VAN REETVEERDEGEM NAAR TROU DUC LES OYES EN MOSKOU. De helaasheid der dingen als (vertaalde) verfilming

De onderstaande tekst is een artikel van Elke Brems, Stéphanie Vanasten en mezelf over de receptie, filmadaptatie en vertalingen van De helaasheid der dingen in het Nederlands, Frans en het Russisch. Het maakt deel uit van het online dossier over Verhulst van Filter. Tijdschrift over vertalen, dat behalve een interview met Verhulst zelf ook bijdragen bevat over zijn Italiaanse, Poolse, Tsjechische, Koreaanse en Portugese receptie.  

6.1. prent elke 1

1 Nieuwe gedaantes

‘What seems doomed to disappear […] is the kind of work that revels in the subtle nuances of its own language and literary culture, the sort of writing that can savage or celebrate the way this or that linguistic group really lives.’ Tim Parks is niet enthousiast over ‘The Dull New Global Novel’ die naar zijn gevoel steeds vaker geschreven wordt, doordat auteurs ‘internationale fenomenen’ willen zijn. Die evolutie leidt naar eenheidsworst, aldus Parks. ‘Writing in the 1960’s, intensely engaged with his own culture and its complex politics, Hugo Claus apparently did not care that his novels would require a special effort on the reader’s and above all the translator’s part if they were to be understood outside his native Belgium.’ (Parks 2010) Van de boeken van Claus’ literaire zoon Dimitri Verhulst, en van De helaasheid der dingen in het bijzonder, wordt in de kritiek vaak beweerd dat ze zo ‘lokaal’ zijn (Aalsters, Vlaams, Belgisch,…). Toch steekt het werk van Verhulst met gemak de grenzen over en leent het zich dus blijkbaar goed voor vertaling en eventueel acculturatie.1

In deze bijdrage willen we bekijken wat de rol van de verfilming is bij het ‘lokaliseren’ enerzijds en de schijnbaar moeiteloze culturele transfer anderzijds van De helaasheid der dingen. We willen doen wat Ann Rigney (2012: 12) voorstelt in haar boek The Afterlives of Walter Scott: ‘We want to consider the place where texts end up to be as legitimate an object of study as the places where they originated.’ Of liever: we willen het niet enkel hebben over de plek waar teksten belanden, maar ook de plek waar teksten langskomen en tot een productieve receptie leiden.

Deze bijdrage gaat over enkele plekken waar de roman De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst langskomt: Vlaanderen en Nederland, Frankrijk en Franstalig België en Rusland. Maar meer nog gaat hij over de verschillende vormen die die tekst aanneemt: via onder meer kritiek, vertaling en vooral verfilming. We willen immers, om nogmaals Rigney te citeren, kijken naar ‘texts across time, but above all in their reappearance in new guises in different places and media; in their capacity to move, mobilize, and generate new cultural activities’ (Rigney 2012: 12).

Robert Stam ziet verfilmingen als onderdeel van een discursief continuum: ‘Filmic adaptations […] are caught up in the ongoing whirl of intertextual references and transformation, of texts generating other texts in an endless process of recycling, transformation, and transmutation, with no clear point of origin.’ (Stam 2005: 31) Er is dus geen duidelijk eindpunt, maar ook geen beginpunt. Dat valt op het eerste gezicht moeilijk te rijmen met de opzet van ons project: we ‘vertrekken’ immers vanuit een bepaalde tekst (in dit geval De helaasheid der dingen) om die te volgen in zijn ‘Nachleben’. Adaptatiewetenschappers steken doorgaans veel energie in het reduceren van het belang van de brontekst/het origineel en het denken in termen van ‘verlies’ (knippen, weglaten, inkorten,…). ‘Most of the talk about film adaptation […] is in negative terms of loss.’ (Hutcheon 2006: 37) Als je de blik op het nieuwe cultuurproduct richt door enkel naar die ene bron te kijken, zie je inderdaad dat je het reduceert, vaak spelen andere bronnen en verwijzingen een even grote rol. Cattrysse zegt dan ook: ‘Film adaptation had better be studied as a set of discursive […] practices, the production of which has been determined by various previous discursive practices and by its general historical context.’ (Cattrysse 1992: 62) We willen dan ook in deze drie casussen kijken naar het te bestuderen cultuurproduct in zijn eigen discursieve en historische context.

Dat betekent niet dat film en boek niet meer mogen vergeleken worden, maar dat we de roman beschouwen als een van de discursieve praktijken waarmee de film als zelfstandig cultuurproduct een transtekstuele relatie onderhoudt en creatief omspringt. Stam gebruikt onder meer de term ‘transtekstualiteit’ van Genette om zijn eigen benadering vorm te geven. Een filmadaptatie moet niet langer vanuit een normatieve comparatieve invalshoek worden bekeken (in termen van verlies, ontbreken, schrappen etc.), maar als een product dat transtekstuele relaties onderhoudt met andere teksten, in de ruimste zin van het woord. Stam extrapoleert Genettes term transtekstualiteit naar een veel ruimer gamma aan intermediale relaties. Transtekstualiteit is een overkoepelende term die vijf types omvat. De relatie tussen de film en het verfilmde boek is daar maar één onderdeel van, die noemt hij hypertekstualiteit. Het is in die hypertekstuele relatie ook belangrijk dat we de mediaspecificiteit in het oog houden: bij de interpretatie van een film moeten natuurlijk naast de verbale elementen ook onder meer de geluiden, de fotografie, de kleuren, de montage worden meegenomen. Verwijzingen in de film naar andere teksten (dan de verfilmde roman), zoals in citaten of allusies noemt Stam intertekstualiteit, een tweede type transtekstualiteit. Bij De helaasheid der dingen zou het dan kunnen gaan om het fotoboek Belgicum van Stephan Vanfleteren waarop de look van de film gebaseerd is of om een specifieke scène met erwtjes uit The Indian Runnervan Sean Penn die in de film De helaasheid der dingen wordt ‘nagespeeld’.

2 Van Reetveerdegem…

2.1 Ontvangst van de roman
De roman De helaasheid der dingen kwam uit bij uitgeverij Contact in 2006. Intussen zit de roman aan de drieënvijftigste druk. De roman werd in Vlaanderen en Nederland overwegend positief onthaald, al werd hij door Nederlandse critici meestal als typisch Vlaamse literatuur weggezet. Zo bijvoorbeeld door Max Pam in De Tijd van 3 februari 2006 in een recensie getiteld ‘Laat duizend scheten waaien’: ‘Wij, gereformeerde Ollanders, lezen dat soort folklore maar al te graag en de Vlamingen geven ons zonder scrupules telkens opnieuw waar wij om vragen […] (K)an het eindelijk eens ophouden met die Louis Paul Boonklonen? […] voor de Vlaamse literatuur lijkt het me heel wat beter als ze Louis Paul Boon nu eens onder de grond stoppen’ roept hij uit en daarmee gebruikt hij één van de grootste clichés uit de Nederlandse kritiek als het over Vlaamse literatuur gaat.2

Behalve Boon zijn er nog andere Vlaamse auteurs waarmee Verhulst vergeleken wordt: Arjan Peeters (2006) noemt Gruwez, Van den Broeck, Boon, Claus, Mortier en Pleysier als de traditie waarin Verhulst zich inbedt. Een naam die meermaals terugkeert is Herman Brusselmans, zoals bij Rob Schouten: ‘De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst heeft nog het meest weg van de oude streekroman en de Brusselmaniaanse pastiche daarop’ (Schouten 2006). Brusselmans zelf parodieert het cliché dan weer in een bespreking van De helaasheid in NRC: ‘aldus is het een typisch Vlaams jazelfs een typisch Belgisch boek. Waar anders dan in België kunnen de personages in een boek op z’n (sic) manier hun eigen volksaard uitdragen? Nergens anders! Sterker nog, ik vind het het Belgischte boek sinds de werkjes van Louis Paul Boon.’ (Brusselmans 2007)

In de Vlaamse literaire kritiek zie je een ruimere inbedding bij de bespreking van De helaasheid. Zo noemt Van Imschoot (2007) Verhulst ‘een literaire neef van de gebroeders Dardenne’, waarmee de link met Wallonië wordt gelegd, en de link met film. Cloostermans (2006) spreekt dan weer van ‘de Jacques Brel van de Vlaamse literatuur’. Het opvallendst is wellicht de Nederlandse auteur-criticus Ilja Leonard Pfeijffer (2007), die helemaal niet meestapt in het geijkte Nederlandse discours en het boek vergelijkt met Russische literatuur (weliswaar in het nadeel van deze roman) en met (het zoveelste) ‘Portrait of the Artist as a Young Man’. Pfeijffer leest De helaasheid dus als een kunstenaarsroman, een aspect dat zal uitvergroot worden in de verfilming.

De meest geëchode bespreking van De helaasheid in de literaire kritiek was het intussen beruchte artikel ‘De Belgen zijn beter’ van Arjen Fortuin in NRCvan 27 januari 2006. Daarin ziet Fortuin Verhulst als representant van een nieuwe generatie Vlaamse auteurs die hij interessanter acht dan Nederlandse auteurs. Opvallend in de Nederlandse kritieken is trouwens dat velen lijken te denken dat Reetveerdegem een echt dorp is. Dat is tekenend voor een bepaald soort stereotyperende lectuur die op het anekdotische en realistische karakter van een roman focust en niet op het literaire en fictionele. Maar uiteraard lokt de roman uit door onder andere het hoofdpersonage Dimitri Verhulst te noemen. Dat is voor de film anders.

2.2 De film
Al in 2009 kwam er een verfilming van het boek, door regisseur Felix van Groeningen. De film werd, net als het boek, een groot succes. Hij werd door België ingestuurd voor een Oscar, hij werd vertoond in Cannes. In 2009 alleen al werd hij geselecteerd voor 27 festivals, van Taiwan tot Brazilië, op 6 ervan kreeg hij ook een prijs. In eigen land trok de film ook heel veel bezoekers, eind 2009 waren dat er al 425.000. Als je de top 25 bekijkt van de Vlaamse films van het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw blijkt dat De helaasheid der dingen op de derde plaats staat, na Loft en De zaak Alzheimer. Uit het jaarverslag van 2009 van het Vlaams Audiovisueel Fonds blijkt dat het door de crisis een moeilijk jaar was voor de internationale verkoop van films, maar ‘Koploper op het vlak van internationale verkopen’ isDe helaasheid der dingen,dat distributeurs vond in de zogenaamde key international markets als de VS, Frankrijk, Duitsland, Rusland, Canada, etc. De release in Frankrijk van De helaasheid der dingenzorgde ook voor een overvloed aan positieve mediabelangstelling voor de Vlaamse film in kranten als Le Monde, tijdschriften als ‘Les cahiers du cinéma’ en televisiestations als Arte. De rechten van de film werden in 2009 verkocht aan Bulgarije, Denemarken, Duitsland (inclusief Liechtenstein en Luxemburg), Hongarije, Israël, Polen, Roemenië, Rusland en de Verenigde Staten. Als we willen kijken naar de verspreiding van De helaasheid der dingen, ligt het voor de hand de film daar een belangrijke rol in toe te kennen. Wanneer het Vlaams Fonds voor de Letteren de roman meeneemt om de vertaalrechten aan uitgevers te verkopen op internationale boekenbeurzen, dan nemen ze ook de film mee als promotiemateriaal. Op sommige markten kwam de vertaling van het boek er pas na (en mede door) de film, op andere markten kwam enkel de film uit en is het boek onbekend.

Een zeer belangrijk verschil tussen film en literatuur is dat de roman nog grotendeels monolithisch is: één tekst en één auteur (Verhulst). Daar komen dan wel meteen parateksten bij: flaptekst, voorflap, en daarna interviews, televisie-optredens en literaire kritieken. Maar een film is van het begin af veel meer groepswerk: regisseur (Van Groeningen), monteur (Leunen), fotograaf (Impens), producent (Impens), scenario (Dirickx), en dan hebben we het nog niet over decors, kostuum en muziek (in dit geval van Jef Neve). Bovendien circuleren er al snel verschillende versies van de film, zeker wanneer hij op DVD uitkomt: er zijn de extra’s, met allerlei scènes die in de uiteindelijke versie geknipt zijn, er is een versie met regisseurscommentaar, er is een versie met audiodescriptie etc.

Er kwam snel een filmeditie van het boek, met op de voorflap een scène uit de film, zodat het boek als product in latere uitgaven ook invloed ondervond van de latere verfilming. Het beeld op de voorflap van de filmeditie is dat van een stel naakte fietsende mannen. Die scène, die slechts enkele seconden duurt, werd ook als promotiestunt voor de film gebruikt in Cannes: de acteurs reden naakt op hun fiets op de Croisette. In het boek komt dat naaktfietsen niet voor: de personages hebben er een onderbroek aan omdat de pastoor het naaktfietsen verbood. Stam zou in verband met de affiche en de commerciële stunt spreken van paratekstuele elementen die de film mee vorm geven (en die soms de film zelf overwoekeren). Opvallend is dat ook de regisseur en de volwassen Gunther (die als verteller optreedt in de film) naakt meefietsten in Cannes, de scène komt dus volledig los te staan van het verhaal.

6.2. prent elke 2

2.3 Boek en film: double-voiced discourses
In wat volgt willen we dieper ingaan op de hypertekstualiteit: de relatie tussen film en boek. Eén van de opvallendste dingen van de roman is de breuk tussen wat verteld wordt en hoe het verteld wordt. Het verhaal gaat over zeer platvloerse dingen: zuipen, kotsen, seks, miserie, deurwaarders, armoede, kansarmoede, emotionele armoede. Het wordt achteraf verteld door een volwassen verteller die terugkijkt op zijn jeugd. De verwijdering tussen het kind en de volwassen verteller schuilt in dat vertellen: de jongen is een schrijver geworden, heeft zich ontworsteld aan zijn milieu en zijn voorbestemming. Dat blijkt uit het expliciet literaire taalgebruik. Een voorbeeld: ‘De periode waarin we maniakaal de borsten bekeken en quoteerden had lang standgehouden, maar had uiteindelijk toch baan weten te ruimen voor de onvermijdelijke fase van het achterwerk, waarin onze voorkeuren fundamenteel verschilden, hetgeen meer ruimte liet voor debat.’ (89)

Het register dat de autodiëgetische verteller3 gebruikt, verhoogt het gevoel dat er een clash plaatsvindt tussen twee milieus. Maar hij gebruikt tegelijkertijd wel het voornaamwoord ‘wij’, waarmee hij zich toch nog als deel van de clan lijkt te beschouwen. In het boek worden ‘ik’ en ‘wij’ afgewisseld, als een voortdurend wisselen tussen betrokkenheid en vervreemding.

