DE INTERNATIONALE VERSPREIDING VAN DE HELAASHEID DER DINGEN

Onderstaande tekst is een inleiding, samen met Elke Brems geschreven, op het online dossier van Filter. Tijdschrift over vertalen over de internationale verspreiding van De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst. 

7.1. in polen
‘Ik ben niet zo’n soort schrijver die literatuur alleen ziet als een pakje dat aan de boom van de Nederlandse literatuur hangt. Ik zie het toch graag als iets groter.’ Dat vertelde Dimitri Verhulst heel toepasselijk aan de Hongaarse interviewer op een workshop over Nederlandse literatuur in Italië voor een publiek van een dozijn verschillende nationaliteiten. In dit dossier willen wij het inderdaad ‘als iets groter zien’: via de casus van Verhulsts De helaasheid der dingen (2006) zien we de Nederlandse literatuur uitwaaieren naar andere talen en culturen.

Toen het receptieonderzoek in de jaren 1960 en 1970 zowel in Europa (Konstanzer Schule) als in de VS (Reader Response Criticism) opgeld deed, trad het onderzoek daarmee nog niet meteen buiten de kaders van de nationale geschiedschrijving. De aandacht verschoof weliswaar van de auteur en de tekst naar de lezer, maar het ging toch vooral om het lezen (in ruime zin) binnen de eigen taal en cultuur. Onder invloed van de descriptieve vertaalwetenschap (met pioniers als Itamar Even-Zohar, Gideon Toury en José Lambert), die stelt dat vertalingen beschouwd moeten worden als producten van de doelcultuur waarin ze terechtkomen, zijn ook vertaalde boeken op grote schaal het onderwerp geworden van receptieonderzoek. Maar hoewel het belang van relaties tussen verschillende literaire systemen binnen een zogenaamd Europees macropolysysteem door vrijwel iedereen erkend wordt, blijft de onderzoeker in de vertaalwetenschap veelal werken binnen de grenzen van zijn eigen culturele context. Neerlandici bijvoorbeeld richten zich ofwel op de receptie van een in het Nederlands vertaalde schrijver in het Nederlandse taalgebied, ofwel op de receptie van een uit het Nederlands vertaalde schrijver in een ander taalgebied. Het nadeel van deze benaderingen, die beide legitiem zijn, is dat een fragmentarisch beeld ontstaat van hoe de receptie van een vertaald werk precies verloopt. Eventuele intersystemische convergenties en tendensen blijven onderbelicht. Er zijn slechts weinig onderzoekers die de receptie van een bepaald boek in een veelheid van receptiegemeenschappen onder de loep nemen. Dit flagrante gebrek aan macropolysystemische receptiestudies heeft vooral te maken met praktische beperkingen: weinig onderzoekers beschikken over voldoende expertise om zich over de grenzen van een groot aantal talen en culturen heen te bewegen. De oplossing ligt voor de hand: samenwerking. Dat is precies de opzet van het project The Circulation of Dutch Literature (verder afgekort als CODL, zie ook http://www.codl.nl), waarbinnen de hierboven vermelde workshop plaatsvond. CODL wil twee dingen: werken aan een actief internationaal netwerk van onderzoekers met belangstelling voor de Nederlandse literatuur en toewerken naar een geschiedenis van de internationale verspreiding van Nederlandse literatuur. Tussen 2012 en 2015 brengen internationaal samengestelde werkgroepen de verspreiding van dertien werken uit de Nederlandse literatuur in kaart, gaande van Hadewijchs Liederen (ca. 1240) tot Dimitri Verhulsts roman uit 2006.

De helaasheid der dingen (verder afgekort als DHDD) is daarmee de jongste casustekst. Bij de selectie van de teksten werd onder meer rekening gehouden met het evenwicht tussen Nederland en Vlaanderen, tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs, tussen de verschillende historische periodes. Het moesten ook teksten zijn die niet tot de marge van het Nederlandstalige literaire systeem behoorden en die een grote internationale verspreiding kenden. De hoge verkoopcijfers – al meer dan vijftig herdrukken zijn verschenen – en de gunstige literaire kritiek in Noord en Zuid zijn indicatoren van de gecanoniseerde status van DHDD. Het werd bovendien tot nu toe vertaald in twaalf talen. Het onderzoek binnen CODL richt zich ook op adaptaties (bijvoorbeeld voor theater of film) van Nederlandse literatuur en verkiest dus werken die niet enkel in boekvorm maar ook via andere media internationaal verspreid zijn geraakt. Dat is zeker het geval voor DHDD, waarvan in 2009 een internationaal goed ontvangen film werd gemaakt door Felix van Groeningen.

Het ledenaantal van de DHDD-werkgroep is gedurende de afgelopen twee jaren gegroeid tot een dozijn onderzoekers en vertalers, die zich buigen over een zelfgekozen aspect van de internationale verspreiding van Verhulsts roman. Op die manier ontstaat een caleidoscoop waarmee gekeken kan worden naar, ‘texts across time, but above all in their reappearance in new guises in different places and media; in their capacity to move, mobilize, and generate new cultural activities’ (Rigney 2012).1 Om nog meer geografische regio’s te dekken, zocht Pieter Boulogne als moderator van de DHDD-werkgroep actief naar nieuwe leden voor de werkgroep. Op die manier werd de groep uitgebreid met de Japanse vertaalster Saki Nagayama, de Zuid-Korea-specialist Nicholas Peeters, en het duo dat de Poolse ondertitels van de film verzorgde, Krzysztof Marcin Zalewski & Machteld Venken. Bovendien werd de Italiaanse vertaalster Claudia di Palermo door Elke Brems, een van de CODL-coördinatoren, voor een interview gestrikt. Dit legertje onderzoekers, vertalers, ondertitelaars en studenten heeft samen een dossier met een tiental bijdragen tot stand gebracht dat de veelzijdigheid en veelkleurigheid van de mogelijke benaderingen binnen dit soort onderzoek goed weergeeft. De bijdragen kunnen opgedeeld worden in drie categorieën.

Een eerste reeks van drie artikelen gunt ons een blik in de interne keuken van de vertalers. In ‘Twijfelen uit ervaring’ en ‘Het ontstaan van Spijtige dagen’ lichten Claudia di Palermo en Saki Nagayama hun vertaalstrategie en -keuzes toe die geleid hebben tot de totstandkoming van de Italiaanse respectievelijk de Japanse vertaling van DHDD.2 Interessant genoeg menen geen van beiden dat dit een typisch Vlaams boek is. Ze leggen integendeel uit op welke manier het verhaal volgens hen past in de doelculturen. ‘Je hoeft niet in een Vlaams dorpje te zijn geweest om Dimmetrie’s gevoelens te begrijpen’, zo schrijft Nagayama. De vertaalster Sílvia C. Clérigo dos Prazeres, op haar beurt, laat in ‘Het Pruimenlied: het Kweeperenlied of de Garage van de buurvrouw?’ een ballonnetje op over hoe de scabreuze taal van Verhulst gereproduceerd zou kunnen worden in het Portugees.

In het artikel ‘Godverdomse dagen in het godverdomse Praag’ vervolgens ligt de focus op de kritische receptie van boekvertalingen van Verhulsts oeuvre. Aan de hand van een historische excursie toont Veronika ter Harmsel Havlíková aan dat er in Tsjechië een nieuw beeld van de Vlaamse literatuur is ontstaan, waarbij een andere roman van Verhulst, Godverdomse dagen op een godverdomse bol naadloos aansluit. Het valt te vermoeden dat dit de receptiebereidheid voor DHDD, waarvan nog geen Tsjechische vertaling bestaat, zal bevorderen.

Een derde reeks auteurs houdt zich in twee bijdragen bezig met de verfilming en de audiovisuele vertaling van DHDD. In ‘Van Reetveerdegem naar Parijs en Moskou. De helaasheid der dingen als (vertaalde) verfilming’ stellen Stéphanie Vanasten, Pieter Boulogne en Elke Brems een onderzoek in naar de relatie tussen boek en verfilming, en naar de Franse en Russische audiovisuele vertalingen. Krzysztof Marcin Zalewski en Machteld Venken getuigen in ‘Boso, ale na rowerze. De helaasheid der dingen in Polen’ over hun zoektocht naar voor de Poolse kijkers passende ondertitels, rekening houdend met de Poolse sociale, geografische en literaire context.

Tot slot laten we de schrijver zelf aan het woord. Dimitri Verhulst was, zoals gezegd, te gast op de eerste workshop van het project CODL, waar hij geïnterviewd werd door Orsolya Réthelyi.3 Uit dit interview, dat voor Filter uitgeschreven werd door Dorien De Man, blijkt dat de houding van de schrijver tegenover de vertalingen en/of bewerkingen van DHDD in hoge mate ambigu is. Enerzijds vindt hij het naar eigen zeggen ‘altijd prettig om vertaald te worden’, omdat hij zo ‘opnieuw ergens in een ander land een beetje schrijver’ kan worden. Anderzijds noopt het controleverlies dat onvermijdelijk gepaard gaat met die wedergeboorte hem tot wantrouwen tegenover zijn vertalers. Zo vindt hij dat hij te weinig vragen van hen krijgt. ‘Ik kak een beetje in mijn broek wanneer ik een vertaler te vrij zie worden,’ zo geeft Verhulst ook mee. Als voorbeeld noemt hij de scatologische titels (Beschissenheit, Merditude) waaronder zijn geesteskind tot zijn spijt in het buitenland op de markt wordt gebracht. Verhulst voelt zich zelfs ‘een beetje verkracht’ door de titel die de Russische vertaling van de verfilming gekregen heeft – al heeft hij het mis dat die Vlaamse landschappen luidt (in feite is de titel Flamandskie natjoermorty, wat ‘Vlaamse stillevens’ betekent). Deze emotionele uitspraak is des te interessanter, aangezien die film in de Russische context, bij gebrek aan referentiekader waarin Verhulst of zijn boek een rol speelt, de facto niet functioneert als een boekadaptatie. Een gelijkaardige dubbelzinnige houding als tegenover zijn vertalers, heeft Verhulst ook tegenover de binnen- en buitenlandse kritische receptie van zijn boek. Zo geeft hij duidelijk te kennen dat wat hem betreft DHDD niet per se in het rayon van de typisch Vlaamse boeken thuishoort, waar het vaak wel neergezet wordt. ‘Drankproblematiek is overal ter wereld aanwezig, helaas’. Dat blijkt ook uit de bijdragen over onder meer de Zuid-Koreaanse, de Japanse en de Poolse verspreiding van DHDD: de alcoholproblematiek maakt het boek juist meer herkenbaar voor andere culturen. Aan de andere kant zien we daar ook cultuurspecifieke aspecten opduiken: de voorkeur voor bier en de cafécultuur bijvoorbeeld maken het universele thema weer meer ‘Vlaams’.

Uit de hier verzamelde bijdragen blijkt dat iedere vertaler/bewerker het cultuurspecifieke versus universele karakter van deze roman anders interpreteert en vertaalt: er moeten op dat vlak voortdurend keuzes gemaakt worden. In Rusland werd de verfilming bijvoorbeeld in belangrijke mate ontdaan van het lokale karakter. In Zuid-Korea zijn veel realia (zelfs de plastieken smurf) zonder uitleg of voetnoot overgenomen en mag het boek ‘exotisch’ zijn, terwijl in Japan een vertaling standaard anderhalf keer zo lang wordt, vanwege de talrijke toelichtingen. Toch ziet ook de Japanse vertaalster veel herkenning bij de lezersreacties op het internet: ze plakt op het boek zelfs de ‘typisch’ Japanse termen yagatekanashiki (geleidelijk droevig) en setsunai (pijnlijk/droevig). Technieken van inbedding in de kritiek laten ook zien hoe met cultuurspecificiteit wordt omgesprongen: een vergelijking met Brel of Jeroen Bosch plaatst DHDD in de Lage Landen, een vergelijking met een ‘eigen’ auteur of film speelt in op de herkenbaarheid in de doelcultuur.

Andere belangrijke vertaalkeuzes die met betrekking tot dit boek moesten worden gemaakt en die in deze bijdragen telkens terugkeren, betreffen de vertaling van het dialect dat de personages spreken en de vertaling van de typisch Verhulstiaanse neologismen (bijvoorbeeld ‘de helaasheid’). Verhulst zegt dat hij bij nieuwe boeken toch meer nadenkt over zijn veelvuldig gebruik van neologismen, omdat ‘het begint […] te knagen als je dan ziet dat ze er in al die talen toch maar zelf een eigen potje van maken’. De Franse dubbing heeft geen aanleiding gegeven tot vervlakking van de registers, maar het oorspronkelijke reliëf nog uitvergroot – een mooie illustratie dat standaardisering niet altijd het laatste woord hoeft te hebben. Opvallend is dat vertalers ook worstelen met het Vlaams als variant van het Nederlands. De meeste vertalers uit het Nederlands zijn opgeleid in het Noord-Nederlands en hadden Vlaamse hulp nodig om dit boek te vertalen.

