Categorie archief: Vertalingen

‘Grootse Lajka’ van V. Zaprjagajev

lajkaj

Precies zestig jaar geleden, op 3 november 1957, ging Lajka als eerste hond de ruimte in. De totaal vergeten Sovjetschrijver V. Zaprjagajev schreef er een gedichtje over, dat bij een Sovjetmonument ter ere van Lajka geplaatst werd. Vermoedelijk is het gedicht niet ironisch bedoeld, maar dat is net de charme (of de gruwel). Ik vertaalde het in het Nederlands:

GROOTSE LAJKA

Een hondje als andere honden
Werd bedeeld met een grote eer:
Triomfantelijk werd ze gezonden
Van aard, op een ruimteveer.

Wat Grootse Lajka niet kon weten –
Een hondenverstand gaat dat te boven –
Is dat dit een heldendaad heette
En Rusland haar eeuwig zou loven.

Rondom aard vloog ze non-stop,
Tot zelfopoffering eervol bereid,
Voor de wetenschap brandde ze op
En werd ze een ster voor altijd.

lajka

Getagged , , , , , , , ,

‘Soepel vertaald meesterwerk.’ De Tijd over De Manon Lescaut van Tourdeille (Vsevolod Petrov)

In zijn cultuuragenda van 27 oktober 2017 beveelt De Tijd Vsevolod Petrovs novelle De Manon Lescaut van Tourdeille (Leesmagazijn) aan als een soepel vertaald meesterwerk:

Screenshot_20171104-175017_1


cover-manon-lowresBenieuwd naar de achtergrond van de auteur? Maak hier kennis met hem.

Hier vind je een voorproefje op de novelle.

Vsevolod Petrov. De Manon Lescaut van Tourdeille.Kroniek van een liefde. Met een nawoord door Oleg Joerev. Leesmagazijn: 2017. Vertaling uit het Russisch. ISBN 9789491717444

Getagged , , , , , , , , , ,

Een voorproefje op Vsevolod Petrovs novelle De Manon Lescaut van Tourdeille

vp.png

Vsevolod Petrov (1912-1978)

I

Ik lag op een slaapbank, eigenlijk een brits, die in onze verwarmde wagon geïnstalleerd was. Links was er een muur, rechts lag mijn kameraad, Aslamazjan, gedetacheerd aan het militair hospitaal, net als ik. Achter hem lagen twee vrouwelijke artsen, en daarachter Levit, een apotheker. Aan de overzijde stonden dezelfde britsen, waarop ook lichamen lagen.

Beneden, onder de britsen, leefden de zusters. Dat waren ruwe meiden, voor het grootste deel achttien à twintig jaar oud. Ze kibbelden luid met elkaar en zochten ruzie met de bewoners van boven. Dan grepen ze een gitaar en in koor zongen ze alle mogelijke liederen. Op de stations knoopten ze bliksemsnelle romances aan met militairen van tegemoetkomende echelons.

Van bovenaf had ik een goed zicht op het midden van de wagon, waar het leven soepel zijn gangetje ging. Daar stond een ijzeren kachel, en allen dromden er rond samen met keteltjes. Daar lagen ook stapels brandhout, die tegelijk dienden als stoelen. Precies daar begonnen de ruzies. Iemand die naar zijn brits vertrokken was gold als afvallig van het strijdtoneel – verder dan dat viel niet weg te gaan. Als de weggegane zweeg en stil lag, dan beschouwde men hem min of meer als afwezig. Er kon zelfs op hem gefoeterd worden, zoals achter iemands rug. Daar werd geen aanstoot aan genomen. Ook om zich te verzoenen kwam men tevoorschijn bij de kachel: hier was de enige levende brandende stip in de enorme en doodse ruimte van vorst en sneeuw.

 

II

Wij reden zo lang dat we beetje bij beetje de tel van de dagen kwijtraakten. We werden overgebracht naar een nieuw front. Niemand wist waarheen we gestuurd werden. We reden van station tot station, alsof we verdwaald waren. Ze moesten ons vergeten zijn.

De trein ging voort, stond soms lang stil. Rondom lagen velden en bossen in de sneeuw, verwoeste stations. Ik hoorde vaak explosies, soms in de verte, soms bijna naast ons.

De tijd was ietwat schuin gaan lopen: hij verbond het verleden niet met de toekomst, maar leidde me ergens heen.

Rondom mij waren mensen, andere levens, nergens in aanraking gekomen met het mijne.

 

 

III

De kapiteinsvrouw – de echtgenote van kapitein Fomin, een heel grote vrouw met het gelaat van een moordenaar – nam haar aan scrofulose[1] lijdende meisje uit de dekens en gaf haar met haar grote handen onder oorverdovend gekrijs luide klappen, en daarna liet ze haar rondlopen in de wagon, en dan moest je oppassen: het meisje struikelde en sloeg brullend tegen de grond, waarop haar moeder als een boze wijfjesolifant te hulp stormde en alles verpletterde en vertrappelde wat op haar weg lag.

Levit zette zich steevast zo bij de kachel neer dat daar behalve hijzelf niemand meer kon gaan zitten; ook zijn keteltjes verdroegen geen buren op de kachel. Zijn gang door de wagon was apart: eerst zei hij ‘verontschuldigt u mij’, en dan stapte hij met zijn laarzen in iemands soep. Op zijn brits lag hij niet in de lengte, zoals iedereen, maar ietwat dwars, waarbij hij zijn benen uitvouwde over het naburige territorium van de vrouwelijke artsen. Hij sliep met zwaar gesnurk in zodra hij op zijn bres ging liggen, en in zijn slaap rolde hij naar rechts en naar links, overal tegenaan stotend, maar iemand moest maar stilletjes ‘Levit’ zeggen of hij stopte prompt met snurken en trouwens gaf hij dan een prima adequaat antwoord. De meest onschuldige aanslag – bijvoorbeeld de verplaatsing van zijn koffer – bestreed hij met vreselijk gescheld, waarbij zijn speeksel de wagon rondvloog, zodat de kachel siste, en hij begon enkel geen gevecht omdat hij niet meer de jongste was en zwak van gestel. Maar zodra hij op gepaste wijze zijn eigendom en zichzelf in veiligheid gebracht had, werd hij lief en zong hij met plezier in koor met de zusters; een enkele keer danste hij zelfs.

De vrouwelijke artsen naaiden iets.

Galopova, een al wat oudere zuster, voelde zich bij voorbaat door iedereen tekortgedaan. Het scheen haar toe dat het meisje van de Fomins van bovenaf op haar spuugde. Dat gebeurde misschien ook.

‘Wat valt er te lachen? Ik ben niet belachelijker dan jullie,’ zei Galopova wanneer iemand glimlachte.

‘We lachen helemaal niet om u,’ werd haar gezegd.

‘Ik weet wel dat jullie om mij lachen. Er is niets belachelijks aan mij,’ antwoordde Galopova.

Een andere keer nam ze een gitaar en studeerde ze haar enige lied in:

Wat sta je daar te schudden,

Ra-ammelende lijsterbes.

Het lied lukte haar allerminst. Wanneer haar gevraagd werd op te houden, zong ze het met bijzonder lijden uit tot het eind, waarna ze onmiddellijk herbegon vanaf het begin.

‘Ik ben geen greintje slechter dan anderen,’ legde Galopova uit.

Mijn buurman Aslamazjan daarentegen was een ridder. Hij sliep erg schilderachtig, op zijn rug uitgestrekt, met een arm onder het hoofd gestoken. Hij hielp iedereen bij het openen en sluiten van onze hels zware wagondeur. Overdag lag hij gewoonlijk blootsvoets op zijn brits, met zijn gespreide tenen tegen het plafond geduwd. Hij was besnord, zwartharig, gezet en sterk. Veel zusters wilden iets met hem beginnen, maar hij liet dat aan zich voorbijgaan en was even lief tegen iedereen. Ook hij was een liefhebber van koorgezangen, al is het zo dat hij nooit danste.

 

IV

De meisjes waren minder verscheiden.

Dat dacht ik tenminste wanneer ik naar hen keek vanaf mijn brits.

Ze hadden hun eigen leven, vol vogelachtige frivoliteit. Onder de britsen scharrelden, verkasten, nestelden en friemelden ze als vogels.

Hun gepraat bestond volkomen uit nogal onstuimige toespelingen en stiltes. Trouwens weerklonken er ook onversneden soldatenvloeken.

Ik kon niet meteen onderscheiden wie van hen Anja was, wie Nadja en wie Tanja. Allemaal waren ze rozig, lacherig, rap van tong. Bleek was alleen Vera Moesjnikova, de snelste, tengerste en onstuimigste. Ieder ogenblik begon ze aan iets nieuws: ze kon de kleine Lariska grijpen, het meisje van de Fomins, zich storten op haar gitaar, beslissen om al haar kledij door te nemen, die uitpakken, uitspreiden en rondgooien, dan ruzie maken met haar vriendinnen om ze dan weer te omhelzen. Op de stations sprong zij als eerste de wagon uit om ergens te verdwijnen; het gebeurde dat ze volledig achterop raakte en ons inhaalde met een of andere stoomlocomotief.

We kwamen aan in L*** en kwamen voor lange tijd vast te zitten op een opstelspoor. Daar stonden al meer militaire echelons. Soldaten wandelden in groepjes van twee en drie langs de treinen.

De meisjes begonnen uit de wagon te verdwijnen. Zelfs Galopova vond aanbidders en werd gesterkt in haar overtuiging dat ze niet slechter dan de anderen was. Langs onze wagon liepen vaak cavaleristen. Een van hen was bijzonder knap: een negentienjarige kerel in een halflange pelsjas, met sabel en sporen, met een blozend en naïef gezicht zoals die voorkomen op schilderijen die Russische adonissen uitbeelden.

‘Kijk eens,’ zei ik tegen de meisjes, ‘dat is, als je het mij vraagt, een voortreffelijke jongeman.’

Allemaal keken ze naar hem. Hij werd verlegen en ging een beetje verderop staan met zijn sabel en sporen.

’s Avonds verscheen hij in onze wagon. Voorop ging Vera Moesjnikova en leidde hem als een winnares. Hij stapte bedremmeld rond en keek verliefd naar Vera. De meisjes riepen ‘ach’. Meteen begonnen de gezangen. Anja Serova, onze beste zangeres, sperde haar mond open en blaatte als een schaap. Hij zong ook. Vera zat naast hem, opgewonden en trots.

Overigens eindigde in onze wagon alles met liederen. Men kwam bij de kachel, ging zitten op het brandhout en onze wagon begon te trillen. Alleen de vrouwelijke artsen zongen niet – uit verkeerd begrepen aristocratie. En ik, liggend op mijn brits in de hoek, stikte door aanvallen van mijn hartziekte.

 

V

Ze kwamen onverwacht opzetten, soms overdag, maar meestal ’s nachts, na een avond die doorgebracht was op oervervelende wijze, met fletse gesprekken. In het holst van de nacht werd ik wakker: ik ben mezelf niet meer, geen officier, niet die ene man – of liever ben ik enkel nu echt zuiver mezelf, zonder naam, zonder gezicht, zonder herinneringen: slechts een naakt gevoel van tegenstelling. Alles is niet-ik behalve het punt dat ik ben. Dat punt is samengebald tot een punt. In dat punt zit mijn hele doodsangst gepropt: de angst om dat punt te laten schieten. Mijn ademhaling wordt fijngedrukt. Rondom mij slaapt men. Het zou gemakkelijker zijn om in eenzaamheid te sterven, zonder ’s mensen vreselijke onverschilligheid rondom mij te voelen. Maar mijn bangheid gaat niet over hun onverschilligheid. Hier speelt een bijzondere angst. Zij zijn onverschillig omdat ze als het ware niet bestaan in het aangezicht van de dood, ze tellen niet mee. De dood is tot mij alleen gericht. Ik ben krachteloos en de dood zal mij vernietigen.

En er is nog een angst, voor mij de belangrijkste.

Ik ben dus gestorven en mijn geest verlaat mijn vlees. Waar gaat hij heen? Hij trekt dus weg uit mijn lichaam, dat hem op de wereld zet, als een kind. Als een kind is hij zwak en hulpeloos en naakt: het lichaam dekt hem niet toe. En wat als hij uiteenvloeit en zijn vorm verliest, aangetrokken, als door magneten, door de passieve zielen van de rondom mij slapende mensen? Die zielen staan halfopen en klaar om hem te ontvangen.

Mijn geest zal oplossen en in deeltjes de ziel van iedere slapende binnengaan. In ieder van hen zal er een klein stukje van mij zitten, en ikzelf zal verdwijnen.

Nee, ik moet alleen met mezelf sterven en met mijn laatste wilsinspanning de vorm van mijn geest bewaren, tot hij zelf sterk genoeg is in zijn nieuwe lot.


Scrofula[1] Scrofulose of koningszeer is een tegenwoordig zeldzame aandoening van de halsklieren, die kon leiden tot misvormingen aan het gezicht.


cover-manon-lowres

Benieuwd naar het vervolg?  Je vindt een exemplaar van De Manon Lescaut van Tourdeille in de rekken van de betere boekhandel, of in de webshop van de uitgever (of bij bol.com als je weinig geduld hebt).

Benieuwd naar de achtergrond van de auteur? Maak hier nader kennis met hem.

Vsevolod Petrov. De Manon Lescaut van Tourdeille. Kroniek van een liefde. Met een nawoord door Oleg Joerev. Leesmagazijn: 2017. Vertaling uit het Russisch. ISBN 9789491717444

Getagged , , , ,

Een woordje uitleg bij de Manon Lescaut van Vsevolod Petrov

petrov

Portret van Vsevolod Petrov door Tatjana Glebova (jaren 1930)

Ongeveer een Russisch mensenleven. Zoveel tijd zat er tussen de creatie en de publicatie van De Manon Lescaut van Tourdeille (klik hier voor een voorproefje) van Vsevolod Petrov (1912-1978). Deze oorlogsnovelle verscheen voor het eerst in 2006, in het Russische tijdschrift Novyj mir. Vorig jaar werd de novelle door uitgeverij Ivan Limach ook in boekvorm uitgebracht, toepasselijk genoeg in Sint-Petersburg, de geboortestad van de auteur. Wanneer precies Petrov zijn novelle schreef, is niet met zekerheid geweten. Vermoedelijk schreef hij ze in 1946, als reactie op de toen pas verschenen roman Reisgenoten van Vera Panova over een bont Sovjetgezelschap dat als personeel van een sanitaire trein in de Tweede Wereldoorlog een collectieve bijdrage levert aan de overwinning op de vijand.

Samen met Viktor Nekrasovs In de loopgraven van Stalingrad vormde Panova’s Reisgenoten de literaire sensatie van de onmiddellijk naoorlogse periode. Terwijl zij in 1947 bekroond werden met Stalinprijzen, respectievelijk van de Eerste en de Derde Klasse, bleef de novelle van Petrov in de lade liggen. Hij heeft het bij leven ook nooit ter publicatie aangeboden. Tijdens de zogenaamde mini-dooi, waarmee de onmiddellijke naoorlogse periode door Russische literatuurhistorici als Dmitri Bykov aangeduid wordt, of zelfs tijdens de dooi, maakte het geen schijn van kans. Daarvoor was het te compromisloos. Niet dat het een openlijke aanval bevat op de Sovjetrealiteit. Wel omdat de Sovjetrealiteit er meesterlijk in genegeerd wordt, ontkend zelfs, zowel door het hoofdpersonage als door de auteur. Symptomatisch is dat het woord ‘kameraad’ door Petrov enkel gebruikt wordt in zijn voorrevolutionaire betekenis. De Russische criticus Andrej Oeritski schreef hierover in NLO (2007, Nr. 85): ‘De Sovjetmacht is weggegomd, vergeten, van haar is geen spoor of geluid te bekennen. Ze interesseert Vsevolod Petrov niet.’ De auteur is de grootmeester van het escapisme.

Terwijl oorlog het hoofdthema is van Panova’s Reisgenoten en van Nekrasovs In de loopgraven van Stalingrad, is die in De Manon Lescaut van Tourdeille eigenlijk niet veel meer dan de setting. Het wordt uit de tekst zelf ook niet duidelijk tegen wie gevochten wordt. Meer dan een oorlogsnovelle is het een liefdesnovelle. Daarom draagt het werkje ook als ondertitel Kroniek van een liefde. In eenendertig korte, gedistilleerde hoofdstukken, schetst het de verliefdheid van een naamloze ik-persoon, te herkennen als een vertegenwoordiger van de voorrevolutionaire Peterburgse intelligentsia, die tijdens de Tweede Wereldoorlog als militair arts tewerkgesteld is in een sanitaire trein. Hij is geen positieve held in de zin van het socialistisch realisme. Hij is een individualist, die zich geen deel voelt van het collectief. Tegenover enthousiasme om te strijde ten trekken voor de Sovjetstaat, stelt hij verlammende  doodsangst. Die probeert hij te bezweren met een vlucht in de achttiende eeuw. Wanneer het treinpersoneel zich overgeeft aan gezangen, glipt hij weg om Die Leiden des Jungen Werthers te lezen – uiteraard in het Duits. Zijn vlucht uit de oorlog en uit de Sovjetrealiteit gaat gepaard met een pathetische verliefdheid op Vera Moesjnikova, een aantrekkelijke en kokette droezjinnitsa,[1] in wie hij trekken van de achttiende eeuw ontwaart. Zij doet hem denken aan de Franse koningin Marie Antoinette en meer nog aan Manon Lescaut, de frivole en promiscue heldin van de gelijknamige achttiende-eeuwse Franse schandaalroman. Die associatie is een vloek. Met de Manon Lescaut van Petrov loopt het even slecht af als met die van Abbé Prévost. Maar niet vooraleer de romantische held met haar een tijdloze plattelandsidylle beleeft in het dorpje Toerdej – dat hem Bretons in de oren klinkt, als Tourdeille. Omdat die idylle ooit bestaan heeft, al was het maar voor hemzelf, kan hij ernaar terugkeren wanneer alles is verwoest, als naar een eiland. In de novelle wordt de creatie van dat eiland op mysterieuze wijze aangekondigd: ‘De tijd was ietwat schuin gaan lopen: hij verbond het verleden niet met de toekomst, maar leidde me ergens heen.’

In het nawoord bij deze novelle (dat een prima voorwoord zou zijn, als het niet zo veel details van de plot verried) legt de emigré Oleg Joerev het belang uit van De Manon Lescaut van Tourdeille, die hij ‘een sleutel tot het raadsel van de Russische cultuurgeschiedenis’ noemt. De novelle gunt ons een blik in de parallelle literaire wereld zoals die onder Stalin bijna onzichtbaar naast de officiële literatuur bestond. Vsevolod Petrov heeft zijn werk nooit ter publicatie aangeboden, maar hij las het wel af en toe voor aan vrienden, op verjaardagen. Zelf was Petrov, die stamde uit een oud adellijk geslacht, afkomstig uit de kring rond de befaamde dichter van de Zilveren Eeuw Michail Koezmin (1875-1936), die in weerwil van de Sovjets de erfenis van het modernisme levend probeerde te houden. Het is onder diens invloed dat Petrov zelf begon te schrijven. Zijn Manon Lescaut van Tourdeille droeg hij ook op aan Koezmins nagedachtenis, waarmee hij aan de lezer of luisteraar ook meteen te kennen gaf niets met de officiële Sovjetliteratuur te maken te hebben. In de jaren dertig was hij bevriend met de avant-gardistische dichters Daniil Charms (1905-1942), Nikolaj Olejnikov (1898-1937) en andere halve en hele oberioeten. Over de eerstgenoemde heeft Petrov unieke memoires nagelaten, waarin hij schreef dat het lot hem had voorbestemd om ‘de laatste vriend van Charms te worden’. De absurdist droeg een van zijn late verhalen uit de bundel ‘Voorvallen’ op aan Petrov.

De kringen rond Koezmin en de oberioeten werden opgerold door het lot en de NKVD. Het leven van Vsevolod Petrov ging verder. Voor en na de Tweede Wereldoorlog, waaraan hij vanaf juli 1941 deelnam als militair, verdiende hij zijn brood als werknemer van het Russisch Museum. Hij werkte er als pupil van de befaamde kunstkenner Nikolaj Poenin, die hem voorstelde aan zijn toenmalige vrouw Achmatova. Ten gevolge van beschuldigingen van formalisme en een hetze tegen Poenin, werd Petrovs positie in het Russisch Museum tegen 1949 onhoudbaar. Hij slaagde erin om zich heruit te vinden tot onafhankelijk literator. Hij schreef biografieën van populaire schilders. Onder Chroesjtsjov en Brezjnev groeide hij uit tot een gerespecteerd kunsthistoricus. Nog altijd is zijn magnum opus Mir isskustva (De kunstwereld), over de gelijknamige voorrevolutionaire kunstenaarsbeweging, een standaardwerk voor Russische kunstkenners.