De verteller is zich in ieder geval goed bewust van het taalverschil tussen vroeger en nu, tussen hemzelf en zijn familieleden: ‘Wij deden nooit pipi. Wij zeikten’, zegt hij aan het begin. (26). Wanneer hij aan het einde met zijn eigen zoontje zijn zuiplappen van nonkels nog eens bezoekt, speelt zich de omgekeerde taalbeweging af: zijn zoon zegt: ‘Ik moet zeiken’ […], waarop hij antwoordt: ‘Je bedoelt dat je moet plassen. Pipi doen.’ […] Ik wil dat woord zeiken niet meer horen, heb je dat verstaan? Het is een vuil woord.’

Dit is slechts één voorbeeld van de manier waarop het taalverschil wordt gethematiseerd in het boek. In heel de roman installeert de verteller al vertellend of handelend een kloof tussen de twee milieus, hij neemt op een ironische manier afstand tot zijn verleden, zijn familie. Het verschil tussen Dimitri en zijn familie is een taalverschil: ‘Ik ben allang geen meer van hen, het bewijs is dat ze ook tegen mij iets gaan praten zijn dat zou moeten doorgaan voor algemeen Nederlands, net zoals ze tegen mijn zoon praten. Terwijl ik weet hoe bekakt ze dat vinden. Ik spreek mijn oude dialect niet meer’ (199). Toch probeert hij nog (taal)toenadering te vinden: ‘‘Alles kits achter de rits?’ Dat laatste zeg ik maar omdat ik daarmee meen hun taal te spreken, maar het gaat me niet af. Ik geloof dat ook mijn stemgeluid dat is van een buikspreekpop. ‘Wat zeg je? Alles kits achter de rits? Zeggen ze dat zo bij jullie? Ook belachelijk, anders.’ ‘Zeggen ze dat hier niet?’’ (200). De verteller vergelijkt zichzelf met een buikspreekpop: hij wordt door iemand anders van stem en taal voorzien. De dorpse Gunther heeft geen stem meer, enkel de schrijver heeft er één. Dat kan je doortrekken naar het hele boek: de verteller, twijfelend tussen ‘ik’ en ‘wij’, tussen ‘kotsen en ‘vomeren’, vertelt een verhaal over zichzelf maar hij is dezelfde niet meer.

Yra van Dijk (2007) formuleert dat in NRC als volgt: ‘Verhulst vertelt het verhaal op een laconieke, ironische toon, waarbij hij de weinig verheffende omstandigheden van zijn jeugd […] soms in juist heel fraaie, poëtische taal verwoordt. Dat Verhulst niet in dialect schrijft, vormt de kern van zijn verhaal en het gekozen dubbele perspectief. Alleen al door dat taalgebruik voel je de verwijdering die er moet komen, de tegenstelling tussen de stompzinnigheid van dit leven en de verfijnde taal waarmee er verslag van wordt gedaan. De tragiek wordt dus uitgespeeld op het niveau van de taal.’

Hoe zit dat nu in de film? ‘While the novel is capable of the most supple forms of ironic double-voiced discourse, film’s multitrack nature makes it possible to stage ironic contradictions between music and image. Thus the cinema offers synergistic possibilities of disunity and disjunction not immediately available to the novel.’ (Stam 2005, 20) We geven hierna enkele voorbeelden van de manier waarop de regisseur en de scenarist (Christophe Dirickx) in de film die ‘disunity’ die we in het boek zien op het niveau van de taal weergeven.

Erg opvallend is dat de regisseur en scenarist een kaderverhaal hebben toegevoegd, waarin de volwassen Gunther optreedt. Hij is een schrijver die via voice-over zijn jeugdherinneringen vertelt. Voice-over is een typische, zij het soms verguisde techniek bij boekverfilmingen. Karin Wolfs in Ons Erfdeel ziet de raamvertelling als een geslaagde ingreep: ‘Juist dat raamwerk – dat Van Groeningen introduceert los van het boek van Verhulst – voorkomt dat De helaasheid der dingen blijft steken in een vrijblijvende kroniek van een familie. […] Via ingenieuze volzinnen vol spot en ironie maakt de volwassen Gunther de kijker via een voice-over deelgenoot van zijn gedachten. Vaak duidt zo’n vertelstem in een boekverfilming op een gebrek aan visualiteit, maar hier smeedt hij vanaf het eerste shot een band met de kijker door inzicht te geven in wat Gunther precies ziet in de beelden van zijn jeugd’ (Wolfs 2010, 141)

Het raamverhaal werd echter niet door alle critici positief onthaald. Holthof in het theatertijdschrift Etcetera vindt het een fletse raamvertelling die te weinig aandacht krijgt. Met opzet, meent hij, ‘teneinde niet te schaden aan de ‘lekkere brokjes’ nostalgie en overacting, die ook de aantrekkingspool voor de film vormen’ (Holthof 2009). Hij meent dat ‘Van Groeningen kiest voor de lol en niet voor de tragiek in het verhaal van Verhulst’.

De scènes waarin de volwassen Gunther optreedt (het kaderverhaal dus) heeft Van Groeningen gebaseerd op andere boeken van Dimitri Verhulst (onder andere Dinsdagland en De kamer hiernaast), zodat de film ook voor een stuk een verfilming is van het oeuvre van Verhulst en niet enkel van dit ene boek (Stams intertekstualiteit). In de voice-over krijg je Standaardnederlands (de stukken zijn ook herschreven door Verhulst om meer literair te zijn), en dat register wordt filmisch ondersteund door een klassieke kadrering en weinig camerabeweging. Maar de stukken die zich in het verleden afspelen, met dialoog in dialect, zijn veel talrijker, en die worden filmisch ondersteund door een schoudercamera die schokkerig en slecht kadreert. De voice-over in de film is veel minder prominent dan de vertelstem in het boek. Je krijgt dus een verschuiving van voornamelijk literair taalgebruik, onderbroken door enkele stukjes plat taalgebruik (in het boek) naar voornamelijk plat taalgebruik onderbroken door enkele stukjes literair taalgebruik (in de film, waar mondeling taalgebruik frequenter is en niet ‘neergeschreven’ moet worden zoals in een boek).

De regisseur heeft nog andere ingrepen gedaan om de kloof tussen het vertelde/getoonde en het vertellen/tonen te installeren: bijvoorbeeld het gebruik van verheven muziekgenres zoals in de naakte fietsscène waarop polyfone muziek gemonteerd is. De afstand tussen de verteller en het vertelde wordt in de film ook aangegeven door middel van ‘emotional grading’: het gebruik van kleur om de emotionele betrokkenheid aan te geven. In de film gaat Gunther bijvoorbeeld in een korte scène zijn moeder begluren van achter een muurtje. Van Groeningen maakt de beelden koud door het gebruik van grijze en blauwe kleuren. Het verschil tussen de koude kleuren van die ene moederscène met de warme kleuren van de daaropvolgende scène waarin hij in het huisje van zijn grootmoeder huiswerk zit te maken is erg opvallend. Daarnaast maakt Van Groeningen strategisch gebruik van zwart-wit-beelden: af en toe verdwijnt de kleur uit het beeld en krijg je een kort stukje in zwart-wit. Als je al die beelden naast elkaar zet heb je een fotoalbum met snapshots uit de jeugd van Gunther, het procedé beeldt het vastleggen van het verleden uit, en geeft er een haast episch karakter aan dat haaks staat op de rest van het verhaal. Het is een verwijzing naar het fictionaliseringsproces dat het vertellen (in boek of film) van het verleden altijd is.

2.4 Schrijverschap gethematiseerd
Dat vertellen wordt in de film zeer expliciet gethematiseerd. De allereerste zin die uitgesproken wordt, is: ‘Ik was schrijver’. De raamvertelling heeft tot gevolg dat het schrijverschap gethematiseerd wordt, wat in de roman als zodanig nauwelijks het geval is. Daar blijkt dat schrijverschap voornamelijk uit de stijl, al weten we wel dat de volwassen Dimitri schrijver is. De belangrijkste indicatie daarvoor is de naamgeving zelf: het hoofdpersonage in het boek heet Dimitri Verhulst, zoals de auteur. In de film heet hij Gunther Strobbe; de verwijzing naar autobiografische elementen is weg, de film maakt het boek los van de auteur Dimitri Verhulst. Opvallend is de waarschuwing: ‘De eventuele gelijkenis van bepaalde personages in dit boek met bestaande personen berust op louter mensenkennis’. Die uitspraak wordt in de film ondertekend door Gunther Strobbe, terwijl ze in de roman anoniem blijft. Het is eigenaardig dat er ‘dit boek’ staat bij het begin van een film. Zo wordt de suggestie gewekt dat we een boek aan het bekijken zijn, dat de film een boek is, geschreven door Strobbe. In een boek zou zo’n waarschuwing enerzijds expliciet het fictionele contract met de lezer bevestigen en anderzijds die illusie doorprikken door op een effet de réel te wijzen.4 Hier, door de waarschuwing in de mond van het fictieve hoofdpersonage te leggen, wordt de fictionalisering versterkt, en het autobiografische karakter verzwakt. Wat in de roman paratekst was, fungeert in de film als tekst, als iets in de film dat het vervolg ook aankondigt. Dat wordt duidelijker als je in acht neemt dat het hele thema van het schrijverschap van Gunther op verschillende manieren aan bod komt.

Op de achterflap van de roman staat bijvoorbeeld een bekende foto van Dimitri Verhulst achter een schrijfmachine. Dat beeld wordt in de film verder uitgewerkt, niet als paratekst, maar als thema in de film. We zien zowel de jonge als de volwassen Gunther geregeld schrijven op een schrijfmachine of een laptop.

In de begingeneriek worden de titel van de film en de namen van de acteurs in typewriter gezet, met een knipperende cursor: het lijkt of Gunther dat zelf aan het schrijven is, we bekijken een boek-in-wording. Het tijdsverloop wordt geformuleerd als ‘Vijf romans later’. Eén van de meest opmerkelijke scènes uit het boek wordt in de film zelfs voorgesteld als een opstel van Gunther. De Ronde van Frankrijk voor zuiplappen wordt in de film door de jonge Gunther geschreven op de trein en op internaat, het wordt voorgesteld als een jeugdherinnering die hij zelf verzonnen heeft, je ziet hem in actie terwijl hij die anekdote met smaak neerschrijft en zo ontdekt dat hij kan schrijven. In het boek is die scène één van de vele straffe verhalen, die niet die extra fictionalisering in zich draagt. Het stukje film doet denken aan Hugo Claus’Het Verdriet van België, waar in het tweede deel het eerste een opstel blijkt te zijn van Louis Seynaeve. Voor zowel Gunther als Louis is het een stap in hun coming of age als schrijver. De film speelt een ingewikkeld spel met zijn eigen genre: dat van de boekverfilming.

6.2. dhdd in frankrijk

3 … naar Trou Duc Les Oyes…

In wat volgt kijken we naar twee ‘screen translations’ van De helaasheid der dingen bestemd voor het Franse en Russische publiek. Audio-mediale vertalingen worden, vergelijkbaar met het standpunt van Rigney, in de vertaalwetenschap niet gezien als een eindproduct van de uitgangstekst (de dubbele hypotekst verfilming-roman), maar als de multisemiotische transmissie ervan in een multinationale communicatiecontext. In de woorden van vertaalwetenschapper Yves Gambier (2001: xix), gespecialiseerd in audiovisuele vertaling: ‘the translation does not end with “text” but with delivery. This dynamic view of translation forces us to consider the multisemiotic dimension of multinational communication of today.’

Het Nachleben van De helaasheid der dingen zette zich productief voort over de grenzen van het Nederlandse taalgebied heen en migreerde snel naar de internationale markten. Twee maanden nadat de film in de oorspronkelijke versie was uitgekomen, werden de vertaalrechten verkocht aan verschillende landen. In 2009 werd de commerciële trailer met ondertitels gelanceerd. Na België kwam de film eind 2009 in gedubde versie in Frankrijk uit. Een paar maanden later, in maart 2010, volgde Québec, waar een originele versie met ondertiteling onder de dubbele titel La merditude des choses/ The Misfortunates met nieuwe cover op de Noord-Amerikaanse markt kwam. In Rusland werd de film in juli van hetzelfde jaar in voice-over (ook wel eens halve dubbing, ‘semi-doublage’ genoemd) verspreid.

Uiteraard is audiovisuele vertaling van doorslaggevend belang voor de receptie en perceptie van culturele producties (Ramière 2004: 102). Bij audiovisuele vertaalstrategieën wordt immers vaak niet de uitgangstekst (in zijn meervoudigheid bij een film: scenario, script in de postproductie, dialogen…) centraal gesteld, maar de ontvangers in de doelcultuur (Gambier 2004: 9) die het product als autonoom geheel moeten kunnen ontvangen. Wat leren beide gedubde filmversies, de Franse en de Russische, ons over culturele overdracht ? Welke impact heeft die multimediale vertaling op de receptie en circulatie van Verhulst en zijn roman, ook in termen van linguïstische c.q. discursieve identiteiten en transculturele verhoudingen? De Nederlandstalige verfilming mocht kennelijk op brede empathie van het internationale publiek rekenen, terwijl film en roman beide ook erg local zijn – verankerd in streektradities, volkse folklore, regio- en dialecten. Heeft de audiovisuele vertaling dit aspect behouden of genormaliseerd? En speelt de multimediale aard van die vertaling (de oralisering van een oorspronkelijk geschreven code o.a.) ook een rol in de beeldvorming ? Uitspraak, mondeling taalgebruik en gestiek kunnen immers de betekenissen en connotaties die regionale taalvarianten oproepen, mee ondersteunen. Werden film en boek in het buitenland ten slotte op dezelfde manier gepercipieerd?