Uit de bijdragen blijkt dat de rol van instituties in het vertaalproces groot is. Dat geldt in de eerste plaats voor het Vlaams Fonds voor de Letteren, maar de Vlaamse Vertegenwoordiging en de Ambassade van België worden ook genoemd, evenals een aantal lokale instituties die vertalingen bevorderen. Ontegensprekelijk wordt de verspreiding van DHDD actief in de hand gewerkt door actoren in de broncultuur – een factor die in de descriptieve vertaalwetenschap, met haar focus op de inbedding van vertalingen in de doelcultuur, doorgaans weinig aandacht krijgt. Andere ‘externe’ factoren die belangrijk blijken zijn het profiel van uitgeverijen die zich specifiek richten op ‘import’, internationale boekenbeurzen, literaire evenementen, auteursbezoeken, filmfestivals. Een belangrijke ingang voor de Vlaamse literatuur in een andere cultuur wordt gevormd door literaire tijdschriften en door bloemlezingen van verhalen en romanfragmenten uit ‘vreemde literaturen’ en natuurlijk ook door het internet. De verfilming blijkt ook soms de weg vrij te maken voor een vertaling van het boek, zoals dat in Frankrijk het geval was.

Ideologische en politieke factoren zijn naast economische en institutionele factoren ook bijzonder belangrijk, zoals onder meer blijkt uit de bijdragen over Tsjechië, Polen en Rusland.

Het is eerder zeldzaam dat in receptieonderzoek ook Oost-Europese landen en Rusland in aanmerking genomen worden. James Brian Baer (2011: 2) spreekt in dit verband van ‘Europe’s internal other – which has largely been ignored in the exploration of alternative translation traditions’4 Nog zeldzamer is het dat vanuit het Westen pogingen ondernomen worden om landen die tot het Aziatische continent behoren te betrekken. Tegelijkertijd worden de concepten ‘het Westen’ en ‘West-Europa’ te weinig geproblematiseerd als identiteit en onderzoeksentiteit (Baer 2011: 1). Als dit webdossier één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat Europa geen homogene receptie- of vertaalzone is, maar dat verschillende tradities naast elkaar bestaan en door elkaar lopen en waarin een veelheid aan idiosyncratische keuzes mogelijk zijn.

Dit dossier van bijdragen werpt een veelzijdige blik op de receptie van DHDD. Die veelzijdigheid betreft de geografische regio’s, de verschillende verschijningsvormen van receptie (literaire kritiek, vertalingen, bewerkingen, filmkritiek in de pers en op internetfora), maar ook de verschillende benaderingen. Maar ondanks de veelzijdige aanpak is hiermee het laatste woord over de receptie van DHDD nog niet gezegd. Om te beginnen is die receptie nog volop bezig, zijn hierin voortdurend nieuwe ontwikkelingen. Ook los daarvan blijven er nog belangrijke lacunes in ons onderzoek: de Hongaarse, Noorse, Deense, Finse, Sloveense, Hebreeuwse, Chinese en Amerikaanse receptie van DHDD moeten nog onderzocht worden. Dat geldt ook voor de non-receptie van DHDD in een aantal receptiegemeenschappen waar je een vertaling zou kunnen verwachten (zoals bijvoorbeeld Zweden). Evenmin zijn de bestaande theaterbewerkingen van DHDD onderzocht.

Tot slot van deze inleiding willen wij uitdrukkelijk onze dank uitspreken aan iedereen die dit dossier mede mogelijk heeft gemaakt – hetzij als onderzoeker, vertaler, interviewer, geïnterviewde of redactielid. Met deze bundel hebben zij een overtuigend bewijs geleverd dat receptieonderzoek extra reliëf krijgt indien het gevoerd wordt door een collectief met leden wier individuele expertise en verankering zich bevinden in verschillende domeinen, praktijken en geografische regio’s.

Noten
1 Rigney, Ann, 2012. The Afterlives of Walter Scott. Memory on the Move. Oxford University Press.
2 Bij wijze van voorproefje op dit dossier werd het stuk ‘Het ontstaan van spijtige dagen’ van Saki Nagayama gepubliceerd in de papieren Filter (21: 4, p. 9–14).
3 Dit interview is te lezen in de papieren Filter (21:4, p. 1–8).
4 Baer, Brian J., ed. 2011. Contexts, Subtexts, and Pretexts. Literary translation in Eastern Europe and Russia. Benjamins Translation Library 89. Amsterdam: John Benjamins.

Getagged , , , , , , ,

Geweldspelletjes van een Russische idealist. ‘HET VIERTAL [HET CHIMKIBOS]’ van Kirill Medvedev

Onderstaande tekst is verschenen in het themanummer Ecce homo ludens van het tijdschrift van de Leuvense alumni Letteren Uit het Erasmushuis (2015, jaargang 5, pp. 98-101). Een Nederlandse vertaling van de integrale bundel Ten oorlog tegen het stadhuis (werktitel) zou in 2015 nog moeten verschijnen bij Leesmagazijn. 

ЧЕТВЕРО [XИМКИНСКИЙ ЛЕС]

Человек, который на пне сидит,

через два часа будет в кровь избит.

А второму, накапливающему злость,

выдвижным ковшом разломают кость.

Ну а с третьего битой собьют всю спесь –

врежут так, что забудет, зачем он здесь.

А четвертый прочь уйдет по лесам:

эту всю игру он придумал сам.

HET VIERTAL [HET CHIMKIBOS]

Van een man die op een stronk is gezeten,

wordt binnen twee uur de kop gespleten.

En een tweede, die door haat wordt verteerd,

wordt dan met een heftruck gefileerd.

En een derde krijgt met een knots om zijn oren,

tot ie vergeet waarom hij ooit werd geboren.

En dan loopt een vierde door bossen heen:

dit spelletje was bedacht door hem alleen.

Deze kwajongensachtige versregels, waarin een luguber spel wordt aangekondigd, werden geschreven door de Moskoviet Kirill Medvedev (1975). Het Chimkibos, dat vermeld wordt in de titel, is een eeuwenoud woud ten noorden van Moskou. In de zomer van 2010 heeft Medvedev samen met andere Russische activisten proberen te verhinderen dat het traject van de nieuwe autosnelweg tussen Moskou en Sint-Petersburg door dit bos zou lopen. Het gevolg daarvan was dat een aantal activisten ontvoerd, gearresteerd en vervolgd werd. Er zijn gevallen bekend waarbij skinheads ingehuurd werden om de activisten een lesje te leren.[1] Medvedev lijkt in dit gedicht de rollen van slachtoffer en dader om te draaien. Zijn de eerste drie mannen boskappers en is de vierde een activist, die het recht in eigen handen neemt om de boskap tegen te gaan? De verteller, die bij Medvedev in de regel autobiografisch gekleurd is, weet precies wat de eerste drie mannen boven het hoofd hangt. Heeft hij met ‘de vierde’ een samenzweerderige relatie, of valt hij ermee samen? Is het niet de dichter zelf, de bedenker van dit gedicht, die het spel in kwestie bedacht heeft?

De omslag van de bundel Pochod na merijoe (Ten oorlog tegen het stadhuis), waarmee Kirill Medvedev in 2014 de Andrej Bely-prijs in de categorie poëzie wegkaapte. De foto, die ook de dichter zelf toont (een van de berenmutsen), werd genomen in 2009 tijdens een demonstratie ter nagedachtenis van de door neonazi’s vermoorde advocaat Markelov en journaliste Baboerova.

De omslag van de bundel Pochod na merijoe (Ten oorlog tegen het stadhuis), waarmee Kirill Medvedev in 2014 de Andrej Bely-prijs in de categorie poëzie wegkaapte. De foto, die ook de dichter zelf toont (een van de berenmutsen), werd genomen in 2009 tijdens een demonstratie ter nagedachtenis van de door neonazi’s vermoorde advocaat Markelov en journaliste Baboerova.

Behalve dichter is Kirill Medvedev socialistische activist, essayist, uitgever en vertaler van onder meer Charles Bukowski, Pier Paolo Pasolini en hedendaagse marxistische theoretici. Na zijn doorbraak als dichter in 2002, nam hij stapsgewijs afstand van de Russische literaire wereld, om na een zelf opgelegd moratorium van vijf jaar in 2011 een comeback te maken onder zijn eigen voorwaarden.[2] Zijn gedichten publiceert hij voortaan zelf, ofwel op het internet, ofwel in uitgaven van zijn eigen Vrije Marxistische Uitgeverij. Van zijn auteursrechten heeft hij afstand gedaan, waardoor in het buitenland in principe enkel piraatedities van zijn werk kunnen verschijnen. De comeback van Medvedev gaat gepaard met een keuze voor links politiek engagement, wat in een Russische context behoorlijk uitzonderlijk is. De redenen voor die keuze licht Medvedev toe in lange, tot de verbeelding sprekende essays als ‘Mijn fascisme’ en ‘De literatuur zal worden doorgelicht’. Cruciaal daarin staan twee inzichten. Ten eerste dat dichters evenmin als anderen vrij kunnen zijn van politiek, ook niet als ze dat zelf willen of daar prat op gaan. Ten tweede dat de Russische intelligentsia als reactie op het Sovjetverleden een emotioneel begrijpelijke, maar een te scherpe, zelfs zelfdestructieve breuk met het marxisme heeft gemaakt. Samen met een ruime selectie van gedichten geschreven tussen 2000 en 2012, zijn deze essays opgenomen in de in 2014 bij Leesmagazijn verschenen bundel Alles is slecht.[3]

Het gedicht ‘HET VIERTAL [HET CHIMKI-BOS]’ is afkomstig uit de pas in 2014 verschenen, voorlopig nog onvertaalde bundel Pochod na merijoe (Ten oorlog tegen het stadhuis). In die bundel trekt de dichter de kaart van de zwarte humor, de fantasmagorie en het burleske. De lyrische ‘ik’, die in vorige bundels aan de zijlijn toekeek op het Russische maffiakapitalisme en het bijbehorende consumentisme, ontpopt zich nu tot een actieve geweldenaar. Het lijkt erop dat het universum van de schrijver grimmiger wordt naarmate Poetin bij zijn onderdanen de duimschroeven aandraait. Met een knipoog naar de Franse avant-gardist Antonin Artaud beschrijft de Russische criticus Aleksandr Skidan de nieuwe poëtica van Medvedev als ‘een theater van de wreedheid’: ‘een voor iedereen toegankelijk, democratisch straattheater, een blamage aan het adres van de sceptici die niet geloven in de haalbaarheid van het project van de zelfkritische, reflexieve en tegelijkertijd populaire linkse cultuur’.[4] Een andere criticus, Nikita Soengatov, heeft het over ‘een politieke, dialectische houding die toelaat om de speelruimte tussen kritiek en ideologie, politiek en utopie te ontdekken’.[5]

In de herfst van 2014 werd Kirill Medvedev voor Pochod na merijoe (Ten oorlog tegen het stadhuis) in eigen land bekroond met de prestigieuze Andrej Bely-prijs in de categorie poëzie. Dat is de oudste van de overheid onafhankelijke literatuurprijs – nog steeds bestaat het prijzengeld uit een appel, een roebel en een fles wodka. Het is veelzeggend dat deze prijs, die ontstond in een tijdperk toen Russische dichters moesten strijden voor het recht om niet met politiek bezig te zijn, nu naar een politiek geëngageerd dichter gaat. Klaarblijkelijk oordeelde de jury dat de Russische literatuur een kwarteeuw na de implosie van de Sovjetunie opnieuw behoefte heeft aan politisering in plaats van privatisering. Op die manier wordt aangeknoopt bij de aloude Russische traditie, die zegt dat in Rusland ‘een dichter meer is dan een dichter’,[6] en literatuur méér dan een spelletje.


[1] Koens, Olaf. ‘De schrik van het Kremlin.’ One/11. http://www.one11.nl/held/38/Evgenia%20Tsjikirova/ Geraadpleegd op 30/12/2015.

[2] Boulogne, Pieter & Keizer, Frank. ‘De weigering van de dichter. Kirill Medvedev: Alles is slecht.’ In: De Leeswolf. 2014. Nr. 2. pp. 104-107.

[3] Medvedev, Kirill. Alles is slecht. Leesmagazijn. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. z.p., Leesmagazijn, 2014.

[4] Medvedev, Kirill. Pochod na merijoe. Moskva, Svobodnoje marksistskoje izdatelstvo/Translit, 2014. p. 50.

[5] Soengatov, Nikita. ‘Vernoet’sja k politike: rezoel’taty premii Andreja Belogo 2014’. http://syg.ma/@sungatov/viernutsia-k-politikie-riezultaty-priemii-andrieia-bielogho-2014. Geraadpleegd op 30/12/2014.

[6] Bekend citaat, afkomstig uit het gedicht ‘Bratskaja GES’ (1965) van de Russische dichter Jevgeni Jevtoesjenko.

