Categorie archief: Vertalingen

De weigering van de dichter. Kirill Medvedev: Alles is slecht

Op 1 mei 2014 brengt uitgeverij Leesmagazijn de bundel Alles is slecht uit met gedichten, acties en essays van de Russische dichter en linkse activist Kirill Medvedev. Samen met Frank Keizer schreef ik voor De Leeswolf (2014, Nr. 2.) het onderstaande auteursportret, een voorproef van de radicale oprechtheid van deze ‘Russische Bukowski’.

GEDICHTEN

op dit moment vertaal ik een detective

voor het tijdschrift buitenlandse literatuur

een detective voor een nieuwe serie

bijlagen van dat tijdschrift

volgens mij heet die serie

‘een boek voor onderweg’

ik heb zo het gevoel

dat ik de laatste tijd

in dienst sta van de bourgeoisie

de detective is geschreven door john ridley

een zwarte amerikaanse schrijver

hij is 32 jaar oud

het is een spectaculaire detective

die ergens doet denken aan de films van quentin tarantino

hij bevat satire op hollywood

en kritiek op de moraal van het hollywood-

establishment

maar tegelijkertijd gebruikt hij

alle bekende hollywoodtrucs;

die roman bevat wel

enkele sterke passages

maar in zijn geheel is het

naar mijn gevoel

gewoon een goed gelukt knutselwerkje

volgens mij zijn vertalers

op een zeldzame uitzondering na

vampiers

die zich voeden

met andermans bloed

want een vertaling

is een zoete droom

terwijl een kunstwerk

een kwelling is

daarom

zal ik waarschijnlijk

nooit meer iets vertalen

Met de bovenstaande slotregels van een lang programmatisch gedicht kondigt de Moskoviet Kirill Medvedev aan het begin van dit millennium zijn dichterschap aan. Op dat moment is hij vijfentwintig jaar oud. Literatuur is er hem met de paplepel ingegoten. Zijn moeder was redactrice bij een grote Sovjetuitgeverij, zijn vader een bibliofiel en journalist die tijdens de perestrojka beroemd werd, maar in de vroege jaren 1990 zijn gezin aan de roulette ruïneerde (hij moest zelfs zijn bibliotheek verkopen). Van 1992 tot 1996 studeerde Medvedev geschiedenis aan de Moskouse Staatsuniversiteit. Wanneer hij in 2000 afstudeert aan het Gorki Instituut voor Literatuur probeert hij in zijn onderhoud te voorzien als journalist en criticus. Hij schrijft recensies en artikels voor kranten en tijdschriften, en maakt literaire vertalingen. Langzaam dringt het besef tot hem door dat hij onmogelijk door kan gaan met dit alles – ook al haalde hij met name uit het vertalen grote voldoening. Zo vertelt hij in dit gedicht dat hij bij het vertalen van Amerikaanse cultschrijver Charles Bukowski het gevoel had volledig samen te smelten met de auteur. Ondanks de markante verschillen in levensstijl en ideeëngoed – tegenover het gezuip van de een staat het engagement van de ander – hebben Medvedev en Bukowski inderdaad veel met elkaar gemeen. Het valt te vermoeden dat Medvedev zich door zijn ervaring als vertaler van Bukowski aangemoedigd heeft gevoeld om Russische poëzie in het vrije vers te schrijven: gedichten zonder rijmschema, regelmatige strofebouw of vast metrum. Ze delen ook een zwak voor onwelvoeglijk taalgebruik, dat in Rusland meer nog dan in het Westen tot de taboesfeer behoort. Voor puristische Russische poëzielezers is Medvedev dan ook een zeikdichter of helemaal géén dichter.

In zijn eerste poëziebundels Alles is slecht (2000) en Invasie (2003) legt Medvedev zijn ervaringen vast in Rusland, dat toen nog enthousiast Poetin achterna holde. Terwijl zijn landgenoten een graantje proberen mee te pikken van de groeiende welvaart, waar zo naar gesnakt was onder het communisme, kijkt Medvedev aan de zijlijn toe. Hij denkt na over zijn eigen positie in en tegenover de consumptiemaatschappij van post-Sovjet Rusland, bijvoorbeeld in het gedicht ‘In de supermarkt Smolenski’, waarin hij, niet gespeend van zelfkritiek, de trance beschrijft waaraan hij ten prooi valt onder invloed van al die prachtig verpakte etenswaren:

een tijdlang staarde ik

naar al die

mooie domme dure

bling bling

die daar verspreid lag

op de rekken

van de supermarkt

en ik begreep

dat dit wellicht

de basisbrandstof was

van onze maatschappij

(niet omdat we allemaal

in een consumptiemaatschappij leven,

maar gewoon omdat

de rest

entourage is

terwijl je van voedsel

kan zeggen wat je wil

maar het zijn proteïnen

het is de basisgarantie

voor gezinsgeluk en welvaart

in wezen wordt alles

veroorzaakt door voedsel,

en daarom hoeft het

misschien niet te verbazen

dat voedsel de oorzaak is

van gezinnen die uiteenvallen

relaties die stuklopen

en van moorden);

na zo nog wat rondgelopen te hebben

drong het besef door

dat mijn verstikkende gevoel van medelijden

met die producten

ook een soort

fetisjisme was

en ook

een vorm

van materialisme was;

want eigenlijk is er geen reden

om te doen te hebben met producten

die dat alles

veroorzaken;

ik betaalde voor een visfilet

en voor de twee potjes

van die verbazingwekkend goedkope paté

die ik bij mezelf

‘de paté der armen’ noemde

en toen ik op straat stond

met die producten

drong het tot me door hoe vaak

mijn afschuw

voor de grimas van de consumptiemaatschappij

omslaat in sentimentaliteit

 

ACTIES

Als jonge dichter staat Medvedev onder hoede van Dmitri Koezmin, een excentrieke literator, uitgever en openlijke homoseksueel (wat in Rusland gezien wordt als een provocatie). Al in 1989 heeft hij onder de naam Vavilon een grootschalig forum opgezet waarop hij de meest uiteenlopende innovatieve Russische dichters onderbrengt. Koezmin helpt Medvedev om zich als dichter op de kaart te zetten, maar na enkele jaren bekoelt Medvedevs belangstelling voor diens literaire project. De rechtstreekse aanleiding voor de breuk is de steun van Koezmin aan de Amerikaanse invasie in Irak. De diepere reden is het besef van Medvedev dat zijn teksten binnen het Vavilonproject dan wel getolereerd en misschien ook geapprecieerd worden, maar dat ze geen echte invloed uitoefenen op de lezer: ze zijn een voorbeeld van repressieve tolerantie. In 2003 besluit Medvedev om de literaire wereld de rug toe te keren. Op zijn website publiceert hij een communiqué waarin hij het volgende verklaart:

Aan literaire projecten die georganiseerd en gefinancierd worden door de overheid of door culturele instanties weiger ik deel te nemen. Ik zal mijn boeken voortaan zelf uitgeven en financieren, en op mijn eigen website publiceren.

Ik zal geen publieke voordrachten meer houden.

Dit is geen heroïsche pose, PR-stunt of verlangen om mijn uitgeverij een duwtje in de rug te geven. Ik leg mezelf deze beperking op omdat ik haar noodzakelijk vind. Ik ben ervan overtuigd dat mijn teksten bestempeld kunnen worden als authentieke mainstreampoëzie. Daarom koester ik de hoop dat, wanneer de mainstream in mijn persoon voor de helft ondergronds gaat en – voor zover dat überhaupt mogelijk is – voor de helft onafhankelijkheid verwerft, dat er in mijn land dan misschien meer eerlijke, compromisloze en authentieke hedendaagse kunst zal komen, die niet besmeurd wordt door de culturele, financiële en politieke macht met haar weerzinwekkend ideologisch revanchisme (of, het omgekeerde, pseudo-liberalisme).

Medvedev voegt daad bij woord en publiceert zijn pornografisch getinte bundel De pikken der vaderen in de zomer van 2004 op zijn website. Enkele maanden later verzilvert hij zijn breuk met de literaire wereld door in een Manifest over het auteursrecht afstand te doen van zijn auteursrecht.

Ik bezit geen auteursrechten op mijn teksten en ik kan ze niet bezitten.

Niettemin verbied ik de publicatie van mijn teksten in bloemlezingen en bundels, omdat ik een dergelijke publicatie voor eens en altijd afdoe als manipulatie door deze of een andere culturele macht.

Mijn teksten mogen wel gepubliceerd worden in Rusland en in het buitenland, in welke taal dan ook, ALS AFZONDERLIJK BOEK, samengesteld en vormgegeven volgens de absolute willekeur van de uitgever en op de markt gebracht als PIRAATEDITIE, dat wil zeggen ZONDER MEDEWETEN VAN DE AUTEUR, ZONDER VOORAFGAANDE CONTACTEN OF AFSPRAKEN MET DE AUTEUR, wat ook vermeld moet worden in het colofon.

Iedereen die mij tot nog toe gepubliceerd heeft ben ik erkentelijk.

Strikt genomen heeft dit manifest enkel artistieke, geen juridische waarde. Niettemin publiceert de prestigieuze uitgeverij NLO in de herfst van 2005 achter de rug van Kirill Medvedev om een bundel met essays en gedichten van zijn hand onder de titel Teksten uitgegeven zonder medeweten van de auteur. Deze uitgave drijft het conflict tussen twee door Medvedev gekoesterde ambities op de spits: enerzijds het natuurlijke verlangen om gelezen te worden en anderzijds de weigering om deel uit te maken van een systeem dat hem in staat stelt zich als dichter te realiseren.

Als dichter overleeft Medvedev in de marge van het literaire systeem: in de jaren 2005 en 2006 schrijft hij voor zijn website de cyclus Voor de eeuwigheid en voor de door hemzelf opgerichte Nieuwe Marxistische Uitgeverij de bundel 3%. Toch gaat hij in de herfst van 2006 opnieuw een stap verder. Hij legt zich zelf een moratorium op: vijf jaar lang zal hij geen nieuwe gedichten publiceren. Behalve een poging om de routine te doorbreken is het een experiment. Zal hij nog de behoefte voelen om gedichten te schrijven in de wetenschap dat ze niet meteen gelezen kunnen worden?

Het moratorium van Medvedev betekent geen terugtrekking uit het openbare leven. Integendeel, vanaf 2006 speelt hij een bijzonder actieve rol in de socialistische beweging Vperjod (Vooruit). Bovendien laat hij zich opmerken met allerhande protestacties. Zo trok Medvedev in het voorjaar van 2007 in zijn eentje de straat op om te protesteren tegen de opvoering van een toneelstuk van Bertolt Brecht door de bekende regisseur Aleksandr Kaljagin. In Sovjetstijl had die in 2005 samen met een vijftigtal andere Russische cultuurprominenten een open brief ondertekend om een schuldigverklaring te vragen voor Poetins aartsvijand Michail Chodorkovski, die toen nog de CEO was van het Yukos olieconcern.