3.1 Eerst de film, dan het boek
De helaasheid der dingen heeft een interessant dubbeltraject gevolgd in het Frans – een opmerkelijk geval van ‘procreativity’ of ‘productive remembrance’ (Rigney 2004: 12): in Frankrijk en Franstalig België deed de roman zijn intrede eerst als film, dan als boek. Met als gevolg dat de verfilming bij Franstaligen het origineel leek en het boek secundair. ‘Jusqu’ici, pour les francophones, La merditude des choses était un film,’ zo tekent een recensente op wanneer de Franse boekvertaling verschijnt (Nizet 2011). Die indruk werd allicht versterkt door de verspreiding van de Franse filmversie in dubbing, want een gedubde film wordt vaak door de toeschouwers als niet-vertaald gepercipieerd (Ramière 2004: 103). De geraadpleegde filmrecensies bevestigen dit: daarin wordt niet al te vaak naar de roman van Verhulst verwezen, mogelijk omdat het boek toen nog niet beschikbaar was in Franse vertaling.

De film van Felix Van Groeningen werd in mei 2009 vertoond op de Quinzaine des Réalisateurs, het Internationaal Filmfestival van Cannes, waar hij een speciale vermelding van de jury kreeg: de ‘Prix Art & Essai’. Van de later toegekende prijzen kwam een opmerkelijk aantal uit Frankrijk: behalve Cannes nog de ‘Amphore d’Or du meilleur film’ op het internationale Festival du film grolandais van Quend (september 2009). In oktober 2009 viel de film drie keer in de prijzen op het Europese filmfestival Cinéssonne in Parijs (prijs voor beste film, beste mannelijke acteur voor Koen de Graeve en Kenneth Vanbaeden, en publieksprijs). Twee jaar later, in februari 2011, werd de verfilming ook bekroond met de ‘Coup de cœur des lycéens’ op het Filmfestival Les enfants du Cinéma. Ook in Québec, waar de film uitkwam in 2010, werd hij bekroond. In Frankrijk werd de film bekeken door twintig miljoen kijkers. Op die manier werkte de succesvolle Franse audiovisuele vertaling de vraag naar de Franse boekvertaling in de hand.

De transpositie van Verhulsts succesverhaal naar het Frans werd bevorderd door intersemiotische vertaling. Eigenlijk verscheen de roman pas in 2011 in het Frans5. Ondanks zijn relatief recente verschijningsdatum en de discrete positie van Verhulst op de Franstalige literaire markt6 – hoe meer er vertaald wordt, hoe groter de kans tot doorbraak in principe – zorgde de verfilming mede voor de bekendheid van Dimitri Verhulst bij het Franstalige publiek. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de filmbewerking de receptie van de roman en de gunstige beeldvorming rond Verhulst in Frankrijk voorbereid, getuige het volgende oordeel: ’A l’écran, les bouilles bosselées de la fratrie Verhulst frappaient directement au cœur. Sur papier, les mots de l’auteur touchent plus profondément encore.’ (Nizet 2011). De latere Franse romanvertaling ondervond nochtans, aldus vertaalster Danielle Losman, geen invloed van de audiovisuele vertaling, afgezien van de titel7.

Losman was niet bij de eerdere audiovisuele vertaling betrokken. Voor de rest blijft de vertaalinstantie achter de gedubde versie onzichtbaar. De Franstalige persdossiers omtrent de film geven geen informatie over de vertaler(s)8, noch verstrekken ze aanvullende gegevens bestemd voor het anderstalige doelpubliek: ze blijken gewoon uit het Nederlands te zijn vertaald, zonder melding ervan noch verdere aanpassing. Op een gelijkaardige manier gaf de audioband in de film aanleiding tot declinaties in verschillende talen, waaronder het Frans. Ook hier bleef het vertaalproces echter onzichtbaar, tot de aftiteling, alsof uitgaande van hetzelfde beeld verschillende filmversies werden gegenereerd die, onafhankelijk van het taalgebied, inwisselbaar zijn, als universeel ontcijferbare tekenketens.

3.2 Dubbing als God in Frankrijk
Dubbing is nog steeds een frequent voorkomende audiovisuele vertaalvorm in Frankrijk. Frankrijk wordt vaak (meer nog dan Franstalig België) als een regio van dubbing uitgespeeld tegen taalgebieden waar ondertiteling primeert (Nederland en Vlaanderen bijvoorbeeld, maar ook de Scandinavische landen). Nochtans worden films sinds het digitale tijdperk in verschillende formaten aangeboden, zodat in Frankrijk ook de twee audiovisuele vertaalmethodes – version originale sous-titrée française (VOSTF) en VF (version française) – naast elkaar bestaan9.

De techniek van dubbing verschilt wel eens van land tot land. Nationale tradities zijn daarin zeer belangrijk. Over het algemeen wordt de oorspronkelijke stem van de ander, in casu van de personages of van de verteller weggevaagd en in de posteditie vervangen door dialogen die nagesproken worden in de eigen taal. Terwijl ondertiteling de aanwezigheid van de ander via de anderstalige stem prominent maakt en gezien wordt als ‘instrument tot sociale verantwoordelijkheid’ (Jorge Diaz Cintas 2012), neigt dubbing tot het uitwissen van de afstand tot het vreemde,10 waarbij de kans bestaat dat de toeschouwer de vreemde cultuurtekens als zijn eigen cultuur interpreteert (Ramière 2004: 105). In De helaasheid der dingen wordt dat echter tegengewerkt door de tekstbeelden en door korte audiosequenties – interjecties vooral – die niet vertaald c.q. gedubd werden. De vele tekstelementen die op het scherm te zien zijn (‘naar de gelijknamige roman van Dimitri Verhulst’, ‘vijf romans later’, Boons boektitel ‘De bende van Jan de Lichte’, Reetveerdegem als stationsbord, het manuscript van de jonge Gunther) blijven immers gewoon in het Nederlands staan, wat dan weer de heterolinguïstische dimensie van de Franse versie verhoogt, de aandacht van de toeschouwer vestigt op de vreemde culturele inbedding van de film en van het scherm in elk geval een anderstalige tekst- en leesdrager maakt. Dit zou zelfs als een procedé voor extra lokalisering en culturele diversiteit beschouwd kunnen worden. Daarnaast werden bepaalde woorden uit de Nederlandstalige audioband letterlijk overgenomen in de Franse versie (‘allee Pa’, ‘hé manneke’), met een Belgische couleur locale tot gevolg. Ook in dit opzicht kreeg de Franstalige gedubde versie een heterolinguïstische reikwijdte, die niet afsteekt van de Vlaamse filmproducten die zich vaak door meertaligheid kenmerken (zie bijvoorbeeld recentelijk nogRundskop).

Tot de beperkingen van dubbing hoort dat er moet worden gesynchroniseerd. Ofwel hebben we te maken met lipsynchronisatie (wanneer de lippen in een gros plan verschijnen) ofwel met temporele synchronisatie (wanneer de lippen niet erg zichtbaar worden op het scherm of het gezicht slechts drie kwart in beeld komt), wat meer soepelheid biedt op het gebied van vertaling, ook ‘eenvoudige dubbing’ genoemd (Gambier 2004: 3). In het geval van lipsynchronisatie kan wel eens van de uitgangstekst worden afgeweken en creatief (of merkwaardig) worden vertaald, omdat de lipbeweging (verwante klanken, [b] en [p] bijvoorbeeld) en het ritme en de duur van de uit te spreken sequentie primeren, zolang de globale betekenis van de film(sequentie) wordt nageleefd. Zo wordt het tedere handgebaar waarmee de grootmoeder van Gunther hem het bespaarde geld voor zijn nieuwe fiets stiekem in de hand toesteekt en met haar wijsvinger op haar lippen op discretie aandringt, in de gedubde Franse versie bijvoorbeeld met een zin verlengd: ‘ne dis rien à ton père’. Discrete lichaamstaal wordt dan woordelijk geëxpliciteerd. Dubbing-vertalers kiezen eerder voor pragmatische equivalentie (interpretatief-communicatieve vertaling) dan voor denotatieve equivalentie (letterlijke vertaling). Doorslaggevend voor de vertaler is de toegankelijkheid voor de toeschouwer en de coherentie tussen visuele tekens en lexicale keuzes: ‘l’adéquation entre l’énoncé et l’articulation labiale, entre le dit et le non-verbal, entre l’expression langagière et l’image’ (Gambier 2004: 10). Audiovisuele vertaling in het bijzonder kan ons dus veel leren over de manier waarop de verfilming door de dubbing-vertaler werd gelezen,en er een bepaalde beeldvorming in de hand wordt gewerkt bij het grote publiek.

Volgens Frédéric Chaume, die de praktijk van de dubbing in zijn boek Audiovisual Translation: Dubbing (2012) in een internationale context toelicht, leidt deze vertaaltechniek in vrijwel alle talen tot nivellering van de tekst; een verzwakking van verbloemd taalgebruik; een neutralisering van accenten; een naturalisering van culturele referenties. In De helaasheid der dingen is de taaluiting erg afhankelijk van een bepaalde sociolinguïstische groep – scheldwoorden en obsceniteiten wijzen hier op het familiaire taalgebruik van de lagere klasse – en is ze gemarkeerd door lokale verschillen in taalregisters en accenten. Bekijkt men nu de audiovisuele vertaling van dichterbij, rijst de vraag hoe deze opvallende lokale en sociologische componenten in de gedubde Franse versie werden gewaardeerd en weergegeven. Werd er gekozen voor een Belgisch-Frans taalgebruik en een aanverwant populair taalregister? Hebben we m.a.w. met dezelfde geografische, stilistische en sociologische distributie te maken? Welke strategieën en/of verschuivingen stellen we vast, wetend dat dubbing functioneler inzet op de ontvankelijkheid van het vertaalde product in de doeltaalcultuur?

3.3 Scatologische filmtitel, exotiserende beeldvorming
De titel van de Franse filmversie, La merditude des choses, kwam niet bij iedereen onder de recensenten goed aan. Een treffende vondst, oordeelde een meerderheid. Een te letterlijke voorafschaduwing van zuippartijen, scatologische toestanden en trash, bedachten anderen. Een ‘strontheid’ die niet in de oorspronkelijke boektitel terug te vinden is, merkt Dimitri Verhulst op in het interview dat naar aanleiding van dit themanummer werd afgenomen. Waar staat dergelijk plat taalgebruik en iconisch scheldwoord voor? Het steekt af tegen het hogere taalregister waardoor de literaire wereld van de belles lettres in Frankrijk zich doorgaans legitimeert (ook al is daar tegenwoordig ook veel variatie in). En over het algemeen worden scheldwoorden, vloeken en obsceniteiten, die in oraal taalgebruik en gesproken dialoog (meer) worden toegelaten,11 niet zo vanzelf­sprekend neergeschreven (Chapman 2004: 137). Werd metLa merditude des choses,als we op de titel mogen afgaan, dan in de audiovisuele vertaling van die regel afgeweken ?

De vertaalde titel bevat, net zoals de originele trouwens, geen verwijzing naar een bepaalde iconische imagologie of stereotypering gerelateerd aan Vlaanderen – laat staan aan het Nederlandse taalgebied. Her en der vallen de Franse filmcritici nochtans terug op een bepaalde beeldvorming over Vlaanderen (hetero-image). Zo wordt de Franstalige filmversie, in een poging om het vreemde cultuurproduct te duiden, in de kritiek vanuit een bestaande stereotypering in de eigen cultuur als Vlaams herkend. Daarbij wordt het pittoreske register en de Vlaamse folklore in besprekingen het vaakst uitgespeeld. Als voorbeelden gelden ‘le pays flamand’ (Le nouvel observateur, 19-05-2009), ‘un petit village des Flandres’ (Le Monde, 29-12-2009), of ‘un petit village flamand’ (Le Figaro, mei 2009; Courrier international, 30-12-2009) dat onvermijdelijk herinnert aan ‘un petit village gaulois’ uit de bekende Asterix-strips; of, in een bijkomende variant, ‘la Flandre profonde’ (La Libre, 02-05-2011), wat dan weer letterlijk aan de receptie van Hugo Claus in Franstalige gebieden doet denken (Vanasten 2005: 270–271, 277). Ook primitieve gedragingen of volkse eetgewoontes worden met graagte aangehaald: het Vlaamse bier (dat op het kaft van de pocketeditie 10/18 zou gaan pronken) vloeit, streekproducten zoals pens en waterzooi verwijzen naar een smeuïgheid (‘la truculence’,Le nouvel observateur 19-05-2009) die algemener in verband wordt gebracht met Breughel. In die zin herinnert het mediadiscours van de kritiek in Frankrijk aan de sjablonen die de Franse receptie van Claus na zijn Verdriet van België kenmerkten. Sloeg de film dan net aan (of viel het voor anderen net wat tegen) omdat het op imagologisch vlak aansluit bij een bestaand beeld van Vlaanderen in Franstalige contreien? De tendens tot lokalisering, die reeds in de Nederlandstalige boek- en filmreceptie werd waargenomen, zette zich niet in de vertaling van de titel door, maar in de beeldvorming over de film in het algemeen: meer bepaald door de stereotypering van een hetero-image aan Franstalige kant en de identificatie ermee.

De Franse titel La merditude des choses denoteert vooral een platvloerse, laag-bij-de grondse werkelijkheid en sociaal-economische armoede. Die betekenis werd ook door de kritiek waargenomen en ingevuld aan de hand van eigen culturele referenties en zo geplaatst binnen een traditie van sociale (sociaal geëngageerde) films of reportages van Belgische filmmakers: de gebroeders Dardenne met L’enfant, Le gamin au vélo, Rosetta of Le silence de Lorna die zich ook in het Luikse in minder bevoordeelde sociale milieus afspelen; Rémy Belvaux met de film C’est arrivé près de chez vous, of het succesprogramma Striptease12. Tegen deze achtergrond sloeg dit tafereel van de ‘petites gens’ in Vlaanderen ofwel net aan in Frankrijk, ofwel zorgde het voor ergernis (weer dat erbarmelijke armoedige exportbeeld van België). Tegenover de ietwat emblematische titels die de Franstalige filmproducties van sociaal geëngageerde films verkozen, kwam die ‘merditude’ in Franse vertaling als nogal onpoëtisch over.