Alles is slecht maakt Filip De Bodt (t’Uilekot) nieuwsgierig en boos

Kirill Medvedevs Alles is slecht is opgemerkt door Filip De Bodt van vzw ’t Uilekot, een Oost-Vlaams cultuur-, jeugd- en actiecentrum dat zich bezighoudt met milieu, internationale solidariteit, jeugdwerking en cultuur:

“Bij Leesmagazijn verscheen het boek ‘Alles is slecht’ van de Russische anti-schrijver Kirill Medvedev. Bij het begin van het boek lees je dat het boek uitgegeven is zonder toestemming van de auteur. Medvedev was het bekrompen, egoïstische schijnwereldje van de Russische (kritische) literatuur beu en stopte met boeken uitgeven in 2003. Een jaar later zegt hij ook zijn copyright op.

De man heeft nog een blog en een facebookpagina waarop hij vooral zijn verfrissende onvrede uitschreeuwt tegen de dictatuur van Poetin en zijn vazallen. Voor Medvedev is de postcommunistische maatschappij in de Sovjetunie verrot. Het verzet van veel intellectuelen ertegen is slechts schijn of elitair: “Deze groep maakt deel uit van de nieuwe middenklasse…

De middenklasse die zich nu dan eindelijk in Rusland heeft ontwikkeld, blijkt niet borg te staan voor de algemene welvaart. De basis van deze middenklasse is een neurotische burgermassa, besmet met sociale en etnische xenofobie, die zich agressief vastklampt aan haar eigen welvaart, bereid om alles op te offeren om die te behouden, zelfs haar eigen vrijheid. “ Hij heeft het gehad met de bedekte kritiek tijdens literaire avonden en bijeenkomsten van intellectuelen.

Medvedev schrijft verder op zijn blog en wordt activist. Hij richt een eenmanspartij op, de Socialistische Beweging Vperjod en een eigen Vrije Marxistische Uitgeverij waarbij hij westerse marxistische auteurs als Paolo Pasolini, Herbert Marcuse, Ernest Mandel, Daniel Bensaïd of Alain Badiou vertaalt. Daarnaast treedt hij regelmatig op met zijn eigen band Arkady Kots, vernoemd naar de Russische dichter die de Internationale in het Russisch vertaalde.

Medvedev gaat in zijn eentje protesteren aan de Russische televisietoren en krijgt daar last met de politie. Als de bekende Rus Kaljagin Bertold Brecht opvoert staat hij opnieuw voor de deur. Een bourgeois als Kaljagin moet Brecht niet gaan naasten, zegt hij: “Denk je soms dat Brecht je tante is?

Onze Medvedev is van de generatie van de bekende feministische groep Pussy Riot en hanteert dezelfde provocante strategie. Hij schudt de goegemeente eens goed door mekaar. In dit bundel publiceert hij gedichten, essays en verslagen van de acties die hij organiseert.

Zijn gedichten dragen de vrije versvorm en zijn vrij rauw, geschreven en op papier gezet zonder al teveel eindredactie. Ze worden regelmatig vergeleken met die van Charles Bukowski. De kern van zijn werk zit in zijn essays waarbij hij de Russische maatschappij haarfijn fileert en de hypocrisie ervan bloot legt. Wie wat wil leren kennen van de zeldzame dissidente scene in Rusland moet dit boekje lezen.

Bovendien geeft Medvedev blijk van een bijzonder ruime cultuur en politieke kennis op wereldvlak. Zijn boek maakt nieuwsgierig, boos en geeft hoop. Of zoals Johan De Boose het zei in de poëziekrant: ‘Medvedev for president!”


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’, ‘Het beste boek van 2014′ Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een zegen voor de literatuur, niet alleen voor de Russische’ – Johan de Boose, Poëziekrant

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

‘Alles is slecht maakt nieuwsgierig, boos en geeft hoop’ – Filip De Bodt, t’Uilekot

Biecht van een vertaler. Waarom ik meegewerkt heb aan O Mundo

Vzw Stichting Lezen vroeg me, in verband met hun gooi naar the International Literary Translation Initiative Award, om een testimonial te schrijven waarom ik voor hun didactisch boekenproject O Mundo het Russische Beroepen-ABC van Joseph Brodsky heb willen vertalen. Hier is het (beetje pathetisch, maar gemeend):

azboekaWhen I was approached to translate the so-called ABC of Professions (Rabochaya Azbuka) by Joseph Brodsky for the Flemish non profit organization “Stichting Lezen” from Russian into Dutch, I did not hesitate to accept the assignment – although the job was badly paid. My motivation was twofold.

On the one hand, the book by Brodsky, consisting of as many poems as the Russian alphabet contains letters, promised to be a challenge. Each poem is about a profession which, in Russian at least, begins with the letter of the Russian alphabet the poem is dedicated to. How can you translate this into Dutch, so that it can be read to children, who may know or not know the Russian language, without undermining the concept of an ABC book? I opted to provide each poem with two translations: one literal, faithful to the denotative meaning of the source text, and the second free, faithful to the poetic function of the source text. I tried to write verses which are equally simple and funny, preserving the seemingly trivial elements and sometimes old-fashioned vocabulary. More importantly, I choose not to translate the Russian word for the profession in question, but rather to give it to the reader, or listener for that matter, in transcription. After all, it is a Russian ABC book. As a result, the translation can be used interactively. It invites children to participate in a guessing game: what profession is meant by the Russian word in question?

This brings me to the other hand, my second motivation for translating this book. As a translator, you are often called a bridge builder, somebody who brings two cultures together. The assumption underlying this cliché is that the borders between cultures are clear. In practice, this is not the case. It is often difficult to say where one culture ends, and where the other begins. The Flemish community is populated by a large variety of people with quite different linguistic, religious, geographical and ethnic backgrounds. This variety is also present in our schools. The project “O Mundo” tries not to dissimulate this variety, which is often perceived as an educational drawback. It rather uses this variety to enrich each other, in a playful manner. Being given the chance to contribute to such an original project targeted towards inclusion – especially in times when the political world divides our community into different social, ethnic, religious and linguistic categories – is nothing less than a privilege.

Getagged , , , ,

Alles is slecht in eindejaarslijstjes van De Standaard en literair weblog Tzum

2014 ligt in allerlei vormen op zijn sterfbed, ook als boekenjaar. Op de eindejaarslijstjes die het Vlaamse dagblad De Standaard en de Nederlandse literaire weblog Tzum naar aanleiding van dat nakende sterfgeval hebben opgesteld, staat ook Alles is slecht van Kirill Medvedev.

tzumVoor Obe Alkema, recensent van Tzum, was Alles is slecht het beste boek van 2014, en wel hierom:

“Het beste boek van 2014 is voor mij Alles is slecht van Kirill Medvedev. De combinatie van (kritisch) proza, poëzie en activisme zorgt voor een interessant kijkje in het Rusland van nu. Niet alleen de culturele situatie van Rusland wordt zodoende van context voorzien, ook Medvedevs eigen poëtica krijgt diepte. Die definiërende teksten geven de noodzaak van deze dichter weer en ik hoop dat dichters in Nederland ook zulke bundels met verscheidene teksten zullen gaan publiceren om eens los te komen van de vrijblijvendheid die nu zo woekert. Tenslotte is Alles is slecht een fantastische appetizer voor verdere verdieping in de contemporaine Russische literatuur. (Lees de recensie hier)”

de boose over alles is slechtToen De Standaard  (19/12/2014) aan Johan De Boose vroeg ‘Welk boek van 2014 verdient een tweede kans in 2015?’, was dit het antwoord:

“In Alles is slecht. Gedichten, essays, acties waarschuwt Kirill Medvedev (Leesmagazijn) dat de Russische maatschappij een karikaturale uitvergroting is van een totalitaire wijze van denken die ook in het Westen leeft. In Rusland is alles grootser, ernstiger en gevaarlijker: ‘We hebben een nieuw wereldbeeld nodig. Een wereldbeeld waarin het rationele en het emotionele dichter bij elkaar staan. Waarin verschillende sferen – politiek, economie, wetenschap, religie, cultuur, ethiek, natuur, techniek, het gemeenschapsleven en het privéleven – op een evenwichtige manier een worden gemaakt, zonder dat een van die sferen buitenproportioneel groot wordt opgeblazen – want dat kan tot totalitarisme leiden.'”

 


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’, ‘Het beste boek van 2014’ Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een zegen voor de literatuur, niet alleen voor de Russische’ – Johan de Boose, Poëziekrant

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , ,

De Boose in Poëziekrant over Alles is slecht: ‘Een zegen voor de literatuur’

de booseIn zijn bespreking voor Poëziekrant (2014, Nr. 6, pp. 66-67), verschenen onder de titel ‘De nood aan een nieuw wereldbeeld’, noemt de Belgische slavist, schrijver en dichter Johan de Boose de bundel Alles is slecht ‘een zegen voor de literatuur, niet alleen voor de Russische’. De gedichten van Kirill Medvedev beschouwt De Boose niet echt als poëzie, maar in de auteur ziet hij wel ‘een van de grootste Russische dichters’, ‘een ziener’, en zelfs – we mogen al eens fantaseren –  ‘een puike president van de Russische Federatie’:  

De in 1975 geboren Medvedev is een bijzonder man, een buitengewoon scherp auteur en als je het mij vraagt zou hij ook een puike president van de Russische Federatie zijn. Zijn boek met de provocerende titel Alles is slecht is verplichte lectuur voor iedereen die het hedendaagse Rusland wil begrijpen. Hij analyseert haarscherp de huidige politieke en culturele situatie en neemt duidelijk stelling in tegen de gevestigde orde. […]

Medvedevs poëzie is niet hoogdravend, hermetisch of klassiek. Dat laatste is in Rusland uitzonderlijk, want veel dichters en literatuurcritici beschouwen het vrije vers als een westerse mode die wel zal overwaaien – dat heeft de befaamde dichter Aleksander Koesjner, een intimus van Joseph Brodsky, ooit tegen mij gezegd. Rusland is per slot van rekening een in wezen erg behoudzuchtige samenleving. Medvedev gaat daar helemaal tegenin. Zijn gedichten knipogen – vanzelfsprekend – naar de door hem zeer bewonderde Bukowski (waar hij voor de rest niets gemeen mee heeft) en naar Grace Paley (Amerikaanse schrijfster en politieke activiste) en Frank O’Hara (Amerikaanse avant-gardeauteur en criticus). Zijn onderwerpen zijn banaal, bijvoorbeeld verdwalen in Berlijn, meisjes die bij hem in de klas hebben gezeten, paté in een winkeltje of dildo’s, maar soms ook essayistisch, zoals wanneer hij dicht over het vertalen van Bukowski of over de poëzie van andere dichters. Zijn gedichten – je kunt discussiëren over de vraag of het ‘gedichten’ zijn, wat mij betreft zijn ze het niet – zijn in de eerste plaats aantekeningen, gedachten, momentopnames, reflecties. […] Het mooie aan zijn poëzie is dat hij soms erg onverwachte, krachtige conclusies trekt uit een triviaal verhaal.

[…] het zijn vooral Medvedevs essays die hem tot een groot auteur maken. Er staan er vijf in Alles is slecht, en het belangrijkste is zonder twijfel ‘Mijn fascisme (enkele waarheden)’, een tekst die me bijzonder fascineert. Het doet me denken aan de antitotalitaire teksten van de Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Czesław Miłosz. Medvedev analyseert het esthetische klimaat in Rusland na de val van het communisme, vergelijkt de Russische en de westerse situatie, zet zijn ideeën in een verbluffende internationale en literairhistorische context (met verwijzingen naar Ezra Pound, Céline, Brodsky, …), fileert de ideologische versplintering en bekritiseert het genadeloze Russische consumentisme en het ongebreidelde maffiakapitalisme, dat ook de boekenmarkt heeft aangetast, en komt tot wonderbaarlijke conclusies. […]

Ik denk dat we Medvedev ernstig moeten nemen. Hij is misschien niet zo’n groot dichter, maar tegelijk is hij een van de grootste Russische dichters, een ziener, die ziet wat velen nog niet zien.

De volledige recensie kan je lezen in Poeziekrant.


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een zegen voor de literatuur, niet alleen voor de Russische’ – Johan de Boose, Poëziekrant

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , ,

Gogol: Dode zielen (nieuwe vertaling)

dodezielenIn de reeks ‘De Russische Bibliotheek’ komt Van Oorschot op de proppen met een gloednieuwe vertaling van Dode zielen door Aai Prins, die eerder Gogols Avonden op een hoeve nabij Dikanka, Mirgorod en Peterburgse verhalen in een mooie nieuwe mantel stak (zie De Leeswolf 2012, Nr. 6, 375-376). Daar zat niet echt iemand op te wachten, want de versheidsdatum van de Dode zielen die Artur Langeveld twee decennia geleden bij een andere uitgeverij publiceerde is nog lang niet overschreden. Wel is deze verzorgde uitgave een geweldig excuus om Gogols schelmenroman in twee delen (dat wil zeggen: één deel en overgebleven fragmenten van het tweede deel, dat hij tot tweemaal toe verbrandde) te herlezen.

