok hij na zijn promotie naar Batavia, waar hij twee jaren als huisleraar werkzaam was. Over zijn verblijf in Indië schreef hij verscheidene bellettristische werken. Kort na zijn terugkeer naar Nederland maakte hij van zijn hobby zijn beroep: hij werd leraar Nederlandse taal- en letterkunde aan het Haagse gymnasium. In de periode 1869-86 was hij redacteur van het reeds vermelde maandblad Nederland.[54] Hierin introduceerde hij in 1873, als een van de eerste critici in Nederland, Émile Zola. Toch was hijzelf geen kritiekloze voortrekker van de naturalistische school. Hij verweet de naturalisten namelijk er niet naar te streven om de kunst te verheffen ‘boven het absoluut Leelijke, omdat zij geen onderscheid erkennen van schoon en leelijk, omdat zij louter naar Waarheid vragen’.[55]
Ten Brink liet zich als francofiel gelden als een criticus van de oude stempel. Zijn literair gezag, dat in 1884 verzilverd werd met zijn benoeming tot hoogleraar in de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Leiden, was de Tachtigers een doorn in het oog. Ze hebben hem dan ook niet gespaard van hun scherpe kritiek. Overigens spreken literatuurhistorici, of tenminste Wage (1985: 108), eveneens met grote minachting over de prestaties van Ten Brink als prozaschrijver en letterkundige:
Hij was een bijzonder produktief, maar nogal oppervlakkig schrijver. Ook zijn studies hebben weinig diepgang. In zijn letterkundige schetsen beperkte hij zich tot het verzamelen van allerlei, vaak onbelangrijke, feiten.
Dat Ten Brink inderdaad geen moeite had om grote hoeveelheden kopij af te leveren blijkt ook uit zijn studie ‘Theodoor Michaïlovitch Dostojewski’, die in 1886 geplaatst werd in de reeks ‘Moderne romanschrijvers’ van het maandblad Nederland.
De werken waarop de Leidse hoogleraar zich voornamelijk baseerde bij het maken van zijn studie, en waarnaar hij ook zijn lezers doorverwijst voor meer bijzonderheden, zijn het artikel van De Vogüé (1885) in Revue des deux mondes en, in mindere mate, Geschichte der russischen Literatur van Haller (1882).[56] Daarnaast refereert hij ook aan Courrière (1875) en aan het recente Les grands maîtres de la littérature russe au dix-neuvième siècle (1885) van Ernest Dupuy. Het overwicht aan Franse secundaire bronnen doet vermoeden dat het vooral het succes van Dostoevskij in Frankrijk was, dat Ten Brink (1886: 105) had aangezet om ‘een der geniaalste Russische romanschrijvers in breeder kring ten ontzent bekend te maken’. Deze veronderstelling wordt ondersteund door het feit dat zijn artikel is geschreven naar aanleiding van de tweede uitgave van Le crime et le châtiment van Derély, terwijl de Duitse vertaling Raskolnikow niet eens ter sprake komt. Schuld en boete van Kuknos krijgt wel bibliografische vermelding, maar Ten Brink distantieert zich op twee manieren van deze doeltekst. Ten eerste heeft hij het systematisch over Misdaad en straf – een vertaling van de adequate Franse titel. Ten tweede illustreert hij zijn studie ostentatief met fragmenten uit Le crime et le châtiment die hijzelf in het Nederlands vertaald heeft, en niet met fragmenten uit Schuld en boete (of Raskolnikow).[57] Wel was Ten Brink (1886: 105) zich goed bewust van het succes van de Russische romanciers in Duitsland en vond hij dit gegeven van vergelijkbare relevantie als hun succes in Frankrijk: ‘De Russische roman begint ook in ons vaderland, even als in Frankrijk en Duitsland, gelezen te worden’.
In deze studie neemt Prestuplenie i nakazanie een centrale plaats in. Reeds in de inleiding noemt Ten Brink (1886: 71) dit werk met grote stelligheid ‘Dostojewski’s besten roman’ – wat opmerkelijk is, aangezien het er alle schijn van heeft dat hij geen enkel ander boek van de Rus had gelezen. Hij geeft aan zelf sterk onder de indruk te zijn van de lectuur. Zijn uitspraak dat zelfs Balzac, Flaubert, Zola, Tackeray, Dickens, Ebers of Dahn de lezer niet ‘zoo hevig […] schokken’, kan bezwaarlijk ter aanbeveling gestrekt hebben, aangezien sommige van deze schrijvers in Nederland afgeschilderd werden als ondeugdelijke sensatiejagers. Toch is de toon van Brink (1886: 70-1) euforisch: het staat voor hem buiten kijf dat Dostoevskij een groot naturalist, psycholoog én dichter is ‘die ons met onverschrokken hand door de zwarte hel der Russische volksellende voert’.
Vooraleer verder in te gaan op de inhoud van Prestuplenie i nakazanie stelt Ten Brink een onderzoek in naar de persoon van Dostoevskij en naar de plaats die hij inneemt in de eigentijdse Russische literatuur. In de resulterende drie hoofdstukken, verspreid over achttien pagina’s, herkauwt hij het gros van de biografische inlichtingen én tekstuele analyses van De Vogüé (1885) – met een soms gebrekkige bronnentransparantie. Haller (1882) wordt een veel minder prominente plaats toebedeeld: hij wordt teruggedrongen tot de voetnoten. Niettemin komt de lezer te weten dat deze Duitse literatuurhistoricus Bednye ljudi geprezen heeft om de vertelkunst en de humoristische aspecten.
De originaliteit van Ten Brink is, zeker in de eerste drie hoofdstukken van zijn studie, miniem. Slechts af en toe voegt hij eigen commentaar toe aan wat overgenomen is uit de studie van De Vogüé. Bovendien hebben deze toevoegingen zelden rechtstreeks betrekking op Dostoevskij: veelal betreft het weinig relevante informatie over andere schrijvers – onder andere hieraan ontleent dit artikel zijn ogenschijnlijk erudiet karakter. Opgemerkt dient te worden dat ook dit procedé is overgenomen van De Vogüé, alleen heeft Ten Brink het nog wat meer doorgedreven. Zo ontlokte de Siberische ervaring van Dostoevskij en het resulterend verhaal Zapiski iz mërtvogo doma, dat door De Vogüé (1885: 326) al vergeleken was met Le mie prigioni van Pellico, aan de Leidse hoogleraar ook vergelijkingen met Fritz Reuter en Tasso. De denigrerende uitspraak van de burggraaf dat Dostoevskij in Unižennye i oskorblënnye toont niet in staat te zijn om geloofwaardige aristocratische personages neer te zetten, heeft zijn Nederlandse imitator geïnspireerd om een parallel uit te werken tussen de Rus en Dickens, Bulwer, Balzac en Zola: ook zij zouden niet in staat geweest zijn om bepaalde klassen uit te beelden. De mededeling dat Prestuplenie i nakazanie een jonge student heeft aangezet tot een moord, brengt Ten Brink dan weer in verband met Werther van Goethe.
Het best van al komen het objectiveerbare gebrek aan creativiteit van Ten Brink en zijn dito onderdanigheid aan de Franse burggraaf tot uiting wanneer hij waardeoordelen uitspreekt over de werken van Dostoevskij. Hij poneert diens meningen, inclusief veelvuldige verwijten over langdradigheid, alsof het feitelijke observaties betreft. Daar komt bij dat hij deze meningen uit hun oorspronkelijke context rukt, ze wat aanscherpt om ze vervolgens op de onkundige Nederlandse lezer af te vuren zonder duidelijk te maken of hij de romans in kwestie al dan niet zelf gelezen heeft. Men kan de schatplicht van Ten Brink aan De Vogüé interpreteren als een indicatie dat ze dezelfde literaire normen en modellen deelden – wat ongetwijfeld tot op zekere hoogte het geval was. Er is echter meer aan de hand: het lijkt erop dat de francofiele Nederlander de autoriteit van de Franse burggraaf op het gebied van Dostoevskij blindelings aanvaardde, zonder deze te toetsen aan een eigen oordeel. Hierover getuigt zijn even dubieuze als minachtende voorstelling van Brat’ja Karamazovy, waarover in de Nederlandse letterkundige pers nog niet eerder gesproken was:
Zijn laatste roman De Gebroeders Karamazow (1879, 1880) biedt een zonderlinge overeenkomst met het laatste onvoltooide werk van Gustave Flaubert, Bouvard et Pécuchet (1881), waarin door twee sprekers eene dialoog over allerlei mogelijke wetenschappelijke onderwerpen tot vervelens toe wordt voortgezet. Er is evenwel een groot onderscheid. De Fransche oude mannetjes, Bouvard en Pécuchet, liefhebberen in alle mogelijke soorten van kennis en wetenschap, de gebroeders Karamazow zijn halve krankzinnigen, die hunne wijsgeerige en godsdienstige begrippen aan elkaar benijden en elkaar met zonderlinge loosheid pogen uit te horen. (Ten Brink 1886: 82)
Na bovenstaande evaluatie, onmiskenbaar overgenomen van De Vogüé (1885: 343), komt Ten Brink (1886: 85-6) nog slechts eenmaal terug op Brat’ja Karamazovy: met het verwijt aan Dostoevskijs adres dat deze roman ‘zeer gerekt’ is en ‘lijdt aan duistere, onsamenhangende plaatsen’. De evaluatie van Idiot en Besy is iets gunstiger, maar tot een echte beschouwing komt het niet. In het geval van de laatstgenoemde roman heeft wellicht de lof van Courrière (1875) de Leidse hoogleraar behoed voor al te scherpe kritiek. Dit gegeven wordt echter overschaduwd door het oordeel van De Vogüé (1885), ook ditmaal gehuldigd, dat Dostoevskijs kunst na Prestuplenie i nakazanie tot verval is gekomen.
Niet alleen gebruikt Ten Brink (1886) het artikel van De Vogüé (1885) in Revue des deux mondes als hoofdbron voor zijn biografische inlichtingen, tekstanalyse en waardeoordelen, hij volgt ook getrouw de structuur van deze studie. Na het oeuvre van Dostoevskij in algemene lijnen voorgesteld te hebben verschaft hij de lezer dan ook respectievelijk een persoonlijke getuigenis over de persoon van Dostoevskij – dat wil zeggen: de getuigenis van De Vogüé – een weinig flatterende beschrijving van zijn uiterlijk en karakter, een verslag van zijn Puškin rede en van zijn opbaring en begrafenis. Ten Brink (1886: 89) besluit de algemene voorstelling van het werk en leven van Dostoevskij met een zelf bedachte patriottistische opmerking over de lange begrafenisstoet van Dostoevskij: ‘Een natie, die zijne edelste en talrijkste kinderen aldus huldigt, huldigt zich zelve’. De criticus betreurt dat dezelfde eer zijn vriend Potgieter niet te beurt is gevallen.
Overheersend in deze studie is het sombere beeld dat van Dostoevskij wordt opgehangen. Meer nog dan dit bij De Vogüé al het geval was, wordt de naargeestigheid van het Russische volk in het algemeen en van de behandelde schrijver in het bijzonder in de verf gezet. Waar de Franse burggraaf oordeelde dat de grote Russische romanciers, Dostoevskij voorop, uitmunten in de geleidelijke opbouw van een melancholische sfeer, heet het bij Ten Brink (1886: 74) platweg dat Dostoevskij ‘met al zijne landgenoten’ gemeen heeft dat zijn kunst ‘in dienst [staat] der Muze van de Melancholie’. Oorspronkelijker is zijn terloopse vergelijking tussen Camera Obscura van Hildebrand[58] en de kortverhalen van Gogol’, die hij aanwendt om een statement te maken over deze Russische melancholie:
Hildebrand had zeker met Gogol’s [sic] novellen geene kennis gemaakt, en juist daarom steekt de Hollandsche humor met zijn gemoedelijk optimisme te karakteristieker af bij den Russischen met zijne onverbiddelijke melancholie. (Ten Brink 1886: 75-6)
In dezelfde geest waarschuwt Ten Brink (1886: 86) een stuk verder dat Dostoevskijs ‘neiging tot echt Russische droefgeestigheid, zijne overhelling tot grove mystische dweperij en bloedige afschuwelijkheden […] den lezer soms [stemmen] tot toorn, afschuw of verbazing’.[59] Met de bovenstaande uitspraken komt de Leidse hoogleraar dicht in de buurt bij het zelfgenoegzame polariserende nationalistische discours van de Lierse leraar Segers (1885) – dat volgens Gobbers (1984) nochtans typisch was voor de Vlaamse mentaliteit.
In het vierde en laatste hoofdstuk van zijn studie gaat de Leidse hoogleraar dieper in op Prestuplenie i nakazanie. Aangezien hij deze roman zelf gelezen had (in Franse vertaling), is het niet verbazend dat hij hier meer originaliteit aan de dag legt dan in de voorgaande hoofdstukken. Ten Brink (1886: 90) stelt meteen duidelijk dat Prestuplenie i nakazanie het meesterstuk is van de Rus, maar beargumenteert tegelijkertijd dat het niet voor de hand ligt om over dit boek een juist oordeel te vellen:
Het genie van Dostojewski mist aan harmonie, wat het aan raadselachtige zonderlingheid te veel heeft. Idealisme en Naturalisme, vooral mystiek en trotsch ongeloof, helderheid en duisternis – alles mengt zich bont door elkander.
Een inhoudelijke bespreking moet dit commentaar verduidelijken. De protagonist, Raskol’nikov, wordt neergezet als een arme student, een jonge misantropische nihilist, die gelooft dat het doel de middelen heiligt en die het recht van de sterkste aanhangt. Onder invloed van eenzaamheid, boeken en mijmeringen nemen zijn bitterheid en zelfzucht toe. Op die manier komt hij op de gedachte dat de moord op een woekeraarster hem zal bevrijden uit zijn ellendige toestand. Na deze moord valt hij ten prooi aan wroeging. Volgens Ten Brink (1886: 91) is dit gevoel het eigenlijke onderwerp van de roman – een bewering waarmee hij zich onderscheidt van De Vogüé (1885: 28), die benadrukt had dat de onrust van Raskol’nikov niet verward moet worden met berouw in de klassieke zin van het woord. Grote bewondering gaat uit naar het meesterschap waarmee ‘het zielelijden’ van de moordenaar beschreven is. Dit lijden zou bestaan uit twee hoofdcomponenten: enerzijds vrees voor straf – een aanvechtbare analyse, aangezien dit expliciet niet aan bod komt – en anderzijds angst voor de mensen die in vrede leven met de maatschappij. Om een idee te geven van de talentvolle schilderingen vertaalt de Nederlandse criticus twee passages uit Le crime et le châtiment.
De eerste geciteerde passage, die bijna zes volle pagina’s in beslag neemt, beschrijft de ontmoeting tussen Raskol’nikov en Marmeladov in een gore drankkelder. De dronkaard doet de student zijn ellende gedetailleerd uit de doeken. Daarbij passeren scènes de revue van huiselijk geweld, armoede en alcoholisme. Ook het feit dat zijn dochter Sonja zich prostitueert om haar gezin te voeden komt uitgebreid aan bod. Ten Brink (1886: 97) besluit dat het onmogelijk is om ‘dit ontzettend tafereel zonder huivering te lezen’. In de tekening van de menselijke ellende ziet hij een bewijs van Dostoevskijs mededogen en – opmerkelijk – vaderlandsliefde.
Bijzondere aandacht besteedt Ten Brink (1886: 97-8) aan het verheerlijkte personage Sonja, die hij de ‘geknakte lelie’ noemt. Hij zegt er echter niet bij dat dit beeld, naar alle waarschijnlijkheid overgenomen uit het voorwoord van Schuld en boete (1885), teruggaat op Ebers. Net als De Vogüé (1885: 340) beschouwt hij Sonja allerminst als een imitatie van de prostituee die de Franse romantiek heeft voortgebracht. Deze gedachte wordt uitgewerkt. Fleur-de-Marie uit Les mystères de Paris van Eugène Sue is ‘eene toneelpop, opgedirkt met bonte lappen en klatergoud’ en ‘eene deugdzame prostitueee van bordpapier met ingewanden van zemelen’. Sonja daarentegen is een historisch personage, ‘het slachtoffer van Russisch geweld, Russische barbaarschheid en Russische zedeloosheid’.[60] Ze heeft een kinderlijke natuur en draagt ‘den smaad en de boosheid der wereld als een kruis’. Door te benadrukken dat Sonja een Russisch fenomeen is en bovendien een onschuldige en deemoedige – dat wil zeggen een christelijke? – natuur heeft, houdt Ten Brink haar enerzijds op een veilige afstand en probeert hij haar anderzijds te vergoelijken.
De tweede geciteerde passage, iets korter dan de eerste, beschrijft hoe Raskol’nikov de voorbereidingen treft voor de moord, zich op weg begeeft naar de oude woekeraarster en uiteindelijk zijn bijl in haar schedel plant. Hiermee wil Ten Brink (1886: 98) illustreren dat Prestuplenie i nakazanie inzicht verschaft in de ‘psychologische pathologie’ – een formule die hij had overgenomen uit het voorwoord van Schuld en boete (1885), meer bepaald uit het citaat van Brandes. Aan de hand van de vergelijking met Franse schrijvers probeert hij de reden te achterhalen waarom de ‘ijskoude bedaardheid’ van de gedetailleerde beschrijving van de moord de lezer zo aangrijpt:
Niet omdat het een moordtoneel geldt in den trant van Paul Féval, Eugène Sue of Frédéric Soulié, maar, omdat er hier een ziektetoestand van een menschelijken geest wordt ontleed met zoo scherpzinnige fijnheid, dat het niet mogelijk schijnt een oogenblik aan de volkomen historische waarheid der verhaalde gebeurtenissen te twijfelen. (Ten Brink 1886: 103)
Meer nog dan van de moord zelf is de Leidse hoogleraar onder indruk van de beschrijving van de onrust – hijzelf spreekt van wroeging – waaraan Raskol’nikov na zijn misdaad ten prooi valt. Gejaagd door speurhonden der politie, op de vlucht voor zijn moeder en zuster, werpt hij zich ‘aan de voeten der rampzalige Sonia […] om weg te smelten in brandende tranen van boete en berouw’ – het feit dat Dostoevskij expliciet vermeldt dat Raskol’nikov pas in Siberië tot berouw komt, wordt hier bewust of onbewust met de voeten getreden.
Wat Ten Brink (1886: 103-4) betreft, ligt het hoofdkenmerk van Prestuplenie i nakazanie besloten in de afwisseling van psychologische analyse en ‘brutale schildering der werkelijkheid’. Met betrekking tot dit laatste wijst hij op het overwegend chaotische wereldbeeld en diep pessimistische mensbeeld van Dostoevskij, die zijn neiging verklaren om ‘de ellende in elken vorm zoo zwart mogelijk te maken’. Het valt de Nederlandse criticus ook op dat de gedachten van Raskol’nikov onlogisch en raadselachtig zijn. Dit brengt hij in verband met Dostoevskijs algemene afkeer van logische personages – een uitspraak waartoe De Vogüé meer dan een voorzet had gegeven:
Hij kiest zelden een volkomen beschaafden held, wiens hoofd en hart geheel harmonisch ontwikkeld zijn, hij brengt ons meest in gezelschap van ongelukkigen uit de lagere standen, van moordenaars, dronkaards en lichtekooien. (Ten Brink 1886: 104)
Om toch te eindigen op een acceptabele noot plaatst de Nederlandse criticus een nuance bij deze bedenking. Het is Dostoevskij niet te doen is ‘om de misdrijven, de menschelijke laagheden en verdorvenheden zelven’. De oorsprong van zijn interesse voor dergelijke personages is een diep medelijden. Ten Brink (1886: 105) erkent, net als de Franse burggraaf, de evangelische grond van dit mededogen. ‘Liefde voor den gevallen medemensch neigt zijn hart tot vergiffenis,’ zo luidt de vrome formule van de Nederlandse doctor in de theologie. Tot slot wijst hij ook nog op de affectie die Dostoevskij koesterde voor het Nieuwe testament en op zijn uiteindelijke toevlucht tot de mystiek.
henriette van der meij: dostoevskijs eerste Nederlandse critica
Ten Brink (1886) had in zijn studie weinig meer gedaan dan zich opwerpen als spreekbuis van De Vogüé (1885), maar dat belette niet dat zijn impact op de popularisering van Dostoevskij in het Nederlandse taalgebied meteen voelbaar was. Dit bewijst een recensie van Souvenirs de la maison des morts, de vertaling die ongeveer een maand voordien verschenen was in Parijs. Deze werd in augustus 1886 geplaatst in het weekblad voor handel, industrie en kunst De Amsterdammer. De recensent gaf te kennen tot het lezen van dit werk aangespoord te zijn ‘door een prettig geschreven artikel over den schrijver van Schuld en boete in Nederland door dr. Jan ten Brink’. Opmerkelijk genoeg zijn deze vriendelijke woorden afkomstig van Van der Meij (1886: 5). Niet van Wolfgang, maar van zijn beruchte zus Henriëtte.
Henriëtte van der Meij (1850-1945)[61] was haar loopbaan in 1876 gestart als onderwijzeres Duits en Nederlands op een middelbare meisjesschool in de Zeelandse stad Goes. In 1882 publiceerde ze een bloemlezing uit de Duitse literatuur, waarna ze zich richtte op de literaire kritiek en spraakmakende artikelen publiceerde over de positie van de arbeidende vrouw in de Nederlandse maatschappij. In 1885 werd ze door de Middelburgsche Courant aangenomen als reporter. Als zodanig geldt ze als de eerste vrouwelijke journalist in Nederland. Haar journalistieke en kritische stukken ondertekende ze, in tegenstelling tot haar broer, systematisch met haar eigen naam. Dit was een sterk feministisch statement: aangezien vrouwen niet verondersteld werden zich bezig te houden met journalistiek of literaire kritiek, maakten zij die het toch deden doorgaans gebruik van een pseudoniem of de naam van hun echtgenoot. Van der Meij was echter ongehuwd en maakte van haar journalistieke verwezenlijkingen geen geheim, tot ergernis van de conservatieve gemeenschap.
Het is ironisch dat Henriëtte van der Meij naar eigen zeggen aangespoord was door Ten Brink om een nog onbekend werk van Dostoevskij ter hand te nemen, en niet door haar eigen broer, die dankzij zijn uitzonderlijke kennis van het Russisch nochtans rechtstreekse toegang had tot de Russische letteren. De toon waarop de Leidse hoogleraar zich over de Russische schrijver had uitgelaten was dan ook gevoelig enthousiaster dan die van Wolfgang van der Meij. Bovendien had hij ook andere werken dan Prestuplenie i nakazanie vermeld én aangeprezen. Met name Zapiski iz mërtvogo doma, de brontekst van Souvenirs de la maison des morts (1886), was er bijzonder goed uitgekomen. Gezien het feit dat Ten Brink zijn lofprijzingen voor dit werk – dat hij zelf niet gelezen had – ontleend had aan De Vogüé, die bovendien de auteur was van het voorwoord van de Franse vertaling, is het niet verwonderlijk dat ook de lovende recensie van Henriëtte Van der Meij de onmiskenbare stempel van de Franse burggraaf draagt.
Behalve in de titel ‘Een tweede Silvio Pellico’, komt de invloed van De Vogüé (1886b) bijvoorbeeld tot uiting in de onterechte bewering dat om redenen van censuur in dit werk helemaal geen sprake is van politieke gevangenen. Ook wat de appreciatie van het thema betreft, wijkt Van der Meij (1886) niet af van de lijn van de burggraaf: de grootste waarde van het boek ligt besloten in de barmhartigheid die de auteur oproept voor de naar waarheid getekende personages. Deze bandieten en moordenaars zijn ‘verworpelingen der maatschappij’. Wel distantieert Nederlands eerste critica van Dostoevskij zich van De Vogüés aanvoelen dat het werk de kracht bezit om te choqueren: ze stelt de lezer die vreest voor ‘stuitende, afschuwwekkende tafereelen’ gerust met de boodschap dat de verzoenende geest dominanter aanwezig is dan de misdaad.
De stellige bewering dat Souvenirs de la maison des morts ‘geen storende indruk’ nalaat, is geen bijzaak voor Van der Meij (1886). In de inleiding van haar recensie had ze haar aversie voor onbehagelijke, choquerende literaire producten duidelijk te kennen gegeven. Haar vertrekpunt was de opmerking dat ‘terwijl het in onze nieuwere letterkunde gist en bruist en kookt […] vreedzamer naturen zich er in [verheugen] naar andere dreven te kunnen vluchten’. Deze opmerking kan begrepen worden als een sneer aan het adres van de Tachtigers. Met ‘andere dreven’ doelt de critica op buitenlandse werken. Niet op de Engelse damesromans, sentimentele Duitse novellen of ‘de verderfelijkste producten onder de Fransche echtbreukromans’ – deze woorden maken duidelijk dat Van der Meij ethische maatstaven belangrijk achtte bij de beoordeling van literatuur –, maar wel op de Russische romans. Ze uitte enerzijds haar tevredenheid over het feit dat voor deze Russische literatuur ook in Nederland belangstelling ontstond, maar hekelde anderzijds in scherpe bewoordingen de laattijdigheid en traagheid van deze ontdekking:
Als in alle zaken komt Holland tamelijk achteraan met zijn begeerte naar andere, gezonde lectuur, bovendien gaat de kennismaking buitengewoon langzaam. Vertaalde Russische romans vertoonen zich slechts sporadisch onder de tallooze boekaankondigingen. Uitgevers en bewerkers beminnen bij ons de voorzichtigheid. (Van der Meij 1886: 5)
De critica laat zich ontvallen dat wie zich in Nederland wil verdiepen in de Russische letteren en het Russisch niet machtig is, zijn toevlucht moet nemen tot Franse of Duitse vertalingen. Conform dit bitter verwijt drukt ze tot slot van haar recensie de hoop uit dat ze spoedig zal kunnen schrijven ‘als vicomte E. Melchior de Vogüé’ deed in het voorwoord op Souvenirs de la maison des morts: ‘eindelijk heeft men dan de Gedenkschriften aan het Doodenhuis van den Russischen schrijver Dostojevsky vertaald’. Deze hoop werd op korte termijn niet vervuld: Zapiski iz mërtvogo doma zou pas vijf jaar later een Nederlandse vertaling krijgen.[62]
Dat de eerste Nederlandse vertaling van Dostoevskijs strafkampervaringen op zich heeft laten wachten tot in 1891 is merkwaardig, aangezien de uitgever van Schuld en boete reeds in 1887 in het Nieuwsblad van de Boekhandel een vertaling aankondigde van Aus dem todten Hause.[63] Bovendien liet dezelfde A. Rössing (1887a: 8) in de lente van hetzelfde jaar in De Amsterdammer een advertentie plaatsen voor nieuwe boeken, waaronder de roman ‘ter perse’ Uit het doodenhuis. In latere advertenties van 1887 komt deze titel echter niet meer ter sprake.[64] Volgens de geraadpleegde bibliografieën is dit werk ook nooit verschenen. Waarom het project werd afgelast is niet duidelijk. Misschien oordeelde Rössing dat de commerciële slaagkansen voor dit lijvige boek van Dostoevskij te beperkt waren. In ieder geval valt op dat de advertenties in kwestie numeriek gedomineerd worden door nieuwe vertalingen van Tolstoj, de andere Rus waarop Rössing zijn pijlen had gericht. Daarnaast werd ook een groot aantal vertalingen uit het Zweeds te koop aangeboden. Met name Ibsen maakte in 1887 zijn intrede op de Nederlandse letteren; vanaf dit jaar begonnen critici zijn proza en toneel op de voet te volgen, al dan niet steunend op Duitse vertalingen.[65]
De recensie van Henriëtte van der Meij illustreert dat Ten Brink een reële impact had op de Nederlandse receptiebereidheid voor Dostoevskij. Overigens bleven zijn pogingen om de Russen ingang te doen vinden bij zijn landgenoten niet beperkt tot de wereld van de gedrukte pers: zo hield hij in november 1886 in het kader van de kunstavonden van de vereniging Arti een lezing over de Russische letterkunde. Een van de toehoorders, A. Th.[66] (1886: 4), was hiervan zodanig onder de indruk, dat hij een kort verslag liet plaatsen in De Amsterdammer. Daaruit blijkt dat de Leidse professor ‘met veel aanschouwelijkheid […] het leven van Dostojewsky, zijne gevangenschap, zijn lijden in Siberië’ had geschetst. Dat Ten Brink ook in zijn toespraken de autoriteit van De Vogüé bevestigde, kan afgeleid worden uit het feit dat zelfs dit korte verslag een verwijzing naar de burggraaf bevat.
de misleide : brinkman aangemoedigd door ten brink
Kort na de hoopvolle lamentatie van Henriëtte van der Meij, nog in 1886, verscheen niet Zapiski iz mërtvogo doma, maar wel een ander werk van Dostoevskij in Nederlandse vertaling: Unižennye i oskorblënnye, onder de titel De misleide. Deze uitgave was te danken aan C.L. Brinkman, de Amsterdamse uitgeverij opgericht door de gelijknamige boekhandelaar, die in 1881 overleden was.[67] De keuze om op dat ogenblik Dostoevskijs eerste post-Siberische werk te vertalen, terwijl enkel Prestuplenie i nakazanie in het Nederlands beschikbaar was, is eigenaardig. Niet enkel omdat deze sentimentele roman door de hedendaagse critici wordt genegeerd of geminacht,[68] maar ook – wat hier relevanter is – omdat hetzelfde geldt voor alle invloedrijke Franse en Duitse critici die zich destijds over Dostoevskij hadden uitgesproken.
In het Nederlandse taalgebied was Unižennye i oskorblënnye enkel maar ter sprake gekomen in de studie van Ten Brink (1886), die de kritiek van Courrière (1875) en De Vogüé (1885) met betrekking tot de langdradigheid en de ongeloofwaardigheid van de (aristocratische) personages had nagepraat. De Leidse hoogleraar was voor de roman in kwestie wel minder vernietigend geweest dan zijn Franse inspiratiebronnen: zo had hij de commentaar van de burggraaf achterwege gelaten dat de plot overdreven gesofisticeerd is en dat de geschetste liefdesverhoudingen inacceptabel zijn. In dit opzicht is het niet volstrekt ondenkbaar dat de uitgever ‘door Ten Brink’s opstel tot den uitgave [van De misleide] aangemoedigd’ was, zoals hij volgens een anonieme recensent van De Gids ook zelf erkende.[69] Niettemin is het plausibeler dat de beslissing om een Nederlandse vertaling van Unižennye i oskorblënnye uit te brengen vooral ingegeven was door het geruststellende commerciële succes dat Les humiliés et offensés (1884) en Erniedrigte und Beleidigte (1885) in weerwil van de literaire kritiek oogstten in Frankrijk en Duitsland.
Dat Unižennye i oskorblënnye door de dominante West-Europese critici unaniem was afgeschilderd als een mislukt melodramatisch liefdesverhaal met weinig literaire waarde, kon de Nederlandse uitgever er niet van weerhouden om precies dit werk van Dostoevskij op de markt te brengen. Dat hij de negatieve kritiek die deze roman te beurt was gevallen niettemin ervoer als een te overwinnen barrière, kan blijken uit een belangwekkend, maar nog niet eerder bestudeerd getuigenis dat hij naliet in de vorm van een publiciteitsadvertentie voor De misleide.
brinkman: een geslepen verkoopsmanager
Brinkman (1887: 191) opent zijn reclametekst met de vaststelling dat Dostoevskij niet meer geheel onbekend is in Nederland sinds Jan ten Brink, ‘een onzer meest verdienstelijke letterkundigen’, hem heeft binnengeleid in Nederland en ‘kort daarop’ één van zijn hoofdwerken in het Nederlands is vertaald. Het feit dat een uitgever hier een loopje neemt met feitelijke chronologie van de gebeurtenissen doet vermoeden dat Schuld en boete bij zijn onmiddellijke verschijnen geenszins was ingeslagen als een bom in het Nederlandse letterkundige landschap.
Om de Nederlandse lezer er meteen van te overtuigen dat Dostoevskij ook waard is vertaald en gelezen te worden ‘in ons Vaderland’, voert de uitgever prompt een polysystemisch gezagsargument aan: hij verwijst naar de aandacht die de werken van de Rus al geruime tijd genieten in Duitsland en Frankrijk, wat hij des te meer betekenisvol vindt aangezien daar ‘dank zij het cosmopolitische karakter der talen, de eigen letterkunde kan bloeien’. Het feit dat Georg Ebers ‘een schone toekomst’ voor Dostoevskijs oeuvre voorspeld heeft en in Frankrijk niet nader genoemde ‘critici van naam’ hun waardering voor hem uitspreken, doet Brinkman (1887: 191) veronderstellen dat de Rus ooit deel zal uitmaken van de canon van de wereldliteratuur.
Curieus is Brinkmans terloopse opmerking dat het geselecteerde werk tot Dostoevskijs hoofdwerken behoort. Aangezien hij de studie van Ten Brink (1886) had gelezen en bovendien naar eigen zeggen te rade was gegaan bij vooraanstaande Franse critici, moet hij geweten hebben dat Unižennye i oskorblënnye niet beschouwd werd als één van Dostoevskijs hoofdwerken, maar integendeel gold als één van zijn minder geslaagde creaties. De flagrante ontkenning van dit feit maakte allicht deel uit van zijn verkoopsstrategie.
De volgende stap van Brinkman (1887: 191-2) bestaat erin interesse te wekken voor de biografie van de schrijver en deze voor te stellen als een garantie voor de kwaliteit van zijn oeuvre. In een notendop beschrijft hij het leven Dostoevskij, daarbij enkel aandacht bestedend aan het leed dat hem te beurt viel. Het gaat hier ook om de post-Siberische periode, waarin Dostoevskij de ‘kommervollen strijd om het bestaan […] moest aanbinden om zich te vrijwaren tegen gebrek en allerlei ellende’. De opeenstapeling van ‘duizenderlei verdrietelijkheden en teleurstellingen’ in combinatie met honger heeft hem ‘omgevormd tot den schrijver, die op roerende wijze ons voor oogen stelt, wat er omgaat in de ziel van vele “beleedigde en verdrukte” natuurgenoten’.
In dit laatste verband wordt het meesterschap van Dostoevskij geprezen om personages te schilderen. Het is enigszins ironisch dat deze lof precies ondergebracht is in een reclametekst voor een vertaling van Unižennye i oskorblënnye, aangezien de scherpe kritiek die dit werk te beurt was gevallen – zowel in Rusland als in Europa – precies de uitbeelding van de personages betrof. Brinkman gaat hier volledig aan voorbij en vervolgt door het ‘opvoedend karakter’ van Dostoevskijs werk te lauweren, dat volgens hem voortkomt uit zijn ‘innig medelijden met alles wat lijdt’. Aangezien het standpunt dat ‘kunst een verheffende functie had’ in de jaren 1880 nog altijd wijd verspreid was,[70] is het logisch dat Brinkman het stichtelijke aspect van Dostoevskij zodanig in de verf zette. Temeer daar eerder tegenovergestelde beweringen waren gedaan, onder anderen door W. (1886), Wolfgang (1886) en Prawda-Matka (1886).
Gezien de overwegend ethische bekommernis van de uitgever, is het niet verbazend dat hij in zijn advertentie geen aandacht besteedt de esthetische kenmerken van het vertaalde werk. Over de concrete thematiek, de personages, de plot of de stijl rept hij met geen woord. Wat hij wel nog over De misleide kwijt wil, is dat hij er niet aan twijfelt dat dit werk zal ‘voldoen aan de eischen van smaak, die een beschaafd publiek terecht aan elk letterkundig product stelt’. Uit het vervolg van deze redenering wordt duidelijk dat de uitgever hier eventuele aantijgingen van zedelijke of andere inacceptabiliteit anticipeert:
Men heeft hem [Dostoevskij] hier en daar ruwheid en platheid ten laste gelegd. In het werk, dat wij het Nederlandse publiek aanbieden, is daarvan geen zweem te onderkennen, en, waar wij een enkele maal daarvan de sporen meenden te ontdekken, daar is deze klip zooveel mogelijk vermeden.[71] (Brinkman 1887: 192)
Het bovenstaande citaat kan gelezen worden als een tendentieuze poging om De misleide voor te stellen als een polemisch werk, om de interesse van de lezer te prikkelen. Toch is het meer waarschijnlijk dat Brinkman daadwerkelijk vreesde dat de geselecteerde roman, waarin een jonge vrouw ongehuwd samenwoont met een man en kinderprostitutie in het spel is, door de Nederlandse kritiek niet acceptabel genoeg bevonden zou worden. Dit is alleszins de indruk die hij geeft op basis van de uitspraak dat de ‘klip zooveel mogelijk vermeden’ was in de zeldzame gevallen wanneer sporen van ‘ruwheid en platheid’ ontdekt waren. Het feit dat de uitgever hier helder laat verstaan dat de tekst werd aangepast omwille van de acceptabiliteit is zeer betekenisvol. In het algemeen zegt dit veel over de vertaalcultuur: adequatie was niet altijd de geproclameerde dominante norm. In het bijzonder kan deze uitlating er volgens de polysysteemtheorie op wijzen dat voor de vertaling in kwestie in de Nederlandse literatuur een secundaire functie voorzien werd.
Uit de bovenstaande bespreking kan opgemaakt worden dat de uitgever geen moeite spaarde om een werk ingang te doen vinden dat in de buiten- en binnenlandse kritiek overwegend negatieve reacties had ontlokt, voor zover het überhaupt behandeld was. Strategisch als hij was, had hij dit gedaan zonder de discussie over de literaire kwaliteit van de tekst ten gronde aan te gaan, maar wel door de kritiek onrechtmatig voor zijn kar te spannen, door het leven van Dostoevskij als belangwekkend en relevant af te schilderen, door de pedagogische waarde van zijn oeuvre te beklemtonen en door zichzelf garant te stellen voor de zedelijke acceptabiliteit van de vertaling. Om de geviseerde consument – eerder het grote publiek dan de geletterde en gefortuneerde elite – van zijn allerlaatste twijfels te ontdoen, gooide C.L. Brinkman (1887: 192) tot slot van zijn advertentie nog een laatste wapen in de strijd: wie dat wilde kon de eerste vijf vellen van De misleide franco als proefaflevering verkrijgen. Het volledige werk kon afgeleverd worden tegen de gematigde prijs van ƒ 4,75 en was op bestelling te verkrijgen bij de meeste boekhandelaren.
de macht van de zedelijke acceptabiliteit
De hierboven geanalyseerde reclametekst voor De misleide werd als bijlage toegevoegd aan de eerste druk van één van Nederlands eerste naturalistische romans: Een liefde (1887)[72] van Lodewijk van Deyssel. Aangezien dit boek handelt over de liefdesperikelen van een jonge, bedrogen vrouw, was het toepasselijk dat precies hierin de reclametekst voor Unižennye i oskorblënnye werd ondergebracht: de onderwerpen die in deze romans behandeld worden zijn gelijkaardig. Overigens was Van Deyssel een van de weinige Tachtigers die met Dostoevskij dweepten – terwijl dit dwepen voor de Franse en Duitse literaire avant-garde van die tijd obligaat was. Van Deyssel had de Rus ontdekt in het midden van de jaren 1880 via Arij Prins en liet zich door hem inspireren bij zijn eigen schrijfproces. Zo wijst Jans (1952: 43) erop dat Van Deyssel tot tweemaal toe een onderwerp behandelt dat grote gelijkenis vertoont met Prestuplenie i nakazanie, namelijk ‘dat men wel eens een Napoleon zou kunnen zijn en hoe men in dat geval zou handelen’.[73] Hoewel Van Deyssel zichzelf een naturalist noemde, behoefde zijn toenadering tot Dostoevskij geen heroriëntatie ten gronde: hij reduceerde het naturalisme immers tot de leerstelling ‘dat de kunstenaar zich plaatst tegenover de konkreete natuur en de indruk weêrgeeft, welken die natuur op hem maakt’.[74] Bovendien sloeg hij het wetenschappelijke aspect van het naturalisme à la Zola volledig in de wind – als zodanig stond hij dichter bij de Rus dan de Franse naturalisten.
De omstandigheden waarin Een liefde werd uitgegeven verdienen toelichting om nog andere redenen dan de affiniteiten die Van Deyssel voor Dostoevskij koesterde. Ten eerste omdat ze nogmaals aantonen hoe doordacht de verkoopsstrategie van Brinkman was. Ten tweede omdat ze een helder beeld opleveren van de mate waarin de Nederlandse boekenmarkt in die tijd geregeerd werd door de factor van de zedelijke acceptabiliteit.
Zoals Prick (1974: 10) aan het licht bracht, werd de eerste oplage van Een liefde doelbewust beperkt tot slechts 500 exemplaren. De geslepen verkoopsstrategie van Brinkman bestond erin om enerzijds de roman amper beschikbaar te stellen, en dan nog aan een zeer hoge prijs, en er anderzijds de algemene aandacht op te vestigen, om op die manier ‘een algemeene prikkeling onder het publiek’ te doen ontstaan. Pas daarna zou de uitgever een tweede, goedkope uitgave op de markt brengen en een grootschalige reclamecampagne voeren. Hij hoopte dat door de Nederlandse lezers op die manier te bespelen, Een liefde zou uitgroeien tot een beststeller. Zo’n vaart liep het echter niet. Hij had de ophef die de roman veroorzaakte namelijk zwaar onderschat. Met name de scènes met expliciet beschreven seksuele handelingen, zoals de zelfbevrediging van het personage Mathilde, werden onoverkomelijk problematisch bevonden. De traditionele critici schreeuwden moord en brand. Bijvoorbeeld noemde H. Rössing, nota bene de broer van Dostoevskijs eerste Nederlandse uitgever, Een liefde smalend ‘een groote aanwinst voor de kuf- en bordeelliteratuur’.[75]
Het schandaal had voor Brinkman op korte termijn een gunstig, maar op lange termijn een kwalijk gevolg: enerzijds was hij vrijwel meteen door zijn gehele voorraad heen en uit de kosten, anderzijds moest hij afzien van het plan om een tweede, goedkope uitgave op de markt te brengen. De handelshuizen dreigden er immers mee hun drukwerkorders te bestellen bij een uitgeverij met een minder onkiese reputatie.[76] Onder druk van de conservatieve critici kon de tweede uitgave van Een liefde pas verschijnen in 1899, en dan nog in zwaar gecensureerde vorm: de meest aanstootgevende passages waren in deze versie weggelaten of gekuist.[77] Men kan zich gemakkelijk indenken dat de Nederlandse uitgevers die in zulk een klimaat moesten functioneren weigerachtig stonden tegenover de rijpe werken van Dostoevskij, waarin nihilisten, (zelf-)moordenaars, bandieten, prostituees, alcoholisten, pedofielen, epileptici en wat dies meer zij opgevoerd worden. Dit verklaart waarom Brinkman er prat op ging de tekst te hebben aangepast aan de eisen van de welvoeglijkheid.
de misleide gerecenseerd
De misleide werd gematigd positief besproken door een anonieme recensent (1887a: 54-6) van Het leeskabinet. Bepaalde woordkeuzen[78] verraden onmiskenbaar de invloed van De Vogüé. Deze komt echter ook overtuigend tot uiting in de opgesomde gebreken en sterktes.
Na een korte situering van Unižennye i oskorblënnye in het leven van Dostoevskij benadrukt de recensent dat de liefdesverhouding die in deze roman wordt uitgebeeld velen onmogelijk kan lijken, maar uit het leven van de auteur zelf gegrepen is. Dit bedoelt hij niet als vergoelijking, want hij meent dat ‘in deze verhouding […] iets overdrevens ligt opgesloten, dat ons onaangenaam aandoet, dat we tenminste belachelijk vinden’. Zijn kritiek betreft vooral – met name hier spreekt De Vogüé – het personage Alëša, dat ‘een groot kind’ is. Dat de verteller, Ivan Petrovič, voor hem opzijgaat, geeft hem ‘iets Brave-Hendrik-achtigs’. Daardoor verliest hij de sympathie van de lezer. ‘Brave Hendrikken vallen nu eenmaal niet in de smaak’.
Na de intrige in detail besproken te hebben, wijst de recensent erop dat de romantechniek veel te wensen overlaat. Hieraan wordt de veralgemening gekoppeld dat Dostoevskij ‘in de compositie […] nooit onberispelijk [is] geweest’. Het enige overtuigend positieve dat over De misleide gezegd wordt – ook hierin is de recensent trouw aan De Vogüé – betreft de vrouwenfiguren: Nataša, Nelli en Nataša’s moeder zijn ‘voortreffelijk’. Voor de twee eerstgenoemden ziet de recensent ‘veel van het gebrekkige, dat dezen roman aankleeft, over het hoofd’. Even verder heet het dat ‘de teekening beider gestalten’ het op zich ‘dubbel waard [maakt] dat men ook met dit boek in onze taal kennis maakt’.
De recensent staat stil bij de materiële uitgave, die hij ‘flink’ noemt, en bij de tekst zelf, waarvan hij de gebrekkige correctie betreurt. Opmerkelijk genoeg besteedt hij ook aandacht aan de bekentenis van de uitgever zogenaamd ‘realistische passages of uitdrukkingen’ weggelaten te hebben. Enerzijds geeft hij aan hierbij bedenkingen te hebben. Anderzijds toont hij hier begrip voor omdat ‘voor velen, o.a. bestuurders van leesgezelschappen […] deze bekentenis eene aanbeveling te meer [zal] zijn’. Overigens neemt hij in zijn recensie geen aanstoot aan het hem bekende feit dat De misleide tot stand was gekomen via de Duitse vertaling Erniedrigte und Beleidigte – vertaaladequatie was voor hem dus geen belangrijk evaluatiecriterium.
5 Een voorlopig hoogtepunt (1887-91)
drie nieuwe uitgaven bij rössing
In 1887 bracht A. Rössing, die dit al in 1886 had aangekondigd,[79] twee nieuwe vertalingen uit van Dostoevskijs vroegste titels. De eerste uitgave was Arme menschen, een vertaling van de door buitenlandse critici hoog aangeslagen debuutroman Bednye ljudi. De tweede uitgave, die ongeveer een half jaar later verscheen, was De kerstboom: een amper 15 pagina’s tellende vertaling van het onbeduidende pre-Siberische kerstverhaaltje Ël’ka i svad’ba. In 1888 gaf Rössing ook De onderaardsche geest uit, naar de goed verkopende Franse adaptatie L’esprit souterrain door Halpérine-Kaminsky en Morice, die erg in de smaak was gevallen bij De Vogüé (1886c: 840) – dit ondanks zijn afkeer van Zapiski iz podpol’ja.[80]
De vertaler van Arme menschen was A. van der Hoek, die verder geen vertalingen van Russische werken op zijn of haar naam heeft staan.[81] Over deze vertaler is niets terug te vinden. Het is in principe niet uitgesloten dat het om dezelfde persoon gaat als Petros Kuknos, aangezien beiden uit het Duits vertaalden.[82] Het viel een recensent echter op dat de vertaling ditmaal ‘aan betere handen toevertrouwd [was] dan die van Schuld en boete’.[83] Wellicht was dus een andere vertaler gecontracteerd ten gevolge van de negatieve kritiek op dit punt. Zowel De kerstboom als De onderaardsche geest waren vertaald door F. van Burchvliet, die in de tweede helft van de jaren 1880 zeer actief was op het terrein van de Russische letteren. Meer bepaald vertaalde hij in deze periode naast de genoemde werkjes van Dostoevskij vier of vijf boeken van Tolstoj, die uitgezonderd één allemaal verschenen bij Rössing.[84] Van de genoemde titels werden vijf recensies teruggevonden in de letterkundige pers, drie van Arme menschen, één van De kerstboom en één van De onderaardsche geest.