Vanwaar die opmerkelijke verlagende vertaling dan, en de opvallende keuze voor het substantief ‘merditude’ voor ‘helaasheid’ in film (én boek later) terwijl elders de letterlijke titel ‘le caractère regrettable des choses’ had gecirculeerd (zie Courrier international, nr. 976, 16 juli 2009)? De Franse titel leunt rechtstreeks aan bij de Duitse adaptatie Die Beschissenheit der Dinge: die vertaling van Verhulsts roman kwam al in 2007 op de Duitse boekenmarkt, Van Groningen ging pas ruim een jaar later aan de slag met zijn filmproject. Het suffix -heit wijst in het Duits op de vorming van een adjectief tot een zelfstandig naamwoord (net zoals -heid in het Nederlands en het neologisme in de oorspronkelijke versie) en drukt bijgevolg een toestand of eigenschap van het basiswoord uit.13 In het Frans wordt met het suffix -tude (zoals in negritudeof in belgitude) daarbovenop een gevoel van onbehagen, onderdrukking of aanhankelijkheid bij een bepaalde groep gesuggereerd. Op die manier gaat de filmtitel in het Frans (meer dan in het Nederlands) een gemoedstoestand aanduiden, die met betrekking tot de ‘dingen’ onherroepelijk klinkt.

Een andere implicatie is dat ‘merditude’ – niet alleen als neologisme en discursieve creatie, maar ook in het verlengde van de geschetste coherentie tussen visuele en talige tekens – misschien origineler aandoet in het Frans. Dat de oorspronkelijke filmversie met behulp van de ‘helaasheid’een zekere continuïteit installeert wordt in het Frans teniet gedaan. De korte passage uit het begin van de film waarin nonkel Koen het woord ‘helaas’ uitspreekt (op zijn Nederlands) werd in de Franse versie niet vertaald of gedubd: in dit geval werd de oorspronkelijke stem van de Nederlandstalige acteur behouden. Maar door de gelijkenis tussen het Nederlandse ‘helaas’ en het Frans ‘hélas’, kunnen voor de Franse toeschouwer regio en taalidioom niet geïdentificeerd worden. De directe toespeling op de titel blijft dus in nevelen gehuld. Hetzelfde geldt voor het beeld van de schrijvende Gunther die over de drankwedstrijd van Bree op zijn schrijfmachine het woord ‘helaas’ intikt. In beide gevallen is elk letterlijk of hypertekstueel verband met de oorspronkelijke titel in de Franse gedubde versie verloren gegaan. Als effect hiervan blijft de creatie van het onbestaande woord ‘merditude’ overeind. In die zin kan gesteld worden dat merditude ondanks de semantische lading van het woord en de meergelaagde verwijzing naar de verhaalelementen ergens blijk geeft van een vorm van uniciteit en literarisering.

3.4 Linguïstische beperkingen en contrastwerking14
In de roman van Dimitri Verhulst springt de verteller heen en weer tussen heden en verleden. Die temporele breuk wordt doorkruist door afstandelijkheid en betrokkenheid, waarbij ironie zoals gezegd niet ontbreekt. In de film wordt dit onderbouwd door een kaderverhaal met de volwassen Gunther als schrijver. Die raamvertelling creëert een discrepantie tussen de off-stem van Gunther in Standaardnederlands (die literairder moet aandoen) en het vertelde, waarvan een grote portie uit dialect en regiolect bestaat. De vraag kan worden gesteld hoe een dergelijke tweetaligheid of diglossie dialect-standaardtaal (die vaak voorkomt in Vlaanderen) naar het Frans werd getransponeerd. Deze vraag is des te belangwekkender, omdat in het Frans de verschillen tussen standaardtaal en dialect anders beleefd worden. Bovendien moet bij de dubbing rekening gehouden worden met linguïstische beperkingen.

Het verschil tussen de raamvertelling en de dialogen werd in de Franse filmversie uitgewerkt aan de hand van een gemarkeerde discrepantie tussen gesproken en geschreven taal. Zo gebruikt de vertellersstem als code de formele geschreven taal, die in de audiovisuele vertaling een meer verheven en gemarkeerde indruk maakt dan in de oorspronkelijke Nederlandstalige versie. Belangrijk is dat de vertellerstekst in de fictie van de film ook naar een gefingeerde geschreven taal moet verwijzen (mimicry). Dit geschreven taalgebruik wordt op een opvallende, soms bijna karikaturale manier geïmiteerd of gesuggereerd: werkwoorden staan in de ‘passé simple’ (o.v.t.), de zinsbouw wordt aangepast en langdradiger (met apposities of bijzinnen) en nominale groepen worden vaker begeleid door adjectieven. Ook de soms licht Frans getinte uitspraak bij het inspreken van de nieuwe stem draagt hiertoe bij; bijvoorbeeld horen we bij ‘ordinateur’ een fatsoenlijke articulatie en lengte bij de laatste lettergreep, of wordt bij ‘céleri’ (selder) zoals in Franstalig België de middenklinker uitgesproken (selœRi) in plaats van doffe -e in de standaarduitspraak [sɛlRi]. Meer dan het bewijs van een regionale norm in de vertaling kan hierin allicht de talige inspanning tot registerverheffing van de jonge en volkse Gunther als verteller worden erkend. Een treffend detail schuilt nog in de vertaling van de straf die Gunther van zijn leerkracht krijgt. Dat hij ‘een absurd verhaal over Darius’ moet schrijven, werd in het Frans ‘écrire un conte absurde sur Darius’ (een verhaal wordt dus een heus sprookje). Deze elementen – die de schrijver in spe moeten kenmerken – staan in scherp contrast met de vertelde dialogen. Zoals zal blijken, komt dat ook door de teneur die deze dialogen in de gedubde versie krijgen.

Bovendien wordt het verbloemde en ironiserende taalgebruik van de verteller in het Frans geliterariseerd en behouden, zoniet aangescherpt – wat indruist tegen de ondervinding van Chaume. Bijvoorbeeld wordt de geconstateerde parallellie ‘Zijn wending was onze wending’ met betrekking tot Roy Orbison vertaald als ‘Sa résurrection était notre résurrection’. Daardoor komt het populaire belang van muziek in de film voor de Franse kijker op gelijke voet te staan met de devotie van de grootmoeder; alsof het om gelijkaardige religieuze belevingen gaat. Over de trein die ‘langs de achterkant van de wereld’ rijdt, wordt in het Frans plechtiger en toneelmatig gezegd: ‘passe par les coulisses du monde’. En op het einde, wanneer er sprake is van ‘het gevoel’ dat Gunther bekruipt om eens om de vijf jaar ‘mijn nonkels nog eens te moeten opzoeken’, vermeldt de Franse verteller ‘l’impérieux besoin de revoir mes oncles’; het ‘moeten’ is weggevallen, maar de behoefte is dwingender (en ook dubbelzinniger) geworden. De woordkeuze van de Franse verteller is meer literair en minder alledaags. In zijn discours kan een grote lexicale diversiteit worden vastgesteld (vergelijking ‘mijn vader was een sociale drinker’/ ‘mon père était un buveur convivial’, onze cursivering).

Tegelijkertijd vallen ook de vulgariteit en het platte taalgebruik van de dialogen in de Franse versie bijzonder op. Zo is Gunther in de oorspronkelijke versie het personage wiens taalgebruik misschien het minst plat of cru overkomt. Zijn dialect en verkavelingsvlaams passen in een minder laag taalregister dan dat van de andere protagonisten, waardoor hij in sociolinguïstisch opzicht ondanks zijn leeftijd ietwat boven zijn nonkels komt te staan. Op die manier slaat Felix van Groningen in zijn film een brug tussen de taal van toen (de jonge Gunther in beeld) en de taal van nu (Gunther als volwassene). Dat staat hem toe om het thema van het schrijverschap over de loop der jaren uit te werken. In de Franse audiovisuele vertaling is de discrepantie tussen de vertellersstem en de personages uitvergroot. In de Nederlandse verfilming spreken de personages Aalsters dialect. Omdat dat dialect niet rechtstreeks naar het Frans kon worden omgezet (omwille van de geringe wederzijdse verstaanbaarheid van regionale varianten van het Frans onder een grote groep Franstalige taalgebruikers?), zijn in de Franse versie compensatiestrategieën aangewend: de kwalitatieve toename van scheldwoorden, de sporadische suggestie van couleur locale en lexicale supplementen.

Aan de volgende voorbeelden is te zien hoe het mondelinge en dialectale taalgebruik in het Nederlands naar een lager taalregister wordt vertaald. Zo wordt in de mond van Gunthers vader de opmerking ‘da was ne keer e slecht idee’ in het Frans rechttoe rechtaan ‘une idée de chiotte’ genoemd. Opvallender zijn in het Frans de scheldwoorden bij Gunther zelf (vgl. ‘feitelijk lach ik de leerkrachten uit, ze lezen da toch nie’: ‘je me fous de leur gueule, j’écris des conneries de toute façon ils la [la punition, de straf] lisent pas’; ‘dien is hier gewoon op haar muil aan het slaan’: ‘l’autre con, il lui fout sur la gueule’). Dit heeft tot gevolg dat de personages, vooral Gunther, in de Franstalige versie scherpere contouren krijgen en hun taalgebruik niet alleen als regionaal of familiair overkomt, met eventueel een zekere warmte, affect en koloriet, zoals in het Nederlands, maar ook als bargoens, marginaler en misschien wat harder kan worden gepercipieerd. Hierdoor wordt het contrast tussen Gunther als personage en als verteller groter.

Gezien het Aalsters dialect zou als strategie voor de omzetting van de persoonstekst de keuze voor een Belgische variant van het Frans als natuurlijk overkomen. Een dergelijke taalbehandeling zou in elk geval passen bij de gestiek en de weinig ingetogen taaluitingen en gezichtsuitdrukkingen van de nonkels, die zich in schokkerige beelden en slechte kadrering vertalen, waardoor de lippen niet altijd erg zichtbaar worden op het scherm of het gezicht enkel met drie kwart in beeld komt. Bij Nonkel Bree (‘Baraqué’ in het Frans) is het Frans-Belgische accent misschien feller uitgesproken dan bij de anderen en ligt de associatie van zijn bijnaam (baraqué: iemand die fors gebouwd is) met de Waalse populaire benaming baraki (Ronny in het Nederlands) in elk geval voor het rapen. Verder klinkt voor ‘een kindje wegdoen’, in de Franse versie ‘le faire passer’, naar Frans-Belgisch gebruik ongewoner dan ‘le faire partir’ in de volksmond. Toch kan bij gebrek aan bijkomend en sluitend bewijsmateriaal over het algemeen niet beweerd worden dat de audiovisuele vertaling gestuurd wordt door regionale taalvariatie. Hoogstens laat de opmerkelijke vertaling van het volgende vertellerscommentaar geen twijfel bestaan over de lokale verankering van het vertelde: ‘Rien ne vous donnera une vue plus sincère de notre pays que le train’ (‘een eerlijker beeld van het land dan de trein’). De verschuiving van het bepaalde lidwoord (‘het land’) naar het bezittelijke voornaamwoord (‘ons land’) verleent aan de wereld van de protagonisten een uitzonderlijke positie en onderscheidt ze van het Franse publiek als een afgebakende groep, met uitsluiting van de anderen (‘ons’ en niet ‘jullie’). De setting meer dan het (vertaalde) taalgebruik zorgt voor differentiële identificatie bij Franstalige critici, met toegejuichte exotisering in de beeldvorming tot gevolg.

Ten slotte heeft de Franse audiovisuele vertaalinstantie aan de hand van lexicale supplementen elders compensatie gezocht voor het verlagende effect van taal in de dialogen: zo is het onbestaande fictieve dorpje uit boek en film, ‘Reetveerdegem’ in de Franse film- en romanversie grover, explicieter maar ook spelenderwijs vertaald als ‘Trou Duc Les Oyes’. ‘Trou Duc’, eigenlijk de spreektalige afkorting van ‘trou du cul’ verwijst in het Frans evenzeer naar een weinig recommandabele persoon, waar het geschetste milieu uit de film voor staat (dat is trouwens de reden waarom Gunthers nieuwe schoolkameraad Franky niet met hem mag spelen), als naar een ‘trou perdu’, een vergeten dorp en verloren gat. ‘Oyes’ is dan weer een toponymisch element (dat etymologisch betekent: ooi, een riviereneiland, vochtig land langs het water en dat het oude Pays d’Oye in Picardië, Frankrijk evoceert) maar dat ook naar les oyes (les ‘ouailles’), namelijk de volgelingen en aanhangers van een bepaalde groep – de fictieve familie Verhulst – zou kunnen verwijzen. Bij gebrek aan rechtstreekse omzetting werden regio- en dialecten door informeel taalgebruik en een zekere ruwheid, maar door creatieve vondsten, zoals hier met betrekking tot de dorpsnaam, naar het Frans getransponeerd.

4 … en Moskou

4.1 De titel Vlaamse stillevens als imagologische kijkinstructie
Op 29 juli 2010, een week voor hij in première ging in de Russische bioscoop, werd De helaasheid der dingen met ondertitels vertoond op het Moskouse openlucht-filmfestival Summer Times. Voorafgaand aan de film werd een videoboodschap van Felix van Groeningen vertoond (‘rež. Feliks van Groningen’). Daarin drukte hij, naar eigen zeggen op vraag van het Consulaat van België, de Russische kijkers op het hart ‘there’s only a very small percentage of Belgians who behave like you will see in the movie’. Inderdaad was de kans niet onbestaande dat de Russen de film zouden bekijken als een document over tenminste een deel van het Belgische volk. Deze interpretatie werd ook subtiel in de hand gewerkt door A-One Films, die aan de filmvoorstelling een fototentoonstelling koppelde met portretten van de filmpersonages door Stephan Vanfleteren. In het programma van het festival (zie ‘Flamandcy’) werd met nadruk gewezen op zijn boek Flandriens, over de Vlaamse wielrennercultuur. Bovendien is de instructie om de film te bekijken als een document over Vlaanderen expliciet aanwezig in de Russische titel Flamandskije natjoermorty, wat ‘Vlaamse stillevens’ betekent.

Filmru

De Russische filmtitel Flamandskije natjoermorty is een knipoog naar de in de Gouden eeuw door onze meesters vervaardigde schilderijen. Die geraffineerde kunstwerken spelen nog altijd een belangrijke rol in de Russische beeldvorming over onze contreien. Enerzijds is deze imagologische titelkeuze origineel: in andere talen werd geopteerd voor minder subtiele titels, zonder verwijzing naar de uitgebeelde natie. Zo heet de film in het Engels The Misfortunates, in het Duits Die Beschissenheit der Dinge, in het Frans La merditude des choses en in het Pools Boso, ale na rowerze (Blootvoets, maar op de fiets). Anderzijds sluit deze titelkeuze aan bij de manier waarop het boek onthaald is in het Nederlandse taalgebied. Daar is hevig gediscussieerd over de vraag of het boek De helaasheid der dingen al dan een typisch Vlaams karakter heeft (of typisch ‘Belgisch’, waarmee in Nederland vaak hetzelfde wordt bedoeld). In het Franse taalgebied werd de roman dan weer gretig in verband gebracht met een zekere Vlaamsheid als exponent van de Belgische cultuur in het algemeen.