De tragiek die dit boek bevat wordt ondergesneeuwd door Gogols billengeklets, waaraan enorm veel plezier te beleven valt. Alleen al de intrige is hilarisch. Ten tijde van de Russische lijfeigenschap reist ene Tsjitsjikov de Russische provincie af op zoek naar landheren met boeren wier dood nog niet geregistreerd is. Voor een prikje koopt hij grote getalen van deze ‘zielen’ op, zodat hij op papier een belangrijk landheer wordt. Nog vermakelijker is de heerlijke onzin die de intrige niets vooruit helpt: mededelingen van het type ‘In het winkeltje op de hoek, of beter gezegd in het raam ervan, was een honingdrankverkoper gevestigd met een roodkoperen samowar en een gezicht dat even rood zag als zijn samowar, zodat je uit de verte zou kunnen denken dat er in het raam twee samowars stonden, ware het niet dat een ervan een pikzwarte baard had’.

Bijzonder waardevol aan deze uitgave is, naast de onzin, dat ook een aantal belangwekkende parateksten van Gogol vertaald werd: zijn voorwoord bij de tweede druk van het eerste deel, zijn overpeinzingen over de helden, en enkele brieven aan tijdgenoten. Daarin legt de vader van het Russische realisme uit welke stichtende bedoelingen hij had met zijn Dode zielen. In het eerste deel wilde hij ‘de tekortkomingen en gebreken van de Rus’ laten zien. Uit zijn briefwisseling blijkt dat zijn eigen persoonlijkheid daarvoor de grootste inspiratiebron was: hij heeft geprobeerd zich te veredelen door negatieve karaktereigenschappen aan zijn personages af te staan. In zijn notities bij het eerste deel heeft hij het er ook over ‘hoe de leegte en onmachtige ijdelheid van het leven worden opgevolgd door een schimmige, nietszeggende dood’. ‘Niemand die het wat doet’, zo voegt hij eraan toe. Het tweede deel was wat positiever bedoeld. Omdat er zo weinig van bewaard is, blijft het een raadsel of de verbranding ervan gebeurde in een moment van verstandsverbijstering dan wel van helderheid. Meestal wordt het eerste aangenomen, maar zijn motivering maakt een verrassend zinnige en actuele indruk: ‘Een paar fraaie karakters ten tonele voeren die de edele verhevenheid van ons ras tentoonspreiden – dat leidt nergens toe. Zoiets wekt alleen maar holle trots en snoeverij. […] Die opschepperij ruïneert alles. Zij irriteert anderen en brengt de opschepper zelf schade toe’.

In Rusland wordt Dode zielen gelezen zoals het bedoeld was: als een angstaanjagend portret van Rusland. Dat land wordt, overigens net als de lezer, ook expliciet aangesproken. Beroemd is de retorische vraag die de verteller op het einde van het eerste deel proclameert: ‘Mijn Rusland, waar snel je heen?’ (als we dat eens wisten). In werkelijkheid verschillen Russen niet zo gek veel van ons, en komen de gehekelde toestanden (‘banaliteit, domheid, oppervlakkigheid, kleine corruptie, […] en grijs weer’, aldus Langeveld) ook bij ons in meer dan voldoende mate voor. Zelfs de intrige is herkenbaar. Zo verried een collega-academicus die verbonden is aan departement N., dat vanwege de lage studentenaantallen bedreigd wordt met de afschaffing, me onlangs een publiek beroepsgeheim. Het hoofd van departement N. houdt de dreigende afschaffing van het departement, en dus ook van zijn functie, af door tijdens zijn zomervakantie de provincie van een groot Aziatisch land af te reizen. Als een eenentwintigste-eeuwse Tsjitsjikov ronselt hij daar bij de plaatselijke academische autoriteiten grote getalen studenten – hoewel dit vanuit didactisch oogpunt, onder meer vanwege hun gebrek aan kennis van het Nederlands, volmaakte onzin is. Of wat dacht u van onze miljoenenaankoop van schone lucht om de Kyoto-norm te halen? Misschien heeft Gogol zich vergist, en gaat Dode zielen niet over Rusland, maar over ons allemaal?

[Recensie geschreven voor De Leeswolf, dat intussen is opgedoekt.]

Getagged , , , ,

Kirill Medvedev ontvangt Andrej Belyj-prijs voor zijn Ten oorlog tegen het stadhuis

pochodOp maandag 27 oktober 2014 is bekendgemaakt dat de Moskouse dichter en activist Kirill Medvedev voor zijn eerder dit jaar bij de Vrije Marxistische Uitgeverij en Translit verschenen dichtbundel Pochod na merijoe (‘Ten oorlog tegen het stadhuis’) de prestigieuze Andrej Belyj-prijs toegekend wordt in de categorie poëzie. Dat is Ruslands oudste van de overheid onafhankelijke literatuurprijs (het eerste prijzengeld was een appel, een roebel en een fles vodka). 

Kirill Medvedev begon aan de in Pochod na merijoe opgenomen gedichten te schrijven in de nasleep van de Arabische Lente, die ook de hoop van de Russische activisten deed opflakkeren.  In het najaar van 2015 verschijnt (hopelijk) een Nederlandse vertaling van deze bundel bij uitgeverij Leesmagazijn. Een selectie gedichten van Pochod na merijoe is eerder in Nederlandse vertaling verschenen als onderdeel van het boek Alles is slecht (Leesmagazijn, 2014). Dat geldt ook voor het onderstaande gedicht, getiteld ‘Ten oorlog tegen het stadhuis’:

we hadden een vergunning gekregen
voor een antifascistische betoging,
maar niet voor een mars.
mensenrechtenactivist ponomarjov* en ik trokken naar
het stadhuis om te achterhalen waarom.
ponomarjov was razend. ik hield hem een beetje in toom.
ik zal ze leren de fascisten te laten marcheren, zei hij.
ik had niet het gevoel dat dit goed zou aflopen.
olejnik, vicehoofd van de afdeling grote betogingen,
was een pafferig hummeltje met blozende wangen.
begrijpt u, uw verzoekschrift is al behandeld,
zei hij glimlachend.
bent u in staat om een gesprek in het Russisch te voeren?
vroeg pono somber.
ik praat toch russisch met u, zei olejnik.
nee, als dit de manier is waarop u een gesprek aangaat, dan
bent u daar niet toe in staat.
met dit relletje begon het,
maar alles werd min of meer gladgestreken.
de huichelachtige glimlachjes en de diplomatie
kwamen aan zet.
kom nou, laten we elkaar begrijpen, meneer ponomarjov.
laten we dat doen, meneer olejnik.
iedereen denkt dat de mars doorgaat, zei ik somber.
het is te laat om het af te blazen. olejnik begon ons
te bestoken met decreten.
pono diende hem van repliek,
en ik verzonk een beetje in gedachten, omdat ik wist dat
wanneer twee experts

elkaar beginnen te bestoken met wetten en decreten, dat
alles dan uitdraait
op extreme oplichterij, zoals in onze rechtszalen
(en ik heb een hekel aan die oplichterij).
door het raam zag ik de moskva-rivier.
ik herinnerde me hoe op 2 oktober 1993 tijdens de nacht
voor de bestorming van het stadhuis
door de oppositie**
de smerissen ons een paar huizenblokken verder
arresteerden
zogenaamd vanwege een gebroken ruit
in het stadhuisgebouw.
op het politiebureau had ik met overtuiging verkondigd
dat wij die ruit niet hadden gebroken
en de smerissen hadden ons laten gaan.
later bleek dat ik die ruit toch gebroken had,
maar dat ik dat toen gewoon was vergeten.
o heilige dronkenschap!
wat is het makkelijk en fijn om de waarheid te spreken!
hebben jullie ooit jakhalzen horen lachen?
daar in het stadhuis dacht ik terug aan jakhalzengelach in
een abchazisch dorp.
dat is zelfs geen gelach.
het is alsof er een heel huwelijksfeest over straat rolt.
het rolt en krijst en zingt, zingt, zingt uitbundig!
in dat dorp zijn ze als de dood voor de wasberen
uit het noorden,

ze zouden wel eens de russische grens over kunnen steken.

van dit alles werd ik afgeleid door kabaal op het kantoor…
kabaal, gerinkel, mensen liepen aan,
stoelen werden omgegooid…
plotseling besefte ik dat ik in een bloedige nachtmerrie
terecht was gekomen…
ponomarjov ramde olejnik in elkaar!

ik begon om hem heen te lopen, te schreeuwen:
stop daarmee, lev, stop daarmee,
doe dat toch niet, alsjeblieft, stop daarmee!
dwars door mijn geweeklaag
klonk de stem van olejnik.
hij knorde.
daarna stopte het geknor, omdat ik in gedachten verzonk
het geluid
leek te worden uitgezet, het enige wat overbleef waren
lichtjes vertraagde
beelden.
wat ponomarjov zei heb ik dus evenmin gehoord.
maar wat zegt een man die zijn rechten verdedigt zoal
in trotse razernij?
maar hij sprak.
‘ik ken jullie, geschifte socialisten.
jullie zijn niet in staat jezelf of anderen te verdedigen.
semi-sektarisch en infantiel zijn jullie,
jullie staan niet stil bij jullie rechten.
marginale zeurpieten.
oude bibliotheekwijven.
willen jullie subcultuur of politiek?
het wordt tijd om te kiezen
wat wordt het?’
kadatsjki, de chef van olejnik,
kwam zijn hulpje niet te hulp: hij was in vergadering.
hij had olejnik opgedragen ons te ontvangen.
en hij kwam hem niet te hulp, hij bleef vergaderen.
het stuk stront.
het gevoel rechten te bezitten geeft je lichamelijke kracht,
bedacht ik, terwijl ik toekeek hoe pono

de vloer aanveegde met olejnik.
En wij linkse rakkers,
kennen onze rechten misschien niet echt
behalve misschien ons efemere recht op utopie,
de jarenlange gesprekken over revolutionair geweld hebben
ons bloed verkild
en ons veranderd
in verschraalde mossels die niet eens voor hun eigen rechten
kunnen opkomen,
laat staan voor die van een ander
dacht ik verder, lang nadat ik die hel achter mij had gelaten,
tot laat op de avond;
en die gedachte zou mij heel ver hebben gevoerd,
als ik geen email had ontvangen van ponomarjov
dat voor de mars toch geen vergunning was gegeven;
morgen opnieuw ten oorlog tegen het stadhuis.

* In de Sovjettijd doceerde Lev Ponomarjov (°1941) fysica. In de late jaren tachtig was hij een van de oprichters van de mensenrechtenorganisatie Memorial. Hij werd gesteund door Andrej Sacharov. In 1990 werd hij verkozen tot lid van de Russische doema. De afgelopen tien jaar heeft Ponomarjov hevige oppositie gevoerd tegen Poetin. Zo had hij scherpe kritiek op het proces tegen Chodorkovski, die hij als een politieke gevangene beschouwde. In maart 2009 werd Ponomarjov in de buurt van zijn huis in elkaar geslagen, maar zijn activisme is sindsdien niet verminderd. (Nvdv)

** Op 23 september 1993 ontbond Boris Jeltsin het parlement, dat hem vijandig gezind was. Het parlement beschouwde de ontbinding als ongrondwettelijk en begon een afzettingsprocedure tegen hem. Gewapende medestanders bezetten het parlement en het nabijgelegen stadhuis. Op 2 en 3 oktober braken er bloedige straatgevechten uit. Jeltsin won de slag door de inzet van tanks. Afhankelijk van de bronnen vielen er enkele honderden tot duizenden doden. (Nvdv)


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken


Getagged , , , , , , ,

‘Zeer de moeite waard’ Weststeijn over Alles is slecht in Tijdschrift voor Slavische Literatuur

In het laatste nummer van Tijdschrift voor Slavische Literatuur (Nr. 68, pp. 78-79) bespreekt Willem G. Weststeijn, emeritus hoogleraar Russische letterkunde van de UvA, de bundel Alles is slecht van Kirill Medvedev, die hij herkent als een hedendaagse dissident:

WillemWeststeijn

Met zijn stellingname tegen de heersende orde lijkt Medvedev wel wat op de dissidente schrijvers in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Die streden weliswaar voor iets heel anders: grotere vrijheid, geen censuur, kunnen schrijven wat je wilt, maar ook Medvedev kun je zien als een dissident. Hij is niet tevreden met de situatie waarin de Russische literatuur verkeert en wil daar verandering in brengen. Hij loopt daarbij natuurlijk aanzienlijk minder gevaar dan de dissidenten in de Sovjettijd, die hun verzet tegen de staat vaak met langdurige kampstraf, verbanning of gedwongen emigratie moeten bekopen (denk aan Sinjavski, Brodsky en Solzjenitsyn), maar dat maakt zijn verzet er niet minder interessant om. In zijn gedichten en vooral in zijn essays, weet hij uitstekend onder woorden te brengen wat hij beoogt en wat hem drijft. Juist de manier waarop hij dat doet maakt hem een van de interessantere vertegenwoordigers van Russische literatuur anno 2014.