Arme menschen werd gematigd positief geëvalueerd door een anonieme medewerker (1887: 143-4) van Het leeskabinet. In de inleiding van zijn stuk staat het lovende oordeel over dit werk van de Russische criticus Belinskij centraal. De recensent sluit zich hierbij aan om twee sterke punten: de geleidelijkheid en de sereniteit waarmee het verhaal zich voortbeweegt. Hij analyseert de verhouding tussen Devuškin en Varvara als een eenzijdige liefde, waarvan de man zichzelf niet eens rekenschap geeft. Er komen echter ook drie tekorten in deze recensie ter sprake. Ten eerste bevat dit verhaal, dat naar Dostoevskijs normen uiterst summier is, ‘sommige langdradigheden’. Ten tweede is het somber – de recensent meent evenwel dat men dit de auteur moeilijk kan aanwrijven, aangezien zijn leven ‘ook niet vrolijk’ was. Ten derde is de vertaling ‘niet voldoende van drukfouten […] gezuiverd’.
Een gelijkaardig oordeel velde een anoniem criticus (1887: 108-9) in De tijdspiegel. De selectie van een beginwerk van Dostoevskij zag hij als een logisch gevolg van zijn populair worden na kennismaking met zijn meesterwerk Schuld en boete, ‘het meest aangrijpende werk van dezen auteur’. De troef van Arme menschen is dat het karakter van de schrijver, ‘door de critiek met den naam van “den dichter van alle ellenden” gedoopt’, erin tot uiting komt. Meer bepaald ligt over dit werk, zogezegd zoals over alles wat Dostoevskij schreef, ‘een waas van weemoed en teleurstelling’. De criticus bewondert de talentvol geschilderde beschrijvingen die volgens hem onveranderlijk getuigen ‘van armoede, ellende en onderdrukking’. Tegelijkertijd worden drie minpunten opgesomd. Ten eerste kan Arme menschen qua dramatische kracht en zielkundige ontleding niet tippen aan Dostoevskijs hoofdwerk. Ten tweede verraadt de vorm dat het om een debuut gaat. Ten derde is de correspondentie her en der langdradig. De recensie eindigt met een lofbetuiging aan het adres van de vertaler. Zijn arbeid wordt, zoals dit destijds meestal gebeurde, geëvalueerd op basis van puur doeltekstgerichte criteria: de recensent meent dat, indien zijn veronderstelling klopt dat de tekst uit het Duits vertaald is,[85] de vertaler geprezen moet worden omdat ‘dit aan geen enkel germanisme te merken is’. Dat de vertaling indirect tot stand was gekomen werd dus niet beschouwd als een probleem, waaruit dan weer af te leiden valt dat vertaaladequatie voor deze criticus evenmin van tel was als voor de anderen.
Nog minder enthousiast was de anonieme H.N.[86] (1887: 286) in De portefeuille. Voor hem was Arme menschen een bewijs dat de lezer die zich in zijn boekenkeuze laat leiden door de mode voor Russische boeken, die in de eerste plaats Tolstoj betreft, ook wel eens teleurgesteld zou kunnen worden. Wat hem vooral tegenvalt, is dat het hele werk is geschreven in briefvorm en dat er weinig in gehandeld wordt. Het enige positieve punt dat hij bij zijn summiere bespreking van de plot opmerkt is dat ‘het boek ons een inzicht [geeft] in hetgeen er door fatsoenlijke armoede geleden wordt’. Dit is buitengewoon omdat boekpersonages in het algemeen ‘niet bepaald zoo ‘n harden strijd om het bestaan hebben!’. Sarcastisch is de opmerking dat jonge verliefden uit Arme menschen ‘verschillende naampjes’ kunnen putten ‘om elkaar mede te betitelen’. Hij voegt er immers laconiek aan toe: ‘meestal vindt men die echter zelf wel uit’. H.N. haalt ook scherp uit naar de vertaler. Niet om zijn vertalen in strikte zin, maar wel omdat hij de drukproeven onvoldoende zou nagekeken hebben. Ter illustratie worden twee taalfouten uit de tekst gelicht: een dt-fout en het comparatief gebruik van ‘als’ in plaats van ‘dan’. Ondanks zijn lage dunk van Arme menschen, kijkt de recensent, die eraan herinnert dat Schuld en boete wel succesvol was, uit naar het door dezelfde uitgever aangekondigde Uit het doodenhuis.
Een recensie van De kerstboom, slechts bestaande uit een vijftal regels, werd in december 1887 gepubliceerd in De Amsterdammer, meer bepaald in een kritisch overzicht van pas verschenen kerstliteratuur. De recensent, die anoniem (1887: 5) is gebleven, was bijzonder slordig, want in de naam van de vertaler heeft hij twee spelfouten gemaakt.[87] Belangwekkender is het vernietigende oordeel dat hij over het korte verhaaltje uitspreekt: ‘het gelijkt veel op Andersen’s beroemd sprookje,[88] maar is zoo mooi niet en de illustratie is heel leelijk’.
De onderaarsche geest werd gerecenseerd door Van der Meij, alias Wolfgang (1889a: 150-1), in De Nederlandsche spectator, tezamen met de eveneens bij Rössing verschenen vertaling Doode zielen van ‘Nicolaas Gogol’. Terwijl deze laatste titel aan de recensent de aansporing ‘lees het’ ontlokt, is zijn evaluatie van De onderaarsche geest minder gunstig. Als brontekst van dit werk geeft hij ‘Zapissok [sic] iz podpolia’ op. Deze titel is echter grammaticaal fout – opmerkelijk voor een Ruslandkenner. Bovendien betreft het in werkelijkheid een vertaling van de Franse tekst L’esprit souterrain, die op zijn beurt teruggaat op twee bronteksten, namelijk enerzijds op Chozjajka en anderzijds op Zapiski iz podpol’ja.[89] Wolfgang blijkt blind te zijn voor deze samengestelde natuur van De onderaarsche geest, wat een indicatie is dat hij met het oeuvre van Dostoevskij slechts oppervlakkig vertrouwd was. Wel vermeldt hij dat ‘de Hollandsche bewerking […] in twee delen [is] gesplitst’.
De twee delen van De onderaarsche geest, hoewel niet geïdentificeerd, worden door Wolfgang verschillend geëvalueerd. Het eerste deel, dat de ontmoeting schetst van de zonderling Ordinoff met het krankzinnige meisje Katia en een epileptische grijsaard, is voer voor psychologen, maar ‘een gewoon mensch duizelt het daarbij’. Bovendien ‘kan het verhaal slechts matige belangstelling wekken bij degenen, die niet met het kunstenaarsoog de opgave in elken regel naspeuren’. Het tweede deel acht Wolfgang, naar gewoonte zichzelf boven de gemiddelde lezer verheffend, ‘begrijpelijker voor de schare’. Hierin treedt Ordinoff op als vrijwillige beul van zichzelf. Zijn ergernis om een door een officier aangedane belediging reageert hij af op Lize, ‘een meisje à mille coeurs’ – lees: prostituee. De kracht van dit verhaal ligt wat Wolfgang betreft besloten in het hoofdpersonage. Enerzijds is Ordinoff een ‘onbarmhartig egoïst’, anderzijds komt af en toe ‘de sympathieke zijde der menschelijke natuur’ kijken. Hij vertegenwoordigt de opstand ‘van de ideale ziel tegen de materieele waereld om ons en in ons’. Op basis van deze analyse veronderstelt Wolfgang dat Dostoevskij dit werk heeft geschreven onder invloed van Les mémoires du diable van de Franse roman- en toneelschrijver Frédéric Soulié. Waardevol aan De onderaarsche geest vindt hij ook de ‘tallooze paradoxen’. Bijvoorbeeld dat volgens Ordinoff beminnen gelijkstaat aan ‘tiranniseeren en in moreelen zin overheerschen’. Tot slot van zijn bespreking van het tweede deel wijst de recensent erop dat Ordinoff beschouwd mag worden als de voorganger van Raskol’nikov.
Wolfgang neemt in zijn recensie van De onderaarsche geest geen duidelijk standpunt in over de literaire waarde van het geheel. Een eindevaluatie ontbreekt. Wel doet hij enkele algemene uitspraken over dit werk die de verspreiding ervan onder het gros van de lezers moeilijk ten goede kunnen zijn gekomen. Zo meent hij dat dit werk behalve het talent van Dostoevskij ook hemzelf karakteriseert, en wel als een schrijver met vrouwelijke gevoelens en een mannelijke kunst. Deze analyse wordt geduid in afschrikwekkende bewoordingen, die wel geplukt lijken uit de allereerste recensies van Dostoevskij door Wolfgang:
De verschrikkelijkheid van zijn talent openbaarde zich in zijn zucht om den lezer te kwellen. Hij spaarde dezen niets. De toestand van den schrijver bracht dit mee. Aan eigen lijden dankte hij de volmaaktheid zijner zielkundige ontleding.[90] (Wolfgang 1889b: 151)
Aangezien De misleide (1886) van Brinkman en Arme menschen (1887), De kerstboom (1887) en De onderaarsche geest (1888) van Rössing koude en lauwe reacties ontlokten aan de letterkundige pers en bovendien geen tweede druk kregen in de volgende jaren, kan aangenomen worden dat het commerciële succes ervan beperkt was. Niettemin getuigen deze vier nieuwe publicaties, zeer gelijkmatig gespreid over de tijd, dat er in het Nederlandse taalgebied in de nasleep van Schuld en boete (1885) voor Dostoevskij een reële belangstelling bestond. Als bewijs hiervan kan ook aangevoerd worden dat in 1887 vertaalrechten werden geclaimd voor Le joueur et les nuits blanches en Aus dem totden Hause, respectievelijk door de succesvolle Amsterdamse uitgever en boekhandelaar Allert [sic] de Lange (1855-1927) en door Rössing.[91] De aangekondigde Nederlandse vertalingen werden door deze uitgevers echter nooit uitgebracht. De redenen hiervoor zijn onbekend.
een geveinsde mode
Dostoevskij was niet de enige Rus die in de jaren 1887-88 opgang maakte in de Nederlandse letteren: met ongeveer twee jaar vertraging ten opzichte van Frankrijk was de Russische literatuur in het algemeen uitgegroeid tot een modefenomeen in Nederland. Een recensent van De portefeuille analyseerde de plots opgekomen belangstelling voor de Russische romanciers als commercieel interessant voor de uitgevers, maar oppervlakkig en geveinsd:
Even zooals het Delftsch in de mode is voor porcelein, zoo is in de literatuur de vraag algemeen naar “Russisch”. Van Russische boeken wordt men tegenwoordig niet moe. De uitgevers weten met dezen trek hun voordeel te doen, en zij gaan voort Russisch te leveren aan het grage publiek. Op de echte, onvervalschte Russische meesterstukken van Dostoievsky, Tolstoï, Turgeniew enz. volgden eerst minder bekende werken van deze groote schrijvers en daarna de voortbrengsels van mindere goden. ‘t Deed er niet toe, als het maar Russisch was, kon elk boek rekenen op een goed onthaal; al vond men het ook eigenlijk onbegrijpelijk, vervelend, raar; wanneer het een mode-artikel geldt, ziet men immers veel door de vingers. (Anonymus in De portefeuille 1888: 12)
De recensent trekt een opmerkelijke conclusie uit zijn vaststelling dat de Nederlandse belangstelling voor origineel Russische werken gehuicheld is: zeker in het licht van een eventuele drooglegging van de Russische markt, vindt hij het een natuurlijke en goede zaak dat men het publiek een ‘nagemaakt fabricaat’ aanbiedt. Immers, ‘ook Delftsch heeft men nagebootst en inderdaad, die niet al te veel verstand van het artikel hebben vinden het namaaksel eigenlijk mooier dan het andere’.[92] Mutatis mutandis twijfelt de recensent er niet aan dat de vele pseudo-Russische romans die worden uitgegeven ‘evenveel, zoo niet meer succes [zullen] hebben dan het echte fabrikaat’. Als voorbeeld geeft hij Een Russisch violist van de Franse schrijfster Henri Gréville.[93] Zijn oordeel over deze pseudo-Russische roman, die zich volledig afspeelt in een Russische setting en waarin Russische namen en titels welig tieren, is lovend omdat de ‘vloeiende verhaaltrant en geestige opmerkingen […] de Française verraden, alles behalve Russische zijn, maar toch haar boeken aangenamer te verteren maken’.
De bovenstaande uitspraken suggereren dat de Nederlandse receptie van Russische literatuur in de jaren 1887-88 eerder gedragen werd door een oppervlakkig modebewustzijn dan door reële interesse. Er kwamen echter uitzonderingen voor, ook in het geval van Dostoevskij. Zo verschenen op het einde van de jaren 1880 twee nieuwe studies over hem met enige ideële inhoud. Het betreft hier geen proefstukken: de auteurs zijn respectievelijk Ten Brink en Van der Meij, die de voorgaande jaren hadden benut om hun vertrouwdheid met Dostoevskijs oeuvre, die aanvankelijk nogal gering was, te verbreden en uit te diepen.
ten brink bis: dostoevskij voor de kar van de volkenkunde
De tweede studie over Dostoevskij van Ten Brink verscheen in 1888 in het veelgelezen Amsterdamse tijdschrift Vragen van den Dag, dat een paar jaar voordien gesticht was door de agronoom Hendrik Blink. Dat de studie ‘Dostojewski’ precies in dit forum werd geplaatst is opmerkelijk, aangezien literatuur hierin amper een rol speelde, zoals ook blijkt uit de ondertitel Populair tijdschrift op het gebied van staatshuishoudkunde en staatsleven, natuurwetenschappen, uitvindingen en ontdekkingen, aardrijkskunde, geschiedenis en volkenkunde, kolonien, handel en nijverheid enz. De verklaring wordt door Ten Brink (1888: 578-9) zelf aangereikt in de inleiding van zijn stuk. Hij stelt vast dat ‘de vraag naar den toestand en de toekomst van het reusachtig Russenrijk’ nog altijd aan de orde is ‘onder de vragen van den dag’. In dit verband verwijst hij naar ‘de eerbiedwekkende ontwikkeling der Russische kunst’ en naar het feit dat ‘de Russische colossus langzaam de brandewijnkruik terzijde zet, en zijne logge leden van de Witte Zee tot den Caucasus begint te bewegen’. Hij gelooft dat de Russische romanciers aan Europa meer inzicht verschaffen in Rusland ‘dan ooit uit de beste geographische, etnologische en statistische handboeken zou kunnen geleerd worden’. Meer nog de ‘hartveroverende tafereelen’ van Tolstoj, openbaren ‘de schokkende, huiveringwekkende vertellingen’ van Dostoevskij de Russische tijdsgeest, die volgens hem gelijkt op de Duitse tijdsgeest in de hoogdagen van Schiller en Goethe. Kortom, het is Ten Brink niet zozeer te doen om de intrinsiek literaire waarde van Dostoevskij, dan wel om zijn bruikbaarheid als bron van kennis over het Russische volk en land.
Zeer belangwekkend is het feit dat Ten Brink (1888: 579-80), vooraleer ter zake te komen, met klem het recht opeist om een studie over Dostoevskij te maken, hoewel hij geen Russisch verstaat. Zijn rechtvaardiging is tweeledig. Het eerste argument gaat uit van de onfeilbare autoriteit van de dominante culturen, met name de Duitse en de Franse. Blijk gevend van naïviteit meent hij een juiste voorstelling van de Russische literatuur verworven te hebben ‘door de ernstige beoefening van alles wat er in Duitschland en Frankrijk over Russische letterkunde is geschreven’ en door het lezen van ‘Duitsche en Fransche vertalingen der classieke Russische literatuur’. De impliciete assumptie van deze uitspraak is dat de Franse en Duitse kritische teksten en vertalingen respectievelijk objectief en in hoge mate adequaat zijn. Dit laatste is niet het geval, zoals aangetoond zal worden in het volgende deel van dit proefschrift. Het tweede aangevoerde argument is praktisch van aard. Meer bepaald argumenteert Ten Brink (1888: 580) waarom de stelling dat men enkel over een volk mag spreken waarvan men zelf de taal verstaat, onhoudbaar is. Hiervoor gebruikt hij strategisch gekozen voorbeelden. Zo verklaart hij dat, indien de gehekelde stelling klopte, miljoenen Christenen geen oordeel zouden mogen vellen over de inhoud van de Bijbel, omdat ze geen Hebreeuws of Grieks verstaan. Op gelijkaardige wijze spant hij na het Heilig Schrift ook gecanoniseerde denkers en schrijvers als Cicero, Luther, Petrarca en Shakespeare voor zijn kar. Als deze retorisch indrukwekkende, maar logisch betwistbare rechtvaardiging één zaak duidelijk maakt, dan is het wel dat de Leidse hoogleraar het zelf gênant vond geen rechtstreekse toegang te hebben tot Dostoevskij en vreesde dat daarom zijn competentie in vraag zou worden gesteld.
De vermelde secundaire bronnen over Russische letterkunde, waaruit Ten Brink (1888: 580) zijn bevoegdheid put, zijn grotendeels dezelfde als degene die aan de grondslag lagen van zijn in 1886 gepubliceerde studie. Het betreft opnieuw Courrière (1875), Haller (1882) en Dupuy (1885). De vermelding van het Dostoevskij-artikel van De Vogüé (1885) is weggevallen ten voordele van Le roman russe (1886). Daarnaast wordt verwezen naar één nieuwe bron: de eerder aangehaalde literatuurgeschiedenis van Sichler (1886), die de autoriteit van De Vogüé bevestigde. Dat Ten Brinks toenadering tot Dostoevskij in veel grotere mate bemiddeld werd door de Franse dan door de Duitse cultuur, blijkt ook uit de door hem geraadpleegde vertalingen die in deze studie vermeld worden: maar liefst tien verschillende Franse doelteksten worden genoemd, inclusief belles infidèles als L’esprit souterrain (1886) en Les frères Karamazov (1888), tegenover slechts één Duitse. Wel wordt deze laatste tekst, namelijk Erniedrigte und Beleidigte (1885), als enige vertaling expliciet geprezen – al is niet duidelijk op basis van welke criteria. Zeer vreemd is het dat van alle Nederlandse doelteksten die op dat moment verschenen waren, enkel Schuld en boete (1885) wordt opgegeven. Zelfs De misleide (1886) wordt niet expliciet vermeld, hoewel de uitgever hiervan, Brinkman, dezelfde was als van Vragen van den Dag, waarvoor dit artikel bestemd was. De Nederlandse lezer krijgt wel de volledige bibliografische referenties van de Franse vertalingen voorgeschoteld, maar moet het wat zijn eigen taalgebied betreft stellen met de volgende opmerking, ondergebracht in een voetnoot: ‘er bestaan nog enkele vertalingen in het Nederlandsch’. Deze vaststelling doet vermoeden dat het succes van de doelteksten in kwestie gering was. Daarnaast is het ook een indicatie dat Ten Brink zich richtte op een meer elitair publiek, dat het gewoon was om Franse publicaties ter hand te nemen.
De grote afwezige in de waslijst van publicaties, waarmee Ten Brink (1888: 583) wil bewijzen dat Dostoevskij ‘zijne dagen niet in ledigheid heeft gesleten, hoewel de verschrikkelijke jaren in Siberië hem vóór de tijd tot een oud, lijdend, afgeleefd man hadden gemaakt’, is Podrostok. Van deze lijvige roman bestond nog geen Franse vertaling – zoals eerder besproken, werd die voor de Franse markt laattijdig ontsloten – en van het bestaan van de Duitse, Junger Nachwuchs (1886), was de francofiele hoogleraar kennelijk niet op de hoogte.
Ten Brinks studie van 1886 bestond uit een oppervlakkige behandeling van Dostoevskijs leven en werk, hoofdzakelijk gebaseerd op De Vogüé (1885), aangevuld met meer oorspronkelijke beschouwingen over Prestuplenie i nakazanie. In zijn artikel van 1888 worden, anders dan de algemene titel ‘Dostojewski’ doet vermoeden, weinig levensbijzonderheden verstrekt en slechts twee andere werken inhoudelijk besproken: Bednye ljudi en Zapiski iz mërtvogo doma. Niet toevallig betreft het precies die twee titels die in de ogen van De Vogüé tezamen met Prestuplenie i nakazanie Dostoevskijs top drie uitmaakten. Behalve in de selectie van de besproken werken komt de invloed van de Franse burggraaf tot uiting in de evaluatie en analyse die Ten Brink (1888: 581) maakt van deze werken ‘uit Dostojewski’s eerste tijdvak’.
Voor zover het leven van Dostoevskij in deze studie aan bod komt, wordt het voorgesteld als een lange lijdensweg. Zo heeft Ten Brink (1888: 581) het over de levenslange strijd van de schrijver ‘om een sober stuk brood te verdienen’. In navolging van De Vogüé (1885: 315) informeert hij even verder dat de schrijfarbeid de vertroosting bij uitstek vormde voor de door het lot gemaltraiteerde man, een stelling die hij net als de burggraaf staaft met een uitspraak van het autobiografische hoofdpersonage van Unižennye i oskorblënnye.[94] Opvallend is dat Dostoevskijs gokschulden of negatieve karaktereigenschappen, zoals zijn door De Vogüé (1885: 353) aan de kaak gestelde hooghartigheid en narcisme, niet ter sprake komen. Het beeld dat hier van Dostoevskij wordt opgehangen is dan ook – méér nog dan in het hoofdstuk ‘La religion de la souffrance’ van Le roman russe – dat van een martelaar in de christelijke zin van het woord. Veelbetekenend in dit opzicht is het feit dat de Leidse hoogleraar zijn studie begonnen was met de gedachte, geïnspireerd door een passage bij Sichler (1886: 315), dat het typisch is voor de Russen in het algemeen en voor Dostoevskij in het bijzonder om medelijden te hebben met wie door zijn eigen schuld gevallen is ‘omdat Christus ons heeft voorgeschreven onze naasten lief te hebben’. Mogelijk is het ook te wijten aan zijn christelijke bril dat Ten Brink (1888: 583) over het lichamelijk en geestelijk lijden van Dostoevskij spreekt met gevoel voor overdrijving. Zo noemt hij Bednye ljudi het enige boek dat de Rus geschreven heeft ‘in het volle bezit zijner krachten’.
Nadat hij de door De Vogüé (1885: 315) opgepikte anekdote uit Dnevnik pisatelja over de ontdekking van Dostoevskijs talent door Grigorovič, Nekrasov en Belinskij herkauwd heeft, waarbij zijn enige originaliteit besloten ligt in de vergelijking van de laatstgenoemde met de critici Sainte-Beuve en Potgieter, trekt Ten Brink (1888: 585) een parallel tussen Bednye ljudi en het kortverhaal Šinel’ (De mantel) van Gogol’, dat hij op zijn beurt vergelijkt met Camera obscura van Hildebrand. Dat de hoogleraar niet vergelegen zit om een vergelijking tussen literaire werken blijkt ook uit zijn bespreking van de epistolaire vorm van Dostoevskijs debuut. Merkwaardig genoeg wijst hij erop dat deze briefwisseling niet ontleend is aan bekende voorbeelden uit westerse literaturen – hij somt er een tiental op, waaronder Richardson en Rousseau – maar wel voortspruit ‘uit den eigenaardigen toestand der personen’, daarmee doelend op het feit dat de hoofdpersonages per brief communiceren om een schandaal te vermijden. De idee het één het ander niet uitsluit, dat deze ‘eigenaardige toestand der personen’ ook door Dostoevskij in het leven geroepen kan zijn met de bedoeling om een briefroman te schrijven, wordt door Ten Brink (1888: 586) niet geopperd.
Het hoofdpersonage van Bednye ljudi, Devuškin, wordt door Ten Brink (1888: 587-8) met veel respect geanalyseerd, aan de hand van de ontroerende plot als het toonbeeld van Russische lijdzaamheid: hij sleept ‘de slavenketen van zijn dagelijkschen arbeid’ voort zonder te morren omdat ‘God […] ieder zijne bestemming [heeft] gegeven’. Toch wordt ook op een negatieve eigenschap van Devuškin gewezen: hij probeert in de drank zijn leed te vergeten. Dit tekort wordt echter prompt vergoelijkt met de woorden ‘zijne goedheid is de oorzaak van zijn ongeluk’. Ter illustratie van zijn goed en eenvoudig karakter worden twee fragmenten uit Bednye ljudi geciteerd, vertaald uit Les Pauvres gens (1888). In het eerste fragment manifesteert zich onbaatzuchtige zelfopofferingsdrang van Devuškin, die zijn armoede ten spijt cadeautjes koopt voor Varvara. In het tweede fragment evoceert de kleine ambtenaar ‘met ontroerende naïviteit’ een genant voorval op zijn werk. Hij maakt een fout bij het kopiëren en wordt hiervoor door zijn overste in de aanwezigheid van zijn collega’s en een minister hardvochtig op de vingers getikt. Als kers op de taart springt er een knoop van zijn versleten broek, die tot voor de voeten van de minister rolt. Deze krijgt medelijden met de sjofele ambtenaar en stopt hem een bankbiljet toe. Ten Brink (1888: 590) heeft het in dit verband over ‘meesterlijke bladzijden’. Opvallend is wel dat hij enkel oog heeft voor de tragiek, en geen enkele aandacht besteedt aan het komische aspect van Dostoevskijs debuut. Nochtans had hij bij Haller (1882: 185) gelezen dat Bednye ljudi mede ‘durch seine humoristische Richtung […] allgemeine Aufmerksamkeit erregte’.
Aan het tweede en laatste werk dat Ten Brink (1888: 590-2) in deze studie bespreekt, Zapiski iz mërtvogo doma, wordt in verhouding tot Bednye ljudi amper aandacht geschonken. Niet zozeer omdat de hoogleraar al eerder over dit werk had gesproken, maar vooral omdat de literaire betekenis ervan in zijn ogen beperkt is. Wel loopt hij hoog op met de waarde van dit boek ‘als autobiographie, als hoofdstuk uit de beschavingsgeschiedenis van Rusland’. Het is dan ook exclusief vanuit deze twee perspectieven dat Zapiski iz mërtvogo doma besproken wordt. Ten Brink gaat overdreven ver in de autobiografische interpretatie: wat hem betreft zijn de aantekeningen in niets fictief en in alles autobiografisch, behoudens dan de reden waarom het hoofdpersonage gevangen zat. Hij stelt het hoofdpersonage helemaal gelijk met Dostoevskij en gaat er gemakshalve van uit dat letterlijk alles wat beschreven is ook werkelijk is gebeurd. Zo beschrijft hij de omstandigheden waarin ‘Dostojewski’ van een meisje een aalmoes toegestopt kreeg met de woorden ‘neem dezen kopek in den naam van Christus’. Even verder laat hij er geen twijfel over bestaan dat het personage Akim Akimovič werkelijk één van Dostoevskijs vroegere medegevangenen was. Bovendien doet hij uitschijnen dat het ‘fraaie portret’ dat van hem geschetst wordt in ieder detail klopt – alsof het de Russische schrijver aan fantasie ontbrak. De scène waarin op laconieke wijze de gruwelijke moord op het meisje Akulka beschreven wordt, stelt de Leidse literatuurhistoricus voor als een bron van landeskundige kennis. Daarbij laat hij de gelegenheid niet onbenut om het aloude cliché van het barbaarse Rusland nieuw leven in te blazen:
De verschrikkelijke bijzonderheden van dezen moord wekken den toorn der beschaafde lezers, die […] zich geen denkbeeld kunnen vormen van de barbaarschheid der Russische toestanden ten platten lande. (Ten Brink 1888: 592)
Slechts helemaal op het einde van deze studie, die gestuurd is door interesse in het Russische volk en land, komt terloops het ‘meesterschap in stijl en verhaaltrant’ van Zapiski iz mërtvogo doma ter sprake. Het is kenmerkend voor het gebrek aan zelfstandigheid van de Leidse hoogleraar dat dit literair oordeel zich bevindt in een citaat van zijn meester De Vogüé (1885: 326), die bovendien het laatste woord krijgt. Het is met de retorische vraag van de Franse burggraaf of de Russische tranen minder waard zijn dan de Italiaanse – een allusie op Pellico’s Le mie prigioni – dat Ten Brink zijn tweede en laatste artikel over Dostoevskij afsluit. Als zodanig illustreert zijn studie de vergaande heteronome tendensen, meer bepaald de onderworpenheid aan het Franse gezag, van de Nederlandse literatuur van die tijd.
van der meij vs. busken huet
In april 1888 kreeg Van der Meij, verscholen achter zijn pseudoniem Wolfgang (1888b), de gelegenheid om Litterarische fantasiën en kritieken van Cd. Busken Huet te recenseren. In de rubriek ‘Letterkundige kroniek’, die hij sinds 1883 bijna wekelijks op zich nam, hekelde hij de uitspraken van de overleden criticus over de Russische literatuur als frases, die getuigen van grote welsprekendheid, maar niet van kennis van zaken. Door tijdstekort heeft Busken Huet niet de moeite genomen om de Russische taal te bestuderen, wat hem in de ogen van Wolfgang (1888b: 153) incompetent maakt om de Russische letteren te kunnen doorgronden. Het heeft er alle schijn van dat de Nederlandse autodidact jaloers is op de autoriteit van Busket Huet. De toon waarmee hij spreekt over diens aandeel in de doorbraak van de Ruslandmode in Nederland is alleszins bijzonder bitter:
Ruslands letterkunde sprong eensklaps uit haar bedding en stortte zich in den internationalen stroom. Een te voren beproefde poging om haar bekend te maken, slaagde niet, en de arme duivels, die er hun krachten aan verbruikten, mogen nu toezien dat anderen van hun perspicaciteit de vruchten wegdragen. (Wolfgang 1888b: 154)
In het vervolg van zijn recensie prijst Wolfgang zijn eigen autoriteit inzake de Russische letteren ten koste van die van Busken Huet. Met het oog hierop ridiculiseert hij de uitspraken van de overleden criticus over het oeuvre van Tolstoj. Kazaki (De kozakken) zou het enige werk van deze Rus zijn dat Busken Huet ‘met aandacht’ heeft gelezen, maar zelfs dit heeft hij ‘niet begrepen’. Uitgaande van een foute Franse vertaling van een passage, zou de Nederlandse criticus het werk teveel als vaderlandslievende ode gelezen hebben, en te weinig oog hebben gehad voor het algemeen menselijke aspect. Wolfgang plaatst hier zijn eigen analyse tegenover: Tolstoj is, evenals Gogol’ en Dostoevskij, een opvolger van Puškin, wiens verdienste het was om eenvoud en waarheid te huldigen, zoals dat enkel bij het volk te vinden is. De literatuur van deze schrijvers moet dus begrepen worden als aanmoediging voor de voorname Russische wereld om in de leer te gaan bij het Russische volk. Wat er precies geleerd moet worden, zo meldt Wolfgang (1888b: 55) laconiek, is ‘zelfs den ernstigen mannen uit de ontwikkelde maatschappij een raadsel’. Hieruit trekt hij de conclusie dat de aanmoediging van Busken Huet aan ‘de zonen der nu levende Nederlanders’ om Russisch te studeren, absurd is. Voor een zelfverklaard Ruslandpionier lijkt hij de Ruslandmode, zoals die mede door Busken Huet in het leven was geroepen, verbazend slecht gezind te zijn:
In plaats van Russisch te leeren en Russisch te lezen, doen de zonen der nu levende Nederlanders beter een eigen letterkunde te scheppen en aan te moedigen. Of moet de beschaafde maatschappij ook hier te lande bij het volk ter schole gaan? (Wolfgang 188b: 155)
De boodschap die Wolfgang hier geeft is dat de Russische literatuur slechts praktisch nut heeft voor de Russen en eventueel voor een handvol geprivilegieerde specialisten, waartoe hij zichzelf rekent. Als model voor de Nederlandse literatuur wijst hij de Russische literatuur, die in Frankrijk op dat moment grootschalig geïmiteerd werd, echter resoluut af. Men kan zich afvragen of hij zich hier opwerpt als een verdediger van de autonomie van de Nederlandse literatuur, of simpelweg de Russische invloeden afwijst.
de schaduw van tolstoj
Het jaar 1889 was het eerste sinds de publicatie van Schuld en boete (1885) waarin geen nieuwe Nederlandse vertaling van Dostoevskij werd uitgegeven, de lofzang van Ten Brink op Zapiski iz mërtvogo doma ten spijt.[95] In dat jaar leek de mode van de Russische romanciers over haar hoogtepunt heen. Dat was alleszins de indruk van een anonieme recensent van De portefeuille (1889: 405):
Het vorige jaar [1888] leverde Rusland het hoofdbestanddeel op onze boekenmarkt, nu schijnt het leger vertalers de letterkunde van het groote Czarenrijk zoo geplunderd te hebben, dat er weinig meer overblijft om in een hollandsch toilet te steken.
De zogenaamde plundertocht had Dostoevskij in Nederland op het einde van de jaren 1880 niet de status opgeleverd die hij wel genoot in Duitsland en Frankrijk. Hierover uitte Wolfgang van der Meij zijn ongenoegen in het progressieve tijdschrift De Nederlandsche spectator. Opnieuw verscholen achter het pseudoniem Wolfgang (1889: 125) denkt hij in zijn ‘Letterkundige kritiek’ hardop na over de selectie van vertalingen die op de Nederlandse markt gezet worden. In deze keuze is het hem onduidelijk wat ‘het lezend publiek, de vertalers en uitgevers van de apen onderscheidt’. In de argumentatie die op deze scherpe uitspraak volgt, moeten vooral de twee eerstgenoemde literaire actoren het ontgelden: de vertalers selecteren meestal werken die hen toevallig onder de neus komen en de lezers neigen naar ‘onschuldige scheppingen’, zoals die van de vandaag vergeten Duitse schrijfsters E. Marlitt en W. Heimburg. Van der Meij heeft de indruk ‘dat de “kleine waereldlitteratuur” – om het zoo eens te noemen – in Nederland met meer succes is over te brengen dan de “groote wereldlitteratuur”‘. Ter illustratie van deze uitspraak, die de verantwoordelijkheid van de uitgevers relativeert, informeert hij droogjes dat terwijl Marlitt populariteit geniet, Gogol’ ‘onbekend’ is en Dostoevskij doorgaat voor ‘niet te lezen’.
Van der Meij had de genoemde voorbeelden uit de Russische literatuur niet lukraak gekozen; over Gogol’ had hij in 1887 een uitgebreid essay gepubliceerd in Nederland en een studie over Dostoevskij van zijn hand zou nog in 1889 in vier afleveringen verschijnen in Los en Vast. In dit laatste tijdschrift, dat twee decennia eerder was opgericht als spreekbuis voor moderne predikanten, maar waarin naast theologie ook literaire kritiek werd bedreven, had hij in 1888 ook een lijvig artikel over Tolstoj gepubliceerd. Op de onbekendheid of impopulariteit van deze Rus kon hij echter niet alluderen, aangezien die niet aan de orde was. Immers, niet alleen werden in de tweede helft van de jaren 1880 de persoon en de esthetiek van Tolstoj duchtig bediscussieerd in de Nederlandse letterkundige pers,[96] ook verschenen in deze periode met vaste regelmaat Nederlandse vertalingen van zijn creaties. Meer bepaald hadden in de periode 1886-89 tien verschillende uitgevers in totaal meer dan een dozijn vertalingen van Tolstoj uitgebracht, waaronder Anna Karenina en Oorlog en vrede.[97] Een recensent van De portefeuille merkte in 1888 zonder overdrijving op dat van deze Rus ‘alles, wat hij ooit schreef voor den dag gehaald en vertaald’ werd.[98]
Dat Tolstoj onder de Russen in de tweede helft van de jaren 1880 resoluut op de voorgrond dringt en Dostoevskij in de schaduw stelt, komt subtiel tot uiting in een artikel van ene F. (1887: 6) in De Amsterdammer. Deze inzender vermeldt namelijk in verband met de ‘Russische mode-literatuur’ de respectievelijke namen ‘Tolstoi, Tourgyénef, Dostojewsky e.a.’. Dat Dostoevskij hier niet toevallig na Tolstoj genoemd wordt, bevestigt Jans (1945: 28). Hij ontdekte namelijk dat het artikel over ‘Russische letterkunde’ in de Geillustreerde encyclopedie van A. Winkler Prins van het jaar 1887 Tolstoj beschrijft als de Rus die ‘alle andere romanschrijvers overtreft’. Het artikel in kwestie bevat acht regels waarin een waslijst van zijn werken wordt opgesomd, terwijl ‘Doxojewskij’ [sic] het moet stellen met de geïsoleerde opmerking dat hij geruime tijd in de Siberische mijnen heeft doorgebracht. Veelzeggend is ook dat in het encyclopedisch supplement van 1888 wel op Tolstoj wordt teruggekomen, maar niet op Dostoevskij. Bovendien stelde een recensent van De portefeuille in hetzelfde jaar vast dat Tolstoj ‘natuurlijk de hoofdschotel’ vormde van een nieuwe portie vertalingen.[99]
Van der Meij was, tezamen met Ten Brink, één van de enige Nederlandse critici die een poging ondernamen om deze onevenwichtige balans enigszins te corrigeren in het voordeel van Dostoevskij. Dit deed hij door aan hem zijn uitvoerigste en, althans naar het oordeel van Willemsen (1889d: 66), ook zijn beste artikel te wijden.
van der meij: de lijdensweg van een ‘edelen menschenvriend’
‘Levensschets van Theodoor Dostojewsky’, de volumineuze vrucht van bijna een jaar arbeid, neemt een bijzondere plaats in binnen de Dostoevskij-studies. Niet enkel van het Nederlandse taalgebied, maar van West-Europa in het algemeen. Romein (1924: 18) heeft het namelijk over ‘het eerste Westersche levensbericht [van Dostoevskij] dat op volledigheid bogen kan’. Hoewel deze uitspraak met een korreltje zout moet worden genomen – volledigheid is immers een groot woord[100] – , is het waar dat Van der Meij deze studie uitzonderlijk goed heeft gedocumenteerd: behalve op de obligate De Vogüé (1886), die hij ook had geraadpleegd bij het schrijven van zijn artikel over Gogol’,[101] baseert hij zich op een indrukwekkend gamma van Russische bronnen, waaronder Dostoevskijs proza en essayistiek, zijn correspondentie met tijdgenoten en de biografische geschriften van Strachov en Miller. De laatstgenoemde Petersburgse hoogleraar, die de neiging niet onderdrukte om Dostoevskij te verheerlijken, wordt naar voren geschoven als de hoogste autoriteit ter zake. Het is dus toepasselijk dat het motto van deze studie door Van der Meij (1889: 1) aan hem ontleend is: ‘Deze man leefde, zooals hij schreef; en deze man had recht datgene te schrijven, wat hij schreef’.
Niet het oeuvre van Dostoevskij, maar wel de persoon achter de schrijver staat in deze studie centraal. Overigens blijkt uit een brief dat Van der Meij in 1888 zijn lust om te lezen en te recenseren was kwijtgespeeld. Op de aanbieding om een vacante redactieplaats op te nemen in De Nederlandsche spectator had hij gereageerd met de volgende bittere woorden:
[…] recenseeren en critiseeren – ik ben er sedert lang misselijk van. Reeds zoo lang heb ik de pen willen neerleggen, doch het heeft er veel van, of men mij telkens met de haren weer in het gedrang sleept. Had ik de Kroniek in den Spectator niet op mij genomen, dan ware mijne illusie, om niet meer te lezen en niet meer te schrijven, misschien al lang vervuld.[102]
Gezien de bovenstaande woorden hoeft het niet te verbazen dat Van der Meij (1889: 1) aan de werken van Dostoevskij in zijn studie weinig aandacht schenkt. Ze interesseren hem slechts als spiegel van het leven van de schrijver, dat volgens hem ‘belangwekkend geworden’ is door de opeenstapeling van leed. Ter illustratie van dit leed komen reeds in de inleiding doodsangst, uitputtende arbeid, gezondheidsproblemen, armoede, honger, financiële problemen en krappe deadlines – waarmee de literaire gebreken van Dostoevskij verklaard worden – ter sprake. Vier boeken krijgen bijzondere aandacht, omdat ze ‘in onderling verband beschouwd een volledig beeld van Dostojewsky als schrijver en mensch geven’[103]: de bellettristische werken Bednye ljudi, Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie, die eerder al uitgebreid behandeld waren door Ten Brink (1886, 1888), en de verzameling essays Dnevnik pisatelja, waarop in de Nederlandse letterkundige pers nog niet was ingegaan. Ieder van deze boeken moet, tezamen met de eigenlijke biografische informatie, die in deze studie bijzonder gedetailleerd is, een licht werpen op een andere levensfase van Dostoevskij. Hiermee is echter niet gezegd dat de werken in kwestie aan een gedegen vormelijke of inhoudelijke analyse onderworpen worden – dit is namelijk niet het geval.
Het eerste stadium dat Van der Meij (1889: 1-40) onderscheidt in het leven van Dostoevskij loopt van zijn geboorte tot het jaar 1847. De hoofdbronnen voor deze aflevering zijn de brieven van de schrijver. Daarnaast worden sommige beweringen gestaafd met illustraties uit prozawerken, zoals Unižennye i oskorblënnye.
Dostoevskijs vroegste kinderjaren worden genuanceerd voorgesteld als een Spartaanse, maar harmonieuze periode. Enerzijds was het hospitaal waarin hij werd grootgebracht een ‘ziekelijke omgeving’ en was zijn vader veeleisend en streng.[104] Anderzijds vond de jonge Dostoevskij vertroosting bij zijn goedhartige kinderoppas, in de jaarlijkse bedevaart naar het Troica-klooster, in bezoekjes aan de volkstheaters, in het spel met zijn broer Michail, in zijn praatjes met de zieken van de stad en in zijn omgang met de boeren van het dorp. Volgens Van der Meij (1889: 16) was het te wijten aan de ‘teedere verhouding die tusschen de ouders en de kinderen bestond’ en aan de slechte reputaties van de gymnasia, waarover niet nader gespecificeerde ‘prikkelende’ dingen geschreven zijn, dat de jongens niet werden ingeschreven in een school. ‘Theodoor’, zoals Dostoevskijs voornaam in deze studie luidt, had weinig vrienden. Zijn liefde voor literatuur bloeide al vroeg op. De Bijbel was zijn eerste leesboek, later ontdekte hij Walter Scott, Karamzin en Puškin, wiens dood voor Dostoevskij, die net zijn moeder had verloren, een tweede grote tegenslag betekende. Dat over de eventuele lectuur van Gogol’ in deze periode niets geweten is, wekt de verbazing van Van der Meij (1889: 16). ‘Wien men het meest verschuldigd is, die wordt het eerst vergeten,’ zo maakt hij hieruit op.
Dostoevskijs studietijd in Petersburg en de erop volgende kortstondige ambtelijke carrière worden eenzijdig voorgesteld als de eerste stappen op een lange lijdensweg. De cadet had voortdurend materiële noden en was diep somber gestemd, in die mate dat hij speelde met het idee om zelfmoord te plegen. Geheel in beslag genomen door de letteren, als lezer dan, verwaarloost hij zijn studies. In zijn drang om ook het verdere leven van Dostoevskij als zo ellendig mogelijk voor te stellen gaat Van der Meij (1889: 27) zover om stellig te beweren dat hij zich als vrijgezel onthield ‘van alle vermaken’.[105] Even verder heet het dat hij ‘een hekel had aan het malsche deel der schepping’, wat verklaard wordt door het vermeende feit dat hij met zijn ‘moujik-gezicht’ vrouwen afschrikte.[106] Het leven van de jongeman staat nu in dienst van zijn literaire creatie, waaraan hij zich als een asceet na zijn ambtsuren geheel wijdt. Wel komt zijn gokgedrag hier enkele malen ter sprake. Over de ontdekking van Dostoevskijs literaire talent, zoals dit zich openbaart in Bednye ljudi, wordt de anekdote uit Dnevnik pisatelja meegedeeld, die intussen wijd verspreid was dankzij De Vogüé (1885: 315). Vernieuwender is de passage over het kortverhaal Dvojnik, dat in de Nederlandse kritiek nog niet eerder ter sprake was gekomen. Van der Meij (1889: 34-5) spreekt zich over dit werk misprijzend uit: hij vindt het omslachtig en geeft de voorkeur aan Gogol’s Zapiski sumasšedšego (Dagboek van een gek), dat hij als inspiratiebron herkent. Hij deelt ook mee dat ‘alle lezers’ het hoofdpersonage ‘vervelend en zwak vonden’ en het verhaal ‘in die mate gerekt, dat het schier onmogelijk was te verduwen’. Het derde en laatste werk van Dostoevskijs eerste levensfase dat met titel wordt genoemd is Netočka Nezvanova.[107] Dit is echter onvoltooid gebleven door een omstandigheid ‘temidden van dit slavenleven […] die een gewelddadigen omkeer in zijn bestaan zou teweegbrengen’. Het is met deze cliffhanger dat Van der Meij (1889: 40) de eerste aflevering van zijn studie afsluit.