Het is een heikele vraag of die vermeende Vlaamse of Belgische dimensie fundamenteel is voor de roman van Verhulst, en bij uitbreiding voor de film van Van Groeningen. Los daarvan is een dergelijke nationale interpretatie enkel mogelijk wanneer de plaats en de personages herkend worden als Vlaams of Belgisch. Voor de Nederlandse en Vlaamse lezer van het boek ligt dit voor de hand: de couleur locale is namelijk prominent aanwezig in de roman dankzij de in Vlaanderen wijdverspreide verwaarlozing van het Standaardnederlands ten voordele van een Vlaams dialect (in casu het dialect van Aalst), de Sanseveria achter het vensterglas van de voorflap, en realia zoals ‘mazout’ (mengeling van bier en cola). Bij het verfilmen van De helaasheid der dingen heeft regisseur Felix van Groeningen zich evenmin moeite getroost om de sfeer van de Belgische of Vlaamse voorstadgemeente te reconstrueren op het grote scherm. In welke mate deze Vlaamse couleur locale ook door de Russische kijkers herkend werd, is onder meer afhankelijk van de gemaakte audiovisuele vertaalkeuzes.

4.2 Voice-over-vertaling
Kort na de première kwam de film terecht in de Russische bioscoop en op het internet. In Rusland, dat pas in 2012 lid werd van de Wereldhandelsorganisatie, kan het illegaal downloaden van films nog altijd rekenen op min of meer algemene goedkeuring. Hoewel ook zuiver economische factoren meespelen, kan de Russische piraatcultuur in verband gebracht worden met de ondergrondse samizdat-cultuur die zich in de jaren ‘70 en ‘80 als tegenreactie op de officiële Sovjetcultuur ontwikkeld heeft. Volgens Strukov (2011: 246) heeft dit geleid tot ‘a collective rather that [sic] private ownership of cultural capital’. Conform deze visie op cultuurproducten, wordt ook de Russische versie van de film De helaasheid der dingen op het internet illegaal aangeboden en verspreid. Het gaat niet om een ondertitelde of gedubde versie, maar om een geval van voice-over-vertaling. Dat wil zeggen dat de oorspronkelijke stemmen niet verwijderd, maar slechts gedempt werden. De vertaling in het Russisch, ingesproken door een beperkt aantal acteurs met minimale intonatie, werd daar bovenop geplakt. Daarbij was lipsynchronisatie geen streefdoel.

De voice-over-techniek wordt in onze contreien soms gebruikt voor de audiovisuele vertaling van documentaires en reportages, maar in Oost-Europa wordt die op grote schaal gebruikt voor de vertaling van langspeelfilms (Franco 2010: 24–25). In feite worden er in Rusland verschillende technieken naast elkaar gebruikt: de Hollywoodkaskrakers worden gedubd door al dan niet bekende Russische acteurs, op filmfestivals voor cinefielen worden films vertoond met Russische ondertitels en de gemiddelde buitenlandse film wordt aan de hand van voice-over-vertaling ter beschikking gesteld. Vele West-Europeanen halen bij deze techniek hun wenkbrauwen hoog bij op, alsof het om een achterlijke vorm van audiovisueel vertalen zou gaan. Toch biedt de voice-over-techniek voordelen op ondertiteling en/of traditionele dubbing. Ten eerste kan de vertaler, indien hij dat wenselijk acht, een denotatief meer adequate vertaling afleveren, omdat hij niet beperkt is door de beweging van de lippen of door een bepaald aantal lettertekens. Ten tweede wordt de toeschouwer niet afgeleid door de lectuur van ondertitels. Ten derde behoudt hij een zeker contact met de brontaal en de originele stemmen van de acteurs: die worden niet volledig verdoezeld, maar slechts gedempt, en de vertaling weerklinkt in de regel met enkele seconden vertraging (Chaume 2012: 3). Om die reden meent Woźniak (2012: 216) dat een voice-over-vertaling ‘acts not as an alternative, but as a support for the original’.

4.3 Standaardisering van dialect en scheldtaal
De vergelijking van de originele film met de Russische voice-over-vertaling staat toe vast te stellen dat de Russische vertaler in het algemeen een bijzonder hoge graad aan denotatieve adequatie of brontekstgetrouwheid heeft bereikt. Slechts af en toe werd de oorspronkelijke betekenis gewijzigd. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de zin ‘Het was duidelijk: kinderkamers krijg je met gedichten niet afbetaald’, die vertaald is als ‘Было очевидно, что литературой нельзя оплатить няню’ [‘Het was duidelijk dat met literatuur geen kindermeid kan worden betaald’] – wat een minder betwistbare uitspraak oplevert. Er werden geen noemenswaardige toevoegingen ingelast, en ook het aantal weglatingen van stukken dialoog, zelfs als ze werden uitgesproken op de achtergrond van de eigenlijke handeling, is zeer beperkt. Toch wil dat niet zeggen dat de Russische voice-over-vertaling min of meer hetzelfde effect op de toeschouwer teweeg brengt als de originele film. Op enkele punten zijn namelijk wel significante verschuivingen vast te stellen. Dat geldt met name voor de Belgische en Vlaamse couleur locale, die onder meer tot stand komt aan de hand van eigennamen, realia en het overvloedig gebruik van Vlaams dialect.

Het belangrijkste toponiem in De helaasheid der dingen is ongetwijfeld Reetveerdegem. In Vlaanderen roept dit fictieve toponiem associaties op met de in de volksmond zogenaamde ‘anale driehoek’ (Kontich-Reet-Aartselaar), die symbool staat voor de tristesse van de Vlaamse voorsteden. Deze associatie gaat in de Russische vertaling bijna volledig verloren: de eerste maal wordt ‘Reetveerdegem’ in het Russisch gehandhaafd, met de toevoeging van het woord ‘дно’ (‘bodem’, ‘onderkant van de samenleving’), maar in het vervolg van de film wordt telkens impliciet naar deze gemeente verwezen, bijvoorbeeld aan de hand van het woord ‘деревня’ (‘het dorp’).

Belgische en Vlaamse realia in De helaasheid der dingen zijn bijvoorbeeld de verwijzingen naar de Stoet van de Voil Jeanetten, waarin mannen verkleed lopen als vrouwen, en de vermelding van de drank ‘mazout’. De deelname van de vader en ooms van Gunther Strobbe aan de Stoet van de Voil Jeanetten wordt meermaals in beeld gebracht, zonder toelichting voor de kijker dat het om een traditioneel zuiveringsritueel gaat. Op wie niet vertrouwd is met het Carnaval van Aalst, maken deze door dronken travestieten bevolkte scènes ongetwijfeld een zonderlinge indruk. Dat geldt zeker voor de doorsnee Russische kijker, die travestie associeert met de in Rusland verboden en algemeen verguisde gay pride. Hoewel de techniek van de voice-over-vertaling in theorie ruimte biedt om dergelijke realia toe te lichten aan de hand van toegevoegde vertellerstekst, is dit in Flamandskije natjoermorty niet gebeurd – met als gevolg dat de Russische kijker op de betreffende scènes enkel kan reageren met onbegrip. Ook wat de vertaling van ‘mazout’ betreft, is de vertaler weinig creatief te werk gegaan: dit begrip is niet omschreven of toegelicht, maar eenvoudigweg weggelaten: ‘Hier ze, ne mazout, dat drinken wij hier!’ is vertaald als ‘Вот, вот, что пьют у нас!’ (‘Ziehier, zie wat men bij ons drinkt!’). ‘Vier trappisten’ klinken in het Russisch als ‘четыре пивa’ (‘vier biertjes’), wat een hyperoniem is. Het procedé van de omschrijving, eveneens met verlies van coloriet tot gevolg, werd dan weer gebruikt voor de vertaling van ‘smurf’: ‘игрушка’ (speeltje). Het door Vlamingen als typisch gepercipieerde gerecht ‘ne kleine met stoofvleessaus’ werd geconcretiseerd tot ‘[жареная картошка] с мясным’ (‘friet met vleessaus’) – wat dankzij het succes van McDonald’s in Rusland ook daar een gekende snack is (behoudens dan de saus).

Hoewel eigennamen en realia onontbeerlijk zijn voor de totstandkoming van de Belgische of Vlaamse sfeer in De helaasheid der dingen, speelt dialectisch taalgebruik daar een nog meer prominente rol in: de hoofdpersonages richten zich tot elkaar in een Oost-Vlaams dialect. Deze uitgesproken keuze voor een van het Standaardnederlands afwijkende taalvariëteit strookt met de realiteit in Vlaanderen, waar nog altijd behoorlijk wat dialect wordt gesproken. Terwijl dit taalgebruik in het boek door Verhulst niet gereproduceerd, maar gesuggereerd wordt, aan de hand van woorden als ‘ge’, ‘nonkel’ en ‘poepen’ (in de betekenis van ‘neuken’) bijvoorbeeld, zijn de dialogen in de film met meer consequentie dialectisch gemaakt. Een van de kenmerken daarvan is het overvloedige gebruik van Franse leenwoorden uit het Frans, zoals ‘madam’, ‘vélo’ (fiets), ‘ménage’ (huishouden) en ‘kastaar’ (kwibus; afgeleid van ‘costaud’, wat eigenlijk ‘gespierd’ betekent). In de Russische voice-over-vertaling is van dialectisch taalgebruik evenwel amper nog een spoortje terug te vinden: de volledige tekst van alle dialogen werd weergegeven in een gestandaardiseerde variant van het Russisch. Zo klinkt ‘Allé, pa!’ in het Russisch als ‘Осторожно, папа!’ (‘Voorzichtig, papa!’) en ‘Houdt erover op, ‘t is mijn ménage!’ als ‘Перестань, это мое дело!’ (‘Houd op! Dat is mijn zaak.’). De enige indicatie voor de Russische kijker dat de personages geen standaardtaal spreken, is de handhaving van ‘madam’ als ‘мадам’ (‘madame’). De Russische kijker herkent dit woord als een Frans leenwoord, maar dat wordt eerder geassocieerd met hoogdravend of sarcastisch taalgebruik (aangezien Frans in tsaristisch Rusland de taal van de adel was) dan met volks taalgebruik.

Het dialectisme van de personages in De helaasheid der dingen gaat hand in hand met een opvallend laag taalregister, waarbij seksueel getinte krachttermen en scheldwoorden niet worden geschuwd. In heel wat scènes wordt een of andere idiomatische uitdrukking gebruikt waarin het woord ‘kloot’ verwerkt is. Vrouwelijke personages worden, al dan niet achter hun rug, ‘vrouwmens’, ‘wijf’, ‘trut’, ‘slet’ en ‘(vuil) hoer’ genoemd. Bovendien wordt het lichaam van de vrouwelijke personages voorzien van commentaar van het type ‘d’r hangt tamelijk wat tet aan’. De kers op de taart van dit jargon is het zogenaamde Pruimenlied, dat in verschillende scènes van de film gezongen wordt. In de Russische voice-over-vertaling is het taalregister aanzienlijk opgekrikt. Er is een onmiskenbare tendens om de krachttermen en scheldwoorden af te zwakken of zelfs te neutraliseren. Dat geldt met name voor de uitdrukkingen met ‘kloot’: ‘klootzak’ wordt het minder scherpe ‘мерзавец’ (‘schoft’); ‘Mijne vélo is naar de kloten’ wordt ‘Мой велик сломался’ (‘Mijn fiets is kapot’); ‘ik zwoeg me de kloten van tussen mijn benen’ wordt ‘Я в узел завезаюсь’ (‘Ik leg mezelf in de knoop.’); ‘ik draai hem, godverdomme, met zijn kloten in de gekaptmolen’ wordt ‘из него фарш сделаю’ (‘ik zal van hem gehakt maken’); ‘met zijn kloten op de grond!’ wordt ‘прямо на задницу!’ (‘recht op zijn achterwerk!’); ‘Als de polies hare leeftijd te wete komt, hebde ‘t spek aan ha klote.’ wordt ‘Если полиция узнает сколько ей лет, вам достанется.’ (‘Indien de politie te weten komt hoe oud ze is, dan krijgen jullie op jullie donder.’); ‘zijde gelle me mijn kloten aan ‘t spelen?’ wordt ‘Что вы меня докопались?’ (‘Waarom hebben jullie me laten komen?’). Ook de denigrerende verwijzingen naar de vrouwelijke personages en naar delen van het vrouwelijke lichaam, zijn enigszins verzacht: ‘vrouwmens’ en ‘wijf’ worden beide ‘женщина’ (‘vrouw’); ‘vuil hoer’, wat betrekking heeft op de moeder van het hoofdpersonage, wordt ‘черт возьми’ (‘de duivel hale haar’) respectievelijk ‘грязная шлюха’ (‘vuile slet’); ‘pruim’ wordt ‘киська’ (‘poesje’); ‘d’r hangt tamelijk wat tet aan’ wordt het iets minder figuratieve en platvloerse ‘с парой отличных сисок’ (met een stel excellente tieten).

De vastgestelde standaardisering van het Vlaamse dialect en van de scheldtaal behoeft geen verbazing. Een zekere mate aan standaardisering is kenmerkend voor alle vormen van vertaling; zoals bekend noemt Toury (1995: 267–274) deze tendens zelfs ‘a translation law’. Verscheidene vertaalwetenschappelijke onderzoeken naar dit aspect van audiovisuele vertaling leiden tot gelijkaardige conclusies.15 Bovendien is standaardisering bij voice-over-vertaling nog meer wijd verspreid dan bij dubbing. Volgens Franco et al. (2010: 78–79) komt dit door het streven om ‘the comprehension of the final audiovisual product’ te vergemakkelijken. Het zou ook een bijwerking kunnen zijn van het feit dat audiovisuele vertaling vaak indirect tot stand komt: het is gebruikelijk dat de vertalers een Engelse moedervertaling van de Nederlandstalige dialooglijst krijgen.