 

ESSAYS

Het moratorium van Medvedev betreft enkel zijn gedichten. Op zijn website en blog gaat hij gewoon verder met het publiceren van gedachten, liederen en in memoriams (van de Russische conceptualistische dichter Dmitri Prigov en de vermoorde mensenrechtenactivist Markelov). De meeste inkt kruipt echter in zijn essays, die stuk voor stuk getuigen van zijn scherp ontwikkelde rechtvaardigheidsgevoel en analytische vermogen. ‘In memoriam Dmitri Koezmin‘ (2006), over zijn breuk met zijn voormalige mentor, is tegelijk een ode en een vadermoord. In ‘De literatuur zal worden doorgelicht’(2007) trekt hij conclusies uit de crisis van de Post-Sovjetintelligentsia, die hij eerder in het essay ‘Mijn fascisme’ (2004) had vastgesteld. Inspiratie puttend uit de geschriften van Bertolt Brecht en Slavoj Žižek legt hij uit waarom de dichter geen privépersoon kan zijn.

In Rusland is dat geen nieuwe gedachte. De dichter Jevtoesjenko schreef al in 1965 dat ‘in Rusland een dichter meer dan een dichter’ is, en Medvedevs eigen teksten zijn soms doordrenkt van een bijna Messiaans aandoend pathos. In het bijzonder viseert Medvedev de figuur van Joseph Brodsky, wiens wens om ‘met rust gelaten te worden’ tijdens zijn proces gerechtvaardigd was, maar na diens verwerving van enorme morele en publieke status huichelachtig is geworden. Origineel is ook de marxistische invulling die Medvedev daaraan geeft. In zijn ogen heeft het leninistische Sovjetexperiment op geen enkele manier het marxisme als theorie in diskrediet gebracht. In de ogen van Medvedev heeft Rusland met name behoefte aan de idealen van het ‘warme’ marxisme, zoals gelijkheid en de idee dat de overheid zoveel mogelijk burgers moet vertegenwoordigen, en niet zoals nu de macht in handen moet laten van een elite wiens belangen diametraal tegenovergesteld zijn aan die van de bevolking. De Russische intelligentsia begaat een kapitale fout wanneer ze weigert in te zien dat de westerse democratieën waarnaar zij opkijkt geen toonbeelden van kapitalisme zijn, maar de vruchten plukken van eerder geleverde socialistische strijd. Tegelijkertijd toont Medvedev zich in zijn politieke denken complex, zelfs tegenstrijdig. Het essay ‘Mijn fascisme’ – Medvedevs zelfverklaarde ‘fascisme’ is zijn onvermogen om te begrijpen wat buiten zijn eigen menselijkheid ligt – eindigt met de aangrijpende wens om volmaakt ongepolitiseerd zijn kunst te kunnen bedrijven, in het besef dat dat op dit moment in Rusland niet mogelijk is.

De essays van Medvedev zijn niet licht verteerbaar, maar ze werpen een nieuw licht op het eenentwintigste-eeuwse Rusland. Voor wie geïnteresseerd is in de cultuurhistorische context waarin Pussy Riot een punkgebed hield in de Christus Verlosserskathedraal van Moskou, de kunstenaar Pjotr Pavlenski uit protest tegen de politieke onverschilligheid van zijn landgenoten zijn scrotum aan het plaveisel van het Rode Plein nagelde en Aleksej Navalny van anticorruptie-blogger uitgroeide tot een voor het Kremlin te duchten oppositieleider, zijn deze essays allicht verhelderender dan alle berichten bij elkaar die hierover in onze traditionele pers verschenen zijn – ook al is Medvedev niet de spreekbuis van Pussy Riot of Pavlenski, en al helemaal niet van Navalny. Keith Gessen, een in Rusland geboren Amerikaanse schrijver en de drijvende kracht achter de publicatie van de Engelstalige editie van Medvedevs geschriften It’s No Good, noemt Medvedev niet voor niets ‘Ruslands eerste echte post-Sovjetschrijver’. Medvedev bood radicale antwoorden op de vragen waar hij zelf mee worstelde.

Inmiddels is de zwijgplicht die Medvedev zichzelf als dichter heeft opgelegd verstreken. Het experiment is gelukt: hij is blijven schrijven. Zijn nieuwe creaties, die hij post op zijn Facebookaccount, zijn politieker dan ooit tevoren. Daarin beschrijft Medvedev bijvoorbeeld verwoede pogingen om van de stad Moskou toestemming te krijgen voor een linkse optocht, of een utopisch visioen van hoe een protestactie voor het behoud van het oude Chimskibos nabij Moskou ontaardt in een slagveld:

Op weg naar een actie voor het behoud van het Chimkibos,

dacht ik na over machteloosheid,

en herkauwde de oude gedachte dat het gebruik van wapens

een teken was van machteloosheid.

Toen in de verte een oproerpolitiebrigade opdoemde en iedereen in paniek raakte, niet uit filosofische machteloosheid,

maar uit heel erg aardse, menselijke machteloosheid.

toen dacht ik geestdriftig terug aan een idee uit een anarchistisch manifest,

dat enkel wie een wapen bezit

zich kan permitteren over pacifisme na te denken,

als we nu een wapen hadden, dacht ik, zouden we pacifisme ernstig kunnen overwegen,

en op het toppunt van onze machteloosheid, verscheen daar plots een wapen:

 

onze gelederen gingen uiteen en te midden van pacifistische studenten,

wanhopige leden van de intelligentsia en plaatselijke gepensioneerden ratelde een mitrailleur.

de agenten van de oproerpolitie vielen bij bosjes neer als de bomen van het Chimkibos.

Wat telt is dat er geen revolutie van komt, zei Jevgenija Tsjirikova,

toen we bij de aanblik van de lijken nadachten over hoe het verder moest.

De gedichten van Medvedev zijn niet elegant, zitten niet vol fraai verwoorde gedachten die een rijk innerlijk gevoelsleven verraden. Het zijn de erupties van een vertwijfeld, woedend, vaak radeloos individu, dat ernaar verlangt opnieuw een band met de wereld en zijn tijd aan te gaan. De poëtische expressie van Medvedev is rauw, onbemiddeld, bijwijlen absurd of grappig, maar altijd radicaal oprecht.


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

Getagged , , , , , , , , , , , , , ,

Sergej Dovlatov. Een paar chauffeurshandschoenen

De onderstaande tekst is een ongepolijste vertaling die ik voor mijn plezier gemaakt heb in 2008, toen ik nog tijd had om voor mijn plezier ongepolijste vertalingen te maken (tegenwoordig werk ik voor de eer aan een gepolijste vertaling). Ik was het bestaan ervan al vergeten, heb het herlezen en minstens een keer gelachen.   

Joeri Schlippenbach ontmoette ik op een conferentie in het Taurische Paleis. Of beter gezegd: op een redacteurenbijeenkomst van de grote kranten. Ik vertegenwoordigde de krant ‘Turbobouwer’, Schlippenbach een grote krant die door de Lenfilmstudio’s uitgegeven werd onder de naam ‘Shot’.

Tweede secretaris van het regionaal partijcomité Bolotnikov hield een lezing. Op het einde zei hij:

‘We hebben een aantal modelkranten, bijvoorbeeld ‘Vaandel der Vooruitgang’. We hebben er ook van het middelmatige type, zoals ‘Admiraliteit’. Of slechte, van het soort als ‘Turbobouwer’. Tot slot hebben we nog het unieke geval ‘Shot’. Qua saaiheid en talentloosheid spant deze krant de kroon.’

Ik kromp zachtjes ineen. Schlippenbach daarentegen richtte zich trots op. Kennelijk zag hij zichzelf als een verdrukte dissident. Daarna riep hij voldaan uit:

‘Volgens Lenin moet kritiek gefundeerd worden!’

‘Jouw krant, beste Joeri, staat beneden alle kritiek,’ antwoordde de secretaris…

In de pauze hield Schlippenbach me staande en vroeg:

‘Excuseer, hoe groot bent u?..’

Ik was niet verbaasd. Ik was dit gewoon. Ik wist dat het volgende absurde gesprek zou volgen: ‘Hoe groot ben je?’ ‘Eén meter vierennegentig.’ ‘Spijtig dat je geen basketbal speelt.’ ‘Hoezo spijtig? Ik spéél basketbal.’ ‘Als ik het niet gedacht had…’

‘Hoe groot bent u?’ vroeg Schlippenbach.

‘Eén meter vierennegentig. Wat is ermee?’

‘Het is zo dat ik een amateurfilm aan het draaien ben. Ik zou u de hoofdrol willen aanbieden.’

‘Ik heb geen acteertalent.’

‘Dat geeft niet. Uw apparentie is zeer geschikt.’

‘Wat betekent apparentie?’

‘Uiterlijk voorkomen.’

We spraken af elkaar de volgende morgen te ontmoeten.

Schlippenbach kende ik al eerder van de krantensector. We kenden elkaar enkel niet persoonlijk. Het was een nerveuze smalle man met nogal vuil lang haar. Volgens eigen zeggen kwamen zijn Zweedse voorouders ter sprake in historische documenten. Overigens vervoerde Schlippenbach in zijn boodschappentas een boekdeel van Poesjkin. Het poëem ‘Poltava’ zat verstopt onder een snoepwikkel.

‘Leest u eens,’ sprak Schlippenbach zenuwachtig.

En zonder een reactie af te wachten schreeuwde hij met blaffende stem uit:

‘Door vuurgeweld liggen de garden,

in het stof geveld, geheel aan flarden.

Rozen is hem uit de slag gesmeerd,

De noeste Schlippenbach capituleert…’

In de krantensector was men beducht voor hem. Schlippenbach gedroeg zich uitermate brutaal. Misschien was dat de noestheid die hij geërfd had van de Zweedse generaal. Maar van concessies of capitulatie wilde Schlippenbach niets weten.

Ik weet nog dat de oude journalist Matjoesjin stierf. Iemand engageerde zich om geld in te zamelen voor de begrafenis. Ze klopten aan bij Schlippenbach. Hij riep uit:

‘Toen Matjoesjin leefde zou ik voor hem nog geen roebel uitgegeven hebben. En aan een dode Matjoesjin wil ik zelfs geen vijfkopekenstuk spenderen. Laat de KGB zijn informanten zelf maar begraven… ’

Ook leende Schlippenbach voortdurend geld van collega’s en betaalde hij schoorvoetend terug. De lijst van schuldeisers besloeg twee pagina’s van zijn journalistieke blocnote. Telkens hij aan een schuld herinnerd werd riep Schlippenbach dreigend uit:

‘Als je gaat zeuren schrap ik je van mijn lijst!’