Toen het stoffelijk overschot van Vsevolod Petrov in 1978 werd geplaatst naast dat van zijn vader, een beroemd oncoloog, in Komarovo bij Leningrad, kende bijna niemand hem als bellettrist. Maar daarmee was het laatste woord over De Manon Lescaut van Tourdeille nog niet gezegd. Niet voor niets is het motto van deze novelle de dichtregel ‘Nog niet dood is de bekoring’, ontleend aan het gedicht ‘Ja Moezoe joenojoe, byvalo’ (1824) van de romanticus Vasili Zjoekovski. Daarin betreurt de dichter dat de inspiratie hem verlaten heeft. Niettemin is hij hoopvol, want hij wordt beschenen door de ster van het ‘Genie van de zuivere schoonheid’. De geciteerde dichtregel roept automatisch het volgende vers op, tevens de slotregel van het gedicht: ‘Het verleden zal eens herleven’. Het eilandje dat Petrov in volle Stalintijd voor zichzelf en zijn vrienden heeft gecreëerd kan nu ook aan ons ontsnapping bieden.


rm_20_434

“Droezjinnitsy van het Rode Kruis! Op het slagveld laten wij de gewonden noch zijn wapens achter.” (propagandaposter van de Sovjets uit de Tweede Wereldoorlog)

[1] In WOII sloeg de term ‘droezjinnitsy’ op vrijwel ongeschoolde vrouwen die massaal ingezet werden om gewonde soldaten van het slagveld te halen en te verzorgen. Een Sovjetpropaganda-affiche gericht aan de droezjinnitsy heeft als leuze ‘Op het slagveld laten wij gewonden noch wapens achter’.


cover-manon-lowres

Benieuwd naar het boek? Lees hier de eerste hoofdstukken, bij wijze van voorsmaakje.

Vsevolod Petrov. De Manon Lescaut van Tourdeille. Kroniek van een liefde. Met een nawoord door Oleg Joerev. Leesmagazijn: 2017. Vertaling uit het Russisch.

Je vindt een exemplaar van De Manon Lescaut van Tourdeille in de rekken van de betere boekhandel, of in de webshop van de uitgever (of bij bol.com als je weinig geduld hebt).

Getagged , , , , , , , , , , ,

Kirill Medvedev: ‘Je zegt me: schat, ik maak me zorgen over jou…’

22426586_1762540087379609_4984652169208299680_o.jpg

De Russische dichter en activist Kirill Medvedev bij de voorstelling van zijn dichtbundel Biopolitiek (Leesmagazijn, 2017) op Het Betere Boek in Gent (foto: Machteld Ryckaert)

Je zegt me: schat, ik maak me zorgen over jou,

ik ben zo bang dat ze je gaan oppakken

voor de 6 mei-zaak.

 

Ik zeg je: liefje, we zitten al in de tang.

Dus wij moeten helemaal niet bang zijn.

Ik ben ingeschreven in de Malyj Kiselnyjstraat,

Wij wonen samen in de Nizjni Kiselnyjstraat,

Rondom ons liggen wijken van de FSB.

De folterkelders van de Tsjeka, de KGB.

Miljoenen, miljarden verwoeste levens…

 

Mijn kameraden en gelijkgezinden, de bolsjewieken,

Stonden aan de wieg van doeltreffende technieken.

Die zijn nu in handen van verre afstammelingen,

Geen genadeloze helden, maar ellendingen:

Fletse figuren, onopvallende heerschappen.

Overigens kunnen ze wel tegen een grap.

En wij wonen min of meer met hen samen in één pand,

Als ik ze zie sneren ze onverwacht en arrogant:

 

Kameraad Kots, ik hoop dat het goed met u gaat?

Kameraad Kots, waarvoor stond u ook alweer paraat?

Kameraad Kots, wat dacht u van capituleren?

Kameraad Kots, kameraad Kots,

kameraad, kameraad, kameraad, kameraad

Kots…

 

Ik zeg: wees niet bang, ik ben zonder smet,

Wij waren die dag, zoals je nog weet, toch naar ballet.

Dat ik die smeris in elkaar heb getrapt is weliswaar

Op Kanaal 1 voorzien van beeld en commentaar,

Maar zo’n stakker als ik gaan ze toch niet arresteren.

De verzamelde intelligentsia zou protesteren,

Europarlementariërs en mensenrechtenactivisten,

De Estse schrijversbond, de Italiaanse communisten.

En daarom, zie je, hebben ze voor mij ontzag,

En er is echt geen reden voor jouw vrolijke gelach.

Maar wanhopig gaan huilen is ook niet nodig.

Alles gaat goed, alles is cool, ik ben vrij, voorlopig.

Het is lente, wij zitten in ons keukentje met z’n twee.

En rondom ons liggen wijken van de FSB…

 

Kameraad Kots, ik hoop dat het goed met u gaat?

Kameraad Kots, waarvoor stond u ook alweer paraat?

Kameraad Kots, wat dacht u van capituleren?

Kameraad Kots, kameraad Kots,

kameraad, kameraad, kameraad, kameraad

Kots…

 

(Lees hier het originele Russische gedicht, geschreven in maart 2013.)


Kirill Medvedev. Biopolitiek.  Leesmagazijn, 2017. Met een voorwoord door Aleksandr Skidan. Vertaald uit het Russisch door Pieter Boulogne. 68 p. ISBN: 978-94-91717-45-1

biopolitiek-medvedevKirill Medvedev begon aan de in Biopolitiek opgenomen gedichten te schrijven in de nasleep van de Arabische Lente, die even de hoop van de Russische activisten deed opflakkeren. Opvallend zijn de zwarte humor en het burleske. De lyrische ‘ik’, die in vorige bundels aan de zijlijn toekeek op het Russische maffiakapitalisme en het bijbehorende consumentisme, ontpopt zich tot een actieve geweldenaar. Het universum van de dichter lijkt grimmiger te worden naarmate Poetin bij zijn onderdanen de duimschroeven aandraait. De Russische criticus Aleksandr Skidan noemde het ‘een voor iedereen toegankelijk, democratisch straattheater, een blamage aan het adres van de sceptici die niet geloven in de haalbaarheid van het project van de zelfkritische, reflexieve en tegelijkertijd populaire linkse cultuur’. Voor deze dichtbundel ontving Medvedev de prestigieuze Andrej Belyj-prijs, waarvan het prijzengeld bestaat uit een roebel, een fles wodka en een appel.

Na zijn doorbraak als dichter in 2002 nam Kirill Medvedev (1975) stapsgewijs afstand van de Russische literaire wereld, om na een zelf opgelegd moratorium in 2011 een comeback te maken onder zijn eigen voorwaarden. Hij is de auteur van de dicht- en essaybundels Alles is slecht (2000), Invasie (2002), Teksten uitgegeven zonder medeweten van de auteur (2007), 3% (2007) en Lang leven, jong sterven (2011). Naast dichter is Medvedev de Russische vertaler van Charles Bukowski, Pier Paolo Pasolini, Victor Serge en van de neomarxistische theoretici Terry Eagleton en Michael Löwy. Hij is ook een activist van de Russische Socialistische Beweging, de drijvende kracht achter de Vrije Marxistische Uitgeverij en de leadzanger van de band Arkady Kots. In de zomer van 2017 nam zijn politieke engagement de vorm aan van kandidaatstelling voor de Moskouse gemeenteraadsverkiezingen.

Getagged , , , , , ,

Biopolitiek op Het Betere Boek: wat je nog te goed had

22405441_1496847747068943_3921917742291060411_n_1_1Enkele uren geleden hebben de Russische dichter/activist Kirill Medvedev, mijn Gentse collega Michel De Dobbeleer en ikzelf in het kader van het literatuurfestival Het Betere Boek in Gent de gloednieuwe dichtbundel Biopolitiek (Leesmagazijn 2017) van de eerstgenoemde voorgesteld. We hadden weinig tijd, en hebben daarom niet alle gedichtjes kunnen lezen die we hadden willen lezen (we hadden ze wel allemaal willen lezen). Bijvoorbeeld dit gedichtje had je nog te goed:

 

De beul kwam op mij afgestapt,

mijn hoofd werd niet afgekapt,

in plaats daarvan werd mijn vlees,

door angst totaal verslapt,

versneden tot fijne filets.

 

Zijn dans was weergaloos.

Mijn bloed spoot in het rond

en hij bleef me maar bewerken

tot één grote gapende wond,

maar ik voelde mij aansterken.

 

Eindelijk kreeg hij in de gaten

de executie vreselijk te hebben gerekt

en dat het recht het veld had verlaten,

en hij begreep heel opgewekt

dat ons verzet niet hoeft genekt!


Kirill Medvedev. Biopolitiek.  Leesmagazijn, 2017. Met een voorwoord door Aleksandr Skidan. Vertaald uit het Russisch door Pieter Boulogne. 68 p. ISBN: 978-94-91717-45-1

biopolitiek-medvedevKirill Medvedev begon aan de in Biopolitiek opgenomen gedichten te schrijven in de nasleep van de Arabische Lente, die even de hoop van de Russische activisten deed opflakkeren. Opvallend zijn de zwarte humor en het burleske. De lyrische ‘ik’, die in vorige bundels aan de zijlijn toekeek op het Russische maffiakapitalisme en het bijbehorende consumentisme, ontpopt zich tot een actieve geweldenaar. Het universum van de dichter lijkt grimmiger te worden naarmate Poetin bij zijn onderdanen de duimschroeven aandraait. De Russische criticus Aleksandr Skidan noemde het ‘een voor iedereen toegankelijk, democratisch straattheater, een blamage aan het adres van de sceptici die niet geloven in de haalbaarheid van het project van de zelfkritische, reflexieve en tegelijkertijd populaire linkse cultuur’. Voor deze dichtbundel ontving Medvedev de prestigieuze Andrej Belyj-prijs, waarvan het prijzengeld bestaat uit een roebel, een fles wodka en een appel.

Na zijn doorbraak als dichter in 2002 nam Kirill Medvedev (1975) stapsgewijs afstand van de Russische literaire wereld, om na een zelf opgelegd moratorium in 2011 een comeback te maken onder zijn eigen voorwaarden. Hij is de auteur van de dicht- en essaybundels Alles is slecht (2000), Invasie (2002), Teksten uitgegeven zonder medeweten van de auteur (2007), 3% (2007) en Lang leven, jong sterven (2011). Naast dichter is Medvedev de Russische vertaler van Charles Bukowski, Pier Paolo Pasolini, Victor Serge en van de neomarxistische theoretici Terry Eagleton en Michael Löwy. Hij is ook een activist van de Russische Socialistische Beweging, de drijvende kracht achter de Vrije Marxistische Uitgeverij en de leadzanger van de band Arkady Kots. In de zomer van 2017 nam zijn politieke engagement de vorm aan van kandidaatstelling voor de Moskouse gemeenteraadsverkiezingen.

 

 

Getagged , , , , , , , , , ,

Biopolitiek: nieuwe dichtbundel van de Russische dichter/activist Kirill Medvedev, te gast op Het Betere Boek te Gent

IMG_3890.jpg

Uitgeverij Leesmagazijn, die eerder de dicht- en essaybundel Alles is slecht publiceerde, heeft zonet een nieuwe bundel gedichten van de hedendaagse Russische dichter en activist Kirill Medvedev uitgebracht, onder de titel Biopolitiek, in mijn vertaling uit het Russisch.  De dichter komt over deze poëzie en zijn activisme op 14 oktober 2017 praten in Gent tijdens het literaire festival Het Betere Boek, dat dit jaar door curator Johan de Boose in het teken wordt gesteld van de 100ste verjaardag van de Russische Revolutie.

De blurb:

Kirill Medvedev begon aan de in Biopolitiek opgenomen gedichten te schrijven in de nasleep van de Arabische Lente, die even de hoop van de Russische activisten deed opflakkeren. Opvallend zijn de zwarte humor en het burleske. De lyrische ‘ik’, die in vorige bundels aan de zijlijn toekeek op het Russische maffiakapitalisme en het bijbehorende consumentisme, ontpopt zich tot een actieve geweldenaar. Het universum van de dichter lijkt grimmiger te worden naarmate Poetin bij zijn onderdanen de duimschroeven aandraait. De Russische criticus Aleksandr Skidan noemde het ‘een voor iedereen toegankelijk, democratisch straattheater, een blamage aan het adres van de sceptici die niet geloven in de haalbaarheid van het project van de zelfkritische, reflexieve en tegelijkertijd populaire linkse cultuur’. Voor deze dichtbundel ontving Medvedev de prestigieuze Andrej Belyj-prijs, waarvan het prijzengeld bestaat uit een roebel, een fles wodka en een appel.

Na zijn doorbraak als dichter in 2002 nam Kirill Medvedev (1975) stapsgewijs afstand van de Russische literaire wereld, om na een zelf opgelegd moratorium in 2011 een comeback te maken onder zijn eigen voorwaarden. Hij is de auteur van de dicht- en essaybundels Alles is slecht (2000), Invasie (2002), Teksten uitgegeven zonder medeweten van de auteur (2007), 3% (2007) en Lang leven, jong sterven (2011). Naast dichter is Medvedev de Russische vertaler van Charles Bukowski, Pier Paolo Pasolini, Victor Serge en van de neomarxistische theoretici Terry Eagleton en Michael Löwy. Hij is ook een activist van de Russische Socialistische Beweging, de drijvende kracht achter de Vrije Marxistische Uitgeverij en de leadzanger van de band Arkady Kots. In de zomer van 2017 nam zijn politieke engagement de vorm aan van kandidaatstelling voor de Moskouse gemeenteraadsverkiezingen.

Biopolitiek is verkrijgbaar in de betere boekhandel, de webshop van de uitgever of bol.com.

Getagged , , , , , , , , ,

Leesmagazijn bereidt Vsevolod Petrovs novelle De Manon Lescaut van Tourdeille voor

cover-manon-lowres Deze zomer verschijnt bij uitgeverij Leesmagazijn, die ook Alles is slecht van Kirill Medvedev uitgaf, mijn vertaling uit het Russisch van Vsevolod Petrovs De Manon Lescaut van Tourdeille. Kroniek van een liefde.

Het is een novelle over een arts die tijdens de Tweede Wereldoorlog is tewerkgesteld in een sanitaire trein van het Rode Leger. Hij maakt van de oorlog in volle Stalintijd gebruik om zijn eigen persoonlijke idylle te creëren. Dat doet hij door weg te vluchten in de achttiende eeuw. En ook in zijn verliefdheid op de kokette zuster Vera Moechina, die hij aanziet voor de reïncarnatie van het Franse personage Manon Lescaut.

De Manon Lescaut van Tourdeille werd kort na de Tweede Wereldoorlog geschreven, naar alle waarschijnlijkheid in 1946. De auteur, een gevierd kunsthistoricus, heeft het nooit ter publicatie aangeboden. Hij zag in dat de kloof met de officiële Sovjetliteratuur onoverbrugbaar was. Na zestig jaar in de lade gelegen te hebben, werd De Manon Lescaut van Tourdeille in Rusland ontdekt. Naar aanleiding van de publicatie roemde de emigré Oleg Joerev de novelle als ‘een sleutel tot het raadsel van de Russische cultuurgeschiedenis’. Wat hij daarmee bedoelt, lees je in het nawoord.

Bij wijze van voorsmaakje op de novelle, krijg je hier eerste regels:

De Russische schrijver en kunsthistoricus Vsevolod Petrov (1912-1979)Ik lag op een slaapbank, eigenlijk een brits, die in onze verwarmde wagon geïnstalleerd was. Links was er een muur, rechts lag mijn kameraad, Aslamazjan, gedetacheerd aan het militair hospitaal, net als ik. Achter hem lagen twee vrouwelijke artsen, en daarachter Levit, een apotheker. Aan de overzijde stonden dezelfde britsen, waarop ook lichamen lagen.

Beneden, onder de britsen, leefden de zusters. Dat waren ruwe meiden, voor het grootste deel achttien à twintig jaar oud. Ze kibbelden luid met elkaar en zochten ruzie met de bewoners van boven. Dan grepen ze een gitaar en in koor zongen ze alle mogelijke liederen. Op de stations knoopten ze bliksemsnelle romances aan met militairen van tegemoetkomende echelons.

Van bovenaf had ik een goed zicht op het midden van de wagon, waar het leven soepel zijn gangetje ging. Daar stond een ijzeren kachel, en allen dromden er rond samen met keteltjes. Daar lagen ook stapels brandhout, die tegelijk dienden als stoelen. Precies daar begonnen de ruzies. Iemand die naar zijn brits vertrokken was gold als afvallig van het strijdtoneel – verder dan dat viel niet weg te gaan. Als de weggegane zweeg en stil lag, dan beschouwde men hem min of meer als afwezig. Er kon zelfs op hem gefoeterd worden, zoals achter iemands rug. Daar werd geen aanstoot aan genomen. Ook om zich te verzoenen kwam men tevoorschijn bij de kachel: hier was de enige levende brandende stip in de enorme en doodse ruimte van vorst en sneeuw.

 

Getagged , , , , , ,

Fjodor Sologoeb: ‘Een grijze homunculus…’ (1899)

Drie illustraties van Mstislav Doboezjinski (1875-1957) bij De kleine demon (Melkij bes, 1906-1907) van Fjodor Sologoeb (1863-1927)
Недотыкомка серая

Всё вокруг меня вьется да вертится,-

То не Лихо ль со мною очертится

Во единый погибельный круг?

 

Недотыкомка серая

Истомила коварной улыбкою,

Истомила присядкою зыбкою, —

Помоги мне, таинственный друг!

 

Недотыкомку серую

Отгони ты волшебными чарами,

Или наотмашь, что ли, ударами,

Или словом заветным каким.

 

Недотыкомку серую

Хоть со мной умертви ты, ехидную,

Чтоб она хоть в тоску панихидную

Не ругалась над прахом моим.

 

(1 октября 1899)

Een grijze homunculus

is alsmaar rond mij aan het kringelen –

is het een demon die mij wil omsingelen

met zichzelf in één noodlottige kring?

 

Een grijze homunculus

heeft me met zijn vals lachje gekraakt,

me met zijn hurkdansjes moe gemaakt –

geheime vriend, wees mijn redding!

 

Die grijze homunculus

moet gij met uw toverkracht verjagen,

of anders met uw loeiharde slagen,

of met een woord dat gij kent.

 

Die grijze homunculus

moet gij vermoorden, mij erbij desnoods,

zodat mijn as tijdens mijn mis des doods

door dat venijn niet wordt gejend.

 

(1 oktober 1899)

Getagged ,

Kirill Medvedev ontvangt Andrej Belyj-prijs voor zijn Ten oorlog tegen het stadhuis

pochodOp maandag 27 oktober 2014 is bekendgemaakt dat de Moskouse dichter en activist Kirill Medvedev voor zijn eerder dit jaar bij de Vrije Marxistische Uitgeverij en Translit verschenen dichtbundel Pochod na merijoe (‘Ten oorlog tegen het stadhuis’) de prestigieuze Andrej Belyj-prijs toegekend wordt in de categorie poëzie. Dat is Ruslands oudste van de overheid onafhankelijke literatuurprijs (het eerste prijzengeld was een appel, een roebel en een fles vodka). 