De tweede aflevering beschrijft Dostoevskijs leven vanaf zijn arrestatie als lid van de Petraševskij-kring tot en met zijn dwangarbeid in Siberië. Opmerkelijk is dat Van der Meij (1889: 117) zelf aangeeft dat zijn biografische beschouwingen over deze en de volgende periode meer nog gebaseerd zijn op Dostoevskijs bellettristische werken dan op zijn persoonlijke briefwisseling. Hij gaat er gemakshalve vanuit dat Zapiski iz mërtvogo doma, Besy en Unižennye i oskorblënnye een juist beeld schetsen van de historische realiteit:
Het eerste werk openbaart zijn leven in het tuchthuis; het tweede schetst het revolutionaire Rusland; het laatste deelt een gebeurtenis mee van erotischen aard uit zijn eigen leven, tijdens hij in Siberië was. (Van der Meij 1889: 117)
Vooraleer in te gaan op de omstandigheden van het strafkamp, doet Van der Meij (1889: 119-29) in detail alle gebeurtenissen uit de doeken die hieraan vooraf gingen: Dostoevskijs lidmaatschap van de geheime leeskring, zijn arrestatie, verhoor, opsluiting en deportatie. Daarbij peilt hij ook naar de ontvankelijkheid van de schrijver voor revolutionaire denkbeelden. De conclusie luidt dat hij geen revolutionair was, maar een dromer met een grote liefde voor zijn volk en een christelijke zedelijke grondslag, die volgens de Nederlandse criticus typisch Russisch is.[108] Het was niet nodig om Dostoevskij te berechten als revolutionair, aangezien hij ‘behoudender […] dan de Czar zelf’ was. De geestelijke leefwereld van de schrijver voor en na Siberië wordt min of meer voorgesteld als een continuüm – wat op zijn minst aanvechtbaar is – en zijn arrestatie als een vergissing. Immers, aan ‘de arme tobber’ hadden ‘enkele socialistische werken alleen […] behaagd om de liefde die daaruit voor de menschheid sprak’.[109] Dat de terdoodveroordeling grote indruk maakte op Dostoevskij wordt geïllustreerd met passages uit Prestuplenie i nakazanie en Idiot. Minder onderbouwd is de bewering dat het voor de jonge schrijver bijzonder hard was om op Kerstmis getransporteerd te worden naar Siberië, omdat hij ‘niet opgehouden had Christen te zijn’.[110] Hoe verschrikkelijk zijn lot ook is, hij ondergaat het zachtmoedig en berustend. Het moge duidelijk zijn dat het christelijke aspect in deze studie altijd binnen handbereik is.
Eenmaal aanbeland bij het Siberische tuchthuis, baseert Van der Meij (1889: 150-61) zich exclusief op Zapiski iz mërtvogo doma, dat hij in de inleiding van dit hoofdstuk als meesterstuk had geprezen omdat de auteur ‘geen enkel oogenblik in het melodramatische valt of, door de misdadigers als helden te doen optreden à la Victor Hugo, een valsch idealisme kweekt’.[111] Ook had hij niet nagelaten te vermelden dat Tolstoj het gezichtspunt ‘wonderlijk juist, natuurlijk en christelijk’ had genoemd. Het hoofdpersonage Aleksandr Petrovič wordt ook hier volledig gelijkgesteld met Dostoevskij, behoudens dan de reden van de veroordeling – wat eerder al eens door De Vogüé (1885: 326) was uitgelegd. Ook het gegeven dat het voortdurend in gezelschap zijn van andere mensen het moeilijkst van al te dragen was en de anekdote van de aalmoes waren door de burggraaf al bekend gemaakt. Beter echter dan in het analytische Le roman russe wordt in deze studie aan de hand van allerlei details de sfeer opgeroepen van het strafkamp. Centraal staat de idee dat de vier lijdensjaren die Dostoevskij doorbracht in het tuchthuis een dubbel verrijkende ervaring vormden: enerzijds vergrootte hij er zijn psychologische kennis mee en anderzijds werd hij in staat gesteld om ‘zijn eigen ziel even zuiver te stellen als die van den bergbewoner’.[112] Daarnaast suggereert Van der Meij (1889: 136) dat Dostoevskij gek zou zijn geworden zonder die catastrofe – een speculatieve veronderstelling die eerder door De Vogüé (1885: 324) geuit was.
In navolging van Miller weigert Van der Meij (1889: 159) te geloven aan ‘het praatje’ dat Dostoevskij zich uit camaraderie liet geselen, zoals een grijsaard dit doet in Zapiski iz mërtvogo doma. Ook helpt hij, ditmaal met dank aan De Vogüé (1885: 315), het waanbeeld de wereld uit dat de schrijver zijn toevallen aan die geseling zou danken. Immers, ‘hij leed daaraan reeds in lichte mate voor zijn verbanning’. Hier tegenover staat dat Van der Meij ook twee foutieve voorstellingen de wereld heeft gestuurd over Zapiski iz mërtvogo doma. Ten eerste neemt hij voor zoete koek aan dat Dostoevskij getuige is geweest van letterlijk alles wat in dit werk beschreven is. Zo vermeldt hij ter illustratie van de veelzijdige ‘aard der gezellen’ dat er voormalige soldaten, Tsjerkessen, raskolniki, orthodoxe boeren, joden en heidenen rondliepen – terwijl deze in Zapiski iz mërtvogo doma beschreven samenstelling niet geheel overeenstemt met de historische realiteit.[113] Ten tweede doet hij de absurde uitspraak, die verder niet geduid wordt, dat dit boek ‘hoofdzakelijk voor het buitenland’ was geschreven[114] – terwijl Dostoevskij in werkelijkheid in geen ander leespubliek geïnteresseerd was dan het Russische.
De derde levensfase van Dostoevskij beslaat wat Van der Meij (1889: 251-302) betreft de periode vanaf zijn ontslag uit het Siberische tuchthuis tot de publicatie van Prestuplenie i nakazanie. Hier wordt een licht geworpen op Dostoevskijs legerdienst als soldaat in sombere ballingschap, zijn ongelukkige eerste huwelijk, zijn verblijf in Tver, zijn blijde terugkeer naar Petersburg, zijn journalistieke loopbaan bij Vremja en Ėpocha en zijn buitenlandse verblijven. Het is volgens de Nederlandse ex-militair, die hierin de dominante Duitse en Franse critici volgt, in deze jaren van materieel gebrek, dat het talent van de schrijver steeg ‘tot den hoogsten trap’, om in de loop van de volgende levensfase weer neer te dalen. Dit oordeel wordt echter geponeerd zonder gedegen bewijsvoering: over het algemeen komt Dostoevskijs bellettristisch werk, dat wil zeggen een selectie ervan, ook in dit deel slechts oppervlakkig ter sprake.
Unižennye i oskorblënnye interesseert Van der Meij (1889: 251-2) slechts als gefictionaliseerd getuigenis van het eerste huwelijk van de schrijver met een weduwe. Hij bespreekt niet de plot, maar geeft wel een literaire evaluatie mee, al is het niet de zijne. Meer bepaald vermeldt hij dat de roman weinig waardering van de kunstrechters kreeg om drie redenen: het uitgebeelde onderwerp, het grootmoedig buigen voor een liefdesrivaal, wordt niet geschikt bevonden voor boeken, de melodramatische invloed van Sue is te merken, en de personages uit de ‘grote wereld’ zijn slecht uitgebeeld. De toevoeging dat de hand van de meester in dit werk slechts te herkennen is in de vrouwenfiguren laat er geen twijfel over bestaan dat de Nederlandse criticus in dezen te rade is gegaan bij De Vogüé (1885: 335-6). Tegenover deze scherpe kritiek wordt de reactie van de Russische lezers geplaatst: zij waren in verrukking. Het lot van Selo Stepančikovo i ego obitateli, zo informeert Van der Meij (1889: 252), was precies andersom: de kritiek stelde het werk hoog, maar het publiek reageerde koel. Bijzonderheden over het thema, de plot of de stijl van dit humoristische werk worden echter niet gegeven. Over de novelle Igrok komt de lezer bij Van der Meij (1889: 292) dan weer enkel te weten dat het gebaseerd is op Dostoevskijs gokervaringen, dat het deels geschreven is uit geldnood en dat het geroemd werd ‘om haar groote levendigheid’.
Prestuplenie i nakazanie is de enige roman die Van der Meij (1889: 350-5) in deze studie ernstig onder de loep neemt. Het is in zijn ogen ook het enige werk waarin Dostoevskij zichzelf overtroffen heeft. Bovendien had hij dit ‘chef-d’oeuvre’ over het Russische nihilisme al eerder gerecenseerd, onder de pseudoniemen Prawda-Matka (1886) en Wolfgang (1886).[115] De toon is ditmaal echter gevoelig milder. Zo gaat de bewondering van de criticus voor de zielkundige juistheid van het ‘geheele proces van de misdaad en hare gevolgen’ niet langer gepaard met waarschuwingen voor een moeilijk te overwinnen culturele barrière. Daarnaast klinken ook de zedelijke reserves minder resoluut. Van der Meij heeft het nog wel over een ‘ongezonde lectuur’, omdat de handen ‘klam’ worden door de ‘schokkende indrukken’, maar tegelijkertijd wijst hij er zelf op dat Dostoevskij zich verkeerd begrepen voelde door wie in de roman iets ‘verderfelijks’ zag. Opvallend is ook dat de opmerking over de ongeloofwaardigheid van de zedelijke wederopstanding van Raskol’nikov achterwege is gelaten. Mogelijk was deze kritiek begraven onder invloed van Miller, aan wie gerefereerd wordt bij de behandeling van de epiloog. Ook Strachov kan een rol gespeeld hebben: aan hem dankt de Nederlandse criticus het inzicht dat Dostoevskij in dit boek wil aantonen dat de ‘volksdeugden’ religie, patriottisme en zedelijkheid een heilzaam middel vormen ‘tot beteugeling van het kwaad, tot redding uit de chaos’. Bijzondere aandacht gaat naar het personage dat in deze redding een sleutelrol speelt: Sonja. Interessant is de opmerking dat zij en ‘haar bedrijf’ tezamen met de andere leden van het gezin Marmeladov de lezer in de war brengen omdat hun schets ‘komisch en tragisch te gelijk’ is – het betreft hier de enige verwijzing naar Dostoevskijs humoristische zijde die in deze studie te vinden is. Tot slot van de bespreking van Prestuplenie i nakazanie worden nog twee extra-literaire argumenten gegeven waarom het een waardevol boek is. Ten eerste heeft het zich geopenbaard als ‘profetie’ – de woordkeuze past in het christelijke kraam –, omdat het een Moskouse student heeft geïnspireerd tot het plegen van een moord à la Raskol’nikov. In dit verband trekt Van der Meij een parallel met Goethe’s Werther, wat Ten Brink (1886) hem had voorgedaan. Ten tweede heeft het boek grote opgang gemaakt in de Russische ‘rechtsgeleerde wereld’. Ter illustratie hiervan wordt verwezen naar de rede die de rechtsspecialist A. Koni in 1881 hield te Petersburg.
Van der Meij (1889: 272) komt de verdienste toe dat hij Dostoevskij ook op de kaart trachtte te zetten als publicist of ‘dagbladschrijver’ van Vremja en Ėpocha. Zoals hijzelf aangaf, was hierover in Europa op dat moment nog weinig bekend. De Rus wordt geschetst als de drijvende kracht van een kleine kring journalisten, met groot moreel gezag bij hun lezers, die zich lieten inspireren door de Franse beschaving. Wat literatuur betreft, stelden ze zich tot doel om te peilen naar de mate waarin de lagere sociale klassen onder invloed staan van hun milieu. Echter, zo haalt Van der Meij (1889: 273) uit, de ‘geest der Fransche letterkunde’ werd in Petersburg ‘niet zoo slaafs en cynisch nagevolgd als twintig jaren later in ons land’. Het verschil tussen het Franse en het Russische naturalisme wordt geduid op een manier die sterk doet denken aan de programmaverklaring van De Vogüé (1885: 333):
Hoe naturalistisch de ziel der Russen was gestemd, zij lieten zich leiden door een edel gevoel, door réalité poétique, door humaniteit, door medelijden met de lieden, die in een hachelijken toestand verkeerden. Zij vergaven deze lieden hunne zwakheden. (Van der Meij 1889: 273)
Overigens had Van der Meij (1889: 33) reeds in het eerste deel van zijn studie terloops gewezen op de kloof tussen Dostoevskij, die tranen stort over de ‘deerniswaardigheid’ van zijn personages, en de Franse naturalisten, die zich niet bekommeren ‘over het wel of wee der helden’. Daarbij had hij ook zijn persoonlijke voorkeur te kennen gegeven, in scherpe bewoordingen. De Franse naturalistische creaties waren in zijn ogen ‘producten van één dag, waarvoor de heeren-scheppers zelve buiten hun schrijversijdelheid niets gevoelen’. Zeer snedig is ook de retorische vraag: ‘Waarom zou de wereld, die bedrogen wil zijn, ook niet eens wijs worden gemaakt, dat een edel kunstwerk te herkennen valt aan den stank, die ervan uitgaat!’ Aangezien het naturalisme in Nederland pas in 1888 tot een volledige doorbraak was gekomen,[116] kunnen de bovenstaande uitspraken begrepen worden als een relatief vroegtijdige poging om deze overgewaaide literaire mode in eigen land te bestrijden met de succesvol gebleken argumenten van Le roman russe. Met andere woorden wordt door Van der Meij het ene vreemde model ingezet tegen het andere. Van een pleidooi voor een autonome Nederlandse literatuur is dan ook geen sprake.
De bewondering van Van der Meij voor de spirituele dimensie die Dostoevskij aan het naturalisme heeft gegeven, neemt niet weg dat hij kritisch stond tegenover diens vaderlandslievende mysticisme, dat vooral tot uiting kwam in zijn publicistische stukken. Zoals Willemsen (1990: 68) al ter sprake bracht, vraagt de ex-militair zich af of de Rus zelf wel wist wat hij bedoelde met frases als de ‘onbevlekte Russische ziel’.[117] Toch ziet de criticus hierin, welwillend als hij zich opstelt, ook iets positiefs: de Russen mogen zich gelukkig prijzen optimistisch gestemd te zijn over de toekomst van hun volk.
De volksliefde van Dostoevskij komt ook uitgebreid aan bod in ‘Eenige trekken van hem als schrijver en als mensch’. De schrijver wordt door Van der Meij (1889: 343-6) geanalyseerd aan de hand van drie tegenstellingen. Ten eerste was hij enerzijds een kunstenaar, die het te doen was om l’art pour l’art, en anderzijds een broodschrijver, ‘voor wien geldverdienen en snelschrijverij de hoofdeischen waren’. Ten tweede was hij enerzijds een volksschrijver, die enkel ‘plaatselijke toestanden en orthodox-Russische denkbeelden’ ter sprake bracht, en anderzijds een wereldschrijver, begiftigd met een groot talent, een schone geest en een ruime blik. Ten derde komt de veelheid aan literaire producten van zijn hand voort uit de wisselwerking tussen enerzijds gedachten en anderzijds gevoelens. Immers, Dostoevskij was ‘verstands- en gevoelsmensch beide, groot als “psycholoog”, groot ook als mensch’. Terloops zij opgemerkt dat de kwalificatie van Dostoevskij als psycholoog, hier en elders, in contrast staat met de kritiek die Van der Meij (1889: 3) zelf had geformuleerd in de inleiding van zijn studie: namelijk dat ‘Russische critici, en die hen napraten’ veel ‘scharrelen […] met het woord “psycholoog”, of, geleerder nog: “psychologische pathologie”‘, terwijl Dostoevskij zichzelf als een realist zag. De liefde die de mens Dostoevskij voelde voor zijn medemens vormt volgens de criticus de grondtrek van zijn kunstenaarskarakter. De oorsprong ervan ligt in zijn capaciteit om ‘zelfs in het grootste wangedrocht […] het werk Gods’ te ontwaren. In dit verband duidt Van der Meij (1889: 345) het verschil tussen Dostoevskij en de oprichter van de realistische school, Gogol’, op een manier die opnieuw de invloed van De Vogüé (1885: 313) doet vermoeden: ‘Gogol maakte zijne helden belachelijk; D. wist medelijden voor de zijne op te wekken.’
De vierde en laatste levensfase van Dostoevskij wordt door Van der Meij (1889: 355-92) onderverdeeld in twee subperiodes: de jaren 1865-71, die hij voornamelijk doorbracht in het buitenland en waarin hij zeer productief was op het gebied van de schone letteren, en de jaren 1872-81, waarin hij zich intensief bezighield met journalistiek als redacteur van Graždanin en Dnevnik, zijn laatste roman schreef en zijn beroemde rede over Puškin gaf. Waar de eerste periode gekenmerkt wordt door ellende – hij had grote geldzorgen en verloor zijn baby –, was de tweede periode gelukkiger. De verandering in zijn materiële situatie wordt toegeschreven aan het organisatietalent van zijn tweede echtgenote. De dood van de schrijver is niet het eindpunt van deze biografische studie: ook zijn precedentloze processie en begrafenis en zijn postume invloed op het Russische maatschappelijke leven worden besproken. Daarnaast komen in dit ‘Vierde stadium’ de romans Idiot, Besy en Brat’ja Karamazovy en de verzameling essays Dnevnik pisatelja aan bod.
De titel Idiot was in de voorgaande delen van deze studie reeds tweemaal gevallen. Ten eerste ter illustratie van Dostoevskijs epilepsie, die in christelijke zin gekwalificeerd was als ‘zijn martelaarschap’.[118] Ten tweede in de uitspraak dat deze roman tezamen met Prestuplenie i nakazanie en Besy gerekend wordt tot zijn ‘drie beroemdste werken’[119] of ‘drie hoofdwerken’.[120] Hoewel in Rusland eigenlijk Brat’ja Karamazovy gold als één van Dostoevskijs beroemdste romans, was de hier geproclameerde top drie potentieel revelerend: in de westerse pers waren immers systematisch Bednye ljudi, Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie afgeschilderd als de drie bekendste werken van hun auteur, zonder dat daarbij altijd gewezen was op het verschil tussen Rusland en West-Europa.
Hoewel Van der Meij (1889: 359) formeel het belang erkent van Idiot, is zijn bespreking van dit werk zeer summier. De reden die hij opgeeft is ‘plaatsruimte’ – men begrijpt dat zijn prioriteiten elders liggen. Wel wordt Idiot grote lof toegezwaaid, met name om de diepzinnige ontwikkeling van ‘het zielkundige element’. Het hoofdpersonage, dat verstandiger is dan zijn omgeving en eerlijk en oprecht als een kind, wordt geanalyseerd als Dostoevskijs antwoord op Don Quichote van Cervantes. Het is geen beschrijvend, maar wel een idealistisch zelfportret: ‘De idioot is een heilige, wat D. zeker niet was, maar wat hij toch wenschte te zijn.’ – het is een uitspraak die Van der Meij (1889: 359) baseert op de autoriteit van Miller. De Nederlandse lezer komt verder te weten dat Idiot in Rusland een groot commercieel succes was en dat de auteur wel vijftig maal werd verzekerd dat het zijn beste werk was. Ongeveer evenveel aandacht wordt besteed aan Besy, waarvan de bespreking echter bijzonder verward en gefragmenteerd is. Van der Meij (1889: 361-2) heeft het eerst over ‘de hoofdpersoon’ die tot de slotsom komt dat ‘alle miasmen en ongerechtigheden, welke eeuw op eeuw in Rusland hebben geheerscht, de “duivelen” zijn, waarvan de Schrift spreekt’ – terwijl deze analyse eigenlijk door het motto wordt gesuggereerd. Vervolgens vermeldt hij dat er pur sang nihilisten in dit werk voorkomen. De personages zijn dragers van verschillende denkbeelden ‘betreffend de hervormingen van het toenmalige Rusland’, vertegenwoordigers van de bureaucratische oppositie tijdens de boerenhervormingen. Daarnaast wordt melding gemaakt van ‘18-jarige studenten, die reeds een politiek clubje presideeren’. De Nederlandse criticus vermeldt ook dat Dostoevskij in deze roman Turgenev overtreft omdat hij de harten beter kent. In dit verband heeft hij het – voor de tweede maal – over een ‘profetie’, omdat ‘de feiten die er in vermeld [worden], later werkelijk hebben plaats gehad’. Om welke ‘feiten’ het in concreto gaat, wordt er niet bij gezegd. Een laatste opmerking over Besy betreft de uitspraak van De Vogüé in Le roman russe, waarnaar ditmaal expliciet verwezen wordt, dat het nihilisme ‘meer in de karakters dan in de staatkunde moet gezocht worden’. Volgens Van der Meij (1889: 362) is dit onderscheid betekenisloos, omdat er een nauw verband bestaat tussen karaktervorming en absolutisme, ‘in dien zin, dat het despotisme de zielen drukt en de karakters verlaagt’ – een vreemde kritiek, aangezien de burggraaf eigenlijk gewoon bedoelde dat de nihilistische beweging slecht was georganiseerd.
Bij Dostoevskijs laatste roman, Brat’ja Karamazovy, houdt Van der Meij (1889: 375-8) lang halt. Toch komt hij niet tot een persoonlijke evaluatie van dit groots opgezet werk. In plaats daarvan deelt hij mee dat er binnen en buiten Rusland verschillend over wordt geoordeeld. Ter illustratie verwijst hij ten eerste naar het lovende oordeel van Miller, die dit Dostoevskijs ‘rijpste’ werk noemde en er een ‘logisch verband’ in zag met de voorgaande werken, en ten tweede naar De Vogüé, die enkele personages omschreef als ‘epiesch’, maar het werk in zijn geheel wel als mislukt voorstelde. Enerzijds plaatst Van der Meij zich impliciet in het kamp van de burggraaf, door te stellen dat men om de roman te begrijpen ‘min of meer een halve Rus’ moet zijn – hier schermt hij opnieuw met de onoverkomelijke cultuurbarrière, zoals hij gedaan had in zijn eerste recensies van Prestuplenie i nakazanie. Anderzijds onderwerpt hij De Vogüé aan een vernederende kritiek: hij suggereert namelijk dat deze door vermoeidheid Brat’ja Karamazovy ‘minder goed’ heeft begrepen en daarom niet heeft opgemerkt dat in dit boek een ‘nieuw type’ is geschapen. Meer bepaald heeft Van der Meij het hier over ‘Karamazowerij,’ dat in Rusland een begrip is geworden zoals ‘Oblomowerij’. In zijn ogen, die in deze gestuurd worden door Miller, betreft het een ‘trek in het Russische volk’ met een historische betekenis, waarvan het devies luidt: ‘alles of niets’. Ondanks zijn kritiek op De Vogüé doet de Nederlandse criticus niet de moeite om de lezer duidelijkheid te verschaffen omtrent het thema, de plot of de hoofdpersonages van Brat’ja Karamazovy. Bovendien zijn de weinige inlichtingen die hij over de hoofdpersonages geeft voor discussie vatbaar: zo meent hij dat alle zonen Karamazovy ‘lijden aan ideeënloosheid’ en dat ze allen ‘de ontkennende zijde van het Russische bestaan’ verlichamelijken. Hij vervolgt: ‘Kan ik het goede niet doen, zoo redeneeren zij, dan doe ik het slechte’. De Nederlandse criticus voelt zich niet te min om De Vogüé een oppervlakkige lezing ten laste te leggen, maar maakt dus zelf niet eens een onderscheid tussen Alëša, Ivan en Dmitrij. Als zodanig is ook zijn bijdrage tot de exegese van Brat’ja Karamazovy bijzonder gelimiteerd.
Van de succesvolle bundel Dnevnik pisatelja geeft Van der Meij (1889: 363-9) een veelzijdig beeld. Hij heeft het over ‘pedagogisch gekeuvel’ dat afgewisseld wordt met anekdoten uit Dostoevskijs eigen leven. Het hoofddoel van deze geschriften was het opwekken van ‘liefde voor het Russische volk’. In dit verband wordt ook stilgestaan bij de overtuiging van de schrijver dat de Europese beschaving haar zwanenzang had ingezet en de Russen pas begonnen. In verband met het morele gezag dat Dostoevskij als denker bij zijn landgenoten genoot wordt gewezen op een aangename karaktertrek die hem onderscheidde van Gogol’: de laatstgenoemde ‘leeraarde’, terwijl de eerste ‘vertelde’. Hij was immers ‘de bescheidenheid in persoon’.
De bovenstaande uitspraak, die met de grootste stelligheid geponeerd wordt, is symptomatisch voor de bovenmatig welwillende houding die Van der Meij, allicht onder invloed van Russische bronnen, aanneemt tegenover de persoon van Dostoevskij. Reeds in het hoofdstuk ‘Eenige trekken van hem als schrijver en als mensch’ had hij enkele beweringen gedaan met een onmiskenbaar hagiografisch geurtje. Geloof hechtend aan Dostoevskijs vriend A.N. Majkov, aan wie in een voetnoot gerefereerd wordt, had hij bijvoorbeeld geopperd:
Als mensch won D. aller harten. Hij hield vast aan het geloof in God; en de christelijke liefde zoals de Zaligmaker die leerde, was hem een leiddraad [sic] voor het leven. Allen, met wie hij in aanraking kwam, wist hij sympathie voor zijn persoon in te boezemen. (Van der Meij 1889: 348)
In de slotpassage van deze studie wordt deze persoonsverheerlijking verder uitgewerkt. Meer bepaald lanceert Van der Meij (1889: 389-90) een scherpe aanval tegen wie hij bestempelt als Dostoevskijs ‘lijkschouwers’: zij die ‘zijn levenswandel afkeurden’ en ‘zijn roem beknibbelden’. De niet nader genoemde personen verweten de schrijver onder andere een hoge eigendunk, effectbejag en ‘letterkundig slijk’. De Nederlandse Ruslandkenner vraagt zich af of deze ‘heeren niet beter hadden gedaan, te zwijgen’. Ook hekelt hij diegenen die gewroet hebben in het privéleven van Dostoevskij en zijn ‘edele karaktertrekken’ doodzwegen ‘om zijn kleine zwakheden des te breeder uit te meten’. Van der Meij (1889: 391) besluit dat Dostoevskij ‘den edelen menschenvriend, den Michelangelo der litteratuur’ is.
Het behoeft geen verder betoog dat het beeld dat in deze studie wordt opgehangen van Dostoevskij gevoelig acceptabeler is dan dat van bijvoorbeeld De Vogüé of Zabel, die eveneens de als medelijden geopenbaarde volksliefde van de door het lot gemaltraiteerde schrijver benadrukten, maar daarbij niet verzuimden om zijn narcisme, hooghartigheid en bruutheid respectievelijk zijn xenofobie aan te kaarten. Van der Meij spant Dostoevskij voor de kar van het christendom door hem – al dan niet moedwillig – overdreven af te beelden als een menslievende en deemoedige asceet, martelaar en profeet. Dit verklaart zijn keuze voor het theologische tijdschrift Los en vast. De grote verdienste van deze studie ligt besloten in het feit dat ze andere stemmen dan enkel die van De Vogüé laat horen. Hiermee is niet gezegd dat de graad van oorspronkelijkheid groot is: de biografische data en analyse zijn immers kritiekloos overgenomen van Miller, Strachov en andere Russen met hagiografische neigingen. Daarnaast vormt deze levensschets, gezien de zeer dominante biografische invalshoek, een beperkte bijdrage tot de literaire kritiek in enge zin. Als zodanig heeft Van der Meij een grotere bijdrage geleverd tot de canonisering van de persoon dan van de schrijver Dostoevskij. De Nederlandse uitgeverswereld aansporen om meer werken van deze Rus op de markt te brengen was niet zijn hoofdbekommernis. Dat blijkt uit het feit dat hij geen enkele maal verwijst naar één van de vier Nederlandse Dostoevskij-vertalingen die op dat moment bestonden. Alvast in dit opzicht moet de uitspraak van Smit Kleine (1914: 3) dat Van der Meij onder anderen Dostoevskij ‘bij ons inleidde’ met een korreltje zout genomen worden. Niettemin kan aangenomen worden dat de ‘Levensschets van Theodoor Dostojewsky’, door interesse te tonen voor de persoon achter de schrijver, de belangstelling van de Nederlandse lezers en uitgevers voor zijn oeuvre tenminste in enige mate heeft aangewakkerd.
een toneelstuk en drie nieuwe vertalingen
Een half decennium nadat Dostoevskij met Schuld en boete geïntroduceerd was in het Nederlandse taalgebied was zijn bekendheid er een feit. Een Ten Brink (1890: 4) kon nu, met dank aan zijn eigen populariserende artikelen, terloops in een recensie de naam van Tolstojs ‘grooten landgenoot Dostojevski’ laten vallen zonder deze te hoeven toelichten. Meer nog dan dit in Frankrijk of Duitsland het geval was, stoelde de roem van Dostoevskij in Nederland bijna exclusief op Prestuplenie i nakazanie. Ook velen die het boek niet hadden gelezen kwamen ermee in aanraking.
Zo werd in de loop van 1890 in het Amsterdamse Salon des Variétés langdurig een toneeladaptatie van deze roman op de planken gebracht onder de titel Rodion Raskolnikow. Het betreft een adaptatie in de derde graad, aangezien het een bewerking was, door de gevierde toneelspeler en regisseur W.C. Royaards, van de Franse toneeladaptatie Crime et châtiment, die op haar beurt gebaseerd was op de vertaling Le crime et le châtiment. Het Franse toneelstuk, dat in de Parijse pers lange tijd het voorwerp van discussie had uitgemaakt, was het Nederlandse publiek al enkele jaren eerder ter ore gekomen in een bespreking van een anonieme recensent (1888: 3) in De Amsterdammer. Hetzelfde tijdschrift wijdde ook een recensie aan de Nederlandse versie. De evaluatie was overwegend negatief. De anonieme toneelrecensent (1890a: 2) ergerde zich aan een aantal verschillen tussen enerzijds het boek, waarmee hij kennelijk vertrouwd was, en anderzijds het toneelstuk, dat hij een ‘draak’ noemde. Zo hekelde hij het feit dat Raskol’nikov en Sonja op de scène niet naar Siberië verbannen worden, maar in plaats daarvan zelfmoord plegen door zich in de Neva te werpen. Hij was ook teleurgesteld dat Rodion Raskolnikow in tegenstelling tot het boek ‘niet veel meer spanning [wekte] dan een der politievertoningen van het Grand Théâtre’. Bovendien herinnerde het toneelstuk hem amper aan de ‘meesterlijke teekening van karakters en toestanden’, de ‘ongewone ontwikkeling van denkbeelden’ en de ‘zeldzame vertooning van zedebeelden’ van de roman. Niettemin werden er woorden van lof gesproken over de acteerprestaties, niet in het minst van de hoofdrolspeler Royaards. Dezelfde of een andere anonieme toneelrecensent (1890b) kwam ruim een half jaar later in hetzelfde tijdschrift terloops terug op dit toneelstuk, ditmaal om de prestatie van de heer Possart, die de rol van Porfirij speelde, te prijzen. Het feit dat deze recensies, die beide gewag maken van een stuk dat nog te bezichtigen is, zo ver in tijd van elkaar verwijderd zijn, wijst erop dat het toneelstuk een groot succes was.
Dat de interesse voor Dostoevskij bij het Nederlandse publiek gevoelig gestegen was – al dan niet onder invloed van het toneelstuk Rodion Raskolnikow – kan geconcludeerd worden uit het feit dat verscheidene uitgevers het ogenblik opportuun achtten om nieuwe boekvertalingen van Dostoevskij op de markt te zetten: in 1890 bracht J.H. van Balen & J.M. van Diemen De speler uit en in 1891 verscheen Uit Siberië bij S. Warendorf Jr. en Arme Nelly bij Holdert.
De genoemde uitgeverijen hadden een in omvang sterk verschillend marktaandeel. Van Balen, de co-uitgever van De speler, was vooral actief als schrijver van jongensboeken, reisverhalen, romans en populariserende werkjes over dierkunde.[121] Zijn bezigheden als typograaf en drukker te Helder waren hieraan ondergeschikt. Zijn gelegenheidspartner Van Diemen te Amsterdam was eveneens een kleine naam. Dit geldt in mindere mate voor S. Warendorf Jr., die het volumineuze Uit Siberië uitbracht. De gelijknamige oprichter was zijn carrière gestart als jongste bediende van de boekenwinkel Scheltema & Holkema van Tj. van Holkema. Dit vak boeide hem dusdanig dat hij, naar inspirerend voorbeeld van zijn overste, in 1886 besloot om ook zelfstandig boeken te produceren. Na de dood van Van Holkema in 1891 smolten de uitgeverijen tezamen tot Van Holkema & Warendorf.[122] De uitgave van Uit Siberië ging deze fusie kennelijk vooraf, aangezien op de titelpagina de naam Van Holkema nog ontbreekt. De uitgeverij van Arme Nelly, Holdert, was daarentegen wel al een gevestigde naam. Deze drukkersfirma, in 1881 gesticht door de gebroeders Antonius Hendrikus en Hendrik Marinus Johannes Holdert, was één van Amsterdams grootste drukkerijen. Sinds 1889 was de bedrijfsleiding in handen van Hendrikus Marinus Cornelis Holdert, de zoon van Antonius, die later naam zou maken als uitgever van kranten.[123] Belangrijk is op te merken dat Holdert evenmin als Van Balen & Van Diemen en Warendorf destijds gespecialiseerd was in Russische literatuur.
Over de vertalers die door de genoemde uitgeverijen gecontracteerd werden om de Dostoevskij-vertalingen te vervaardigen is weinig geweten. In het geval van Uit Siberië en De speler worden niet eens hun namen op de overeenkomstige titelpagina’s vermeld. Mogelijk was het laatstgenoemde werk, dat teruggaat op Der Spieler (1888), vertaald door de uitgever Van Balen zelf; het is immers geweten dat deze letterkundige duizendpoot bij gelegenheid ook vertalingen uit het Duits maakte.[124] Wie Arme Nelly vertaald heeft, is daarentegen wel geweten: de titelpagina vermeldt ‘Mevr. C.A. La Bastide’. Uit catalogi van antiquariaten blijkt dat de dame in kwestie geenszins gespecialiseerd was in Russische literatuur, maar op regelmatige basis voor Holdert literaire vertalingen vervaardigde uit het Duits of het Engels.[125]
Niet Dostoevskijs heden gecanoniseerde, rijpe filosofische romans Idiot en Brat’ja Karamazovy werden op het voorlopig hoogtepunt van zijn roem geselecteerd voor vertaling in het Nederlands, maar wel Igrok, Zapiski iz mërtvogo doma en het eerder vertaalde Unižennye i oskorblënnye. De beslissing van Warendorf om met Uit Siberië een tweedelige vertaling uit te brengen van Zapiski iz mërtvogo doma was evident: behalve door het buitenlandse succes van vertalingen van dit werk was deze selectie al meermaals in de hand gewerkt door Nederlandse critici, met name door Segers (1885), Ten Brink (1886, 1888), Henriëtte van der Meij (1886) en haar broer Wolfgang van der Meij (1889). Bovendien was de interesse van het Nederlandse publiek voor de Siberische strafkampen in 1890 nog aangewakkerd door de in De nieuwe Gids gepubliceerde open protestbrief van Frederik van Eeden Aan den Keizer aller Russen, die ter sprake komt bij Anbeek (1999: 58). De publicatie van De speler lag minder voor de hand: voor dit werk was het publiek enkel warm gemaakt door de opmerking van Van der Meij (1889) dat deze roman geprezen was om zijn levendigheid. Men kan vermoeden dat Van Balen & Van Diemen zich bij deze uitgave hoofdzakelijk lieten leiden door het succes van Le joueur et les nuits blancs (1887) in Frankrijk en van Der Spieler (1889) in Duitsland.
De publicatie van Arme Nelly wekt, althans op het eerste gezicht, meer verbazing. Ten eerste was over de brontekst, Unižennye i oskorblënnye, in de Nederlandse kritiek tot twee maal toe de vernietigende kritiek van De Vogüé met betrekking tot de mislukte personages herkauwd, namelijk door Ten Brink (1886) en Van der Meij (1889). Ten tweede was amper drie jaar eerder al eens een vertaling verschenen van hetzelfde werk, namelijk De misleide. Dat niettemin besloten werd tot de uitgave van Arme Nelly is een duidelijke aanwijzing dat de voorafgaande vertaling van hetzelfde werk een commerciële mislukking was. Daarnaast bewijst dit dat Holdert ervan overtuigd was dat de kansen van een vertaling van Unižennye i oskorblënnye op commercieel succes in Nederland door de mislukking van De misleide nog niet verkeken waren. Allicht stoelde zijn vertrouwen op het feit dat Dostoevskij met deze roman talloze Franse en Duitse lezers aan zich had weten te binden, ondanks de vernietigende kritiek van De Vogüé en consorten. Dat Unižennye i oskorblënnye tot de categorie werken behoort die door lezers radicaal verschillend onthaald worden dan door critici, was ook nog eens benadrukt door Van der Meij (1889: 252). Het verschijnen van Arme Nelly kan dus begrepen worden als een illustratie van het feit dat uitgevers wanneer puntje bij paaltje komt meer belang hechten aan de lezers dan aan de critici. Om de bestaansreden van deze hervertaling volledig op te helderen is echter een vertaalwetenschappelijke excursie vereist. Zoals in het volgende deel van dit proefschrift zal blijken, is in Arme Nelly door de vertaalster namelijk een mouw gepast aan de door de critici geformuleerde bezwaren.
Van De speler, Uit Siberië en Arme Nelly konden geen recensies teruggevonden worden. Wel is het mogelijk dat de voorlaatstgenoemde vertaling gelezen was door een anoniem redactielid (1891: 412) van Elsevier’s geïllustreerd maandschrift, dat een jaar eerder was opgericht door Schimmel en Jan ten Brink. De recensent in kwestie maakte namelijk in het jaar waarin Uit Siberië verscheen de vergelijking tussen de gevangenisherinneringen van Fritz Reuter en die van Dostoevskij. De vergelijking viel positief uit voor Zapiski iz mërtvogo doma, dat ‘honderdvoudig aangrijpender’ werd bevonden ‘dan het Plat-Duitsche’. Opmerkelijk is dat de verschillen tussen de Rus en de Duitser geduid worden zoals Zabel (1889: 362) het amper twee jaar eerder had voorgedaan, namelijk in nationale termen:
Het verschil van ras spreekt zich duidelijk uit in alle hunne volgende geschriften. De mystieke Rus gelooft in de grootheid van zijn vaderland en de toekomst van het Czarenrijk – de gemoedelijke Noord-Duitscher vergeet al zijn leed, en poogt zijne landgenooten met zijne vrolijke vertellingen naar zijne beste vermogen te boeien. (Anonymus in Elsevier 1891: 412)
Met de drie nieuwe vertalingen in 1890-91 klom de roem van Dostoevskij in Nederland tot een voorlopig hoogtepunt. Met name de publicatie van Uit Siberië en Arme Nelly in 1891 is significant: het was nog niet eerder voorgevallen dat twee Nederlandse boekvertalingen van Dostoevskij – in totaal gaat het over een zeshonderdtal bladzijden – gepubliceerd werden in de loop van één enkel jaar. In de jaren 1890-91 werd van Tolstoj daarentegen voor zover bekend geen enkele nieuwe Nederlandse boekvertaling uitgebracht.[126] In die zin betekenden de drie nieuwe vertalingen voor Dostoevskij een bescheiden inhaalmanoeuvre, na enkele jaren van achterstelling ten opzichte van zijn landgenoot.
Enerzijds mag hieruit niet geconcludeerd worden dat beide Russen omstreeks 1890-91 een gelijke status genoten in Nederland. In zijn receptiestudie laat Jans (1952: 35) er namelijk geen twijfel over bestaan of Tolstoj gold vanaf 1890 als ‘de beroemdste van de Russische romanschrijvers’.[127] Bovendien was zijn oeuvre – dat door critici op de voet gevolgd werd, zoals ook zijn doen en laten[128] – veel vollediger beschikbaar in het Nederlands dan dat van Dostoevskij, wiens rijpe filosofische romans behoudens Prestuplenie i nakazanie nog altijd geen ingang hadden gevonden.
Anderzijds lijkt het erop dat de Nederlandse status van Dostoevskij en Tolstoj tegen het einde van 1891 toch van een vergelijkbare orde was. Dit illustreert een redactioneel berichtje waarmee De Amsterdammer tegemoet kwam aan de vraag van een inzender waar men Russisch kon studeren; hierin maakte de krant de contactgegevens van een onderwijzer Russisch voor iedereen openbaar in de veronderstelling dat ‘bij de populariteit, welke Tolstoi, Dostojevsky en hun landgenoten genieten, dezelfde gedachte [om Russisch te studeren] wellicht bij anderen opgekomen is’.[129] Dat beide Russische auteurs in het begin van de jaren 1890 respectvol in één adem genoemd werden, wordt ook geïllustreerd door de terloopse opmerking van een anoniem redactielid (1892: 312) van Elsevier’s geïllustreerd maandschrift dat ‘Dostojewski en Leo Tolstoi’ zo’n voortreffelijke psychologische romans geschreven hebben dat de Franse schrijver Paul Bourget ‘al heel wat schitterends zal moeten voltooien, om deze groote meesters zelfs in de verte te naderen’. In de loop van de jaren 1890 zou de associatieve band tussen beide Russische schrijvers losgeweekt worden.
6 Ten prooi aan vergetelheid (1892-1903)
tolstoj klimt op, dostoevskij stagneert
Toen in 1891 de populariteit van Dostoevskij in Nederland eindelijk – met vijf jaar vertraging ten opzichte van Frankrijk en Duitsland – van de grond begon te komen, was de Dostoevskij-hype in de twee laatstgenoemde landen zichtbaar over haar hoogtepunt heen. In Frankrijk werd het literaire strijdtoneel geherstructureerd rond twee polen: enerzijds was er een kamp dat steeds meer aanstoot nam aan de invasie van de buitenlandse auteurs en anderzijds was er een afgeslankte groep vurige bewonderaars van de Russen, die ervoor zorgden dat herdrukken en nieuwe vertalingen van onder anderen Dostoevskij met regelmaat bleven verschijnen tot het midden van de jaren 1890. Zoals eerder in dit proefschrift besproken, doofde de Dostoevksij-rage in Parijs na 1895 langzaam uit – waarmee niet gezegd is dat hij iedere aanhang verloor. In Duitsland wendden de zogenaamde naturalisten en hun aanhangers omstreeks 1890 hun blik massaal van Dostoevskij af om hem vervolgens te richten op Tolstoj, die hen met enige vertraging vanuit Parijs was aangereikt en als levende legende tot de verbeelding sprak. Rond 1895 kwam de receptie van Russische literatuur er in de Spätphase terecht, in die zin dat meer recente Russische schrijvers, zoals Gor’kij en Čechov op de voorgrond traden. Zowel in de Franse als in de Duitse literatuur kregen de Russen vanaf het einde van de jaren 1880 concurrentie te verduren van de Scandinavische schrijvers, die door velen als nog moderner beschouwd werden. Het Nederlandse publiek werd via letterkundige tijdschriften op tijd en stond ingelicht over de veranderingen in het buitenlandse literaire leven. Zo had De Amsterdammer al in 1889 bekend gemaakt dat in Parijs ‘na Tolstoi en Dostojewsky’ de Scandinavische schrijver Henrik Ibsen behoorde tot de ‘nieuwste veroveringen’.[130] De gevolgen lieten niet lang op zich wachten: in hetzelfde jaar nog deden talrijke Zweden, Noren en Denen hun intrede in het Nederlandse taalgebied.[131]
De Nederlandse receptiebereidheid voor Tolstoj had niet te lijden onder de geleidelijke koerswijziging van de Franse en Duitse critici. Integendeel, in de periode 1892-1903 verscheen, bij een veelheid aan uitgeverijen en redelijk gelijkmatig verdeeld over de tijdslijn, een vijftigtal nieuwe Nederlandse vertalingen van deze levende legende.[132] Het betreft voor het overgrote deel korte brochures en stichtelijke verhalen, die Tolstoj na zijn zogenaamde spirituele wedergeboorte als zelfverklaard profeet van een nieuwe christelijke religie in ijl tempo begon te produceren voor de massa. Voorbeelden zijn de voor zichzelf sprekende titels Het koninkrijk Gods is binnen U, Hoe men de Evangeliën moet lezen, Beschouwingen over het huwelijk en Patriotisme [sic] en staat.[133] Daarnaast werden in deze periode de beroemde essayistische geschriften Tak čto že nam delat’ (1883), Ispoved’ (1884), V čëm moja vera (1884) en Čto takoe iskusstvo? (1898) in het Nederlands vertaald, respectievelijk als Wat moeten wij doen, Mijne biecht, Mijn geloof en Wat is kunst?[134] Bovenstaande publicaties bevestigen de bewering van Bel (1993: 44) dat Tolstoj vooral als idealist en wereldhervormer in de loop van het fin de siècle een steeds belangrijker rol gaat spelen. Ondertussen nam echter ook de interesse van het Nederlandse publiek voor zijn bellettristische oeuvre toe. In 1894 verscheen in Enkhuizen een vertaling van Krejcerova Sonata (De Kreutzersonate) die een jaar later al herdrukt werd,[135] terwijl in 1895 in Leiden een volledig nieuwe vertaling van dit werk werd gepubliceerd. In ditzelfde jaar verscheen ook het verhaal Heer en knecht.[136] Twee jaar later verscheen een bundel met drie Vertellingen.[137] In 1899 werd de roman Opstanding uitgegeven, die voor de Eerste Wereldoorlog minstens vier keer herdrukt zou worden.[138] In 1902 verscheen een nieuwe, ditmaal rijke verhalenbundel van Tolstoj: Russische volkslegenden.[139] Zeer betekenisvol is ook dat in 1903 in Amsterdam een nieuwe vertaling gemaakt werd van Anna Karenina en dat Oorlog en vrede heruitgegeven werd.[140] In hetzelfde jaar verschenen bovendien De roman van eene jonge vrouw en een volledig nieuwe vertaling van Voskresenie, onder de titel De opstanding der hel.[141] De verhoudingen binnen deze gigantische verzameling publicaties, die voor een nooit overtroffen piek in de Nederlandse Tolstoj-receptie zorgde (zie grafiek 1[142]), stroken met de vaststelling van Jans (1952: 116) dat omstreeks 1900 het zwaartepunt van de Nederlandse appreciatie van Tolstoj verlegd was naar zijn jongste werken, waarin het moralisme de bovenhand krijgt op het artistieke aspect. Kennelijk was het Nederlandse taalgebied voor deze stichtelijke en gemakkelijk begrijpbare creaties, die met name aan Franse critici banvloeken ontlokten, een geschikte afzetmarkt.
Grafiek 1. Tolstoj in Nederlandse vertaling
Het duizelingwekkende succes dat Tolstojs als christelijk anarchist tijdens het Nederlandse fin de siècle genoot, wordt door Boele (2010: 48) in verband gebracht met de ‘mengeling van angst en wantrouwen’ waarmee gestudeerde stedelingen die evenmin heil verwachtten van de traditionele structuren van kerk en staat als van het anti-religieuze marxisme ‘het oprukken van de moderne beschaving’ gadesloegen. Bel (1993: 293-5) verklaart de populariteit van de schrijver dan weer zuiver letterkundig, met de opkomst van de zogenaamde nieuwe mystiek. Met deze term wordt de groeiende belangstelling bestempeld waarmee in de Nederlandse literatuur gekeken werd naar metafysica, als tegenreactie op het naturalisme en het materialisme. In 1892 brak de nieuwe mystiek echt door in de Nederlandse literatuur, in die mate dat de kritiek sprak over een literaire mode.[143] Naast Tolstoj werden ook Maeterlinck en Ibsen hiermee in verband gebracht: zij speelden voor de nieuwe mystiek een vergelijkbare rol als Zola voor het naturalisme. Daarnaast was ook de populariteit van schrijvers als Bourget en Hauptmann – nota bene allebei dragers van de stempel van Dostoevskij[144] – gewaarborgd door de heroriëntatie op het mystiek. In het geval van Dostoevskij zelf, die als essayist en bellettrist nochtans de mond vol heeft van de hogere, onzichtbare realiteit, bleef deze annexatie uit. De tempering in het Franse en Duitse enthousiasme voor zijn oeuvre had zelfs een nefaste impact op zijn Nederlandse receptie.