’s Avonds na de bijeenkomst belde hij me tweemaal op. Zomaar, zonder concrete aanleiding. Zijn lome toon getuigde van onze groeiende intimiteit. Een vriend kan je immers ook opbellen zonder dat je daaraan bijzondere behoefte hebt.

‘Ik voel me down,’ jammerde Schlippenbach. ‘En ik heb geen drank in huis. Ik lig hier op mijn divan eenzaam te wezen, met mijn vrouw…’

Op het einde van het gesprek herinnerde hij me eraan:

‘Morgen bespreken we alles.’

Die ochtend brachten we door in de krantensector. Ik was bezig aan de revisie van een stuk, Schlippenbach bereidde de uitgave van een nieuw nummer voor. Zo nu en dan riep hij nerveus uit:

‘Waar is die schaar gebleven?! Wie heeft mijn liniaal weggenomen?! Hoe schrijft men “Zuid-Afrikaanse Republiek”, aaneen of met een koppelteken?!’

Daarna gingen we lunchen.

In de jaren zestig diende de kantine van het Pershuis als distributiepunt voor kaderleden. Er werden runderworstjes, conserven, kaviaar, marmelade, tong en gerantsoeneerde vis verkocht. In theorie bediende de kantine de medewerkers van het Pershuis. Met inbegrip van journalisten van de grote kranten. In praktijk echter kon eender wie daar bediend worden. Bijvoorbeeld externe auteurs. Dus geleidelijk aan werd het distributiepunt steeds minder gesloten. Met andere woorden, er bleven steeds minder gerantsoeneerde producten over. Uiteindelijk bleef van de aanvankelijke weelde enkel nog bier uit Zjigoeli behouden.

De kantine besloeg de hele noordelijke flank van de zesde verdieping. De vensters gaven uitzicht op de Fontanka-rivier. In de drie zalen konden gelijktijdig meer dan honderd man binnen.

Schlippenbach sleepte me een nis in. Er stond een tafeltje gedekt voor twee. Kennelijk hadden we een door en door confidentieel gesprek in het vooruitzicht.

We bestelden bier en boterhammen. Schlippenbach dempte lichtjes zijn stem en begon:

‘Ik richt me tot u omdat ik intelligente mensen naar waarde weet te schatten. Ikzelf ben ook een intelligente mens. Wij zijn met weinigen. Eerlijk gezegd moeten er van ons nog minder zijn. De aristocraten sterven uit als voorhistorische dieren. Maar ter zake nu. Ik heb besloten om een amateurfilm op te nemen. Het is genoeg geweest mijn beste jaren aan die platte journalistiek te offeren. Ik heb zin in echt creatief werk. Dus morgen begin ik met de opnamen. Het wordt een film van een tiental minuten. Hij is bedacht als satirisch pamflet. Het onderwerp is als volgt. In Leningrad duikt een mysterieuze onbekende op. Hij is makkelijk te herkennen als tsaar Peter. Dezelfde die tweehonderd zestig jaar geleden Petersburg heeft gesticht. Nu is de grote heerser omgeven door de platte sovjetrealiteit. Een agent dreigt hem een boete te geven. Twee dronkenlappen stellen hem voor om met zijn drieën bij te leggen voor een fles. Zwarthandelaars willen de schoenen van de tsaar kopen. Enkele meiden houden hem voor een rijke vreemdeling, KGB-agenten voor een spion. En zo voort. Kortom: één en al gezuip en smeerlapperij. De tsaar roept verbeten uit: “Wat heb ik gedaan?! Waarom heb ik deze hoerenstad ooit gesticht?”

Schlippenbach schoot in zo’n schaterlach dat de papieren servetjes in het rond vlogen. Dan voegde hij toe:

‘De film wordt, zacht uitgedrukt, apolitiek. Hij zal enkel in privékring vertoond kunnen worden. Ik hoop dat westerse journalisten hem te zien krijgen, wat gegarandeerd voor internationale weerklank zou zorgen. Daaruit kunnen de meest onverwachte gevolgen voortvloeien. Zo, overdenk en overweeg het maar. Gaat u akkoord?

‘U heeft toch gezegd het te overdenken.’

‘Hoelang hoef je over zoiets na te denken? Ga maar akkoord.’

‘Hoe gaat u eigenlijk aan de apparatuur komen?’

‘Hierover hoeft u zich geen zorgen te maken. Ik werk toch bij de Lenfilmstudio’s voor iets. Ik heb er iedereen te vriend, te beginnen bij regisseur Herbert Rappoport tot en met de laatste lichtmachinist. Ik heb de techniek ter beschikking. En een camera weet ik al te hanteren vanaf mijn kindertijd. In één woord: denk er over na en hak de knoop door. U bent de geschikte man. Deze rol kan ik immers enkel aan een gelijkgestemde toevertrouwen. Morgen gaan we naar de studio. We rapen de nodige rekwisieten bij elkaar. We overleggen met de grimeur. En we beginnen eraan.

Ik zei:

‘Ik moet er over nadenken.’

‘Ik zal u bellen.’

We betaalden de rekening en begaven ons naar de krantensector.

Acteertalent had ik echt niet. Hoewel mijn ouders tot het theaterwereldje behoorden. Mijn vader was regisseur, mijn moeder actrice. Toegegeven, een diep spoor in de theatergeschiedenis hadden mijn ouders niet nagelaten. Misschien was dat maar goed ook…

Ikzelf had de scene tweemaal betreden. De eerste keer zat ik nog op school. Ik herinner me dat we het verhaal ‘Tsjoek en Gjek’ in scene zetten. Als grootste van iedereen moest ik de rol van de vader/poolreiziger spelen. Ik moest uit de toendra tevoorschijn komen op ski’s, en dan de finale monoloog uitspreken.

De toendra werd achter de coulissen uitgebeeld door zittenblijver Prokopovitsj. Als een bezetene gaf hij zich over aan gekras, gehuil en berengebrul.

Met schuifelende schoenen en zwaaiende armen verscheen ik op het toneel. Zo beeldde ik een skiër uit. Dat was mijn regisseursvondst. Met dank aan mijn theatrale onderbouw.

Spijtig genoeg wisten de toeschouwers mijn formalisme niet op prijs te stellen. Ze aanhoorden het geloei van Prokopovitsj, observeerden mijn mysterieuze bewegingen en maakten uit dat ik een boefje was. Aan geboefte was er geen tekort onder de schoolgaande jeugd van na de oorlog.

De meisjes reageerden verontwaardigd, de jongens applaudisseerden. De schooldirecteur kwam de scene op en sleepte me achter de coulissen. Daardoor was het de lerares literatuur die de finale monoloog uitsprak.

Een tweede gelegenheid om acteur te zijn kreeg ik vier jaar geleden. Ik werkte toen bij de republikeinse partijkrant en werd aangesteld tot Kerstman. Hiervoor werd mij drie dagen vrijaf en vijftien roebel beloofd.

De redactie had een kerstboom geregeld voor het internaat dat ze onder haar hoede had. En weeral was ik de grootste. Ze kleefden me een baard op, gaven me een muts, een bontjas en een mandje met geschenken. En ze zetten me op de scène.

De bontjas zat nauw. De muts rook naar vis. De baard was bijna verbrand toen ik een sigaret probeerde te roken.

Ik wachtte tot het stil werd en zei:

‘Dag lieve jongetjes en meisjes! Herkennen jullie mij?’

‘Lenin! Lenin!’ riepen ze uit de voorste rijen.

Ik schoot in de lach, waarop mijn baard losraakte…

En nu bood Schlippenbach me dus de hoofdrol aan.

Ik kon natuurlijk weigeren. Maar om een of andere reden stemde ik in. Ik ga eeuwig en altijd in op de wildste voorstellen. Het is niet zomaar dat mijn vrouw zegt:

‘Je interesseert je voor alles, behalve voor je echtelijke verplichtingen.’

Mijn vrouw gelooft dat echtelijke verplichtingen in de eerste plaats neerkomen op nuchterheid.

Maar goed, we begaven ons dus naar de Lenfilmstudio’s. Schlippenbach belde naar een man met de naam Tsjipa van het rekwisietenmagazijn. We kregen een doorgangspasje.

De ruimte waarin we stonden was volgestouwd met dozen en kisten. Het rook er naar vocht en naftaline. Boven mijn hoofd flikkerden en knetterden tl-lampen. In de hoek zag ik het donkere silhouet van een opgezette beer. Een kat flaneerde over een lange tafel.

Vanachter een scherm kwam Tsjipa tevoorschijn. Het was een man van middelbare leeftijd met een matrozenhemd aan en een hoge hoed op. Hij keek me lang aan, en vroeg toen nieuwsgierig:

‘Heb je soms gewerkt als bewaker?’

‘Waarom?’

‘Herinner jij je de isoleercel in Roptsja?’

‘Allicht.’

‘En weet je nog dat een kampgevangene zich opgehangen had aan zijn broekriem?’

‘Ik herinner me vaag zoiets.’

‘Dat was ik. Twee uur lang hebben die hufters me gereanimeerd…’

Tsjipa vergaste ons op verdunde alcohol. Overigens toonde hij zich dienstvaardig. Hij zei:

‘Alsjeblieft, mijnheer de opzichter!’

En op tafel stalde hij een hele berg rommel uit. Er zaten hoge zwarte laarzen bij, een lang hemd, een mantel en een hoed. Toen dook Tsjipa ergens een paar handschoenen met kap op. Van het soort dat de eerste Russische autoliefhebbers droegen.

‘En een broek?’ herinnerde Schlippenbach.

Uit een kist trok Tsjipa een fluwelen broek met galonnen.

Lijdzaam trok ik hem aan. Het lukte me niet hem dicht te knopen.

‘Het kan ermee door,’ verzekerde Tsjipa, ‘Je kan hem toebinden met een touwtje.’

Toen we afscheid namen zei hij plots:

‘Toen ik zat hunkerde ik naar de vrijheid. En nu drink ik een glaasje en het kamp lonkt. Dat waren nog eens mensen, onze Grijskop, de Larf en de Locomotief…!’

We stopten de rommel in een koffer en gingen met de lift naar de grimeur beneden. Of beter gezegd naar de grimeuse die Ljoedmila Borisovna genaamd was.

Het was trouwens de eerste maal dat ik in de Lenfilmstudio’s kwam. Ik dacht dat ik een massa belangwekkende zaken te zien zou krijgen, creatieve drukte en befaamde acteurs. Bijvoorbeeld de actrice Tsjoersina die een geïmporteerd zwempak past in het bijzijn van haar collega Tenjakova, groen van jaloezie.

In realiteit deden de Lenfilmstudio’s denken aan een gigantische kanselarij. In de gangen circuleerden weinig appetijtelijke vrouwen met papieren. Van overal weerklonken aanslagen van typemachines. Extravagante persoonlijkheden kregen we niet te zien. Wellicht was Tsjipa met zijn matrozenhemd en hoge hoed nog de extravagantste van al.