Om te begrijpen waarom het lage register in zo’n aanzienlijke mate gestandaardiseerd werd in de Russische vertaling, moet echter ook de specifieke Russische cultuur in rekening worden gebracht. Zo zijn dialecten in Rusland relatief slecht ontwikkeld. Een verklaring voor de sterke afzwakking van de krachttermen en scheldwoorden, is ook het feit dat dit soort lexicon in Rusland wel rijkelijk bestaat, maar traditioneel buiten de publieke ruimte wordt gehouden. De intolerantie van de Russen jegens onwelvoeglijk taalgebruik is geïnstutionaliseerd: de Russische wetgever stelt het gebruik van woorden als ‘блядь’ (‘hoer’) in de publieke ruime, met inbegrip van literatuur en de media, strafrechtelijk vervolgbaar. Volgens artikel 20.1 van de Codex der Administratieve Overtredingen van de Russische Federatie komt het ongecensureerd gebruik van ‘onwelvoeglijke taal’ neer op een schending van de openbare orde die gesanctioneerd kan worden met een maximumstraf van 15 dagen gevangenis. Welke woorden precies onwelvoeglijk zijn, is niet helemaal duidelijk, maar er is een consensus dat dit alleszins geldt voor ‘блядь’ (‘hoer’), ‘хуй’ (‘pik’), ‘ебать’ (‘neuken’), ‘пизда’(‘kut’).16 Uiteraard zijn de lexicale keuzemogelijkheden van de (audiovisuele) vertaler daardoor beperkt – al bestaan er voor ieder van deze woorden (quasi-)synoniemen, die wel toelaatbaar zijn. In dit verband moet ook opgemerkt worden dat Russische films in de regel weinig seksueel getint zijn. Hashamova (2007: 89) wijst ter verklaring op ‘the long Russian puritanical traditions as well as the Soviet years when the existence of sexuality was denied’.17

4.4 Losweking uit de Vlaamse context
Het behoeft geen betoog dat de standaardisering van het dialectische taalgebruik een van de meest opvallende kenmerken van de film teniet doet. Als gevolg van die standaardisering ontstaat er een effect van delokalisering, in de letterlijke zin van het woord: het verhaal wordt losgeweekt uit de Vlaamse en/of Belgische context.

Te oordelen naar de beschikbare internetreacties van kijkers (zoals te lezen op de websites Kinopoisk.ru, Filmsimhonet.ru en Megacritic.ru), wordt de Vlaamse context van de film door de kijkers volstrekt onbelangrijk gevonden – wat in contrast staat met de expliciete verwijzing naar Vlaanderen in de titel. Hoewel deze kijkers onderling een erg verschillend profiel en verschillende status kunnen hebben, suggereren deze reacties dat de film in Rusland gunstig is ontvangen, maar niet zozeer als een document over Vlaanderen, maar wel als een verhaal over ‘не очень-то удачливaя провинциальнaя семейкa’18 (ееn niet erg succesvol gezin uit de provincie), ‘жизнь подростка в семье алкоголиков’19 (‘het leven van een puber in een gezin van alcoholici’), over hoe ‘ростой мальчик из не очень благоприятной семьи смог стать нормальным мужчиной’20 (‘een gewone jongen uit een niet erg welvarend gezin die? een normale man kon worden’). Indien de gebeurtenissen van de film uitzonderlijk dan toch in verband worden gebracht met een concrete geografische regio, dan is dat niet zozeer Vlaanderen, maar héél Europa: ‘Это фильм о сегодняшней дикой Европе.’21 (Dit is een film over het hedendaagse losgeslagen Europa); ‘Грустный взгляд на нынешнее состояние ожиревшей и погрязшей в плебеских излишествах Европы.’22 (Een trieste blik op de eigentijdse toestand van het van zijn plebejische excessen oververzadigde Europa.)

Om te verklaren waarom deze film door de Russen niet gezien lijkt te worden als een document over Vlaanderen, kunnen verschillende factoren worden vermeld. Ten eerste is de Vlaamse sfeer voor de Russische kijker minder prominent aanwezig als gevolg van de uitdunning van de Vlaamse couleur locale in de voice-over-vertaling. Hier tegenover staat het feit dat de macht van de audiovisuele vertaler in vergelijking met die van een literair vertaler beperkt is: terwijl in een boek alles wordt verteld met woorden, en de vertaler dus ieder aspect van het verhaal kan modificeren, wordt een verhaal in een film grotendeels met beelden verteld, waar de vertaler geen macht over heeft. Het zou dus overdreven zijn om te stellen dat de Vlaamse couleur locale door de Russische voice-over-vertaling grotendeels verloren gaat, aangezien die behalve met taal ook tot uitdrukking wordt gebracht met beelden (kledij, kapsels, straten, binnenhuisinrichting, etc.). Dat de film als geheel niettemin toch geen ‘Vlaamse’ indruk maakt op de Russische kijker, heeft dan ook vooral te maken met een tweede factor: het verschillende referentiekader; de Vlaamse cultuur, met name die van de voorsteden, geniet in Rusland nu eenmaal geen bekendheid.

Voor zover Russen zich al voorstellingen maken over het hedendaagse Vlaanderen, zijn deze eerder positief. De door Russische toeristen meest bezochte Vlaamse stad is Brugge, dat bewonderd wordt om zijn goed onderhouden of gereconstrueerde geraffineerde historische architectuur. De voorstelling dat Vlaanderen gekenmerkt wordt door alcoholmisbruik, heeft geen plaats in de Russische stereotypering over Vlaanderen. Dit is nu eenmaal een gegeven dat Russen eerder associëren met hun eigen nationale cultuur, aangezien alcoholisme hun nationale ziekte is. Achteraf beschouwd, begrijpt de Russische kijker dat de ‘пасторалное’23 (pastorale) titel Flamandskie natjurmorty (Vlaamse stillevens) ironisch bedoeld was.

Films gericht op entertainment werken meestal clichébevestigend. Gonzalez Ruiz & Cruz Garcia (2007: 229) menen dat kijkers die een film voorgeschoteld krijgen die niet beantwoordt aan het cliché van een bepaalde natie zich gemakkelijker vergissen over de plaats waar het verhaal zich afspeelt. In lijn hiermee kan worden vermoed dat de nationale interpretatie van De helaasheid der dingen in Rusland door de gemiddelde kijker niet weerhouden wordt, omdat die in strijd is met de bestaande stereotypen over Vlaanderen. Bovendien werd het shot waarin de titel De helaasheid der dingen letter per letter in beeld wordt gebracht bij aanvang van de film, als afkomstig uit een typemachine, in de Russische versie weergegeven in het Duits: Die Beschissenheit der Dinge. Ongetwijfeld is deze vertaalkeuze gericht op het verhogen van de begrijpelijkheid: in Rusland is kennis van het Duits relatief goed verspreid. Een ongewenste bijwerking is dat dit de verwarring over de plaats waar de film zich afspeelt in de hand werkt.

4.5 Het verlies van literariteit
De toegepaste vertaalstrategie heeft niet enkel een delocaliserend effect in letterlijke zin, maar ook in figuurlijke zin: ook de perceptie van de film als boekadaptatie, die expliciet gethematiseerd wordt door Van Groeningen, wordt door de vertaalprocedés bemoeilijkt.

De voice-over van de verteller, wiens tekst speciaal onder handen genomen is door Dimitri Verhulst, werd ook aanzienlijk gestandaardiseerd door de Russische vertaler. Ditmaal gebeurde de standaardisering naar onderen toe: bepaalde enigszins literair aandoende zinsneden klinken in het Russisch veel gewoner. Een illustratie van deze nivellering is bijvoorbeeld het voice-over-commentaar ‘Terwijl mijn vader de oorlog tegen zijn verslaving was aangegaan, was Koen ingetrokken bij een nieuwe vlam’. Die wordt in vertaling: ‘Пока отец проходил курс реабилитации, Коен поселился у своей новой подружки’ (Terwijl mijn vader een rehabilitatiecursus volgde, trok Koen in bij zijn nieuwe vriendinnetje).

Als gevolg van de systematische standaardisering wordt de sociale kloof tussen de volwassen schrijver (tevens de voice-over-verteller van het raamverhaal), en zijn marginale ooms, versmald. Deze nivellering komt dus zowel van onderen als van boven: in vertaling klinken de marginale ooms minder plat en de raamverteller minder literair. Als bijwerking van deze nivellering verliest de film een groot deel van zijn literair karakter, aangezien de literair aandiende tekst van de verteller in de film het thema van het schrijverschap in de verf zet.

Dit effect van deliterarisering wordt verder in de hand gewerkt door het feit dat de tekst ‘naar de gelijknamige roman van Dimitri Verhulst’ in de begingeneriek onvertaald is gelaten. Wel is de waarschuwing (het citaat van Strobbe) van de film vertaald, maar is op een bijzonder ambigue manier gebeurd: het citaat ‘De eventuele gelijkenis van bepaalde personages in dit boek met bestaande personen berust op louter mensenkennis’ is vertaald als ‘Любое сходство между персонажани романа и реальными людьми возникло исключительно вследествие глубокого пониманию человеческой природы.’ (‘Iedere gelijkenis tussen personages van een boek/het boek en reëel bestaande mensen is louter het gevolg van een diepe mensenkennis.’). Gezien de verwarring in het Russisch tussen bepaald en onbepaald (een boek en het boek) – wat een gevolg is van het ontbreken van lidwoorden in het Russisch –, valt uit deze waarschuwing niet af te leiden dat de film gepresenteerd wordt als een door het hoofdpersonage geschreven boek. De Russische kijker krijgt, in tegenstelling tot de Nederlandse of Franstalige kijker, dus geen duidelijke informatie dat hij naar een boekverfilming kijkt. In feite werkt de Russische versie van de film De helaasheid der dingendan ook niet langer als een adaptatie. Om van een ‘adaptatie’ te kunnen spreken, moet een cultuurproduct immers als zodanig herkenbaar zijn (Hutcheon 2006).

Het thema van het schrijverschap, dat in de film De helaasheid der dingen prominenter of alleszins explicieter aanwezig is dan in het gelijknamige boek, wordt in de Russische audiovisuele vertaling dus opnieuw naar de achtergrond geschoven. Sowieso was de verwijzing van het gesofisticeerde spelletje dat de film speelt met het genre van de boekverfilming in Rusland problematisch, aangezien de schrijver Verhulst bij het Russische publiek geen enkele bekendheid geniet.

4.6 Een film over vaders en zonen
Voor de manier waarop De helaasheid der dingen in het Nederlandse en Franse taalgebied wordt bekeken zijn twee dingen belangrijk: de herkenbaarheid van de film als Vlaams (of Belgisch) en als verfilming van een populair boek. Beide interpretaties zijn moeilijker in een Russische context, waar de Russische kijkers afhankelijk zijn van een vertaalstrategie die de delokalisering en de deliteralisering in de hand werkt.

Uiteraard ondermijnt een dergelijke vertaalstrategie de eventuele hoop dat de Russische receptiebereidheid voor het Vlaamse boek De helaasheid der dingen bevorderd wordt door de verspreiding van de film. In Rusland heeft het Vlaams Fonds der Letteren, dat de film gebruikte in zijn internationale promotiecampagne voor het boek De helaasheid der dingen, geen enkele uitgever warm gekregen om een Russische vertaling uit te brengen (terwijl dit wel gelukt is in andere niet-Europese landen, zoals Zuid-Korea, China en Japan).

De oorspronkelijke receptielogica van De helaasheid der dingen blijkt dus onderweg naar Moskou verloren geraakt te zijn, of veranderd te zijn. Die verandering hoeft niet beschouwd te worden als een verarming. Ook zonder de interpretatie van de film als document over Vlaanderen of als boekadaptatie, biedt De helaasheid der dingen namelijk een verhaal dat Russen kan aanspreken. De delocalisering werkt een meer universele interpretatie in de hand. Met name het thema van de relatie tussen vader en zoon wordt in Rusland traditioneel bijzonder belangrijk gevonden. Toergenev wijdde hieraan de beroemde roman Vaders en zonen. Volgens Hashamova (2007), die onderzoek deed naar de Russische verbeelding van het Westen in films gemaakt in het post-Sovjettijdperk, is met name het thema van de zwakke vader met de sterke zoon opvallend populair in Russische films van de eenentwintigste eeuw. Bekroonde voorbeelden zijn De terugkeer (2003) van Andrej Zvjagincev en Koktebel (2003) van Boris Chlebnikov en Aleksej Popogrebski. De in Rusland recent opgekomen cinematografische belangstelling voor falende vaders met beloftevolle zonen verklaart Hashamova (2007: 116; 120) aan de hand van Freudiaans geïnspireerde theorievorming:

‘the nostalgia for the return of the paternal figure in Russian culture results from the particular political tradition of upholding the leader as the father of the nation, a tradition that faded away in the last quarter of the twentieth century. Most recent Russian films exploring father-son relationships address some of the universal aspects of this relationship as well as some of its Russian manifestations’ […] ‘all these films […] in an apparent or more latent way reverse the roles of fathers and sons and portray the sons as more adequate, reliable, and ready to forgive their fathers. […] These films open space for imagining the future of society with strong sons in the absence of mighty fathers.’

Een dergelijke psychodynamische visie op de Russische cinematografische belangstelling voor de vader-zoonrelatie als een uiting van een collectief Russisch verlangen naar het herstel van patriarchale waarden, valt onmogelijk hard te maken. Wat daarentegen buiten kijf staat, is dat de film De helaasheid der dingen, waarin een zoon met een falende vader ondanks zijn familiale voorgeschiedenis ontkomt aan de marginaliteit en zijn levensdoel realiseert om schrijver te worden, bij deze thematiek naadloos aansluit. Op die manier ontstaan nieuwe transtekstuele relaties.
Gunther
Gunther Strobbe met zijn vader in De helaasheid der dingen

Ivan Andre
Ivan en Andrej met hun vader in De terugkeer

5 Slotbeschouwing

Aan de hand van drie casussen, die het boek en/of de al dan niet vertaalde film De helaasheid der dingen in zijn eigen discursieve en historische context plaatsen, onderzochten we de internationale receptie van De helaasheid der dingen in het Nederlandse en Franse taalgebied, en in Rusland.