De Nederlandse uitgevers gaven Dostoevskij een volstrekt andere behandeling dan Tolstoj. Tussen 1892 en 1904 werd geen enkele tekst van zijn omvangrijk essayistisch nalatenschap geselecteerd voor vertaling. Bovendien stond de productie van vertalingen van zijn bellettristische werken in deze periode vrijwel volledig stil: geen enkele herdruk en slechts één nieuwe boekvertaling van Dostoevskij zagen het licht. Meer bepaald werd in 1895 in Amsterdam een volledig nieuwe vertaling van Prestuplenie i nakazanie uitgebracht. Het eerste deel hiervan was getiteld Een misdaad en het tweede deel Wroeging. De uitgeverij was die van Het volksdagblad. Dit tijdschrift was in hetzelfde jaar gelanceerd door Adriaan Rot en medestanders als Nederlands eerste dagblad van en voor de arbeidersklasse.[145] De premie-uitgave van de vertaling was voorafgegaan door de publicatie van feuilletons in Het volksdagblad. Het is opmerkelijk dat opnieuw Prestuplenie i nakazanie geselecteerd werd voor vertaling, terwijl op dat moment heel wat andere rijpe filosofische romans van Dostoevskij nog altijd niet in het Nederlands beschikbaar waren. Enerzijds valt hieruit op te maken dat Prestuplenie i nakazanie anno 1895 nog altijd gezien werd als Dostoevskijs onovertroffen meesterwerk. Anderzijds is het een indicatie dat de vertaling van Kuknos na amper een decennium gold als voorbijgestreefd, of tenminste als vervangbaar. Vermeldenswaard is ook dat in 1896 in De kroniek, het links georiënteerde sociaal-culturele literaire tijdschrift van Pieter Lodewijk Tak (1848-1907), het fragment ‘van den Groot-Inquisiteur’ uit Brat’ja Karamazovy gepubliceerd werd als feuilleton.[146]
Het feit dat uitgevers en vertalers Dostoevskij links lieten liggen, terwijl zijn ambts-, land- en tijdgenoot Tolstoj behandeld werd als een goudmijn, kan geduid worden aan de hand van de verschillen tussen beide schrijvers. Zoals vele critici en literatuurhistorici hem voorgedaan hebben, oordeelt bijvoorbeeld Frank (1979: 60) dat Dostoevskij en Tolstoj in veel opzichten elkaar tegenpolen zijn. Om te beginnen geldt dit voor hun herkomst. Terwijl Dostoevskij opgroeide in de middenklasse, omgeven door godvrezende Russische burgers die getrouw waren aan hun tsaar, speelde de opvoeding van Tolstoj zich af in aristocratische milieus, en werd deze grotendeels overgelaten aan Franse en Duitse gouverneurs. Belangrijker is dat Dostoevskij zich door zijn diepe verbondenheid met de Russische maatschappij uitstekend bewust was van het sociale onrecht. Hij maakte er dan ook het centrale thema van zijn oeuvre van. Het Russische leven dat hij beschrijft, wordt gekenmerkt door ‘confusion and moral chaos’, ‘social order in continual flux’, en ‘the incessant destruction of all traditions of the past’.[147] In overeenstemming met zijn achtergrond was Tolstoj als belletrist daarentegen meer geïnteresseerd in de rustige levensstijl van de landadel ‘with its settled traditions of culture and fixed moral-social norms’.[148] De opmerkelijke verschillen in de Nederlandse receptie van Tolstoj en Dostoevskij tussen 1892 en 1903 betekenen dus dat stichtelijke pamfletten en vaste levenspatronen aanzienlijk beter in de boekenmarkt lagen dan de thematisering van morele chaos.
De Nederlandstalige kritiek was een gelijkaardig lot als de boekenproductie beschoren: in de periode 1891-1905 werd Dostoevskij in het literaire debat praktisch doodgezwegen. Dat hij zijn aantrekkingskracht had verloren, kan geïllustreerd worden aan de hand van enkele artikelen van De Amsterdammer, gepubliceerd rond het midden van de jaren 1890, waarin zijn naam toch is opgedoken. In een recensie van de Engelse vertaling Rudin van Turgenev door C. Garnett laat de criticus R.A.H. of F.C. Jr. (1894: 4)[149] zich ontvallen dat ‘wij westerlingen’ ons met Turgenev na verwant voelen, ‘nader dan met Tolstoi, nader dan met Dostoevsky’. Dit is een opmerkelijk standpunt, aangezien Turgenev tot korte tijd daarvoor gold als voorbijgestreefd door precies Dostoevskij en Tolstoj. Een half decennium later moest Dostoevskij in hetzelfde tijdschrift alweer het onderspit delven tegenover zijn landgenoten: in een recensie van de Franse vertaling Résurrection stelde Rensburg (1900: 4) Tolstoj boven Dostoevskij omdat deze laatste ‘alleen psychologisch werk gaf uit een bepaalde sfeer van de Moscovitische maatschappij: de volksklasse, ingesloten die van de arme studenten’.[150] In het door een anonieme auteur (1895: 6) geschreven stuk ‘Weg met Ibsen!’ valt de naam van Dostoevskij dan weer in een reeks citaten van de Duitse criticus Friedrich M. Fels uit de Kölnische Zeitung, die met behoudsgezinde en vaderlandslievende argumenten fulmineert tegen de invasie van de Scandinavische letteren in Duitsland. Hierin verkondigt deze de mening dat deze boeken ‘evenmin in en voor Europa geschreven [zijn] als een werk van Dostojewski of Tolstoi’. Hoewel de redactie van De Amsterdammer dit protectionisme ridiculiseerde, is het een veelzeggend feit dat Dostoevskij zelfs in dit weekblad, dat het voortouw had genomen in de Nederlandse receptie van de Rus, in de jaren 1892-1903 bijna enkel ter sprake kwam in het discours van gematigde en radicale tegenstanders; behoudens de drie behandelde voorbeelden kwam Dostoevskij in De Amsterdammer in de betreffende periode slechts drie maal terloops aan bod, zonder dat daarbij een duidelijk standpunt wordt ingenomen over de waarde van zijn oeuvre.[151] Tolstoj daarentegen werd in dit tijdschrift in precies hetzelfde tijdsbestek meer dan zestigtal maal vernoemd.[152]
Ook een tijdschrift als Elsevier’s maandschrift – nota bene mede opgericht door één van Nederlands belangrijkste Dostoevskij-promotoren: Ten Brink – getuigt over de onevenwichtige aandachtsverdeling voor Tolstoj en Dostoevskij: waar de eerstgenoemde vanaf het najaar van 1892 tot en met 1903 in veertien artikelen ter sprake kwam, werd de laatstgenoemde slechts driemaal terloops vermeld.[153] Onder andere kwam Dostoevskij ter sprake in een recensie van een werk van Maeterlinck. De dienstdoende anonieme recensent (1896: 571) vond de Vlaamse schrijver even mysterieus als Rusland. Deze bewering duidde hij aan de hand van een verwrongen inlichting uit Le roman russe, [154] dat klaarblijkelijk nog altijd als het referentiepunt bij uitstek fungeerde voor ieder spreken over Russische literatuur:
De geniale Russische romanschrijver Dostojewski zeide eenmaal tot een man van beteekenis – Melchior de Vogüé – dat men niet moet trachten Rusland te begrijpen, dat men in Rusland moet geloven. Het gaat zoo met de lezers van Maeterlinck – men mag hem bewonderen, meer niet. (Anonymus in Elsevier 1896: 571)
Significanter nog voor de Nederlandse waardering van Dostoevskij dan het kleine aantal vermeldingen van Dostoevskijs naam in de tijdschriften De Amsterdammer en Elsevier is het feit dat Kingma (1981: 171) tijdens het voeren van zijn doorgedreven bibliografisch onderzoek slechts één studie over de Russische schrijver heeft teruggevonden die in de periode 1892-1903 gepubliceerd werd. Opmerkelijk genoeg betreft het opnieuw, evenals de hierboven genoemde tweedelige vertaling De misdaad – Wroeging, een initiatief van één van de organen van de in Nederland opkomende arbeidersbeweging. Meer bepaald publiceerde De jonge gids in 1898 de studie ‘Dostojewsky’ van Mr. J.W. Spin.
spin: dostoevskij als sociaal-democratisch instrument
Het maandblad De jonge gids was pas in 1897 gesticht en zou slechts vier jaar bestaan. De oprichter was de joods-Nederlandse prozaïst en toneelschrijver Herman Heijermans (1864-1924), die sinds 1893 redactie-ervaring had opgedaan bij De telegraaf. In het jaar van de oprichting van De jonge gids had hij zich aangesloten bij de Sociaal-democratische arbeiderspartij SDAP.[155] Het was zijn bedoeling om van dit tijdschrift een sociaal-democratisch letterkundig orgaan te maken.[156] Op literair gebied vertoonde hij grote affiniteiten met het naturalisme, waaraan in zijn tijdschrift dan ook ruime aandacht werd geschonken. Zoals de combinatie van de titel De jonge gids met de sloganeske ondertitel Een blad dat geen blad voor de mond neemt al doet vermoeden, voerde het tijdschrift een scherpe polemiek met De nieuwe gids, waarin de invloedrijke Tachtigers de plak zwaaiden. Heijermans plaatste tegenover hun individualisme de kracht van de gemeenschap.[157] Toch profileerde De jonge gids zich niet in de eerste plaats als letterkundig tijdschrift: het presenteerde zijn lezers een breed gamma aan vulgariserende studies en polemische essays, onder andere over maatschappelijke kwesties, filosofie, recht, militarisme en linkse ideologieën.
J.W. Spin, de auteur van de door De jonge gids uitgebrachte studie ‘Dostojewsky’, was gepensioneerd advocaat en procureur bij de Hooge Raad der Nederlanden in ‘s Gravenhage. Eerder had hij enkele monografieën over staatszaken gepubliceerd, onder andere onder de pseudoniemen Marnix en ‘Een staatsman in ruste’.[158] Over zijn activiteiten als criticus is weinig bekend. Het lijkt erop dat hij een voorliefde koesterde voor de Russische cultuur. Immers, in 1897 en 1898, voorafgaand aan zijn studie over Dostoevskij, had hij een artikel gepubliceerd over ene ‘Kolzoff’ [sic] in Morgenrood en een artikel over Lermontov in De jonge gids. Verder zijn geen literaire kritieken van zijn hand bekend.
Behoudens zijn gebrek aan ervaring zijn er nog twee redenen waarom aangenomen mag worden dat Spin als criticus weinig of geen gezag genoot. Ten eerste heeft de redactie van De jonge gids er in een voetnoot die toegevoegd werd aan zijn ‘Lermontov’ op gewezen het niet eens te zijn ‘met de litteraire zienswijzen van den geachten inzender, wèl met de duidelijke voorstelling der Lermontov-figuur in verband met tijd en omstandigheden’.[159] De tweede reden is nog minder alledaags: op het ogenblik dat ‘Dostojewsky’ ter perse ging werd ‘Mr. J.W. Spin’, zoals hij steevast genoemd werd, beschouwd als zwaar geestesziek. Dit blijkt uit een reeks artikelen in het Utrechtsch Nieuwsblad waarmee een anonymus (1898abc) reageerde op het stuk van ene M. Prijes in het blad Pschycho. Deze laatste had aangekaart dat Spin opgesloten was in een krankzinnigengesticht, hoewel hem geestelijk niets mankeerde. De collocatie zou besteld zijn door de Minister van Binnenlandse Zaken, die daarmee wraak nam voor Spins aanstootgevende brochure over ‘de overrompeling van de Nieuwe Kerk in Amsterdam’.[160] De anonymus (1898c: 6) weerlegde deze aantijgingen door aan te tonen dat de gepensioneerde procureur wel degelijk aan waanvoorstellingen leed, en niet eens aan de lichtste.[161]
De studie ‘Dostojewsky’ bestaat uit twee afleveringen die telkens eindigen met de woorden ‘wordt vervolgd’. De aangekondigde derde aflevering is echter niet verschenen, mogelijk wegens Spins geestesziekte. In de eerste twee delen wordt in een notendop Dostoevskijs biografie beschreven, waarbij af en toe een excursie ondernomen wordt naar zijn oeuvre. Aan bronvermelding doet Spin (1898ab) niet.[162] Nochtans is zijn originaliteit miniem; wie zijn studie vergelijkt met Le roman russe van De Vogüé (1886), stoot op een veelheid van gelijkenissen die niet door toeval verklaard kunnen worden.[163] Niet enkel de opbouw van ‘Dostojewsky’ is grotendeels overgenomen van het beroemde ‘La religion de la souffrance’, hetzelfde geldt voor vrijwel alle uitspraken die in deze studie gedaan worden over het leven en werk van de behandelde schrijver – zelfs wanneer het subjectieve waardeoordelen betreft. Wel worden de woorden van de burgraaf niet letterlijk geciteerd, maar vrij geparafraseerd. Soms worden ze ook aangedikt, waardoor de feiten geweld aangedaan wordt. Zo heeft De Vogüé (1886: 225) erop gewezen dat in het Russisch juridisch taalgebruik de plaatsnaam ‘Siberië’ werd vervangen door het eufemisme ‘des lieux très éloignés’. De bedoeling hiervan was duidelijk maken dat Dostoevskij zich met Zapiski iz mërtvogo doma op glad ijs begaf. Bij Spin (1898b: 631) wordt deze inlichting vervormd op een manier die de schrijver nog heroïscher maakt:
Hij mocht zelfs de naam van Siberië niet uit de pen laten vloeien, want die naam heeft een zoo onaangenamen klank, dat zelfs de rechters dezen, in hunne verbanningsdecreten, onder de omschrijving van eene ‘ververwijderde streek’ aanduiden.[164]
Op basis van deze uitspraak zou men kunnen vermoeden dat de oud-procureur Zapiski iz mërtvogo doma niet of onaandachtig had gelezen. De plaatsnaam Siberië komt hierin immers reeds in de allereerste zin ter sprake.[165] Dit werk is echter het enige waarvan Spin (1898b: 631) een vertaling vermeldt, wat dan weer suggereert dat hij zich er wel degelijk in verdiept had – hoewel misschien niet aandachtig. Meer bepaald verwijst hij naar Haus der Todten en, in een voetnoot, naar La maison des morts. Kennelijk was de Nederlandse vertaling Uit Siberië (1891) hem niet bekend of vond hij deze niet vermeldenswaardig.
Behalve aan Zapiski iz mërtvogo doma wordt in deze studie ook ruime aandacht geschonken aan Bednye ljudi, Prestuplenie i nakazanie, Idiot, Besy en Krotkaja geschonken. Daarnaast komen ook Brat’ja Karamazovy en Podrostok summier ter sprake.
De manier waarop Spin (1898a: 551-3) Dostoevskijs eersteling interpreteert, wijkt ernstig af van die van de door hem gretig geraadpleegde De Vogüé: hij schildert Varvara immers niet af als het slachtoffer van verstikkende armoedige omstandigheden, zoals het meest voor de hand ligt, maar als een ijdele manipulatrice, die lichtvoetig haar eigen geluk nastreeft. In zijn ogen aanvaardt dit personage de opofferingen van Devuškin als ‘de meest natuurlijke zaak der wereld’ omdat ze ervan overtuigd is ‘dat ieder onder den wegsleependen indruk harer bekoorlijkheden verkeert’. De oude rijkaard die haar pad kruist geeft ze ‘hand en hart’. Daarna is ze er nog steeds ‘ter dege op uit om hem [Devuškin] in alle opzichten te exploiteren’. Wanneer ze uiteindelijk de oude rijkaard huwt is ze ‘een van geluk stralende bruid’, die zich ‘welgemoed op hare huwelijksreis’ begeeft en geniet van haar ‘wittebroodsweken’. Het behoeft geen betoog dat de lectuur van Spin – indien deze werkelijk heeft plaatsgevonden – eigenaardig, om niet te zeggen fantasierijk is.
Bij Prestuplenie i nakazanie houdt Spin (1898b: 633-6) geruime tijd halt, wellicht omdat deze roman ‘de grootste sensatie’ teweeg heeft gebracht, zoals hijzelf aangaf. De zondagscriticus zelf is echter niet onder de indruk: het komt hem voor dat de lectuur van deze roman ‘zich veeleer en veel meer leent voor leden van de rechterlijke macht, voor een zekeren kring overheidspersonen en voor wetgeleerden dan wel voor de beaux esprits op het gebied der letterkunde’. Voorafgaand aan de samenvatting van de plot prijst hij wel het psychologisch-analytische aspect van de roman, maar dit wordt al snel in de schaduw gesteld door de ontradende opmerkingen die hij van De Vogüé (1886: 253-4) overneemt. Ten eerste dat men medelijden dient te hebben met de schrijver van Prestuplenie i nakazanie, ‘want aan zijne openbaringen zijn namelooze smarten en onpeilbare ellenden voorafgegaan’. Ten tweede heeft het boek een negatieve invloed uitgeoefend op ‘de verhitte, opgewonden fantasiën der lezers’. Dit staaft Spin (1898: 635-6) met een verwijzing naar de moord op een woekeraar die een student in Moskou na het lezen van Prestuplenie i nakazanie pleegde. Terloops zij opgemerkt dat naar deze roman in deze studie verwezen wordt met de hybride titel Misdaad en boete, terwijl hij in het Nederlands vertaald was als Schuld en boete.
Over Idiot en Besy zegt Spin (1898b: 633), het oordeel van de burggraaf afzwakkend, dat ze ‘niet alle het verheven standpunt’ van Dostoevskijs tot hoofdroman geproclameerde Prestuplenie i nakazanie innemen. Gezien hijzelf doorging voor gek, is het interessant om te zien dat hij het hoofdpersonage van de eerstgenoemde titel stellig verdedigt tegen een neerbuigende evaluatie. In zijn ogen is Myškin slechts een idioot ‘in zooverre […] als hij zich geroepen gevoelt om de ongerechtigheden dezer wereld te verbeteren’. Zijn idiotisme komt er namelijk op neer dat zijn ondeugden ‘door de natuur zijn versterkt, terwijl zijne voortreffelijke hoedanigheden zich op de heerlijkste wijze hebben ontwikkeld’. Zoals De Vogüé (1886: 258) had voorgedaan, associeert Spin (1898b: 636-7) deze roman met het evangeliewoord ‘Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen’. Dit brengt hem tot een originele uitweiding over Dostoevskijs personages in het algemeen: het zijn ‘martelaren’ die door hun geestelijke vader bekroond worden ‘met bloedroode lauwerkransen’. Overigens meent de criticus dat niet enkel de helden van Dostoevskij, maar de Russen in het algemeen zulke merkwaardige types zijn ‘dat de analyseering van hun charakters niet-Slaven tot vertwijfeling zou brengen’. Wat de Nederlandse gepensioneerde staatsman betreft, loopt er dus een diepe kloof tussen Rusland en het Westen. Deze kloof wordt ook benadrukt bij de bespreking van Besy. Spin (1898b: 637-9) begrijpt deze roman, niet toevallig net als De Vogüé (1886: 261-3), als een geslaagde polemiek met Turgenev en als een bewijs dat de kracht van de nihilisten niet zozeer besloten ligt in hun organisatie, maar wel in de wilskracht van de aanvoerders. In verband hiermee weidt hij uit over de Russische geschiedenis; die is er één – in tegenstelling tot die van de westerlingen, zo leest men tussen de regels – ‘van een kudde menschen en hunne aanvoerders’. In een moment van helderheid voorspelt Spin dat de Russen, die de gewoonte hebben om tirannie te verdragen, zich hieraan nog ‘eene onafzienbare reeks jaren [zullen] onderwerpen’. Na deze sociologische uitweiding hekelt hij nog de compositie van Besy. Tegenover de gebrekkige balans staat echter de waarheidsliefde waarmee de personages zijn beschreven. Die is zo groot dat de criticus Dostoevskij durft te bestempelen als ‘den vader van de nihilistische ontwikkeling’. Hij veronderstelt immers dat Besy ‘den Nihilisten uit die dagen tot leiddraad en richtsnoer van hunne aanslagen’ heeft gestrekt – het is een hypothese die de Nederlandse receptiebereidheid voor deze roman beslist niet ten goede is gekomen.
Brat’ja Karamazovy komt in deze studie enkel aan bod in de uitspraak dat deze roman als kunstwerk evenmin als Besy en Idiot de rang inneemt van Prestuplenie i nakazanie.[166] Podrostok ondergaat een gelijkaardig lot. Merkwaardig en controversieel genoeg meent Spin (1898: 639) dat dit werk, waarnaar hij verwijst als Ontwikkeling,[167] een minderwaardig vervolg is op Besy. Meer heeft hij er niet over te vertellen. De veronachtzaming van deze twee grote filosofische romans uit Dostoevskijs rijpe periode laat zich gemakkelijk verklaren door het gezag van De Vogüé, wiens uitlatingen hierover zeer geringschattend waren.[168]
Op het eind van de tweede aflevering van zijn ‘Dostojewsky’ uit Spin (1898b: 639-40) de wens om stil te staan bij kleinere werkjes van de Rus, die van zijn niet nader genoemde biografen niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Hij heeft het over ‘meesterstukjes, die […] vaak door haar schoone tinten en haar goed weergegeven schetsen uit het volksleven, voor geene vergelijking terugdeinzen met het beste wat onze tijd van dien aard kan aanwijzen’. Zijn intenties ten spijt, bespreekt hij echter maar één van deze niet nader gespecificeerde werkjes: Krotkaja, hier vermeld onder de gelijkvormige titel van de Franse vertaling. De behandeling van de andere nog onbesproken kleine werken zou namelijk ondergebracht worden in de derde aflevering, die er nooit gekomen is.
De drie alinea’s die gewijd zijn aan Krotkaja, dat in de Nederlandse letterkundige pers nog niet eerder besproken was, behoren tot de origineelste van deze studie. Na een korte inleiding, die duidelijk maakt dat dit verhaal volgens Dostoevskij fantastisch is qua vorm en voor het overige reëel in de hoogste graad, geeft Spin hiervan de korte inhoud. Beelden spelen daarbij een belangrijke rol. Een echtgenoot staat bij een tafel waarop het lijk ligt van zijn vrouw, die net zelfmoord gepleegd heeft. Hij loopt gejaagd in de kamer heen en weer, in zijn hypochondrie denkt hij hardop na over zijn aandeel; hij wast zijn handen in onschuld en wijst beschuldigend naar zijn vrouw. Uiteindelijk vindt hij gemoedsrust in de herinneringen aan hun eerste liefde. De studie ‘Dostojewsky’ eindigt abrupt met de om verheldering vragende woorden ‘De waarheid staat den ongelukkigen helder en klaar voor den geest; althans zoo komt het hem voor’.
Bovenstaande analyse staat toe te besluiten dat voor zover er van originaliteit in de studie van Spin sprake is, deze besloten ligt in zijn aanvechtbare lectuur van Bednye ljudi, in zijn geringschattende evaluatie van Prestuplenie i nakazanie en in zijn bespreking van Krotkaja. Deze drie elementen betreffen het oeuvre van Dostoevskij. Ondanks zijn onmiskenbare schatplicht aan De Vogüé (1886), met wie hij ook de cultus van Dostoevskijs lijden deelt, heeft Spin getracht om zijn beeld van de schrijver ook een eigen toets te geven. Deze toets is sociaal-democratisch, wat vooral in de inleiding duidelijk tot uiting komt. Hierin steekt Spin (1898a: 550) namelijk de loftrompet over wat hij noemt ‘Sociale Poëzie’. Hij verkondigt dat ‘een schilder die de “sociale toestanden” naar het leven wedergeeft […] meer aan het ideaal [beantwoordt] dan zijne kunstbroeder [sic], die wellicht met grooter en rijker talenten begaafd zijn fantazij den vrijen teugel laten vieren.’ Conform zijn socialistisch aandoende visie op literatuur bestempelt Spin (1898a: 552) het personage Devuškin van Bednye ljudi als ‘eene personificatie […] van de proletariërs van de Tchin’.[169] De sociaal-democratische blik van de criticus manifesteert zich verder in het feit dat hij, ditmaal in scherpe tegenstelling tot de burggraaf, amper wijst op de rol die het christendom voor Dostoevskij speelde en bovendien diens revolutionaire activiteiten uitvergroot – de schrijver wordt neergezet als een antireactionaire ‘politieke misdadiger’.[170] Als zodanig kan deze ‘Dostojewsky’ beschouwd worden als een van de eerste pogingen om de grote Rus voor de kar van de opkomende arbeidersbeweging te spannen, op een moment dat de traditionele critici hun handen van hem hadden afgehaald. Vermoedelijk was De jonge gids om deze reden geïnteresseerd in de publicatie. Minder waarschijnlijk is dat Spin zijn invalshoek had aangepast aan het forumverschaffende tijdschrift. In ieder geval was zijn poging om Dostoevskij om te smeden tot sociaal-democratisch instrument gedoemd tot halfslachtigheid, aangezien ook hij als voornaamste bron het magnum opus van de katholieke De Vogüé had gebruikt.
7 De herontdekking (1904-07)
een nieuw receptieklimaat
Nadat hij een dozijn jaren genegeerd was, kwam Dostoevskij vanaf 1904 opnieuw in het vizier van het Nederlandse publiek, dat intussen was aangevuld met een nieuwe generatie lezers. Het naturalisme had rond de eeuwwisseling plaats gemaakt voor een zachter realisme, dat voorgestaan werd door schrijvers als De Meester, Streuvels en Van Hulzen. Zij hadden het objectiviteitscriterium vervangen door de bewerkstelling van compassie bij de lezer.[171] Eenmaal de mode van de nieuwe mystiek over haar hoogdagen heen was, bood dit veranderde literaire klimaat opnieuw plaats voor Dostoevskij – dat wil zeggen: zoals hij door De Vogüé aan het Westen was aangeprezen.
Een extra-literaire stimulus voor de interesse voor de Russische literatuur in het algemeen, waarvan Dostoevskij in bescheiden mate mee kon profiteren, was de groeiende onrust binnen de Russische maatschappij en de Russisch-Japanse oorlog (1904-05), die door de internationale gemeenschap behoudens Frankrijk en Duitsland scherp veroordeeld werd. De op de spits gedreven binnenlandse onlusten en de voor de tsaar vernederende nederlaag leverden de Russische staat de hernieuwde reputatie op achterlijk en barbaars te zijn. Dit kwam in de eerste plaats de appreciatie ten goede voor Russische schrijvers die expliciet standpunt innamen tegen de wantoestanden. Dit verklaart, althans gedeeltelijk, de relatieve populariteit van Maksim Gor’kij in deze jaren.[172] Echter ook een a-politiek schrijver als Anton Čechov bereikte in het begin van de 20e eeuw enige bekendheid in de Nederlandse literatuur: hij piekte tussen 1903 en 1907 met meer dan een dozijn vertaalde titels, in tijdschriften, maar ook in afzonderlijke boekuitgaven.[173] In het algemeen geldt dat, voor zover dit afgeleid kan worden uit het aantal gepubliceerde vertalingen, de voorloorlogse Nederlandse belangstelling voor Russische literatuur in de jaren 1904-07 een absoluut hoogtepunt bereikte (zie grafiek 2[174]).
Grafiek 2. Russische literatuur in Nederlandse vertaling
vijf nieuwe vertalingen
In de eerste fase van Dostoevskijs herontdekking namen de uitgeverijen het voortouw. In de periode 1904-07 werden vijf vertalingen van hem gepubliceerd. De doelteksten vallen uiteen in drie categorieën: Schuld en boete (Raskolnikow) (1904) en Arme menschen (1906) zijn heruitgaven van bestaande vertalingen; Uit het doodenhuis (1906) is een nieuwe vertaling van een reeds vertaald werk; Witte nachten (1906) en De echtgenoot (1907) zijn vertalingen van werk dat nog niet eerder vertaald was. Als zodanig nam het vernieuwende aspect van de uitgaven toe naarmate de tijd vorderde – een aanwijzing dat de initiatief nemende uitgevers een groeiende belangstelling van het lezerspubliek voor Dostoevskij vaststelden of tenminste verwachtten.
De spits werd in 1904 afgebeten door C.L.G. Veldt en Holkema & Warendorf, die teruggrepen naar het zogenaamde hoofdwerk van Dostoevskij. Meer bepaald voorzagen deze uitgevers Kuknos’ vertaling van een herziene uitgave in één volume, onder de uitgebreide titel Schuld en boete (Raskolnikow). Kennelijk was met Rössing, wiens uitgeverij al jaren eerder opgedoekt was, een overeenkomst gesloten met het oog op deze publicatie. De bewerking – die eerder oppervlakkig dan ingrijpend is – werd overgelaten aan Gerrit Hendrik Priem (1865-1933). Als weinig succesvol dichter[175] vulde deze zijn broodwinning aan door op regelmatige basis vertalingen te maken. Het waren echter niet de minsten die hij voor het Nederlandse publiek ontsluierde: zijn nalatenschap bevat onder andere vertalingen van Flaubert, Nietzsche en Maeterlinck.
Vermoedelijk was Priem bij de hernieuwde uitgave van Schuld en boete betrokken door Veldt, aangezien die met hem al eerder had samengewerkt. Bijvoorbeeld had de kleine Amsterdamse uitgever in 1903 Priems vertaling Joyzelle van Maeterlinck uitgegeven. Hoewel de vertaler in de Nederlandse letterkundige pers een gebrek aan artisticiteit ten laste was gelegd,[176] kon hij bij dezelfde uitgever in 1904 zijn eigen dorpstragedie Langs donkere paden kwijt. Deze creatie werd eveneens negatief gerecenseerd.[177] Niettemin zou de samenwerking tussen Priem en Veldt nog enkele jaren voortduren.[178] Ook voor Warendorf & Van Holkema oversteeg de samenwerking met Priem het eenmalige: de gefusioneerde uitgeverij zou in 1910 zijn vertaling Mevrouw Bovary uitbrengen als onderdeel van de populaire reeks Meesterwerken der buitenlandse romanliteratuur.
In 1906, amper twee jaar na het verschijnen van Schuld en boete (Raskolnikow), werd ook de tweede vertaling die Rössing van Dostoevskij op de Nederlandse markt had gezet met een interval van twee decennia heruitgegeven: Arme menschen. De ongewijzigde herdruk van deze anonieme doeltekst was een initiatief van Craft & Cie, een uitgever met een bijzondere interesse voor erotiek, godsdienst en filosofie.[179] Interessant is dat hij rond 1905 onder de titel Ideeën een bloemlezing uit de werken van Nietzsche had uitgebracht die door Priem was samengesteld. Dit doet vermoeden dat de zaakleider van Craft & Cie in ongeveer hetzelfde letterkundige milieu verkeerde als de zaakvoerders van de Veldt en Warendorf & Van Holkema.
In 1906 verscheen in Amsterdam ook Uit het doodenhuis, een vertaling van Zapiski iz mërtvogo doma. Dit werk was vijftien jaar eerder al eens vertaald was onder de titel Uit Siberië, maar deze uitgave was een stille dood gestorven. Uit het doodenhuis was dan ook geen heruitgave, maar een gloednieuwe vertaling. De verantwoordelijke uitgeverij was Cohen Zonen, die opgericht was in 1898 door de twee oudste zonen van de Joods-Nederlandse firmant Ezechiël Godert II. Het stichtelijke aspect speelde in hun onderneming een prominente rol: ze stelden zichzelf tot doel om moeilijk toegankelijke onderwerpen te populariseren.[180] Over de vertaler die zij onder de armen namen voor hun eerste Dostoevskij-publicatie is weinig meer geweten dan zijn naam: M. Faassen. Engelsman (2001: 13) heeft ontdekt dat de persoon in kwestie, die op het titelblad van de vertaling bestempeld wordt als ‘Gep. 1ste Luitenant der Artillerie’, de auteur is van een Algemeen technisch woordenboek dat in hetzelfde jaar gepubliceerd werd bij Cohen Zonen. Daarnaast heeft hij ook een korte studie over graaf Zeppelin en zijn luchtschepen geschreven. Na Uit het doodenhuis zou Faassen, die via het Duits vertaalde, nog twee doelteksten van Dostoevskij verzorgen: De echtgenoot (1907), eveneens uitgegeven bij Cohen Zonen, en Uit het duister der groote stad (1924), dat uitgegeven werd bij Boissevain te Haarlem. Engelsman (2001: 13) veronderstelt dat de gepensioneerde artillerist Russische romans vertaalde ‘om den brode’.
Het feit dat de Nederlandse herontdekking van Dostoevskij in het begin van de 20e eeuw werd ingeluid met de triade Prestuplenie i nakazanie, Bednye ljudi en Zapiski iz mërtvogo doma is volledig in overeenstemming met de kritiek van De Vogüé – wat niet verbazend is, aangezien hij door alle Nederlandse critici was nagepraat. Daarnaast richtten enkele uitgevers zich ook op veel minder bekende werken van Dostoevskij; in 1906 en 1907 verschenen de eerste Nederlandse vertalingen van Belye noči en Večnyj muž, onder de respectievelijke titels Witte nachten, sentimenteele roman (Uit de herinneringen van een droomer) en De echtgenoot.[181] Deze publicaties waren iets gedurfder, aangezien de Nederlandse kritiek zich er nog niet over had uitgesproken. Het commercieel risico was echter relatief beperkt, aangezien de bronteksten korte verhalen zijn.
De echtgenoot was, zoals hierboven al vermeld, eveneens vertaald door M. Faassen in opdracht van Cohen Zonen. Het is niet ondenkbaar dat de vertaler de uitgeverij attent had gemaakt op de mogelijkheid om een vertaling van Večnyj muż op de markt te brengen, maar gezien zijn alles behalve letterkundig profiel is toch plausibeler dat de uitgeverij zelf actief op zoek was gegaan naar nog onvertaald, commercieel verantwoord werk van Dostoevskij. Dat de in Duitsland succesvolle vertaling Der Hahnrei (1888) de doorslag gaf bij deze naar Nederlandse normen originele selectie kan afgeleid worden uit het feit dat deze titel als tussenvertaling gebruikt werd voor De echtgenoot.[182] Daarnaast kan ook het succes van de Franse vertaling L’éternel mari (1896) een rol hebben gespeeld bij de keuze van de te vertalen brontekst.
Witte nachten was een uitgave van de firma Van Suchtelen en Maas. Jonkheer Nikolaas Johannes van Suchtelen (1878-1949) was behalve uitgever ook schrijver. In beide hoedanigheden sympathiseerde hij met de arbeidersbeweging, waarvan hij enige tijd ook zelf lid is geweest. De uitgeverij die hij in Amsterdam had opgericht met Simon A. Maas, de secretaris van SDAP-leider P.J. Troelstra, legde zich behalve op bellettrie ook toe op sociaal en politiek geëngageerde werken[183] – in overeenstemming met de emancipatorische tendensen die zich ten gevolge van de industrialisering vanaf het einde van de negentiende eeuw in de Nederlandse literatuur steeds sterker begonnen door te zetten. Omstreeks 1906 waren Van Suchtelen en Maas begonnen met uitgave van een Russische bibliotheek, waarin naast Witte nachten ook Schetsen van Čechov en De mantel van Gogol’ verschenen.[184]
De geschiktheid van Belye noči voor een westers publiek was al twee decennia eerder bewezen in Frankrijk en Duitsland, respectievelijk met Le joueur et les nuits blanches (1887) en Weisse Nächte (1888). Dit kan de uitgevers hebben aangemoedigd om de publicatie van Witte nachten te wagen. Het is echter waarschijnlijk dat niet Van Suchtelen & Maas het werk Belye noči selecteerden voor vertaling, maar wel de vertaler Z. Stokvis. Hij beschikte namelijk over een zeldzame, rechtstreekse toegang tot de Russische taal en literatuur.
stokvis: van tolstojaan tot dostoevskij-vertaler
Zadok (Jacques) Stokvis (1878-1947)[185] was geboren in ‘s Gravenhage uit een Joodse middenstandsfamilie met beperkte middelen. Ondanks zijn vroegtijdig geopenbaarde interesse voor literatuur en geschiedenis, werd hij als dertienjarige ingeschreven op de Haagse Muziekschool. In 1896 zette hij zijn studie stop omdat hij ontgoocheld was door zijn talent, en startte hij een stoffeerdersbedrijfje dat binnen de kortste keren failliet ging. Volgens zijn broer J.E. Stokvis (1950: 169) viel hij ten prooi aan Weltschmerz. Hij zocht enige tijd morele steun in de kring van Van Eden, Kloos en andere dichters. Meer verbetering in zijn existentie bracht zijn betrekking in het antiquariaat van de firma Van Stockum, die hem echter bewust maakte van zijn gebrekkige intellectuele vorming. In 1898 werd hij na een staatsexamen toegelaten aan de universiteit. Hij schreef zich meteen in voor de cursus Russisch die ingericht werd door prof. Kern. Hij werd daartoe bewogen door zijn interesse voor het religieuze ascetisme en socialisme van Tolstoj, dat in Nederland toen in de mode was. Hij trad in contact met een groep Tolstojanen onder leiding van prof. van Rees en Lodewijk van Mierop, die ‘destijds het heil kweekten in de Blaricumse kolonie der Internationale Boerderschap’.[186] Intussen begon hij zijn kennis van het Russisch professioneel uit te buiten: hij vertaalde drie van Tolstojs geschriften.[187] In 1901 publiceerde hij ook een eigen studie: Het Zjemstwo-wezen in Rusland. Naarmate het Tolstojanisme aanhang verloor in Nederland, of, zoals zijn broer J.E. Stokvis (1950: 170) het wil, naarmate zijn ‘geestelijke volwassenheid zich voltrok’, nam Zadok Stokvis afstand van deze leer. Hij hield er wel een sterk ontwikkeld ethisch gevoel aan over. Zijn sympathieën verlegden zich langzaam in de richting van de arbeidersbeweging. In 1903 begon hij aan de voorbereiding van een proefschrift over de internationale betrekkingen voor de tijd van Peter de Grote. Met een onderzoeksbeurs op zak begaf hij zich in de zomer van dat jaar naar Rusland, waar hij ruim een half jaar verbleef. Veel archiefwerk heeft hij er echter niet uitgevoerd. Het proefschrift is ook nooit gerealiseerd. Na zijn terugkeer in 1904 begon hij te werken als leraar op een middelbare school te Hilversum, waar hij twee jaar verbleef. In 1906 ging hij over naar Amersfoort, waar hij twee jaar lang letterkunde en geschiedenis mocht onderwijzen. Zijn vrije tijd benutte hij ten volle om zich nog meer te verdiepen in de Russische taal. Dankzij zijn reputatie als kenner van het Russisch kwam de dichteres Roland Holst privélessen bij hem volgen. Tegelijkertijd maakte hij enkele vertalingen uit het Russisch, titels van Tolstoj en Čechov, maar dus ook Witte nachten van Dostoevskij.
destructieve en lovende recensies
Het lijkt erop dat aan de vijf nieuwe Dostoevskij-vertalingen die in Nederland verschenen tussen 1904 en 1907 in de Nederlandse letterkundige pers ongelijke aandacht werd geschonken. Over Schuld en boete (Raskolnikow), dat reeds gekend was, en over De echtgenoot, dat daarentegen gloednieuw was, werden geen kritische teksten teruggevonden. Deze laatste titel schijnt alvast geen monsterverkoop gekend te hebben: in november 1912 was de uitgever nog altijd niet door zijn voorraad van de eerste uitgave heen. Dit blijkt uit een advertentie, gepubliceerd in Het volk van dinsdag 26 november 1912, waarin De echtgenoot aangeprezen wordt als een ‘hartstochtelijke Russische roman van misdaad en wraak’.[188] Van Arme menschen en Uit het doodenhuis verschenen gecondenseerde recensies in respectievelijk Nederland en De tijdspiegel. Bijzondere weerklank kreeg Witte nachten: van dit verhaal werden besprekingen opgenomen in De Amsterdammer en Dietsche Warande en Belfort.[189] De evaluatie die in de genoemde tijdschriften van de overeenkomstige Dostoevskij-vertalingen gemaakt werd varieerde tussen prijzen en afkraken.
De door Nederland uitgebrachte recensie van Arme menschen was ronduit destructief. Ter inleiding van zijn kort stukje merkt de recensent ‘H……s’[190] (1907: 485) op dat dit verhaal met de meeste andere romans die in de voorafgaande periode uit Rusland geïmporteerd werden ‘een somber, droevig waas’ gemeen heeft. Daarna bespreekt hij op smalende toon de plot; hij meent dat de corresponderende hoofdpersonages ‘geld aan papier, pennen en inkt verknoeien’, aangezien ze vlak bij elkaar wonen. Wanneer zij uiteindelijk huwt met een landeigenaar en naar de provincie trekt, blijft hij achter ‘als een klagende kluizenaar’. De criticus besluit dat het onderwerp ‘niet belangrijk genoeg [is] om er ruim 200 bladzijden over vol te schrijven, of zelfs om ons maar eenigermate te boeien’. Ironisch genoeg ergert hij zich dus zelfs aan de langdradigheid van een van de kortste werken uit Dostoevskijs oeuvre. Als kers op de taart raadt hij de uitgever aan om de correctie beter te verzorgen indien Arme menschen een 2e druk zou beleven. Kennelijk wist hij niet dat het boek al op zichzelf een heruitgave was. Tot een derde druk zou het niet komen – wat evident is, tenminste indien aan de recensie van H……s enige representativiteitswaarde toegekend mag worden.
Ook de recensie van Uit het doodenhuis, die verscheen in het in 1844 opgerichte veelgelezen, gematigd liberale blad De tijdspiegel, is geschreven door een onwelwillende anonieme hand. Dat de recensent ‘B’[191] (1907: 390) geen kenner van de Russische literatuur was, blijkt uit de verkondiging van twee misvattingen. Ten eerste wordt in de inleiding aan Turgenev toegeschreven de Russische lijfeigen boeren bestempeld te hebben als ‘Doode zielen’.[192] Ten tweede slaagt de recensent er niet in om het verhaal te situeren in de tijd: enerzijds lijkt het hem dat de herinneringen meer dan vijftig jaren oud zijn, anderzijds concludeert hij uit bepaalde uitdrukkingen – ten onrechte – dat de lijfeigenschap reeds lang was afgeschaft en dat het dus een werk betreft ‘van heel wat jonger datum’. Met de levensbijzonderheden van Dostoevskij, die hij overigens niet eenmaal bij naam noemt, was hij dus niet in het minst bekend. Wat de recensent opvalt in Uit het doodenhuis, is het contrast tussen enerzijds de ‘somberheid aan tafereelen’, of de ‘afgrijselijke verzameling menschenwee’ in vergelijking waarmee de ellende in de vrije maatschappij niets voorstelt, en anderzijds het bestaan in de gevangenis van drinkgelagen, gokspelen en ‘andere bedenkelijke uitspattingen’. Geïntrigeerd door dit boek is ‘B’ evenwel niet; hij vindt het ‘niet overal interessant’. Meer bepaald verwijt hij de auteur herhalingen, te veel persoonlijke en te weinig algemene beschouwingen, maakwerk, verwardheid en onduidelijkheid. Wel acht hij het mogelijk dat ‘de juistheid van uitdrukking’ geleden heeft onder de herhaalde vertaling. Uit de grote hoeveelheid germanismen maakt hij op dat de tekst uit het Duits is vertaald. Het taalkundige aspect is blijkbaar het stokpaardje van de recensent, want hij sluit zijn stuk af met een in proportie bijzonder uitgerekt commentaar op het taalgebruik van de vertaler, dat volgens hem bovenmatig exotisch is. Het lijkt erop dat Uit het doodenhuis geen commercieel succes was. Deze vertaling kreeg immers geen heruitgave.[193] Bovendien zou de uitgever minstens tot het einde van 1911 met de eerste druk zeulen. Hierover getuigt een advertentie in Het volk, waarin Uit het doodenhuis aangeprezen wordt als een ‘beroemde roman uit het gruwelijkste Siberische gevangenisleven’.[194]
Witte nachten werd in De Amsterdammer lovend besproken door G. van Huizen (1907: 3), een recensent zonder gevestigde naam. Al in de inleiding wordt duidelijk dat zijn interpretatie hoofdzakelijk documentair is: in het betreffende kortverhaal zou ‘de Russische ziel met haar kinderlijke naiefheid, haar gevoelige berusting’ duidelijker tot uiting komen dan in de omvangrijke werken van Dostoevskij, waarin de buitenlandse invloeden verondersteld worden groter te zijn. Deze idee wordt verder uitgewerkt in het vervolg van de recensie. Dostoevskij dankt zijn wereldbekendheid aan ‘crimineel-antropologische romans’ met ‘beschrijvingen van dégénérés en neurasthenici’, maar deze helden vormen een universeel type. Het melancholische thema van Witte nachten zou daarentegen typisch Russisch zijn:
Het hier geschetste verhaal van eenzaamheid en zucht naar liefde en aanhankelijkheid [kan] alleen plaatsgrijpen in een land als Rusland met zijne eindelooze steppen die tot weemoed stemmen, met zijn knoet, zijn politietoezicht en verschrikkingen, zoodat de hang naar liefde en toewijding zich vanzelf opdringen. In geen enkel land kan men zoo ongerept, zoo naïef, ‘t zoo eerlijk meenend met zijn medeschepsels, zichzelf maar wegredeneerend, blijven voortleven als in Rusland, waar de verschrikking, de omzwevende geheimzinnigheid, het aldoor dreigende noodlot, de behoefte om voor anderen lief te zijn als ‘t ware oproept.
Het discours over de Russische eigenheid zet zich door bij de summiere beschrijving van de plot: Van Huizen verzekert de lezer dat met name de onbaatzuchtige, liefdevolle verhouding tussen de eenzame jongeman en de door haar geliefde vergeten jonge vrouw die zijn pad kruist ‘wel echt Russisch’ is. Hij meent dat Dostoevskij door zijn eigen volk meer op prijs wordt gesteld dan de verwesterde Turgenev, al is van hem ‘de taal ook zooveel mooier en glanzender’, precies omdat hij erin geslaagd is om typisch Russische toestanden uit te beelden. Ongeveer hetzelfde beweert hij over Puškin, Gor’kij en – een naam die niet mocht ontbreken na jarenlang gepropageerd te zijn in het Nederlandse taalgebied – Tolstoj.