De grimeuse Ljoedmila Borisovna liet me plaatsnemen voor de spiegel. Enige tijd stond ze achter mijn rug.

‘En wat denk je?’ informeerde Schlippenbach.

‘Wat het hoofd betreft is het niet denderend. Zes en een half op tien. Maar de apparentie is schitterend.

Daarbij raakte Ljoedmila Borisovna mijn onderlip aan, trok ze aan mijn neus en gaf ze een tikje tegen mijn oren.

Toen zette ze mij een zwarte pruik op. En plakte me een snor op. Met een zachte potloodbeweging gaf ze vorm aan mijn kaken.

‘Onwaarschijnlijk!’ riep Schlippenbach uit. ‘Een typische tsaar! De Arabier van Peter de Grote…’

Daarna verkleedde ik me en bestelden we een taxi. Ik liep doorheen de studio in het vol ornaat van een staatshoofd en imperator. De mensen die ik tegenkwam staarden me na, of toch sommigen.

Schlippenbach liep nog even langs bij een vriend. Die gaf ons twee zwarte kisten met apparatuur. Ditmaal moest er gedokt worden.

‘Hoeveel is het?’ vroeg Schlippenbach.

‘Vier twaalf,’ was het antwoord.

‘Ze hadden me nochtans gezegd dat je was overgestapt op droge wijn.’

‘En jij geloofde dat?’

In de taxi legde Schlippenbach me uit:

‘Het scenario hoef je niet te lezen. We gaan alles improviseren, zoals bij Antonioni. Peter de Grote bevindt zich in het hedendaagse Leningrad. Hij vindt hier alles vreemd en verwerpelijk. Hij stapt binnen in een winkel met voedselwaren. Hij roept uit: waar is hier steur, honing en anijsvodka? Wie heeft ons rijk geruïneerd, goddeloze barbaren?!’ En zo verder. We zijn nu onderweg naar Vasiljevski Ostrov. Verontschuldig me, zeggen we tegen elkaar “u”?’

‘Uiteraard zeggen we “jij”.’

‘We zijn nu onderweg naar Vasiljevski Ostrov. Daar wacht Boekina ons op met een auto.’

‘Wie is Boekina?’

‘Iemand van de besteldienst van Lenfilm. Ze heeft een minibusje van de staat ter beschikking. Ze heeft gezegd na het werk te komen. Een ongelofelijk intelligente vrouw is het. We hebben samen het scenario geschreven. Op kamers bij een vriend… Om kort te gaan, we zijn op weg naar Vasiljevski. We nemen de eerste shots. De tsaar beweegt van de landtong van het eiland in de richting van de Nevski Prospekt. Hij is stomverbaasd. Om de haverklap houdt hij de pas in en kijkt rond. Begrepen? Van de auto’s moet je schrik hebben. De uithangborden bestudeer je. Om de telefooncellen loop je angstig heen. Als ze je toevallig raken trek je het degen. Ga met dit alles om op een creatieve manier…

Het degen rustte op mijn knieën. Het lemmet was eraf gezaagd. Ik kon het voor drie centimeters ontbloten.

Schlippenbach gesticuleerde geestdriftig. De chauffeur bleef echter volmaakt onbewogen. Slechts op het einde vroeg hij geïnteresseerd:

‘Kerel, zeg eens, uit welke dierentuin ben je weggelopen?’

‘Fantastisch!’ bracht Schlippenbach ten berde, ‘Een perfect shot!’

We klauterden met onze kisten de taxi uit. Bij het trottoir aan de overkant stond een minibusje. Ernaast stapte een jonge vrouw in jeans. Zij toonde geen interesse voor hoe ik eruit zag.

‘Galina, je bent één en al bekoring,’ zei Schlippenbach. ‘Binnen tien minuten beginnen we.’

‘Je maakt me depressief,’ reageerde de jonge vrouw.

De volgende twintig minuten waren ze in de weer met de apparatuur. Ik slenterde langs de huizen van het vroegere rariteitenkabinet van Peter de Grote. De voorbijgangers bekeken me met belangstelling.

Van de Neva woei een koude wind. Zo nu en dan verborg de zon zich achter de wolken.

Uiteindelijk zei Schlippenbach dat het gereed was. Galina schonk zichzelf koffie in uit een thermos. De dop van de thermos maakte een afgrijselijk piepend geluid.

‘Ga hier vandaan,’ zei Schlippenbach, ‘tot achter de hoek. Als ik wuif, loop je langs de muur.’

Ik stak de straat over en ging achter de hoek staan. Daartegen waren mijn laarzen finaal doorweekt. Schlippenbach maakte geen haast. Ik zag dat Galina hem een glas koffie aanreikte. En ik moest dus rondlopen met doorweekte laarzen.

Eindelijk wuifde Schlippenbach. Hij hield de camera vast alsof het een hellebaard was. Daarna plaatste hij haar tegen zijn gezicht.

Ik doofde mijn sigaret, kwam vanachter de hoek en stapte in de richting van de brug.

Het bleek niet prettig lopen als je gefilmd wordt. Ik spande me in om niet te struikelen. Toen de wind opzette greep ik mijn hoed vast.

Opeens zette Schlippenbach het op een roepen. Door de wind verstond ik hem niet, ik stopte en stak de weg over.

‘Wat doe je nu?’ vroeg Schlippenbach.

‘Ik verstond het niet.’

‘Wat verstond je niet?’

‘Wat u riep.’

‘Niet u, maar jij.’

‘Wat riep je?’

‘Ik riep: “geniaal!”. Meer niet. Vooruit, opnieuw!’

‘Wilt u koffie?’ vroeg Galina eindelijk.

‘Nu niet,’ hield Schlippenbach haar tegen. ‘Na de derde retake.’

Opnieuw kwam ik vanachter de hoek. Opnieuw stapte ik in de richting van de brug. Opnieuw riep Schlippenbach me iets toe. Ik schonk er geen aandacht aan.

Zo liep ik verder tot aan de borstwering. Toen keek ik om. Schlippenbach en zijn vriendin zaten in de auto. Ik haastte me terug.

‘Slechts één opmerking,’ zei Schlippenbach, ‘wat meer expressie. Je moet je over alles verwonderen. Vol verbazing de plakkaten en uithangborden bestuderen.’

‘Er zijn geen plakkaten.’

‘Maakt niet uit. Ik ga dat alles later monteren. De hoofdzaak is dat je je verbaast. Je loopt drie meter verder, en je klapt in de handen…’

In totaal jaagde Schlippenbach me zeven maal terug. Ik was bekaf. Mijn broek was afgezakt tot onder mijn hemd. Roken met handschoenen aan was niet makkelijk.

Maar aan mijn kwellingen kwam een einde. Galina reikte me de thermos aan. Daarna vertrokken we naar het Taurische Paleis.

‘Daar is een bierkraam,’ zei Schlippenbach, ‘ik geloof zelfs meer dan één. Het loopt er vol met dronkaards. Dat wordt fantastisch. De monarch te midden van zijn onderdanen…’

Ik kende die plaats. Twee bierkramen, met ertussen een proeflokaal. Niet ver van het Theaterinstituut. Er waren inderdaad zoveel dronkaards als je maar wilde.

Het busje zetten we in de doorgang. Daar werden alle voorbereidingen getroffen.

Daarna fluisterde Schlippenbach me enthousiast toe:

‘Een eenvoudige mise-en-scène. Je gaat bij de kraam staan. Verontwaardigd sla je het verzamelde publiek gade. En dan houd je een betoog.’

‘Wat moet ik zeggen?’

‘Wat er in je opkomt. De woorden hebben geen betekenis. Het belangrijkste is je mimiek, je gebaren…’

‘Ze zullen denken dat ik een halvegare ben.’

‘Dat mag. Zeg eender wat. Informeer naar de prijs.’

‘Dan zullen ze me al helemaal voor een halvegare houden. Wie kent er de prijzen nu niet? En dan nog wel van bier.’

‘Vraag hen dan wanneer het jouw beurt is. Als je maar wat met je lippen beweegt, daarna monteer ik het nodige. De tekst wordt later geregistreerd op een geluidsband. Dus, actie graag.’

‘Drink je wat moed in,’ zei Galina.

Ze haalde een fles wodka tevoorschijn. Ze schonk me een glas in dat onder de koffie zat.

Moediger werd ik er niet van. Maar ik klauterde uit de auto. Ik moest nu eenmaal.

De bierkraam, in het groen geschilderd, stond op de hoek van de Belinski- en de Mochovaja-straat. De rij wachtenden strekte zich over het grasperk helemaal tot aan het gebouw voedingsmiddelenfabriek uit.

Bij de toog verdrongen de mensen elkaar. Verderop werd de massa langzaam dunner. Om ten slotte uiteen te vallen in enkele tientallen gesloten sombere figuren.

De mannen droegen grijze kostuums en bodywarmers. Ze stonden er streng en gelaten bij, als bij het graf van een vreemde. Er waren er die bidons en theepotten vasthielden.

In de massa stonden niet veel vrouwen, vijf of zes. Ze gedroegen zich lawaaieriger en ongeduldiger. Eén van hen brulde iets mysterieus:

‘Toon respect voor een oud moedertje, laat me voorgaan!’

Wanneer ze hun doel bereikt hadden gingen de mensen opzij, uitkijkend naar hun gelukzaligheid. Het grasperkje werd bedekt met een grijze schuimkraag.

Eenieder droeg in zichzelf een persoonlijk brandje. Van zodra dat gedoofd was werden de mensen levendig, staken ze een sigaret op, probeerden ze een gesprek aan te knopen.

Wie nog in de rij stond te wachten vroeg:

‘Is het bier te drinken?’

Ten antwoord klonk:

‘Het lijkt erop van wel…’

Ik vroeg me af hoeveel van zulke kramen er in heel Rusland te vinden waren. Hoeveel mensen sterven er dagelijks om opnieuw geboren te worden?

Toen ik dichter bij de massa kwam kreeg ik schrik. Waarom had ik met dit alles ingestemd? Wat had ik te zeggen tegen deze gekwelde, sombere en halfwaanzinnige mensen? Wat kon hen die hele idiote maskerade?!

Ik ging aan de staart van de rij staan. Twee of drie mannen wierpen een blik op mij zonder enige nieuwsgierigheid. De anderen merkten me zelfs niet op.

Voor mij stond een man van het Kaukasische type met een blouse van de spoorwegen. Links naast hem stond een schooier met schoenen gemaakt van zeildoek en losse veters. Op twee passen van mij brak een intellectueel lucifers in een poging een sigaret op te steken. Zijn platte portefeuille knelde hij tussen de knieën.

De toestand werd steeds absurder. Alle mensen zwegen, ze verbaasden zich niet. Niemand stelde me vragen. Waarom zouden ze? Iedereen was slechts door één ding gepreoccupeerd: zijn kater wegdrinken.