Kirill Medvedev begon aan de in Pochod na merijoe opgenomen gedichten te schrijven in de nasleep van de Arabische Lente, die ook de hoop van de Russische activisten deed opflakkeren.  In het najaar van 2015 verschijnt (hopelijk) een Nederlandse vertaling van deze bundel bij uitgeverij Leesmagazijn. Een selectie gedichten van Pochod na merijoe is eerder in Nederlandse vertaling verschenen als onderdeel van het boek Alles is slecht (Leesmagazijn, 2014). Dat geldt ook voor het onderstaande gedicht, getiteld ‘Ten oorlog tegen het stadhuis’:

we hadden een vergunning gekregen
voor een antifascistische betoging,
maar niet voor een mars.
mensenrechtenactivist ponomarjov* en ik trokken naar
het stadhuis om te achterhalen waarom.
ponomarjov was razend. ik hield hem een beetje in toom.
ik zal ze leren de fascisten te laten marcheren, zei hij.
ik had niet het gevoel dat dit goed zou aflopen.
olejnik, vicehoofd van de afdeling grote betogingen,
was een pafferig hummeltje met blozende wangen.
begrijpt u, uw verzoekschrift is al behandeld,
zei hij glimlachend.
bent u in staat om een gesprek in het Russisch te voeren?
vroeg pono somber.
ik praat toch russisch met u, zei olejnik.
nee, als dit de manier is waarop u een gesprek aangaat, dan
bent u daar niet toe in staat.
met dit relletje begon het,
maar alles werd min of meer gladgestreken.
de huichelachtige glimlachjes en de diplomatie
kwamen aan zet.
kom nou, laten we elkaar begrijpen, meneer ponomarjov.
laten we dat doen, meneer olejnik.
iedereen denkt dat de mars doorgaat, zei ik somber.
het is te laat om het af te blazen. olejnik begon ons
te bestoken met decreten.
pono diende hem van repliek,
en ik verzonk een beetje in gedachten, omdat ik wist dat
wanneer twee experts

elkaar beginnen te bestoken met wetten en decreten, dat
alles dan uitdraait
op extreme oplichterij, zoals in onze rechtszalen
(en ik heb een hekel aan die oplichterij).
door het raam zag ik de moskva-rivier.
ik herinnerde me hoe op 2 oktober 1993 tijdens de nacht
voor de bestorming van het stadhuis
door de oppositie**
de smerissen ons een paar huizenblokken verder
arresteerden
zogenaamd vanwege een gebroken ruit
in het stadhuisgebouw.
op het politiebureau had ik met overtuiging verkondigd
dat wij die ruit niet hadden gebroken
en de smerissen hadden ons laten gaan.
later bleek dat ik die ruit toch gebroken had,
maar dat ik dat toen gewoon was vergeten.
o heilige dronkenschap!
wat is het makkelijk en fijn om de waarheid te spreken!
hebben jullie ooit jakhalzen horen lachen?
daar in het stadhuis dacht ik terug aan jakhalzengelach in
een abchazisch dorp.
dat is zelfs geen gelach.
het is alsof er een heel huwelijksfeest over straat rolt.
het rolt en krijst en zingt, zingt, zingt uitbundig!
in dat dorp zijn ze als de dood voor de wasberen
uit het noorden,

ze zouden wel eens de russische grens over kunnen steken.

van dit alles werd ik afgeleid door kabaal op het kantoor…
kabaal, gerinkel, mensen liepen aan,
stoelen werden omgegooid…
plotseling besefte ik dat ik in een bloedige nachtmerrie
terecht was gekomen…
ponomarjov ramde olejnik in elkaar!

ik begon om hem heen te lopen, te schreeuwen:
stop daarmee, lev, stop daarmee,
doe dat toch niet, alsjeblieft, stop daarmee!
dwars door mijn geweeklaag
klonk de stem van olejnik.
hij knorde.
daarna stopte het geknor, omdat ik in gedachten verzonk
het geluid
leek te worden uitgezet, het enige wat overbleef waren
lichtjes vertraagde
beelden.
wat ponomarjov zei heb ik dus evenmin gehoord.
maar wat zegt een man die zijn rechten verdedigt zoal
in trotse razernij?
maar hij sprak.
‘ik ken jullie, geschifte socialisten.
jullie zijn niet in staat jezelf of anderen te verdedigen.
semi-sektarisch en infantiel zijn jullie,
jullie staan niet stil bij jullie rechten.
marginale zeurpieten.
oude bibliotheekwijven.
willen jullie subcultuur of politiek?
het wordt tijd om te kiezen
wat wordt het?’
kadatsjki, de chef van olejnik,
kwam zijn hulpje niet te hulp: hij was in vergadering.
hij had olejnik opgedragen ons te ontvangen.
en hij kwam hem niet te hulp, hij bleef vergaderen.
het stuk stront.
het gevoel rechten te bezitten geeft je lichamelijke kracht,
bedacht ik, terwijl ik toekeek hoe pono

de vloer aanveegde met olejnik.
En wij linkse rakkers,
kennen onze rechten misschien niet echt
behalve misschien ons efemere recht op utopie,
de jarenlange gesprekken over revolutionair geweld hebben
ons bloed verkild
en ons veranderd
in verschraalde mossels die niet eens voor hun eigen rechten
kunnen opkomen,
laat staan voor die van een ander
dacht ik verder, lang nadat ik die hel achter mij had gelaten,
tot laat op de avond;
en die gedachte zou mij heel ver hebben gevoerd,
als ik geen email had ontvangen van ponomarjov
dat voor de mars toch geen vergunning was gegeven;
morgen opnieuw ten oorlog tegen het stadhuis.

* In de Sovjettijd doceerde Lev Ponomarjov (°1941) fysica. In de late jaren tachtig was hij een van de oprichters van de mensenrechtenorganisatie Memorial. Hij werd gesteund door Andrej Sacharov. In 1990 werd hij verkozen tot lid van de Russische doema. De afgelopen tien jaar heeft Ponomarjov hevige oppositie gevoerd tegen Poetin. Zo had hij scherpe kritiek op het proces tegen Chodorkovski, die hij als een politieke gevangene beschouwde. In maart 2009 werd Ponomarjov in de buurt van zijn huis in elkaar geslagen, maar zijn activisme is sindsdien niet verminderd. (Nvdv)

** Op 23 september 1993 ontbond Boris Jeltsin het parlement, dat hem vijandig gezind was. Het parlement beschouwde de ontbinding als ongrondwettelijk en begon een afzettingsprocedure tegen hem. Gewapende medestanders bezetten het parlement en het nabijgelegen stadhuis. Op 2 en 3 oktober braken er bloedige straatgevechten uit. Jeltsin won de slag door de inzet van tanks. Afhankelijk van de bronnen vielen er enkele honderden tot duizenden doden. (Nvdv)


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken


Getagged , , , , , , ,

Joseph Brodsky. Een Russisch beroepen-abc

azboeka

Op vraag van de Stichting Lezen vertaalde ik voor het schoolproject O mundo, een kleine wereldbibliotheek, dat de mooiste prentenboeken uit de hele wereld wil binnen brengen in multiculturele klassen, het ietwat stoffige, maar bij momenten hilarische Beroepen-ABC van Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky uit het Russisch. De vertaling (zowel letterlijk als vrij) dient samen met het door Igor Olejnikov geïllustreerde prentenboek om mee aan de slag te gaan in het lager onderwijs. Ben je zelf lagere schoolleerkracht? Op de webpagina van O mundo over dit boek kan je een heleboel originele en concrete lestips vinden.

Voorwoord van de vertaler

Het Russisch is een taal die gesproken wordt door de inwoners van Rusland, waar heel veel volkeren wonen, en door de Russen, die soms in Rusland wonen en soms erbuiten. De Russische taal wordt niet alleen gesproken, maar ook geschreven.

De letters waarin het Russisch geschreven wordt, zijn heel erg mooi. Ze zien er soms een beetje anders uit dan de letters waarin het Nederlands geschreven wordt (of het Engels, of het Frans, …). De Russen hebben ook iets meer letters dan de Vlamingen of de Nederlanders: ze hebben er meer dan dertig, tegenover zesentwintig.

Als je ze uitspreekt, klinken veel Russische letters ook anders. Zo is er een letter die je uitspreekt als ‘sj’, zoals in ‘sjaal’. Een andere Russische letter spreek je uit als ‘ja’, wat ook een woord is in het Russisch: ‘ja’ betekent ‘ik’. Iedere letter van het Russische alfabet kan je ook weergeven met een of meerdere letters van ons alfabet.

In dit boekje kan je kennismaken met de letters van dat Russische alfabet. Je krijgt telkens een nieuwe tekening met een nieuwe Russische letter en een nieuw Russisch woord, dat met diezelfde letter begint en een beroep betekent. Kunnen jullie de betekenis raden aan de hand van de tekening uit het bijhorende prentenboek en het vertaalde gedichtje? Laat jullie helpen door jullie klasgenootjes die Russisch kennen om het Russische beroep juist uit te spreken.

Met dit boek leren jullie dus heel wat Russische beroepen. Zo kunnen jullie een beetje meepraten wanneer Russen of Russischtaligen het over werk hebben (ook al spreken ze minstens even graag over andere dingen).

Voor wie Russisch kent: op iedere tekening kan je voorwerpen vinden die in het Russisch met dezelfde letter beginnen als het beroep waarover gesproken wordt. Een aantal van deze woorden zijn opgenomen in de lijst achteraan in het prentenboek. Misschien kan je enkele van deze woorden aanleren aan je klasgenoten?

 

A

(spreek uit: a)

 

Тётя занята овсом,

и пшеницею, и льном.

Тётя помнит обо всём.

Эта тётя – АГРОНОМ.

 

[Tante houdt zich bezig met haver,

en met tarwe, en met vlas.

Tante denkt aan alles.

Tante is AGRONOM (agronoom).]

 

Onze tante draagt geen das,

Onze tante is niet dom,

ze weet alles van haver en vlas,

ze werkt als AGRONOM.

 

(Agronóm is Russisch voor ‘landbouwdeskundige’. Dat is iemand die heel veel weet over landbouw.)

 

 

Б

(spreek uit: b)

 

Гонит месяц облака,

тучек пелерину,

чтоб увидеть двойника:

тётю БАЛЕРИНУ.

 

[De maan verdrijft de wolken,

een schoudermantel van wolkjes,

om haar dubbelganger te zien:

tante BALLERINA.]

 

De maan beveelt als een tsarina

de wolkjes elders te kamperen

om haar evenbeeld te adoreren:

een slanke BALERINA.

 

(Een balerína is natuurlijk gewoon een ballerina.)

 

В

(spreek uit: v)

 

Если утром у нас

голова горяча

или дёргает глаз –

вызываем ВРАЧА.

 

[Hebben wij ’s morgens

een gloeiend heet hoofd

of een oog dat trekt,

dan roepen we de VRATSJ.]

 

Zeggen we ‘auw!’,

‘hatsjie!’ en ‘hatsjoe!’,

dan moeten we gauw

naar de VRATSJ toe.

 

(Vratsj is Russisch voor ‘dokter’.)

 

Г

(spreekt uit als een harde g, als in garçon)

 

Ходит дядя за рудою

путь у дяди долог-долог.

Этот дядя с бородою

называется ГЕОЛОГ.

 

[Oоm zoekt naar ertsen

De weg van oom is zeer lang.

Die oom met zijn baard

wordt GEOLOG genoemd.]

 

Ertsen zijn wat waard,

ons oompje zoekt ze vrolijk.

Dat oompje met zijn baard

werkt als GEOLOG.

 

(Geolog spreek je uit als ‘geólek’. Dat is Russisch voor ‘geoloog’: iemand die de bovenste laag van de aarde onderzoekt.)

 

Д

 

(spreek uit: d)

 

Подворотни и углы

усмехаясь веско,

ДВОРНИК с помощью метлы

доведёт до блеска.

 

[Gewichtig grijnzend

doet de DVORNIK

met zijn bezem

gangen en hoeken schitteren.]

 

Straten kunnen stinken.

Dan krijgen ze tik na tik

van de bezem van de DVORNIK,

zodat ze weer gaan blinken.

 

(Dvórnik is Russisch voor ‘straatveger’)

 

Е

(spreek uit: jee, als in jeetje)

 

Жадность букв ужасна, дети!

Я проехал страны все,

но на свете, ах на свете

нет профессии на E.

 

[Letters zijn inhalig, kinderen!

Alle landen ben ik doorgereisd,

maar op aard, ach, op aard,

begint niet één beroep met ‘JEE’.]

 

Kindertjes, roep ach en wee!

Ik doorkruiste land en zee,

maar deze letter werkt niet mee:

niet één beroep begint met ‘JEE’.

 

Ж

(spreek uit: zj, als in journaal)

 

Друг заполненных вагонов,

враг пустопарожних,

проживает на перронах

ЖЕЛЕЗНОДОРОЖНИК.

 

[De vriend van propvolle wagons,

de vijand van leeglopers,

hij slijt zijn leven op perrons:

de ZJELEZNODOROZJNIK.]

 

Leeglopers zien hem als een flik.

Hij is de vriend van volle wagons

en slijt zijn leven op perrons:

de ZJELEZNODOROZJNIK.

 

(Zjeleznodorózjnik is Russisch voor ‘spoorman’ of ‘spoorwegarbeider’.)

 

 

З

(spreek uit: z)

 

Кто проводит в клетке век

ночью и при свете,

но не зверь, а человек, –

тот ЗООЛОГ, дети.

 

[Wie is een eeuw lang in een kooi

’s nachts en overdag,

is geen dier, maar mens?

Dat is een ZOÖLOG, kinderen.]

 

Wie leeft er in een kooi,

loopt alsmaar over hooi,

en is toch geen wild dier?

Over de ZOÖLOG gaat het hier!

 

(Zoölog spreek je ongeveer uit als zaölek. Het is Russisch voor ‘zoöloog’ of ‘dierkundige’. Dat is iemand die heel veel weet over dieren.)

 

И

(spreek uit: i)

 

В пять минут сломать часы

может мой приятель.

Он хитрее лисы

он ИЗОБРЕТАТЕЛЬ.

 

[Op 5 minuten maakt dit vriendje

een uurwerk stuk.

Hij is sluwer dan een vos.

Hij is IZOBRETATELJ.]

 

Mijn vriend is o zo leep:

hij helpt uurwerkgeratel

in twee tellen om zeep.

Hij is IZOBRETATELJ.

 

(Izobretátelj is een moeilijk Russisch woord, dat ‘uitvinder’ betekent.)

 

К

(spreek uit: k)

 

И комбайн, и коня,

и блоху под конец

подкуёт, без огня,

не живущий, КУЗНЕЦ.

 

[Hij beslaat, zonder vuur,

zowel maaidorser als paard

en uiteindelijk ook een vlo,

de vermoeide KOEZNETS.]

 

Hij beslaat onze merrie,

repareert fondusets,

Zijn hamer maakt herrie.

Bekaf is de KOEZNETS.

(Koeznets is Russisch voor ‘smid’)

 

Л

(spreek uit: l)

 

Натянув плотней перчатку,

вас без проволочек

из России на Камчатку

доставляет ЛËТЧИК.

 

[Met strakke handschoen,

brengt de LJOTTSJIK je

zonder tijd te verliezen

van Rusland naar Kamtsjatka.]

 

In het Oosten van Rusland

raak je in één ogenblik

dankzij de vaste hand

van de stoere LJOTTSJIK!

 

(Ljottsjik is Russisch voor ‘piloot’.)

 

М

(spreek uit: m)

 

Волны ходят по тельняшке,

дым от папиросы,

якоря блестят на пряжке.

Кто идёт? МАТРОСЫ.

 

[Hun blouses golven,

hun sigaretten walmen,

ankers schitteren op hun riem.

Wie loopt daar? MATROSY.]

 

Hun blouses zijn niet roze,

ankertjes vinden ze leuk,

in hun mond hangt een peuk.

Wie zijn het? MATROSY.

 

(Matros betekent natuurlijk ‘matroos’. Matrosy is meervoud.)

 

Н

(spreek uit: n)

 

Мама входит в детский сад.

Щёчки разрумяня,

ей навстречу сто ребят.

Эта мама – НЯНЯ.

 

[Mama komt de kribbe binnen.

Honderd blozende kinderen

lopen naar haar toe.

Die mama is hun NJANJA.]

 

Als ze de kribbe binnenkomt

bestormen, blozend, terstond

dozijnen peuters dit mamaatje:

daar is hun NJANJAATJE!

 

(Njánja is Russisch voor ‘kinderoppas’ of ‘kindermeisje’.)

 

O

(spreek uit: o)

 

Где живут стада оленьи,

там и он живёт,

незнакомый с ленью

наш ОЛЕНОВОД.

 

[Waar hertenroedels leven,

daar leeft ook hij.

Luiheid kent hij niet,

onze OLENOVOD.]

 

Hij gaat nooit naar concerten,

het is nu eenmaal zijn lot

te leven bij de herten:

hij is OLENOVOD.

 

(Olenovód betekent ‘hertenfokker’. Dat is iemand die herten kweekt.)

 

П

(spreek uit: p)

 

Чтобы чай с молоком

пить в домах добротных,

кто стучит молотком,

словно дятел? ПЛОТНИК.

 

[Wie klopt als een specht,

om in stevige huizen

thee met melk te drinken,

met zijn hamer? De PLOTNIK.]

 

Wie bouwt met zijn hamer

stevige kamer na kamer

als een specht, tik-tik-tik?

Dat is onze PLOTNIK.

 

(Plótnik is Russisch voor ‘timmerman’)

 

Р

(spreek uit: r)

 

Тянут воблу и угрей,

вопреки стихии,

из бушуюших морей

РЫБАКИ лихие.

 

[Tegen de natuurkracht in

worden uit kolkende zeeën

karpers en palingen gehaald

door de dappere RYBAKI.]

 

Karpers, alen en garnalen

uit woeste zeeën halen

is ook bij storm zijn vak.

Dapper is de RYBAK.

 

(Rybák is Russisch voor ‘visser’.)

 

С

(spreek uit: s)

 

Чтоб луной заблистал

на столе самовар,

выплавляет металл

из печей СТАЛЕВАР.

 

[De STALEVAR smelt

in een oven metaal uit,

zodat op tafel een samowar

als een maan kan schitteren.]

 

Een schitterende samowar

is wat hij je kan beloven.

Hij smelt metaal in een oven

want hij is STALEVAR.

 

(Stalevár is Russisch voor ‘staalgieter’ of ‘staalarbeider’. Een samowar is een Russische theemachine.)

 

 

T

(spreek uit: t)

 

Сонных глаз поутру

под подушку не прячь.

Возвещает зарю

вставший с солнцем ТРУБАЧ.

 

[Verstop je slaperige ogen

’s morgens niet onder je kussen.

Samen met de zon opgestaan

begroet de TROEBATSJ de dag.]

 

Voor wie houdt van zijn bedje

is de TROEBATSJ geen pretje.

Samen met de zon opgestaan,

roept hij het ochtendgloren aan.

 

(Troebátsj is Russisch voor ‘hoornblazer’ of ‘trompettist’.)

 

У

(spreek uit: oe, als in hoed)

 

Электричество, газ –

ежедневным трудом

все удобства для вас

создаёт УПРАВДОМ.

 

[Je hebt elektriciteit, gas,

en alle nutsvoorzieningen

dankzij de dagelijkse zorgen

van de OEPRAVDOM.]

 

Wie zorgt zonder gegrom

voor je elektriciteit en gas,

en doet zelfs bijna je was?

Dat is de OEPRAVDOM.

 

(Oepravdóm is Russisch voor ‘huismeester’ of ‘huisbeheerder’.)

 

Ф

(spreek uit: f)

 

К разрешению загадки

самой главной близок

начинает с физзарядки

утро каждый ФИЗИК.

 

[Broedend op een oplossing

voor een belangrijk vraagstuk

doet iedere FYSIK

dagelijks ochtendgymnastiek.]

 

Hij vindt met een beetje geluk

tijdens zijn ochtendgymnastiek

het antwoord op een vraagstuk.

Ik heb het over de FYSIK.

 

(Fysik is Russisch voor ‘fysicus’ of ‘natuurkundige’)

 

 

Х

(spreek uit: ch, als in chiro)

 

Кто,  приблизившись к кусту,

в землю ткнув треножник,

водит кистью по холсту?

Кто это? Художник.

 

[Wie gaat bij een struik staan,

steekt een driepikkel in de grond,

en haalt een borstel over een doek?

Wie dan? De CHOEDOZJNIK.]

 

Wie gaat met een arendsblik

met een ezel bij een struik staan,

laat zijn borstel heen en weer gaan?

Dat is de CHOEDOZJNIK.

 

(Choedózjnik is Russisch voor ‘kunstschilder’.)

 

Ц

(spreek uit: ts, als in tsaar)

 

Кто, смеясь и хохоча,

лезет в пасть к зверюге?

Мы глядим на ЦИРКАЧА

и дрожим в испуге.

 

[Wie kruipt er lachend

in de muil van een wild dier?

Wij aanschouwen de TSIRKATSJ

en rillen van angst].

 

De TSIRKATSJ bekijken wij

meer dan een beetje bedeesd,

want hij kruipt vrolijk en blij

in de muil van een wild beest.

 

(Tsirkatsj is Russisch voor ‘circusartiest’.)

 

Ч

[spreek uit: tsj]

 

 

Охраняет наш покой,

слыша ветра грозный вой,

над далёкою рекой

верный ЧАСОВОЙ.

 

[Luisterend naar het gehuil

van de wind boven de rivier

zorgt hij voor onze rust,

de trouwe TSJASOVOJ.]

 

Hij aanhoort het woeste geloei

van de wind boven de rivier

en nooit vertrekt hij een spier.