[…]

Alles is slecht biedt een goede indruk van wat Medvedev de afgelopen tien jaar heeft geschreven.

TSL 68 OMSLAGInteressanter nog dan de gedichten, vindt Weststeijn Medvedevs bloedeerlijke essays, waarin de dichter zijn positie uitlegt:

Hij legt zich niet neer bij de opvatting van veel van zijn mededichters en -schrijvers, dat echte kunst niets te maken zou hebben met ideologie en politiek, maar schaart zich juist achter de ideologisch bevlogenen en dan vooral hen die, zoals bijvoorbeeld Bertolt Brecht, een rechtvaardige, marxistisch-socialistische samenleving nastreven. In zijn teksten is die bevlogenheid duidelijk aanwezig, maar ontbreekt de ideologisch vooringenomenheid en scherpslijperij die zoveel ‘linkse’ literatuur kenmerkt. Zijn analyse van de situatie in de Russische literatuur en cultuur van nu en van zijn eigen positie daarin is haarscherp en verklaart ook veel van de reactie van de Russische intelligentsia op de politiek van Poetin en de recentegebeurtenissen in Oekraïne. Die reactie is er nauwelijks. De ene helft vindt het prachtig wat Poetin doet: Rusland is immers een imperium, en Poetins politiek betekent een terugkeer naar dat door de ineenstorting van de Sovjet-Unie verlore gegane imperium. De andere helft heeft zich gecorrumpeerd met het kapitalistische systeem of richt zich uitsluitend op een privéleven waarin geen plaats is voor politiek. Protest is er nauwelijks, alsof de hele intelligentsia is verlamd.

Het eindoordeel van Weststeijn over Alles is slecht:

Alles is slecht, goed vertaald en van goede noten voorzien, is zeer de moeite waard. Het is geen politiek of historisch verslag, maar literatuur, literatuur die zich richt op de werkelijkheid van nu en een uitstekend beeld geeft van de huidige Russische samenleving en van de moeilijke positie van de eenling die die samenleving wil veranderen en op het juiste spoor wil brengen.

Lees de volledige recensie in het Tijdschrift voor Slavische Literatuur (een abonnement kan je bestellen via de website van TSL, afzonderlijke exemplaren worden te koop aangeboden in boekhandel Pegasus te Amsterdam) of op door onderstaande afbeeldingen te klikken.

20141019_09551520141019_095552


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , , , , ,

Joseph Brodsky. Een Russisch beroepen-abc

azboeka

Op vraag van de Stichting Lezen vertaalde ik voor het schoolproject O mundo, een kleine wereldbibliotheek, dat de mooiste prentenboeken uit de hele wereld wil binnen brengen in multiculturele klassen, het ietwat stoffige, maar bij momenten hilarische Beroepen-ABC van Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky uit het Russisch. De vertaling (zowel letterlijk als vrij) dient samen met het door Igor Olejnikov geïllustreerde prentenboek om mee aan de slag te gaan in het lager onderwijs. Ben je zelf lagere schoolleerkracht? Op de webpagina van O mundo over dit boek kan je een heleboel originele en concrete lestips vinden.

Voorwoord van de vertaler

Het Russisch is een taal die gesproken wordt door de inwoners van Rusland, waar heel veel volkeren wonen, en door de Russen, die soms in Rusland wonen en soms erbuiten. De Russische taal wordt niet alleen gesproken, maar ook geschreven.

De letters waarin het Russisch geschreven wordt, zijn heel erg mooi. Ze zien er soms een beetje anders uit dan de letters waarin het Nederlands geschreven wordt (of het Engels, of het Frans, …). De Russen hebben ook iets meer letters dan de Vlamingen of de Nederlanders: ze hebben er meer dan dertig, tegenover zesentwintig.

Als je ze uitspreekt, klinken veel Russische letters ook anders. Zo is er een letter die je uitspreekt als ‘sj’, zoals in ‘sjaal’. Een andere Russische letter spreek je uit als ‘ja’, wat ook een woord is in het Russisch: ‘ja’ betekent ‘ik’. De klank of klanken van iedere letter van het Russische alfabet kan je ook weergeven met een of meerdere letters van ons alfabet.

In dit boekje kan je kennismaken met de letters van dat Russische alfabet. Je krijgt telkens een nieuwe tekening met een nieuwe Russische letter en een nieuw Russisch woord, dat met diezelfde letter begint en een beroep betekent. Kunnen jullie de betekenis raden aan de hand van de tekening uit het bijhorende prentenboek en het vertaalde gedichtje? Laat jullie helpen door jullie klasgenootjes die Russisch kennen om het Russische beroep juist uit te spreken.

Met dit boek leren jullie dus heel wat Russische beroepen. Zo kunnen jullie een beetje meepraten wanneer Russen of Russischtaligen het over werk hebben (ook al spreken ze minstens even graag over andere dingen).

Voor wie Russisch kent: op iedere tekening kan je voorwerpen vinden die in het Russisch met dezelfde letter beginnen als het beroep waarover gesproken wordt. Een aantal van deze woorden is opgenomen in de lijst achteraan in het prentenboek. Misschien kan je enkele van deze woorden aanleren aan je klasgenoten?

A

(spreek uit: a)

Тётя занята овсом,

и пшеницею, и льном.

Тётя помнит обо всём.

Эта тётя – АГРОНОМ.

[Tante houdt zich bezig met haver,

en met tarwe, en met vlas.

Tante denkt aan alles.

Tante is AGRONOM (agronoom).]

Onze tante draagt geen das,

Onze tante is niet dom,

ze weet alles van haver en vlas,

ze werkt als AGRONOM.

(Agronóm is Russisch voor ‘landbouwdeskundige’. Dat is iemand die heel veel weet over landbouw.)

Б

(spreek uit: b)

Гонит месяц облака,

тучек пелерину,

чтоб увидеть двойника:

тётю БАЛЕРИНУ.

[De maan verdrijft de wolken,

een schoudermantel van wolkjes,

om haar dubbelganger te zien:

tante BALLERINA.]

De maan beveelt als een tsarina

de wolkjes elders te kamperen

om haar evenbeeld te adoreren:

een slanke BALERINA.

(Een balerína is natuurlijk gewoon een ballerina.)

В

(spreek uit: v)

Если утром у нас

голова горяча

или дёргает глаз –

вызываем ВРАЧА.

[Hebben wij ’s morgens

een gloeiend heet hoofd

of een oog dat trekt,

dan roepen we de VRATSJ.]

Zeggen we ‘auw!’,

‘hatsjie!’ en ‘hatsjoe!’,

dan moeten we gauw

naar de VRATSJ toe.

(Vratsj is Russisch voor ‘dokter’.)

Г

(spreekt uit als een harde g, als in garçon)

Ходит дядя за рудою

путь у дяди долог-долог.

Этот дядя с бородою

называется ГЕОЛОГ.

[Oоm zoekt naar ertsen

De weg van oom is zeer lang.

Die oom met zijn baard

wordt GEOLOG genoemd.]

Ertsen zijn wat waard,

ons oompje zoekt ze vrolijk.

Dat oompje met zijn baard

werkt als GEOLOG.

(Geolog spreek je uit als ‘geólek’. Dat is Russisch voor ‘geoloog’: iemand die de bovenste laag van de aarde onderzoekt.)

Д

(spreek uit: d)

Подворотни и углы

усмехаясь веско,

ДВОРНИК с помощью метлы

доведёт до блеска.

[Gewichtig grijnzend

doet de DVORNIK

met zijn bezem

gangen en hoeken schitteren.]

Straten kunnen stinken.

Dan krijgen ze tik na tik

van de bezem van de DVORNIK,

zodat ze weer gaan blinken.

(Dvórnik is Russisch voor ‘straatveger’)

Е

(spreek uit: jee, als in jeetje)

Жадность букв ужасна, дети!

Я проехал страны все,

но на свете, ах на свете

нет профессии на E.

[Letters zijn inhalig, kinderen!

Alle landen ben ik doorgereisd,

maar op aard, ach, op aard,

begint niet één beroep met ‘JEE’.]

Kindertjes, roep ach en wee!

Ik doorkruiste land en zee,

maar deze letter werkt niet mee:

niet één beroep begint met ‘JEE’.

Ж

(spreek uit: zj, als in journaal)

Друг заполненных вагонов,

враг пустопарожних,

проживает на перронах

ЖЕЛЕЗНОДОРОЖНИК.

[De vriend van propvolle wagons,

de vijand van leeglopers,

hij slijt zijn leven op perrons:

de ZJELEZNODOROZJNIK.]

Leeglopers zien hem als een flik.

Hij is de vriend van volle wagons

en slijt zijn leven op perrons:

de ZJELEZNODOROZJNIK.

(Zjeleznodorózjnik is Russisch voor ‘spoorman’ of ‘spoorwegarbeider’.)

З

(spreek uit: z)

Кто проводит в клетке век

ночью и при свете,

но не зверь, а человек, –

тот ЗООЛОГ, дети.

[Wie is een eeuw lang in een kooi

’s nachts en overdag,

is geen dier, maar mens?

Dat is een ZOÖLOG, kinderen.]

Wie leeft er in een kooi,

loopt alsmaar over hooi,

en is toch geen wild dier?

Over de ZOÖLOG gaat het hier!

(Zoölog spreek je ongeveer uit als zaölek. Het is Russisch voor ‘zoöloog’ of ‘dierkundige’. Dat is iemand die heel veel weet over dieren.)

И

(spreek uit: i)

В пять минут сломать часы

может мой приятель.

Он хитрее лисы

он ИЗОБРЕТАТЕЛЬ.

[Op 5 minuten maakt dit vriendje

een uurwerk stuk.

Hij is sluwer dan een vos.

Hij is IZOBRETATELJ.]

Mijn vriend is o zo leep:

hij helpt uurwerkgeratel

in twee tellen om zeep.

Hij is IZOBRETATELJ.

(Izobretátelj is een moeilijk Russisch woord, dat ‘uitvinder’ betekent.)

К

(spreek uit: k)

И комбайн, и коня,

и блоху под конец

подкуёт, без огня,

не живущий, КУЗНЕЦ.

[Hij beslaat, zonder vuur,

zowel maaidorser als paard

en uiteindelijk ook een vlo,

de vermoeide KOEZNETS.]

Hij beslaat onze merrie,

repareert fondusets,

Zijn hamer maakt herrie.

Bekaf is de KOEZNETS.

(Koeznets is Russisch voor ‘smid’)

Л

(spreek uit: l)

Натянув плотней перчатку,

вас без проволочек

из России на Камчатку

доставляет ЛËТЧИК.

[Met strakke handschoen,

brengt de LJOTTSJIK je

zonder tijd te verliezen

van Rusland naar Kamtsjatka.]

In het Oosten van Rusland

raak je in één ogenblik

dankzij de vaste hand

van de stoere LJOTTSJIK!

(Ljottsjik is Russisch voor ‘piloot’.)

М

(spreek uit: m)

Волны ходят по тельняшке,

дым от папиросы,

якоря блестят на пряжке.

Кто идёт? МАТРОСЫ.

[Hun blouses golven,

hun sigaretten walmen,

ankers schitteren op hun riem.

Wie loopt daar? MATROSY.]

Hun blouses zijn niet roze,

ankertjes vinden ze leuk,

in hun mond hangt een peuk.

Wie zijn het? MATROSY.

(Matros betekent natuurlijk ‘matroos’. Matrosy is meervoud.)

Н

(spreek uit: n)

Мама входит в детский сад.

Щёчки разрумяня,

ей навстречу сто ребят.

Эта мама – НЯНЯ.

[Mama komt de kribbe binnen.

Honderd blozende kinderen

lopen naar haar toe.

Die mama is hun NJANJA.]

Als ze de kribbe binnenkomt

bestormen, blozend, terstond

dozijnen peuters dit mamaatje:

daar is hun NJANJAATJE!

(Njánja is Russisch voor ‘kinderoppas’ of ‘kindermeisje’.)

O

(spreek uit: o)

Где живут стада оленьи,

там и он живёт,

незнакомый с ленью

наш ОЛЕНОВОД.

[Waar hertenroedels leven,

daar leeft ook hij.

Luiheid kent hij niet,

onze OLENOVOD.]

Hij gaat nooit naar concerten,

het is nu eenmaal zijn lot

te leven bij de herten:

hij is OLENOVOD.

(Olenovód betekent ‘hertenfokker’. Dat is iemand die herten kweekt.)

П

(spreek uit: p)

Чтобы чай с молоком

пить в домах добротных,

кто стучит молотком,

словно дятел? ПЛОТНИК.

[Wie klopt als een specht,

om in stevige huizen

thee met melk te drinken,

met zijn hamer? De PLOTNIK.]

Wie bouwt met zijn hamer

stevige kamer na kamer

als een specht, tik-tik-tik?

Dat is onze PLOTNIK.

(Plótnik is Russisch voor ‘timmerman’)

Р

(spreek uit: r)

Тянут воблу и угрей,

вопреки стихии,

из бушуюших морей

РЫБАКИ лихие.