Wat zou ik hen zeggen? Zou ik vragen wanneer het mijn beurt was? Na degene voor me in de rij dus.

Trouwens, ik had geen geld bij me. Mijn geld was in mijn gewone mensenbroek gebleven.

Ik kijk om en zie Schlippenbach die vanuit de doorgang met zijn vuisten zwaait, hij geeft instructies. Kennelijk wil hij dat ik handel volgens plan. Hij hoopt met andere woorden dat iemand me een bierkroes tegen het gezicht mept.

Ik wacht. Langzaam begeef ik me naar de toog.

Ik hoor de spoorwegarbeider iemand uitleggen:

‘Ik ben na die kale. Na mij komt de tsaar. En jouw beurt is na de tsaar…’

De intellectueel spreekt me aan:

‘Excuseer, kent u Sjerdakov?’

‘Sjerdakov?’

‘Bent u Dolmatov?’

‘Ongeveer.’

‘Aangenaam. Ik ben u nog een roebel verschuldigd. Herinnert u zich dat we van bij Sjerdakov naar de Dag van de Kosmonaut gingen? Ik heb u toen een roebel gevraagd voor de taxi. Alstublieft.’

Zakken had ik niet. Ik stak het verfomfaaide roebelbiljet in mijn handschoen.

Sjerdakov kende ik inderdaad. Hij was een groot kenner van de marxistisch-leninistische esthetica, hij doceerde aan het theaterinstituut. Een vaste klant van dit proeflokaal…

‘Doe hem mijn groeten,’ zeg ik, ‘als u hem ziet.’

Op dat moment kwam Schlippenbach op ons afgestapt. Achter hem liep Galina, zuchtend.

Daartegen was ik bijna bij mijn doel. De mensenmassa was dichter geworden. Ik was samengeperst tussen de schooier en de spoorwegarbeider. Het uiteinde van mijn degen porde tegen de heup van de intellectueel.

Schlippenbach riep uit:

‘Ik mis de mise-en-scène! Waar is het conflict?! Je moet het antagonisme van de volksmassa’s uitlokken!’

De rij kreeg achterdocht. De energieke man met de filmcamera maakte het volk geïrriteerd en onrustig.

‘Excuseer,’ richtte de spoorwegarbeider zich tot Schlippenbach, ‘Dit is niet uw plaats!’

‘Ik bevind me in staat van uitvoering van dienstverplichtingen,’ reageerde Schlippenbach resoluut.

‘Iedereen is hier in staat van uitvoering,’ klonk het uit de massa.

Het ongenoegen groeide. De stemmen werden steeds agressiever:

‘Die satirici en kuthumoristen lopen hier af en aan…’

‘Ze fotograferen je en voor je het weet sta je op een bord… Met als onderschrift “Ze verstoren de goede orde.”’

‘De mensen, kan je wel zeggen, zijn hier beschaafd hun kater aan het wegdrinken, en hij komt de boel verneuken…’

‘Die verpester hoort thuis naast een strontemmer…’

De energie van de massa stortte zich naar buiten. Maar ook Schlippenbach werd plots kwaad:

‘Jullie hebben Rusland kapotgezopen, tuig! Een geweten hebben jullie al lang niet meer! Jullie zien scheel door de wodka, van ’s morgens vroeg…’

‘Joeri, het is genoeg! Gedraag je niet zo idioot! Kom, we zijn weg!’ trachtte Galina Schlippenbach te overhalen.

Maar hij bleef stokstijf staan. En precies toen was het mijn beurt. Ik haalde de verfomfaaide roebel uit de handschoen. En vraag:

‘Hoeveel moet ik bestellen?’

Schlippenbach kalmeerde op slag en zegt:

‘Voor mij een grote pint en een opwarmertje. Doe onze Galina een kleintje.’

Galina voegde eraan toe:

‘Ik drink geen bier. Maar ik aanvaard het graag…’

Er zat niet al te veel logica in haar woorden.

Iemand begon te morren. Geërgerd legde de schooier uit:

‘De tsaar stond in de rij, dat heb ik gezien. En die klootzak met zijn lantaarn is zijn vriendje. Dus alles is legaal!’

De dronkaards gromden even en verstomden.

Schlippenbach nam de camera over in zijn linkerhand. Hij hief het glas op:

‘Laten we drinken op het succes van onze toekomstige film! Authentiek talent kan niet anders dan vroeg of laat doorbreken.’

‘Gekke jongen van me,’ zei Galina…

Toen we in achteruit uit de doorgang reden zei Schlippenbach:

‘Wat een publiek! Zo is het volk dus! Ik zat zelfs met schrik. Dat was zoiets als…’

‘De slag bij Poltava,’ vulde ik aan.

Me in het busje omkleden was nogal moeilijk. Ik werd thuis afgezet in het ornaat van een staatshoofd en imperator.

De volgende dag ontmoette ik Schlippenbach bij de kassa voor honoraria. Hij liet me weten dat hij zich wilde toeleggen op burgerrechtenactivisme. Op die manier werden de opnames van de amateurfilm stopgezet.

Het theaterkostuum slingerde nog twee jaar rond in mijn woning. De sabel werd toegeëigend door een buurjongetje. Met de hoed dweilden we de grond. Het lange hemd werd in plaats van een demi-saison gedragen door Regina Britterlan, een extravagante vrouw. Van de fluwelen broek maakte mijn echtgenote een rok.

Het paar chauffeurshandschoenen nam ik met me mee toen ik emigreerde. Ik was ervan overtuigd dat ik meteen een auto zou kopen. Dat heb ik niet gedaan. Ik had er geen zin in.

Ik moet mezelf toch op een of andere manier onderscheiden van de massa! Laat heel Forest-Hills weten dat ik “die Dovlatov” ben “die geen auto heeft”!

Getagged ,

Redevoering van Nadezjda Tolokonnikova (Pussy Riot) van 26 juli 2013

Afbeelding

De onderstaande tekst is een vertaling uit het Russisch van de op 26 juli 2013 in de rechtbank door Nadezjda Tolokonnikova (een van de veroordeelde leden van de punkrockband Pussy Riot) uitgesproken redevoering, in het kader van haar (opnieuw geweigerde) aanvraag tot vervroegde vrijlating. De Russische tekst werd diezelfde dag gepubliceerd door Radio Svoboda.

“Opnieuw wil ik het hebben over heropvoeding. Voor de zoveelste keer op rij kom ik tot de overtuiging dat authentieke opvoeding in Rusland enkel kan bestaan op autodidactische wijze. Als je jezelf niets aanleert, dan zal niemand je wat aanleren. En als ze je toch iets aanleren, dan is het god weet wat. Met de huidige machthebbers heb ik veel, extreem veel stilistische meningsverschillen. Dat aantal wordt stilaan problematisch.

Wat kunnen ons de organen van de staat aanleren? Hoe kan mij iets worden bijgebracht door de strafkolonie, en jullie door pakweg de televisiezender Rossija-1? Tijdens zijn speech na het ontvangen van de Nobelprijs zei Iosif Brodski: ‘Hoe rijker de esthetische ervaring van het individu is, en hoe sterker zijn smaak is, des te duidelijker zal zijn ethische voorkeur zich manifesteren en des te vrijer zal hij zijn – al betekent dat niet dat hij ook gelukkiger zal zijn.’

Opnieuw zijn we in Rusland in zo’n situatie beland dat verzet – en dat verzet is niet in de laatste plaats van esthetische orde – onze enig mogelijke morele keuze en onze burgerplicht is geworden.

De esthetiek van het regime van Poetin is conservatief. Het is geen toeval dat ze consequent, halsstarrig refereert en nieuw leven geeft aan de esthetische opvattingen van twee historisch voorgaande regimes: de esthetiek van het tsarenrijk en de idioot geïnterpreteerde esthetiek van het socialistisch realisme, met zijn aan de leider loyale arbeiders van de spreekwoordelijke Oeralwagonfabriek. Die reanimatie gebeurt dermate lomp en ondoordacht, dat de ideologische apparaten van het politieke bestel geen enkele lof toekomt. Zelfs een woestenij is, in haar minimalisme, bekoorlijker en aantrekkelijker.

Iedere instelling die in Rusland afhangt van de staat, en zeker een dermate belangrijk onderdeel van de staatsrepressiemachine als de strafkolonie, draagt met kruiperige toegewijdheid bij tot die petieterige esthetiek.

Als je bijvoorbeeld een vrouw bent, zeker als je jong en enigszins aantrekkelijk bent, dan ben je gewoonweg verplicht om deel te nemen aan de schoonheidswedstrijden die in de strafkolonie georganiseerd worden. Als je niet deelneemt, kom je niet in aanmerking voor vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het aan je laten voorbijgaan van de Miss Charming-wedstrijd. Als je niet deelneemt, dan betekent dat, volgens het besluit van de strafkolonie en van de rechtbank die haar napraat, dat je niet actief wil deelnemen aan het leven. Mijn standpunt is net dat mijn principiële en weldoordachte actieve deelname aan het leven zich manifesteert in de boycot van de schoonheidswedstrijd. Mijn actieve levenshouding – die van mij alleen is, en niet samenvalt met de conservatieve houding van de strafkampdirectie – brengt me tot de studie van boeken en kranten, waarvoor ik zoveel mogelijk tijd tracht te maken door naar de afstompende activiteiten van de strafkolonie mijn kat te sturen.

Overal – op de schoolbanken, in de gevangenissen, aan de universiteit, in de kieshokjes en voor televisie – worden we aangeleerd te gehoorzamen, te liegen, op onze tong te bijten, ‘ja’ te zeggen als we zin hebben in ‘nee’. Als we ons willen wagen aan de grote beschavingsopgave zullen we in onszelf, in onze kinderen en in onze vrienden een tegengif moeten ontwikkelen voor deze gedweeheid, die de mens opvreet.

Ik eis dat een kat een kat genoemd wordt. Het klopt dat ik gedeeltelijk gezakt ben voor de toets van de strafkolonie aangaande mijn loyaliteit aan het conservatieve waardensysteem en zijn esthetiek, maar het is ridicuul om te beweren dat ik geen actieve levenshouding aan de dag leg.

Niet minder ridicuul zijn de zogezegde “overtredingen” die mij ten laste worden gelegd. Het is waar dat ik uit mijn eerste cel aantekeningen meegenomen heb waarin de hel en de onmenselijke omstandigheden beschreven worden die de voorlopige hechtenis in Moskou voor mij betekenden. Natuurlijk zijn de medewerkers van die gevangenis vreselijk kwaad op mij geworden, hebben ze me een overtreding aangesmeerd en hebben ze me op volledig illegale grond verbod gegeven om zelfs in mijn eigen cel aantekeningen te maken – met hun eindeloze doorzoekingen van mijn cel hebben ze me al mijn aantekeningen afhandig gemaakt. Het is waar dat ik in het kampziekenhuis tijdens mijn hospitalisatie vanwege hevige hoofdpijnen geen buiging tot op de grond gemaakt heb tegenover een van de plaatselijke medewerkers, die daardoor op zijn tenen was getrapt. Het klopt dat ik in club IK-14 geweest ben. En wat dan nog? Tijdens de behandeling van mijn aanvraag tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling door de rechtbank van het arrondissement Zoebovo-Poljanski, was me gezegd om in de strafkolonie deel te nemen aan het verenigingsleven.