In het boek De helaasheid der dingen vallen de literariteit en ironie op: de afstand tussen vroeger en nu, tussen de verteller en zijn jongere ‘ik’ wordt daarin uitgedrukt. In de film wordt die breuk niet enkel in taal uitgedrukt, maar ook met filmische middelen als muziek en beeld en de techniek van de raamvertelling. Het boek heeft in de journalistieke kritiek (vooral in Nederland) aanleiding gegeven tot een autobiografische, mimetische, zelfs stereotyperende lectuur. De film zet sterker en explicieter dan het boek in op fictionalisering, als procedé en als thema, wat een mimetische interpretatie enigszins bemoeilijkt. De film vertelt niet enkel delen van de roman De helaasheid der dingen, maar is ook gebaseerd op andere boeken van Verhulst, op andere films, op de ‘look’ van het fotoboek ‘Belgicum’ van Stephan Vanfleteren enzovoort. Ook de geheel eigen parateksten van de film, zoals de affiche van de naakte fietsers (en de extras op de dvd bijvoorbeeld), creëren voor de film een eigen discursief en beeldend universum, dat maar gedeeltelijk overlapt met dat van het boek.

In Frankrijk opende de gedubde film La merditude des choses de weg voor de romanvertaling onder de gelijknamige titel. De receptie van het boek en de receptie van de film zijn dus in omgekeerde volgorde dan in het Nederlandse taalgebied met elkaar verstrengeld geraakt. In Rusland is dat bij gebrek aan een boekvertaling niet gebeurd. Toch heeft De helaasheid der dingen ook daar een Nachleben gekregen, als Flamandskije natjoermorty. Conform de nationale tradities werd de film in Frankrijk verspreid in gedubde versie en in Rusland in voice-over-vertaling. Deze technieken hebben zeer verschillende vertalingen opgeleverd: terwijl in de Franse dubbing de discrepantie tussen vertellersstem en de personages groter is geworden (door de verteller nog meer literair en de personages nog vulgairder te laten spreken), is deze in de Russische voice-over-vertaling verkleind (door de stemmen van de verteller én van de personages te standaardiseren). Als gevolg daarvan komt het thema van het schrijverschap in de Russische vertaling minder in de verf te staan.

Interessant is ook de vaststelling dat het lokale, Vlaamse of Belgische karakter in de Franse vertaling maar sporadisch gesuggereerd wordt, terwijl dit in de Russische versie allerminst het geval is. De film werd daarentegen door Franstalige critici in verband gebracht met Vlaanderen en België, terwijl deze regionale beeldvorming voor Russische kijkers ook niet relevant gevonden werd. Dat heeft uiteraard te maken met het feit dat de ontvangende culturen een verschillend denotatum24 hebben tegenover de Nederlandstalige broncultuur, waardoor ze bepaalde (visuele, talige) tekens niet per se als specifieke culturele referenten (of: betekenaars) interpreteren. Omdat de film in het Franse taalgebied aansloot bij een bestaand succesvol imago van de Vlaamse literatuur en cultuur, kon daarop worden ingespeeld bij de receptie. Wel werd de Franse scatologische titel La merditude des choses in Franstalig België eerder in verband gebracht met de eigen culturele referenten (de sociale film bijvoorbeeld) dan met de verwachte ‘Vlaamse’ of ‘Belgische’ couleur locale (inclusief platvloersheid). De regionale componenten werden in de Franse vertaling herverdeeld over stilistische en sociologische categorieën. De imagologische kijkinstructie die vervat zit in de Russische titel Flamandskije natjoermorty (Vlaamse stillevens) werd daarentegen teniet gedaan door de gemaakte vertaalkeuzes. Vanwege het Russische referentiekader, waarin de Vlaamse cultuur amper een rol speelt, kon in Rusland veel moeilijker aansluiting worden gezocht bij een iconografische traditie. Daar tegenover staat dan weer dat de film in Rusland, eenmaal ontdaan van zijn Vlaamse of Belgische karakter, naadloos aansluit bij de recente cinematografische belangstelling voor zwakke vaders met sterke zonen. Wat oorspronkelijk een verfilming van een boek was, gaat op die manier een eigen leven gaat leiden.

Net als de verfilming zelf illustreren de Franse en de Russische audiovisuele vertalingen ‘the capacity’ van Verhulsts werk, ‘to generate new versions in the form of other texts or other media’ (Rigney 2012: 12). Die capaciteit wint aan kracht dankzij de verschillende vertaaltradities, die vanwege verschillende linguïstische, socioculturele en iconische beperkingen verschillende verschuivingen in de hand werken.

Bibliografie

Van Reetveerdegem…

Brusselmans, Herman. 2007. ‘De dokter bellen van het lachen’, NRC Handelsblad, 19-01-2007.

Cloostermans, Mark. 2006. ‘En de nieuwe Brel heet Dimmetrieken’, De Standaard, 27-01-2006.

Dijk, Yra van. 2007. ‘De weidse kloof tussen twee “ikken”’, NRC Handelsblad, 12-01-2007.

Fortuin, Arjen. 2006. ‘De Belgen zijn beter’, NRC Handelsblad, 27-01-2006.

Holthof, Marc. 2009. z.t., Etcetera, 27: 119, p. 62–64.

Hutcheon, Linda. 2006. A Theory of Adaptation, New York: Routledge.

Imschoot, Tom van. 2007. ‘Ergens in België, de schaamte voorbij’, Ons Erfdeel, 50:2, p. 52–63.

Pam, Max. 2006. ‘Laat duizend scheten waaien’, De Tijd, 3-02-2006.

Parks, Tim. 2010. ‘The Dull New Global Novel,’ The New York Review of Books, 09-02-2010.

Peters, Arjan. 2006. ‘Geen Einstein te bekennen in Reetveerdegem,’ de Volkskrant, 27-01-2006.

Pfeijffer, Ilja Leonard. 2007. ‘Roman of kluwen van losse eindjes?’, NRC Handelsblad, 26-01-2007.

Raengo, Alessandra. 2005. Literature and Film: A Guide to the Theory and Practice of Film Adaptation. London: Blackwell Publishing, p. 1–52.

Rigney, Ann. 2012. The Afterlives of Walter Scott. Memory on the Move. Oxford: Oxford University Press.

Schouten, Rob. 2006. ‘Klaar met de verdrietjes van België’, Trouw, 13-05-2006.

Stam, Robert. 2009. ‘Introduction: The Theory and Practice of Adaptation’, in: idem &

VAF-jaarverslag 2009, http://www.vaf.be/uploads/media/VAF_jaarverslag_2009.pdf

Verhulst, Dimitri. 2006. De helaasheid der dingen. Amsterdam: Contact.

Wolfs, Karin. 2010. ‘Fietsen zonder steunwieltjes: “De helaasheid der dingen”, de film’, Ons Erfdeel, 53:1, p. 140–141.

… naar Trou Duc Les Oyes…

Anoniem. 2009. ‘« La Merditude des Choses » fait rire la Croisette’, Le nouvel Observateur,19-05-2009.

Chapman, Chen. 2004. ‘On the Hong Kong Chinese Subtitling of English Swearwords’, Meta: journal des traducteurs / Meta: Translators’ Journal, vol. 49, n° 1, p. 135–147.http://id.erudit.org/iderudit/009029ar

Delabastita, Dirk. 1990. ‘Translation and the Mass Media’, in:S. Bassnett & A. Lefevere (eds.), Translation, History and Culture.London / New York: The Pinter Press, p. 97–109.

Díaz Cintas, Jorge. 2012. ‘Clearing the Smoke to See the Screen: Ideological Manipulation in Audiovisual Translation’, in: idem (ed.), La manipulation de la traduction audiovisuelle/ The manipulation of Audiovisual Translation [Meta: journal des traducteurs / Meta: Translators’ Journal], vol. 57, 2, juni, p. 279–293.

Dingbats, Zapf. 2010. ‘Matière à dispute. De la merditude’, L’Avenir, 25-01-2010.

Duplat, Guy. 2011. ‘Ces clochards magnifiques’, La libre, 02-05-2011.

Ekker, Jan Pieter. 2009. ‘« La Merditude des choses », une minde d’or’, Le Courrier International, 30-12-2009. (Vertaald uit de Volkskrant)

Gambier, Yves (ed.). 2001. (Multi)Media Translation. Concepts, Practices and Research,Amsterdam & Philadelphia: John Benjamins.

Gambier, Yves. 2004. ‘La traduction audiovisuelle: un genre en expansion’, in: idem (ed.),Traduction audiovisuelle/Audiovisual Translation [Meta: journal des traducteurs / Meta: Translators’ Journal], vol. 49, nr. 1, avril, p. 1–11.

Laval, Martine. 2011. ‘« La Merditude des choses », le livre’, Télérama, 02-03-2011.

Nizet, Adrienne. 2011. ‘« La Merditude » enfin en français!’, Le Soir, 18-03-2011.

Ramière, Nathalie. 2004. ‘Comment le sous-titrage et le doublage peuvent modifier la perception d’un film: analyse contrastive des versions sous-titrées et doublées en français du film d’Elia Kazan, A Streetcar Named Desire (1951)’, in : Yves Gambier (ed.), Traduction audiovisuelle/Audiovisual Translation [Meta: journal des traducteurs / Meta: Translators’ Journal], vol. 49, nr. 1, avril, p. 102–114.

Sotinel, Thomas. 2009. ‘« La Merditude des choses »: roman d’initiation au milieu des chopes de bière »‘, Le Monde, 29-12-2009.

Vanasten, Stéphanie. 2005. ‘ «Appelez-moi empereur». Hugo Claus in het Franse pantheon’, in: Het teken van de ram. Bijdragen tot de Claus-studie, Amsterdam: De Bezige Bij, nr. 4, p. 263–278.

Verhulst, Dimitri. 2011. La Merditude des choses. Trans. Danielle Losman. Paris: Denoël / Denoël et d’ailleurs.

Verhulst, Dimitri. 2013. La merditude des choses. Trans. Danielle Losman. Paris: 10–18 / « Domaine étranger ».
… en Moskou

Bucaria, Chiara. 2007. ‘Humour and other catastrophes: dealing with the translation of mixed-genre TV-series’, in: Aline Remael & Josélia Neves (eds.). Linguistica Antverpiensia. A Tool for Social Integration? Audiovisual Translation from Different Angles, 6. p. 235–254.

Chaume, Frederic. 2012. Audiovisual Translation: Dubbing. Manchester: St. Jerome.

Chiaro, Delia. 2007. ‘Not in front of the children? An analysis of sex on screen in Italy’, in: Aline Remael & Josélia Neves (eds.). Linguistica Antverpiensia. A Tool for Social Integration? Audiovisual Translation from Different Angles, 6, p. 255–276.

‘Flamandcy.’ A-One Films. http://a-onefilms.com/blog/789

‘Flamandskie natjurmorty.’ Cinema.spb.ru. http://www.cinema.spb.ru/forum.php?showthread=1&fid=1&tid=1695

‘Flamandskie natjurmorty.’ Megacritic.ru. http://www.megacritic.ru/film/1276.html

‘Flamandskie natjurmorty. De helaasheid der dingen’ http://www.kinopoisk.ru/film/427429/

Franco, Eliana, Anna Matamala & Pilar Orero. 2010. Voice-over-translation. An overview.Bern: Peter Lang.

Gonzalez Ruiz, Victor M. & Laura Cruz Garcia. 2007. ‘Other voices, other rooms? The relevance of dubbing in the reception of audiovisual products’, in: Aline Remael & Josélia Neves (eds.). Linguistica Antverpiensia. A Tool for Social Integration? Audiovisual Translation from Different Angles, 6. p. 219–233.

Hashamova, Yana. 2007. Pride & Panic. Russian Imagination of the West in Post-Soviet Film.Bristol/Chigaco: Intellect Books.

Hutcheon, Linda. 2006. A Theory of Adaptation, New York: Routledge.

Kaufmann, Francine. 2004. ‘Un exemple d’effet pervers de l’uniformisation linguistique dans la traduction d’un documentaire: de l’hébreu des immigrants de “Saint-Jean” au français normatif d’ARTE’, Meta: journal des traducteurs / Meta: Translators’ Journal, 49: 1, p. 148–160.

‘Na Kamčatke klassika Dostoevskogo čut’ ne zasudili za “podstrekatel’stvo iz-za romana “Idiot”’. Newsru.com http://www.newsru.com/russia/31jul2013/dostoevskyi.html [31-07-2013]

‘Otzyvy o fil’me Flamandskie natjurmorty’. Imhonet.ru.http://films.imhonet.ru/element/1133266/opinions/

‘rež. Feliks van Groningen, Flamandskie natjurmorty.’ Youtube. http://youtu.be/Fu_nsOrLuSo

‘Stoit li vam smotret’ fil’m “Flamandskie natjurmorty.” ?’ Imhonet.ru.http://films.imhonet.ru/element/1133266/opinions/

Strukov, Vlad. 2011. ‘Translated by Goblin. Global challenge and local response in Post-Soviet translations of Hollywood films’, in: Brian James Baer (ed.), Contexts, Subtexts and Pretexts. Literary translation in Eastern Europe and Russia, Amsterdam & Philadelphia: John Benjamins, p. 235–248. [= Benjamins Translation Library Volume 89]

Toury, Gideon. 1995. Descriptive Translation Studies and Beyond. Philadelphia: John Benjamins.

Woźniak, Monika. 2012. ‘Voice-Over or Voice-in-between? Some Considerations about Voice-Over Translation of Feature Films on Polish Television’, in: Aline Remael, Pilar Orero & Mary Carroll (eds). Audiovisual Translation and Media Accessibility at the Crossroads. Media for All 3. Amsterdam & New York: Rodopi.