[Tegen de natuurkracht in

worden uit kolkende zeeën

karpers en palingen gehaald

door de dappere RYBAKI.]

Karpers, alen en garnalen

uit woeste zeeën halen

is ook bij storm zijn vak.

Dapper is de RYBAK.

(Rybák is Russisch voor ‘visser’.)

С

(spreek uit: s)

Чтоб луной заблистал

на столе самовар,

выплавляет металл

из печей СТАЛЕВАР.

[De STALEVAR smelt

in een oven metaal uit,

zodat op tafel een samowar

als een maan kan schitteren.]

Een schitterende samowar

is wat hij je kan beloven.

Hij smelt metaal in een oven

want hij is STALEVAR.

(Stalevár is Russisch voor ‘staalgieter’ of ‘staalarbeider’. Een samowar is een Russische theemachine.)

T

(spreek uit: t)

Сонных глаз поутру

под подушку не прячь.

Возвещает зарю

вставший с солнцем ТРУБАЧ.

[Verstop je slaperige ogen

’s morgens niet onder je kussen.

Samen met de zon opgestaan

begroet de TROEBATSJ de dag.]

Voor wie houdt van zijn bedje

is de TROEBATSJ geen pretje.

Samen met de zon opgestaan,

roept hij het ochtendgloren aan.

(Troebátsj is Russisch voor ‘hoornblazer’ of ‘trompettist’.)

У

(spreek uit: oe, als in hoed)

Электричество, газ –

ежедневным трудом

все удобства для вас

создаёт УПРАВДОМ.

[Je hebt elektriciteit, gas,

en alle nutsvoorzieningen

dankzij de dagelijkse zorgen

van de OEPRAVDOM.]

Wie zorgt zonder gegrom

voor je elektriciteit en gas,

en doet zelfs bijna je was?

Dat is de OEPRAVDOM.

(Oepravdóm is Russisch voor ‘huismeester’ of ‘huisbeheerder’.)

Ф

(spreek uit: f)

К разрешению загадки

самой главной близок

начинает с физзарядки

утро каждый ФИЗИК.

[Broedend op een oplossing

voor een belangrijk vraagstuk

doet iedere FYSIK

dagelijks ochtendgymnastiek.]

Hij vindt met een beetje geluk

tijdens zijn ochtendgymnastiek

het antwoord op een vraagstuk.

Ik heb het over de FYSIK.

(Fysik is Russisch voor ‘fysicus’ of ‘natuurkundige’)

Х

(spreek uit: ch, als in chiro)

Кто,  приблизившись к кусту,

в землю ткнув треножник,

водит кистью по холсту?

Кто это? Художник.

[Wie gaat bij een struik staan,

steekt een driepikkel in de grond,

en haalt een borstel over een doek?

Wie dan? De CHOEDOZJNIK.]

Wie gaat met een arendsblik

met een ezel bij een struik staan,

laat zijn borstel heen en weer gaan?

Dat is de CHOEDOZJNIK.

(Choedózjnik is Russisch voor ‘kunstschilder’.)

Ц

(spreek uit: ts, als in tsaar)

Кто, смеясь и хохоча,

лезет в пасть к зверюге?

Мы глядим на ЦИРКАЧА

и дрожим в испуге.

[Wie kruipt er lachend

in de muil van een wild dier?

Wij aanschouwen de TSIRKATSJ

en rillen van angst].

De TSIRKATSJ bekijken wij

meer dan een beetje bedeesd,

want hij kruipt vrolijk en blij

in de muil van een wild beest.

(Tsirkatsj is Russisch voor ‘circusartiest’.)

Ч

[spreek uit: tsj]

Охраняет наш покой,

слыша ветра грозный вой,

над далёкою рекой

верный ЧАСОВОЙ.

[Luisterend naar het gehuil

van de wind boven de rivier

zorgt hij voor onze rust,

de trouwe TSJASOVOJ.]

Hij aanhoort het woeste geloei

van de wind boven de rivier

en nooit vertrekt hij een spier.

Op wacht staat de TSJASOVOJ.

(Tsjasovój is Russisch voor ‘schildwacht’.)

Ш

(spreek uit: sj, zoals in sjaal)

Кто, вступая с птицей в спор,

мчит во тьму во весь опор?

Кто глядит на светофор

с восхищением? ШОФËР.

[Wie rivaliseert met de vogels

en raast ’s nachts in volle vaart?

Wie bekijkt een verkeerslicht

met hartstocht? De SJOFJOR].

Door de nacht raast deze agressor

alsof hij met vogels wil rivaliseren,

maar evengoed kan de SJOFJOR

een knalrood stoplicht vereren.

(Sjofjór is Russisch voor ‘chauffeur’ of ‘bestuurder‘.)

Щ

(spreek uit: sjtsj, zoals in fresh cheese)

Нету должностей на Щ.

Весь вспотеешь, их ища.

[Je zoekt je in het zweet:

er is geen job met ‘SJTSJ’.]

Met ‘SJTSJ’ vind ik niks,

zelfs niet kwaadschiks.

Ы

(Deze klank bestaat niet in het Nederlands, maar lijkt een beetje op een ‘i’.)

К сожалению, увы,

нет профессий и на Ы.

[Hemellief, spijtig genoeg

is er geen beroep met ‘Y’.]

Met deze letter, vrienden,

is ook geen job te vinden.

Э

(spreek uit: e)

Свет погас, не видно пальцев.

Можно кошку съесть живьём,

наглотаться спиц от пяльцев…

Мы ЭЛЕКТРИКА зовём.

[Het licht is uitgegaan, stikdonder.

De kans bestaat dat je je kat opeet

of je naaigerei opvreet…

We roepen de ELEKTRIK.]

Zonder licht hebben we schrik

om per ongeluk naaigerei te eten,

of om de kat levend op te vreten…

Daarom bestaat de ELEKTRIK.

(Het Russische woord eléktrik betekent ‘elektricien’ of ‘elektrotechnicus’.)

Ю

(spreek uit: joe)

У меня сокровищ груды:

и брильянты, и сапфир.

Серебро от изумруда

отличает ЮВЕЛИР.

[Ik heb bergen schatten:

diamanten en saffieren.

Wat zilver is of smaragd

dat ziet de JOEVELIR.]

Wat een praal en pracht:

diamant, robijn en saffier.

Dit is zilver, dat is smaragd,

zo weet de JOEVELIR.

(Een Russische joevelír is, zoals je al kon raden, een juwelier.)

Я

(spreek uit: ja)

Эту азбуку, друзья,

сочинил вам нынче Я.

[Vrienden, dit ABC

schreef JA voor jullie.]

Dit ABC is klaar, hoera!

Wie schreef het? JA!

(De Russische letter ja betekent op zichzelf ‘ik’.)

Getagged , , , ,

J. Brian Baer (ed.): Contexts, Subtexts, and Pretexts. Literary translation in Eastern Europe and Russia

brian baerBaer, Brian J., ed. 2011. Contexts, Subtexts, and Pretexts. Literary translation in Eastern Europe and Russia. Benjamins Translation Library 89. Amsterdam: John Benjamins. xvi + 227 pp. ISBN 978- 978-90-272-2437-8. €95 (HB).

The eighteen contributions that make up this volume provide the reader with a wide but insightful range of approaches to the role of translation in Eastern Europe, a topic that regrettably has received little attention in the Anglophone scholarly literature. Most of the contributors are Slavists affiliated with American universities.

The volume’s editor, Brian James Baer, has grouped the papers in three parts. Whereas the intention of the first part, entitled “Contexts,” is to shed light on the cultural and political contexts that shaped the way literary works were translated and received in Eastern Europe, “Subtexts,” the second part, is presented as a collection of thoughts on the influence of Eastern European politics on translation theory and practice. The contributions of the third part are supposed to challenge the secondary status of translations by engaging with various meanings of the word “pretext.” The division in these three parts surely is stylistically appealing, but on further consideration it turns out to be a rather artificial one – most articles could be moved to a different section without anyone really noticing. An attempt to order the articles along chronological lines might have helped the reader better to see the wood for the trees.

While Eastern Europe is usually thought of as one single translation zone, it is rightly presented here as a plural one. In his “Introduction: Cultures of Translation” (1-15), Baer admits to having neglected Ruthenians, Albanians, Belarusians, Moldovans and Slovaks, and especially regrets not having been able to find suitable contributions on the role of translation in the cultural life of Eastern European Jews, Roma and Muslims, but he has the merit of filling the stage with representative personalities and events from Romanian, Hungarian, Polish, Czech, Ukrainian, Bulgarian, Croatian, Serbian, Slovenian and Latvian culture. It is, however, Russian culture that is given the most attention. Its privileged position in this book can be defended on several grounds. The first set of grounds is obvious: Russian is the biggest of all languages spoken in Eastern Europe, and Russia is its biggest country in terms of inhabitants. The impact of its foreign policy, especially under the Soviet rule, on the written culture of its neighboring countries can hardly be overestimated. More importantly, it is impossible to think of another country that historically has attributed so much weight to literature, both in the way its society is organized and in defining its cultural (self-)image.

Although Russia has a rich tradition of sacred writings, compared to Western European countries, its literature is what Even-Zohar would call “young.” Throughout the 18th and 19th centuries, many a Russian read literature in French and/or German, but the lack of an own national repertoire also favored a massive stream of translations, which obviously influenced the creation of a native literature. For instance, the translator Vasilii Zhukovskii played an important role in “helping Russian critics to define the Russian self and its mission in relation to the European other,” as David L. Cooper demonstrates in his article “Vasilii Zhukovskii as translator and the protean Russian nation” (55-77). About a century later translation still exerted great influence on the Russian literary debate. As Susmita Sundaram shows in her article “Translating India, constructing self: Konstantin Bal’mont’s India as image and ideal in Fin-de-siècle Russia” (97-115), the symbolist poet took inspiration from his translations of ancient Indian drama in an effort to envisage possible solutions for the crisis in contemporary Russian theater.

The contributions by Cooper and Sundaram are the only ones in this volume that concern the young but ambitious literature of pre-revolutionary Russia, where numerous writers searched to obtain, and were given, the status of prophets. In line with this tradition, in communist Russia every official writer was proclaimed an “engineer of the human soul” and every non-official writer risked prosecution for so-called “social parasitism.” It is obvious that in a society that perceives a poet as more than a poet, translation activities too take on quite a different aspect. Like non-translated literature, translated literature was used as an instrument by many to consolidate the Soviet system, and by others to fight it.

The present volume contains numerous interesting case studies which demonstrate that translation norms in Russia and the other republics of the Soviet Union were profoundly affected by communist ideology and by the central position of the Russian member state in general and the Russian Communist Party in particular. Obviously, translation policy was changed in the sense that translation from Russian was privileged in all non-Russian-speaking countries under Soviet rule. Even so, as regards preliminary norms, Susanna Witt shows in her multifaceted survey article “Between the lines. Totalitarianism and translation in the USSR” (149-170) that Soviet time Russian translators dealing with works from the national republics more often than not used interlinear trots. Needless to say, operational norms were also drastically affected as translators, keenly aware of the censor’s eye, were more concerned with ideological acceptability than with adequacy. In his article “Squandered opportunities. On the uniformity of literary translations in postwar Hungary” (205-217), which focuses on literary translations from Spanish, László Scholz suggests that virtually all translations in communist countries were marked by a striking uniformity, which left no space for innovation or experimentation, as a direct consequence of the requirement to pursue specific political objectives. Vitana Kostadinova, whose article “Meaningful absence: Byron in Bulgarian” (219-232) accounts for the non-translation of the English poet in the Bulgarian Romantic Age, gives another interesting example of how the reception of a work could be hindered by communist ideology: the suppression of Manfred in Socialist Bulgaria would be the result of a previously published review that compared Byron’s hero with a Bolshevik who undermined social order.

Confronted with such insights into the widespread manipulation of translation for political purposes in the Soviet Union, one would almost forget the other side of the coin. Actually, as is demonstrated by several articles in this volume, the practice of translation could also offer a way out for people suffering from the regime. First, quite a few Russian writers that would not comply with the dogmas of socialist realism were able to make a living by reinventing themselves as translators. In her beautifully illustrated contribution “The poetics and politics of Joseph Brodsky as a Russian poet-translator” (187-203), Yasha Klots shows that in the case of this Noble Prize winner the poetical and moral implications of this reinvention were particularly strong. Second, because of the fact that translators could hide themselves at least to some extent behind the presumed author, translation offered somewhat more space for deviation from the norms than original writing. It is in these circumstances that Evgenii Zamiatin’s dystopia We was published in 1927 in Prague as a Russian pseudo-translation from the Czech, as Natalia Olshanskaya mentions in “Russian dystopia in exile: Translating Zamiatin and Voinovich” (265-276). Third, translation was also a way out for many writers dealt with in this volume in the sense that being translated was the only effective way to reach a readership.