Op wacht staat de TSJASOVOJ.

 

(Tsjasovój is Russisch voor ‘schildwacht’.)

 

Ш

(spreek uit: sj, zoals in sjaal)

 

Кто, вступая с птицей в спор,

мчит во тьму во весь опор?

Кто глядит на светофор

с восхищением? ШОФËР.

 

[Wie rivaliseert met de vogels

en raast ’s nachts in volle vaart?

Wie bekijkt een verkeerslicht

met hartstocht? De SJOFJOR].

 

Door de nacht raast deze agressor

alsof hij met vogels wil rivaliseren,

maar evengoed kan de SJOFJOR

een knalrood stoplicht vereren.

 

(Sjofjór is Russisch voor ‘chauffeur’ of ‘bestuurder‘.)

 

Щ

(spreek uit: sjtsj, zoals in fresh cheese)

 

Нету должностей на Щ.

Весь вспотеешь, их ища.

 

[Je zoekt je in het zweet:

er is geen job met ‘SJTSJ’.]

 

Met ‘SJTSJ’ vind ik niks,

zelfs niet kwaadschiks.

 

 

Ы

(Deze klank bestaat niet in het Nederlands, maar lijkt een beetje op een ‘i’.)

 

К сожалению, увы,

нет профессий и на Ы.

 

[Hemellief, spijtig genoeg

is er geen beroep met ‘Y’.]

 

Met deze letter, vrienden,

is ook geen job te vinden.

 

Э

(spreek uit: e)

 

Свет погас, не видно пальцев.

Можно кошку съесть живьём,

наглотаться спиц от пяльцев…

Мы ЭЛЕКТРИКА зовём.

 

[Het licht is uitgegaan, stikdonder.

De kans bestaat dat je je kat opeet

of je naaigerei opvreet…

We roepen de ELEKTRIK.]

 

Zonder licht hebben we schrik

om per ongeluk naaigerei te eten,

of om de kat levend op te vreten…

Daarom bestaat de ELEKTRIK.

 

(Het Russische woord eléktrik betekent ‘elektricien’ of ‘elektrotechnicus’.)

 

 

Ю

(spreek uit: joe)

 

У меня сокровищ груды:

и брильянты, и сапфир.

Серебро от изумруда

отличает ЮВЕЛИР.

 

[Ik heb bergen schatten:

diamanten en saffieren.

Wat zilver is of smaragd

dat ziet de JOEVELIR.]

 

Wat een praal en pracht:

diamant, robijn en saffier.

Dit is zilver, dat is smaragd,

zo weet de JOEVELIR.

 

(Een Russische joevelír is, zoals je al kon raden, een juwelier.)

 

 

Я

(spreek uit: ja)

 

Эту азбуку, друзья,

сочинил вам нынче Я.

 

[Vrienden, dit ABC

schreef JA voor jullie.]

 

Dit ABC is klaar, hoera!

Wie schreef het? JA!

 

(De Russische letter ja betekent op zichzelf ‘ik’.)

 

Getagged , , , ,

Michaïl Sjisjkin. Het sociaal contract van Poetin

De onderstaande tekst is een vertaling van een opiniestuk van de Russische schrijver Michaïl Sjisjkin (de auteur van onder meer Onvoltooide liefdesbrieven), dat op 18 september 2014 in het Russisch verscheen in The Guardian.

sjisjkin

“Ik herinner me de angst die ik als kind voelde na het lezen van een vulgariserend artikel over zwarte gaten in de ruimte. De gedachte dat die heelalbreuken ons universum opzuigen bleef me ongerust maken tot ik inzag dat dit alles ver van ons bed gebeurde, dat wij er niet mee te maken zouden krijgen.

En nu heeft een zwart gat een bres in onze wereld geslagen, niet zo ver van ons. Het begint huizen, wegen, auto’s, vliegtuigen, mensen, volledige landen op te zuigen. Rusland en Oekraïne zijn al opgeslokt. Zienderogen verdwijnt Europa in het zwarte gat.

Dat gat in ons universum is de ziel van een heel eenzame, ouder wordende man. Dat zwarte gat is zijn angst.

Het fatum zond hem groeten uit exotische landen: televisiebeelden die het einde van Hoessein, Moebarak en Kaddafi vastlegden. De straatprotesten waarmee honderdduizenden Moskovieten het plezier van zijn plechtige zelfkroning verpestten, waren een signaal dat het gevaar naderde. De schandelijke vlucht van Janoekovitsj deed het alarm afgaan: als de Oekraïners hun bende konden verjagen, dan zou hun broedervolk daar wel eens inspiratie uit kunnen putten. Prompt werd zijn instinct tot zelfbehoud geactiveerd. Om zich te redden gebruikt iedere dictatuur hetzelfde recept: vijanden creëren. Ten oorlog gaan. De staat van oorlog is het levenselixer van het regime. In een roes van patriottisme gaat de bevolking op in haar ‘nationale leider’, en wie niet akkoord gaat is een ‘landsverrader’.

Onder het oog van de kijkers is de Russische televisie van een medium voor entertainment en desinformatie veranderd in een massavernietigingswapen. Journalisten hebben zich ontpopt tot een apart soort strijdtroepen, dat er allicht het meeste toe doet, meer nog dan langeafstandsraketten. Het wereldbeeld dat op bestelling van bovenaf wordt ingeplant bij de hersendood gemaakte natie, is er een van ‘Oekrofascisten’ die het Westen naar de pijpen dansen en oorlog voeren om de ‘Russische wereld’ te vernietigen.

‘Er zijn geen Russische soldaten op de Krim,’ zo werd deze lente met scheve grijns wereldkundig gemaakt. Het Westen begreep er niets van: hoe is het mogelijk je eigen bevolking zo flagrant te beliegen? Maar de Russische bevolking zag dit niet als een leugen: ‘Wij, Russen onder elkaar, hebben alles door. Je vijand een rad voor de ogen draaien, is uiteraard geen kwalijke zaak, maar net een bewijs van je onverschrokkenheid.’ Met grote trots werd achteraf erkend: ‘Er waren wél Russische soldaten op de Krim!’

Opnieuw zijn we aanbeland in het Sovjettijdperk van de totale leugen. De autoriteiten hadden met de bevolking een ‘sociaal contract’ afgesloten, waaronder we decennialang hebben geleefd: ‘We weten dat we liegen en dat jullie liegen, en we gaan door met liegen, zodat we overleven.’ Onder dat sociaal contract zijn generaties groot geworden. Die leugen kan je zelfs niemand kwalijk nemen; het is de samenballing van levenslust, overlevingskracht. Om in een gevangenis te overleven heb je bepaalde eigenschappen nodig, een specifieke geestesgesteldheid. De autoriteiten logen omdat ze de bevolking vreesden. De bevolking nam deel aan de leugen omdat ze de autoriteiten vreesde. De leugen biedt een samenleving die gebaseerd is op geweld en angst een kans op overleving.

Maar voor zo’n alomvattende leugen volstaan enkel geweld en angst niet.

Hoe komt een vader van een Russische militair die zonder benen uit Oekraïne terugkeerde erbij om op Facebook te schrijven: ‘Mijn zoon is soldaat, hij heeft een bevel uitgevoerd. Dus sowieso, wat er ook gebeurd is, heeft hij gelijk en ben ik trots op hem.’? Het menselijke bewustzijn verjaagt de gedachte dat je zoon is gaan moorden bij een broedervolk, dat hij niet invalide geworden is omdat hij het vaderland beschermde tegen zijn ware vijanden, maar vanwege de panische angst om de macht te verliezen van een grijzige aanvoerder, vanwege de ambities van over de troon krioelende dieven. Hoe erkennen dat jouw land, jouw vaderland de agressor is, en jouw zoon de fascist? Het vaderland staat altijd aan de kant van het goede. Dus wanneer Poetin zijn land flagrant beliegt, dan weet iedereen dat hij liegt, en hij weet ook zelf dat iedereen dat weet, maar het electoraat gaat ermee akkoord.

Wanneer Poetin westerse politici voor het oog van de wereld brutale leugens vertelt, kijkt hij met brandende nieuwsgierigheid en niet zonder genoegen naar hun reactie, laaft hij zich aan hun verwardheid en hulpeloosheid.  Hij wil dat Kiev zich als de Verloren Zoon op zijn knieën terug in de vaderlijke omhelzingen van het imperium sluit. Hij gelooft dat Europa even zal koken van verontwaardiging en daarna bedaren, na Oekraïne overgeleverd te hebben aan zijn verkrachtende broer. Hij stelt het Westen voor om het Sociaal Contract van de Leugen mee te ondertekenen. Het volstaat te zeggen: ‘Poetin is een pacificator’, en akkoord te gaan met zijn volledige vredesplan.

De sancties die westerse landen tegen Rusland treffen drukken de timide hoop uit dat economische problemen de Russen onwelwillend jegens hun regime zouden stemmen en tot actieve protesten zouden bewegen. Helaas is die hoop ijdel. Een bekend Russisch gezegde luidt: ‘Sla je eigen mensen zodat anderen je vrezen’. In Berlijn of Parijs is het onvoorstelbaar dat van de ene dag op de andere een wet zou worden uitgevaardigd die prompt de invoer van levensmiddelen aan banden legt. Diezelfde dag nog zou een storm aan protest het land doen ontploffen. In Rusland had zo’n wet als enige effect dat de sowieso onstuitbare populariteit van de leider nog toenam. Poetin kent het verschil tussen zijn macht en die van de Europese democratieën. Democratische regeringen dragen verantwoordelijkheid voor mensen en hun toekomst, terwijl in een dictatuur enkel verantwoording afgelegd wordt voor de uitvoering van bevelen. Iedere dictator hoopt onsterfelijk te zijn, en als dat onmogelijk is, dan is hij bereid om iedereen die hij veracht met zich mee te slepen in het zwarte gat. En verachten doet hij iedereen, zowel zijn eigen mensen als de anderen.

Poetin weet dat het Westen de rode lijn die hijzelf al lang achter zich heeft gelaten niet kan overtreden. Die lijn is de bereidheid tot een militair conflict. De menselijke psyche heeft het moeilijk om vanuit de naoorlogse tijd de vooroorlogse tijd binnen te stappen. In Rusland hebben de massaterreurmedia de Russen geholpen om deze stap te zetten. Bovendien is Rusland al in oorlog. Een nog niet openlijk verklaarde oorlog tegen het Westen. In Russische steden zijn al kisten met lijken van Russische soldaten uit Oekraïne toegekomen. Psychologisch loopt Europa  achter, nog altijd koestert het zich in zijn ontspannen vooroorlogse wereldje. Man will weiter seinen Spass haben. Aber es ist Schluss mit der Spassgesellschaft.

De Europeanen zijn niet klaar voor de nieuwe realiteit. ‘Laat ons met rust! We hadden het toch goed voorheen: arbeidsplaatsen, gas, vrede! Geen wapens leveren aan Oekraïne! In tijden van kernwapens ga je toch geen gewapend conflict beginnen vanwege een of ander Marioepol! De wereld moet toch niet in een catastrofe ten onder gaan omdat Oekraïne deel van Europa wil uitmaken? En daarbij spreekt Poetin prachtig Duits! Hoe kan hij een monster zijn als een Europees staatshoofd met hem in een slee zat en hem ‘ein lumpenreiner Demokrat’ heeft genoemd? Het zijn de Amerikanen die ons tegen de Russen opzetten! De schuld voor alles ligt bij de Amerikaanse imperialisten en de Europese bureaucraten! Wat hebben we aan sancties als ze ook ons schade berokkenen? Kijk, de Fransen staan klaar om de straat op te gaan uit protest tegen ‘het Amerikaanse dictaat dat Frankrijk dwingt om af te zien van de levering van zijn Mistral-oorlogsschepen aan Rusland’. Moskou verdedigt de Russische belangen in Oekraïne! En wie zegt dat er in Kiev echt geen fascisten aan de macht zijn? Wie weet is de Majdan begonnen als een volksopstand, maar is de macht daarna in handen geraakt van een nazistische junta. Dus waarom zouden we hun steun verlenen en ruzie maken met Rusland? Poetin stelt vrede voor! Wij willen vrede!’

De berekeningen van Poetin kloppen: het is waarschijnlijker dat de bevolking van het Westen uit angst voor economische chaos en de mogelijkheid van een oorlog nieuwe regeringen verkiest en Poetin-haters door Poetin-begrijpers vervangt, dan dat economisch verval en de prijsstijging van levensmiddelen de Russen tot protesten bewegen.

Poetin biedt Europa zijn sociaal contract aan. En telkens wanneer nog iemand zich bereid toont het te ondertekenen, dijt het zwarte gat uit.

Het wordt tijd dat we het inzien: het naoorlogse Europa is nu al vooroorlogs geworden.”

[Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: Черная дыра Путина (Het zwarte gat van Poetin)]

Getagged , , , ,

Kirill Medvedev. ‘ik maakte een praatje met een verkoopster…’

ik maakte een praatje met een verkoopster –

zonder bijbedoelingen –

zonder gescheld –

zonder bruuske uitvallen

niet tegen haar, niet tegen mij –

ik gaf iets

zij gaf te weinig terug –

te weinig geld.

zonder seksuele ondertoon.

speels –

maar zonder seksuele ondertoon.

iets anders zat er niet in.

zij valt op

professoren en motorrijders;

ik val op

verpleegsters van het ziekenhuis bij mij in de buurt

kleine promiscue vrouwen met hersens;

we praatten over koetjes en kalfjes

iets anders zat er niet in

maar als ik iemand anders was geweest

of als we beiden iemand anders waren geweest

en als iemand aandacht had gehad voor de smeuïge gloed

die langs ons gleed

dan zou die golf ons omver hebben geblazen

ons uit onze werelden hebben getrokken

met wortel en al

en dan zou ik

rondtollend in steriele winkelgalerijen

in een oplossing van pijnstillers

in een verkillende wereld

wellustig en vrolijk

tegen haar kunnen zeggen:

‘jonge verkoopster van groenten in het kraampje

bij de metro, je moet weten

dat je het afgelopen jaar een jaar of acht ouder

bent geworden,

je was geschminkt als een vijftigjarige hoer

en daarbij

zat je voorovergebogen, zodat je borsten

onder je blouse uit kwamen, en dat waren niet bepaald

de borsten die je had als twintigjarige (of hoe oud was je

vorig jaar?);

weet je waar ik aan moest denken?

naar het schijnt gebruikten italiaanse prostituees sperma

als verjongingscrème – ze smeerden er hun borsten

en gezicht mee in,

dus stel nu even dat ik dat ronde, pafferige, verdorven

gezichtje van jou

dat staaltje plebejische schoonheid,

in zou wrijven met zoveel sperma als ik

in mijn dromen doe

misschien zou je er dan minder belabberd bij lopen

maar dat is niet gebeurd en dat zat er ook niet in

want allemaal lopen we als slachtvee rond

met onze illusies

en er is niets waar we elkaar echt mee kunnen helpen.’

 

[Uit de bundel ‘Liefde, vrijheid, eerlijkheid, solidariteit,
democratie, totalitarisme’, Alles is slecht, pp. 160-161]

 


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht‘ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

Getagged , ,

Kirill Medvedev. Mijn fascisme (enkele waarheden)

Op het linkse platform voor kritiek en analyse TENK kan je vanaf heden een voorpublicatie lezen van de bundel Alles is slecht van de Russische dichter en activist Kirill Medvedev: het essay ‘Mijn fascisme (enkele waarheden)’, waarin hij de vloer aanveegt met Poetins Rusland. Dit zijn alvast de spetterende beginregels: 

Ik behoor tot de mensen die ‘groen achter de oren’ genoemd worden. Ik doe geen vlieg kwaad, aan mijn gezicht zie je dat ik het goed bedoel, ik ben inschikkelijk en besluiteloos. Ik ga fatsoenlijk om met mijn medemensen. Ik drink zelden alcohol, leid geen losbandig seksleven en heb de laatste vijf jaar geen drugs gebruikt. Maar ik loop over van idealisme. En dat is veel gevaarlijker dan drugs, alcohol, satanisme, kannibalisme, coprofagie en necrofilie. Ik hoop dat jullie al het bovenstaande verkiezen boven mijn boeken.

Het esthetische klimaat in ons land is afschuwelijk geworden. Het nationale cultuurbewustzijn is een stinkend moeras, half Sovjet en half bourgeois, waarin de lijken van Poesjkin, Dostojevski, Jozef Stalin, Alla Poegatsjova en Jezus Christus liggen te ontbinden. Rusland lijkt op een rottende bal, een misbaksel, van boven bedekt met bladgoud en van binnen propvol afval: pulpvoedsel, pulpideologie, pulpcultuur; de brokstukken van religie, de brokstukken van ons Sovjetwereldje, de brokstukken van ons dode imperium. Dat alles puilt aan alle kanten uit deze bolstaande bal, die aan het rollen is geslagen, steeds sneller en sneller. Klaar om in stukken uiteen te spatten of anders wie in zijn weg loopt plat te walsen.

Lees het vervolg van dit essay bij TENK. Lees hier een uitgebreid auteursportret van Kirill Medvedev en hier de flaptekst van Alles is slecht.

Alles is slecht

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO

‘De Russische Bukowski’, ‘Een van de origineelste stemmen van de linkse oppositie’ – Jeroen Zuallaert, Knack

Getagged , , , , ,

De weigering van de dichter. Kirill Medvedev: Alles is slecht

Op 1 mei 2014 brengt uitgeverij Leesmagazijn de bundel Alles is slecht uit met gedichten, acties en essays van de Russische dichter en linkse activist Kirill Medvedev. Samen met Frank Keizer schreef ik voor De Leeswolf (2014, Nr. 2.) het onderstaande auteursportret, een voorproef van de radicale oprechtheid van deze ‘Russische Bukowski’.

GEDICHTEN

op dit moment vertaal ik een detective

voor het tijdschrift buitenlandse literatuur

een detective voor een nieuwe serie

bijlagen van dat tijdschrift

volgens mij heet die serie

‘een boek voor onderweg’

ik heb zo het gevoel

dat ik de laatste tijd

in dienst sta van de bourgeoisie

de detective is geschreven door john ridley

een zwarte amerikaanse schrijver

hij is 32 jaar oud

het is een spectaculaire detective

die ergens doet denken aan de films van quentin tarantino

hij bevat satire op hollywood

en kritiek op de moraal van het hollywood-

establishment

maar tegelijkertijd gebruikt hij

alle bekende hollywoodtrucs;

die roman bevat wel

enkele sterke passages

maar in zijn geheel is het

naar mijn gevoel

gewoon een goed gelukt knutselwerkje

volgens mij zijn vertalers

op een zeldzame uitzondering na

vampiers

die zich voeden

met andermans bloed

want een vertaling

is een zoete droom

terwijl een kunstwerk

een kwelling is

daarom

zal ik waarschijnlijk

nooit meer iets vertalen

Met de bovenstaande slotregels van een lang programmatisch gedicht kondigt de Moskoviet Kirill Medvedev aan het begin van dit millennium zijn dichterschap aan. Op dat moment is hij vijfentwintig jaar oud. Literatuur is er hem met de paplepel ingegoten. Zijn moeder was redactrice bij een grote Sovjetuitgeverij, zijn vader een bibliofiel en journalist die tijdens de perestrojka beroemd werd, maar in de vroege jaren 1990 zijn gezin aan de roulette ruïneerde (hij moest zelfs zijn bibliotheek verkopen). Van 1992 tot 1996 studeerde Medvedev geschiedenis aan de Moskouse Staatsuniversiteit. Wanneer hij in 2000 afstudeert aan het Gorki Instituut voor Literatuur probeert hij in zijn onderhoud te voorzien als journalist en criticus. Hij schrijft recensies en artikels voor kranten en tijdschriften, en maakt literaire vertalingen. Langzaam dringt het besef tot hem door dat hij onmogelijk door kan gaan met dit alles – ook al haalde hij met name uit het vertalen grote voldoening. Zo vertelt hij in dit gedicht dat hij bij het vertalen van Amerikaanse cultschrijver Charles Bukowski het gevoel had volledig samen te smelten met de auteur. Ondanks de markante verschillen in levensstijl en ideeëngoed – tegenover het gezuip van de een staat het engagement van de ander – hebben Medvedev en Bukowski inderdaad veel met elkaar gemeen. Het valt te vermoeden dat Medvedev zich door zijn ervaring als vertaler van Bukowski aangemoedigd heeft gevoeld om Russische poëzie in het vrije vers te schrijven: gedichten zonder rijmschema, regelmatige strofebouw of vast metrum. Ze delen ook een zwak voor onwelvoeglijk taalgebruik, dat in Rusland meer nog dan in het Westen tot de taboesfeer behoort. Voor puristische Russische poëzielezers is Medvedev dan ook een zeikdichter of helemaal géén dichter.