Mijn vriendin Marija Aljochina kreeg een negatief antwoord op haar aanvraag tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling omdat ze – O, wat een onheil! – op haar werkplaats gesignaleerd was zonder wit hoofddoekje. Ik vraag me af of de rechter die een dergelijke verordening uitspreekt beseft waar hij mee bezig is.

Ik weet dat ik in het Rusland dat Poetin achternaholt nooit vervroegd zal vrijkomen. Ik ben naar deze rechtbank gekomen om nogmaals de absurditeit aan het licht te brengen van de olie-gas-en-grondstoffen-rechtspraak, die mensen verdoemt tot een zinloos bestaan in een strafkamp, zogezegd vanwege aantekeningen en hoofddoekjes.

Het is van belang om diegenen die vandaag de kracht en de macht hebben om ons te verpletteren eraan te herinneren dat niemand hen garanties kan geven over waar ze morgen zullen staan. De macht is niet eindeloos – dat is zelfs nog onvermijdelijker dan dat twee maal twee vier is. Als machthebbers – en dat geldt voor hen allemaal – dat inzien, dan moeten ze zichzelf beteugelen. Om hun eigen toekomst veilig te stellen.

De machthebbers krijgen vast nog eens de rekening gepresenteerd voor hun opvoeding van de conformistische massa, voor hun heropvoedingsmaatregelen – over opvoeding gesproken! – om het individu te doen aansluiten bij de gehoorzame massa. Want een macht die gebaseerd is op loyaliteit en bereidheid tot gehoorzaamheid, en niet op de doordachte principes en de overtuigingen van haar onderdanen, is zwak. Als jullie macht gebaseerd is op de indifferentie, of zelfs op de angst van de mensen, dan is dat voor jullie bijzonder slecht nieuws. Morgen zal wie uit conformisme zijn stem aan Poetin gaf aan de kant gaan staan van wie dan de nieuwe macht zal uitmaken.

Vroeger ergerde ik me aan het argument ‘Wie anders dan Poetin?’. Nu haal ik daar plezier uit, steeds meer en meer. Want dat argument impliceert geen getrouwheid aan Poetin, maar wel een latente verwerping. Alternatieven zijn er steeds meer en meer. Hun aantal groeit onder meer vanwege de onbehouwen, paniekerige, repressieve acties van de machthebbers. Ongezien ridicuul is de reactie die ze uit hun hoed getoverd hebben ten overstaan van Aleksej Navalnyj, die daarentegen blijk gegeven heeft van principes, moed en getrouwheid aan zijn overtuigingen. Daardoor is het politiek kapitaal van Navalnyj toegenomen, en niet dat van de machthebbers.

Ik ben trots op iedereen die bereid is op de bres te gaan staan voor zijn principes. Enkel op die manier kunnen er grote politieke, morele en esthetische veranderingen komen. Ik ben trots op iedereen die op een zomeravond uit zijn comfortzone gekomen is, die op 18 juli [NVDV: toen vond een spontane demonstratie plaats tegen het vonnis in de zaak Navalnyj] de straat op is gegaan om zijn rechten op te eisen en zijn waardigheid als mens te verdedigen.

Ik weet dat onze symbolische macht, die voortkomt uit overtuigingen en moed, jaar na jaar sterker wordt, dat ze aan het veranderen is in iets groters. En dan zullen Poetin en wie uit zijn hand eet over de staat de macht verliezen.”

Getagged , , , , , , , , , , , , , ,

Vladimir Nabokov: Dostojevski

Тоску́я в ми́ре, как в аду́,
уро́длив, су́дорожно-све́тел,
в своëм проро́ческом бреду́
он век наш бе́дственный наме́тил.

Услы́ша вопль его́ ночно́й,
поду́мал Бог: уже́ль возмо́жно,
что все дaро́ванное Мной
так стра́шно бы́ло бы и сло́жно?

Op aarde klagend als in de hel
was het met monsterachtigheid
dat hij in zijn profetische ge-ijl
de gesel beschreef van onze tijd.

Zijn nachtschreeuw zette God aan het denken:
‘Is het misschien dan toch echt waar
dat die van Mij afkomstige geschenken
zo vreselijk kunnen zijn en zwaar?’

Vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: “Достоевский” (1919)

Vladimir Vladimirovitsj Nabokov (1899-1977), erelid van de door Karel van het Reve opgerichte anti-Dostojevskiclub

Getagged , , , , ,

Vertalingen van Poesjkin

Aleksandr Poesjkin (1799-1837)

Deze website bevat de volgende in het Nederlands vertaalde gedichten van Poesjkin, die niet volledig ten onrechte door de Russen wordt beschouwd als met voorsprong de meest getalenteerde dichter die het heelal op het einde der tijden gekend zal hebben:

Getagged , , , , , , , ,

Aleksandr Poesjkin: Aan Tsjaädajev*

*Pjotr Tsjaädajev (1794-1865) was een antitsaristische Russische filosoof en publicist, met wie Poesjkin bevriend was.

Любви, надежды, тихой славы
Недолго нежил нас обман,
Исчезли юные забавы,
Как сон, как утренний туман;
Но в нас горит еще желанье,
Под гнетом власти роковой
Нетерпеливою душой
Отчизны внемлем призыванье.
Мы ждем с томленьем упованья
Минуты вольности святой,
Как ждет любовник молодой
Минуты верного свиданья.
Пока свободою горим,
Пока сердца для чести живы,
Мой друг, отчизне посвятим
Души прекрасные порывы!
Товарищ, верь: взойдет она,
Звезда пленительного счастья,
Россия вспрянет ото сна,
И на обломках самовластья
Напишут наши имена!
Niet lang werden we het hof gemaakt
door het bedrog van roem, hoop en trouw,
kwijt is het plezier van onze jeugd geraakt
zoals een voorbije droom, zoals de dauw.
Maar ons verlangen is nog niet versmacht,
tot aan de rand vervuld van ongeduld
bedrukt door het juk van de fatale macht
luisteren we naar wat ons land uitbrult.
Geobsedeerd zijn we aan het wachten
op het heilige breken van de dijken,
zoals een jongeman met zijn gedachten
geen seconde van zijn lief kan wijken.
Zolang in ons nog de vrijheid brandt,
Zolang eergevoel ons kan doen lijden,
zo lang zullen wij aan het vaderland
onze schoonste oprispingen wijden!
Geloof me, vriend: branden zal het vuur
van het geluk dat niet stopt te beklijven,
Rusland zal eens ontwaken, op den duur,
en ze zullen onze namen schrijven
op de ruïnes van de dictatuur!
Vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: “К Чаадаеву” (1818)
Getagged ,

Ik was gek op u (naar Poesjkin)

Я вас любил: любовь еще, быть может,
В душе моей угасла не совсем;
Но пусть она вас больше не тревожит;
Я не хочу печалить вас ничем.
Я вас любил безмолвно, безнадежно,
То робостью, то ревностью томим;
Я вас любил так искренно, так нежно,
Как дай вам бог любимой быть другим.
Ik was gek op u, die gekte is misschien
nog niet voor eens en voor altijd genezen,
maar van gezaag wil ik u graag ontzien –
ge hebt dus van mij niets meer te vrezen.
Ik was gek op u, door jaloezie gekweld.
Het enige wat ik nog durf te hopen
is dat met zo’n zachtheid, zo’n geweld
een andere gek tegen uw lijf mag lopen.
Nogal vrije vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: “Я вас любил” (1829)

De femme fatale die Poesjkin inspireerde tot zijn gedicht “Я вас любил”: Anna Olenina (1808-1888), geschilderd door Kiprenski in 1828.

Getagged , , , , , ,

Sergej Dovlatov: De derde afslag links

Sergej Dovlatov (1941-1999)

Onder de blik van haar man sloeg Lora de krant open.

‘Eens kijken,’ zei ze, ‘welke nieuwtjes er zijn.’

‘Geen,’ zei haar man, ‘Je zal zien. Ze hebben weer een of andere ambassade opgeblazen. Een Turkse diplomaat is doodgeschoten. En ergens in Pakistan is er een schoolbus gekanteld… Alles gaat zijn gangetje.’

Hij deed een wolkje melk in zijn zwarte koffie. Lora las hardop, terwijl ze zonder te kijken een stuk koek afbrokkelde:

‘Schulz verheugd over initiatief president Duarte… Giftige conserven in Japanse winkels…  Eleonor Roosevelt 100 jaar geleden geboren…’

Lora en Alik vormden een gelukkig jong koppel. Geluk zagen ze als natuurlijk en organisch, zoals gezondheid. Het leek hen dat tegenslag voor zieke mensen was weggelegd.

Ze hadden elkaar zes jaar geleden ontmoet in Moskou. Ze waren toen allebei net van de middelbare school af. Lora droomde ervan geschiedenis te studeren. Haar neef zei haar dat de Sovjetgeschiedenis vervalst was. Lora wilde zich verdiepen in de authentieke geschiedenis.

Alik droomde ervan arts te worden. Zijn lievelingsoma was gestorven aan kanker. Alik wilde zich verdiepen in de cancerologie.

Ze zakten allebei op hun toegangsexamen. Al hun kennissen waren ervan overtuigd dat dit te wijten was aan antisemitisme. Misschien was dat ook wel zo.

Lora en Alik beslisten om het over een jaar opnieuw te proberen. Dat jaar zouden ze zorgeloos en vrolijk doorbrengen. Ze hielden allebei erg van uitstapjes buiten de stad, muzikale komedies en lichte wijn. Ze hadden allebei tamelijk vermogende ouders. In feite hoefden Alik en Lora dus niet te werken. Alik kreeg een job op een stookplaats, en Lora zeulde met biljetten voor kindervoorstellingen.

Hun opvattingen waren ongeveer dezelfden. Ze vertelden hun vrienden politiek getinte grappen, ze hielden van spullen uit het buitenland en luisterden naar de BBC.

Alik en Lora woonden bij hun ouders in kleine tweekamerflats. Ze konden elkaar enkel buiten ontmoeten. Vandaar dat ze een jaar lang zoenden op het koertje achter de loodsen.

Alik en Lora bereidden zich niet voor op hun examens. Ze waren te zeer in de ban van de liefde. Bovendien nam het antisemitisme toe. Maar de massale emigratie begon.

Alik en Lora beslisten om weg te gaan. Op die manier konden ze in één klap verschillende problemen oplossen.