Prominent representatives of the Russian avant-garde Marina Tsvetaeva and Daniil Kharms were among the first victims of Russian censorship. However, as Sibelan Forrester argues in her article “The water of life: Resuscitating Russian avant-garde authors in Croatian and Serbian translations” (117-136), enforced Soviet adulation figuratively killed Mayakovsky even more effectively than it killed the other two writers. In a more literal sense, too, the three of them are believed to owe their deaths to the Soviets. Whereas Mayakovsky and Tsvetaeva committed suicide, Kharms was allegedly executed in a prison. However, on the basis of recently discovered documents, it is now believed that he died of starvation in a psychiatric hospital in Leningrad during the German blockade. Forrester shows herself unaware of this version, but this is compensated by the brilliant way in which she elaborates on the popularization of Russian avant-garde authors by the Yugoslav authors Josip Sever, Danilo Kiš, Irena Vrkljan and Dubravka Ugrešić.

While some writers under the Soviet yoke had to content themselves with being read abroad in translation, others managed to go abroad themselves. Such was the enthralling case of Vladimir Nabokov, who after his flight from the Bolsheviks ended up with two oeuvres: one originally written in Russian, which he translated into English, and one originally written in English, which he translated into Russian. It is Brian James Baer who pays tribute to this unique writer in his article “Translation theory and cold war politics: Roman Jakobson and Vladimir Nabokov in 1950s America” (171-186), by playing him off in the context of the Cold War against Jakobson, the other influential agent of translation of Russian origin.

Theorists of translation originating from minor cultures are also abundantly represented in this volume. In his article “Romania as Europe’s translator: Translation in Constantin Noica’s national imagination” (79-95), Sean Cotter sheds light on the somewhat obscure thoughts on translation developed by this Romanian philosopher and poet during different periods of his life. Not surprisingly, the exiled writer Milan Kundera also receives a fair deal of attention. In “Shifting contexts: The boundaries of Milan Kundera’s Central Europe” (19-31), Charles Sabatos explores the Czech novelist’s claim to a transnational Central European identity, while Jan Rubeš in his article “Translation as condition and theme in Milan Kundera’s novels” (317-323) examines the paradox of why after being canonized in the West as the humoristic, libidinous champion of the Prague Spring thanks to French translations, the writer refused to authorize the Czech translation of his books written in French.

The implosion of the USSR, announced by a period of cultural liberty under Gorbachev, radically reshaped the literary polysystems of all the nations involved. The writer lost his prophetic status. Entertainment being the new stake of literature, Russian translation policy radically changed in less than a decade’s time, allowing now for massive importation of genres and works that previously had been banned as bourgeois. This page of Russian literary history is explored in a very original way by Vlad Strukov. His article “Translated by Goblin: Global challenge and local response in Post-Soviet translations of Hollywood films” (235-248) reveals the reasons why Dmitrii Puchkov’s witty voice-over is so appreciated by the Russian audience. But then, Aleksei Semenenko underlines the fact that the transition from communism into capitalism did not consign all literary traditions to oblivion; his article “No text is an island: Translating Hamlet in twenty-first-century Russia” (249-263) demonstrates that the Russian translations of Shakespeare’s tragedy published in the 1999-2008 period rely on previous interpretations rather than on the source text.

For the dominated literatures of Eastern Europe, the decline of the communist regimes brought new opportunities. It is logical that, especially for the former full members of the Soviet Union, the disappearance of the restrictions on the use of national languages resulted in a radical change in translation policies. The impact of the post-Soviet search for a national identity through translation activities is elaborated for Ukraine by Vitaly Chernetsky in his article “Nation and translation: Literary translation and the shaping of modern Ukrainian Culture” (33-53), and for Latvia by Gunta Ločmele and Andrejs Veisbergs in their article “The other polysystem: The impact of translation on language norms and conventions in Latvia” (295-316). The new cultural environment that countries like Poland and Slovenia find themselves in as new members of the European Union, is explored by Allen J. Kuharski and Suzana Tratnik. The former concentrates on Polish theater translations of classical tragedy in his article “Between cosmopolitanism and hermeticism” (277-294). The latter’s article “Translating trouble: Translating sexual identity into Slovenian” (137-146) – which is among the most readable ones in this volume, maybe because the author is a writer herself – shows that translating gay, transgendered and queer literature into Slovenian language is especially challenging, for it lacks the necessary vocabulary.

In his “Introduction” to Contexts, Subtexts and Pretexts. Literary Translation in Eastern Europe and Russia, Baer explains that the book’s aim is to contribute to the scholarly mapping of translation in a spirit of challenging both the hegemony of Western models and any simple notion of Western identity itself by exposing “Europe’s internal other” (1). After reading the more often than not compelling illustrations of the role translation played and keeps playing in Eastern Europe, one must conclude that this mission has been accomplished. The notion itself of Eastern Europe remains of course problematic, especially because a country like Poland perceives itself as Central European. In that sense, it is strange that this volume rather systematically differentiates between Eastern Europe and Russia, as if these were two different, non-overlapping entities. Also, the message of challenging Western models would have been even more convincing if more researchers affiliated with universities from Eastern Europe had been involved in this beautiful project.

[Review by Pieter Boulogne (University of Leuven, University of Antwerp, University of Ghent)]

Getagged , , , , , ,

Michaïl Sjisjkin. Het sociaal contract van Poetin

De onderstaande tekst is een vertaling van een opiniestuk van de Russische schrijver Michaïl Sjisjkin (de auteur van onder meer Onvoltooide liefdesbrieven), dat op 18 september 2014 in het Russisch verscheen in The Guardian.

sjisjkin

“Ik herinner me de angst die ik als kind voelde na het lezen van een vulgariserend artikel over zwarte gaten in de ruimte. De gedachte dat die heelalbreuken ons universum opzuigen bleef me ongerust maken tot ik inzag dat dit alles ver van ons bed gebeurde, dat wij er niet mee te maken zouden krijgen.

En nu heeft een zwart gat een bres in onze wereld geslagen, niet zo ver van ons. Het begint huizen, wegen, auto’s, vliegtuigen, mensen, volledige landen op te zuigen. Rusland en Oekraïne zijn al opgeslokt. Zienderogen verdwijnt Europa in het zwarte gat.

Dat gat in ons universum is de ziel van een heel eenzame, ouder wordende man. Dat zwarte gat is zijn angst.

Het fatum zond hem groeten uit exotische landen: televisiebeelden die het einde van Hoessein, Moebarak en Kaddafi vastlegden. De straatprotesten waarmee honderdduizenden Moskovieten het plezier van zijn plechtige zelfkroning verpestten, waren een signaal dat het gevaar naderde. De schandelijke vlucht van Janoekovitsj deed het alarm afgaan: als de Oekraïners hun bende konden verjagen, dan zou hun broedervolk daar wel eens inspiratie uit kunnen putten. Prompt werd zijn instinct tot zelfbehoud geactiveerd. Om zich te redden gebruikt iedere dictatuur hetzelfde recept: vijanden creëren. Ten oorlog gaan. De staat van oorlog is het levenselixer van het regime. In een roes van patriottisme gaat de bevolking op in haar ‘nationale leider’, en wie niet akkoord gaat is een ‘landsverrader’.

Onder het oog van de kijkers is de Russische televisie van een medium voor entertainment en desinformatie veranderd in een massavernietigingswapen. Journalisten hebben zich ontpopt tot een apart soort strijdtroepen, dat er allicht het meeste toe doet, meer nog dan langeafstandsraketten. Het wereldbeeld dat op bestelling van bovenaf wordt ingeplant bij de hersendood gemaakte natie, is er een van ‘Oekrofascisten’ die het Westen naar de pijpen dansen en oorlog voeren om de ‘Russische wereld’ te vernietigen.

‘Er zijn geen Russische soldaten op de Krim,’ zo werd deze lente met scheve grijns wereldkundig gemaakt. Het Westen begreep er niets van: hoe is het mogelijk je eigen bevolking zo flagrant te beliegen? Maar de Russische bevolking zag dit niet als een leugen: ‘Wij, Russen onder elkaar, hebben alles door. Je vijand een rad voor de ogen draaien, is uiteraard geen kwalijke zaak, maar net een bewijs van je onverschrokkenheid.’ Met grote trots werd achteraf erkend: ‘Er waren wél Russische soldaten op de Krim!’

Opnieuw zijn we aanbeland in het Sovjettijdperk van de totale leugen. De autoriteiten hadden met de bevolking een ‘sociaal contract’ afgesloten, waaronder we decennialang hebben geleefd: ‘We weten dat we liegen en dat jullie liegen, en we gaan door met liegen, zodat we overleven.’ Onder dat sociaal contract zijn generaties groot geworden. Die leugen kan je zelfs niemand kwalijk nemen; het is de samenballing van levenslust, overlevingskracht. Om in een gevangenis te overleven heb je bepaalde eigenschappen nodig, een specifieke geestesgesteldheid. De autoriteiten logen omdat ze de bevolking vreesden. De bevolking nam deel aan de leugen omdat ze de autoriteiten vreesde. De leugen biedt een samenleving die gebaseerd is op geweld en angst een kans op overleving.

Maar voor zo’n alomvattende leugen volstaan enkel geweld en angst niet.

Hoe komt een vader van een Russische militair die zonder benen uit Oekraïne terugkeerde erbij om op Facebook te schrijven: ‘Mijn zoon is soldaat, hij heeft een bevel uitgevoerd. Dus sowieso, wat er ook gebeurd is, heeft hij gelijk en ben ik trots op hem.’? Het menselijke bewustzijn verjaagt de gedachte dat je zoon is gaan moorden bij een broedervolk, dat hij niet invalide geworden is omdat hij het vaderland beschermde tegen zijn ware vijanden, maar vanwege de panische angst om de macht te verliezen van een grijzige aanvoerder, vanwege de ambities van over de troon krioelende dieven. Hoe erkennen dat jouw land, jouw vaderland de agressor is, en jouw zoon de fascist? Het vaderland staat altijd aan de kant van het goede. Dus wanneer Poetin zijn land flagrant beliegt, dan weet iedereen dat hij liegt, en hij weet ook zelf dat iedereen dat weet, maar het electoraat gaat ermee akkoord.

Wanneer Poetin westerse politici voor het oog van de wereld brutale leugens vertelt, kijkt hij met brandende nieuwsgierigheid en niet zonder genoegen naar hun reactie, laaft hij zich aan hun verwardheid en hulpeloosheid.  Hij wil dat Kiev zich als de Verloren Zoon op zijn knieën terug in de vaderlijke omhelzingen van het imperium sluit. Hij gelooft dat Europa even zal koken van verontwaardiging en daarna bedaren, na Oekraïne overgeleverd te hebben aan zijn verkrachtende broer. Hij stelt het Westen voor om het Sociaal Contract van de Leugen mee te ondertekenen. Het volstaat te zeggen: ‘Poetin is een pacificator’, en akkoord te gaan met zijn volledige vredesplan.

De sancties die westerse landen tegen Rusland treffen drukken de timide hoop uit dat economische problemen de Russen onwelwillend jegens hun regime zouden stemmen en tot actieve protesten zouden bewegen. Helaas is die hoop ijdel. Een bekend Russisch gezegde luidt: ‘Sla je eigen mensen zodat anderen je vrezen’. In Berlijn of Parijs is het onvoorstelbaar dat van de ene dag op de andere een wet zou worden uitgevaardigd die prompt de invoer van levensmiddelen aan banden legt. Diezelfde dag nog zou een storm aan protest het land doen ontploffen. In Rusland had zo’n wet als enige effect dat de sowieso onstuitbare populariteit van de leider nog toenam. Poetin kent het verschil tussen zijn macht en die van de Europese democratieën. Democratische regeringen dragen verantwoordelijkheid voor mensen en hun toekomst, terwijl in een dictatuur enkel verantwoording afgelegd wordt voor de uitvoering van bevelen. Iedere dictator hoopt onsterfelijk te zijn, en als dat onmogelijk is, dan is hij bereid om iedereen die hij veracht met zich mee te slepen in het zwarte gat. En verachten doet hij iedereen, zowel zijn eigen mensen als de anderen.

Poetin weet dat het Westen de rode lijn die hijzelf al lang achter zich heeft gelaten niet kan overtreden. Die lijn is de bereidheid tot een militair conflict. De menselijke psyche heeft het moeilijk om vanuit de naoorlogse tijd de vooroorlogse tijd binnen te stappen. In Rusland hebben de massaterreurmedia de Russen geholpen om deze stap te zetten. Bovendien is Rusland al in oorlog. Een nog niet openlijk verklaarde oorlog tegen het Westen. In Russische steden zijn al kisten met lijken van Russische soldaten uit Oekraïne toegekomen. Psychologisch loopt Europa  achter, nog altijd koestert het zich in zijn ontspannen vooroorlogse wereldje. Man will weiter seinen Spass haben. Aber es ist Schluss mit der Spassgesellschaft.