In zijn eerste poëziebundels Alles is slecht (2000) en Invasie (2003) legt Medvedev zijn ervaringen vast in Rusland, dat toen nog enthousiast Poetin achterna holde. Terwijl zijn landgenoten een graantje proberen mee te pikken van de groeiende welvaart, waar zo naar gesnakt was onder het communisme, kijkt Medvedev aan de zijlijn toe. Hij denkt na over zijn eigen positie in en tegenover de consumptiemaatschappij van post-Sovjet Rusland, bijvoorbeeld in het gedicht ‘In de supermarkt Smolenski’, waarin hij, niet gespeend van zelfkritiek, de trance beschrijft waaraan hij ten prooi valt onder invloed van al die prachtig verpakte etenswaren:

een tijdlang staarde ik

naar al die

mooie domme dure

bling bling

die daar verspreid lag

op de rekken

van de supermarkt

en ik begreep

dat dit wellicht

de basisbrandstof was

van onze maatschappij

(niet omdat we allemaal

in een consumptiemaatschappij leven,

maar gewoon omdat

de rest

entourage is

terwijl je van voedsel

kan zeggen wat je wil

maar het zijn proteïnen

het is de basisgarantie

voor gezinsgeluk en welvaart

in wezen wordt alles

veroorzaakt door voedsel,

en daarom hoeft het

misschien niet te verbazen

dat voedsel de oorzaak is

van gezinnen die uiteenvallen

relaties die stuklopen

en van moorden);

na zo nog wat rondgelopen te hebben

drong het besef door

dat mijn verstikkende gevoel van medelijden

met die producten

ook een soort

fetisjisme was

en ook

een vorm

van materialisme was;

want eigenlijk is er geen reden

om te doen te hebben met producten

die dat alles

veroorzaken;

ik betaalde voor een visfilet

en voor de twee potjes

van die verbazingwekkend goedkope paté

die ik bij mezelf

‘de paté der armen’ noemde

en toen ik op straat stond

met die producten

drong het tot me door hoe vaak

mijn afschuw

voor de grimas van de consumptiemaatschappij

omslaat in sentimentaliteit

 

ACTIES

Als jonge dichter staat Medvedev onder hoede van Dmitri Koezmin, een excentrieke literator, uitgever en openlijke homoseksueel (wat in Rusland gezien wordt als een provocatie). Al in 1989 heeft hij onder de naam Vavilon een grootschalig forum opgezet waarop hij de meest uiteenlopende innovatieve Russische dichters onderbrengt. Koezmin helpt Medvedev om zich als dichter op de kaart te zetten, maar na enkele jaren bekoelt Medvedevs belangstelling voor diens literaire project. De rechtstreekse aanleiding voor de breuk is de steun van Koezmin aan de Amerikaanse invasie in Irak. De diepere reden is het besef van Medvedev dat zijn teksten binnen het Vavilonproject dan wel getolereerd en misschien ook geapprecieerd worden, maar dat ze geen echte invloed uitoefenen op de lezer: ze zijn een voorbeeld van repressieve tolerantie. In 2003 besluit Medvedev om de literaire wereld de rug toe te keren. Op zijn website publiceert hij een communiqué waarin hij het volgende verklaart:

Aan literaire projecten die georganiseerd en gefinancierd worden door de overheid of door culturele instanties weiger ik deel te nemen. Ik zal mijn boeken voortaan zelf uitgeven en financieren, en op mijn eigen website publiceren.

Ik zal geen publieke voordrachten meer houden.

Dit is geen heroïsche pose, PR-stunt of verlangen om mijn uitgeverij een duwtje in de rug te geven. Ik leg mezelf deze beperking op omdat ik haar noodzakelijk vind. Ik ben ervan overtuigd dat mijn teksten bestempeld kunnen worden als authentieke mainstreampoëzie. Daarom koester ik de hoop dat, wanneer de mainstream in mijn persoon voor de helft ondergronds gaat en – voor zover dat überhaupt mogelijk is – voor de helft onafhankelijkheid verwerft, dat er in mijn land dan misschien meer eerlijke, compromisloze en authentieke hedendaagse kunst zal komen, die niet besmeurd wordt door de culturele, financiële en politieke macht met haar weerzinwekkend ideologisch revanchisme (of, het omgekeerde, pseudo-liberalisme).

Medvedev voegt daad bij woord en publiceert zijn pornografisch getinte bundel De pikken der vaderen in de zomer van 2004 op zijn website. Enkele maanden later verzilvert hij zijn breuk met de literaire wereld door in een Manifest over het auteursrecht afstand te doen van zijn auteursrecht.

Ik bezit geen auteursrechten op mijn teksten en ik kan ze niet bezitten.

Niettemin verbied ik de publicatie van mijn teksten in bloemlezingen en bundels, omdat ik een dergelijke publicatie voor eens en altijd afdoe als manipulatie door deze of een andere culturele macht.

Mijn teksten mogen wel gepubliceerd worden in Rusland en in het buitenland, in welke taal dan ook, ALS AFZONDERLIJK BOEK, samengesteld en vormgegeven volgens de absolute willekeur van de uitgever en op de markt gebracht als PIRAATEDITIE, dat wil zeggen ZONDER MEDEWETEN VAN DE AUTEUR, ZONDER VOORAFGAANDE CONTACTEN OF AFSPRAKEN MET DE AUTEUR, wat ook vermeld moet worden in het colofon.

Iedereen die mij tot nog toe gepubliceerd heeft ben ik erkentelijk.

Strikt genomen heeft dit manifest enkel artistieke, geen juridische waarde. Niettemin publiceert de prestigieuze uitgeverij NLO in de herfst van 2005 achter de rug van Kirill Medvedev om een bundel met essays en gedichten van zijn hand onder de titel Teksten uitgegeven zonder medeweten van de auteur. Deze uitgave drijft het conflict tussen twee door Medvedev gekoesterde ambities op de spits: enerzijds het natuurlijke verlangen om gelezen te worden en anderzijds de weigering om deel uit te maken van een systeem dat hem in staat stelt zich als dichter te realiseren.

Als dichter overleeft Medvedev in de marge van het literaire systeem: in de jaren 2005 en 2006 schrijft hij voor zijn website de cyclus Voor de eeuwigheid en voor de door hemzelf opgerichte Nieuwe Marxistische Uitgeverij de bundel 3%. Toch gaat hij in de herfst van 2006 opnieuw een stap verder. Hij legt zich zelf een moratorium op: vijf jaar lang zal hij geen nieuwe gedichten publiceren. Behalve een poging om de routine te doorbreken is het een experiment. Zal hij nog de behoefte voelen om gedichten te schrijven in de wetenschap dat ze niet meteen gelezen kunnen worden?

Het moratorium van Medvedev betekent geen terugtrekking uit het openbare leven. Integendeel, vanaf 2006 speelt hij een bijzonder actieve rol in de socialistische beweging Vperjod (Vooruit). Bovendien laat hij zich opmerken met allerhande protestacties. Zo trok Medvedev in het voorjaar van 2007 in zijn eentje de straat op om te protesteren tegen de opvoering van een toneelstuk van Bertolt Brecht door de bekende regisseur Aleksandr Kaljagin. In Sovjetstijl had die in 2005 samen met een vijftigtal andere Russische cultuurprominenten een open brief ondertekend om een schuldigverklaring te vragen voor Poetins aartsvijand Michail Chodorkovski, die toen nog de CEO was van het Yukos olieconcern.

 

ESSAYS

Het moratorium van Medvedev betreft enkel zijn gedichten. Op zijn website en blog gaat hij gewoon verder met het publiceren van gedachten, liederen en in memoriams (van de Russische conceptualistische dichter Dmitri Prigov en de vermoorde mensenrechtenactivist Markelov). De meeste inkt kruipt echter in zijn essays, die stuk voor stuk getuigen van zijn scherp ontwikkelde rechtvaardigheidsgevoel en analytische vermogen. ‘In memoriam Dmitri Koezmin‘ (2006), over zijn breuk met zijn voormalige mentor, is tegelijk een ode en een vadermoord. In ‘De literatuur zal worden doorgelicht’(2007) trekt hij conclusies uit de crisis van de Post-Sovjetintelligentsia, die hij eerder in het essay ‘Mijn fascisme’ (2004) had vastgesteld. Inspiratie puttend uit de geschriften van Bertolt Brecht en Slavoj Žižek legt hij uit waarom de dichter geen privépersoon kan zijn.

In Rusland is dat geen nieuwe gedachte. De dichter Jevtoesjenko schreef al in 1965 dat ‘in Rusland een dichter meer dan een dichter’ is, en Medvedevs eigen teksten zijn soms doordrenkt van een bijna Messiaans aandoend pathos. In het bijzonder viseert Medvedev de figuur van Joseph Brodsky, wiens wens om ‘met rust gelaten te worden’ tijdens zijn proces gerechtvaardigd was, maar na diens verwerving van enorme morele en publieke status huichelachtig is geworden. Origineel is ook de marxistische invulling die Medvedev daaraan geeft. In zijn ogen heeft het leninistische Sovjetexperiment op geen enkele manier het marxisme als theorie in diskrediet gebracht. In de ogen van Medvedev heeft Rusland met name behoefte aan de idealen van het ‘warme’ marxisme, zoals gelijkheid en de idee dat de overheid zoveel mogelijk burgers moet vertegenwoordigen, en niet zoals nu de macht in handen moet laten van een elite wiens belangen diametraal tegenovergesteld zijn aan die van de bevolking. De Russische intelligentsia begaat een kapitale fout wanneer ze weigert in te zien dat de westerse democratieën waarnaar zij opkijkt geen toonbeelden van kapitalisme zijn, maar de vruchten plukken van eerder geleverde socialistische strijd. Tegelijkertijd toont Medvedev zich in zijn politieke denken complex, zelfs tegenstrijdig. Het essay ‘Mijn fascisme’ – Medvedevs zelfverklaarde ‘fascisme’ is zijn onvermogen om te begrijpen wat buiten zijn eigen menselijkheid ligt – eindigt met de aangrijpende wens om volmaakt ongepolitiseerd zijn kunst te kunnen bedrijven, in het besef dat dat op dit moment in Rusland niet mogelijk is.

De essays van Medvedev zijn niet licht verteerbaar, maar ze werpen een nieuw licht op het eenentwintigste-eeuwse Rusland. Voor wie geïnteresseerd is in de cultuurhistorische context waarin Pussy Riot een punkgebed hield in de Christus Verlosserskathedraal van Moskou, de kunstenaar Pjotr Pavlenski uit protest tegen de politieke onverschilligheid van zijn landgenoten zijn scrotum aan het plaveisel van het Rode Plein nagelde en Aleksej Navalny van anticorruptie-blogger uitgroeide tot een voor het Kremlin te duchten oppositieleider, zijn deze essays allicht verhelderender dan alle berichten bij elkaar die hierover in onze traditionele pers verschenen zijn – ook al is Medvedev niet de spreekbuis van Pussy Riot of Pavlenski, en al helemaal niet van Navalny. Keith Gessen, een in Rusland geboren Amerikaanse schrijver en de drijvende kracht achter de publicatie van de Engelstalige editie van Medvedevs geschriften It’s No Good, noemt Medvedev niet voor niets ‘Ruslands eerste echte post-Sovjetschrijver’. Medvedev bood radicale antwoorden op de vragen waar hij zelf mee worstelde.

Inmiddels is de zwijgplicht die Medvedev zichzelf als dichter heeft opgelegd verstreken. Het experiment is gelukt: hij is blijven schrijven. Zijn nieuwe creaties, die hij post op zijn Facebookaccount, zijn politieker dan ooit tevoren. Daarin beschrijft Medvedev bijvoorbeeld verwoede pogingen om van de stad Moskou toestemming te krijgen voor een linkse optocht, of een utopisch visioen van hoe een protestactie voor het behoud van het oude Chimskibos nabij Moskou ontaardt in een slagveld:

Op weg naar een actie voor het behoud van het Chimkibos,

dacht ik na over machteloosheid,

en herkauwde de oude gedachte dat het gebruik van wapens

een teken was van machteloosheid.

Toen in de verte een oproerpolitiebrigade opdoemde en iedereen in paniek raakte, niet uit filosofische machteloosheid,

maar uit heel erg aardse, menselijke machteloosheid.

toen dacht ik geestdriftig terug aan een idee uit een anarchistisch manifest,

dat enkel wie een wapen bezit

zich kan permitteren over pacifisme na te denken,

als we nu een wapen hadden, dacht ik, zouden we pacifisme ernstig kunnen overwegen,

en op het toppunt van onze machteloosheid, verscheen daar plots een wapen:

 

onze gelederen gingen uiteen en te midden van pacifistische studenten,

wanhopige leden van de intelligentsia en plaatselijke gepensioneerden ratelde een mitrailleur.

de agenten van de oproerpolitie vielen bij bosjes neer als de bomen van het Chimkibos.

Wat telt is dat er geen revolutie van komt, zei Jevgenija Tsjirikova,

toen we bij de aanblik van de lijken nadachten over hoe het verder moest.

De gedichten van Medvedev zijn niet elegant, zitten niet vol fraai verwoorde gedachten die een rijk innerlijk gevoelsleven verraden. Het zijn de erupties van een vertwijfeld, woedend, vaak radeloos individu, dat ernaar verlangt opnieuw een band met de wereld en zijn tijd aan te gaan. De poëtische expressie van Medvedev is rauw, onbemiddeld, bijwijlen absurd of grappig, maar altijd radicaal oprecht.


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

Getagged , , , , , , , , , , , , , ,

Sergej Dovlatov. Een paar chauffeurshandschoenen

De onderstaande tekst is een ongepolijste vertaling die ik voor mijn plezier gemaakt heb in 2008, toen ik nog tijd had om voor mijn plezier ongepolijste vertalingen te maken (tegenwoordig werk ik voor de eer aan een gepolijste vertaling). Ik was het bestaan ervan al vergeten, heb het herlezen en minstens een keer gelachen.   

Joeri Schlippenbach ontmoette ik op een conferentie in het Taurische Paleis. Of beter gezegd: op een redacteurenbijeenkomst van de grote kranten. Ik vertegenwoordigde de krant ‘Turbobouwer’, Schlippenbach een grote krant die door de Lenfilmstudio’s uitgegeven werd onder de naam ‘Shot’.

Tweede secretaris van het regionaal partijcomité Bolotnikov hield een lezing. Op het einde zei hij:

‘We hebben een aantal modelkranten, bijvoorbeeld ‘Vaandel der Vooruitgang’. We hebben er ook van het middelmatige type, zoals ‘Admiraliteit’. Of slechte, van het soort als ‘Turbobouwer’. Tot slot hebben we nog het unieke geval ‘Shot’. Qua saaiheid en talentloosheid spant deze krant de kroon.’

Ik kromp zachtjes ineen. Schlippenbach daarentegen richtte zich trots op. Kennelijk zag hij zichzelf als een verdrukte dissident. Daarna riep hij voldaan uit:

‘Volgens Lenin moet kritiek gefundeerd worden!’

‘Jouw krant, beste Joeri, staat beneden alle kritiek,’ antwoordde de secretaris…

In de pauze hield Schlippenbach me staande en vroeg:

‘Excuseer, hoe groot bent u?..’

Ik was niet verbaasd. Ik was dit gewoon. Ik wist dat het volgende absurde gesprek zou volgen: ‘Hoe groot ben je?’ ‘Eén meter vierennegentig.’ ‘Spijtig dat je geen basketbal speelt.’ ‘Hoezo spijtig? Ik spéél basketbal.’ ‘Als ik het niet gedacht had…’

‘Hoe groot bent u?’ vroeg Schlippenbach.

‘Eén meter vierennegentig. Wat is ermee?’

‘Het is zo dat ik een amateurfilm aan het draaien ben. Ik zou u de hoofdrol willen aanbieden.’

‘Ik heb geen acteertalent.’

‘Dat geeft niet. Uw apparentie is zeer geschikt.’

‘Wat betekent apparentie?’

‘Uiterlijk voorkomen.’

We spraken af elkaar de volgende morgen te ontmoeten.

Schlippenbach kende ik al eerder van de krantensector. We kenden elkaar enkel niet persoonlijk. Het was een nerveuze smalle man met nogal vuil lang haar. Volgens eigen zeggen kwamen zijn Zweedse voorouders ter sprake in historische documenten. Overigens vervoerde Schlippenbach in zijn boodschappentas een boekdeel van Poesjkin. Het poëem ‘Poltava’ zat verstopt onder een snoepwikkel.

‘Leest u eens,’ sprak Schlippenbach zenuwachtig.

En zonder een reactie af te wachten schreeuwde hij met blaffende stem uit:

‘Door vuurgeweld liggen de garden,

in het stof geveld, geheel aan flarden.

Rozen is hem uit de slag gesmeerd,

De noeste Schlippenbach capituleert…’

In de krantensector was men beducht voor hem. Schlippenbach gedroeg zich uitermate brutaal. Misschien was dat de noestheid die hij geërfd had van de Zweedse generaal. Maar van concessies of capitulatie wilde Schlippenbach niets weten.

Ik weet nog dat de oude journalist Matjoesjin stierf. Iemand engageerde zich om geld in te zamelen voor de begrafenis. Ze klopten aan bij Schlippenbach. Hij riep uit:

‘Toen Matjoesjin leefde zou ik voor hem nog geen roebel uitgegeven hebben. En aan een dode Matjoesjin wil ik zelfs geen vijfkopekenstuk spenderen. Laat de KGB zijn informanten zelf maar begraven… ’

Ook leende Schlippenbach voortdurend geld van collega’s en betaalde hij schoorvoetend terug. De lijst van schuldeisers besloeg twee pagina’s van zijn journalistieke blocnote. Telkens hij aan een schuld herinnerd werd riep Schlippenbach dreigend uit:

‘Als je gaat zeuren schrap ik je van mijn lijst!’

’s Avonds na de bijeenkomst belde hij me tweemaal op. Zomaar, zonder concrete aanleiding. Zijn lome toon getuigde van onze groeiende intimiteit. Een vriend kan je immers ook opbellen zonder dat je daaraan bijzondere behoefte hebt.

‘Ik voel me down,’ jammerde Schlippenbach. ‘En ik heb geen drank in huis. Ik lig hier op mijn divan eenzaam te wezen, met mijn vrouw…’

Op het einde van het gesprek herinnerde hij me eraan:

‘Morgen bespreken we alles.’

Die ochtend brachten we door in de krantensector. Ik was bezig aan de revisie van een stuk, Schlippenbach bereidde de uitgave van een nieuw nummer voor. Zo nu en dan riep hij nerveus uit:

‘Waar is die schaar gebleven?! Wie heeft mijn liniaal weggenomen?! Hoe schrijft men “Zuid-Afrikaanse Republiek”, aaneen of met een koppelteken?!’

Daarna gingen we lunchen.

In de jaren zestig diende de kantine van het Pershuis als distributiepunt voor kaderleden. Er werden runderworstjes, conserven, kaviaar, marmelade, tong en gerantsoeneerde vis verkocht. In theorie bediende de kantine de medewerkers van het Pershuis. Met inbegrip van journalisten van de grote kranten. In praktijk echter kon eender wie daar bediend worden. Bijvoorbeeld externe auteurs. Dus geleidelijk aan werd het distributiepunt steeds minder gesloten. Met andere woorden, er bleven steeds minder gerantsoeneerde producten over. Uiteindelijk bleef van de aanvankelijke weelde enkel nog bier uit Zjigoeli behouden.

De kantine besloeg de hele noordelijke flank van de zesde verdieping. De vensters gaven uitzicht op de Fontanka-rivier. In de drie zalen konden gelijktijdig meer dan honderd man binnen.

Schlippenbach sleepte me een nis in. Er stond een tafeltje gedekt voor twee. Kennelijk hadden we een door en door confidentieel gesprek in het vooruitzicht.