Opmerkelijk is dat Van Huizen net als de recensent van Uit het doodenhuis in De tijdspiegel oog heeft voor de vertaalde status van de doeltekst. Enerzijds noemt hij het een voordeel dat ‘het aangebodene niet over ‘t Fransch of ‘t Duitsch heen, maar dadelijk uit het Russisch werd overgebracht’, maar anderzijds wijst hij meteen op een nadelig gevolg van het rechtstreekse vertalen: het taalgebruik is te weinig genaturaliseerd. Als voorbeeld licht hij de woorden ‘een jonge vraag’ uit de doeltekst; volgens hem moet dit herschreven worden als ‘een kinderachtige of kinderlijke vraag’. Ondanks deze kritiek meent hij dat de kleur, de klank en het ritme van het origineel wel goed zijn weergegeven. Hij hecht hieraan bijzonder belang omdat de ‘andere volksziel’ erin tot uiting zou komen.
Tot slot van zijn recensie formuleert Van Huizen een bezwaar aan het adres van Dostoevskij. Meer bepaald plaatst hij een kanttekening bij de ik-vorm, omdat deze kunstgreep de Nederlandse lezers in verwarring zou kunnen brengen en bovendien de geloofwaardigheid van het verhaalde ondermijnt:
Dostojefskiej [sic] staat toch in onze gedachten zoo vast als de schrijver van neurastenische misdadigers, van de zwaarbeproefden, de zwaarvervolgden, dat dit naïeve gemurmel van een droomer ons wat vreemd voortkomt en daar door niet geheel echt.
Ter relativering van deze bedenking geeft hij wel toe dat in Witte nachten al na enkele bladzijden duidelijk wordt dat de ik-figuur niet gelijkgesteld mag worden met Dostoevskij zelf, maar een fictief personage is.
Dat Witte Nachten een gelijkaardige ontvangst kreeg in Vlaanderen en in Nederland wordt gesuggereerd door een recensie die in 1907 verscheen in Dietsche Warande & Belfort.[195] Dit tijdschrift was zeven jaar eerder ontstaan uit de fusie tussen enerzijds het in 1855 in Nederland gestichte, maar in 1887 naar Vlaanderen verhuisde Dietsche Warande en anderzijds het in 1886 opgerichte Vlaamse Belfort. Het blad fungeerde in die jaren vooral als forum van katholieke Vlaamse literatoren die zich niet thuis voelden in Nederlandse tijdschriften.[196] Het redactielid dat Witte nachten oppikte, was de medestichter Lodewijk Dosfel (1881-1925).[197] Hij was een jonge advocaat uit Dendermonde, die onder het pseudoniem Godfried Hermans gedichten, toneel en essays schreef en later een belangrijke rol zou spelen in de Vlaamse beweging. Zijn recensie van Witte nachten is erg gecondenseerd. Na een poëtiserende samenvatting van de intrige, waarbij het hoofdpersonage omschreven wordt als een ‘goede, arme doolaard’, noemt Dosfel (1907: 240-1) de publicatie ‘een boek op zijn Russisch’. Dit duidt hij met een citaat uit het essayistische oeuvre van Dostoevskij, dat de Russen afbeeldt als ‘wijddenkende lieden […] en buitengewoon geneigd tot fantazeeren’. Hij toont zich vertrouwd met andere werken van dezelfde auteur door de opmerking dat het kortverhaal ondanks de weemoed en de tranen ‘minder somber’ is dan wat Dostoevskij gewoonlijk schreef. Hieronder verstaat hij ‘de romans der misdadige menschenkunde’ waarin ‘wanhoopskreten’ weerklinken – het verschil met de kwalificatie ‘crimineel-antropologische romans’ met ‘neurasthenici’ door Van Huizen is hier verwaarloosbaar klein. Bij wijze van eindoordeel geeft Dosfel zijn lezer een esthetisch argument waarom Witte nachten waard is gelezen te worden: het hoofdpersonage is meesterlijk geportretteerd.
heilzaam alternatief of boosdoener
Conform zijn herintrede in de boekenmarkt duikt Dostoevskij na een lange stilte opnieuw met regelmaat op in de letterkundige pers. Dat hij begin 1905 gold als gemeen goed, blijkt uit een terloopse verwijzing in de rubriek ‘Allerlei’ van De Amsterdammer. Hierin citeert ene Caprice (1905: 5) Dostoevskij ter inleiding van een banale anekdote, die in de grond niets met Russische literatuur te maken heeft. De autoriteit van de Rus wordt gebruikt om de conservatieve stelling te poneren dat een man nooit in discussie moet treden met een vrouw, omdat dit geslacht altijd het laatste woord wil hebben.
Interessanter is de rol die Dostoevskij werd gegeven in het literaire debat. In 1907 kwam hij in De Amsterdammer ter sprake in een recensie van vertellingen van Tolstoj. De recensent, J. Steynen (1907: 3), was een jonge, links georiënteerde schrijver, die in 1903 een novellebundel had gepubliceerd onder de titel Proletariërs.[198] Zijn recensie greep hij aan om zijn ongenoegen te uiten over de Nederlandse literatuur, die hij een gebrek aan ideeën verweet. Hij wees daarbij beschuldigend naar de Tachtigers, die ‘te zeer de richting van den vormdienst […] zijn opgegaan’. Als alternatief geeft hij Dostoevskij, Tolstoj, Ibsen, Nietzsche, Balzac en andere buitenlanders. De eerste noemt hij ‘een der grootste schrijvers van de gansche wereld’. Wel laat hij niet na zijn stijl te bekritiseren, omdat ‘die menigmaal het haastige, kunstlooze van een dagbladartikel heeft’. Uiteindelijk moet de Rus ook wat Steynen betreft onderdoen voor zijn landgenoot Tolstoj, die als prozaïst ‘de volkomenheid’ of ‘het prachtige evenwicht van vorm en inhoud’ heeft bereikt.
De door Steynen verkondigde mening – die reminiscenties oproept aan De Vogüé – dat Dostoevskij een heilzaam alternatief vormde voor de gebrek aan ideeën lijdende vaderlandse letteren, was anno 1905 niet toonaangevend. Er gingen zelfs belangrijke stemmen op die hem en andere buitenlanders een negatieve invloed op de eigen schrijvers ten laste legden. Zo beschouwde de socialist van het eerste uur, essayist en schrijver Israël Querido (1908a: 10), de schrijvers Steynen en Pieter van der Meer de Walcheren als ‘verminkte en trieste slachtoffers van het Russisch-literair mysticisme; v.d. Meer vooral van Dostoiewsky’.
Ook de Antwerpse romanschrijver en essayist André de Ridder was overtuigd van het schadelijk potentieel van de Russen. Over Streuvels verkondigde hij in een biografisch werk dat ‘de invloed zijner geliefde schrijvers zijner jeugd, de noorsche wanhopelingen Ibsen en Dostoievsky […] zijne natuur [hadden] verwrongen hebben en vervalscht’ en dat hij pas een groot schrijver is geworden na het verwerpen van ‘allen vreemden invloed’[199] – een uitspraak die doet denken aan het protectionistische discours dat in Frankrijk verkondigd werd door critici als Pontmartin (1886) en Lemaître (1894). Enigszins vreemd is het dat Dostoevskij door De Ridder met de vinger wordt gewezen en niet Tolstoj: het is immers bekend dat de laatstgenoemde een belangrijker rol heeft gespeeld voor Streuvels. Niet alleen was Tolstoj ‘alom-tegenwoordig in zijn bibliotheek’, ook heeft hij tussen 1901 en 1908 meerdere van zijn werken onrechtstreeks vertaald – wat hij zelf als stijloefening beschouwde.[200] Wat de rijpe Streuvels betreft verzekert De Ridder (1907: 184), tot zijn eigen tevredenheid, dat deze niets meer met Dostoevskij te maken heeft:
Allerlei scheel-doorzichtige beschouwers hebben, ‘t koste wat het wil, in dat werk naäping van vreemde auteurs willen uitdiepen, imitatie van Dostoïevsky, van Zola, van Maupassant, van allerlei realistische schrijvers. Daar is allemaal niets van. Streuvels is, van kop tot teen, zijn eigen en niks dan zijn eigen.
De analyse van De Ridder, die verspreiding vond via de in Amsterdam gepubliceerde Streuvels-biografie en via een recensie van deze biografie door W. Graadt van Roggen (1907) in De Amsterdammer, getuigt dat Dostoevskij kort na de eeuwwisseling in de ogen van sommigen een negatief imago had gekregen. Hem werd namelijk een schadelijke invloed op de Nederlandse literatuur ten laste gelegd. Het is duidelijk dat de minachting van Dostoevskij bij De Ridder geïnspireerd is door een afkeer van bepaalde heteronome tendensen binnen de Nederlandse literatuur, meer bepaald van geïmporteerde realistische modellen. Als zodanig volgt hij een soortgelijke logica als Steynen, wiens bewondering voor Dostoevskij net gepaard ging met een afkeer van bepaalde autonome tendensen binnen de Nederlandse literatuur, meer bepaald van de als individualistisch en ideeënloos geëvalueerde experimenten van de Tachtigers. Dostoevskij werd dus ingezet in het getouwtrek tussen verdedigers van enerzijds autonomie en anderzijds heteronomie in de Nederlandse literatuur. Ironisch genoeg lijkt deze strijd op een metaniveau een heteronome logica gevolgd te hebben. In die zin dat Dostoevskij, zoals eerder besproken, bij uitstek in het Franse literaire debat, en in mindere mate in het Duitse, dezelfde rol werd toebedeeld.
8 Het voorwerp van studie (1907-10)
differentiatie
De tweede fase van Dostoevskijs Nederlandse herontdekking liep van 1907 tot en met 1910. In deze periode zag in Nederland, na een golf van vijf Dostoevskij-vertalingen, een golf van vijf Dostoevskij-studies het licht. Twee daarvan waren vertalingen van buitenlandse publicaties: een boek van de Russische anarchist Pëtr Kropotkin en een essay van de Deense criticus Georg Brandes. Deze publicaties worden hier besproken omdat in het Nederlands vertaalde studies vanuit een descriptief oogpunt net als origineel Nederlandse studies behoren tot de Nederlandse literatuur. Van de andere drie studies waren er twee geschreven door Nederlandse Ruslandspecialisten. Het gaat om de academicus Nicolaas van Wijk en de vertaler en leraar Zadok Stokvis. Tot slot is één studie het werk van de schrijver en criticus Israël Querido. Deze vijf auteurs hebben met elkaar gemeen dat ze allen De Vogüés autoriteit min of meer naast zich neerlegden – wat nu voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis van de Dostoevskij-studies gebeurde. Hieruit resulteerde een nog ongeziene mate aan heterogeniteit in de kritiek. De manier waarop de genoemde auteurs de Russische schrijver voorstelden was onderling even verschillend als hun eigen achtergrond.
van wijk: het geruststellende van het russische volkskarakter
Nicolaas van Wijk (1880-1941)[201] geniet enige bekendheid, tenminste onder slavisten, omdat hij vanaf 1913 tot zijn overlijden de eerste Nederlandse leerstoel voor Baltische en Slavische taalkunde bekleedde, aan de universiteit van Leiden.[202] De carrière die naar deze functie leidde was, behoudens dan zijn verrassende en aangevochten benoeming tot hoogleraar in de slavistiek, in hoge mate rechtlijnig. Hij werd geboren in Leiden als zoon van een predikant. Hij studeerde Germaanse filologie, waarin hij in 1902 ook promoveerde op een proefschrift over de vergelijkende Indo-Europese taalwetenschap. Voor verdere wetenschappelijke vorming trok hij naar Leipzig, waar hij voor het eerst in aanraking kwam met de Slavische taalkunde. Hij toonde hiervoor onmiddellijk belangstelling, evenwel zonder dat deze de vorm aannam van passie. In 1903 bestudeerde hij in Moskou praktische taalkunde. Van de gelegenheid maakte hij gebruik om ook de Russische literatuur te ontdekken. In de periode 1904-07 werkte hij als leraar Nederlands in Goes. Zijn volgehouden onderzoek naar het Nederlands – hij publiceerde in 1906 een eigen grammatica – leidde in 1907 tot de benoeming van conservator van de afdeling handschriften van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. In september van hetzelfde jaar maakte hij een nieuwe studiereis naar Moskou. Niettemin bleven de Slavische talen voor hem bijzaak, zoals blijkt uit het ontbreken van wetenschappelijke publicaties binnen dit domein. Zijn tijd en energie stak hij tijdens zijn jaren als bibliothecaris vooral in etymologisch onderzoek. Wel publiceerde hij vanaf 1904, toen hij nog maar vierentwintig jaar oud was, bijna jaarlijks vulgariserende, of zelfs dilettantistische stukken in verband met het volk of de literatuur van Rusland.
Een van Van Wijks eerste artikelen over de Russische literatuur verscheen in De gids, het in 1837 opgerichte tijdschrift dat nog steeds trekken had van een behoudsgezind bolwerk, maar niettemin enige interesse aan de dag begon te leggen voor de nieuwste ontwikkelingen in de literatuur. ‘De Hamlets van de Russische letterkunde’ is een antwoord op de lezing die Turgenev in 1860 in Sint-Petersburg gehouden had over de Russische affiniteiten met Hamlet en Don Quichot. In dit omslachtig essay worden zes zoekende, twijfelende Russische personages aan een analyse onderworpen.[203] Dostoevskij wordt slechts zijdelings ter sprake gebracht. Van Wijk (1904: 145-6) ziet Ivan uit Brat’ja Karamazovy en het hoofdpersonage uit Zapiski iz podpol’ja als Hamlets, maar werkt deze parallel niet uit. Met betrekking tot de laatste titel geeft hij als reden zijn onvermogen op ‘om wat door Dostojewskij zoo nauwkeurig en psychologisch juist beschreven is, in beknopten vorm na te vertellen’. Op het einde van zijn essay citeert hij een lang stuk tekst uit Dostoevskijs Dnevnik pisatelja, waarin hij Russische personages bespreekt die het heil van Europa verwachten. De schrijver verzet zich hiertegen en durft zelfs te hopen dat Rusland een bevredigende oplossing zal vinden ‘voor die problemen, waaraan zoovelen in onzen tijd met angst denken’.[204] Van Wijk (1904: 487) weet dat het onwaarschijnlijk lijkt, maar ‘…. Rusland is het land der wonderen!’. Hij besluit mijmerend met de naïeve gedachte dat Tolstoj wel eens de voorloper zou kunnen zijn ‘van een nog veel grooteren hervormer, die Rusland en de geheele wereld nader zal brengen tot de eenheid en den vrede’.
Doorheen zijn gehele academische carrière is Van Wijk de Russische literatuur op regelmatige basis aandacht blijven schenken. Niettemin genoot hij eerder de reputatie in dit domein een amateur te zijn dan wel een expert. Volgens zijn tijdgenoot Kuiper (1944: 162) miste hij de kwaliteiten die vereist zijn om letterkundige studies te maken. Zo kon zijn taal nonchalant zijn ‘tot aan het slordige toe’ en schoot hij ‘fijnheid van nuancering tekort’. Zijn manier van literatuurbeschouwing lag besloten in het zich inleven in de persoonlijkheid van de schrijver.[205] Tenminste in zijn vroegste essays geeft hij echter ook blijk van een visie op literatuur als reflectie van de werkelijkheid. Dit geldt bij uitstek voor het artikel ‘Over het Russische volkskarakter’, dat hij in 1907 liet verschijnen in De tijdspiegel, een letterkundig georiënteerd blad dat sinds zijn oprichting in 1844 een stevige reputatie genoot.
De aanleiding voor deze lijvige studie, de eerste waarin Van Wijk (1907: 155-7) Dostoevskij uitgebreid ter sprake bracht, werd gevormd door de opstanden die Rusland in 1905 geteisterd hadden en de repressie die hierop gevolgd was. De jonge academicus meent dat veel Nederlanders het Russische volk percipiëren als zodanig vreemd, dat ze het moeilijk hebben de Russische gebeurtenissen een plaats te geven. De verklaring voor deze vreemdheid zoekt hij in de ‘eigenaardigheid van den Russischen mensch’, die hij – naar eigen zeggen in navolging van de Russen zelf – aanduidt als ‘breede natuur’. Het opstel stelt zich tot doel deze brede natuur toe te lichten. Met het oog hierop gaat hij te rade bij grote Russische schrijvers, die hun volk kennen en nauwkeurig beschrijven. Drie namen worden genoemd: Tolstoj, Gor’kij en Dostoevskij. De laatstgenoemde, ‘een menschenkenner bij uitnemendheid’, wordt in zijn studie een centrale rol toebedeeld.
Belangrijk is de opmerking van Van Wijk (1907: 157-8) – die als lid van de intelligentsia allicht in deze met kennis van zaken sprak – dat deze schrijver ‘betrekkelijk weinig bekend [is] bij ons’. Hij meent dat velen die Gor’kij gelezen hebben ‘nog nooit een roman van Dostojewskij’ onder handen hebben genomen, of als ze het toch hebben gedaan, dan zullen ze ‘het niet verder hebben gebracht dan één boek’: Prestuplenie i nakazanie. Dit boek zou onvoldoende zijn om een beeld te krijgen van Dostoevskijs mensenkennis. Hij maakt de ‘Russische menschen, Russische toestanden’ namelijk inzichtelijk in andere werken, zoals in Besy en vooral in het breder opgezette, psychologisch superieure Brat’ja Karamazovy.
Bij de summiere behandeling van Besy trekt Van Wijk (1907: 158-9) een parallel met ideeën die door de auteur verdedigd worden in Dnevnik pisatelja: dat de Europese maatschappij onchristelijk is en dat het Russische volk de drager is van de ware christelijke geest. Deze beschouwingen maken duidelijk dat het Dostoevskij te doen is om ‘een grootsch nationaal ideaal’, meer bepaald om het geloof dat ‘eenmaal van den kant van God de genezing zal komen’. Dit spreekt het volgende verwijt tegen, dat gemaakt wordt door mensen die oppervlakkig met de auteur bekend zijn en hem daarom in de eerste plaats als realist zien:
[…] dat hij hoofdzakelijk zijn kracht zoekt in het beschrijven van gedegenereerde menschen, van misdadigers en zenuwlijders, een in het oog van velen nutteloos en afkeurenswaardig onderwerp.[206]
Brat’ja Karamazovy speelt in deze studie de hoofdrol. Toch gaat Van Wijk niet in op de intrige. Deze komt hem te ingewikkeld voor om te kunnen overbrengen op het publiek. Hij verzekert wel dat er bij ‘een genie als Dostojewskij’ geen grote onwaarschijnlijkheden voorkomen. Hij toont vooral interesse voor de hoofdpersonages en dit om hun documentaire waarde: ze zouden meer nog dan die van andere romans van Dostoevskij ‘de meest typische eigenaardigheden van den Russische volksaard’ vertonen. Aan deze volksaard is een nationale kwaal verbonden, namelijk het wanhopige scepticisme. Ter illustratie haalt Van Wijk een passage aan uit Dnevnik pisatelja, waaruit moet blijken dat ‘menige Rus’ zich geheel overgeeft aan ‘liefde, wijn, débauche, eigenliefde, afgunst’, ook wanneer dit ten koste zou gaan van ‘gezin, levensgewoonten, God’. Hier tegenover staat een positieve zijde van de volksaard: de Rus wordt uiteindelijk gered door een innerlijke tegenbeweging, die ‘altijd krachtiger is dan de voorafgaande impulsie, die den mensch drijft tot verloochening en zelf-vernietiging’. Dit laatste wordt vaag in verband gebracht met de bewering van Dostoevskij dat de Russen de allerfundamenteelste behoefte hebben om te lijden.
Van Wijk (1907: 163-70) herkent de extreme natuur van de Rus in het personage Dmitrij Karamazov. Enerzijds kent die de onweerstaanbare begeerte om ‘toe te geven aan elke dwaze, verderfelijke gedachte’. Anderzijds wordt dit gevolgd door ‘het diepste berouw’. Ter illustratie hiervan citeert de filoloog een passage, zelf vertaald uit het Russisch, waarin Dmitrij vervuld van spijt aan Alëša vertelt over de vernedering die hij Katerina Ivanovna aandeed. Op een Nederlander zou deze Rus de indruk maken ‘van een gewetenloozen losbol’. Sterker nog, voor velen zou het feit dat Dmitrij het geld van zijn meisje verbraste, nota bene met ‘een liederlijke vrouw’, volstaan om ‘zoo’n man voor eeuwig te minachten’. Welnu, volgens Van Wijk zijn er heel wat Russen die op dit personage lijken, althans wat hun uiterlijke leven betreft. Getuige hierover de dronkemansfeesten, van de rijke koopmanszonen van Moskou. Een ander voorbeeld – realiteit en fictie worden nevengeschikt – is Pierre Bezuchov uit Tolstojs Vojna i mir (Oorlog en vrede), die voor zijn vermaak een politieagent vastgebonden op een beer in een rivier wierp. Ondanks gebreken als losbandigheid en onzedelijkheid maken Russen een sympathieke indruk. Om dit te verklaren, verwijst Van Wijk naar een vergelijking die Dostoevskij in zijn Dnevnik pisatelja maakt tussen de Russische en de Duitse dronkaard. De eerste zou walgelijker zijn, maar de tweede dommer en belachelijker. De reden is dat het Duitse volk bij uitstek zelfgenoegzaam en zelfingenomen is. Deze eigenschappen zouden bij het Russische volk ontbreken, zoals een passage illustreert waarin Dmitrij zichzelf een worm noemt. Opmerkelijk genoeg neemt Van Wijk deze analyse voor zoete koek aan, steunend op ‘de autoriteit van een scherp waarnemer en een ervaren psycholoog als Dostojewskij’.
De typisch Russische kwaal dat men niet weet wat aan te vangen met zijn leven brengt sommigen, zoals Dmitrij, tot losbandigheid, terwijl anderen de weg opgaan van het teveel nadenken, wat tot scepticisme leidt. Volgens Van Wijk (1907: 170-9), die hierin Dostoevskij volgt, is de Europese geest verantwoordelijk voor dit Russische scepticisme. Immers, Rusland is ‘nog niet rijp voor onze West-Europesche toestanden en ideeën’. Sinds Peter de Grote getracht heeft Rusland Europeser te maken bestaan er dezelfde misbruiken en wantoestanden als in het Westen, alleen ‘op veel grooter schaal’. Hiervan getuigen de Russische revolutionairen, zoals ze meesterlijk beschreven worden in Besy. Een echte scepticus is ook Ivan Karamazov. Hij is verstandig, maar door zijn brede Russische natuur is de invloed van West-Europa verderfelijk gebleken. Hij is namelijk van mening dat naastenliefde en deugd niet kunnen bestaan zonder een geloof in de onsterfelijkheid. Zijn ‘brochure’ Legenda o velikom inkvizitore (De legende over de groot-inquisiteur), die de mogelijkheid van de liefde van Christus op aarde in vraag stelt, vormt het culminatiepunt van zijn denken. Volgens Van Wijk bedoelt Dostoevskij dit poëem niet in de eerste plaats als kritiek van hemzelf of van Ivan op het katholicisme, maar wel als illustratie van de gedachtegang ‘van den ontwikkelden Rus, die peinst en tobt over de tegenstelling tusschen ideaal en werkelijkheid’. Ivan wordt getormenteerd door zijn eigen denkbeelden. Op het einde van het boek is hij doodziek. Of hij in het ongeschreven vervolg al dan niet gelouterd zou worden onder invloed van Alëša, is een onbeantwoordbare vraag. Volgens Van Wijk veranderen de meeste Russen niet fundamenteel met het ouder worden. Een eerste categorie berust erin ‘dat de mensch nu eenmaal te laag staat om een waardig Godskind te zijn’. Een tweede categorie komt tot ‘de treurige consequentie […] dat “alles geoorloofd” is’. Inzicht in Ivan Karamazov kan een beter begrip opleveren van de raadselachtige gebeurtenissen in Rusland, meer bepaald van de revolutionaire beweging. Deze heeft geen grote kans van slagen, omdat de aanhangers geen gemeenschappelijk ideaal hebben. Van Wijk suggereert dat ze bestaan uit oppervlakkige en ernstige Russische denkers, die allen lijden onder tegenstrijdigheden en na hun jeugd ten prooi vallen aan een apathische, fatalistische levenshouding. Symbool van deze houding is het woord ‘nitsjewo’.[207] De germanist is ervan overtuigd ‘dat die ‘nitsjewo’-zeggers in ‘t algemeen meer ons medelijden verdienen dan onze minachting’.[208]
Dmitrij en Ivan Karamazov zijn, respectievelijk met hun zinnelijke en intellectuele buitensporigheden, typische Russen. De meesten gaan echter niet tot zulke uitersten. Bovendien wijst Van Wijk (1907: 180, 294-300) op het bestaan van een geheel andere manifestatie van de ‘breede natuur’, die vertegenwoordigd wordt door Alëša. In de bespreking van de jongste Karamazov staat de gedachte centraal dat wij van hem een onvolledig beeld hebben, aangezien hij een centrale rol zou spelen in het tweede deel van Brat’ja Karamazovy, dat echter nooit geschreven is. Hij heeft een braaf, edel karakter, maar is geen fanaticus of mysticus. Hij heeft een onbegrensd vertrouwen in de mensen, zonder echter naïef te zijn. Hij zoekt naar de waarheid en schrikt evenmin als zijn broers terug voor eventuele consequenties. Hij gaat het klooster in om zijn ziel los te maken ‘van de boosheid der wereld’. Op aanraden van zijn overste, starec Zosima, verlaat hij het klooster ‘om in de wereld werkzaam te zijn’. Hij is verward door het ontbinden van diens lijk, maar zijn geloof in God is hierdoor niet geschokt. Zijn handelingen in deel één van de roman zijn beperkt. Wel is er niemand die ‘zooals hij het lijden van een ieder tot het zijne maakt’. Zijn omgang met het gezin van ex-kapitein Snegirëv en met de schooljongens doet veel goeds verwachten van zijn latere optreden in de maatschappij. Van Wijk is ervan overtuigd dat zijn handelen in overeenstemming zal zijn ‘met de onvervalscht-Christelijke ideeën van zijn leermeester’.[209]
Van Wijk (1907: 300-7) schenkt starec Zosima bijzondere aandacht, omdat hij hem beschouwt als de personificatie van de ware Christelijk-Russische geest. Die heeft niets te maken met de dogma’s van de Orthodoxe kerk, maar wel met de manier waarop het lagere volk in Rusland – aangeduid met het romantische woord ‘moeziek’ – het christendom beleeft. Dit volk is zeer vroom, in tegenstelling tot de spottende intelligentsia. De Nederlandse essayist laat blijken, misschien minder subtiel dan hij vermoedt, naar welk kamp zijn sympathie uitgaat:
Wij zullen hier in het midden laten, of werkelijk de religieuse ideeën van het inderdaad zeer onontwikkelde en onwetende Russische volk zooveel lager staan dan de meer verlichte denkbeelden van menigen intellectueel – trouwens die denkbeelden wisselen vaak met den dag. (Van Wijk 1907: 300)
Het Russische volk mag dan slecht bekend zijn met het evangelie en de grondstellingen van het geloof; het draagt Christus ‘in zijn hart, van oudsher’. Van Wijk (1907) gaat zelfs zover om te suggereren dat Christus misschien wel ‘het eenige voorwerp van liefde van het Russische volk’ is. Deze liefde zou zich vertalen in lijden. De Nederlander verzekert zijn lezers dat het geloof van de modale Rus onaangetast is, op enkele uitzonderingen in Petersburg en andere industriecentra na. De Russen die gebroken hebben met de geloofstradities vormen een minderheid die ‘geheel verdwijnt, als men ze vergelijkt met het ‘rechtgelovige’ gros van de bevolking’. Over de grondslagen van deze religieuze standvastigheid geeft Van Wijk weinig toelichting. Hij wijst slechts op de invloed die uitgaat van mensen zoals Zosima. In dit verband beschrijft hij het fenomeen van de ‘heilige monniken’, die door Russen gretig geconsulteerd worden omdat ze doordringen ‘in de ziel van een mensch en die beheerschen’. Het Russische klooster en het Russische volk worden beschreven als twee handen op één buik. Tot slot van zijn bespreking van Zosima vergelijkt Van Wijk hem met Tolstoj. Ook hij heeft ‘de afgoden van de menschenwereld’ ingeruild voor een christelijke zoektocht naar algemeen geluk. De Russische intellectuelen die voor de Russische schrijver medelijden in plaats van bewondering voelen zijn vervreemd van hun eigen volk, weet Van Wijk. Door Tolstoj te bespotten, protesteren ze eigenlijk ‘tegen veel, wat tot het heiligste geloof van de orthodoxe Russische natie behoort’. De Tolstojaanse ideeën zijn namelijk echt Russisch. Als zodanig zijn ze terug te vinden bij de drie broers Karamazov. Bij Dmitrij stond hier echter ‘het ideaal van Sodom’ tegenover, en bij Ivan ‘de demon van cynischen twijfel’. Alëša daarentegen bezit de ‘echten, onvervalschten Christelijke zin’, waarvan Dostoevskij beweert dat die eens Rusland zal redden.
Bij wijze van conclusie denkt Van Wijk (1907: 307-10) hardop na over de vraag of de voorspelde redding inderdaad mogelijk is. Enerzijds geeft hij toe dat het weinig waarschijnlijk lijkt, gezien de onlusten en de repressie van kort daarvoren. Anderzijds benadrukt hij dat noch de revolutionairen, noch de regering vertegenwoordigers van ‘den volksgeest’ zijn. Daarentegen zijn er idealisten, zoals Tolstoj, die in overeenstemming met het volksgeloof geloven in de mogelijkheid van een godsrijk op aarde in de geest van Christus. Van Wijk is dan ook geneigd tot optimisme: zelfs al flirt ‘den moezjiek’ af en toe met ‘ultra-moderne’ gedachten, zijn religieuze grondslag heeft het laatste woord bij het oplossen van grote vraagstukken. Het Tolstojaanse gedachtegoed toont aan dat er in Rusland een ‘religieus-economische richting’ bestaat die niet uit West-Europa afkomstig is, maar wel uit het Russische volk zelf: ‘het onvervalschte christendom’. Het laatste woord wordt gegeven aan Gogol’, die in Mërtvye duši (Dode zielen) de vraag stelt: ‘Waarheen ijlt gij dan voort, Rusland?’
De studie van Van Wijk manifesteert zich bij analyse als de eerste Nederlandse Dostoevskij-studie die volledig vrij is van De Vogüés stempel. Dit kan verklaren waarom het ook de eerste is waarin Brat’ja Karamazovy, dat de burggraaf links had laten liggen omdat hij het een mislukte roman vond, de volle aandacht krijgt. Niet de intrige, de compositie of de stijl interesseren echter de neerlandicus. Het is hem slechts te doen om het thema, meer bepaald om Dostoevskijs ideeën over de Russische identiteit. Deze heeft hij goed begrepen. Enigszins verbazend is het, dat hij het nationaliteitsdenken van de Rus volledig onderschrijft. Zijn visie op het Russische volk is statisch en essentialistisch. Statisch in de zin dat de aard ervan volgens hem niet veranderd kan worden, al zeker niet door toedoen van bovenaf – bijvoorbeeld door Peter de Grote – of van buitenaf – bijvoorbeeld door import van Europese ideeën. Essentialistisch in de zin dat de essentie van de volksaard besloten zou liggen in de lijdzame liefde voor Jezus Christus.
Met zijn nationalistisch discours komt Van Wijk dicht in de buurt van het romantische receptiemotief, zoals Segers (1885) dit ruim twee decennia eerder had voorgestaan. Waar de Vlaamse leraar het nationaliteitsdenken had gepraktiseerd om de superioriteit van zijn eigen volk te poneren, was de betrachting van de Nederlander echter minder zelfingenomen: hij trachtte het Nederlandse lezerspubliek gerust te stellen na de verontrustende onlusten en repressie van 1905. De christelijke grondslagen van het Russische volk zouden de hoop rechtvaardigen dat de situatie niet al te zeer zou ontsporen. Tussen de lijnen klonk bovendien de boodschap door dat iets dergelijks niet in Nederland zou kunnen gebeuren, aangezien de onlusten een uiting waren van de brede Russische natuur.
Opmerkelijk is het dat Van Wijk, die toch een menswetenschappelijke vorming op zak had, de onveranderlijke, mysterieuze Russische volksaard als verklaring zag voor de gebeurtenissen in Rusland. Dit maakte een analyse van de maatschappelijke voorgeschiedenis, waarin de laattijdig afgeschafte lijfeigenschap een belangrijke rol speelde, volstrekt overbodig. Het spreekt voor zich dat uiteindelijk weinig of niets verklaard wordt, aangezien alles wordt afgeschoven op de zogezegd mysterieuze en dus onverklaarbare volksaard. Ook eigenaardig is de vlotheid waarmee Van Wijk zich in zijn essay schuldig maakt aan een cirkelredenering. Hij illustreert de juistheid van de overtuiging die Dostoevskij heeft weergegeven in Brat’ja Karamazovy aan de hand van de hoofdpersonages van deze roman. Hij neemt met andere woorden voor zoete koek aan dat ze hun volk vertegenwoordigen. De lezer die hetzelfde doet wordt hiervoor beloond met de geruststellende hoop dat het diep-christelijke Russische volk niet de weg zal kiezen van de door Europees gedachtegoed geperverteerde intelligentsia.
In september 1907, ruim een halfjaar na de publicatie van zijn Dostoevskij-studie, maakte Van Wijk een tweede reis naar Rusland. Tijdens zijn verblijf in Moskou en Sint-Petersburg vielen hem de enorme veranderingen op die Rusland in de verstreken vier jaren ondergaan had. Hij zag in dat ‘de ideeën en opvattingen van de menschen […] nog veel onrustbarender geworden [waren] dan vroeger’.[210] Zo was de keizerliefde verdwenen en werd nu op grote schaal Marx gelezen.[211] Het optimisme van Van Wijk maakte plaats voor gematigd pessimisme; hij geloofde niet langer in het geruststellende beeld dat hijzelf van de Russische maatschappelijke verhoudingen had opgehangen. Opmerkelijk is dat de correctie die hij hierop aanbracht in een nieuw artikel in De Gids, getiteld ‘Russische indrukken’, opnieuw stoelde op Dostoevskijs autoriteit. Ditmaal moest de Russische schrijver – opnieuw geapprecieerd om zijn documentaire eerder dan esthetische waarde – aantonen dat het mysterieuze Rusland ontsnapt aan iedere analyse of voorspelling:
In de romans van Dostojewskij valt ons telkens een eigenaardige uitdrukking op, die bij allerlei ontknoopingen door den schrijver wordt te pas gebracht […]: ‘En toen gebeurde er iets heel onverwachts’. Zoo gaat het ook in de groote Russische samenleving. Er zijn krachten aan het werk van de meest uiteenloopende hoedanigheden: het is niet na te gaan, hoe deze op elkaar invloed uitoefenen, elkaar helpen of tegenwerken; maar die krachten zijn er en streven naar een onbekend doel. […] als dan maar die geheimzinnige kracht, die door de geniaalste kenners van het volk is waargenomen, sluimerende in de harten van de ‘moezjieks’, in staat is, Rusland ‘dat woord te doen spreken’, waarop geslachten van edele patriotten reeds lange jaren gewacht hebben! Want anders! Laat ons er niet aan denken, wat er anders gebeuren kan! (Van Wijk 1908: 501-2)
kropotkin: humanisme met literaire gebreken
Na Van Wijk was Pëtr Kropotkin (1842-1921) de volgende in rij om een bijdrage te leveren aan de Nederlandse Dostoevskij-literatuur. Sinds 1876 leefde de als edelman geboren geograaf, historicus, literator en vooral theoreticus van het anarchisme noodgedwongen in ballingschap. Na een tocht langs Groot-Brittanië, Zwitserland en België had hij in 1881 een toevluchtsoord gevonden in Parijs. Van hieruit was hij blijven fulmineren tegen het tsarisme en de moderne staat, tot hij werd gearresteerd en gevangengezet. Om gezondheidsredenen en na lange protesten van linkse parlementariërs was hij in 1886 vervroegd vrijgelaten, waarna hij prompt emigreerde naar Groot-Brittanië. Hier schreef hij in 1905 Idealy i dejstvitel’nost’ v russkoj literature, waarin Dostoevskij een bescheiden plaats inneemt. Amper twee jaar later verscheen van deze literatuurgeschiedenis in Amsterdam en Gent een Nederlandse vertaling, tot stand gekomen via het Engels, onder de titel Idealen en werkelijkheid in de Russische literatuur. De vertaalster was Fanny Martens, die met Kropotkin bevriend was.[212] Zij was de echtgenote van Julius Mac Leod, die in Gent werkte als hoogleraar natuurkunde en zich opwierp als een van de voormannen van de Vlaamse zaak.[213] De uitgevers waren voor Nederland S.L. van Looy, die op het einde van de negentiende eeuw een reeks boekjes van Tolstoj had gepubliceerd, en voor Vlaanderen Adolf Herckenrath, die gedichten schreef en een boekenwinkel openhield.
Dostoevskij is slechts één van de vele schrijvende landgenoten die Kropotkin (1907) bespreekt. Tezamen met Nekrasov en Gončarov is hij ondergebracht in een apart hoofdstuk. De inleiding hiervan bestaat uit een weloverdachte selectie van levensbijzonderheden. Nadat hij de beroemde anekdote verteld heeft over de ontdekking van Bednye ljudi door Nekrasov, Grigorovič en Belinskij, richt Kropotkin (1907: 211-2) zijn blik onverwijld op de socialistische activiteiten van de jonge schrijver. Hij staat hier in proportie bijzonder lang bij stil. Bovendien wordt het revolutionaire aandeel van Dostoevskij opvallend dik in de verf gezet: hij las een brief voor van Belinskij waarin ‘de groote criticus in vrije scherpe woorden over Kerk en Staat sprak’, schreef deze brief ook uit en nam bovendien deel aan een bijeenkomst waarop de oprichting van ‘eene geheime drukkerij’ werd besproken. Dostoevskij werd ter dood veroordeeld, waarna dit vonnis werd omgezet in Siberische dwangarbeid. Onjuist is de bewering van Kropotkin (1907: 212) dat Dostoevskij zijn epilepsie had overgehouden aan een vreselijke geseling. In een poging om het tsarisme als zo noodlottig mogelijk af te beelden, verklaart de anarchist stellig dat de kroning van Alexander II geen verbetering bracht in het lot van de schrijver: hij kreeg immers pas vier jaar later genade en toestemming om naar Rusland terug te keren. Over de post-Siberische periode, waarin Dostoevskij zich ontpopte tot advocaat van de tsaar en bestrijder van het nihilisme, wordt dan weer geen enkele inlichting meegedeeld – behoudens dan zijn overlijden, dat trouwens verkeerdelijk gesitueerd wordt in 1883.[214]
Nadat hij zijn lezers – in het achterhoofd moet gehouden worden dat de Nederlanders niet in het bijzonder geviseerd werden – een selectieve inkijk heeft verschaft in Dostoevskijs leven, geeft Kropotkin (1907: 212-3) een chronologisch overzicht van zijn belangrijkste werken. Negen titels worden daarbij genoemd, waarvan er enkele vluchtig geëvalueerd worden. Hiervan zijn twee werken pre-Siberisch: Dvojnik is een voorbode van zijn ‘latere psycho-pathologische romans’ en Netočka Nezvanova getuigt over ‘een snel rijpend talent van den eerste rang’. Een diepe indruk op het publiek maakte Dostoevskij met de reeks romans die hij na zijn terugkeer uit Siberië begon uit te geven: Unižennye i oskorblënnye, Zapiski iz mërtvogo doma en vooral Prestuplenie i nakazanie. Potentieel verrassend voor de Nederlandse lezer was de opmerking dat Brat’ja Karamazovy algemeen beschouwd wordt als Dostoevskijs ‘best afgewerkte boek’. De omvangrijke werken Podrostok, Idiot en Besy zouden dan weer ‘eene reeks van kleinere romans’ vormen over ‘dezelfde psycho-pathologische vraagstukken’. Wellicht niet toevallig verzwijgt de anarchistische vorst dat de laatstgenoemde roman, die verder niet meer ter sprake komt, gericht is tegen de nihilistische beweging.
Vooraleer dieper in te gaan op respectievelijk Zapiski iz mërtvogo doma, Unižennye i oskorblënnye, Prestuplenie i nakazanie en Brat’ja Karamazovy velt Kropotkin (1907: 213) een onderbouwd oordeel over Dostoevskijs esthetica in het algemeen. Dit oordeel is zeer scherp. Tal van gebreken worden op een rijtje gezet: Dostoevskij schreef haastig en was niet bekommerd om de zorgvuldige afwerking, wat resulteerde in een literaire vorm ‘schier beneden de critiek’; zijn helden spreken een slordige taal en vallen in herhaling; de lezer herkent altijd de stem van de auteur in die van zijn helden; de intriges zijn qua opbouw romantisch en ouderwets; de gebeurtenissen hebben een ‘ordelooze samenstelling’ en een ‘onnatuurlijke volgorde’; in de latere romans van de auteur heerst een ‘sfeer van krankzinnigengestichten’. Tegenover deze waslijst ter bezwaring wordt één alles vergoelijkende sterkte geplaatst: de realistische ervaring die Dostoevskij teweegbrengt.
Zapiski iz mërtvogo doma is wat Kropotkin (1907: 214-5) betreft ‘de eenige van Dostojewskij’s scheppingen die als een waar kunstgewrocht kan worden beschouwd’ dankzij de harmonieuze verhouding tussen de prachtige grondgedachte en de vormelijke uitwerking. Bij het schrijven van zijn latere werken is de Rus daarentegen zodanig overweldigd door zijn eigen vage denkbeelden – deze worden niet nader gespecificeerd – dat hij de juiste vorm niet heeft kunnen vinden. In dit verband wijst de materialistische literatuurhistoricus op het genoegen dat Dostoevskij erin schept om vernederden uit te beelden. Deze vallen uiteen in twee groepen: enerzijds zeer menselijke en sympathieke personages en anderzijds mensen die hun eigen persoonlijkheid niet langer verdedigen. Deze laatsten, de veronderstelde lievelingshelden van Dostoevskij, zijn gedoemd om ten onder te gaan, al dan niet aan een soort van geestesziekte.
Waar Unižennye i oskorblënnye door het gros van de critici, De Vogüé voorop, werd verguisd, bewondert Kropotkin (1907: 215) deze roman. Niet eens om het alom geprezen personage Nelli, want zij komt niet eens ter sprake. Wel om de andere hoofdpersonages. De Russische vorst vindt Alëša ‘bekoorlijk in zijn kinderlijke egoïsme en aantrekkelijk door zijne oprechtheid’. De psychologie van dit lichtzinnige adellijke personage stelt hij op dezelfde hoogte als die van Nataša. Nog meer is hij echter onder de indruk van de uitbeelding van de verteller. Zijn ootmoedigheid is door Dostoevskij zo realistisch neergezet, dat de lezer vervuld wordt van medelijden. Toch ziet Kropotkin ook iets kwalijks in de eerste post-Siberische roman van Dostoevskij:
[…] het genoegen, dat de schrijver vindt in het afschilderen van de grenzelooze onderworpenheid en slaafschheid zijner helden, en het behagen dat zij zelf vinden in hun eigen lijden en in de mishandeling waaraan zij onderworpen zijn, [moeten] den weerzin van elken gezonden geest verwekken.
Van alle romans van Dostoevskij besteedt Kropotkin (1907: 215-8) het meeste aandacht aan Prestuplenie i nakazanie. Het algemeen plan wordt uit de doeken gedaan zonder superlatieven. Een reeks meer of minder toevallige ontwikkelingen brengen Raskol’nikov tot de moord. Dat de misdaad geen verbetering brengt in zijn lot was volgens de Russische criticus voorspelbaar. De arme student valt ten prooi aan wroeging, die verzwaard wordt door een nieuwe ‘reeks van omstandigheden’, onder invloed waarvan hij zich uiteindelijk gaat aangeven. Het is niet om de psychologie van het hoofdpersonage dat Kropotkin dit boek hoog stelt. In tegenstelling tot het gros van de westerse critici die zich in de twee voorgaande decennia over het boek hadden uitgesproken, oordeelt hij immers dat iemand als Raskol’nikov niet tot moorden in staat is, ook niet onder invloed van theoretische beschouwingen. Dostoevskij zou dit ook zo aangevoeld hebben. Het bewijs hiervoor is dat hij het kennelijk noodzakelijk achtte om ‘een overvloed van toevallige oorzaken’ op te hopen voor de misdaad. Ook personages als Porfirij Petrovič en Svidrigajlov zijn psychologisch ongeloofwaardig; het zijn ‘louter romantische verzinselen’. Wat Kropotkin dan wel enthousiast maakt over deze roman – hier spreekt de socialist – is ten eerste het realisme waarmee het leven in de Petersburgse achterbuurten beschreven wordt en ten tweede het opwekken van medelijden ‘zelfs voor de laagst gezonken bewoners’. Bijzondere appreciatie heeft hij voor de personages Marmeladov en zijn ‘buitengewoon sympathieke dochter’ Sonja. De bladzijden die hun lotgevallen beschrijven ‘behooren tot de indrukwekkendste en roerendste van welke letterkunde ook’ en ‘dragen den stempel van het genie’.
De gebreken van Dostoevskijs ‘geest en verbeelding’ komen volgens Kropotkin (1907: 218-9) het meest tot uiting in Brat’ja Karamazovy. De filosofie van dit boek ligt besloten in de drie denkbeelden die Ivan, Dmitrij en Alëša belichamen: respectievelijk ‘het ongeloovig West-Europa, het wild, hartstochtelijk, dronken, on-hervormd Rusland, en het Rusland dat door geloof en door monniken hervormd wordt’. De voorgrond van de roman wordt echter ingenomen door een verzameling van ‘weerzinwekkende menschentypen’, waaronder gekken, halfgekken, misdadigers, halve misdadigers en hersen- en zenuwzieken. Het geheel is, aldus de minachtende analyse van Kropotkin, geplaatst in ‘eene omlijsting […] die het vreemdste mengsel vormt van realisme en toomeloos romantisme’. Hij verzet zich tegen de stoet critici van zijn tijd die de loftrompet blazen over de roman, aangezien de compositie geforceerd aandoet en bovendien het doel dient ‘hier een brok zedeleer, daar een afschuwelijk karakter uit een psycho-pathologisch ziekenhuis voor te stellen, of wel om de gewaarwordingen van een louter denkbeeldigen misdadiger te ontleden’. De enkele goede bladzijden van de roman wegen wat de Russische emigrant betreft niet op tegen de moeite die vereist is om het geheel te doorworstelen.