Hun ouders waren radeloos. Ten eerste waren hun kinderen van plan te trouwen. En daar kwam bij dat ze het land verlieten.

Alik en Lora stelden hun ouders gerust. Ze zeiden dat ze hen oploskoffie zouden sturen.

Ze leverden hun paspoorten in. Drie weken later kregen ze de toestemming om te emigreren. Ze hadden zich voorbereid op een lange strijd, maar mochten meteen vertrekken. Ze voelden zich zelfs ietwat verongelijkt.

Maar het gevoel verongelijkt te zijn ging snel voorbij.

Emigratie stond voor Alik en Lora gelijk aan een huwelijksreis.

Ze vestigden zich in New York. Na een jaar was hun kennis van de taal best acceptabel. Alik schreef zich in voor een cursus programmeren. Lora volgde een opleiding tot manicure.

Haar neef was intussen ook vertrokken naar het westen. Hij zei dat ook de Amerikaanse geschiedenis vervalst was. En aan kanker stierven hier volgens hem evenveel mensen als in de Sovjet-Unie.

Hij was een mislukkeling en een vlerk. Hij schold op iedereen. Voor hem waren het allemaal idioten, lafaards en oplichters. Op een keer zei Lora:

‘Je hebt aan iedereen een hekel!’

Haar neef antwoordde:

‘Hoezo dan, aan iedereen?’

Daarna ratelde hij:

‘Aikhenvald, Baratynski, Vampilov, Gillespie, Daumier, Jerofejev, Jaurès, Zorgenfrei… ’ Een seconde dacht hij na en vervolgde: ‘Ibsen, Koltsjak, Larionov, Monet, Nostradamus, Olejnikov, Parker, Rimbaud, Swift, Toergenjev, Wells…’ Hij haperde nog eens en rondde af: ‘Fitzgerald, Chodasevitsj, Tsvetajeva, Chaplin, Chagall, Eichenbaum, Joedenitsj en Jaspers!’

‘Tevreden?’ vroeg hij, en dook in een koelkast die niet de zijne was om een flesje gin…

Maar de neef kwam niet vaak.

Het ging Alik en Lora voor de wind.

Enkele maanden later werd Alik programmeur. Twee jaar later projectmanager. En nog een jaar later consultant voor een wel zeer kapitaalkrachtige internationale firma. Hij moest verre dienstreizen maken. Een keer moest hij naar Hawaï.

Lora werkte in een kapsalon met Amerikaanse clientèle. Lora zei altijd maar: “Russen krijgen we nauwelijks over de vloer. Onze prijzen liggen te hoog”. Lora verdiende twintigduizend per jaar. Alik dubbel zoveel.

Het duurde niet lang of ze kochten een huis. Het was een klein bakstenen huis in een van de slaapsteden van New York. Hier woonden vooral Amerikaanse joden, Polen en Chinezen. Russen waren hier absoluut niet.

Alik zei:

‘We hebben nauwelijks omgang met Russen…’

Alik en Lora werden dol op hun huis. Eigenhandig legde Alik de waterleiding en het dak. Daarna elektrificeerde hij de garage. Lora kocht gordijnen en een set porseleinen kookpotten.

Het was een mooi, gezellig en relatief goedkoop huis. In zijn kwaadaardigheid noemde de neef het “een mausoleum”.

Vrienden hadden Alik en Lora niet. Tot hun vrienden rekenden ze iedereen die op bezoek kwam. De neef nodigden ze steeds minder uit. Maar er kwamen steeds vaker Amerikaanse vrienden op bezoek. Bijvoorbeeld Aliks manager, Seth Appelbaum, een jolige dikkerd met veel lawaai. Meer dan een jaar lang kwam hij samen met zijn verloofde Shella Roach. Met hun vieren roosterden ze worstjes bij de veranda achteraan en dronken ze Budweiser.

Op een keer kwam Seth alleen. Op de vraag “Waar is Shella?” antwoordde hij:

‘We zijn uit elkaar. Ik was radeloos. Toen heb ik een nieuwe auto gekocht en ben ik verhuisd. Nu ben ik gelukkig… ’

Lora en Alik leefden comfortabel, maar zuinig. Iedere maand betaalden ze duizend dollar terug aan de bank. Plus de kosten voor telefoon, elektriciteit, gas, ontspanning…

Ze hielden erg van reizen, musicals en lichte cocktails. Ze wilden een hond in huis nemen, maar bedachten zich. Een hond zou de tapijten kunnen beschadigen. En in hun voorstad waren er geen inbrekers.

Lora en Alik hoorden dat sommige emigranten het moeilijk hadden. Waarschijnlijk waren het ongezonde mensen met een rotkarakter. Van het slag als de neef. Of kan je iemand die rechtstreeks uit de fles drinkt gezond noemen?

Alik en Lora gingen vriendelijk met elkaar om. Ze hadden het zo goed dat Lora soms uitriep:

‘Mijn lieve man, ik ben zo gelukkig!’

Ze hadden het zelfs zo goed dat ze zichzelf ergernissen bedachten. Alik zette een somber gezicht en zei:

‘Weet je, vanmorgen had ik bijna een fietser aangereden.’

Lora zette geschrokken ogen op:

‘Wees toch voorzichtiger. Ik smeek je, wees toch voorzichtiger.’

‘Maak je geen zorgen, schat. Ik heb een uitstekend reactievermogen…’

Soms kwam Alik thuis met een schuldig gezicht.

‘Je lijkt ontstemd,’ vroeg Lora, ‘wat scheelt er?’

‘Zal je niet boos worden?’

‘Dat weet ik niet. Zeg me wat er scheelt, of ik begin nog te huilen.’

‘Zweer dat je niet boos zal worden.’

‘Zeg me wat er is. Vertel me de hele waarheid!’

‘Alleen niet boos worden, schat. Ik ben in fout. Ik heb je Italiaanse laarsjes gekocht.’

‘Ben je niet goed snik?! We hadden toch afgesproken dat we zouden bezuinigen! Laat me eens kijken…’

‘Ik had er zo’n ontzettende zin in. En de kleur is origineel. Van dat bruin… Ben je niet boos? Zweer me dat je niet boos bent!’

Alik en Lora hadden de gewoonte om ’s zondags lang te ontbijten, te praten en te roken. Soms las Lora hardop een Russische krant. De problemen waar de emigranten zich druk over maakten vonden ze vergezocht.

‘Is het dan zo moeilijk,’ zei Lora, ‘om een Amerikaanse vakopleiding te volgen?’

‘Inderdaad,’ stemde Alik in, ‘je hebt gelijk. Het enige wat je moet doen is je losrukken uit dat Russische getto…’

Die ochtend namen Alik en Lora een lang ontbijt. Daarna deden ze boodschappen. Daarna keken ze televisie. Daarna vielen ze in slaap op de veranda.

En toen ze wakker werden zette Lora een mysterieuze glimlach op.

Alik veinsde een somber gezicht:

‘Wat is er met jou?’

‘Zal je niet boos worden? Zweer dat je niet boos zal worden.’

‘Wat is er dan gebeurd? Goed dan, ik zweer het.’

‘Ik heb tickets voor “Zorba the Greek”. Ontzettend dure. Ik heb ze overgenomen van Irene Berd. Haar dochtertje is ziek… Ben je niet boos?’

‘Ik was eigenlijk van plan om de garage te verven. Maar als je zin hebt om te gaan…’

‘Ik heb ontzettende zin om te gaan.’

‘Om acht begint het? Dan moeten we ons omkleden en vertrekken.’

‘Mijn lieve man, ik ben zo gelukkig!’

Zo’n veertig minuten later reden ze al over de highway.

Alik reed licht en zelfverzekerd. In zijn rechterhand walmde een sigaret. Lora had zich geïnstalleerd op de achterbank.

Ze reden voorbij het kerkhof, het park en nog voor de brug sloegen ze links af. Boven de daken flikkerde de reclame “Philip Morris” aan en uit. Uit de Buick in de voorste rij klonk een radio.

Het was het eigenaardige tijdstip waarop het nog licht is, maar de lantaarns al branden. De muren van de pakhuizen waren donkerder dan de hemel. De reclamelichtjes brandden onderbroken en ongelijkmatig.

Alik keerde zich naar zijn vrouw:

‘We nemen een binnenweg, door de tunnel. Daarna onder de spoorbrug langs het viaduct. Bij de kerk slaan we nog eens links af. En dan de rivier volgen tot aan Manhattan.’

‘Rij maar zoals je nodig vindt,’ zei Lora.

‘Goed dat je tickets hebt gekocht,’ vervolgde Alik, ‘ik ben heel erg blij. We moeten niet gezapig worden. Morgen nog abonneer ik ons op een kwaliteitskrant.’

‘Eén met wat minder reclame. Of ik verlies mijn humeur. Weet je wat me zo ergert aan Amerika? Hier is altijd wel iets wat zelfs voor vermogende mensen onbetaalbaar is. Zelfs als je zestigduizend per jaar verdient.’

‘Okey! Dan moeten maar we tachtigduizend of negentigduizend verdienen. Maak je maar niet ongerust, dat komt er wel van. Chris en Barney stellen me erg op prijs.’

‘Ik lig ook in een goede lade. Isa nodigt me steeds vaker uit op de lunch. In september heeft ze me parfum gekocht. Of liever, eau de cologne.’

‘De prijs heeft geen betekenis. Het gaat om het gebaar…’

‘Ze stelt me op prijs.’

‘Daar twijfel ik niet aan… Ik heb de indruk dat we de tunnel voorbij zijn gereden. Heb je niet opgelet?’

‘Ik heb er niet aan gedacht.’

‘Okey, de richting zit goed. We zullen slechts een drietal minuten vertraging oplopen.’

‘Wees een beetje aandachtiger…’

Het was donker geworden. De reclamelichtjes waren helderder en opdringeriger. De trottoirs lagen bezaaid met vuilnis. Bij de winkels waren goedkope kleren uitgestald. Rond de bars schoolden dubieuze figuren samen. Vooral zwarten en latino’s.

Lora voelde zich ongemakkelijk worden. Ze had geen zin meer in theater. Ze wilde thuis zijn en televisie kijken. Ze wilde een cocktail drinken en muziek beluisteren. En op dat moment hoorde ze:

‘Zijn we dan werkelijk Harlem binnengereden?’

‘Het kan niet zijn!’

‘Ik vrees dat het zo is. Zonet reden we nog op de Lenox Avenue. Voor ons ligt de honderd éénentwintigste straat. We bevinden ons iets boven Central Park. Kijk eens rond, de sfeer zegt genoeg.’

‘We moeten de weg vragen aan een politieagent.’

‘Ik vrees dat hier geen agenten zijn.’

‘O hemeltje!’

‘Geen paniek. Alles komt goed. Harlem is heus niet zo hels als ze wel zeggen. Kijk, daar loopt een vrouw met kind…’

Ze reden verder. Ze kwamen steeds meer vervallen huizen tegen. De lege vierkante ramen waren opgevuld met duisternis.