De Europeanen zijn niet klaar voor de nieuwe realiteit. ‘Laat ons met rust! We hadden het toch goed voorheen: arbeidsplaatsen, gas, vrede! Geen wapens leveren aan Oekraïne! In tijden van kernwapens ga je toch geen gewapend conflict beginnen vanwege een of ander Marioepol! De wereld moet toch niet in een catastrofe ten onder gaan omdat Oekraïne deel van Europa wil uitmaken? En daarbij spreekt Poetin prachtig Duits! Hoe kan hij een monster zijn als een Europees staatshoofd met hem in een slee zat en hem ‘ein lumpenreiner Demokrat’ heeft genoemd? Het zijn de Amerikanen die ons tegen de Russen opzetten! De schuld voor alles ligt bij de Amerikaanse imperialisten en de Europese bureaucraten! Wat hebben we aan sancties als ze ook ons schade berokkenen? Kijk, de Fransen staan klaar om de straat op te gaan uit protest tegen ‘het Amerikaanse dictaat dat Frankrijk dwingt om af te zien van de levering van zijn Mistral-oorlogsschepen aan Rusland’. Moskou verdedigt de Russische belangen in Oekraïne! En wie zegt dat er in Kiev echt geen fascisten aan de macht zijn? Wie weet is de Majdan begonnen als een volksopstand, maar is de macht daarna in handen geraakt van een nazistische junta. Dus waarom zouden we hun steun verlenen en ruzie maken met Rusland? Poetin stelt vrede voor! Wij willen vrede!’

De berekeningen van Poetin kloppen: het is waarschijnlijker dat de bevolking van het Westen uit angst voor economische chaos en de mogelijkheid van een oorlog nieuwe regeringen verkiest en Poetin-haters door Poetin-begrijpers vervangt, dan dat economisch verval en de prijsstijging van levensmiddelen de Russen tot protesten bewegen.

Poetin biedt Europa zijn sociaal contract aan. En telkens wanneer nog iemand zich bereid toont het te ondertekenen, dijt het zwarte gat uit.

Het wordt tijd dat we het inzien: het naoorlogse Europa is nu al vooroorlogs geworden.”

[Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: Черная дыра Путина (Het zwarte gat van Poetin)]

Getagged , , , ,

‘Dit boek leest als een openbaring’ MO* over Alles is slecht

In zijn stuk ‘Dichtbundels tegen de stilstand. Poëzie dient nergens toe’, te vinden in het hersftnummer van MO* (4 september 2014, pp. 96-97), brengt Gie Goris drie dichtbundels met elkaar in verband: Alles is slecht van de Rus Kirill Medvedev, Gedichten van de Deen met Palestijnse roots Yahya Hassan en Liefde en aarde van Tom van de Voorde. Centraal staat de vraag hoe de dichter omgaat met de wetenschap dat zijn teksten over de maatschappij die hem tegen de borst stuit die maatschappij niet veranderen:

Kirill Medvedev debuteerde in 2000 met Alles is slecht, een uitermate programmatische bundel waarin hij het literaire wereldje en de links-radicalen in Moskou op de hak nam: ‘ik ben al heel wat mensen tegengekomen / die, omdat ze zichzelf haten / vanwege hun intellectuele passiviteit, / uit alle macht proberen / haar in zichzelf te verdelgen…’ Daarmee definieerde hij meteen zijn eigen kleine oorlog, die hij ook in de jaren daarna zou blijven voeren. In Mijn fascisme schrijft hij: ‘Volgens mij mag de intelligentsia zich niet opsluiten in elitaire reservaten, niet samensmelten met de overheid of kerk, en niet opgaan in de middenklasse.’

In een later essay, In memoriam Dmitri Koezmin, vat de Russische dichter de overwegend positieve reacties op zijn gedichten en polemieken als volgt samen: ‘We mogen je wel, je bent cool, grappig, anders getalenteerd, we waarderen en respecteren je. Maar je moet niet denken dat je onze levens beïnvloedt.’ De dichter raakt de lezer, die ‘oprecht, adequaat en emotioneel omgaat met mijn tekst’, maar dat heeft niet het minste effect op oorlog of vrede, op politiek of maatschappij. ‘De invloed van de tekst op de lezer is nul komma nul’

Die vaststelling maakt Medvedev radeloos, want rondom zich ziet hij Rusland afglijden naar een nieuw autoritarisme. De “intelligentsia” laat zich al te graag gebruiken door het Kremlin onder Poetin, of ze verliest zich in impotent gedweep met het Westen. Medvedev wil die schijnbaar onvermijdelijke gang van de Russische geschiedenis openbreken met een poëtica die radicaal individueel én politiek is, die de avant-garde in het begin van de 21e eeuw opnieuw wil uitvinden. Maar dat lukt niet: zijn woeste gedichten krijgen applaus, hij wordt gepubliceerd, en daarmee houdt het op.

Als reactie op die impasse besluit Kirill Medvedev te breken met de literaire kringen waarin hij bekendheid verwierf. Hij trekt zijn verzet tegen de greep van het het [sic] systeem zelfs door tot in de radicale consequentie dat hij zijn eigen auteursrecht verwerpt, omdat het literaire establishment afhankelijk is van het oligarchenkapitalisme. De boekenindustrie noemt hij ‘een enorme business in handen van mensen die “amnestie” hebben gekregen voor hun lucratieve criminele verleden’ en ‘in belangrijke mate gesubsidieerd wordt door de olie- en gasindustrie’.

[…] het boek leest als een openbaring, althans voor wie de Russische politiek niet al jaren op de voet volgt. De afrekeningen en discussies onder literaire Russen leggen de angst en de uitzichtloosheid bloot die onder Poetin groeiden, maar die aanvaard werden als alternatief voor de angst en de chaos van de overgangsjaren onder Jeltsin. Het is geen opbeurende lectuur, zoals de titel al doet vermoeden, maar bevat louter door zijn radicale strijdbaarheid meer hoop dan alle zelfhulpboeken bij elkaar. […]

Lees hieronder de volledige bespreking (klikken om te vergroten).

MO over KirillMedvedev


 

 

Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , ,

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ NRC Handelsblad Boeken over Alles is slecht

page3-480x688

Op vrijdag 15 augustus besprak Ruslandkenner Michel Krielaars voor NRC Handelsblad Boeken (p. 3) de bundel Alles is slecht. In zijn recensie ‘Het is de schuld van de intelligentsia’ besteedt hij vooral aandacht aan Kirill Medvedevs ‘heel scherpe’ essays, waarin hij beschrijft ‘hoe verdorven het intellectuele, morele en esthetische klimaat in Rusland is geworden’:

Poesjkins vrijheidspoëzie, Pasternaks Dokter Zjivago en de anti-Poetinpunk van Pussy Riot hebben met elkaar gemeen dat ze tegengif zijn voor de onderdrukking door de staat en de waarheid laten zien in een woud van leugens. De schrijver en dichter Kirill Medvedev (Moskou, 1975) doet dat ook. In zijn onlangs vertaalde bundel gedichten en essays Alles is slecht fileert hij zijn tijd en schetst hij een onthutsend portret van een hopeloos land.

Medvedevs gedichten doen aan de poëzie van Charles Bukowski denken, wiens werk hij heeft vertaald. Ze zijn geschreven in de vorm van het vrije vers en gaan over alledaagse dingen, zoals het kopen van twee potjes sprotpaté, ziek zijn, het ontdekken van een rubberen piemel in een kiosk, de arrogantie van snobistische filmcritici. Ze laten het alledaagse Rusland in de meest uiteenlopende kleurschakeringen zien, van lieflijk en chaotisch tot barbaars en wreed.

Heel scherp zijn Medvedevs essays ‘Mijn fascisme’ (2004) en ‘De literatuur zal worden doorgelicht’ (2007). Hierin beschrijft hij hoe verdorven het intellectuele, morele en esthetische klimaat in Rusland is geworden. Niet alleen de huidige machthebbers krijgen ervan langs, maar ook de post-Sovjetintelligentsia.

Volgens Medvedev heeft de liberale intelligentsia na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 verzaakt om een verenigende humanistische ideologie te ontwikkelen waarmee een evenwichtige samenleving kon worden opgebouwd, omdat ze alles wat niet met haar mensbeeld strookte weigerde te begrijpen. Daarentegen hebben nationalisten, conservatieven en extremisten van links en rechts elkaar gevonden in hun afkeer van het chaotische liberalisme van de jaren negentig en wél een nieuwe ideologie gevonden, zoals de reactionaire en pattriotistische denker Aleksandr Doegin laat zien. Zijn filosofie van het ‘Euraziatische imperium’ presenteert vage esoterische en zuiver racistische concepten als ‘hapklare sacrale waarheden’, die veel Russen aanspreken. Niet voor niets heeft de kleurloze Poetin Doegin tegenwoordig als huisfilosoof.

Dat de situatie in Rusland ronduit rampzalig is, blijkt ook uit Medvedevs omschrijving van de ‘vergeldingsmythe’, die veel Russen obsedeert. Opnieuw raakt hij daarbij de kern van de zaak: ‘De afgelopen vijftien jaar is de werkelijkheid zo vaak gebroken, verminkt, verkracht, zijn er zo veel juridische morele en domweg menselijke geboden en regels overtreden, hebben zo veel mensen – door het gebruik van hun intellect, macht, kennis of gewoon door hun domheid, talentloosheid en cynisme – hun handen vuil gemaakt aan allerlei stinkende zaakjes, dat het hierna nooit meer goed kan komen.’

Voor de meeste Russen en het Kremlingetrouwe deel van de intelligentsia is het daarom van belang dat alles bij het oude blijft, zodat de afrekening tot na hun dood kan worden uitgesteld.

Abonnees van NRC Handelsblad kunnen de volledige recensie lezen via deze link.


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , , , ,

‘Sterke poëzie’ Literair Nederland over Alles is slecht

In zijn stuk ‘Ondertussen in Rusland’ bespreekt poëzierecensent Maarten Buser Alles is slecht van Kirill Medvedev voor Literair Nederland. Daarbij besteedt hij aandacht aan het vertaalde karakter van dit ‘mooi boek’:

Medvedevs gedichten verschillen eigenlijk niet eens zo erg van zijn essays: ook de gedichten meanderen een aantal pagina’s lang door en zijn strek politiek gericht. Tegelijkertijd is Medvedevs poëzie gewoon léuker, door haar praterige, prozaïsche karakter en prettige humor. In Rusland schijnt deze poëzie slecht ontvangen te zijn, als er al erkend werd dat Medvedeves poëzie daadwerkelijk poëzie is. In één van de beste gedichten in Alles is slecht, vindt de verteller een potje goedkope sprotpaté. Daarna gaat deze ‘ik’ de rest van de producten van de supermarkt inspecteren: ‘terwijl ik / met zorg / en piëteit / ieder product onderzocht / en me overgaf aan de lectuur / van de geraffineerde benamingen van die prachtig verpakte etenswaren, / soms deden die mijn hoofd duizelen / (er was bijvoorbeeld een product / met de naam / ‘twee regenboogforellen’)’

Deze aandoenlijke verbazing geeft de supermarkt bijna iets sprookjesachtigs. Even lijkt Medvedevs engagement verdwenen te zijn, waardoor het slot van het gedicht nog harder aankomt: ´toen ik op straat stond […] drong het tot me door hoe vaak / mijn afschuw / voor de grimas van de consumptiemaatschappij / omslaat in sentimentaliteit’.
Ook wie aanvankelijk wantrouwend zou staan tegenover de prozaïsche toon, moet erkennen dat een gedicht als dit knap in elkaar zit. (Toch gek dat er Russen zijn die dat niet zien.)

Het fijne van Alles is slecht is dat de samenstellers voor teksten hebben gekozen die Medvedevs ideeënwereld over cultuur en politiek oproepen. Hoewel in de gedichten ook duidelijk stelling wordt ingenomen en statements worden gemaakt, vormen de essays en ‘acties’ een verdere context waarin gevente ideeën functioneren. (Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat geenszins gesteld wordt dat de gedichten belangrijker zijn dan de prozateksten in de bundel, maar als poëzierecensent ligt de nadruk voor mij op de gedichten.) Het is vanaf het opgeven van het copyright bijvoorbeeld maar een kleine stap naar het gedicht over vertalen. Misschien verklaart de inhoud van dat gedicht al het bestaansrecht van deze vertaalde pirateneditie van Alles is slecht. (Naar het schijnt heeft Medvedev er overigens ook geen bezwaar tegen om zijn vertalers tips te geven, hoewel hij geen toestemming heeft gegeven voor de vertalingen.)

[…]

Alleen de prominente enscenering in Rusland herinnert er aan dat Alles is slecht een vertaling is. Dat is slechts een detail, want eigenlijk is dit gewoon een Nederlands boek. De laconieke, praterige toon van de gedichten doet namelijk volledig natuurlijk aan, alsof er een Nederlander, die in Rusland heeft gewoond, tegen je aan het praten is in een café. Die Nederlander is Pieter Boulogne, die de gedichten en essays vertaalde van een Rus, een zekere Kirill Medvedev. Er kan gezegd worden dat Boulogne een mooi boek heeft geschreven: Alles is slecht. Boulognes essays zijn prima, maar vooral zijn poëzie is sterk.

Lees hier de volledige recensie.


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

Getagged , , , , , ,