Kropotkin (1907: 219-21) sluit zijn bespreking van Dostoevskij af met enkele algemene kritische beschouwingen. Als vertrekpunt dient het feit dat de schrijver wanneer hij in de jaren 1880 vertaald werd in het Frans, het Duits en het Engels begroet werd als een openbaring. In het bijzonder werd hij geprezen als tolk van ‘de mystieke Slavische ziel’. In scherpe tegenstelling tot Van Wijk (1907) tekent de Russische criticus bezwaar aan tegen dit soort uitdrukkingen, die hij holheid ten laste legt. Het feit dat Dostoevskij zijn landgenoten Turgenev in de schaduw stelde en Tolstoj deed vergeten – een analyse die niet geschreven was met het oog op de Nederlandse literatuur en er ook niet van toepassing op was – wordt afgedaan als ‘hysterische overdrevenheid’. De kunstwaarde van Dostoevskij staat immers lager dan die van de grote Russische meesters, omdat hij schippert tussen volmaakt realisme en fantasie die enkel ‘een verstokt romantieker’ waardig is. Ook zijn gejaagde schrijfstijl en gebrek aan revisie spelen in zijn nadeel. Het grootste tekort vindt Kropotkin echter dat Dostoevskijs helden allen zijn aangetast door een psychische ziekte of door ‘zedelijke verdorvenheid’. Ten gevolge daarvan is hij zwaar op de hand. De Rus geeft toe dat hijzelf Brat’ja Karamazovy slechts met de grootste moeite heeft weten uit te lezen, en simpelweg niet doorheen Idiot raakt. Hij eindigt niettemin met een positieve noot: de lezer vergeeft Dostoevskij alles, omdat zijn realistische beschrijvingen van misbedeelden in het algemeen en van ‘mishandelde en verwaarloosde kinderen van onze stadsbeschaving’ in het bijzonder getuigen van grote mensenliefde.
Van het Reve (2008e: 671) is de auteur van de beroemde uitspraak van dat men een club zou kunnen oprichten van mensen die niet van Dostoevskij houden, met Kropotkin als één van de ereleden. De bovenstaande bespreking staat toe om deze boutade te nuanceren. De Russische anarchist vond immers dat de humanistische kwaliteiten van Dostoevskij opwogen tegen zijn talrijke literaire tekortkomingen. Wel is zijn interpretatie, zoals ook die van menig aanbidder van de schrijver, sterk subjectief gekleurd. Als materialist had Kropotkin niet de minste affiniteit met de idealistische trekken in het oeuvre van Dostoevskij. Merkwaardig is dat hij zijn landgenoot niet expliciet verwierp om zijn politieke ideologie. Liever trachtte hij hem in de mate van het mogelijke te verzoenen met de socialistische zaak – als zodanig kan de publicatie van zijn stuk de toenadering tussen de Nederlandse arbeidersbeweging en Dostoevskij in de hand gewerkt hebben. Met het oog hierop repte hij met geen woord over Dostoevskijs christelijke inspiratie, benadrukte hij zijn revolutionair verleden en verzweeg hij zijn post-Siberische kruistocht tegen het nihilisme. Opmerkelijk is tot slot dat de personages uit het rijpe oeuvre van Dostoevskij – dewelke Van Wijk beschouwde als typisch Russisch – in de ogen van Kropotkin ergerlijke vertegenwoordigers waren van geestelijke en morele aandoeningen. Deze laatste interpretatie werd in de zomer van 1907 uitgewerkt door Querido, die er daarentegen de loftrompet over blies.
querido: de forensische psychologie
Israël Querido (1872-1932)[215] werd geboren in een Portugees-joodse familie als zoon van een diamantbewerker. Hij genoot onderwijs in een stedelijke privéschool tot de leeftijd van veertien jaar, waarop hij in de leer ging bij een horlogemaker. Na het oplopen van een oogletsel werkte hij enige tijd in de diamantindustrie. Rond negentienjarige leeftijd richtte hij een eigen juwelierszaak op, die echter spoedig failliet ging. Een positie als reporter bij De Amsterdammer bracht soelaas. Deze carrièrewending kwam niet uit de lucht vallen: al vroeg had hij zijn gebrekkige vorming gecompenseerd door op eigen houtje kennis te vergaren in verscheidene menswetenschappelijke domeinen. Literatuur droeg het hoofdaandeel van zijn interesse weg. In 1890 was hij begonnen aan een roman die onafgewerkt is gebleven. Drie jaar later debuteerde hij als dichter, geschoeid op de leest van Gorter. Het verhoopte succes bleef evenwel uit. Onder invloed van een discussieclub binnen de arbeidersbeweging ruilde hij de poëzie in voor de literaire kritiek. Een totale breuk betekende deze ruil niet, aangezien hij kritiek beschouwde als een lyrische kunstvorm. In 1897 sloot hij zich aan bij de SDAP, waarna hij betrokken werd bij de redactie van De jonge gids. Enkele jaren later trachtte Querido zich opnieuw op te werpen als schrijver, ditmaal met proza. Hoewel het naturalisme toen al uit de mode was, liet hij zich in zijn eerste twee romans inspireren door Zola. Hierop volgden twee autobiografische romans. Tijdens het eerste decennium van de twintigste eeuw verschenen romanfragmenten en essays van zijn hand in verscheidene tijdschriften, waaronder De Gids, Nederland en Groot Nederland. Het laatstgenoemde ‘letterkundig maandschrift voor den Nederlandschen stam’ bracht in 1908 zijn studie ‘Misdadigers en misdaad in den modernen roman’ uit, waarin Dostoevskij een prominente rol speelt.
Deze omvangrijke studie gaat uit van de persoonlijke belangstelling die Querido (1908b: 563) naar eigen zeggen gedurende meerdere jaren had gekoesterd voor misdaad, misdadigers, criminele antropologie en criminele psychiatrie. De studie is onderverdeeld in vijf hoofdstukken. Het eerste bevat kritische beschouwingen over de eigentijdse wetenschappelijke kennis over criminelen. Daarbij valt het strikte onderscheid op dat de Nederlandse autodidact hanteert tussen misdadigers en normale mensen. Het tweede hoofdstuk is gewijd aan twee schrijvers bij wie de criminele psychiatrie een belangrijke rol speelt: Dostoevskij en Zola. Als naturalist was Querido vooral een bewonderaar van de laatstgenoemde, maar voor wat betreft het uitbeelden van geesteszieke criminelen erkent hij de autoriteit van de Rus. In zijn betoog, dat bijzonder warrig en ongestructureerd is, komen slechts twee werken van Dostoevskij expliciet ter sprake: Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie. De naam van het hoofdpersonage van de laatstgenoemde roman wordt weergegeven in Franse spelling, als ‘Raskolnikoff’. Naar de eerstgenoemde titel wordt steevast verwezen met Doodenhuis, een vertaling van de titel La maison des morts. Dat Querido zijn artikel schreef onder invloed van Franstalige bronnen kan ook opgemaakt worden uit zijn referenties aan Anatole France en prof. Lambroso. Hij heeft van deze auteurs echter geen hoge pet op: de eerstgenoemde was ‘zonder gevoelsdiepte en enerverend leeg’, de tweede verspreidde over Dostoevskij ‘oppervlakkige praatjes’ in L’homme de génie.[216]
Volgens Querido (1908b: 574-6), die hierin een gedachte die al door De Vogüé (1885) was opgeworpen verder ontwikkelt, heeft Dostoevskij tijdens zijn verblijf in het Siberische strafkamp een bijzonder inzicht gekregen in de misdadigers die hem omringden. Als zodanig heeft hij zeer diep ‘de mystieke en verborgen neigingen der menschen gepeild’. De Russische schrijver is voor de Nederlandse autodidact van groot belang als episch psycholoog om de combinatie van enerzijds naturalistisch kunstenaarschap en anderzijds zijn verbeeldingsdichtkunst. Naast hem is er ‘niemand onder de Russische schrijvers, die zoo volkomen zuiver en scherp en analytisch waarnam […] en tegelijk zoo scheppend indrong in de mystiek der menselijke hartstochten en begeerten’. Ook het vervolg van dit essay staat bol van zulke geëxalteerde evaluaties. Zo zou de Rus beschikken over ‘de hersenen van een ontdekker, een theoreticus, een groot, wetenschappelijk vorscher en daarnaast in de zuiverste evenredigheid een verfijning in artistiek gevoel, een teederheid van ziel en geestelijke intuïtie’.
In (pseudo-)poëtische bewoordingen beschrijft Querido (1908b: 576-84) hoe Dostoevskij in Siberië ‘de levenssmart gevoeld’ heeft ‘met een god’lijke zieners-ontroering’. Zijn aanraking met ‘de bijzondere mystiek van het misdadigersleven’ bracht hem op de idee om binnen te dringen ‘in het binnenste, verborgenste dezer sombere zielen’. Naar het aanvoelen van de Nederlandse literator, die probleemloos van non-fictie op fictie overstapt, is Dostoevskij hierin enkel geslaagd in het geval van Raskol’nikov. Nergens wordt dit personage in verband gebracht met de polemiek die Dostoevskij aanging met het nihilisme; het is simpelweg een ‘psychopaat’ en een ‘zonderling-simulerend ziels-zieke’, die beheerst wordt door een ‘dwangidee’. Zonder een eventuele tegenstelling gewaar te worden, deelt Querido mee dat Raskol’nikov na het plegen van de moord ten prooi valt aan ‘berouw, wroeging en pijngefolter’ van een ‘ontzettende tragiek’. In hem woedt een conflict tussen zijn ‘edel, hoog-menschelijk gevoel en zijn kranke obsessies’.
Hoewel Querido (1908b: 577-84) amper scholing had genoten, jongleert hij graag met termen uit de psychopathologie. Opmerkelijk is ook dat hij meent genoeg kennis van zaken te hebben om Dostoevskij als psychopathologisch specialist hoger te plaatsen dan degenen die deze discipline beroepshalve beoefenen:
Een der groote dingen van Dostoiewsky is nu, dat hij, zonder eenig gerangschikt wetenschappelijk materiaal de duizenderlei doorééngroeiings- en ontwikkelings-vormen van de psychose heeft gediagnostiseerd [sic] en doorgrond, en in clinischen zin ook de abnormale breinwerkingen van zulk een patient heeft gepeild, zooals een gansche school knappe psychiaters het niet vermag te doen. Stel u voor lezers… maar een romanschrijver! Doch een geweldige verbeeldingsdichter, een prachtig waarnemer, een geboren clinicus en physiognoom. De criminologie heeft hij mijlen vooruitgeloopen, maar bovendien ging hij nog veel dieper dan de anthropologische empiristen uit de Lambroso-school […].
Het verschil tussen een psychiater en Dostoevskij ligt er wat Querido betreft in besloten dat bij de eerstgenoemde alles ‘cerebraal werk is’, ‘van geest en observatie uitgaand’, terwijl de schrijver niet gewoon heeft geobserveerd, maar ook doorleefd. Wie zijn werken leest, komt tot de slotsom dat Dostoevskij ‘een sombergroot maar medelijdend mensch’ moet zijn geweest.
Pas op het einde van zijn bespreking van Dostoevskij komt Querido (1908b: 584) in de buurt van literaire kritiek. De evaluatie van zijn schrijverschap is gevoelig genuanceerder dan dat van zijn psychopathologische inzichten. Hij zou als epicus niet groot zijn, omdat hij ‘den grooten levenszwaar van bewogene rythmiek en breede volzin-golving’ mist, maar toch ‘beduidend relief’ hebben, dankzij zijn concentratievermogen en compositiegaven. Wat betreft zijn ‘vermogen om waarneming, zuivere cerebrale koelheid, lyriek, objectieve epiek en mensenlijk gevoel, in één vorm van groote, aangrijpende psychologie’ plaatst Querido Dostoevskij dan weer op gelijke hoogte met Shakespeare.
Volgens de historicus Van Faassen (2008) ging de kennis die Querido op eigen houtje verwierf over de meest uiteenlopende onderwerpen ‘niet zeer diep’ en spreidde hij zijn ‘niet altijd even goed verwerkte belezenheid en eruditie […] blufferig ten toon’. Elementen om deze scherpe analyse te maken kunnen ook teruggevonden worden in zijn uitspraken over Dostoevskij in ‘Misdadigers en misdaad in den modernen roman’: veel van de hierin verkondigde ideeën zijn betwistbaar en bovendien vaag en nuanceloos geformuleerd. Dit sluit echter niet uit dat Querido de verdienste toekomt met zijn studie als een van de eersten de soms onzedelijke psychopathologische interesse van Dostoevskij onder de aandacht van het Nederlandse publiek gebracht te hebben. Zoals Romein (1924: 143) opmerkt, had de stichtelijke beschouwing – waarvoor De Vogüé de aanzet had gegeven – voor deze dimensie in het werk van de Rus amper belangstelling aan de dag gelegd.
brandes: dostoevskij als psychopaat
Over de toename van de Nederlandse belangstelling voor de psychopathologische dimensie in het oeuvre van Dostoevskij in de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, getuigen naast de studie van Querido nog enkele andere publicaties.
Een eerste voorbeeld is de studie De Russische vrouwenziel van de schrijfster, critica en pedagoge Ellen Key, waarvan in 1908 een anonieme vertaling ‘naar het Zweeds’ verscheen in de rubriek ‘Voor dames’ van De Amsterdammer.[217] Volgens de analyse van de auteur zijn Dostoevskijs vrouwelijke personages ‘niet de dragers van de gezondheid’, maar wel ‘de lijdensgenooten van den man’.
Een tweede, belangrijker voorbeeld is de eerder in detail besproken studie in het Duits van de Deense criticus Georg Brandes (1889). Een vertaling van dit artikel verscheen in 1910 in Vragen van den dag, het vulgariserende maandschrift dat in 1887 de tweede Dostoevskij-studie van Ten Brink (1888) had geplaatst. Deze vertaling is de eerste Nederlandse tekst waarin Dostoevskij conform De Vogüé expliciet bestempeld wordt als een ‘echte Scyth’. Ondanks de schatplicht aan de burggraaf was de vertaalde studie van Brandes (1910) in veel opzichten origineel en innovatief. De Nederlandse lezers konden nu kennis maken met een donkerder beeld van de schrijver dan ooit daarvoor in het Nederlandse taalgebied van hem was opgehangen: niet slechts dat van een door gekken en misdadigers geobsedeerd man, maar dat van een verkondiger van de slavenmoraal die zijn psychologische kracht uit zijn eigen ziekelijkheid put.[218] Interessant is de vaststelling dat de anonieme vertaler de bij Brandes aanwezige gedachte dat Dostoevskij zelf seksueel geperverteerd was nog versterkt heeft, door tendentieus te vertalen.[219]
De groeiende psychopathologische interpretatie van Dostoevskij blijkt ten derde uit de uitspraken van Constant van Wessen (1912: 7), die naar eigen zeggen onder de invloed van Enrico Ferri[220] stond. In een stuk in De Amsterdammer verdedigde hij de aanvechtbare stelling dat Prestuplenie i nakazanie niet anders begrepen moet worden dan als ‘een pleidooi voor den zielszieken misdadiger’.
Het volgende en laatste voorbeeld betreft opnieuw Querido, die als eerste Nederlander had gehamerd op de criminele psychologie in het oeuvre van Dostoevskij en hiervan in de erop volgende jaren zijn stokpaardje maakte. Zo viel hij literator Herman Robbers, die uit zou groeien tot ‘de leidende figuur der realistische middenperiode onzer literatuur’,[221] aan om een lovende recensie van Drabbe’s De onzichtbare leider[222] in Elsevier. Querido was van oordeel dat Drabbe geen kaas had gegeten van criminele psychologie, en dat Robbers hem daarom had moeten bekritiseren. Dat dit niet was gebeurd, betekende volgens hem ‘dat Robbers er bar is ingelopen, dat hij een ernstige vergissing maakte en dat hij of Dostojewsky niet kent of van crimineele psychologie nimmer studie maakte’.[223] Robbers (1912: 487) voerde ter verdediging aan dat hij wel ‘eenige boeken’ van Dostoevskij kende,[224] maar dat hij het niet nodig achtte om criminologische kennis te hebben om een boek te recenseren dat per slot van rekening geschreven was voor gewone lezers, en niet voor een handvol specialisten in dat domein.
stokvis: de eerste loftrompet over brat’ja karamazovy
Zadok Stokvis, die eerder aan bod kwam als vertaler, was de derde Nederlander met kennis van de Russische taal die in deze periode een uitgebreide studie over Dostoevskij maakte. In tegenstelling tot Van der Meij (1889), die het hoofdzakelijk te doen was om het stichtelijke leven van Dostoevskij, en Van Wijk (1907), die vooral zijn analyse van de Russische volksaard nodig had, stelde Stokvis belang in zijn puur letterkundige verdiensten. Als zodanig is hij een Einzelgänger in het Nederlandse taalgebied van voor de Eerste Wereldoorlog. In 1909 verscheen zijn Inleiding tot de Russische literatuurgeschiedenis, ter afsluiting van de door hem bezielde serie Bibliotheek van Russische literatuur. De oorspronkelijke uitgeverij van deze serie was de liquiderende firma Maas & Suchtelen. Haar rol werd overgenomen door de Maatschappij die de ‘Wereld-Bibliotheek’ uitgaf, wat een ruime verspreiding waarborgde van de tot deze serie behorende titels, waaronder vertalingen door Stokvis van Gogol’, Turgenev en Čechov.[225] Het vierde hoofdstuk van Inleiding tot de Russische literatuurgeschiedenis, een van Nederlands eerste geschiedenissen van de moderne Russische letteren, is gewijd aan Dostoevskij.
Stokvis (1909) geeft geen bronnen op voor zijn Dostoevskij-hoofdstuk, behalve dan diens verzameld werk in het algemeen en Dnevnik pisatelja in het bijzonder.[226] Het enige secundaire werk waaraan hij refereert, in een voetnoot, is de Duitse studie Das Buch vom grossen Zorn ‘van den modernen criticus’ Volynskij – dit in verband met de reproductie van een geschilderd portret van de Rus. Het lijkt erop dat de Ruslandliefhebber min of meer zelfstandig tot de beschouwingen is gekomen die zijn ‘Dostojefskie’ uitmaken. Toch valt het niet uit te sluiten dat hij rechtstreekse of onrechtstreekse invloed ondervonden heeft van De Vogüé. Verscheidene punten van overeenkomst vallen immers op. De eerste gelijkenis betreft de organisatie van het tekstmateriaal: net als de burggraaf beschrijft Stokvis chronologisch het leven van Dostoevskij, daarbij te gepasten tijde de levensbeschouwingen onderbrekend om literaire kritiek te bedrijven. Opnieuw wordt het uiterlijk van Dostoevskij beschreven in een poëtische stijl en opnieuw krijgt de lezer de anekdote voorgeschoteld over de ontdekking van diens talent door Grigorovič, Nekrasov en Belinskij. De beschrijving van de impressionante begrafenisstoet vormt, zoals ook in Le roman russe, het slot van deze studie. Een tweede punt van overeenkomst betreft de evaluatie van Bednye ljudi, Zapiski iz mërtvogo doma en Prestuplenie i nakazanie. In het bijzonder over deze drie werken, toevallig of niet ook de lievelingswerken van De Vogüé, is Stokvis enthousiast. De eerstgenoemde titel wordt gerekend tot ‘misschien’ wel het mooiste wat Dostoevskij ooit geschreven heeft, het tweede werk is het ‘best gecomponeerde’ van zijn hand en de laatstgenoemde roman is ‘psychologisch juist’ en het ‘best gecomponeerd van zijn grootere werken’. Ook de ‘fouten’ in Dostoevskijs rijpere oeuvre roepen reminiscenties op aan de Franse criticus: Stokvis heeft het over ‘slordigheid van plan, omslachtigheid en zelfherhaling’. Ten derde kunnen overeenkomsten gevonden worden op microtekstueel niveau. Zo verwijst Stokvis naar het gevleugelde woord van Tjutčev, dat dankzij De Vogüé een weide verspreiding genoot, dat Rusland op een verstandelijke manier niet te begrijpen is. Bovendien heeft hij het over de roman ‘De bezetenen’, wat duidelijk een vertaling is van de door de burggraaf voorgestelde titel Les possédés.[227] De opvallendste gelijkenissen tussen De Vogüé en Stokvis houden hier op. De verschillen zijn echter velerlei, niet in het minst omdat de studie van de Nederlander aanzienlijk summierder en condenser is. Bovendien lijkt de concrete manier waarop hij algemene gedachten uitwerkt en formuleert steevast oorspronkelijk te zijn.
Het vertrekpunt van Stokvis (1909: 119-21) is retorisch à la De Vogüé, maar in zijn uitwerking origineel. Hij neemt de lezer mee naar de Moskouse Tretjakovgalerij, waar hij stilstaat bij het daar hangende portret van Dostoevskij. De resulterende beschrijving van zijn uiterlijk is niet zo paradoxaal als dat van de burggraaf, die de Rus beschreef als een ‘moujik’, een halve heilige en halve misdadiger; Stokvis (1909: 120) wordt eenduidig getroffen door wat hij noemt ‘een smartelijkheid van uitdrukking, een stempel van lijden, een groote goedheid’. Na deze impressie geeft hij in een notendop de eerste levensdecennia van Dostoevskij weer.[228] Bijzondere aandacht gaat naar de materiële nood die voortkwamen uit het overlijden van zijn vader: het grote gezin moest het stellen met ‘een klein pensioen en de opbrengst van een schamel landgoedje’. De reactie van Dostoevskij hierop is werken ‘als een paard’, als vertaler en krantenredacteur, ook al wordt hij dan al ‘gekweld door de vreeselijke ziekte, de epilepsie’. Volgens de Nederlander lag het enige genot van de Rus er toen besloten in de ogenblikken ‘waarin hij zich van zijn genie bewust wordt’. Hiermee wordt verwezen naar zijn schrijftalent, zoals blijkt uit het feit dat onmiddellijk hierop de anekdote over de ontdekking van zijn talent door Grigorovič, Nekrasov en Belinskij volgt. Opmerkelijk is dat deze ditmaal met alle details is weergegeven, in rechtstreekse vertaling uit Dnevnik pisatelja.
Aan de plot van Bednye ljudi besteedt Stokvis (1909: 131-3) amper aandacht. Hij herkent in Devuškin een met zelfopoffering en ‘zedelijke heldhaftigheid’ behepte variant op Gogol’s Akakij Akakievič, het hoofdpersonage van Šinel’ (De mantel). Wat hem Dostoevskij debuut zo hoog doet waarderen is de tederheid en de aandoenlijkheid van de vertelling. Het door medelijden geconditioneerde timbre, dat hij vergelijkt met een ‘lang aangehouden melodie van Schubert’, vindt hij terug in alle volgende werken van Dostoevskij, waarin steevast de armen van de stad onder de loep genomen worden. Dat hij continuïteit ziet in het oeuvre van de Rus, blijkt ook uit zijn uitspraak dat Arme menschen de titel kon zijn ‘van het geheel zijner werken’. In dit verband wijst Stokvis op de zeldzame psychologische gave van de Rus:
Wat een ziel heeft de man gehad, die àlle lijden kon meevoelen! Het lijden van den geest in vollen omvang, het lijden dat de misdaad voortbrengt, de wroeging, het berouw – hij kent dit alles; de donkerste gronden der menschenziel heeft hij gepeild. ‘Zie den mensch’ had zijn motto kunnen zijn. (Stokvis 1909: 133)
Hoewel Stokvis (1909: 134-6) een uitgesproken links profiel had, deed hij niet mee met Spin (1898) en Kropotkin (1907) om Dostoevskij revolutionairder af te beelden dan hij in werkelijkheid was; hij meent dat de schrijver ‘nooit ernstig [heeft] deelgenomen aan de plannen van die [revolutionaire] kringen’ omdat hij ‘er te weinig doctrinair voor’ was. De ervaring om bijna geëxecuteerd te worden, is er een die Dostoevskij maar niet kan verwerken: nooit is het ‘zuiver herinnering geworden’, ‘altijd doorleeft hij het opnieuw’. Stokvis wijst op het contrast tussen de persoon van de tere kunstenaar met epilepsie en dat van de mensen die hem omringden in het strafkamp. Dostoevskij leert hun slechtheid kennen ‘als een booze ziekte, als een misbruikte kracht’. Stokvis beschouwt Zapiski iz mërtvogo doma als Dostoevskijs best gecomponeerde werk in de eerste plaats om het ontbreken van ‘zijn latere fouten’. De stijl van dit werk prijst hij om zijn eenvoud en objectiviteit. De schoonheid ervan zit wat hem betreft niet besloten ‘in een woord, of een zinswending, in een mooie vergelijking of iets dergelijks’ – vandaar ook dat hij zich onthoudt van citaten –, maar opnieuw in het prachtige timbre, dat geconditioneerd wordt door het medeleven met de lijdende verworpelingen.
Ondanks de eerder geponeerde continuïteit in het oeuvre van Dostoevskij, bestempelt Stokvis (1909: 137-8) – terecht ook – Dostoevskij bij zijn terugkomst uit Siberië als ‘religieuzer dan toen hij [er] heen ging’. In dit verband weidt hij uit over de christelijke filosofie van de auteur, zoals deze uiteen is gezet doorheen Dnevnik pisatelja en in de Puškin rede. Door zijn omgang met de ongelukkigen, de Russische criminelen, heeft de schrijver geleerd ‘dat God de Russen bizonder begenadigd heeft, door hen voor te bestemmen tot het ware Christendom’. Meer bepaald heeft God hen ‘de kracht der vreedzame duldzaamheid’ gegeven, of de ‘dolgoterpjenieje’ – Stokvis schrikt er niet voor terug om zijn tekst af en toe te larderen met een Russisch woord in transcriptie.[229] Dankzij deze deugd hoeft Rusland geen constitutie of parlement na te streven, wat in Europa toch ook tot verrotting heeft geleid; ‘door vredig dulden zou het zich zelf en dan ook de overige wereld redden en Christus’ wet hier op aarde doen heerschen’. Aldus heeft de Rus een roeping met universele reikwijdte. Stokvis laat zijn eigen mening over deze slavofiele profetie achterwege, maar uit de toon is voelbaar dat hij hieraan geen transcendente kracht toedicht.
In het post-Siberische werk van Dostoevskij constateert Stokvis (1909: 138-9) twee hoofdkenmerken. De eerste is dezelfde als in zijn pre-Siberische oeuvre: ‘de liefde voor al wat lijdt naar lichaam en geest, liefde voor “vernederden en beleedigden” […], voor den van het goede afgedwaalde, d.w.z. voor den misdadiger, voor den geestelijk kranke’. Het tweede kenmerk is tweeledig. Enerzijds is deze ‘zijn geloof in den oorspronkelijken Russischen mensch’, anderzijds ‘zijn haat tegen de Westersche cultuur, die deze “terres vierges” slechts zou kunnen bederven’ – dit is een van de eerste malen in de geschiedenis van de Nederlandse Dostoevskij-receptie dat zijn negatieve gevoelens tegenover het Westen bij naam genoemd worden en, wat nog meer is, gerekend worden tot de essentie van zijn laat oeuvre.
De periode 1865-71 wordt door Stokvis (1909: 139) geschetst als ‘jaren van groote geldzorg en andere ellende’, zoals het verlies van zijn vrouw, zijn broer Michail, zijn omzwervingen in het buitenland, verergerde aandoeningen en armoede. Niettemin schreef hij in deze periode drie grote romans: Prestuplenie i nakazanie, Idiot en Besy. Deze werken krijgen van Stokvis zeer ongelijke aandacht.
Bij het wereldberoemde boek Prestuplenie i nakazanie houdt Stokvis (1909: 139-41) relatief kort halt, allicht omdat hij erop rekent dat zijn lezers ermee reeds ‘genoegzaam bekend zijn’. Wel geeft hij een zeer condense samenvatting van de intrige. Opvallend daarbij is de proportionele aandacht die gaat naar de morele heropstanding van Raskol’nikov in Siberië, die bij Dostoevskij nochtans teruggedrongen is tot de epiloog:
een jonge man die uit beginsel een vreeselijken moord begaat, wordt moreel gered, wordt tot wroeging gebracht door een arme prostituee, die hem naar Siberië zal vergezellen. Daar zullen zij samen lijden, bidden, boeten. (Stokvis 1909: 140)
De waarde van deze roman ligt volgens Stokvis besloten in vier aspecten. Ten eerste de afwezigheid van sentimentaliteit, of zoals hij het zelf zegt: van het ‘drakerige’. Ten tweede de compositie – die de beste is van al zijn grotere werken. Ten derde de psychologische juistheid. Ten vierde de stijl waarin het geschreven is. Deze zou dezelfde zijn als in Bednye ljudi en dus gekenmerkt worden door eenvoud en afwezigheid van opsmuk, mooie woorden of zinnen. De Nederlandse Ruslandkenner slaagt er niet in deze stijl verder te analyseren, maar verzekert dat de bijzonderheid ervan zich laat merken ‘na een aantal bladzijden gelezen te hebben’.
Dubbel zo veel plaats dan aan Prestuplenie i nakazanie besteedt Stokvis (1909: 141-3) aan Idiot. In de bespreking ervan staat, zoals voor de hand ligt, de persoonlijkheid van vorst Myškin centraal. De Nederlander herkent in hem het ideaal van Dostoevskij, namelijk ‘een soort “Reiner Thor”,[230] maar dan in ‘t Russisch vertaald’. In een voetnoot wordt uitgelegd dat de adellijke titel ‘vorst’ in Rusland minder te betekenen heeft dan men zou vermoeden, omdat ze met zo velen zijn en dichter bij het gros van de bevolking staan dan de adel in Europa. Deze arme epilepticus is ‘schijnbaar genezen’ teruggekomen uit Zwitserland in Petersburg, waar ‘alle boosheid, laster, onzedelijkheid’ langs hem heen glijden ‘zonder zijn schone ziel te schaden’. Hij oefent een heilzame invloed uit op zijn omgeving, die bestaat uit personages ‘met booze en goede hartstochten, hoogmoedigen, kruipenden, moordenaars, woekeraars, haters, zondige vrouwen’. De vrouwen die van hem houden worden hiervoor beloond met zijn medelijden. Hij is, aldus Stokvis, ‘de “joeródiwüj” van zijn stand’. Dit Russisch woord wordt uitgelegd als ‘een kranke van zinnen, voor wien de dingen dezer wereld geen waarde hebben, maar aan wien God ter vergoeding een lucide wijsheid heeft gegeven en den eenvoud van een kind heeft gelaten’. Het einde van de roman wordt de lezer niet achtergehouden: de vorst gaat ten onder, al is ‘zijn ziel […] rein gebleven’, keert terug naar Zwitserland en versuft.
Over Besy deelt Stokvis (1909: 143) conform de waarheid mee dat het een aanval is op het nihilisme. Verder laat hij de roman onbesproken, om de beschikbare ruime te besteden aan wat hij beschouwt als ‘het belangrijkste, maar ook het moeilijkste werk’ van de schrijver: Brat’ja Karamazovy. In flagrante tegenstelling tot De Vogüé en consorten besteedt Stokvis aan deze roman ruime aandacht en blaast hij erover de loftrompet.
Stokvis (1909: 143-5) begint zijn bespreking van Dostoevskijs laatste roman met de in het Nederlandse taalgebied toen nog weinig bekende feit dat hiervan enkel het eerste deel voltooid is. In een voetnoot beweert hij van dit werk ‘geen volledige vertaling’ te kennen, maar wel een Duitse en een Franse vertaling, die ‘hoewel sterk besnoeid, toch een indruk kunnen geven van de machtigheid van ‘t oorspronkelijke’. Op welke concrete teksten hier gedoeld wordt, is onduidelijk, aangezien in 1909 meerdere vertalingen van Brat’ja Karamazovy in het Frans en in het Duits voorhanden waren. De bedoeling achter dit boek, zo stelt Stokvis algemeen, was ‘een volledig beeld van de Russische gedachtenwereld te geven’ aan de hand van de gezinsleden Karamazov. De vader is een ‘perverse wellusteling’, die zijn eerste vrouw op de vlucht jaagt en zijn tweede doodmartelt. De zoon uit zijn eerste huwelijk, Dmitrij, is drager van de zogenaamde Russische brede natuur, wat geduid wordt als ‘even sterk geneigd tot het kwade als tot het goede’. Uit het tweede huwelijk stammen Alëša en Ivan. De eerstgenoemde is het ideaal van Dostoevskij, echter gezonder dan Myškin en ‘in enkele opzichten’ bewuster. Door starec Zosima is hem een ‘zending op aarde’ opgedragen. Ivan is ‘de twijfelaar, die de menschheid kent, maar de menschen niet’. Hij wordt aangetrokken tot het gedachtegoed van het Westen, het materialisme, maar ‘zijn Russisch hart deinst terug voor de konsekwenties, die zijn mondt belijdt’ – een uitspraak die scherp contrasteert met de bewering van Van Wijk dat de Rus door zijn natuur voor geen enkele consequentie terugdeinst. Ook ‘de halfbroer’ Smerdjakov komt aan bod. Aan de hand van dit personage wordt de intrige van de roman uit de doeken gedaan: hij voelt ‘het booze in den geest’ van Ivan en voert zijn heimelijkste wil uit door Karamazov senior te vermoorden. Hoewel Ivan zichzelf aanklaagt omdat hij deze moord gewild heeft, wordt Dmitrij ervoor veroordeeld.
Na de beschrijving van de personages en de plot van Brat’ja Karamazovy slaat Stokvis (1909: 145-6) een mea culpa: hij erkent zijn onmacht om in enkele regels ‘den lezer een denkbeeld te geven van dit geweldige boek’. Wel licht hij een tip van de sluier op waarom hij hiervan zo onder de indruk is. Met name in de legende van de Groot-Inquisiteur, in het gesprek tussen Ivan en de duivel en in de gesprekken tussen Alëša en zijn broers vindt Stokvis uitspraken ‘over ‘s menschen verhouding tot God en de wereld […] die van wereldbeteekenis zijn’. Meer bepaald gaat het om de idee dat de mens gered wordt, of, anders gezegd, nader tot God komt, indien hij zijn lijden deemoedig aanvaardt. Stokvis, wiens interesse voor de Russische literatuur rond de eeuwwisseling ontsprongen was bij het tolstojanisme, herkent in deze gedachte de leer van Tolstoj avant la lettre, voor deze was ‘vertroebeld tot een panacee voor maatschappelijke kwalen’. De appreciatie van de Nederlander voor Brat’ja Karamazovy gaat dus uit van het geestelijk-religieus verwantschap met zijn vroegere idool. Hierin ligt allicht de verklaring dat zijn interpretatie van deze roman gevoelig universeler is dan die van bijvoorbeeld Van Wijk, die hem erkende als een nationalistisch pleidooi voor de niet-Europese Russische geestescultuur.
Inleiding tot de Russische literatuurgeschiedenis van Stokvis ging niet onopgemerkt voorbij. Alvast één anonieme recensent van Het volk (1910) prees de studie aan als ‘warm en levendig en met zoo fijn gevoel voor de schoonheden der Russische letterkunde’. Het enige punt van kritiek betreft het ontbreken van Čechov, Gor’kij en Andreev. Volgens de criticus zijn zij immers de schrijvers ‘die ons het meest direct aanspreken’. Deze uitspraak geeft aan dat Dostoevskij omstreeks 1910 als weinig modieus gold. Niettemin was hij gevestigd als schrijver van Prestuplenie i nakazanie. Dat deze roman doorslaggevend bleef voor zijn Nederlandse reputatie bewijst ook de tweede heruitgave van Schuld en boete in 1910 door Van Holkema & Warendorf. Ondertussen bleven zijn andere rijpe filosofische romans, Besy, Idiot en Brat’ja Karamazovy, onvertaald en dus ook onbekend en onbemind bij het grote publiek. Wat de laatste roman betreft, werd hieraan nog voor de Eerste Wereldoorlog een mouw gepast.
9 De publicatie van De gebroeders Karamazow (1911-WOI)
een stapsgewijze ontsluiering
De Nederlandse herontdekking van Dostoevskij in het begin van de 20e eeuw was hoofdzakelijk georiënteerd naar werken die eerder geprezen en vertaald waren. De golf van Dostoevskij-studies die op de golf van vertalingen volgde bracht hierin enige verandering: Brat’ja Karamazovy werd meer aandacht geschonken dan voorheen, al wil dit niet zeggen dat er een consensus bestond over de literaire waarde. Van Wijk zag deze titel niet zozeer als letterkundig werk, dan wel als bron van antropologische kennis. Kropotkin, op zijn beurt, ging er prat op niet in staat te zijn deze roman uit te lezen. De eerste in het Nederlandse taalgebied die Brat’ja Karamazovy lovend evalueerde met literaire maatstaven was Stokvis. Of de uitgeverijen zich door zijn bespreking warm gemaakt voelden om dit werk te vertalen is echter zeer de vraag, aangezien hij de moeilijkheidsgraad ervan – geen commerciëel voordeel – in de verf had gezet. Feit is alleszins dat Stokvis ertoe bijgedragen heeft dat Brat’ja Karamazovy tegen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog enigszins uit de verstikkende schaduw van Prestuplenie i nakazanie was gehaald. Deze ontsluiering verliep stapsgewijs.
van der meer: les frères karamazov in parijs
In 1911 werd in Parijse Théâtre des Arts met groot succes het toneelstuk Les frères Karamazow, waarvan eerder in dit boek sprake was, opgevoerd. Dit kwam de door Van Wijk en Stokvis opgewekte belangstelling voor Brat’ja Karamazovy in het Nederlandse taalgebied ten goede. Een recensie van deze adaptatie[231] verscheen in De samenleving, een weekblad onder redactie van F.H. Fischer dat slechts één jaargang zou kennen. De initialen van de recensent, ‘P.v.d.M.’ (1911: 649-50) verwijzen naar Petrus Balthasar Albertus van der Meer de Walcheren (1880-1970), een francofiele letterkundige die zich na een socialistische periode bekeerd had tot het katholicisme.[232]
In de inleiding van zijn toneelrecensie illustreert Van der Meer zijn vaststelling dat ‘de aandacht der Parijsche intellectueelen […] sinds eenigen tijd bijna uitsluitend naar de Russische kunst gekeerd [is]’ met vijf feiten. Ten eerste de publicatie van het Dostoevskij-essay van André Suarès in La grande revue, waarin de Rus verheerlijkt wordt als ‘den grootsten romanschrijver en den besten kenner der menselijke ziel’; ten tweede de voorname plaats die de Russische schilders en beeldhouwers innemen in de Salon des indépendants; ten derde de mode onder de adel om Slavische dansen te leren; ten vierde het gebruik van Russische patronen op damesjaponnen; ten vijfde de opvoering van Musorgskijs opera Boris Godunov, die zelfs ‘de snob’ Gabriele d’Annunzio heeft geïnspireerd tot het schrijven van een Frans stuk met als hoofddanseres Ida Rubinstein. Al deze voorbeelden dienen slechts om te benadrukken dat Les frères Karamazow, de theaterbewerking van Jacques Copeau, geen geïsoleerd fenomeen is, maar kadert in een Russische cultuurmode te Parijs, die overigens aan Van der Meer reserves ontlokt.[233]
Van der Meers evaluatie van Les frères Karamazow is overwegend positief. Naar eigen zeggen was hij met tegenzin naar de voorstelling gegaan, weinig verwachtend van de ‘buitengewoon moeilijke en vrijwel ondoenbare’ daad om het boek op de planken te brengen. Het betreft in zijn ogen immers ‘misschien wel een der voortreffelijkste, meest inhoudvolle romans van de laatste vijftig jaren wereldliteratuur’. De poging van Copeau wordt gequoteerd als ‘niet al te zeer mislukt’. Toch geeft Van der Meer verscheidene punten van kritiek. De bewerker heeft ‘wellicht de hoofdzaken kalmpjes terzijde […] geworpen’, ‘aldus de diepe schoonheid van dit boek onkenbaar makend’. Een aantal episodes, die de Nederlandse recensent nochtans belangrijk schijnen, zijn niet in het stuk terecht gekomen. Bijvoorbeeld ‘het dagboek van den Staretz’ en ‘der Gross-Inquisitor’ – Van der Meer baseert zich voor de vergelijking kennelijk op een Duitse vertaling. Toch is het resulterende stuk ‘een goed stevig-gebouwd drama […] met de personen van Dostojewski’. De eigenaardigheid van deze figuren is dat ze bijna allen de mogelijkheid bezitten om ‘een misdadiger te worden of een heilige’. Van der Meer betreurt dat het personage Alëša verwaarloosd is ten voordele van dat van Smerdjakov. Goed vindt hij dan weer dat de bewerker ‘geen storende nieuwigheden en toevoegsels’ heeft ingelast – kennelijk is het hem ontgaan dat de laatste act tenminste gedeeltelijk gebaseerd was op de door Halpérine-Kaminsky en Morice in Les frères Karamazov (1888) verzonnen epiloog, zoals Copeau heeft toegegeven.[234] Hij besluit positief:
dat boek, die Brüder Karamasow, is van zoo groot machtig leven, dat het dramatisch gebeuren op het tooneel, hoe ver ook afstaande van Dostojewski’s schepping, nog beeft en trilt en den toeschouwer met wilde ontroering grijpt. […] ik herhaal dat de geest zelfs al deze misvormingen nog bezielt. (Van der Meer 1911: 650)
De bovenstaande idee, waarmee Van der Meer zijn bespreking van Les frères Karamazow afsluit, is dat olie boven water drijft, dat de verminkingen die optreden tijdens de cultuurtransfer van Rusland naar het Westen het genie van Dostoevskij niet volledig verdoezelen. Het is interessant op te merken dat een gelijkaardige stelling, met betrekking tot vertalingen van Russische auteurs in het algemeen, rond dezelfde tijd verdedigd werd door een recensent van Gor’kijs De politie-spion in De Amsterdammer:
Russische schrijvers […] zijn krachtig. Tourgeniew, Dostojewski, Gorki, Tsjechow […], om zoo maar in het wilde eenigen te noemen, pleegt men nooit anders dan zoo ‘verdund’ tot zich te nemen, en zij blijven desniettegenstaande zichzelf, kernig en knokig, wrang en zeer, zéér vreemdsoortig. Ook een dubbel mishandelende ‘overzetting’ kan hun eigenaardig accent, hun zeer aparte levensvisie niet zoo vervlakken of er blijft genoeg van over om ons voortdurend zeer te boeien. (Cornen 1912: 2)
De hierboven geciteerde criticus was het met Van der Meer eens dat de waarde van een schrijver als Dostoevskij niet volledig verloren ging door een inadequate bewerking. Er waren er ook die meenden dat zo’n vertaling in het geval van de Rus zelfs opportuun kon zijn. Tot die groep behoorde Anna van Gogh-Kaulbach, die de eerste Nederlandse boekvertaling van Brat’ja Karamazovy verzorgde.
van gogh-kaulbach: een vertaalster met naam
Anna Maria Kaulbach,[235] beter bekend als Van Gogh-Kaulbach, was een sociaal-democratisch schrijfster. Ze was geboren in 1869 in Veslen, als dochter van een arts. Haar latere echtgenoot Willem Jacob van Gogh trok haar in de vroege jaren 1890 aan tot het socialisme, wat meteen na de oprichting van de SDAP in 1894 resulteerde in haar lidmaatschap. In 1892 debuteerde ze als schrijfster met verhalen in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift en Nederland. In 1894-95 publiceerde ze onder het pseudoniem Wilhelmina Reynbach haar eerste romans,[236] die de stempel van het naturalisme droegen. In 1899 trad zij in een huwelijk dat haar twee dochters en drie zoons opleverde. Ook als getrouwde vrouw bleef ze aan een hoog tempo schrijven. In 1905 verscheen, onder haar eigen naam, een hele reeks romans, waaronder Rika (1905). Haar werk werd tot op zekere hoogte beïnvloed door Israël Querido, waarmee het echtpaar Van Gogh nauwe vriendschap onderhield. Naarmate ze ouder werd, verschoof haar literaire aandacht geleidelijk naar het moederschap, het gezin en opvoedkundige problemen. Symptomatisch in deze zin is de succesvolle roman Moeder (1909). Behalve als prozaschrijfster was Anna Kaulbach voor de Eerste Wereldoorlog productief als redactrice van een jongerentijdschrift, toneelschrijfster en toneelcritica. Inkomsten genereerde ze ook toen al uit vertaalwerk. In totaal zou ze meer dan veertig boeken vertalen, uit het Frans, Duits en het Engels. Tot de door haar vertaalde auteurs behoren, naast Dostoevskij, zwaargewichten als Balzac, Barbusse, Dickens en Rolland. Met de Russische literatuur had ze geen bijzondere affiniteiten – voor zover dit tenminste af te leiden valt uit haar biografie en bibliografie.
publicatie in tijdschrift- en boekvorm
Zoals Van Gogh-Kaulbach (1914: 2) zelf getuigt, werd haar door de Uitgevers-Maatschappij Elsevier de opdracht gegeven Brat’ja Karamazovy te vertalen ‘ter plaatsing in het door genoemde maatschappij uitgegeven weekblad De wereld’, dat nog opgericht moest worden. Als brontekst verschafte Herman Robbers haar de meest recente Franse vertaling: Les frères Karamazov van Bienstock en Torquet, waarop Copeau zich bij het schrijven van zijn toneelstuk voor een groot stuk gebaseerd had. De lancering van De wereld, een blad over politiek, kunst, literatuur en wetenschap, ging gepaard met een opvallende reclamecampagne, onder andere in de Nieuwe Rotterdamsche courant,[237] waarbij steevast verwezen werd naar de publicatie in afleveringen van Dostoevskijs roman – kennelijk werd de schrijver van Schuld en boete door de redactieraad geschikt geacht als promotiemiddel. Een groot succes werd De wereld echter niet; al in 1913 zette de redactie er een punt achter.
Eveneens in 1913 gaf Van Holkema & Warendorf De gebroeders Karamazow in boekvorm uit. Deze publicatie ging opnieuw vergezeld van opvallende uitgeversreclame in veelgelezen letterkundige bladen, zoals De Amsterdammer (zie afbeelding 1),[238] waarin dezelfde uitgever ook reclame maakte voor de tweede druk van Schuld en boete.[239] Opmerkelijk aan de advertenties in kwestie is ten eerste dat Dostoevskij wordt aangeprezen als de schrijver van Schuld en boete en ten tweede dat zijn naam niet groter is gedrukt dan die van de vertaalster – dit is des te frappanter daar het overgrote merendeel van de voorgaande Dostoevskij-vertalers anoniem was gebleven. De verklaring ligt voor de hand: aangezien Anna van Gogh-Kaulbach omstreeks die tijd al enige faam had verworven als roman- en toneelschrijfster, werd haar betrokkenheid door de uitgever beschouwd als commercieel exploiteerbaar. Overigens hield de verbintenis van de reputatie van Van Gogh-Kaulbach aan de vertaling ook risico’s in. Zadok Stokvis (1914), die tot de kleine elite van Nederlandse Ruslandkenners van zijn tijd behoorde, verwoordde namelijk zijn ongenoegen over de vrijheden die de vertaalster had genomen, in een open brief die tezamen met het antwoord van de vertaalster geplaatst werd in De Amsterdammer.[240] Niets wijst erop dat tijdgenoten hun conflict belangrijk achtten. De vertaling van Brat’ja Karamazovy, die beschouwd kan worden als de culminatie van ruim een kwarteeuw Nederlandse Dostoevskij-receptie, had dan ook niet de impact van een historische gebeurtenis. Dit is tenminste de indruk gegeven door Nieboer, voor zover bekend de enige criticus die een uitgebreide recensie schreef naar aanleiding van de publicatie van De gebroeders Karamazow door Warendorf & Holkema.