We bestelden bier en boterhammen. Schlippenbach dempte lichtjes zijn stem en begon:

‘Ik richt me tot u omdat ik intelligente mensen naar waarde weet te schatten. Ikzelf ben ook een intelligente mens. Wij zijn met weinigen. Eerlijk gezegd moeten er van ons nog minder zijn. De aristocraten sterven uit als voorhistorische dieren. Maar ter zake nu. Ik heb besloten om een amateurfilm op te nemen. Het is genoeg geweest mijn beste jaren aan die platte journalistiek te offeren. Ik heb zin in echt creatief werk. Dus morgen begin ik met de opnamen. Het wordt een film van een tiental minuten. Hij is bedacht als satirisch pamflet. Het onderwerp is als volgt. In Leningrad duikt een mysterieuze onbekende op. Hij is makkelijk te herkennen als tsaar Peter. Dezelfde die tweehonderd zestig jaar geleden Petersburg heeft gesticht. Nu is de grote heerser omgeven door de platte sovjetrealiteit. Een agent dreigt hem een boete te geven. Twee dronkenlappen stellen hem voor om met zijn drieën bij te leggen voor een fles. Zwarthandelaars willen de schoenen van de tsaar kopen. Enkele meiden houden hem voor een rijke vreemdeling, KGB-agenten voor een spion. En zo voort. Kortom: één en al gezuip en smeerlapperij. De tsaar roept verbeten uit: “Wat heb ik gedaan?! Waarom heb ik deze hoerenstad ooit gesticht?”

Schlippenbach schoot in zo’n schaterlach dat de papieren servetjes in het rond vlogen. Dan voegde hij toe:

‘De film wordt, zacht uitgedrukt, apolitiek. Hij zal enkel in privékring vertoond kunnen worden. Ik hoop dat westerse journalisten hem te zien krijgen, wat gegarandeerd voor internationale weerklank zou zorgen. Daaruit kunnen de meest onverwachte gevolgen voortvloeien. Zo, overdenk en overweeg het maar. Gaat u akkoord?

‘U heeft toch gezegd het te overdenken.’

‘Hoelang hoef je over zoiets na te denken? Ga maar akkoord.’

‘Hoe gaat u eigenlijk aan de apparatuur komen?’

‘Hierover hoeft u zich geen zorgen te maken. Ik werk toch bij de Lenfilmstudio’s voor iets. Ik heb er iedereen te vriend, te beginnen bij regisseur Herbert Rappoport tot en met de laatste lichtmachinist. Ik heb de techniek ter beschikking. En een camera weet ik al te hanteren vanaf mijn kindertijd. In één woord: denk er over na en hak de knoop door. U bent de geschikte man. Deze rol kan ik immers enkel aan een gelijkgestemde toevertrouwen. Morgen gaan we naar de studio. We rapen de nodige rekwisieten bij elkaar. We overleggen met de grimeur. En we beginnen eraan.

Ik zei:

‘Ik moet er over nadenken.’

‘Ik zal u bellen.’

We betaalden de rekening en begaven ons naar de krantensector.

Acteertalent had ik echt niet. Hoewel mijn ouders tot het theaterwereldje behoorden. Mijn vader was regisseur, mijn moeder actrice. Toegegeven, een diep spoor in de theatergeschiedenis hadden mijn ouders niet nagelaten. Misschien was dat maar goed ook…

Ikzelf had de scene tweemaal betreden. De eerste keer zat ik nog op school. Ik herinner me dat we het verhaal ‘Tsjoek en Gjek’ in scene zetten. Als grootste van iedereen moest ik de rol van de vader/poolreiziger spelen. Ik moest uit de toendra tevoorschijn komen op ski’s, en dan de finale monoloog uitspreken.

De toendra werd achter de coulissen uitgebeeld door zittenblijver Prokopovitsj. Als een bezetene gaf hij zich over aan gekras, gehuil en berengebrul.

Met schuifelende schoenen en zwaaiende armen verscheen ik op het toneel. Zo beeldde ik een skiër uit. Dat was mijn regisseursvondst. Met dank aan mijn theatrale onderbouw.

Spijtig genoeg wisten de toeschouwers mijn formalisme niet op prijs te stellen. Ze aanhoorden het geloei van Prokopovitsj, observeerden mijn mysterieuze bewegingen en maakten uit dat ik een boefje was. Aan geboefte was er geen tekort onder de schoolgaande jeugd van na de oorlog.

De meisjes reageerden verontwaardigd, de jongens applaudisseerden. De schooldirecteur kwam de scene op en sleepte me achter de coulissen. Daardoor was het de lerares literatuur die de finale monoloog uitsprak.

Een tweede gelegenheid om acteur te zijn kreeg ik vier jaar geleden. Ik werkte toen bij de republikeinse partijkrant en werd aangesteld tot Kerstman. Hiervoor werd mij drie dagen vrijaf en vijftien roebel beloofd.

De redactie had een kerstboom geregeld voor het internaat dat ze onder haar hoede had. En weeral was ik de grootste. Ze kleefden me een baard op, gaven me een muts, een bontjas en een mandje met geschenken. En ze zetten me op de scène.

De bontjas zat nauw. De muts rook naar vis. De baard was bijna verbrand toen ik een sigaret probeerde te roken.

Ik wachtte tot het stil werd en zei:

‘Dag lieve jongetjes en meisjes! Herkennen jullie mij?’

‘Lenin! Lenin!’ riepen ze uit de voorste rijen.

Ik schoot in de lach, waarop mijn baard losraakte…

En nu bood Schlippenbach me dus de hoofdrol aan.

Ik kon natuurlijk weigeren. Maar om een of andere reden stemde ik in. Ik ga eeuwig en altijd in op de wildste voorstellen. Het is niet zomaar dat mijn vrouw zegt:

‘Je interesseert je voor alles, behalve voor je echtelijke verplichtingen.’

Mijn vrouw gelooft dat echtelijke verplichtingen in de eerste plaats neerkomen op nuchterheid.

Maar goed, we begaven ons dus naar de Lenfilmstudio’s. Schlippenbach belde naar een man met de naam Tsjipa van het rekwisietenmagazijn. We kregen een doorgangspasje.

De ruimte waarin we stonden was volgestouwd met dozen en kisten. Het rook er naar vocht en naftaline. Boven mijn hoofd flikkerden en knetterden tl-lampen. In de hoek zag ik het donkere silhouet van een opgezette beer. Een kat flaneerde over een lange tafel.

Vanachter een scherm kwam Tsjipa tevoorschijn. Het was een man van middelbare leeftijd met een matrozenhemd aan en een hoge hoed op. Hij keek me lang aan, en vroeg toen nieuwsgierig:

‘Heb je soms gewerkt als bewaker?’

‘Waarom?’

‘Herinner jij je de isoleercel in Roptsja?’

‘Allicht.’

‘En weet je nog dat een kampgevangene zich opgehangen had aan zijn broekriem?’

‘Ik herinner me vaag zoiets.’

‘Dat was ik. Twee uur lang hebben die hufters me gereanimeerd…’

Tsjipa vergaste ons op verdunde alcohol. Overigens toonde hij zich dienstvaardig. Hij zei:

‘Alsjeblieft, mijnheer de opzichter!’

En op tafel stalde hij een hele berg rommel uit. Er zaten hoge zwarte laarzen bij, een lang hemd, een mantel en een hoed. Toen dook Tsjipa ergens een paar handschoenen met kap op. Van het soort dat de eerste Russische autoliefhebbers droegen.

‘En een broek?’ herinnerde Schlippenbach.

Uit een kist trok Tsjipa een fluwelen broek met galonnen.

Lijdzaam trok ik hem aan. Het lukte me niet hem dicht te knopen.

‘Het kan ermee door,’ verzekerde Tsjipa, ‘Je kan hem toebinden met een touwtje.’

Toen we afscheid namen zei hij plots:

‘Toen ik zat hunkerde ik naar de vrijheid. En nu drink ik een glaasje en het kamp lonkt. Dat waren nog eens mensen, onze Grijskop, de Larf en de Locomotief…!’

We stopten de rommel in een koffer en gingen met de lift naar de grimeur beneden. Of beter gezegd naar de grimeuse die Ljoedmila Borisovna genaamd was.

Het was trouwens de eerste maal dat ik in de Lenfilmstudio’s kwam. Ik dacht dat ik een massa belangwekkende zaken te zien zou krijgen, creatieve drukte en befaamde acteurs. Bijvoorbeeld de actrice Tsjoersina die een geïmporteerd zwempak past in het bijzijn van haar collega Tenjakova, groen van jaloezie.

In realiteit deden de Lenfilmstudio’s denken aan een gigantische kanselarij. In de gangen circuleerden weinig appetijtelijke vrouwen met papieren. Van overal weerklonken aanslagen van typemachines. Extravagante persoonlijkheden kregen we niet te zien. Wellicht was Tsjipa met zijn matrozenhemd en hoge hoed nog de extravagantste van al.

De grimeuse Ljoedmila Borisovna liet me plaatsnemen voor de spiegel. Enige tijd stond ze achter mijn rug.

‘En wat denk je?’ informeerde Schlippenbach.

‘Wat het hoofd betreft is het niet denderend. Zes en een half op tien. Maar de apparentie is schitterend.

Daarbij raakte Ljoedmila Borisovna mijn onderlip aan, trok ze aan mijn neus en gaf ze een tikje tegen mijn oren.

Toen zette ze mij een zwarte pruik op. En plakte me een snor op. Met een zachte potloodbeweging gaf ze vorm aan mijn kaken.

‘Onwaarschijnlijk!’ riep Schlippenbach uit. ‘Een typische tsaar! De Arabier van Peter de Grote…’

Daarna verkleedde ik me en bestelden we een taxi. Ik liep doorheen de studio in het vol ornaat van een staatshoofd en imperator. De mensen die ik tegenkwam staarden me na, of toch sommigen.

Schlippenbach liep nog even langs bij een vriend. Die gaf ons twee zwarte kisten met apparatuur. Ditmaal moest er gedokt worden.

‘Hoeveel is het?’ vroeg Schlippenbach.

‘Vier twaalf,’ was het antwoord.

‘Ze hadden me nochtans gezegd dat je was overgestapt op droge wijn.’

‘En jij geloofde dat?’

In de taxi legde Schlippenbach me uit:

‘Het scenario hoef je niet te lezen. We gaan alles improviseren, zoals bij Antonioni. Peter de Grote bevindt zich in het hedendaagse Leningrad. Hij vindt hier alles vreemd en verwerpelijk. Hij stapt binnen in een winkel met voedselwaren. Hij roept uit: waar is hier steur, honing en anijsvodka? Wie heeft ons rijk geruïneerd, goddeloze barbaren?!’ En zo verder. We zijn nu onderweg naar Vasiljevski Ostrov. Verontschuldig me, zeggen we tegen elkaar “u”?’

‘Uiteraard zeggen we “jij”.’

‘We zijn nu onderweg naar Vasiljevski Ostrov. Daar wacht Boekina ons op met een auto.’

‘Wie is Boekina?’

‘Iemand van de besteldienst van Lenfilm. Ze heeft een minibusje van de staat ter beschikking. Ze heeft gezegd na het werk te komen. Een ongelofelijk intelligente vrouw is het. We hebben samen het scenario geschreven. Op kamers bij een vriend… Om kort te gaan, we zijn op weg naar Vasiljevski. We nemen de eerste shots. De tsaar beweegt van de landtong van het eiland in de richting van de Nevski Prospekt. Hij is stomverbaasd. Om de haverklap houdt hij de pas in en kijkt rond. Begrepen? Van de auto’s moet je schrik hebben. De uithangborden bestudeer je. Om de telefooncellen loop je angstig heen. Als ze je toevallig raken trek je het degen. Ga met dit alles om op een creatieve manier…

Het degen rustte op mijn knieën. Het lemmet was eraf gezaagd. Ik kon het voor drie centimeters ontbloten.

Schlippenbach gesticuleerde geestdriftig. De chauffeur bleef echter volmaakt onbewogen. Slechts op het einde vroeg hij geïnteresseerd:

‘Kerel, zeg eens, uit welke dierentuin ben je weggelopen?’

‘Fantastisch!’ bracht Schlippenbach ten berde, ‘Een perfect shot!’

We klauterden met onze kisten de taxi uit. Bij het trottoir aan de overkant stond een minibusje. Ernaast stapte een jonge vrouw in jeans. Zij toonde geen interesse voor hoe ik eruit zag.

‘Galina, je bent één en al bekoring,’ zei Schlippenbach. ‘Binnen tien minuten beginnen we.’

‘Je maakt me depressief,’ reageerde de jonge vrouw.

De volgende twintig minuten waren ze in de weer met de apparatuur. Ik slenterde langs de huizen van het vroegere rariteitenkabinet van Peter de Grote. De voorbijgangers bekeken me met belangstelling.

Van de Neva woei een koude wind. Zo nu en dan verborg de zon zich achter de wolken.

Uiteindelijk zei Schlippenbach dat het gereed was. Galina schonk zichzelf koffie in uit een thermos. De dop van de thermos maakte een afgrijselijk piepend geluid.

‘Ga hier vandaan,’ zei Schlippenbach, ‘tot achter de hoek. Als ik wuif, loop je langs de muur.’

Ik stak de straat over en ging achter de hoek staan. Daartegen waren mijn laarzen finaal doorweekt. Schlippenbach maakte geen haast. Ik zag dat Galina hem een glas koffie aanreikte. En ik moest dus rondlopen met doorweekte laarzen.

Eindelijk wuifde Schlippenbach. Hij hield de camera vast alsof het een hellebaard was. Daarna plaatste hij haar tegen zijn gezicht.

Ik doofde mijn sigaret, kwam vanachter de hoek en stapte in de richting van de brug.

Het bleek niet prettig lopen als je gefilmd wordt. Ik spande me in om niet te struikelen. Toen de wind opzette greep ik mijn hoed vast.

Opeens zette Schlippenbach het op een roepen. Door de wind verstond ik hem niet, ik stopte en stak de weg over.

‘Wat doe je nu?’ vroeg Schlippenbach.

‘Ik verstond het niet.’

‘Wat verstond je niet?’

‘Wat u riep.’

‘Niet u, maar jij.’

‘Wat riep je?’

‘Ik riep: “geniaal!”. Meer niet. Vooruit, opnieuw!’

‘Wilt u koffie?’ vroeg Galina eindelijk.

‘Nu niet,’ hield Schlippenbach haar tegen. ‘Na de derde retake.’

Opnieuw kwam ik vanachter de hoek. Opnieuw stapte ik in de richting van de brug. Opnieuw riep Schlippenbach me iets toe. Ik schonk er geen aandacht aan.

Zo liep ik verder tot aan de borstwering. Toen keek ik om. Schlippenbach en zijn vriendin zaten in de auto. Ik haastte me terug.

‘Slechts één opmerking,’ zei Schlippenbach, ‘wat meer expressie. Je moet je over alles verwonderen. Vol verbazing de plakkaten en uithangborden bestuderen.’

‘Er zijn geen plakkaten.’

‘Maakt niet uit. Ik ga dat alles later monteren. De hoofdzaak is dat je je verbaast. Je loopt drie meter verder, en je klapt in de handen…’

In totaal jaagde Schlippenbach me zeven maal terug. Ik was bekaf. Mijn broek was afgezakt tot onder mijn hemd. Roken met handschoenen aan was niet makkelijk.

Maar aan mijn kwellingen kwam een einde. Galina reikte me de thermos aan. Daarna vertrokken we naar het Taurische Paleis.

‘Daar is een bierkraam,’ zei Schlippenbach, ‘ik geloof zelfs meer dan één. Het loopt er vol met dronkaards. Dat wordt fantastisch. De monarch te midden van zijn onderdanen…’

Ik kende die plaats. Twee bierkramen, met ertussen een proeflokaal. Niet ver van het Theaterinstituut. Er waren inderdaad zoveel dronkaards als je maar wilde.

Het busje zetten we in de doorgang. Daar werden alle voorbereidingen getroffen.

Daarna fluisterde Schlippenbach me enthousiast toe:

‘Een eenvoudige mise-en-scène. Je gaat bij de kraam staan. Verontwaardigd sla je het verzamelde publiek gade. En dan houd je een betoog.’

‘Wat moet ik zeggen?’

‘Wat er in je opkomt. De woorden hebben geen betekenis. Het belangrijkste is je mimiek, je gebaren…’

‘Ze zullen denken dat ik een halvegare ben.’

‘Dat mag. Zeg eender wat. Informeer naar de prijs.’

‘Dan zullen ze me al helemaal voor een halvegare houden. Wie kent er de prijzen nu niet? En dan nog wel van bier.’

‘Vraag hen dan wanneer het jouw beurt is. Als je maar wat met je lippen beweegt, daarna monteer ik het nodige. De tekst wordt later geregistreerd op een geluidsband. Dus, actie graag.’

‘Drink je wat moed in,’ zei Galina.

Ze haalde een fles wodka tevoorschijn. Ze schonk me een glas in dat onder de koffie zat.

Moediger werd ik er niet van. Maar ik klauterde uit de auto. Ik moest nu eenmaal.

De bierkraam, in het groen geschilderd, stond op de hoek van de Belinski- en de Mochovaja-straat. De rij wachtenden strekte zich over het grasperk helemaal tot aan het gebouw voedingsmiddelenfabriek uit.

Bij de toog verdrongen de mensen elkaar. Verderop werd de massa langzaam dunner. Om ten slotte uiteen te vallen in enkele tientallen gesloten sombere figuren.

De mannen droegen grijze kostuums en bodywarmers. Ze stonden er streng en gelaten bij, als bij het graf van een vreemde. Er waren er die bidons en theepotten vasthielden.

In de massa stonden niet veel vrouwen, vijf of zes. Ze gedroegen zich lawaaieriger en ongeduldiger. Eén van hen brulde iets mysterieus:

‘Toon respect voor een oud moedertje, laat me voorgaan!’

Wanneer ze hun doel bereikt hadden gingen de mensen opzij, uitkijkend naar hun gelukzaligheid. Het grasperkje werd bedekt met een grijze schuimkraag.

Eenieder droeg in zichzelf een persoonlijk brandje. Van zodra dat gedoofd was werden de mensen levendig, staken ze een sigaret op, probeerden ze een gesprek aan te knopen.

Wie nog in de rij stond te wachten vroeg:

‘Is het bier te drinken?’

Ten antwoord klonk:

‘Het lijkt erop van wel…’

Ik vroeg me af hoeveel van zulke kramen er in heel Rusland te vinden waren. Hoeveel mensen sterven er dagelijks om opnieuw geboren te worden?

Toen ik dichter bij de massa kwam kreeg ik schrik. Waarom had ik met dit alles ingestemd? Wat had ik te zeggen tegen deze gekwelde, sombere en halfwaanzinnige mensen? Wat kon hen die hele idiote maskerade?!

Ik ging aan de staart van de rij staan. Twee of drie mannen wierpen een blik op mij zonder enige nieuwsgierigheid. De anderen merkten me zelfs niet op.

Voor mij stond een man van het Kaukasische type met een blouse van de spoorwegen. Links naast hem stond een schooier met schoenen gemaakt van zeildoek en losse veters. Op twee passen van mij brak een intellectueel lucifers in een poging een sigaret op te steken. Zijn platte portefeuille knelde hij tussen de knieën.

De toestand werd steeds absurder. Alle mensen zwegen, ze verbaasden zich niet. Niemand stelde me vragen. Waarom zouden ze? Iedereen was slechts door één ding gepreoccupeerd: zijn kater wegdrinken.

Wat zou ik hen zeggen? Zou ik vragen wanneer het mijn beurt was? Na degene voor me in de rij dus.

Trouwens, ik had geen geld bij me. Mijn geld was in mijn gewone mensenbroek gebleven.

Ik kijk om en zie Schlippenbach die vanuit de doorgang met zijn vuisten zwaait, hij geeft instructies. Kennelijk wil hij dat ik handel volgens plan. Hij hoopt met andere woorden dat iemand me een bierkroes tegen het gezicht mept.

Ik wacht. Langzaam begeef ik me naar de toog.

Ik hoor de spoorwegarbeider iemand uitleggen:

‘Ik ben na die kale. Na mij komt de tsaar. En jouw beurt is na de tsaar…’

De intellectueel spreekt me aan:

‘Excuseer, kent u Sjerdakov?’

‘Sjerdakov?’

‘Bent u Dolmatov?’

‘Ongeveer.’

‘Aangenaam. Ik ben u nog een roebel verschuldigd. Herinnert u zich dat we van bij Sjerdakov naar de Dag van de Kosmonaut gingen? Ik heb u toen een roebel gevraagd voor de taxi. Alstublieft.’

Zakken had ik niet. Ik stak het verfomfaaide roebelbiljet in mijn handschoen.

Sjerdakov kende ik inderdaad. Hij was een groot kenner van de marxistisch-leninistische esthetica, hij doceerde aan het theaterinstituut. Een vaste klant van dit proeflokaal…

‘Doe hem mijn groeten,’ zeg ik, ‘als u hem ziet.’

Op dat moment kwam Schlippenbach op ons afgestapt. Achter hem liep Galina, zuchtend.