Langs de muren zwierven clochards. Op de kruispunten verzamelden groepjes zwarten, bijna niet te onderscheiden van de duisternis. De gesprekken werden overstemd door het gekerm van autoradio’s.

Alik sloeg opnieuw links af en remde.

‘Ik denk dat we een doodlopende straat zijn ingereden. Zie je, daar staan van die borden. Ik moet uitstappen om de weg te vragen.’

‘Vraag de weg zonder uit te stappen.’

‘Dat gaat niet. Zwarten drukken zich uit in een vreselijk jargon. Op afstand is het heel moeilijk om hen te verstaan.’

‘Roep er dan één naar hier.’

‘Dat vinden ze misschien beledigend.’

Alik stapte uit de auto. Hij zei:

‘Vergrendel voor alle zekerheid de deuren van binnenuit.’

‘Ik ben bang.’

‘Dat hoeft niet. Ik kom immers overeen met eender wie. Het schorriemorrie heeft me altijd al gerespecteerd.

‘Kom zo snel mogelijk terug…’

Voor hem strekte zich een bouwterrein uit. Er stond een compressor bedekt met een zeildoek. Achter de triplexpanelen was de donkerte van een diepe put zichtbaar. Op de rand zaten drie of vier schooiers. Dichter bij de auto, bij het scheefgezakte neonuithangbord “Grocery”, stonden er nog twee. De eerste was een gigant met een zeemanspet. Om de schouders van de tweede hing iets dat op een deken leek. De geur van marihuana was te ruiken van op tien passen afstand.

Vriendelijk glimlachend stapte Alik op hen toe:

‘Aangenaam avondje, vrienden, vinden jullie niet? Ik wilde vragen hoe ik hier vandaan kom.’

Vanonder de deken klonk:

‘Hoe ben je hier verzeild geraakt, blanke man?’

‘Mijn vrouw en ik zijn verkeerd gereden, we zijn de weg kwijt… Blank of zwart, wat maakt het uit?’

Nu sprak de gigant met de pet:

‘Een zwart gezicht of een wit gezicht, als dat geen verschil is! Een zwart gezicht of een witte ziel. Een wit gezicht of een zwarte ziel. Ik ben zwart, hoeveel ik me ook was, en jij bent blank, zelfs als je in het slijk ligt…’

‘Alle mensen zijn elkaars broeders,’ zei Alik zonder overtuiging.

‘Fout,’ werd tegengeworpen vanonder de deken, ‘er zijn er zwarte, en er zijn er blanke. Wij zijn zwarten, zielsmensen. Wij hebben de soulmuziek. Blanken hebben geen ziel. Ze hebben enkel maar gedachten, gedachten, gedachten…’

‘Maar ik vroeg toch gewoon de weg. We zijn verdwaald, begrijpen jullie?’

De gigant nam een slok van een flaconnetje en zei:

‘Hoepel op! Want zo meteen zet de wind op en dan waait je hoed nog weg!’

Alik streek zich mechanisch door de haren.

De gigant gaf het flaconnetje aan zijn buur. Ook hij nam een slok en zei:

‘Is dat mannetje soms van de politie?’

De gigant antwoordde:

‘De politie heeft hier niets te zoeken. Ik, Fatty Trucksa, ben hier de politie.’

‘Prince-general Negovia-Sherman,’ stelde het type met de deken zich voor.

De gigant vroeg:

‘Ga je niet weg, blanke man? Wil je dat ik je de weg naar Manhattan wijs? Kom hier, ik zal je de weg wijzen.’

Als gehypnotiseerd stapte Alik naar voren. Het leek hem dat de gigant aan de ritssluiting van zijn jasje prutste. Daarna glom er iets in zijn hand. Mogelijks een korte gummiknuppel. Of een stuk rubberen slang. En op dat moment, plotseling, snapte Alik het. De zwarte bandiet met de glimlach zwaaide met zijn afgrijselijke vlees.

Langzaam stapte Alik achteruit in de richting van de auto. Hij werd niet gevolgd. Vanonder de deken klonk een lach. De zwarte gigant spuwde en maakte een dansje…

Twee seconden later zat Alik in de auto. Zonder een woord te zeggen reed hij achteruit. Lora keek haar man verschrikt aan.

Bij de benzinepomp keerde Alik zich om.

‘We rijden naar huis,’ zei hij, ‘in Godsnaam. Ik denk dat ik me de terugweg wel kan herinneren. We reden juist. Ik heb alleen één verkeerde afslag genomen.’

‘Is er wat gebeurd?’

‘Het heeft niets om het lijf. Goed dat ik me heb weten in te houden. Goed dat ik dat type niet heb afgeslagen.’

‘Waarom dan? Hebben ze je beschimpt? Wat heeft ie dan gedaan? We moeten de politie erbij halen…’

‘Dat heeft geen zin. Het heeft niets om het lijf… Een zwarte bandiet… Ik weet zelfs niet hoe ik het je moet zeggen… In één woord, hij heeft me zijn lid laten zien…’

Lora slaakte een zacht gilletje. Pas twee minuten later begon ze opnieuw te spreken:

‘Waarom heeft ie dat gedaan? Wat wilde hij daarmee zeggen?’

‘Ik weet het niet. Hij toonde het, dat is alles.’

‘Dat vind ik niet prettig!’

‘Denk je soms dat ik het wel prettig vind?’

‘Ik weet het niet… Ik ben ontzet…’

Alik raakte zijn vrouw aan bij de schouder:

‘Ben je boos?’

‘Ik vind het gewoon niet prettig. Ik vind het afgrijselijk. Afgrijselijk en walgelijk vind ik het!’

Lora begon te huilen. Alik probeerde zich de terugweg te herinneren en kon zich nu niet laten afleiden. Hij zei:

‘Volgende keer neem ik een hakmes mee uit de keuken.’

‘Ben je van plan om hier vaak te komen?’ vroeg Lora snikkend.

Tien minuten later kwamen ze uit op de snelweg. Nog een halfuur later waren ze thuis. Alik had thee willen drinken, maar Lora nam een pilletje en viel in slaap. Alik keek wat televisie en legde zich op de veranda.

De volgende ochtend was alles zo goed als vergeten. Alik en Lora waren opnieuw gelukkig.

‘Naar theater,’ zei Lora, ‘hoeven we niet zo nodig.’

‘Zeker niet met kabeltelevisie in huis,’ stemde Alik in…

De neef werd een jaar later in de metro met een metaaldraad bijna doodgewurgd. En dan nog wel in een van de beste wijken van de stad.

[Originele titel: Tretij povorot nalevo. Bron: Vstretilis’, pogovorili. Sankt-Peterburg: Azbuka, 2003. pp. 65-74. Vertaling verschenen in Tijdschrift voor Slavische Literatuur]

Getagged

Aleksandr Poesjkin: Demonen

Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Еду, еду в чистом поле;
Колокольчик дин-дин-дин…
Страшно, страшно поневоле
Средь неведомых равнин!
Wolken razen, kringelen omhoog,
de nacht is waas, gelijk de hemel.
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
Verder in het vrije veld rijd ik…
Het klokje is aan het klingelen
en of ik wil of niet – ik heb schrik
van de vlakten die me omsingelen.
“Эй, пошел, ямщик!…” – “Нет мочи
Коням, барин, тяжело;
Вьюга мне слипает очи;
Все дороги занесло;
Хоть убей, следа не видно;
Сбились мы. Что делать нам!
В поле бес нас водит, видно,
Да кружит по сторонам.
‘Komaan, koetsier, wat is dat hier?!’
– ‘Ze zijn ten einde kracht, de paarden.
Door die storm en wind zie ik geen zier,
de weg ligt vol met sneeuw, m’n waarde.
Sla me dood, maar bijster is het spoor;
We zijn goed verdwaald. Wat nu gedaan?
In het veld leidt ons een demon voor,
en wervelt rond. Of is het een waan?
Посмотри; вон, вон играет,
Дует, плюет на меня;
Вон – теперь в овраг толкает
Одичалого коня;
Там верстою небывалой
Он торчал передо мной;
Там сверкнул он искрой малой
И пропал во тьме пустой”.
Kijk daar: hij gooit zijn remmen los!
Hij spuwt op mij en blaast een mist;
Nu daar: een op hol geslagen ros
drijft hij een kloof in met een list.
Als een nooit geziene bonenstaak
verscheen die duivel voor mijn ogen
en fonkelde als een vonkje raak.
Het duister heeft hem opgezogen.’
Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Сил нам нет кружиться доле;
Колокольчик вдруг умолк;
Кони стали… “Что там в поле ?” –
“Кто их знает? пень иль волк?”
Wolken razen, kringelen omhoog.
De nacht is waas, gelijk de hemel;
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
Het klokgetingel dat plots verstomt;
Bijna verschraald zijn onze krachten;
‘Wat zit daar in het veld, verdomd?
Een stronk of wolf?’ – de paarden wachten…
Вьюга злится, вьюга плачет;
Кони чуткие храпят;
Вот уж он далече скачет;
Лишь глаза во мгле горят;
Кони снова понеслися;
Колокольчик дин-дин-дин…
Вижу: духи собралися
Средь белеющих равнин.
Ze snuiven, briesen, voelen wrevel.
De woeste storm raast, huilt en giert;
Kijk daar, hij draaft weg in de nevel,
die door zijn vuuroogjes wordt versierd.
Ze zijn in draf nu, onze beesten;
Klokgetingel terwijl we rijden…
Ik zie: een samenkomst van geesten,
Op wit opflakkerende weiden.
Бесконечны, безобразны,
В мутной месяца игре
Закружились бесы разны,
Будто листья в ноябре…
Сколько их! куда их гонят?
Что так жалобно поют?
Домового ли хоронят,
Ведьму ль замуж выдают?
Het zijn oneindige gedrochten
die in de troebele maneschijn
rondwervelen in kromme bochten
alsof het novemberblaadjes zijn.
Zoveel zijn er! Waarheen gedreven?
Waarom zingen ze zo triest en hol?
Verliet een huisgeest soms het leven,
of is dit het trouwfeest van een kol?
Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Мчатся бесы рой за роем
В беспредельной вышине,
Визгом жалобным и воем
Надрывая сердце мне…
Wolken razen, kringelen omhoog,
de nacht is waas, gelijk de hemel.
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
De demonen razen in een zwerm
onder de eindeloze hemelschijf;
Hun gekrijs en klagerig gekerm
jagen mij de stuipen op het lijf…
Vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Een eerdere versie verscheen in Engelen en demonen. Een bloemlezing uit de wereldpoëzie. Samengesteld door Lara Sels & Eric Metz. Gent: Poëziecentrum, 2009. p. 30-33. Oorspronkelijke titel: “Бесы” (1830).
Getagged ,