Afbeelding 1. Reclameadvertentie voor De gebroeders Karamazow
nieboer: tussen dostoevskij en ‘de hollander’ is het water te diep
Over Attie Nieboer is weinig bekend. Allicht werd hij in 1879 te Heteren geboren in een kroostrijk gezin als Marinus Adriaan Nieboer.[241] Op het ogenblik dat hij zijn stuk over De gebroeders Karamazow schreef, had hij pas gedebuteerd als schrijver: in 1914 was De geur van kamperfoelie verschenen,[242] zijn eerste verhalenbundel, over het leven van de boeren van de Betuwe.[243] Als recensent schreef hij bijdragen voor Eigen haard, een in 1875 gesticht geïllustreerd weekblad over cultuur, wetenschap en literatuur. Hierin verschenen in 1916, in drie afleveringen, zijn beschouwingen naar aanleiding van de eerste Nederlandse vertaling van Brat’ja Karamazovy. Meer in het bijzonder werd het driedelig stuk van Nieboer over Dostoevskij ondergebracht in de rubriek ‘Oude en nieuwe boeken’, waarin behalve populaire boeken met artistieke waarde, ‘van schrijvers dus, die tot àlle menschen spreken’, ook boeken behandeld werden met ‘een algemene waarde’.[244] De boeken van Dostoevskij vallen wat Nieboer betreft, zo wordt duidelijk uit zijn beschouwingen, in de laatste categorie. Het betreffende stuk is voor dit receptieonderzoek van bijzondere waarde, omdat het peilt naar de populariteit van Dostoevskij bij de Nederlanders in het algemeen en bovendien verklaringen aanreikt voor de gedane vaststellingen. Als zodanig is het ook zeer geschikt om dit hoofdstuk mee af te sluiten.
In de eerste aflevering van zijn stuk neemt Nieboer (1916: 332-4) een zeer lange aanloop om het over Dostoevskij te hebben. Bij wijze van inleiding beschrijft hij namelijk in detail een episode uit zijn eigen studententijd te Leipzig. Hij maakte er kennis met een Rus, aan wie hij bij het lezen van Dostoevskij terug moest denken. Het ging om een student filosofie die, zoals later bleek, zelf enkele boeken van Dostoevskij in het Duits vertaald had.[245] Het uiterlijk van deze man wordt beschreven als dat van een schoolmeester, ‘volkomen anders dan men zich gewoonlijk een Rus voorstelt’ – een bewering die Nieboer verduidelijkt door erop te wijzen dat de man er ‘zeer ongevaarlijk’ uitzag. Al snel na de eerste ontmoeting was de Nederlandse student deze Rus, ‘zijn gezicht en zijn gruwelijke Russischen naam’, volstrekt vergeten. Maar enige tijd later kwam deze Rus hem om 150 Mark vragen. Hoewel Nieboer hem amper kende, het onder de in het buitenland studerende ‘Russen en Polen’ van de oplichters wemelde, en hijzelf geen geld op overschot had, leende hij hem toch een groot bedrag en zijn uurwerk, om te verpanden. De Rus heeft uiteindelijk het geld terugbetaald en het eigendom teruggebracht. Nieboer verbaast zich over zijn eigen roekeloos gedrag. De verklaring hiervoor vindt hij in het feit dat de Rus er stellig van overtuigd was geweest – Nieboer heeft het over een ‘absolute zekerheid’ – dat hij daadwerkelijk geld zou mogen lenen. De Nederlandse recensent extrapoleert deze petite histoire naar de Russische natie. Hij verklaart de overtuigingskracht die maakt dat mensen zelfs tegen hun eigen zin handelen, door de kracht van het geloof. Het geloof om een vooropgezet doel te bereiken, in God of in de liefde zou bij uitstek leven bij de vertegenwoordigers van de Russische natie, van ‘in de ziel van den geknechten, dronken Russischen boer tot in den wereldstormenden, doorslaanden Russischen intelectueel’. Volgens Nieboer, die hiermee de eerste aflevering van zijn stuk afsluit, maakt dit geloof het thema uit van Dostoevskijs roman Brat’ja Karamazovy.
De tweede aflevering van zijn stuk opent Nieboer (1916: 373-4) met een verontschuldiging voor het feit dat Dostoevskij in zijn eerste aflevering, ondanks de titel ‘Dostoiëvsky’, amper aan bod komt. Naar eigen zeggen wilde hij met zijn anekdote ook de lezers verleiden die zich anders niet bekommeren om boekbesprekingen, tot het ter hand nemen van een boek van Dostoevskij. Welk boek precies acht hij van minder belang, omdat hij meent dat ieder van zijn werken ‘steeds belangrijk en ten volle het lezen waard is’, hoewel ‘slordig hier en daar, soms onbeheerscht, meestal gebrekkig van samenstelling’. Hij geeft te kennen, terloops gebruik makend van Nietzscheaanse terminologie, waarom de kwaliteiten van Dostoevskij opwegen tegen deze literaire gebreken:
Omdat ge op iedere bladzij met ontzag u bewust wordt te staan tegenover den ‘Uebermensch’, die ver en hoog uitschouwend boven het armelijk klein gedoe der aldagsmenschen, u met de visionaire macht van den ziener, den indrukwekkenden gang van het groote, ernstige leven aanwijst, of tot huiveringwekkende diepte met u afdaalt in de duisternis der ziel van den lijdenden, zondigen en naar verlossing schreienden sterveling.
Na deze lovende woorden wordt Dostoevskij bestempeld als ‘de meest abstrakte onder de romanschrijvers’. Dit is voor Nieboer meteen ook de eerste reden dat hij ‘bij het groote publiek nooit direct populair zal worden’, hoewel zijn superioriteit over Tolstoj erkend wordt door verscheidene Russische intellectuelen én door Franse schrijvers – een duidelijke indicatie dat de Franse literatuur anno 1916 nog steeds een modelfunctie vervulde voor de Nederlandse. Ondanks zijn eigen voorspelling dat Dostoevskij nooit populair zal worden, stelt Nieboer met verbazing vast dat zijn werk in Nederland ‘nog zoo onbekend is, en zoo moeilijk verkoopt’. Hij verklaart dit ‘treurig verschijnsel’ door te wijzen op de kleinburgerlijke conventionaliteit, die volgens hem ‘een der diepst ingekankerde karakterfouten van ons volk’ is. Deze provocerende uitspraak grijpt Nieboer aan om een essentialistisch discours te ontspinnen over de Nederlandse volksaard. Net als ‘andere, koel-verstandelijke noordelijke volken’ zouden de Nederlanders van nature afkerig staan tegenover alles ‘wat anders is dan anders, wat zich niet voor het algemeen-goedgekeurde en bij hen voor alle eeuwen vastgelegde buigt’. Bij de Nederlanders echter – in dit stuk ‘Hollanders’ genoemd – zou deze eigenschap door combinatie met andere karaktertrekken ‘buitengewoon harde, stuitende vormen’ aannemen. Met deze andere karaktertrekken bedoelt Nieboer bemoeizucht en onverschilligheid. Die zouden maken dat de Nederlanders vooral uit zijn op een ‘gelijksoortig uiterlijk’,[246] waarmee ze zichzelf echter in een gewrongen positie brengen, omdat ‘de Hollander in den grond veel te vrij en te eerlijk is, om innerlijk vrede te kunnen hebben met dit dubbelbestaan van uiterlijk den schijn ophouden en innerlijk anders zijn’.
Behalve in de conservatieve volksaard van de Nederlanders zoekt Nieboer ook een verklaring voor de gebrekkige populariteit van Dostoevskij in Nederland bij de schrijver zelf. Hij beargumenteert, daarbij gebruik makend van contradicties en opposities, dat Dostoevskij bij uitstek een ‘Rus’ is ‘in alle vezels, in elken polsslag’:
omdat al zijn menschen Russen zijn, omdat ze zijn die ze zijn. Beesten desnoods, wonderlijke mengsels van dier en God, mensch, vol leugen en bedrog en vol kinderlijke waarheid, hard en cynisch en van een vrouwelijke zachtheid tevens; dom en barbaars en diepe, fijngevoelige denkers, van een prachtig Christenbewustzijn… àlles wat een mensch kan zijn die mensch dùrft te zijn.
Door hun Russische aard zijn de personages van Dostoevskij ‘bizar en onopgevoed’ en zeggen ze ‘rare dingen’.
In weerwil van zijn sombere beschouwingen over de kloof tussen Dostoevskij enerzijds en ‘de Hollander’ anderzijds, laat Nieboer ook een optimistische noot doorschemeren. Hij merkt in Nederland namelijk ook het bestaan op van een niet-conservatieve stroming. Er zouden jonge mensen zijn die erop uit zijn om ‘allen schijn af te gooien’, zodat duidelijk wordt ‘hoeveel grof en afzichtelijk bedrog’ er is, en men zich vragen begint te stellen bij de ‘onomstootelijke waarheden’ die men van kindsbeen af leert. Voor deze laatste mensen, zeker als ze weer een geloof willen vinden en op zoek zijn naar vaste waarden ‘tussen al de wankelende werelbeschouwingen van den nieuweren tijd’, zou Dostoevskij uitermate geschikt zijn. Hij is met zijn ‘alles overwinnend geloven in het goede’ immers ‘troost en versterking voor de enkelen van onze tijd die zelf reeds een eind ver den weg gingen van het waar zijn ten koste van alles’.
Ook ‘degenen, die later aan hun medemenschen zullen moeten leren, hoe Christus gewild heeft dat wij zouden zijn’ – allicht worden hier de seminaristen bedoeld – worden door Nieboer aanbevolen om de boeken van Dostoevskij in huis te halen. Als reden geeft hij op dat zijn leer, evenals die van Tolstoj, ‘niets anders dan de leer van Het christendom in de praktijk’ is. Alëša uit Brat’ja Karamazovy en de hoofdpersonages van Bednye ljudi of ‘Dode zielen’[247] [sic] brengen een mens nader tot het christendom. Nieboer waarschuwt echter dat het voor mensen die zichzelf als Christen beschouwen onaangenaam moet zijn om zulke praktische Christenen te zien als de genoemde personages. Dit om drie redenen. Ten eerste worden de consequenties van dit geloof zichtbaar, zoals bij Tolstoj, die veel aan de armen geeft. Ten tweede wordt men eraan herinnerd dat we niet moeten oordelen over ‘de zwakken, de dronkaards, de menschen die niet naar de kerk gaan, de losbandigen […], de gevallen vrouwen’. Ten derde moet men inzien dat er een praktijk mogelijk is waarin men zijn vijand liefheeft en vergeeft. Volgens Nieboer is het omdat ‘de praktijk van het Christendom […] een onaangenaam iets’ is, zoals Dostoevskij volgens hem illustreert, dat er in Europa geen zijn die in de praktijk christen willen zijn, tenzij dan ‘een enkele als idioot verklaarde idealist’.[248]
Nieboer sluit de tweede aflevering van zijn stuk af met de vermelding van de boeken van Dostoevskij ‘waarvan een Nederlandsche vertaling’ verscheen. De lijst die hij aan de lezer aanreikt bestaat uit zes verschillende titels: De gebroeders Karamazow, Schuld en boete (‘2e druk’), Uit het doodenhuis, De echtgenoot, Arme menschen en Witte nachten. Enkel de laatste twee titels zijn volgens de recensent uitverkocht. De twee Nederlandse vertalingen van Unižennye i oskorblënnye, namelijk De misleide (1886) en Arme Nelly (1891), worden hier niet vermeld – waaruit geconcludeerd kan worden dat Nieboer deze niet kende.
Pas in de derde aflevering van zijn Dostoevskij-stuk komt Nieboer (1916: 420-2) tot de beloofde bespreking van De gebroeders Karamazow. Deze start met de vaststelling dat het boek door zijn hoge kostprijs[249] geenszins binnen ieders bereik ligt. Uitgaande van de stelling dat elke zichzelf respecterende intellectueel minstens één boek van Dostoevskij in huis zou moeten hebben, raadt hij dan ook aan om Schuld en boete aan te schaffen, omdat hiervan een goedkope uitgave op de markt is. Op een goedkope uitgave van De gebroeders Karamazow zal het nog lang wachten zijn, zo voorspelt Nieboer, ‘want onder “de populaire schrijvers” schijnt Dostoiëvsky helaas voorlopig nog wel niet te zullen gaan behoren’.[250] Dat het grote leespubliek de Russische schrijver niet lust, wordt in contrast gesteld met het feit dat vele elementen die een schrijver populair maken, zoals liefde, hartstocht, misdaad, dramatiek, afwisseling en spanning, ook bij hem terug te vinden zijn. Niettemin wordt van Arme menschen, hoewel uitverkocht en vurig aangeprezen door Stokvis,[251] geen nieuwe uitgave gemaakt omdat de uitgever, die hierover persoonlijk aan Nieboer berichtte, oordeelt dat het ‘te moeilijk verkoopt’. Verrassend is dat dezelfde uitgever, namelijk Van Holkema & Warendorf, aan de Nederlandse recensent te kennen gaf dat zelfs de eerste uitgave van ‘het wereldberoemde’ Schuld en boete[252] ‘een strop geweest’ is. Hoewel Nieboer in de tweede aflevering van zijn stuk zelf beargumenteerd had waarom Dostoevskij nooit populair zou worden bij de Nederlandse lezers, vindt hij deze vaststelling van de uitgever onbegrijpelijk. Hij vraagt zich af of de gebrekkige populariteit soms voortkomt uit het feit dat het betreffende werk ‘naast alle gegevens van den sensatieroman, tegelijk een groote diepte van menschenkennis, en een alles verschoonende liefde insluit’, zo vraagt Nieboer zich af. Ondanks sombere berichten van de uitgever raadt hij de lezer aan om Dostoevskij toch een kans te geven. Hij gelooft dat de lezer die zich door de ‘stroeve inleiding’ van De gebroeders Karamazow weet te worstelen uiteindelijk wel geboeid zal raken, ook als hij enkel uit is op emoties. Het is immers zijn overtuiging dat zelfs voor wie het filosofisch gesprek tussen Ivan en Alëša, en de levensgeschiedenis van de monnik ‘zwaar op de hand’ en ‘storend voor de verhaalgang’ vindt, er nog een roman overblijft die ‘in een adem door leest’. Hij pleit er dan ook voor om de bibliothecarissen onder druk te zetten om het boek op te nemen in hun collectie. Hij denkt dat het niet ‘heel druk’ opgevraagd zal worden, maar dat het toch met een zekere regelmaat. Bovendien maakt het, volgens zijn gerechtvaardigd gebleken voorspelling, kans om ooit in de mode te geraken.
Na zijn overwegend pessimistische bespiegelingen over de commerciële slaagkansen van Dostoevskij in Nederland, gaat Nieboer (1916: 420-1) over tot de inhoudelijke bespreking van De gebroeders Karamazow. Zoals dit ook het geval was bij Van Wijk en Stokvis, staan de hoofdpersonages centraal. De Karamazovs zijn ook voor Nieboer verschillende prototypen van Russen.
De vader wordt beschreven als ‘een wellusteling, een schelm die de armen bedrogen heeft’, wiens enige deugd wellicht is dat hij zelfkritiek heeft. Deze zelfkritiek zou de eerste basis zijn van waarheidsliefde, die behoedt voor schijnheiligheid. Hij staat voor. Om dit personage nog duidelijker te schetsen geeft Nieboer een citaat van hem, waarin er prat op gaat graag in de modder te zitten en aan sommige mensen een hekel heeft, gewoon omdat hij zich onbeschoft tegenover hen gedragen heeft. Terwijl de vader het zinnebeeld is van het oude Rusland, vertegenwoordigen zijn drie zoons het moderne Rusland.
‘Dmitri’ is wat Nieboer betreft tegelijkertijd een Russisch en een universeel type. Hij wordt gekarakteriseerd als volgt:
de mensch in den allerbreedsten zin van het woord; de mensch die zich uitleeft, die zich verdooft in zwelgpartijen, de slaaf van zijn zinnelijke lusten, met zijn hunkeren naar hoogere liefde….. die laf en zwak is en moedig tegelijk, die schreit om zijn eigen slechtheid en vijf minuten later heengaat om weer in precies dezelfde zonden te vervallen, het àlgemeene type van den Karamazov, van den Rus, van den ‘mensch’ overal ter wereld, die juist dáárom lijdt, omdat hij: ‘als hij in den afgrond valt met het hoofd naar beneden, nòg iets moois ziet zelfs in die vernederende houding’. En die uitroept: Ja, laat mij slecht zijn en laag: laat me zelfs de helper zijn van den duivel, tòch ben ik uw kind, mijn God! en ik heb u lief en in mij woont de vreugde.
‘Iwan’ is ‘de atheïst, filosoof, scepticus, bij wien théoretisch alles geoorloofd is.’ Hij wil alles verstandelijk oplossen, maar zijn ziel roept om verlossing. Aan de hand van dit personage bewijst Dostoevskij dat het zuiver verstandelijke zoeken uitmondt in ‘de ontzettende smart van het lijden der hersens, die afgemarteld door deze tegennatuurlijke abstractie ten slotte bezwijken’. Getuige hierover de ‘tot den waanzin voerende beschouwingen’ van Ivan – opmerkelijk genoeg geeft Nieboer, ondanks zijn enthousiasme over dit boek, toe zijn lectuur van deze passages voortijdig afgebroken te hebben.
Ook Smerdjakov komt ter sprake. Dit personage illustreert een ander gevaar dan verstandelijke ondergang dat verbonden is met het atheïstische gedachtegoed. Hij brengt de idee dat alles geoorloofd is in de praktijk door vader Karamazov te vermoorden. In deze moord ziet Nieboer, die hierin origineel is, een moordaanslag op de staat door de nihilisten.
Aan Alëša besteedt Nieboer het meeste aandacht, wat hij verantwoordt door hem te bestempelen als het hoofdpersonage. Alëša is ‘de practische Christen, de mens van de toekomst’. Hij zou niet enkel het ideaal van Dostoevskij zijn, maar van alle mensen, gelovigen en ongelovigen. Hij is immers ‘de held die sterk kan zijn zonder hard te werken, die waar is zonder hoogmoed, die zacht en vriendelijk en goed is voor ieder, zonder ook maar ooit in iets te hinderen door sentimentaliteit’. Nieboer spaart geen superlatieven om aan zijn bewondering voor dit personage vorm te geven. Alëša zou de ‘allerschoonste figuur uit alle boeken [zijn], die tot nog toe werden geschreven’, precies omdat hij zich niet bewust is van zijn eigen schoonheid. In zijn jeugdig idealisme was Alëša graag bereid om zijn leven op te offeren. Een ingelast citaat stelt dat dit offer gemakkelijker en minder waardevol is dan gedurende enkele jaren de krachten te verwerven die nodig zijn om de waarheid te dienen. Deze gedachte vindt Nieboer, die zijn stuk tijdens de Eerste Wereldoorlog schrijft, toepasselijk voor zijn ‘tijdperk van de zooveel milioen oorlogs-helden’. Dostoevskij, zo wordt de lezer terecht meegedeeld, verwacht dat Rusland gered zal worden door een figuur als Alëša, meer bepaald door zijn geloof.
Verder in de tekst wordt duidelijk dat Nieboer ‘het geloof’ niet eng religieus opvat. Hij onderscheidt drie soorten: ‘“Het credo” bij de zorgeloos erop los levende’; ‘geloof in wonderen, boze geesten en godsdienst-overleveringen bij den onontwikkelden boer en den ouderwetsen monnik’; en ‘geloof in de overwinning van het goede bij de godsdienstige die de resultaten van het eerlijke, zuivere denken aanvaardt’. Dit laatste is ‘het nieuwe geloof’, dat Dostoevskij laat ontspringen uit personages als ‘monnik Kossima [sic]’. Deze heeft begrepen dat het Christendom de wereld in gestuurd moet worden, wat hij doet door zijn pupil Alëša naar de maatschappij te zenden, omdat hij er nuttiger is dan in het klooster.
Aangezien Alëša in De gebroeders Karamazow door Van Gogh-Kaulbach een bijzonder actieve rol toegedicht is[253] – in tegenstelling tot in het origineel, waarin hij zeer passief blijft – hoeft het niet te verbazen dat Nieboer dit personage ontroerend vindt omdat hij niet redeneert of spreekt, maar wel ‘zijn daden tot voorbeeld [laat] worden’. Ook de bewering dat Alëša, die toont dat men ook in lijden gelukkig kan zijn, door zijn daadkracht de ‘redding [betekent] voor Dmitri; voor den Dmitri die wij allen zijn, als we maar ons zelf zijn, als we nog durven leven’, laat zich verklaren door de vertaalcreativiteit van Van Gogh-Kaulbach. Dat er opmerkelijke verschillen bestaan in de intrige van de Nederlandse versie en die van Dostoevskij, ontsnapt aan Nieboers aandacht – kennelijk was hij niet goed vertrouwd met de macrostructureel meer adequate Duitse vertalingen van Brat’ja Karamazovy. Overigens staat hij amper stil bij de intrige. De waarde van het boek ligt wat hem betreft vooral besloten in de ‘krachtige woorden van diepe wijsheid en waarheid en liefde’ die hij erin vindt. In overeenstemming met deze analyse evalueert hij de laatste roman van Dostoevskij, waarvan hij overigens ook het onafgewerkte karakter onbesproken laat,[254] als ‘het allergrootste [boek] van levenswijsheid’ dat hij ooit gelezen heeft.
Na zijn euforische bespreking van de inhoud wijdt Nieboer nog enkele woorden aan de materiële uitgave van De gebroeders Karamazow. Hij verwijt de uitgever een ‘onooglijk vuilbruin omslagvelletje’ gebruikt te hebben en het boek slordig te hebben ingenaaid. Bovendien stelt hij vast dat de druk onvoldoende gecorrigeerd is. Om deze redenen vindt hij dat het boek, dat duur te koop wordt aangeboden, beter had moeten zijn, zelfs als men de oorlogstijd in rekening brengt. Interessant genoeg wijst Nieboer niet enkel beschuldigend naar de uitgever; een deel van de verantwoordelijkheid legt hij bij het Nederlandse leespubliek. Dat zou namelijk handenvol geld uitgeven aan ‘prulboeken’ en onvoldoende bereid zijn om uitgevers te steunen van boeken als De gebroeders Karamazow, die niet tot de ‘sensaties-succesromans’ behoren en het dus ‘van den aankoop der leesbibliotheken’ moeten hebben. Om toch uit de kosten te raken, ziet de uitgever zich verplicht om de prijs van het boek hoog te maken en de uitgave goedkoop. Ondanks zijn eigen pessimisme, durft Nieboer te hopen dat ‘deze blijkbaar door de uitgevers van te voren veronderstelde moeilijke verkoopbaarheid zal blijken een vergissing te zijn’. Tot slot van zijn stuk heeft Nieboer het over de prestatie van de vertaalster. Hij noemt de tekst van Anna van Gogh-Kaulbach ‘in ‘t algemeen goed’ en prijst ook de uitgever omdat die het werk niet in handen gegeven heeft van een loonvertaler. Dat de schrijfster geen Russisch verstond was voor hem kennelijk van ondergeschikt belang aan haar vlotte pen. Hij bekritiseert haar slechts op één punt, dat hij zelf ‘een kleinigheid’ noemt: hij raadt de vertaalster aan om uitdrukkingen als ‘grapte hij’ te vervangen door ‘gewoon Hollandsch’. Naar zijn taalgevoel komt de gehekelde uitdrukking aan bijna ieder ‘gewoon mensch’ antipathiek voor, en dit ‘in een vertaald boek dubbel’ – waarmee hij zijn opinie te kennen geeft dat vertalingen meer nog dan originele prozateksten in correct Nederlands horen te zijn geschrijven. Het is duidelijk dat bij de positieve beoordeling van de vertaling het criterium van adequatie geen enkele rol heeft gespeeld. De gebroeders Karamazow is namelijk een opmerkelijke belle infidèle, zoals in het volgende deel van dit boek aangetoond zal worden.
Besluit
In dit deel werd een onderzoek ingesteld naar de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij, zoals die zich openbaart in een uitgebreid corpus van kritische teksten en in de betrokkenheid van critici, uitgevers, vertalers en tijdschriften. Omdat eerder in deze dissertatie de analyse gemaakt werd van de internationale context, is het mogelijk om bij het opmaken van de balans af en toe een comparatief perspectief aan te nemen. De vergelijking van de vroege receptie van Dostoevskij in langs de ene kant de Nederlandse en langs de andere kant de Duitse en Franse literatuur levert een aantal interessante inzichten op die anders verborgen zouden blijven. De Nederlandse receptie van Dostoevskij blijkt een aantal punten van overeenkomst met zijn Duitse en Franse receptie te hebben. Tegelijkertijd zijn er ook fundamentele verschillen waarin de eigenheid van de Nederlandse literatuur tot uiting komt.
De vaststelling dat Dostoevskij bij zijn leven volledig genegeerd werd door de actoren van de Nederlandse literatuur strookt met het lot dat hem beschoren was in de Franse en de Duitse literaturen. In het Nederlandse taalgebied was de desinteresse nog completer: geen enkel fragment van Dostoevskijs proza werd in het Nederlands vertaald, zelfs niet met het oog op publicatie in tijdschriften. Evenmin werd zijn naam ter sprake gebracht in kritisch stukken of in literatuurgeschiedenissen van Nederlandse makelij. Dit gebrek aan belangstelling was in Nederland niet enkel completer, maar alvast in één opzicht ook natuurlijker dan in Duitsland of Frankrijk: hij heeft Nederland nooit met een langdurig verblijf vereerd. Voor de literatuur van Rusland, dat de reputatie genoot een achtergesteld land te zijn, bestond er geen enkele interesse. Meer nog dan voor Frankrijk en Duitsland, geldt voor het Nederlandse taalgebied dat Turgenev tot de jaren 1880 de enige Russische schrijver was die van de culturele elite waardering kreeg, als uitzondering die de regel van de Russische achtergesteldheid bevestigde.
De extraliteraire factoren die in Frankrijk en Duitsland het pad effenden voor de popularisering van Dostoevskij zijn in mindere mate van toepassing op Nederland. Dit geldt in de eerste plaats voor de internationale politiek van Bismarck: het antwoord van de kleine mogendheid Nederland op de eenmaking van zijn oosterbuur, die slechts in de eerste jaren als bedreigend ervaren werd, was geen toenadering tot Rusland, maar wel een gewapende neutraliteit. Ten tweede werkte Rusland zich wel in de aandacht van het Nederlandse publiek door zijn oorlog tegen het Ottomaanse Rijk, maar de implicaties van de Russische zege gingen Nederland minder aan dan de Europese grootmachten. Ten derde was de revolutionaire beweging in Nederland, waar zelfs het revolutiejaar 1848 relatief rustig was verlopen, minder actief dan in Frankrijk en Duitsland, waar in de jaren 1870 revolutionaire communes opgericht werden en een aanslag gepleegd werd op de keizer. Een extraliteraire factor die de Nederlandse belangstelling voor Dostoevskij wel degelijk ten goede kwam, was zijn pompeuze begrafenis in 1881. Het bericht dat hierover verscheen in De portefeuille had echter amper impact, aangezien de schrijver in het Nederlandse taalgebied schitterde door onbekendheid.
Eerder werd aangetoond dat de meest doorslaggevende factor voor de Duitse en Franse doorbraak van Dostoevskij de crisis was die zich ongeveer gelijktijdig in de Duitse en Franse literatuur voltrok. In het zich industrialiserende Duitsland van Bismarck protesteerden de zogenaamde naturalisten tegen de eigentijdse vaderlandse letteren, omdat daarin sociale problematiek veronachtzaamd werd. Aangezien de industrialisering en de organisatie van de arbeidersbeweging in Nederland later en trager op gang kwam dan in Duitsland, waren de sociale excessen er in de vroege jaren 1880 minder zichtbaar. De behoefte aan een literatuur die het sociale onrecht thematiseerde was dan ook veel kleiner en minder urgent. In Frankrijk was het vooral de ergernis over het amorele naturalisme à la Zola, dat het centrum van de literatuur in zijn greep hield, waarvan Dostoevskij kon profiteren. In het Nederlandse taalgebied kreeg dit soort naturalisme in de jaren 1880 echter geen voet aan de grond. Het was dan ook niet aan de orde om de Russische schrijver in te zetten als antinaturalistische strijdkracht. Met andere woorden waren de voornaamste drijfveren achter de Duitse en Franse receptie van Dostoevskij niet geschikt om het Nederlandse leespubliek in beroering te brengen. Dit verklaart de door Arij Prins opgemerkte spreekwoordelijke Chinese muur.
Niettemin bestond er ook in de Nederlandse literatuur een drijfveer die krachtig genoeg was om Dostoevskij te introduceren bij het grote publiek: imitatiegedrag. Behoudens een bijdrage van de Ruslandreiziger De Clercq in 1881 werd de Russische schrijver pas opgemerkt toen hij bezig was aan zijn opmars naar het centrum van de dominante literaturen. Enigszins voortijdig was het artikel van C. in De Amsterdammer in 1884, dat volledig op Franse en Duitse bronnen gebaseerd is. De bal ging pas aan het rollen toen Dostoevskij in Parijs het voorwerp uitmaakte van een regelrechte hype. Segers en Busken Huet, die onder Franse invloed stonden, namen in 1885 het voortouw. Waar Segers Dostoevskij op afstand wilde houden, en hem vooral gebruikte om de superioriteit van het Nederlandse en Vlaamse boven de Slavische cultuur te poneren, wilde Busken Huet hem werkelijk populariseren. Als reden gaf hij op dat Dostoevskij een bron van kennis vormde over het Russische volk, dat aan een opmars was begonnen. Ongeveer gelijktijdig werd de plots opgekomen belangstelling gematerialiseerd in Schuld en boete, dat door zijn uitgever voorzien werd van een Duitse lauwerkrans, en in de talrijke recensies die hieraan gewijd werden in de letterkundige pers. Als succesvol Frans en Duits literair product werd Dostoevskijs vermeende hoofdwerk een reële kans geboden.
Anders dan Bel (1993: 43) in haar literatuurgeschiedenis doet uitschijnen, waren de eerste reacties op Schuld en boete niet unaniem jubelend. De meest enthousiaste recensies verschenen in tijdschriften met relatief weinig invloed, zoals Het leeskabinet en De lantaarn. Wolfgang Van der Meij, een van de weinigen in ons taalgebied die zich een kenner van Slavische literatuur mocht noemen, uitte in De Nederlandsche spectator en De portefeuille tegelijkertijd bewondering en gewichtige reserves. De houding van de anonieme W. in Nederland was er een van misprijzen. Het pas opgerichte tijdschrift De nieuwe gids schonk aan Schuld en boete dan weer geen aandacht. In dit verband moet opgemerkt worden dat de Tachtigers als beweging geen noemenswaardige bijdrage geleverd hebben aan de Nederlandse receptie van Dostoevskij. Zoals Coster (1921b: 1111) naar aanleiding van de reactie van Frans Erens[255] op zijn Dostoevskij-enquête vaststelde: ‘voor de beweging van ‘80, die toch in den aanvang zoo gretig reikte naar alle grootheid des geestes buiten de grenzen, heeft Dostojevsky niets beteekend.’ Terwijl de Duitse en Franse literaire avant-garde zich in de jaren 1880 en masse op Dostoevskij stortte, lieten de Nederlandse vernieuwers van de literatuur – Arij Prins, die zich evenwel naar eigen zeggen niet door hem liet beïnvloeden, en de subversieve schrijver Van Deyssel uitgezonderd – hem dus net links liggen. Aangezien de Russische schrijver bovenal uit Parijs kwam aanwaaien, kan deze veronachtzaming begrepen worden als protest tegen de heteronome tendensen in de Nederlandse literatuur, met name tegen het volgen van Franse literaire modellen.
Bij gebrek aan een populaire naturalistische beweging waren het in Nederland in eerste instantie de francofiele literatoren die Dostoevskij populariseerden. Na Busken Huet deed ook Jan ten Brink een duit in het zakje. In zijn lezingen en essay in Nederland in 1886, waarin Prestuplenie i nakazanie een centrale positie bekleedt, ontpopte hij zich tot spreekbuis van De Vogüé. Als zodanig schopte hij het tot meest invloedrijke Dostoevskij-criticus van het Nederlandse taalgebied. Dankzij zijn lovende woorden over Zapiski iz mërtvogo doma nam Nederlands eerste journaliste, Henriette van der Meij, de Franse vertaling van dit werk ter hand. Haar jubelende recensie werd geplaatst door De Amsterdammer. In 1888 sprak Ten Brink zich in Vragen van de dag opnieuw uit over Dostoevskij, meer bepaald over Zapiski iz mërtvogo doma en Bednye ljudi. Interessant genoeg werden deze werken niet zozeer geprezen om hun zuiver esthetische verdiensten, als wel als interessante bron van kennis over Rusland. Hoewel Dostoevskij in Nederland door niemand expliciet aangeprezen werd als te volgen literair model, hadden sommigen bedenkingen bij de door de francofielen aangemoedigde Russische literaire mode. Verbazingwekkend genoeg behoorde ook de Ruslandkenner Wolfgang van der Meij tot deze groep. Hij verkondigde de mening dat de Nederlandse literatuur haar eigen weg moest bewandelen. Dit weerhield hem er niet van om in 1889 een unieke bijdrage tot de Nederlandse Dostoevskij-receptie te leveren, met een deels op Russische bronnen gebaseerde biografische studie. Opmerkelijk genoeg werd Dostoevskij hierin niet zozeer afgeschilderd als een getalenteerd schrijver, als wel als een halve heilige met voorbeeldfunctie.
Terwijl in de tweede helft van de jaren 1880 praktisch het gehele fictionele oeuvre van Dostoevskij in het Duits en het Frans werd vertaald, liep het in het Nederlandse taalgebied niet zo’n vaart. Hij werd slechts mondjesmaat vertaald. In het jaar volgend op de publicatie van Schuld en boete bracht uitgever Brinkman, die zich naar eigen zeggen door Ten Brink naar Dostoevskij had laten leiden, De misleide uit. Zijn geslepen verkoopstechnieken ten spijt, werd deze vertaling van Unižennye i oskorblënnye afgebroken door de literaire kritiek. De bal rolde zachtjes door. Overigens ging de belangstelling van de uitgevers en de lezers niet uit naar Dostoevskij in het bijzonder, maar wel naar Russische literatuur in het algemeen. In 1887 en 1888 liet Rössing opnieuw van zich horen, met de vertalingen Arme menschen, De kerstboom en De onderaardsche geest. Ook ditmaal waren de recensies slechts gematigd positief. Niettemin sprongen twee jaar later ook andere uitgeverijen op de kar van de Ruslandmode: in 1890 bracht Balen & Diemen De speler uit en in 1891 verschenen bij Warendorf en bij Holdert respectievelijk Uit Siberië en Arme Nelly. Deze uitgeverijen maakten van Dostoevskij geen specialisatie en lieten de vertalingen over aan al dan niet anonieme broodvertalers zonder kennis van het Russisch. Wat eveneens in schril contrast staat met de Franse en Duitse Dostoevskij-receptie, is dat zijn rijpe filosofische werken Idiot, Besy en Brat’ja Karamazovy onvertaald bleven.
Omstreeks 1890 was de Dostoevskij-rage in Frankrijk en Duitsland over haar hoogtepunt heen. In het Nederlandse taalgebied betekende dit stagnatie: de stroom Dostoevskij-vertalingen, die sowieso relatief zwak was, viel stil – wat een indicatie is dat er behalve intersystemisch imitatiegedrag geen sterke drijfveer achter zijn Nederlandse receptie zat. Tot 1906 werden geen nieuwe werken van Dostoevskij voor het Nederlandse leespubliek beschikbaar gesteld. Wel verscheen in 1895 een nieuwe vertaling van Prestuplenie i nakazanie, onder de titels Misdaad en Wroeging. Behalve de uitgevers lieten ook de critici de Russische schrijver in deze periode links liggen. Een uitzondering was de geesteszieke Spin, die hem in 1897 als eerste voor de kar van de sociaaldemocraten trachtte te spannen. De veronachtzaming van Dostoevskij tijdens het laatste decennium van de 19e eeuw staat in schril contrast met het stormachtige succes dat Tolstoj, die beschouwd werd als een levende legende, als bellettrist en pamflettist oogstte.
In Frankrijk en Duitsland genoot Dostoevskij in het begin van de 20e eeuw een gecanoniseerde status, die verzilverd werd in nieuwe reeksen vertalingen. Dankzij een veranderd receptieklimaat kon hij in het begin van de 20e eeuw ook herontdekt worden door het Nederlandse leespubliek, zij het op kleinere schaal – grote reeksen aan Dostoevskij gewijd bleven uit. De betrokken uitgevers, die overigens geen bijzonder prestige genoten, grepen eerst terug naar wat al gekend en door de kritiek van De Vogüé en consorten goedgekeurd was. Veldt en Holkema & Warendorf brachten heruitgaven van Schuld en boete en Arme menschen op de markt. De uitgeverij Cohen liet Zapiski iz mërtvogo doma opnieuw vertalen, met Uit het doodenhuis tot gevolg. Daarna werden ook twee niet eerder vertaalde werken van Dostoevskij voor het publiek ontsloten: in 1906 en 1907 verschenen Witte nachten en De echtgenoot, bij Van Suchtelen en Maas en Cohen Zonen. De eerstgenoemde titel is een bijzonder geval, in die zin dat het de enige Nederlandse vertaling van Dostoevskij is die voor de Eerste Wereldoorlog door een vertaler met kennis van het Russisch gemaakt werd, meer bepaald door Zadok Stokvis. De genoemde vertalingen ontlokten aan de literaire kritiek gemengde reacties. Voor zover de schrijver überhaupt een imago had, was het niet eenduidig positief. Terwijl Steynen in Dostoevskij een alternatief zag voor de literatuur van de Tachtigers, die hij een gebrek aan ideeën verweet, verhief De Ridder (1907) zijn stem om de Rus een kwalijke invloed op de Nederlandse letteren ten laste te leggen, met argumenten die eerder waren gehoord in het Franse literaire debat.
De herontdekking van Dostoevskij door de uitgevers en de lezers werd gevolgd door vijf uitgebreide studies gewijd aan zijn werk of leven, gepubliceerd tussen 1907 en 1910. Het gaat om twee vertaalde publicaties, van de Russische anarchist Kropotkin en de Deense literatuurcriticus Brandes, en om drie oorspronkelijk in het Nederlands geschreven artikelen, door de academicus Van Wijk, de literator Querido en de autodidact en liefhebber van Russische literatuur Stokvis. Wat deze studies met elkaar gemeen hebben, is dat ze grotendeels onafhankelijk van de kritiek van De Vogüé tot stand zijn gekomen. Dit resulteerde in nieuwe accenten en interpretaties: Van Wijk was vooral in Dostoevskij geïnteresseerd voor zover hij een geruststellend antwoord kon bieden op de vragen die de Russische onlusten opwekten bij het Nederlandse publiek; Kropotkin hing integendeel een beeld van Dostoevskij op dat hem bruikbaar maakte voor de linkse bewegingen; Querido was vooral geïnteresseerd in het criminologische aspect van Dostoevskijs oeuvre; hierbij aansluitend werd de Russische schrijver in de door Brandes geschreven studie zelfs afgeschilderd als psychopaat; Stokvis, tot slot, was de enige die het in de eerste plaats te doen was om Dostoevskijs esthetische prestaties.
Waar in Frankrijk en Duitsland de rijpe filosofische werken van Dostoevskij bekend waren rond de eeuwwisseling, en Brat’ja Karamazovy hervertalingen kreeg, bleef zijn Nederlandse roem in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog hoofdzakelijk verbonden met de titel Prestuplenie i nakazanie. Uit de antwoorden op de Dostoevskij-enquête die De stem in 1921 organiseerde,[256] blijkt dat vrijwel alle lezers via deze roman voor het eerst met de Rus kennismaakte, en dat de moordenaar Raskol’nikov en de prostituee Sonja in de 19e eeuw tot de verbeelding van velen spraken. Omstreeks 1910 was dit boek, herdrukken meegerekend, aan zijn vierde Nederlandse uitgave toe. Besy, Idiot en Brat’ja Karamazovy waren echter nog altijd onvertaald, wat een indicatie is dat Dostoevskij gerecipieerd werd zonder oog voor zijn positie in de Russische literatuur, of dat de Russische literatuur als geheel geen prestige genoot.
In de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog werd Dostoevskijs laatste roman, waaraan Van Wijk, Kropotkin en met name Stokvis meer aandacht hadden besteed dan daarvoor in de Nederlandse kritiek was gebeurd, dan toch nog toegankelijk gemaakt voor de Nederlandse lezers. Vermoedelijk werd hun belangstelling geprikkeld door de succesvolle opvoering van het toneelstuk Les frères Karamazov in Parijs. In ieder geval bestelde uitgeverij Elsevier ter promotie van het weekblad De wereld een vertaling van de overeenkomstige roman bij de bekende schrijfster Anna van Gogh-Kaulbach, die met Russische literatuur geen bijzondere affiniteiten had. Na de tijdschriftpublicatie in 1911 werd in 1913 door Holkema & Warendorf een boekuitgave van De gebroeders Karamazow uitgebracht. Naar aanleiding hiervan schreef Nieboer een uitgebreide boekrecensie, waarin hij de door hem vastgestelde desinteresse van het Nederlandse leespubliek voor Dostoevskij verklaarde door de onverzoenbaarheid van de conservatieve mentaliteit van zijn volk en het uitgesproken Russische karakter van de schrijver.
Uit deze synthese kan de conclusie worden getrokken dat de graad van professionalisering van de betrokken literaire actoren één van de cruciale verschillen uitmaakt tussen de Duitse en Franse Dostoevskij-receptie en de Nederlandse. Waar de Duitse en Franse vertalers specialisten waren op het gebied van Russische literatuur in het algemeen of van Dostoevskij in het bijzonder, geldt voor de Nederlandse vertalers precies het omgekeerde. De enige vertaler waarvan vaststaat dat hij Russisch las, was Stokvis. Waar verscheidene Duitse en Franse uitgeverijen voor de Eerste Wereldoorlog grote reeksen van Dostoevskij uitbrachten, was Rössing de enige Nederlandse uitgeverij die meer dan twee werken van hem liet verschijnen. Wel moet opgemerkt worden dat een uitgeverij als Van Suchtelen en Maas, die met Stokvis in zee ging, bijzondere interesse voor Russische literatuur aan de dag legde. Een gelijkaardige vaststelling gaat op voor de critici die bij de Dostoevskij-receptie betrokken waren: terwijl de meest toonaangevende critici in Duitsland en Frankrijk, Brandes uitgezonderd, kenners waren van de Russische literatuur in het algemeen of van Dostoevskij in het bijzonder, was het overgrote deel van de critici die hem in het Nederlandse taalgebied populariseerden niet eens in staat om hem in het origineel te lezen. Het lijstje met vroege Nederlandse Dostoevskij-critici die het Russisch machtig waren, bestaat uit slechts vier namen: de bankspecialist De Clercq, die geen noemenswaardige impact had, Wolfgang Van der Meij, wiens bewondering voor Dostoevskijs proza aanvankelijk zeer begrensd was, de hoogleraar Van Wijk, die het werk van de schrijver niet naar esthetische maatstaven beoordeelde, en tot slot Stokvis, die van allen het meest enthousiast, maar niet het meest invloedrijk was.
Aangezien de teksten die de vroege Nederlandse Dostoevskij-kritiek uitmaken in de regel geschreven zijn door niet-specialisten, is het niet verwonderlijk dat hierin een groot aantal buitenlandse invloeden vastgesteld werden. De Angelsaksische invloed was minimaal: enkel Dostoevskijs overlijdensbericht in De Portefeuille en de literatuurgeschiedenis van Kropotkin bereikten de Nederlandse lezers via de Engelse literatuur. Voor het overige werd de vroege Dostoevskij-kritiek in de Nederlandse literatuur bemiddeld door de Franse en Duitse literaturen, niet toevallig de naburige, meer centraal gepositioneerde polysystemen. Soms waren de Franse en Duitse invloeden verholen: het ogenschijnlijk originele artikel van ‘C.’ in De Amsterdammer is een vertaling van Courrière gebleken; Spin, die geen bronnen opgaf, stond onmiskenbaar onder invloed van De Vogüé; de literatuurgeschiedenis van Stokvis vertoont een aantal opmerkelijke overeenkomsten met Le roman russe. Het gros van de Nederlandse literatoren die Dostoevskij aanraakten verwees echter expliciet naar de positie van de schrijver in de Duitse en/of Franse literatuur. Bijvoorbeeld berichtte Van der Meer in De samenleving over het succes van het stuk Les frères Karamazov in Parijs, of had Nieboer het erover dat Dostoevskij op waarde werd geschat ‘door Franse schrijvers’. In veel gevallen werden de geconsulteerde buitenlandse critici met naam genoemd: Segers gaf als bronnen Courrière en De Vogüé op; Rössing gebruikte de autoriteit van Ebers, Heyse en Brandes om Schuld en boete aan te prijzen; N.J.B. van Het leeskabinet baseerde zich op Barine; Ten Brink haalde zijn mosterd vooral bij De Vogüé, maar consulteerde ook Haller en Dupuy; ook Henriëtte van der Meij was te rade gegaan bij De Vogüé; Brinkman verwees behalve naar niet nader genoemde Franse ‘critici van naam’ ook naar Ebers; zelfs Van der Meij, die Russisch kende, bouwde voort op De Vogüé; Vragen van den dag publiceerde een essay van Brandes in vertaling; tot slot verwees Van der Meer naar de Dostoevskij-appreciatie van een Suarès.