Daartegen was ik bijna bij mijn doel. De mensenmassa was dichter geworden. Ik was samengeperst tussen de schooier en de spoorwegarbeider. Het uiteinde van mijn degen porde tegen de heup van de intellectueel.

Schlippenbach riep uit:

‘Ik mis de mise-en-scène! Waar is het conflict?! Je moet het antagonisme van de volksmassa’s uitlokken!’

De rij kreeg achterdocht. De energieke man met de filmcamera maakte het volk geïrriteerd en onrustig.

‘Excuseer,’ richtte de spoorwegarbeider zich tot Schlippenbach, ‘Dit is niet uw plaats!’

‘Ik bevind me in staat van uitvoering van dienstverplichtingen,’ reageerde Schlippenbach resoluut.

‘Iedereen is hier in staat van uitvoering,’ klonk het uit de massa.

Het ongenoegen groeide. De stemmen werden steeds agressiever:

‘Die satirici en kuthumoristen lopen hier af en aan…’

‘Ze fotograferen je en voor je het weet sta je op een bord… Met als onderschrift “Ze verstoren de goede orde.”’

‘De mensen, kan je wel zeggen, zijn hier beschaafd hun kater aan het wegdrinken, en hij komt de boel verneuken…’

‘Die verpester hoort thuis naast een strontemmer…’

De energie van de massa stortte zich naar buiten. Maar ook Schlippenbach werd plots kwaad:

‘Jullie hebben Rusland kapotgezopen, tuig! Een geweten hebben jullie al lang niet meer! Jullie zien scheel door de wodka, van ’s morgens vroeg…’

‘Joeri, het is genoeg! Gedraag je niet zo idioot! Kom, we zijn weg!’ trachtte Galina Schlippenbach te overhalen.

Maar hij bleef stokstijf staan. En precies toen was het mijn beurt. Ik haalde de verfomfaaide roebel uit de handschoen. En vraag:

‘Hoeveel moet ik bestellen?’

Schlippenbach kalmeerde op slag en zegt:

‘Voor mij een grote pint en een opwarmertje. Doe onze Galina een kleintje.’

Galina voegde eraan toe:

‘Ik drink geen bier. Maar ik aanvaard het graag…’

Er zat niet al te veel logica in haar woorden.

Iemand begon te morren. Geërgerd legde de schooier uit:

‘De tsaar stond in de rij, dat heb ik gezien. En die klootzak met zijn lantaarn is zijn vriendje. Dus alles is legaal!’

De dronkaards gromden even en verstomden.

Schlippenbach nam de camera over in zijn linkerhand. Hij hief het glas op:

‘Laten we drinken op het succes van onze toekomstige film! Authentiek talent kan niet anders dan vroeg of laat doorbreken.’

‘Gekke jongen van me,’ zei Galina…

Toen we in achteruit uit de doorgang reden zei Schlippenbach:

‘Wat een publiek! Zo is het volk dus! Ik zat zelfs met schrik. Dat was zoiets als…’

‘De slag bij Poltava,’ vulde ik aan.

Me in het busje omkleden was nogal moeilijk. Ik werd thuis afgezet in het ornaat van een staatshoofd en imperator.

De volgende dag ontmoette ik Schlippenbach bij de kassa voor honoraria. Hij liet me weten dat hij zich wilde toeleggen op burgerrechtenactivisme. Op die manier werden de opnames van de amateurfilm stopgezet.

Het theaterkostuum slingerde nog twee jaar rond in mijn woning. De sabel werd toegeëigend door een buurjongetje. Met de hoed dweilden we de grond. Het lange hemd werd in plaats van een demi-saison gedragen door Regina Britterlan, een extravagante vrouw. Van de fluwelen broek maakte mijn echtgenote een rok.

Het paar chauffeurshandschoenen nam ik met me mee toen ik emigreerde. Ik was ervan overtuigd dat ik meteen een auto zou kopen. Dat heb ik niet gedaan. Ik had er geen zin in.

Ik moet mezelf toch op een of andere manier onderscheiden van de massa! Laat heel Forest-Hills weten dat ik “die Dovlatov” ben “die geen auto heeft”!

Getagged ,

Redevoering van Nadezjda Tolokonnikova (Pussy Riot) van 26 juli 2013

Afbeelding

De onderstaande tekst is een vertaling uit het Russisch van de op 26 juli 2013 in de rechtbank door Nadezjda Tolokonnikova (een van de veroordeelde leden van de punkrockband Pussy Riot) uitgesproken redevoering, in het kader van haar (opnieuw geweigerde) aanvraag tot vervroegde vrijlating. De Russische tekst werd diezelfde dag gepubliceerd door Radio Svoboda.

“Opnieuw wil ik het hebben over heropvoeding. Voor de zoveelste keer op rij kom ik tot de overtuiging dat authentieke opvoeding in Rusland enkel kan bestaan op autodidactische wijze. Als je jezelf niets aanleert, dan zal niemand je wat aanleren. En als ze je toch iets aanleren, dan is het god weet wat. Met de huidige machthebbers heb ik veel, extreem veel stilistische meningsverschillen. Dat aantal wordt stilaan problematisch.

Wat kunnen ons de organen van de staat aanleren? Hoe kan mij iets worden bijgebracht door de strafkolonie, en jullie door pakweg de televisiezender Rossija-1? Tijdens zijn speech na het ontvangen van de Nobelprijs zei Iosif Brodski: ‘Hoe rijker de esthetische ervaring van het individu is, en hoe sterker zijn smaak is, des te duidelijker zal zijn ethische voorkeur zich manifesteren en des te vrijer zal hij zijn – al betekent dat niet dat hij ook gelukkiger zal zijn.’

Opnieuw zijn we in Rusland in zo’n situatie beland dat verzet – en dat verzet is niet in de laatste plaats van esthetische orde – onze enig mogelijke morele keuze en onze burgerplicht is geworden.

De esthetiek van het regime van Poetin is conservatief. Het is geen toeval dat ze consequent, halsstarrig refereert en nieuw leven geeft aan de esthetische opvattingen van twee historisch voorgaande regimes: de esthetiek van het tsarenrijk en de idioot geïnterpreteerde esthetiek van het socialistisch realisme, met zijn aan de leider loyale arbeiders van de spreekwoordelijke Oeralwagonfabriek. Die reanimatie gebeurt dermate lomp en ondoordacht, dat de ideologische apparaten van het politieke bestel geen enkele lof toekomt. Zelfs een woestenij is, in haar minimalisme, bekoorlijker en aantrekkelijker.

Iedere instelling die in Rusland afhangt van de staat, en zeker een dermate belangrijk onderdeel van de staatsrepressiemachine als de strafkolonie, draagt met kruiperige toegewijdheid bij tot die petieterige esthetiek.

Als je bijvoorbeeld een vrouw bent, zeker als je jong en enigszins aantrekkelijk bent, dan ben je gewoonweg verplicht om deel te nemen aan de schoonheidswedstrijden die in de strafkolonie georganiseerd worden. Als je niet deelneemt, kom je niet in aanmerking voor vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het aan je laten voorbijgaan van de Miss Charming-wedstrijd. Als je niet deelneemt, dan betekent dat, volgens het besluit van de strafkolonie en van de rechtbank die haar napraat, dat je niet actief wil deelnemen aan het leven. Mijn standpunt is net dat mijn principiële en weldoordachte actieve deelname aan het leven zich manifesteert in de boycot van de schoonheidswedstrijd. Mijn actieve levenshouding – die van mij alleen is, en niet samenvalt met de conservatieve houding van de strafkampdirectie – brengt me tot de studie van boeken en kranten, waarvoor ik zoveel mogelijk tijd tracht te maken door naar de afstompende activiteiten van de strafkolonie mijn kat te sturen.

Overal – op de schoolbanken, in de gevangenissen, aan de universiteit, in de kieshokjes en voor televisie – worden we aangeleerd te gehoorzamen, te liegen, op onze tong te bijten, ‘ja’ te zeggen als we zin hebben in ‘nee’. Als we ons willen wagen aan de grote beschavingsopgave zullen we in onszelf, in onze kinderen en in onze vrienden een tegengif moeten ontwikkelen voor deze gedweeheid, die de mens opvreet.

Ik eis dat een kat een kat genoemd wordt. Het klopt dat ik gedeeltelijk gezakt ben voor de toets van de strafkolonie aangaande mijn loyaliteit aan het conservatieve waardensysteem en zijn esthetiek, maar het is ridicuul om te beweren dat ik geen actieve levenshouding aan de dag leg.

Niet minder ridicuul zijn de zogezegde “overtredingen” die mij ten laste worden gelegd. Het is waar dat ik uit mijn eerste cel aantekeningen meegenomen heb waarin de hel en de onmenselijke omstandigheden beschreven worden die de voorlopige hechtenis in Moskou voor mij betekenden. Natuurlijk zijn de medewerkers van die gevangenis vreselijk kwaad op mij geworden, hebben ze me een overtreding aangesmeerd en hebben ze me op volledig illegale grond verbod gegeven om zelfs in mijn eigen cel aantekeningen te maken – met hun eindeloze doorzoekingen van mijn cel hebben ze me al mijn aantekeningen afhandig gemaakt. Het is waar dat ik in het kampziekenhuis tijdens mijn hospitalisatie vanwege hevige hoofdpijnen geen buiging tot op de grond gemaakt heb tegenover een van de plaatselijke medewerkers, die daardoor op zijn tenen was getrapt. Het klopt dat ik in club IK-14 geweest ben. En wat dan nog? Tijdens de behandeling van mijn aanvraag tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling door de rechtbank van het arrondissement Zoebovo-Poljanski, was me gezegd om in de strafkolonie deel te nemen aan het verenigingsleven.

Mijn vriendin Marija Aljochina kreeg een negatief antwoord op haar aanvraag tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling omdat ze – O, wat een onheil! – op haar werkplaats gesignaleerd was zonder wit hoofddoekje. Ik vraag me af of de rechter die een dergelijke verordening uitspreekt beseft waar hij mee bezig is.

Ik weet dat ik in het Rusland dat Poetin achternaholt nooit vervroegd zal vrijkomen. Ik ben naar deze rechtbank gekomen om nogmaals de absurditeit aan het licht te brengen van de olie-gas-en-grondstoffen-rechtspraak, die mensen verdoemt tot een zinloos bestaan in een strafkamp, zogezegd vanwege aantekeningen en hoofddoekjes.

Het is van belang om diegenen die vandaag de kracht en de macht hebben om ons te verpletteren eraan te herinneren dat niemand hen garanties kan geven over waar ze morgen zullen staan. De macht is niet eindeloos – dat is zelfs nog onvermijdelijker dan dat twee maal twee vier is. Als machthebbers – en dat geldt voor hen allemaal – dat inzien, dan moeten ze zichzelf beteugelen. Om hun eigen toekomst veilig te stellen.

De machthebbers krijgen vast nog eens de rekening gepresenteerd voor hun opvoeding van de conformistische massa, voor hun heropvoedingsmaatregelen – over opvoeding gesproken! – om het individu te doen aansluiten bij de gehoorzame massa. Want een macht die gebaseerd is op loyaliteit en bereidheid tot gehoorzaamheid, en niet op de doordachte principes en de overtuigingen van haar onderdanen, is zwak. Als jullie macht gebaseerd is op de indifferentie, of zelfs op de angst van de mensen, dan is dat voor jullie bijzonder slecht nieuws. Morgen zal wie uit conformisme zijn stem aan Poetin gaf aan de kant gaan staan van wie dan de nieuwe macht zal uitmaken.

Vroeger ergerde ik me aan het argument ‘Wie anders dan Poetin?’. Nu haal ik daar plezier uit, steeds meer en meer. Want dat argument impliceert geen getrouwheid aan Poetin, maar wel een latente verwerping. Alternatieven zijn er steeds meer en meer. Hun aantal groeit onder meer vanwege de onbehouwen, paniekerige, repressieve acties van de machthebbers. Ongezien ridicuul is de reactie die ze uit hun hoed getoverd hebben ten overstaan van Aleksej Navalnyj, die daarentegen blijk gegeven heeft van principes, moed en getrouwheid aan zijn overtuigingen. Daardoor is het politiek kapitaal van Navalnyj toegenomen, en niet dat van de machthebbers.

Ik ben trots op iedereen die bereid is op de bres te gaan staan voor zijn principes. Enkel op die manier kunnen er grote politieke, morele en esthetische veranderingen komen. Ik ben trots op iedereen die op een zomeravond uit zijn comfortzone gekomen is, die op 18 juli [NVDV: toen vond een spontane demonstratie plaats tegen het vonnis in de zaak Navalnyj] de straat op is gegaan om zijn rechten op te eisen en zijn waardigheid als mens te verdedigen.

Ik weet dat onze symbolische macht, die voortkomt uit overtuigingen en moed, jaar na jaar sterker wordt, dat ze aan het veranderen is in iets groters. En dan zullen Poetin en wie uit zijn hand eet over de staat de macht verliezen.”

Getagged , , , , , , , , , , , , , ,

Vladimir Nabokov: Dostojevski

Тоску́я в ми́ре, как в аду́,
уро́длив, су́дорожно-све́тел,
в своëм проро́ческом бреду́
он век наш бе́дственный наме́тил.

Услы́ша вопль его́ ночно́й,
поду́мал Бог: уже́ль возмо́жно,
что все дaро́ванное Мной
так стра́шно бы́ло бы и сло́жно?

Op aarde klagend als in de hel
was het met monsterachtigheid
dat hij in zijn profetische ge-ijl
de gesel beschreef van onze tijd.

Zijn nachtschreeuw zette God aan het denken:
‘Is het misschien dan toch echt waar
dat die van Mij afkomstige geschenken
zo vreselijk kunnen zijn en zwaar?’

Vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: “Достоевский” (1919)

Vladimir Vladimirovitsj Nabokov (1899-1977), erelid van de door Karel van het Reve opgerichte anti-Dostojevskiclub

Getagged , , , , ,

Vertalingen van Poesjkin

Aleksandr Poesjkin (1799-1837)

Deze website bevat de volgende in het Nederlands vertaalde gedichten van Poesjkin, die niet volledig ten onrechte door de Russen wordt beschouwd als met voorsprong de meest getalenteerde dichter die het heelal op het einde der tijden gekend zal hebben:

Getagged , , , , , , , ,

Aleksandr Poesjkin: Aan Tsjaädajev*

*Pjotr Tsjaädajev (1794-1865) was een antitsaristische Russische filosoof en publicist, met wie Poesjkin bevriend was.

Любви, надежды, тихой славы
Недолго нежил нас обман,
Исчезли юные забавы,
Как сон, как утренний туман;
Но в нас горит еще желанье,
Под гнетом власти роковой
Нетерпеливою душой
Отчизны внемлем призыванье.
Мы ждем с томленьем упованья
Минуты вольности святой,
Как ждет любовник молодой
Минуты верного свиданья.
Пока свободою горим,
Пока сердца для чести живы,
Мой друг, отчизне посвятим
Души прекрасные порывы!
Товарищ, верь: взойдет она,
Звезда пленительного счастья,
Россия вспрянет ото сна,
И на обломках самовластья
Напишут наши имена!
Niet lang werden we het hof gemaakt
door het bedrog van roem, hoop en trouw,
kwijt is het plezier van onze jeugd geraakt
zoals een voorbije droom, zoals de dauw.
Maar ons verlangen is nog niet versmacht,
tot aan de rand vervuld van ongeduld
bedrukt door het juk van de fatale macht
luisteren we naar wat ons land uitbrult.
Geobsedeerd zijn we aan het wachten
op het heilige breken van de dijken,
zoals een jongeman met zijn gedachten
geen seconde van zijn lief kan wijken.
Zolang in ons nog de vrijheid brandt,
Zolang eergevoel ons kan doen lijden,
zo lang zullen wij aan het vaderland
onze schoonste oprispingen wijden!
Geloof me, vriend: branden zal het vuur
van het geluk dat niet stopt te beklijven,
Rusland zal eens ontwaken, op den duur,
en ze zullen onze namen schrijven
op de ruïnes van de dictatuur!
Vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: “К Чаадаеву” (1818)
Getagged ,

Ik was gek op u (naar Poesjkin)

Я вас любил: любовь еще, быть может,
В душе моей угасла не совсем;
Но пусть она вас больше не тревожит;
Я не хочу печалить вас ничем.
Я вас любил безмолвно, безнадежно,
То робостью, то ревностью томим;
Я вас любил так искренно, так нежно,
Как дай вам бог любимой быть другим.
Ik was gek op u, die gekte is misschien
nog niet voor eens en voor altijd genezen,
maar van gezaag wil ik u graag ontzien –
ge hebt dus van mij niets meer te vrezen.
Ik was gek op u, door jaloezie gekweld.
Het enige wat ik nog durf te hopen
is dat met zo’n zachtheid, zo’n geweld
een andere gek tegen uw lijf mag lopen.
Nogal vrije vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: “Я вас любил” (1829)

De femme fatale die Poesjkin inspireerde tot zijn gedicht “Я вас любил”: Anna Olenina (1808-1888), geschilderd door Kiprenski in 1828.

Getagged , , , , , ,

Sergej Dovlatov: De derde afslag links

Sergej Dovlatov (1941-1999)

Onder de blik van haar man sloeg Lora de krant open.

‘Eens kijken,’ zei ze, ‘welke nieuwtjes er zijn.’

‘Geen,’ zei haar man, ‘Je zal zien. Ze hebben weer een of andere ambassade opgeblazen. Een Turkse diplomaat is doodgeschoten. En ergens in Pakistan is er een schoolbus gekanteld… Alles gaat zijn gangetje.’

Hij deed een wolkje melk in zijn zwarte koffie. Lora las hardop, terwijl ze zonder te kijken een stuk koek afbrokkelde:

‘Schulz verheugd over initiatief president Duarte… Giftige conserven in Japanse winkels…  Eleonor Roosevelt 100 jaar geleden geboren…’

Lora en Alik vormden een gelukkig jong koppel. Geluk zagen ze als natuurlijk en organisch, zoals gezondheid. Het leek hen dat tegenslag voor zieke mensen was weggelegd.

Ze hadden elkaar zes jaar geleden ontmoet in Moskou. Ze waren toen allebei net van de middelbare school af. Lora droomde ervan geschiedenis te studeren. Haar neef zei haar dat de Sovjetgeschiedenis vervalst was. Lora wilde zich verdiepen in de authentieke geschiedenis.

Alik droomde ervan arts te worden. Zijn lievelingsoma was gestorven aan kanker. Alik wilde zich verdiepen in de cancerologie.

Ze zakten allebei op hun toegangsexamen. Al hun kennissen waren ervan overtuigd dat dit te wijten was aan antisemitisme. Misschien was dat ook wel zo.

Lora en Alik beslisten om het over een jaar opnieuw te proberen. Dat jaar zouden ze zorgeloos en vrolijk doorbrengen. Ze hielden allebei erg van uitstapjes buiten de stad, muzikale komedies en lichte wijn. Ze hadden allebei tamelijk vermogende ouders. In feite hoefden Alik en Lora dus niet te werken. Alik kreeg een job op een stookplaats, en Lora zeulde met biljetten voor kindervoorstellingen.

Hun opvattingen waren ongeveer dezelfden. Ze vertelden hun vrienden politiek getinte grappen, ze hielden van spullen uit het buitenland en luisterden naar de BBC.

Alik en Lora woonden bij hun ouders in kleine tweekamerflats. Ze konden elkaar enkel buiten ontmoeten. Vandaar dat ze een jaar lang zoenden op het koertje achter de loodsen.

Alik en Lora bereidden zich niet voor op hun examens. Ze waren te zeer in de ban van de liefde. Bovendien nam het antisemitisme toe. Maar de massale emigratie begon.

Alik en Lora beslisten om weg te gaan. Op die manier konden ze in één klap verschillende problemen oplossen.

Hun ouders waren radeloos. Ten eerste waren hun kinderen van plan te trouwen. En daar kwam bij dat ze het land verlieten.

Alik en Lora stelden hun ouders gerust. Ze zeiden dat ze hen oploskoffie zouden sturen.

Ze leverden hun paspoorten in. Drie weken later kregen ze de toestemming om te emigreren. Ze hadden zich voorbereid op een lange strijd, maar mochten meteen vertrekken. Ze voelden zich zelfs ietwat verongelijkt.

Maar het gevoel verongelijkt te zijn ging snel voorbij.

Emigratie stond voor Alik en Lora gelijk aan een huwelijksreis.

Ze vestigden zich in New York. Na een jaar was hun kennis van de taal best acceptabel. Alik schreef zich in voor een cursus programmeren. Lora volgde een opleiding tot manicure.