De blootgelegde buitenlandse invloeden laten er geen twijfel over bestaan dat de vroege Nederlandse Dostoevskij-kritiek meer nog afhankelijk was van Franse dan van Duitse bronnen, hoewel ook de laatste een prominente rol speelden. Het belang van Russische bronnen was dan weer minimaal. Vanuit het oogpunt van de polysysteemtheorie zijn deze invloeden bijzonder interessant (zie figuur 2). Ten eerste suggereren ze dat rechtstreekse contacten tussen het Nederlandse en het Russische literaire polysysteem vrijwel onbestaand waren – wat een indicatie is dat Russische literatuur als geheel in Nederland geen reëel prestige genoot. Ten tweede bevestigen ze de ondergeschikte status van de Nederlandse aan de Franse en Duitse literatuur in macroperspectief. Ten derde illustreren ze het belang van de ver-
Figuur 2. De bemiddeling van de Nederlandse Dostoevskij-kritiek
| Franse literatuur | |||
|
Nederlandse literatuur
|
Russische literatuur |
||
| Duitse literatuur | |||
vlochtenheid van de Franse en Duitse Dostoevskij-receptie: de Nederlandse receptie stond niet enkel onder Franse en Duitse invloed, maar ook onder Frans-Duitse invloed. Het meest doorslaggevend van al was de kritiek van De Vogüé, wiens Duitse roem ook zijn autoriteit in Nederland ongetwijfeld ten goede kwam. Zijn impact mag niet onderschat worden. Zijn artikelen in Revue des deux mondes en Le roman russe fungeerden niet enkel als bron voor de studies van belangrijke Nederlandse critici, zoals Ten Brink en Van der Meij, maar vonden wellicht ook een zekere verspreiding onder de Nederlandse lezers zelf. Tot de eeuwwisseling bleef de Nederlandse roem van Dostoevskij onlosmakelijk verbonden met de naam De Vogüé. Zijn autoriteit werd unaniem aanvaard. Slechts Van der Meij bekritiseerde hem op sommige punten, maar ook hij bevestigde de positie van de burggraaf als Dostoevskij-expert. Pas na 1906 trad er een verzelfstandiging op, in die zin dat er verscheidene studies over Dostoevskij het licht zagen waarin de invloed van De Vogüé minimaal of onvoelbaar was. De vaststelling dat de Nederlandse Dostoevskij-receptie gedurende twee decennia hoofdzakelijk gestuurd werd door de Franse kritiek in het algemeen en door die van De Vogüé in het bijzonder staat toe om de conclusie van Grübel (2008) dat de Nederlandse Dostoevskij-receptie in eerste instantie parallel verliep met de Duitse, en de Vlaamse met de Franse, naar het rijk der fabelen te verwijzen.[257]
Gezien de impact van Franse en Duitse critici, in het bijzonder van De Vogüé, is het niet verbazend dat Dostoevskij ook in het Nederlandse taalgebied vooral gepopulariseerd werd als evangelisch geïnspireerd kampioen der vernederden en gekrenkten, als sombere ervaringsdeskundige van het lijden en als meesterpsycholoog. Aan zijn humoristische dimensie werd nog minder aandacht geschonken dan in de Franse en Duitse kritiek. Zijn essayistiek en religieuze filosofie waren hetzelfde lot beschoren. In Nederland was er nog een grotere consensus dan in Duitsland en Frankrijk dat Dostoevskijs beste werken Prestuplenie i nakazanie, Zapiski iz mërtvogo doma en Bednye ljudi waren. Bovendien was men het er ook over eens dat hij leed aan esthetische tekortkomingen als verwardheid, langdradigheid en een slechte schrijfstijl, wat niet uitzonderlijk in verband werd gebracht met zijn Russische nationaliteit. Deze appreciaties getuigen van imitatiegedrag, maar ook van gedeelde literaire normen. Overigens zijn ze ook terug te vinden in sommige antwoorden op de Dostoevskij-enquête van De stem. Zo heeft Herman Hana naar eigen zeggen veel overgeslagen bij het lezen van Dostoevskijs latere werken omdat ‘het eindeloos gezwam’ hem te veel werd.[258]
Ondanks de treffende gelijkenissen was de Nederlandse Dostoevskij-kritiek niet over de gehele lijn een inhoudelijke imitatie van de Franse of Duitse. Af en toe werd een originele klemtoon gelegd, die in veel gevallen kan worden verklaard door de achtergrond en agenda’s van de critici in kwestie. Zo had Segers er gezien zijn nationalistische instelling belang bij om de somberheid van Dostoevskij in de verf te zetten. In 1888 propageerde de hoogleraar Ten Brink hem als bron van kennis over de Russische maatschappij. Van der Meij, die als een van de weinigen Russische biografieën kon raadplegen, spande zich in om de persoon van de schrijver te verheerlijken in evangelische zin. Spin, die verbonden was met de arbeidersbeweging, benadrukte dat Dostoevskij door sociaal onrecht werd bewogen. Met de bedoeling om de Russische onlusten te begrijpen, zocht Van Wijk in hem een kenner van de Russische volksmentaliteit. Querido, die zelf grote interesse had voor misdadigers, beschouwde de Russische schrijver dan weer in de eerste plaats als criminoloog.
Tot slot is er nog een opvallend inhoudelijk verschil tussen de Franse en de Nederlandse Dostoevskij-kritiek: de Nederlandse critici waren nog veel sterker dan hun Franse en Duitse collega’s geneigd om de Russische schrijver te beoordelen met ethische maatstaven. Dit gebeurde meestal in het nadeel, maar soms ook in het voordeel van Dostoevskij. Zo waarschuwde Segers in 1885 voor het moreel bedenkelijke in Dostoevskijs proza. In 1886 oordeelde ‘W’ in Nederland dat Schuld en boete walgelijk en de kunst onwaardig was. Vermomd als Prawda-Matka opperde Van der Meij in hetzelfde jaar dat deze roman in morele zin niet geschikt was voor gewone lezers. In 1889 hekelde hij de zucht van Dostoevskij om ‘de lezers te kwellen’, maar bij de behandeling van zijn leven schilderde hij hem af als een stichtelijke mensenvriend. Brinkman stelde in 1887 dat de biografie van de auteur een garantie vormde voor de stichtelijke kwaliteiten van zijn proza, en dat de sporen van ‘ruwheid en platheid’ in De misleide geëlimineerd waren. Ten Brink waarschuwde in 1889 dat sommige beschrijvingen in Zapiski iz mërtvogo doma ‘de toorn der beschaafde lezers’ wekten. Gelijkaardige appreciaties zijn terug te vinden in de antwoorden op de Dostoevskij-enquête die De stem organiseerde in 1921. Johannes Tielrooy benadrukte dat van Prestuplenie i nakazanie, dat hij las in 1905, een gevaarlijk invloed uitging: ‘Hoe vaak heb ik een mijner naaste familieleden onthutst door het betoog dat moord met voorbedachten rade nog zoo kwaad niet is’.[259] D. Th. Jaarsma voelde in de persoonlijkheid van de schrijver een ‘vijandig element van opzettelijke overschrijding van uitersten’, wat hij beschouwde als ‘een spiritueel gevaar’.[260] Ine Van dillen had na het lezen van Schuld en boete de indruk ontsnapt te zijn ‘aan donkere gevaren’.[261] H.T. de Graaf zei over zijn lectuur van Raskolnikow in 1898: ‘Ik vond het zoo verschrikkelijk, het greep mij zoo ontzettend aan, dat ik het niet kon uitlezen’.[262] Dit soort evaluaties, die een deel van de specificiteit van de Nederlandse Dostoevskij-receptie uitmaakte, illustreert dat de literatuur in Nederland op het einde van de 19e eeuw in de ogen van velen nog altijd een ethische functie moest vervullen. Dit maakt het tenminste ten dele begrijpelijk waarom de houding van het grote Nederlandse leespubliek jegens Dostoevskij, die in veel opzichten beschouwd kan worden als een subversief schrijver, er één was van desinteresse en weerstand, zoals Prins in 1885 en Nieboer in 1916 vaststelden en betreurden.
Het in dit deel voorgestelde onderzoek heeft aangetoond dat de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij niet van een leien dakje liep. Hij werd niet, zoals in Duitsland en Frankrijk wel het geval was, op minder dan een half decennium tijd in het centrum van de literatuur gekatapulteerd. De krachtigste drijfveer achter zijn Nederlandse receptie was onmiskenbaar intersystemisch imitatiegedrag. Het was aan zijn succes in Duitsland en Frankrijk te danken dat Dostoevskij tout court op een zekere schaal de grenzen van de Nederlandse literatuur kon penetreren. Alles wijst er echter op dat zijn algemene positie als schrijver in dit polysysteem in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog perifeer is gebleven. Dit laat zich verklaren door intrasystemische weerstand, meer bepaald door een toenemend streven naar een autonome Nederlandse literatuur en door de ethische bezwaren die Dostoevskij te beurt vielen. Het enige van zijn werken dat werkelijk prestige verwierf, was Schuld en boete. Vanuit de periferie kon Dostoevskij niet dezelfde primaire of modelfunctie vervullen die hem toegedicht werd in de Duitse en Franse literaturen. De Scyth werd geen kans tot revolutie gegund. Volgens de polysysteemtheorie wekken deze vaststellingen het vermoeden dat Dostoevskijs Nederlandse vertalers, die rekening moesten houden met de verwachtingen van uitgevers, critici en lezers, eerder streefden naar acceptabiliteit dan naar adequatie, dat ze met andere woorden liever Dostoevskij aanpasten aan de normen van de Nederlandse literatuur dan dat ze lezers uitnodigden tot het ontdekken van een potentieel bevreemdende esthetica. Het onderzoeken van deze hypothese, die strookt met de vaststelling dat de Nederlandse Dostoevskij-vertalingen systematisch het werk waren van vertalers zonder kennis van het Russisch en door de critici slechts beoordeeld werden op hun leesbaarheid, is het ambitieuze opzet van het volgende deel van dit boek.
[1] Het betreft een recensie van de vertaling Witte nachten (1907).
[2] Zo ontbreekt het Dostoevskij-artikel van de Vlaamse criticus Gustaaf Segers (1885), dat gelijktijdig in Nederland en Vlaanderen verscheen, zowel bij Kingma (1981) als bij Roemans (1930). De referenties hiervan werden gevonden bij Gobbers (1984).
[3] Tot de geviseerde bladen behoren onder andere de volgende Nederlandse titels: De Amsterdammer (http://zyarchive.groene.nl/dga/); Het Centrum, De Nieuwe Rotterdamsche Courant, Het Vaderland en Het Volk (http://kranten.kb.nl/index.html); Elsevier (http://www.elseviermaandschrift.nl/). Voor Vlaanderen werd onder meer vruchteloos naar Dostoevskij-kritieken gezocht in de database Historische Kranten (http://www.historischekranten.be/), die 42 kranten bevat.
[4] Geciteerd naar Willemsen (1989b: 69)
[5] Zie Jans (1952: 13).
[6] Zie Willemsen (1989b: 70-3).
[7] Zie Van den Berg & Couttenier (2009: 556-7).
[8] Ibidem (596).
[9] Vertaling van Marie van Thilo, uitgegeven te Londen bij Longmans, Green en co.
[10] Uitgegeven bij M. M. Olivier te Amsterdam. Dit boek werd lovend gerecenseerd in De gids (jaargang 1887, p. 359-65) door F.S. van Nierop.
[11] Gepubliceerd in 1875 te Rotterdam.
[12] Deze recensie is niet opgenomen in de bibliografie van Kingma (1981).
[13] Cursivering toegevoegd.
[14] Bij zijn deelname aan de Dostoevskij-enquête van het tijdschrift De stem zou Prins in 1921 meedelen dat hij voor het eerst kennismaakte met Dostoevskij via de vertaling van Victor Derély. Dit in juli ‘1886’ [sic], toen de Russische schrijver in Nederland ‘nog zoo goed als onbekend was’. Zie Coster (1921a: 1106).
[15] Geciteerd naar Robbers (1925: 42).
[16] Geciteerd naar Prick (1971: 47).
[17] Zie Prick (1971: 47).
[18] Zie Jans (1952: 43).
[19] Zie Coster (1921a: 1107).
[20] Dit artikel, hoewel ook gepubliceerd in Amsterdam, is niet opgenomen in de bibliografie van Kingma (1881).
[21] De hier vermelde biografische inlichtingen zijn afkomstig van Van den Branden & Frederiks (1891).
[22] In tegenstelling tot wat Gobbers (1984: 5) beweert.
[23] Zie supra.
[24] Cursivering toegevoegd.
[25] Terloops zij opgemerkt dat de suggestie van Gobbers (1984: 3) dat Segers onder de indruk zou zijn geweest van De Vogüés uitroep ‘Voici venir le Scythe, le vrai Scythe, qui va révolutionner toutes nos habitudes intellectuelles!’ niet kan kloppen: zoals eerder besproken, kregen deze woorden namelijk pas in Le roman russe (1886) betrekking op Dostoevskij.
[26] Van den Berg & Couttenier (2009: 533).
[27] Zie Van den Berg & Couttenier (2009: 536).
[28] Zie Anbeek (1999: 22).
[29] Willemsen (1993: 183) suggereert dat het hoofdzakelijk aan Busken Huets artikelen te danken was dat na 1885 Nederlandse vertalingen het licht zagen van Tolstoj, Gončarov, Gogol’, Dostoevskij en Ostrovskij. Het aandeel van andere critici, zoals Ten Brink (zie infra), is hierdoor ten onrechte verwaarloosd.
[30] Dit meent ook Willemsen (1989b: 74).
[31] Zie Schenkeveld, & Wiel (1995).
[32] Uitgezonderd natuurlijk bewerkingen en herdrukken van Schuld en boete.
[33] Wel staat ene ‘P. Swaan’ vermeld als een van de auteurs van Reizen naar Nederlandsch Nieuw-Guinea ondernomen op last der regeering van Nederlandsch-Indië in de jaren 1871, 1872, 1875-1876. Het betreft een bundel reisverslagen in 1879 uitgegeven door Martinus Nijhoff te ‘s Gravenhage, waar ook A. Rössing zijn uitgeverij had. Of deze ‘P. Swaan’, die van beroep luitenant ter zee was, de vertaler is van Schuld en boete valt echter zwaar te betwijfelen.
[34] Zie infra.
[35] Bijvoorbeeld in het eerder besproken werk Geschichte der russischen Literatur van Von Reinholdt (1886).
[36] Zie Rössing (1885: 16). Vreemd is dat deze advertentie over Huet meedeelt dat hij ‘den roman naar de Fransche vertaling Misdaad en Wraak [sic] behandelt’.
[37] Enkel de recensies in de twee eerstgenoemde tijdschriften werden vermeld door Kingma (1981: 156, 172). Bel (1993: 43, 348) wijst op het bestaan van recensies in de andere bladen.
[38] Het valt niet uit te sluiten dat deze recensent een van de alter ego’s is van Wolfang van der Meij (zie infra). Het is immers bekend dat hij voor het maandschrift Nederland, dat hem kende als een specialist van Slavische letteren, in deze periode regelmatig kritieken schreef. Zie Van de Schoor (2000). Dit zou betekenen dat de ex-militair zijn evaluatie, of toch de presentatie ervan, bewust aanpaste in functie van het beoogde publiek, of dat hij op korte tijd een grote evolutie onderging.
[39] Dit weekblad over wetenschap, kunst en literatuur had op de keper beschouwd geen uitgesproken literair programma. Zie Van den Berg & Couttenier (2009: 493).
[40] Over het leven,, het werk en de persoon van Van der Meij worden inlichtingen verstrekt door Van den Branden & Frederiks (1891), Smit Kleine (1915) en Willemsen (1989c: 68-9).
[41] Zie Willemsen (1993: 186).
[42] Zoals opgetekend door Smit Kleine (1915: 208).
[43] Mogelijk lag de Russisch-Turkse oorlog aan de grondslag van de weigering. Zie Willemsen (1993: 187).
[44] Zie Van de Schoor (2000).
[45] Zie Maas (1998: 73). Deze relevante informatie ontbreekt bij Willemsen (1989c, 1993), die het heeft over Van der Meijs vergeten en miskend pionierschap.
[46] Volgens Willemsen (1989c: 68) is deze titel wellicht de allereerste Nederlandse literaire vertaling die rechtstreeks uit het Russisch tot stand is gekomen.
[47] Zie Maas (1998: 74). Deze feiten ontbreken in de publicaties van Willemsen (1989c, 1993) over Van der Meij.
[48] Zie Van de Schoor (2000).
[49] Zie Willemsen (1990: 69; 1993). Ook in zijn studie over de Nederlandse receptie van Gogol’ heeft Willemsen (2004) van de ex-militair een dergelijk beeld opgehangen, met uitspraken als ‘Terwijl Van der Mey jarenlang vergeefs zijn best deed om zijn landgenoten voor de Russische literatuur te interesseren, slaagde Huet moeiteloos.’
[50] Zie Cornelissen (2001: 62).
[51] De oprichters waren Hermann Leonard Berckenhoff (1850–1918), directeur van de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam, en Jan Cornelis de Vos (1855-1931), toneelspeler, schrijver en journalist. Zie Busken Huet & Ten Brink (1965: 219) en Emants (1962: 100).
[52] Zie Ter Laan (1952).
[53] Over Ten Brink worden biografische inlichtingen verstrekt door Van den Branden & Frederiks (18891: 114-5), Smit Kleine (1889), Prinsen (1914), Ter Laan (1952: 72-3) en Wage (1985).
[54] Zie Van Loghem (1907: 142).
[55] Geciteerd naar Smit Kleine (1889: 469)
[56] Toevallig draagt het geconsulteerde exemplaar van de geschiedenis van Haller, dat bewaard wordt in de Universiteitsbibliotheek van Nijmegen, de stempel ‘Dr. J. ten Brink’. Het boek behoorde dus tot zijn privécollectie.
[57] De consequentie hiervan is dat zijn lezer geconfronteerd werd met het exotiserende vocabularium, bijvoorbeeld ‘batuchka’ (vadertje) en ‘dvornik’ (portier), waaraan de Franse vertalingen uit het Russisch ten tijde van de Ruslandmode zo rijk waren. Zie infra.
[58] Pseudoniem van Nicolaas Beets.
[59] Cursivering toegevoegd.
[60] Cursivering toegevoegd.
[61] Voor biografische inlichtingen over Henriëtte van der Meij, zie Campfens (1988).
[62] Zie Waegemans & Willemsen (1991: 173).
[63] Zie Kingma (1981: 159).
[64] Zie Rössing (1887b: 8; 1887c: 8).
[65] Zie Bel (1993: 81).
[66] Wellicht gaat het om de Amsterdamse literator en dichter Josephus Albertus Alberdingk Thijm (1820-89), die onder hetzelfde pseudoniem publiceerde in bladen als De kunstkroniek en Dietsche Warande. Zie De Kempenaer (1970: 37).
[67] Brinkman is de eerste auteur van de beroemde cumulatieve bibliografie van Nederlandse schrijvers. Voor meer bibliografische inlichtingen, zie Zuidema (1914).
[68] Zo wordt Unižennye i oskorblënnye door Frank (1986: 110) in zijn gezaghebbende biografie geëvalueerd als ‘by far the weakest of Dostoevsky’s six major post-Siberian novels’.
[69] Zie Winckel-bediende (1921: 184).
[70] Zie Anbeek (1999: 40).
[71] Cursivering toegevoegd.
[72] De titelpagina van het geraadpleegde exemplaar, bewaard in de Leuvense universiteitsbibliotheek, draagt het signatuur van de Tachtiger Albert Verwey.
[73] Met name in Caesar (1898) zou de gelijkenis treffend zijn.
[74] Geciteerd naar Anbeek (1999: 44).
[75] Geciteerd naar Van den Berg & Couttenier (2009: 615).
[76] Zie Prick (1974)
[77] Zie Van den Berg & Couttenier (2009: 615).
[78] Bijvoorbeeld meent de anonymus (1887a: 56) in Het leeskabinet dat de Russen met het woord ‘otchaïanie’ een opgewonden toestand benoemen ‘waarvoor wij geen woord hebben, omdat die toestand ons onbekend is’. Vergelijk met De Vogüé (1885: 327): ‘l’otchaïanié, cet état de cœur et d’esprit pour lequel je m’efforce vainement de trouver un équivalent dans notre langue.’
[79] Zie N.J.B. (1886: 67).
[80] Zie supra.
[81] Zie Waegemans & Willemsen (1991: 384).
[82] Zie infra.
[83] Anonymus in De tijdspiegel (1887: 109).
[84] Het betreft De kozakken (1886), Mijn geloof (1887), de verhalenbundel De dood (1888) en De zwanezang. Geschiedenis van een musicus (1889). De laatstgenoemde titel werd uitgegeven door W.A. Morel in Den Haag. Vermoedelijk is F. van Burchvliet dezelfde persoon als ‘A. van Burchvliet’, die vermeld staat als vertaler op de titelpagina van Mijne gedenkschriften. Kindsheid-Jeugd-Jongelingsjaren (1887), eveneens verschenen bij Rössing. Zie Waegemans & Willemsen (1991: 383 e.a.)
[85] Dit is inderdaad het geval, zie infra.
[86] De recensent H.N. is niet opgenomen in het woordenboek van De Kempenaer (1928).
[87] Hij heeft het over ‘D. van Burchtvliet’ in plaats van ‘F. van Burchvliet’.
[88] Bedoeld wordt Het meisje met de zwavelstokjes.
[89] Zie infra.
[90] Cursivering toegevoegd.
[91] Zie Kingma (1981: 159).
[92] Ibidem (13).
[93] Vertaald uit het Frans door Cora, uitgegeven te Corinchem door J. Noorduyn en Zoon.
[94] Fout is de uitspraak van Ten Brink (1888: 583) dat dit Dostoevskijs tweede roman ‘na zijne lijdensjaren in Siberië’ is: het is namelijk zijn eerste post-Siberische roman.
[95] Bednye ljudi was reeds vertaald in 1887 (zie supra).
[96] Dit gaf Van der Meij (1888: 1) zelf te kennen.
[97] Namelijk Katia (1886) bij Van Kampen & Zoon, De kozakken (1886), Mijn geloof (1887), Mijne gedenkschriften. Kindsheid-Jeugd-Jongelingsjaren (1887) en De dood (1888) bij Rössing, De macht der duisternis (1887) bij Rössing en Laures van Hulst, De weg ten leven (1887) bij de Gebroeders Hoitsema, Anna Karenina (1887) bij de Gebroeders Hoitsema en Blok & Co, Jeugd en jongelingsjaren (1887) bij Boon, Oorlog en Vrede (1887) bij Quint, Polikouchka (1887) bij Land, Iwan de Onnoozele en andere verhalen (1887) bij De erven F. Bohn, In den Kaukasus (1889) bij Hilarius Wz. en De zwanezang (1889) bij Morel. Voor de volledige bibliografische referenties, zie Waegemans & Willemsen (1991: 298-328). De bundel Iwan de Onnoozele en andere verhalen is in hun bibliografie niet opgenomen, maar komt wel ter sprake bij Van der Meij (1888: 314).
[98] Anonymus in De portefeuille (1888: 12).
[99] Anonymus in De portefeuille (1888: 12).
[100] Van der Meij (1889: 391) gaf zelf aan dat zijn levenschets ‘nog vele leemten’ bevatte.
[101] De Vogüé krijgt in ‘De Russische schrijver Gogol en zijne werken’ kritiek te verduren. Van der Meij (1887: 14) wrijft hem bijvoorbeeld aan Gogol’ al te veel schoongewassen te hebben van smetten. Niettemin is de hand van de burggraaf goed voelbaar. Zo komt ook bij Van der Meij (1887: 42) het gevleugeld woord ter sprake volgens welk alle Russische romanschrijvers zijn voortgekomen uit Gogol’s Šinel’ (De mantel). Willemsen (1991c: 72) merkte ook al op dat de liefhebber van Russische letteren ‘voor zijn […] gedebiteerde wijsheden’ te rade was gegaan bij ‘het door hem zeer geprezen boek van De Vogüé’.
[102] Geciteerd naar Maas (1998: 75-6), cursivering toegevoegd. Deze uitspraak, die significant is voor de Van der Meijs houding ten opzichte van literatuur, ontbreekt in het rijkelijk gedocumenteerde artikel van Willemsen (1993).
[103] Van der Meij (1889: 9).
[104] Van der Meij (1889: 12) acht het een gelukkige zaak dat de bonne er vaak in slaagde om de kinderen te beschermen ‘tegen den vaderlijken toorn’. Deze uitspraak lijkt Willemsen (1889d: 66) ontgaan te zijn, want hij verbaast er zich over dat de Nederlandse slavist avant la lettre het in tegenstelling tot ‘biografen na hem’ niet heeft over ‘een tirannieke vader’.
[105] Deze uitspraak is in strijd met het beeld dat Frank (1979: 115), die nog beter gedocumenteerd is dan Van der Meij (1889), van Dostoevskij ophangt. Op basis van allusies in een brief veronderstelt hij namelijk dat ‘when the occasion arose, Dostoevsky did not deprive himself of the other pleasures readily available to young men in the capital’.
[106] Van der Meij (1889: 35). Dat Dostoevskij het gelaat had van een moezjiek was een vondst van De Vogüé (1885: 351-6).
[107] Van der Meij (1889: 38) heeft het over ‘Netoschka Nezwnowna’.
[108] In dit laatste verband wordt zijn mysticisme gehekeld: Van der Meij (1889: 127) meent dat zijn discours over ‘de Russische ziel’ bestaat uit ‘holle klanken’.
[109] Van der Meij (1889: 134)
[110] Ibidem (144)
[111] Ibidem (119)
[112] Ibidem (156)
[113] Het personage Bumštejn uit Zapiski mërtvogo doma is bijvoorbeeld een praktiserende jood, terwijl er volgens de registers van het gevangenisarchief in de jaren van Dostoevskijs dwangarbeid geen praktiserende joden onder de gedetineerden waren. Zie Frank (1986: 216).
[114] Van der Meij (1889: 151)
[115] Zie supra.
[116] Zie Van den Berg & Couttenier (2009: 503).
[117] Van der Meij (1889: 278)
[118] Ibidem (290)
[119] Ibidem (302).
[120] Ibidem (355).
[121] Zie Waij (2004: 36)
[122] Zie Duijx & Linders (1991: 7)
[123] Zie Scheffer (2008)
[124] Zie Waij (2004: 41).
[125] C.A. La Bastide wordt namelijk als vertaalster opgegeven van De toren van Taddeo van Ouida, De verjongingskuur van juffrouw Semaphore van Hal Godfrey, Een roos van gisteren van F. Marion Crawford en Kleopatra van George Ebers.
[126] Zie Waegemans & Willemsen (1991: 298-328).
[127] Zie Jans (1952: 35).
[128] Zie Bel (1993: 94).
[129] Zie een anoniem redactielid van De Amsterdammer (1891: 4).
[130] Anonymus (1889: 3) in De Amsterdammer.
[131] Zie hierover een artikel van een anonieme recensent in De portefeuille (1889).
[132] De telling is gebeurd op basis van de bibliografie van Waegemans & Willemsen (1991: 298-328). De herdrukken, ongedateerde boeken en publicaties in Vlaanderen werden niet meegerekend. Zoals bekend, verschijnen vanaf 1902 in Vlaanderen vertalingen van Tolstój door Stijn Streuvels. Bijvoorbeeld Vertellingen en Geluk in het huishouden bij Victor de Lille te Maldegem.
[133] Respectievelijk uitgegeven in 1895 te Amsterdam bij S.L. van Looy, in 1897 te Haarlem bij Vrede, in 1898 in Den Haag bij Vrede en te ‘s-Gravenhage bij Vrede.
[134] Respectievelijk uitgegeven in 1892 te ‘s-Gravenhage bij B. Liebers & Co, in 1894 te Sneek en Zalt-Bommel bij J.W. Muller & H. Pyttersen en H.L. van de Garde & Co, in 1903 bij Vrede te Amersfoort en in 1899 te Amsterdam bij S.L. van Looy.
[135] Door de uitgever H.A. Stadermann.
[136] In Leiden bij A.H. Adriani. Het betreft een vertaling van Chozjain i rabotnik (1895).
[137] In Rotterdam bij de Rotterdamsche uitgeversch-maatschappij.
[138] In ‘s Gravenhage bij Vrede. Het betreft een vertaling van Voskresenie.
[139] In Blaricum bij Vrede. De bundel in kwestie bevat negen kortverhalen.
[140] Het betreft respectievelijk een uitgave van H. Honig te Utrecht en Cohen zonen te Amsterdam.
[141] Respectievelijk bij J.T. Swartsenburg te Gouda en bij J.C. Auf der Heide en D. Bolle te Amsterdam en Rotterdam. Het eerstgenoemde verhaal is een vertaling van Semejnoe sčast’e (1859).
[142] Deze grafiek is gebaseerd op gegevens afkomstig uit de bibliografie van Waegemans & Willemsen (1991).
[143] Bel (1993: 97).
[144] Zie supra.
[145] Zie Scheffer (1988).
[146] Dit blijkt uit een getuigenis van de Nederlandse grafisch ontwerper en literator Pieter Hendrik van Moerkerken (1877-1951), op wie dit fragment naar eigen zeggen ‘een zeer groten indruk’ maakte. Zie Coster (1921a: 1061).
[147] Frank (1979: 6).
[148] Ibidem.
[149] Met deze initialen werd een reeks van drie recensies afgesloten. Het is daarbij niet duidelijk wie wat geschreven heeft.
[150] Dit is een betwistbare uitspraak, aangezien de meeste van Dostoevskijs romans zich afspelen buiten Moskou.
[151] Bijvoorbeeld hekelde een anonieme recensent (1901: 4) van De Amsterdammer de stelling van Vermeylen dat de Vlaamse literatuur waardevolle motieven haalde uit binnen- en buitenlandse voorbeelden. Als voorbeeld werd vermeld dat Stijn Streuvels inspiratie putte uit Gezelle, Tolstoj, Dostoevskij en Andersen.
[152] Dit blijkt uit zoekopdrachten uitgevoerd in het gedigitaliseerde archief van De groene Amsterdammer. Hierbij werd een veelheid aan zoektermen gebruikt. Voor Dostoevskij o.a. ‘Dostojevski’, ‘Dostojewski’, ‘Dostojevsky’, ‘Dostojewsky’, ‘Dostoievsky’, ‘Dostojefski’, ‘Dostojeffski’, ‘Dostojefsky’, ‘Dostojeffsky’, ‘Dostoiefsky’ en ‘Dostoiefski’. In het geval van Tolstój werd gezocht naar ‘Tolstoj’, ‘Tolstoi’, ‘Tolstoy’ en ‘Tolstoï’.
[153] De zoekopdrachten in het gedigitaliseerde archief van Elsevier’s maandschrift werden uitgevoerd aan de hand van dezelfde zoektermen als bij De groene Amsterdammer.
[154] De uitspraak in kwestie was niet afkomstig van Dostoevskij, maar van de dichter Tjutčev, zoals De Vogüé (1886: 242-3) nochtans duidelijk vermeldt.
[155] Zie Harmsen & Schrevel (2001).
[156] Zie een anonieme recensent van De Gids (1897: 170).
[157] Zie ‘Heijermans Jr, Herman’ in Ter Laan (1952).
[158] Namelijk G. W. Vreede (Leiden, 1883), Prof. Mr. G. W. Vreede (Utrecht, 1885), Geschiedkundige getuigenissen en herinneringen over de houding van Z. Ex. Mr. A.F. de Savornin Lohman gedurende en na de overrompeling van de Nieuwe Kerk te Amsterdam (1890) en De Minister van Kolonieën en zijn tegenstanders (1890). De twee laatstgenoemde titels worden vermeld in het naslagwerk van De Kempenaer (1970: 314, 431) onder de lemmata ‘Marnix’ en ‘Staatsman. Een – in ruste’.
[159] Zie Spin (1898: 464). Mogelijk heeft zijn wel zeer denigrerende etiquettering van Nederlandse schrijvers ertoe bijgedragen dat de redactie van De jonge gids zich van hem distantieerde – wat zeer ongebruikelijk was. Zo was de dichter De Génestet in zijn ogen ‘een zanger van onderonsjes’ en Beets ‘een zanger van la poësie [sic] du foyer’.
[160] Zie anonymus (1898b: 2).
[161] Bijvoorbeeld werd aangehaald dat Spin in alle ernst zijn barbier benoemd had tot burgemeester van de gemeente Harderwijk en hem een kapperswinkel in Amsterdam met zes bedienden beloofd had. Zijn slager had hij dan weer aangesteld tot inspecteur van het Nederlandse krankzinnigenwezen met een jaarwedde van 2000 gulden. Ook lag hij in de instelling waar hij verbleef voortdurend op zijn bed te zingen, zichzelf daarbij te pas en te onpas onderbrekend om een preek af te steken over sociale kwesties ‘waarop een dominé trotsch zou zijn’.
[162] Op het einde van zijn tweede artikel heeft Spin (1898b: 639) het slechts eenmaal over niet nader genoemde ‘biographen’.
[163] Een selectie van passages ter vergelijking: ‘Seul le travail le consolait et le ravissait’ (De Vogüé 1886: 208), ‘De arbeid is de eenige vreugde’ (Spin 1898a: 551); ‘Le nom et l’ouvrage de Silvio Pellico ont fait le tour du monde civilisé […] Est-ce que les larmes russes seraient moins humaines que les larmes italiennes?’ (De Vogüé 1886: 224-5), ‘Wat beteekenen Silvio Pellico’s I miei prigioni vergeleken bij de Herinneringen aan het huis der Dooden?’ (Spin 1898a: 553). ‘il [Dostoésvkij] expliquera pour la centième fois […] les sens mystique que l’homme du peuple en Russie attache à la souffrance’ (De Vogüé 1886: 228), ‘De Russen ondervinden een bijzondere wellust onder al het lijden dat hun wordt opgelegd’ (Spin 1898b: 632); ‘Dostoïevsky se laissa absorber par les travaux du journalisme […]; il y a usé la meilleure partie de son talent et de sa vie’ (De Vogüé 1886: 242), ‘Dostojewsky greep […] naar de journalistenpen: hij verspilde zijn kracht in weinig beteekenende dagbladartikelen’ (Spin 1898b: 633); ‘L’étudiant Raskolnikof, un nihiliste au vrai sens du mot, très intélligent, sans principes, sans scrupules, accablé par la misère’ (De Vogüé 1886: 247), ‘Een zekere Raskolnikoff, een student op en top een nihilist, zonder beginselen, zonder geweten, zeer verstandig en doodarm’; etc.
[164] Cursivering toegevoegd.
[165] De eerste zin luidt namelijk ‘В отдаленных краях Сибири…’ (Dostoevskij IV: 5). In vertaling: ‘In de afgelegen streken van Siberië…’.
[166] Zie Spin (1898: 636).
[167] Het betreft onmiskenbaar een vertaling van de Franse titel La croissance, die De Vogüé (1886: 265) voor Podrostok had bedacht.
[168] Zie supra.
[169] Cursivering toegevoegd.
[170] Spin (1898a: 553).
[171] Zie Bel (1993: 171).
[172] Van Gor’kij verschenen vanaf 1901 tot en met 1907 ieder jaar één of twee nieuwe Nederlandse vertalingen. Hierna viel de interesse van de uitgevers voor hem weg tot 1911. Zie Waegemans & Willemsen (1991: 201-10).
[173] Zie Een winckel-bediende (1918: 164-5).
[174] Deze grafiek is gebaseerd op gegevens afkomstig uit de bibliografie van Waegemans & Willemsen (1991).
[175] Volgens Van Deyssel ontbrak het Priem aan persoonlijk talent en waren zijn gedichten imitaties van Van Eeden en Verwey. Zie Warren & Molegraaf (1996: 139).
[176] In Groot-Nederland schreef een recensent met het pseudoniem ‘v.N.’ (1903: 590) dat Priem misschien wel ‘accuraat’, maar ‘op weinig bladzijden artistiek werk had geleverd’.
[177] Zie Robbers (1904: 621).
[178] Deze samenwerking is niet geheel onbesproken gebleven. Meer bepaald heeft de uitgave De Mata-Hari kwestie: wat zij was en wat zij werd (1907) de reputatie van Veldt en Priem ernstige schade toegebracht. Dit werk werd gepresenteerd als de neerslag van een interview met Mata-Hari, terwijl Priem het gesprek in feite ‘van begin tot het einde uit zijn duim had gezogen’. Zie Linssen (2007).
[179] Craft & co wordt vermeld als uitgever van De boeddhistische catechismus van H.S. Olcott en van de volgende drie ongedateerde, uit het Duits vertaalde titels van E. Bischoff: De Koran, Talmud-Catechismus en De kabbala: inleiding tot de Joodsche mystiek en geheime wetenschap. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de publicaties Sexueele ethica van A. Forel en De vrouw, de biecht en Prof Dr A. Forel van H.J. van Vorst. Deze laatste auteur was een katholiek priester die zich had ontpopt tot voorvechter van de Nederlandse arbeidersbeweging en marxist sui generis. Zie Van Dun (1995).
[180] Zie Keyser et al. (2001: 83).
[181] Het is dus geen vertaling van Revnivyj muž (De jaloerse man), zoals de bibliografie van Waegemans en Willemsen (1991: 161) aangeeft.
[182] Zie infra.
[183] Zie Blom (1995).
[184] Zie Van Huizen (1907: 3).
[185] De levensbijzonderheden zijn verstrekt door zijn broer J.E. Stokvis (1950).
[186] J.E. Stokvis (1950: 169).
[187] Namelijk Patriotisme en staat, Moderne slavernij en Aan het arbeidende volk. Zie supra.
[188] Anonymus in Het volk (1912: 4).
[189] Deze recensies worden niet vermeld door Kingma (1981).
[190] Dit pseudoniem is niet opgenomen in het woordenboek van De Kempenaer (1970). De identiteit van de auteur werd niet achterhaald.
[191] De combinatie van het veel voorkomende pseudoniem ‘B’ en het tijdschrift De tijdspiegel komt in het woordenboek van De Kempenaer (1970) niet voor.
[192] Uiteraard verwart de recensent hier Turgenev met Gogol’, wiens hoofdwerk Mërtvye duši (Dode zielen) is.
[193] Zie Waegemans & Willemsen (1991: 173).
[194] Anonymus in Het volk (1911: 4).
[195] Deze recensie wordt vermeld door Roemans (1930: 416).
[196] Zie Van Gorp (z.d.).
[197] Zie Ter Laan (1952) en Van Bork (2004a).
[198] Zie Ter Laan (1952).
[199] De Ridder (1907: 59).
[200] Zie Verstraete-Vande Wiele (1995: 228, 243). Toch koesterde Streuvels ook grote belangstelling voor Dostoevskij, zoals Tavernier (2000: 123, 127) uiteenzet: de Vlaming had kennis met hem gemaakt via de 1892-uitgave van Le roman russe en via de in 1897 gepubliceerde Franse vertaling van Netočka Nezvanova door Halpérine-Kaminsky.
[201] De hier volgende biografische aantekeningen zijn gebaseerd op Kuiper (1944) en Hinrichs (2005). Voor een kritische bespreking van Hinrichs’ biografie, zie Schaeken (2007).
[202] De oprichting van de Leidse slavistiek had een halfslachtige voorgeschiedenis. In 1599 werd aan de Pool Fernandus Philippus de toestamming gegeven om Slavische taalvakken te onderwijzen. Hij overleed echter in het erop volgende jaar, waarna een dergelijk initiatief uitbleef tot het einde van de 19e eeuw. Toen kregen Slavische talen een rol toebedeeld in de comparatieve linguïstiek, zoals die bedreven werd door H. Kern. Bovendien richtte hij een college Russisch in. Kort na de eeuwwisseling kwam deze taak enige tijd in handen van zijn zoon J.H., die privé-docent was. Zie Kuiper (1944: 161).
[203] Centraal staan Rudin uit de gelijknamige roman van Turgenev, Bazarov uit Otcy i deti (Vaders en zonen), Evgenij Onegin uit Puškins gelijknamige roman in verzen, Pečorin uit Geroj našego vremeni (Een held van onze tijd) van Lermontov, Oblomov uit de gelijknamige roman van Gončarov en Foma Gordeev uit de gelijknamige roman van Gor’kij.
[204] Van Wijk (1904: 486-7).
[205] Zie Hinrichs (2005: 172).
[206] Cursivering toegevoegd.
[207] ‘Ничего’ is Russisch voor ‘niets’.
[208] Van Wijk (1907: 179).
[209] Deze speculatie is enigszins aanvechtbaar. Ten overstaan van zijn tijdgenoot Suvorin zou Dostoevskij namelijk gezegd hebben dat Alëša in het vervolg op Brat’ja Karamazovy een anarchrist zou worden en de tsaar zou doden. Zie Frank (2003: 727).
[210] Geciteerd naar Hinrichs (2005: 89), uit een brief van 10 september 1907.
[211] Zie Hinrichs (2005: 91).
[212] Zie Molenaar (2003: 115).
[213] Zie Ter Laan (1952) en Van den Branden & Frederiks (1891).
[214] Allicht betreft het een tik- of zetfout, aangezien het bijschrift van Dostoevskijs portret wel een juiste sterftedatum vermeldt. Zie Kropotkin (1907: 213).
[215] Voor biografische bijzonderheden over Querido, zie Van Faassen (2008).
[216] Querido (1908b: 575).
[217] Zie anonymus in De Amsterdammer (1908: 5).
[218] Voor een gedetailleerde bespreking van Brandes’ studie over Dostoevskij, zie supra.
[219] De zin ‘Man betrachte diesen Körper, der nur Nerv ist, klein und schmächtig, krummgebeugt und zäh, von Kindheit an behaftet mit Krämpfen und Hallucinationen!’ (Brandes 1889: 3) is in het Nederlands weergegeven als ‘Zie dat lichaam, dat enkel zenuwen is, klein en teer, gebogen en taai, sinds de jeugd door zenuwtoevallen en sexueele afdwalingen ondermijnd!’ (Brandes 1910: 316. Cursivering toegevoegd).
[220] Ferri is de auteur van I delinquenti nell’arte, dat in 1905 in Amsterdam verscheen in een bewerking naar het Frans en het Italiaans door Henry Eshuys, bij Veldt.
[221] Coster (1921b: 1110).
[222] Uitgegeven door Versluys te Amsterdam.
[223] Geciteerd naar Robbers (1912: 486).
[224] Uit zijn antwoord op de Dostoevskij-enquête die Coster (1921a: 1058-61) in het interbellum organiseerde, blijkt dat Robbers zeer onder de indruk was van Prestuplenie i nakazanie, dat hij in 1904 of 1905 had gelezen.
[225] Zie Willemsen (2004) en Waegemans & Willemsen (1991: 132, 192, 333).
[226] Dit werk noemt Stokvis (1909: 122) ‘een buiten Rusland zoo goed als onbekend werk, maar voor het goed begrip van zijn [Dostoevskijs] werken bijna onontbeerlijk’.
[227] Dat Stokvis deze titel gebruikt, en niet Duivels of Demonen, is des te opvallender, daar hijzelf onder het vaandel van de adequatie de titel Schuld en boete afwijst ten voordele van Misdaad en straf.
[228] Stokvis (1909: 121-31).
[229] Eerder had Stokvis (1909: 133) het over ‘niestsjeta’ (armoede).
[230] Volgens Roland-Holst-van der Schalk (1977: 307) betekende ‘Reiner Thor’ in het Nederlands zoveel als ‘een volslagen dwaas’.
[231] Zie infra.
[232] Voor meer inlichtingen over Van der Meer de Walcheren, zie De Ridder (2008).
[233] P.v.d.M. (1911: 650) heeft vooral moeite met de Russische kubisten; hij maakt gewag van ‘infecte [sic] schilderijen’.
[234] In een persoonlijke brief aan Halpérine-Kaminsky schreef Copeau (2006: 189) in 1912: ‘Et enfin vous ne vous trompez pas quand vous dites que la conclusion que vous avez ajoutée au roman de Dostoïevski m’a fourni certains traits de mon cinquième acte’.
[235] De hier verstrekte bibliografische inlichtingen over Van Gogh-Kaulbach zijn afkomstig van Gielkens (1992) en Van Bork (2004b).
[236] Respectievelijk Albert Overberg in 1894 en Otto van Lansveldt in 1895.
[237] Advertenties voor De wereld verschenen in de Nieuwe Rotterdamsche courant van 22 september (avondeditie, p. 3), 29 september (avondeditie, p. 3), 30 september (ochtendeditie, p. 4), 6 oktober (avondeditie, p. 4), 7 oktober 1911 (ochtendeditie, p. 4) en 13 oktober (avondeditie, p. 4) 1911.
[238] Op 7 en 14 september 1913 (p. 12). Gelijkaardige advertenties verschenen op 15 maart 1914 (p. 12) en 26 april 1914 (p. 12).
[239] Bijvoorbeeld De Amsterdammer van 14 april 1913 (p. 13).
[240] Zie infra.
[241] Volgens stamboomkundig onderzoek, zoals dit gepresenteerd wordt op de website http://home.wanadoo.nl/ willem.nijboer/nijboer/NR3624.htm.
[242] Bij C.L.G. Veldt in den Haag.
[243] In 1919 zou bij Jacob van Campen zijn Boerentypen en humor uit de Betuwe verschijnen.
[244] Nieboer (1916: 332).
[245] De vertaler in kwestie wordt niet bij naam genoemd.
[246] Cursivering toegevoegd.
[247] Wellicht bedoelt Nieboer (1916: 374) hier Zapiski iz mërtvogo doma in plaats van de vernoemde roman van Gogol’.
[248] In dit verbandt refereert Nieboer (1916: 374) aan Idiot, waarvan hij de Duitse titel Der Idiot aan zijn lezer meegeeft.
[249] In 1916 bedroeg de kostprijs vijf gulden voor twee delen.
[250] Cursivering toegevoegd.
[251] In een voetnoot prijst Nieboer (1916: 420) de Russische literatuurgeschiedenis van Stokvis (1909) aan.
[252] Allicht gaat het om de uitgave van 1904, de eerste waar Van Holkema & Warendorf bij betrokken was.
[253] Zie infra.
[254] Ook dit is te verklaren door de vertaling van Van Gogh-Kaulbach, waarvan het einde minder abrupt is (zie infra).
[255] In 1921 gaf Erens in De stem op uitnodiging van Coster (1921a: 1057-8) aan dat hij met Dostoevskij voor het eerst kennismaakte in 1889, via de Duitse vertaling Raskolnikow. Hij las ook enkele kleine novellen van de Reclam Bibliothek, die hij beter vond dan Prestuplenie i nakazanie, en enkele hoofdstukken van de Franse vertaling La maison des morts. Over het algemeen was hij niet bijster onder de indruk. Dostoevskijs zielsontleding evalueerde hij als ‘uiterst vreemd’, zijn betekenis voor het Westen als ‘van weinig belang’. Overigens ontzegde hij aan eenieder die geen Russisch verstond het recht om zich een opinie over de Rus te vormen. Coster (1921b: 1115) noemde dit bezwaar ‘typisch voor de mentaliteit van de Nieuwe Gids’.
[256] Coster (1921abc, 1922ab).
[257] Cruciaal in de bewijsvoering van Grübel (2008) is dat de Vlaamse criticus Segers (1885) onder invloed van De Vogüé stond. Hij merkt echter niet op dat de burggraaf ook in studies van Nederlandse critici een prominente rol speelde. Bij gebrek aan een doorgedreven analyse van de Nederlandse Dostoevskij-kritiek kan hem dit ontgaan zijn. Merkwaardig is echter dat hij in alle talen zwijgt over de conclusie van Romein (1924: 167), nochtans één van zijn bronnen, dat Nederland voor de Dostoevskij-kritiek in een eerste periode naar Parijs keek.
[258] Coster (1922a: 135).
[259] Idem (1921a: 1101).
[260] Idem (1922a: 79).
[261] Ibidem (82).
[262] Idem (1921a: 1082).