Haar neef was intussen ook vertrokken naar het westen. Hij zei dat ook de Amerikaanse geschiedenis vervalst was. En aan kanker stierven hier volgens hem evenveel mensen als in de Sovjet-Unie.

Hij was een mislukkeling en een vlerk. Hij schold op iedereen. Voor hem waren het allemaal idioten, lafaards en oplichters. Op een keer zei Lora:

‘Je hebt aan iedereen een hekel!’

Haar neef antwoordde:

‘Hoezo dan, aan iedereen?’

Daarna ratelde hij:

‘Aikhenvald, Baratynski, Vampilov, Gillespie, Daumier, Jerofejev, Jaurès, Zorgenfrei… ’ Een seconde dacht hij na en vervolgde: ‘Ibsen, Koltsjak, Larionov, Monet, Nostradamus, Olejnikov, Parker, Rimbaud, Swift, Toergenjev, Wells…’ Hij haperde nog eens en rondde af: ‘Fitzgerald, Chodasevitsj, Tsvetajeva, Chaplin, Chagall, Eichenbaum, Joedenitsj en Jaspers!’

‘Tevreden?’ vroeg hij, en dook in een koelkast die niet de zijne was om een flesje gin…

Maar de neef kwam niet vaak.

Het ging Alik en Lora voor de wind.

Enkele maanden later werd Alik programmeur. Twee jaar later projectmanager. En nog een jaar later consultant voor een wel zeer kapitaalkrachtige internationale firma. Hij moest verre dienstreizen maken. Een keer moest hij naar Hawaï.

Lora werkte in een kapsalon met Amerikaanse clientèle. Lora zei altijd maar: “Russen krijgen we nauwelijks over de vloer. Onze prijzen liggen te hoog”. Lora verdiende twintigduizend per jaar. Alik dubbel zoveel.

Het duurde niet lang of ze kochten een huis. Het was een klein bakstenen huis in een van de slaapsteden van New York. Hier woonden vooral Amerikaanse joden, Polen en Chinezen. Russen waren hier absoluut niet.

Alik zei:

‘We hebben nauwelijks omgang met Russen…’

Alik en Lora werden dol op hun huis. Eigenhandig legde Alik de waterleiding en het dak. Daarna elektrificeerde hij de garage. Lora kocht gordijnen en een set porseleinen kookpotten.

Het was een mooi, gezellig en relatief goedkoop huis. In zijn kwaadaardigheid noemde de neef het “een mausoleum”.

Vrienden hadden Alik en Lora niet. Tot hun vrienden rekenden ze iedereen die op bezoek kwam. De neef nodigden ze steeds minder uit. Maar er kwamen steeds vaker Amerikaanse vrienden op bezoek. Bijvoorbeeld Aliks manager, Seth Appelbaum, een jolige dikkerd met veel lawaai. Meer dan een jaar lang kwam hij samen met zijn verloofde Shella Roach. Met hun vieren roosterden ze worstjes bij de veranda achteraan en dronken ze Budweiser.

Op een keer kwam Seth alleen. Op de vraag “Waar is Shella?” antwoordde hij:

‘We zijn uit elkaar. Ik was radeloos. Toen heb ik een nieuwe auto gekocht en ben ik verhuisd. Nu ben ik gelukkig… ’

Lora en Alik leefden comfortabel, maar zuinig. Iedere maand betaalden ze duizend dollar terug aan de bank. Plus de kosten voor telefoon, elektriciteit, gas, ontspanning…

Ze hielden erg van reizen, musicals en lichte cocktails. Ze wilden een hond in huis nemen, maar bedachten zich. Een hond zou de tapijten kunnen beschadigen. En in hun voorstad waren er geen inbrekers.

Lora en Alik hoorden dat sommige emigranten het moeilijk hadden. Waarschijnlijk waren het ongezonde mensen met een rotkarakter. Van het slag als de neef. Of kan je iemand die rechtstreeks uit de fles drinkt gezond noemen?

Alik en Lora gingen vriendelijk met elkaar om. Ze hadden het zo goed dat Lora soms uitriep:

‘Mijn lieve man, ik ben zo gelukkig!’

Ze hadden het zelfs zo goed dat ze zichzelf ergernissen bedachten. Alik zette een somber gezicht en zei:

‘Weet je, vanmorgen had ik bijna een fietser aangereden.’

Lora zette geschrokken ogen op:

‘Wees toch voorzichtiger. Ik smeek je, wees toch voorzichtiger.’

‘Maak je geen zorgen, schat. Ik heb een uitstekend reactievermogen…’

Soms kwam Alik thuis met een schuldig gezicht.

‘Je lijkt ontstemd,’ vroeg Lora, ‘wat scheelt er?’

‘Zal je niet boos worden?’

‘Dat weet ik niet. Zeg me wat er scheelt, of ik begin nog te huilen.’

‘Zweer dat je niet boos zal worden.’

‘Zeg me wat er is. Vertel me de hele waarheid!’

‘Alleen niet boos worden, schat. Ik ben in fout. Ik heb je Italiaanse laarsjes gekocht.’

‘Ben je niet goed snik?! We hadden toch afgesproken dat we zouden bezuinigen! Laat me eens kijken…’

‘Ik had er zo’n ontzettende zin in. En de kleur is origineel. Van dat bruin… Ben je niet boos? Zweer me dat je niet boos bent!’

Alik en Lora hadden de gewoonte om ’s zondags lang te ontbijten, te praten en te roken. Soms las Lora hardop een Russische krant. De problemen waar de emigranten zich druk over maakten vonden ze vergezocht.

‘Is het dan zo moeilijk,’ zei Lora, ‘om een Amerikaanse vakopleiding te volgen?’

‘Inderdaad,’ stemde Alik in, ‘je hebt gelijk. Het enige wat je moet doen is je losrukken uit dat Russische getto…’

Die ochtend namen Alik en Lora een lang ontbijt. Daarna deden ze boodschappen. Daarna keken ze televisie. Daarna vielen ze in slaap op de veranda.

En toen ze wakker werden zette Lora een mysterieuze glimlach op.

Alik veinsde een somber gezicht:

‘Wat is er met jou?’

‘Zal je niet boos worden? Zweer dat je niet boos zal worden.’

‘Wat is er dan gebeurd? Goed dan, ik zweer het.’

‘Ik heb tickets voor “Zorba the Greek”. Ontzettend dure. Ik heb ze overgenomen van Irene Berd. Haar dochtertje is ziek… Ben je niet boos?’

‘Ik was eigenlijk van plan om de garage te verven. Maar als je zin hebt om te gaan…’

‘Ik heb ontzettende zin om te gaan.’

‘Om acht begint het? Dan moeten we ons omkleden en vertrekken.’

‘Mijn lieve man, ik ben zo gelukkig!’

Zo’n veertig minuten later reden ze al over de highway.

Alik reed licht en zelfverzekerd. In zijn rechterhand walmde een sigaret. Lora had zich geïnstalleerd op de achterbank.

Ze reden voorbij het kerkhof, het park en nog voor de brug sloegen ze links af. Boven de daken flikkerde de reclame “Philip Morris” aan en uit. Uit de Buick in de voorste rij klonk een radio.

Het was het eigenaardige tijdstip waarop het nog licht is, maar de lantaarns al branden. De muren van de pakhuizen waren donkerder dan de hemel. De reclamelichtjes brandden onderbroken en ongelijkmatig.

Alik keerde zich naar zijn vrouw:

‘We nemen een binnenweg, door de tunnel. Daarna onder de spoorbrug langs het viaduct. Bij de kerk slaan we nog eens links af. En dan de rivier volgen tot aan Manhattan.’

‘Rij maar zoals je nodig vindt,’ zei Lora.

‘Goed dat je tickets hebt gekocht,’ vervolgde Alik, ‘ik ben heel erg blij. We moeten niet gezapig worden. Morgen nog abonneer ik ons op een kwaliteitskrant.’

‘Eén met wat minder reclame. Of ik verlies mijn humeur. Weet je wat me zo ergert aan Amerika? Hier is altijd wel iets wat zelfs voor vermogende mensen onbetaalbaar is. Zelfs als je zestigduizend per jaar verdient.’

‘Okey! Dan moeten maar we tachtigduizend of negentigduizend verdienen. Maak je maar niet ongerust, dat komt er wel van. Chris en Barney stellen me erg op prijs.’

‘Ik lig ook in een goede lade. Isa nodigt me steeds vaker uit op de lunch. In september heeft ze me parfum gekocht. Of liever, eau de cologne.’

‘De prijs heeft geen betekenis. Het gaat om het gebaar…’

‘Ze stelt me op prijs.’

‘Daar twijfel ik niet aan… Ik heb de indruk dat we de tunnel voorbij zijn gereden. Heb je niet opgelet?’

‘Ik heb er niet aan gedacht.’

‘Okey, de richting zit goed. We zullen slechts een drietal minuten vertraging oplopen.’

‘Wees een beetje aandachtiger…’

Het was donker geworden. De reclamelichtjes waren helderder en opdringeriger. De trottoirs lagen bezaaid met vuilnis. Bij de winkels waren goedkope kleren uitgestald. Rond de bars schoolden dubieuze figuren samen. Vooral zwarten en latino’s.

Lora voelde zich ongemakkelijk worden. Ze had geen zin meer in theater. Ze wilde thuis zijn en televisie kijken. Ze wilde een cocktail drinken en muziek beluisteren. En op dat moment hoorde ze:

‘Zijn we dan werkelijk Harlem binnengereden?’

‘Het kan niet zijn!’

‘Ik vrees dat het zo is. Zonet reden we nog op de Lenox Avenue. Voor ons ligt de honderd éénentwintigste straat. We bevinden ons iets boven Central Park. Kijk eens rond, de sfeer zegt genoeg.’

‘We moeten de weg vragen aan een politieagent.’

‘Ik vrees dat hier geen agenten zijn.’

‘O hemeltje!’

‘Geen paniek. Alles komt goed. Harlem is heus niet zo hels als ze wel zeggen. Kijk, daar loopt een vrouw met kind…’

Ze reden verder. Ze kwamen steeds meer vervallen huizen tegen. De lege vierkante ramen waren opgevuld met duisternis.

Langs de muren zwierven clochards. Op de kruispunten verzamelden groepjes zwarten, bijna niet te onderscheiden van de duisternis. De gesprekken werden overstemd door het gekerm van autoradio’s.

Alik sloeg opnieuw links af en remde.

‘Ik denk dat we een doodlopende straat zijn ingereden. Zie je, daar staan van die borden. Ik moet uitstappen om de weg te vragen.’

‘Vraag de weg zonder uit te stappen.’

‘Dat gaat niet. Zwarten drukken zich uit in een vreselijk jargon. Op afstand is het heel moeilijk om hen te verstaan.’

‘Roep er dan één naar hier.’

‘Dat vinden ze misschien beledigend.’

Alik stapte uit de auto. Hij zei:

‘Vergrendel voor alle zekerheid de deuren van binnenuit.’

‘Ik ben bang.’

‘Dat hoeft niet. Ik kom immers overeen met eender wie. Het schorriemorrie heeft me altijd al gerespecteerd.

‘Kom zo snel mogelijk terug…’

Voor hem strekte zich een bouwterrein uit. Er stond een compressor bedekt met een zeildoek. Achter de triplexpanelen was de donkerte van een diepe put zichtbaar. Op de rand zaten drie of vier schooiers. Dichter bij de auto, bij het scheefgezakte neonuithangbord “Grocery”, stonden er nog twee. De eerste was een gigant met een zeemanspet. Om de schouders van de tweede hing iets dat op een deken leek. De geur van marihuana was te ruiken van op tien passen afstand.

Vriendelijk glimlachend stapte Alik op hen toe:

‘Aangenaam avondje, vrienden, vinden jullie niet? Ik wilde vragen hoe ik hier vandaan kom.’

Vanonder de deken klonk:

‘Hoe ben je hier verzeild geraakt, blanke man?’

‘Mijn vrouw en ik zijn verkeerd gereden, we zijn de weg kwijt… Blank of zwart, wat maakt het uit?’

Nu sprak de gigant met de pet:

‘Een zwart gezicht of een wit gezicht, als dat geen verschil is! Een zwart gezicht of een witte ziel. Een wit gezicht of een zwarte ziel. Ik ben zwart, hoeveel ik me ook was, en jij bent blank, zelfs als je in het slijk ligt…’

‘Alle mensen zijn elkaars broeders,’ zei Alik zonder overtuiging.

‘Fout,’ werd tegengeworpen vanonder de deken, ‘er zijn er zwarte, en er zijn er blanke. Wij zijn zwarten, zielsmensen. Wij hebben de soulmuziek. Blanken hebben geen ziel. Ze hebben enkel maar gedachten, gedachten, gedachten…’

‘Maar ik vroeg toch gewoon de weg. We zijn verdwaald, begrijpen jullie?’

De gigant nam een slok van een flaconnetje en zei:

‘Hoepel op! Want zo meteen zet de wind op en dan waait je hoed nog weg!’

Alik streek zich mechanisch door de haren.

De gigant gaf het flaconnetje aan zijn buur. Ook hij nam een slok en zei:

‘Is dat mannetje soms van de politie?’

De gigant antwoordde:

‘De politie heeft hier niets te zoeken. Ik, Fatty Trucksa, ben hier de politie.’

‘Prince-general Negovia-Sherman,’ stelde het type met de deken zich voor.

De gigant vroeg:

‘Ga je niet weg, blanke man? Wil je dat ik je de weg naar Manhattan wijs? Kom hier, ik zal je de weg wijzen.’

Als gehypnotiseerd stapte Alik naar voren. Het leek hem dat de gigant aan de ritssluiting van zijn jasje prutste. Daarna glom er iets in zijn hand. Mogelijks een korte gummiknuppel. Of een stuk rubberen slang. En op dat moment, plotseling, snapte Alik het. De zwarte bandiet met de glimlach zwaaide met zijn afgrijselijke vlees.

Langzaam stapte Alik achteruit in de richting van de auto. Hij werd niet gevolgd. Vanonder de deken klonk een lach. De zwarte gigant spuwde en maakte een dansje…

Twee seconden later zat Alik in de auto. Zonder een woord te zeggen reed hij achteruit. Lora keek haar man verschrikt aan.

Bij de benzinepomp keerde Alik zich om.

‘We rijden naar huis,’ zei hij, ‘in Godsnaam. Ik denk dat ik me de terugweg wel kan herinneren. We reden juist. Ik heb alleen één verkeerde afslag genomen.’

‘Is er wat gebeurd?’

‘Het heeft niets om het lijf. Goed dat ik me heb weten in te houden. Goed dat ik dat type niet heb afgeslagen.’

‘Waarom dan? Hebben ze je beschimpt? Wat heeft ie dan gedaan? We moeten de politie erbij halen…’

‘Dat heeft geen zin. Het heeft niets om het lijf… Een zwarte bandiet… Ik weet zelfs niet hoe ik het je moet zeggen… In één woord, hij heeft me zijn lid laten zien…’

Lora slaakte een zacht gilletje. Pas twee minuten later begon ze opnieuw te spreken:

‘Waarom heeft ie dat gedaan? Wat wilde hij daarmee zeggen?’

‘Ik weet het niet. Hij toonde het, dat is alles.’

‘Dat vind ik niet prettig!’

‘Denk je soms dat ik het wel prettig vind?’

‘Ik weet het niet… Ik ben ontzet…’

Alik raakte zijn vrouw aan bij de schouder:

‘Ben je boos?’

‘Ik vind het gewoon niet prettig. Ik vind het afgrijselijk. Afgrijselijk en walgelijk vind ik het!’

Lora begon te huilen. Alik probeerde zich de terugweg te herinneren en kon zich nu niet laten afleiden. Hij zei:

‘Volgende keer neem ik een hakmes mee uit de keuken.’

‘Ben je van plan om hier vaak te komen?’ vroeg Lora snikkend.

Tien minuten later kwamen ze uit op de snelweg. Nog een halfuur later waren ze thuis. Alik had thee willen drinken, maar Lora nam een pilletje en viel in slaap. Alik keek wat televisie en legde zich op de veranda.

De volgende ochtend was alles zo goed als vergeten. Alik en Lora waren opnieuw gelukkig.

‘Naar theater,’ zei Lora, ‘hoeven we niet zo nodig.’

‘Zeker niet met kabeltelevisie in huis,’ stemde Alik in…

De neef werd een jaar later in de metro met een metaaldraad bijna doodgewurgd. En dan nog wel in een van de beste wijken van de stad.

[Originele titel: Tretij povorot nalevo. Bron: Vstretilis’, pogovorili. Sankt-Peterburg: Azbuka, 2003. pp. 65-74. Vertaling verschenen in Tijdschrift voor Slavische Literatuur]

Getagged

Aleksandr Poesjkin: Demonen

Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Еду, еду в чистом поле;
Колокольчик дин-дин-дин…
Страшно, страшно поневоле
Средь неведомых равнин!
Wolken razen, kringelen omhoog,
de nacht is waas, gelijk de hemel.
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
Verder in het vrije veld rijd ik…
Het klokje is aan het klingelen
en of ik wil of niet – ik heb schrik
van de vlakten die me omsingelen.
“Эй, пошел, ямщик!…” – “Нет мочи
Коням, барин, тяжело;
Вьюга мне слипает очи;
Все дороги занесло;
Хоть убей, следа не видно;
Сбились мы. Что делать нам!
В поле бес нас водит, видно,
Да кружит по сторонам.
‘Komaan, koetsier, wat is dat hier?!’
– ‘Ze zijn ten einde kracht, de paarden.
Door die storm en wind zie ik geen zier,
de weg ligt vol met sneeuw, m’n waarde.
Sla me dood, maar bijster is het spoor;
We zijn goed verdwaald. Wat nu gedaan?
In het veld leidt ons een demon voor,
en wervelt rond. Of is het een waan?
Посмотри; вон, вон играет,
Дует, плюет на меня;
Вон – теперь в овраг толкает
Одичалого коня;
Там верстою небывалой
Он торчал передо мной;
Там сверкнул он искрой малой
И пропал во тьме пустой”.
Kijk daar: hij gooit zijn remmen los!
Hij spuwt op mij en blaast een mist;
Nu daar: een op hol geslagen ros
drijft hij een kloof in met een list.
Als een nooit geziene bonenstaak
verscheen die duivel voor mijn ogen
en fonkelde als een vonkje raak.
Het duister heeft hem opgezogen.’
Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Сил нам нет кружиться доле;
Колокольчик вдруг умолк;
Кони стали… “Что там в поле ?” –
“Кто их знает? пень иль волк?”
Wolken razen, kringelen omhoog.
De nacht is waas, gelijk de hemel;
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
Het klokgetingel dat plots verstomt;
Bijna verschraald zijn onze krachten;
‘Wat zit daar in het veld, verdomd?
Een stronk of wolf?’ – de paarden wachten…
Вьюга злится, вьюга плачет;
Кони чуткие храпят;
Вот уж он далече скачет;
Лишь глаза во мгле горят;
Кони снова понеслися;
Колокольчик дин-дин-дин…
Вижу: духи собралися
Средь белеющих равнин.
Ze snuiven, briesen, voelen wrevel.
De woeste storm raast, huilt en giert;
Kijk daar, hij draaft weg in de nevel,
die door zijn vuuroogjes wordt versierd.
Ze zijn in draf nu, onze beesten;
Klokgetingel terwijl we rijden…
Ik zie: een samenkomst van geesten,
Op wit opflakkerende weiden.
Бесконечны, безобразны,
В мутной месяца игре
Закружились бесы разны,
Будто листья в ноябре…
Сколько их! куда их гонят?
Что так жалобно поют?
Домового ли хоронят,
Ведьму ль замуж выдают?
Het zijn oneindige gedrochten
die in de troebele maneschijn
rondwervelen in kromme bochten
alsof het novemberblaadjes zijn.
Zoveel zijn er! Waarheen gedreven?
Waarom zingen ze zo triest en hol?
Verliet een huisgeest soms het leven,
of is dit het trouwfeest van een kol?
Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Мчатся бесы рой за роем
В беспредельной вышине,
Визгом жалобным и воем
Надрывая сердце мне…
Wolken razen, kringelen omhoog,
de nacht is waas, gelijk de hemel.
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
De demonen razen in een zwerm
onder de eindeloze hemelschijf;
Hun gekrijs en klagerig gekerm
jagen mij de stuipen op het lijf…
Vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Een eerdere versie verscheen in Engelen en demonen. Een bloemlezing uit de wereldpoëzie. Samengesteld door Lara Sels & Eric Metz. Gent: Poëziecentrum, 2009. p. 30-33. Oorspronkelijke titel: “Бесы” (1830).
Getagged ,