Noten
1 Acculturatie is een proces waarbij elementen uit de ene cultuur worden overgenomen door een andere cultuur en tot op zekere hoogte aangepast worden aan de daar heersende normen en waarden.
2 Over Boon als kritische toetssteen voor de Vlaamse literatuur, schreef Floor van Renssen een hoofdstuk getiteld ‘Het spook van Boon’ in haar boek Lezer, er zijn ook Belgen? In de film zie je Sylvie De bende van Jan de Lichte van Boon lezen, op het moment dat nonkel Petrol in zijn onderbroek de duiven van de buurman aan het neerschieten is. In het boek lezen we iets anders: ‘Ondertussen las zij boeken die haar slimmer maakten, bespraakter, en die op termijn een nog grotere kloof zouden slaan tussen haar en de rest van de familie.’ Het is duidelijk dat Sylvie hier als een soort alter ego van Dimitri zelf optreedt.
3 Een autodiëgetische verteller is een verteller die zijn eigen verhaal vertelt.
4 Voor een interessant artikel over de functies van zo’n ‘waarschuwing’, zie B. Magné, Toute Ressemblance…, http://www.fabula.org/effet/interventions/19.php (geraadpleegd op 4 december 2013).
5 Denoël & D’Ailleurs, vertaling Danielle Losman. In 2013 verscheen, nog steeds bij Denoël, een paperback-versie.
6 Voordien werd van Dimitri Verhulst alleen de roman Hotel Problemski (2003) naar het Frans vertaald (Hôtel Problemksi, Christian Bourgois, 2005, vert. Danielle Losman)..Denoël stelde Losman in 2009, wanneer de film al klaar lag, voor om De helaasheid der dingen naar het Frans te vertalen. Later, in 2013, verscheen bij Denoël & D’Ailleurs de vertaling van De intrede van Christus in Brussel(2011) onder de titel L’Entrée du Christ à Bruxelles (vert. Danielle Losman).
7 die Losman wel aan de verfilming ontleende, naar eigen zeggen omdat ze hem ‘uitstekend’ vond. (correspondentie d.d. 5 maart 2015). De film lag al klaar toen Losman in 2009 met haar vertaling begon, maar ze zou hem naar eigen zeggen pas na afronding van haar vertaling gezien hebben. Een vergelijkende studie tussen de Franse boekvertaling-in-wording en de Franse gedubde tekstversie valt buiten het bestek van dit artikel.
8 Uit onze correspondentie met het productiehuis Menuet vernemen we dat The Subtitling Company, een Belgisch vertaal- en ondertitelingsbedrijf, voor de (Franse) vertaling werd ingeschakeld.
9 Op de televisiezender Arte bijvoorbeeld als VMVersion multilingue aangeboden.
10 Dit is ook de reden waarom totalitaire regimes dubbing verkozen boven ondertiteling, om « the evil » op afstand te houden (Chaume 2012: 13).
11 In sommige landen – VS bijvoorbeeld – worden ze zoals bekend met een bip gecensureerd, om boetes te voorkomen.
12 op de Belgische Franstalige zender RTBF en dat ook in Frankrijk met succes werd uitgezonden, en waarvan de VRT begin 2011 een bloemlezing van de beste reportages aanbood in een selectie van regisseur Manu Riche en Dimitri Verhulst, met de schrijver himself (als Wallonië-kenner gepresenteerd) als gids.
13 Volgens een criticus zou de term ook bij Kafka in de dagboeknotities van zijn Cahiers-in-Octavo 1916-1918) voorkomen (L’Avenir, 25-01-2010).
14 Dank aan mijn UCL-collega en taalkundige Prof. Philippe Hambye voor zijn deskundig advies over regionale taalvarianten van het Frans.
15 Een gelijkaardig voorbeeld waarbij de audiovisuele vertaling een essentieel kenmerk van een audiovisueel document ondermijnt, wordt aangereikt door Kaufmann (2004). Zij stelde vast dat de door Arte geproduceerde Franstalige versie van een reportage over immigranten in Israël gepaard ging met de standaardisering van hun spraak, hoewel die een belangrijke functionele rol speelt in hun verhaal. Chiaro (2007) en Bucaria (2007) merkten dan weer een zekere censuur op bij de audiovisuele vertaling in het Italiaans van krachttermen – zelfs wanneer deze belangrijk zijn voor de totstandkoming van humor.
16 In 2010 werd er naar aanleiding van aantijgingen van laster tegen een Russisch zakenman in Kamtsjatka een strafrechtelijk onderzoek gestart over de vraag of het woord ‘идиот’ (idioot) onwelvoeglijk is. Dit heeft geleid tot een klacht tegen F.M. Dostojevski, de auteur van de roman Idiot (1868-1869), die uiteindelijk geseponeerd werd. Zie ‘Na Kamčatke klassika Dostoevskogo čut’ ne zasudili’.
17 Dit wil echter niet zeggen dat alle Russische films puriteins zijn: qua seksuele decadentie is een film als Gruz 200 (Cargo 200, 2007) van de gevierde regisseur Aleksej Balabanov van een onevenaarbaar kaliber, maar deze film heeft dan tot een reeks schandalen doorheen heel Rusland geleid.
18 ‘Otzyvy o fil’me “Flamandskie natjurmorty”‘
19 ‘Flamandskie natjurmorty’
20 ‘Flamandskie natjurmorty. De helaasheid der dingen’
21 ‘Otzyvy o fil’me “Flamandskie natjurmorty”‘
22 ‘Flamandskie natjurmorty. De helaasheid der dingen’
23 Idem.
24 Niemeier 1991: 147, gecit. naar Ramière 2004: 105

Getagged , , , , , , , , , , , , , ,

DE INTERNATIONALE VERSPREIDING VAN DE HELAASHEID DER DINGEN

Onderstaande tekst is een inleiding, samen met Elke Brems geschreven, op het online dossier van Filter. Tijdschrift over vertalen over de internationale verspreiding van De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst. 

7.1. in polen
‘Ik ben niet zo’n soort schrijver die literatuur alleen ziet als een pakje dat aan de boom van de Nederlandse literatuur hangt. Ik zie het toch graag als iets groter.’ Dat vertelde Dimitri Verhulst heel toepasselijk aan de Hongaarse interviewer op een workshop over Nederlandse literatuur in Italië voor een publiek van een dozijn verschillende nationaliteiten. In dit dossier willen wij het inderdaad ‘als iets groter zien’: via de casus van Verhulsts De helaasheid der dingen (2006) zien we de Nederlandse literatuur uitwaaieren naar andere talen en culturen.

Toen het receptieonderzoek in de jaren 1960 en 1970 zowel in Europa (Konstanzer Schule) als in de VS (Reader Response Criticism) opgeld deed, trad het onderzoek daarmee nog niet meteen buiten de kaders van de nationale geschiedschrijving. De aandacht verschoof weliswaar van de auteur en de tekst naar de lezer, maar het ging toch vooral om het lezen (in ruime zin) binnen de eigen taal en cultuur. Onder invloed van de descriptieve vertaalwetenschap (met pioniers als Itamar Even-Zohar, Gideon Toury en José Lambert), die stelt dat vertalingen beschouwd moeten worden als producten van de doelcultuur waarin ze terechtkomen, zijn ook vertaalde boeken op grote schaal het onderwerp geworden van receptieonderzoek. Maar hoewel het belang van relaties tussen verschillende literaire systemen binnen een zogenaamd Europees macropolysysteem door vrijwel iedereen erkend wordt, blijft de onderzoeker in de vertaalwetenschap veelal werken binnen de grenzen van zijn eigen culturele context. Neerlandici bijvoorbeeld richten zich ofwel op de receptie van een in het Nederlands vertaalde schrijver in het Nederlandse taalgebied, ofwel op de receptie van een uit het Nederlands vertaalde schrijver in een ander taalgebied. Het nadeel van deze benaderingen, die beide legitiem zijn, is dat een fragmentarisch beeld ontstaat van hoe de receptie van een vertaald werk precies verloopt. Eventuele intersystemische convergenties en tendensen blijven onderbelicht. Er zijn slechts weinig onderzoekers die de receptie van een bepaald boek in een veelheid van receptiegemeenschappen onder de loep nemen. Dit flagrante gebrek aan macropolysystemische receptiestudies heeft vooral te maken met praktische beperkingen: weinig onderzoekers beschikken over voldoende expertise om zich over de grenzen van een groot aantal talen en culturen heen te bewegen. De oplossing ligt voor de hand: samenwerking. Dat is precies de opzet van het project The Circulation of Dutch Literature (verder afgekort als CODL, zie ook http://www.codl.nl), waarbinnen de hierboven vermelde workshop plaatsvond. CODL wil twee dingen: werken aan een actief internationaal netwerk van onderzoekers met belangstelling voor de Nederlandse literatuur en toewerken naar een geschiedenis van de internationale verspreiding van Nederlandse literatuur. Tussen 2012 en 2015 brengen internationaal samengestelde werkgroepen de verspreiding van dertien werken uit de Nederlandse literatuur in kaart, gaande van Hadewijchs Liederen (ca. 1240) tot Dimitri Verhulsts roman uit 2006.

De helaasheid der dingen (verder afgekort als DHDD) is daarmee de jongste casustekst. Bij de selectie van de teksten werd onder meer rekening gehouden met het evenwicht tussen Nederland en Vlaanderen, tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs, tussen de verschillende historische periodes. Het moesten ook teksten zijn die niet tot de marge van het Nederlandstalige literaire systeem behoorden en die een grote internationale verspreiding kenden. De hoge verkoopcijfers – al meer dan vijftig herdrukken zijn verschenen – en de gunstige literaire kritiek in Noord en Zuid zijn indicatoren van de gecanoniseerde status van DHDD. Het werd bovendien tot nu toe vertaald in twaalf talen. Het onderzoek binnen CODL richt zich ook op adaptaties (bijvoorbeeld voor theater of film) van Nederlandse literatuur en verkiest dus werken die niet enkel in boekvorm maar ook via andere media internationaal verspreid zijn geraakt. Dat is zeker het geval voor DHDD, waarvan in 2009 een internationaal goed ontvangen film werd gemaakt door Felix van Groeningen.

Het ledenaantal van de DHDD-werkgroep is gedurende de afgelopen twee jaren gegroeid tot een dozijn onderzoekers en vertalers, die zich buigen over een zelfgekozen aspect van de internationale verspreiding van Verhulsts roman. Op die manier ontstaat een caleidoscoop waarmee gekeken kan worden naar, ‘texts across time, but above all in their reappearance in new guises in different places and media; in their capacity to move, mobilize, and generate new cultural activities’ (Rigney 2012).1 Om nog meer geografische regio’s te dekken, zocht Pieter Boulogne als moderator van de DHDD-werkgroep actief naar nieuwe leden voor de werkgroep. Op die manier werd de groep uitgebreid met de Japanse vertaalster Saki Nagayama, de Zuid-Korea-specialist Nicholas Peeters, en het duo dat de Poolse ondertitels van de film verzorgde, Krzysztof Marcin Zalewski & Machteld Venken. Bovendien werd de Italiaanse vertaalster Claudia di Palermo door Elke Brems, een van de CODL-coördinatoren, voor een interview gestrikt. Dit legertje onderzoekers, vertalers, ondertitelaars en studenten heeft samen een dossier met een tiental bijdragen tot stand gebracht dat de veelzijdigheid en veelkleurigheid van de mogelijke benaderingen binnen dit soort onderzoek goed weergeeft. De bijdragen kunnen opgedeeld worden in drie categorieën.

Een eerste reeks van drie artikelen gunt ons een blik in de interne keuken van de vertalers. In ‘Twijfelen uit ervaring’ en ‘Het ontstaan van Spijtige dagen’ lichten Claudia di Palermo en Saki Nagayama hun vertaalstrategie en -keuzes toe die geleid hebben tot de totstandkoming van de Italiaanse respectievelijk de Japanse vertaling van DHDD.2 Interessant genoeg menen geen van beiden dat dit een typisch Vlaams boek is. Ze leggen integendeel uit op welke manier het verhaal volgens hen past in de doelculturen. ‘Je hoeft niet in een Vlaams dorpje te zijn geweest om Dimmetrie’s gevoelens te begrijpen’, zo schrijft Nagayama. De vertaalster Sílvia C. Clérigo dos Prazeres, op haar beurt, laat in ‘Het Pruimenlied: het Kweeperenlied of de Garage van de buurvrouw?’ een ballonnetje op over hoe de scabreuze taal van Verhulst gereproduceerd zou kunnen worden in het Portugees.

In het artikel ‘Godverdomse dagen in het godverdomse Praag’ vervolgens ligt de focus op de kritische receptie van boekvertalingen van Verhulsts oeuvre. Aan de hand van een historische excursie toont Veronika ter Harmsel Havlíková aan dat er in Tsjechië een nieuw beeld van de Vlaamse literatuur is ontstaan, waarbij een andere roman van Verhulst, Godverdomse dagen op een godverdomse bol naadloos aansluit. Het valt te vermoeden dat dit de receptiebereidheid voor DHDD, waarvan nog geen Tsjechische vertaling bestaat, zal bevorderen.

Een derde reeks auteurs houdt zich in twee bijdragen bezig met de verfilming en de audiovisuele vertaling van DHDD. In ‘Van Reetveerdegem naar Parijs en Moskou. De helaasheid der dingen als (vertaalde) verfilming’ stellen Stéphanie Vanasten, Pieter Boulogne en Elke Brems een onderzoek in naar de relatie tussen boek en verfilming, en naar de Franse en Russische audiovisuele vertalingen. Krzysztof Marcin Zalewski en Machteld Venken getuigen in ‘Boso, ale na rowerze. De helaasheid der dingen in Polen’ over hun zoektocht naar voor de Poolse kijkers passende ondertitels, rekening houdend met de Poolse sociale, geografische en literaire context.

Tot slot laten we de schrijver zelf aan het woord. Dimitri Verhulst was, zoals gezegd, te gast op de eerste workshop van het project CODL, waar hij geïnterviewd werd door Orsolya Réthelyi.3 Uit dit interview, dat voor Filter uitgeschreven werd door Dorien De Man, blijkt dat de houding van de schrijver tegenover de vertalingen en/of bewerkingen van DHDD in hoge mate ambigu is. Enerzijds vindt hij het naar eigen zeggen ‘altijd prettig om vertaald te worden’, omdat hij zo ‘opnieuw ergens in een ander land een beetje schrijver’ kan worden. Anderzijds noopt het controleverlies dat onvermijdelijk gepaard gaat met die wedergeboorte hem tot wantrouwen tegenover zijn vertalers. Zo vindt hij dat hij te weinig vragen van hen krijgt. ‘Ik kak een beetje in mijn broek wanneer ik een vertaler te vrij zie worden,’ zo geeft Verhulst ook mee. Als voorbeeld noemt hij de scatologische titels (Beschissenheit, Merditude) waaronder zijn geesteskind tot zijn spijt in het buitenland op de markt wordt gebracht. Verhulst voelt zich zelfs ‘een beetje verkracht’ door de titel die de Russische vertaling van de verfilming gekregen heeft – al heeft hij het mis dat die Vlaamse landschappen luidt (in feite is de titel Flamandskie natjoermorty, wat ‘Vlaamse stillevens’ betekent). Deze emotionele uitspraak is des te interessanter, aangezien die film in de Russische context, bij gebrek aan referentiekader waarin Verhulst of zijn boek een rol speelt, de facto niet functioneert als een boekadaptatie. Een gelijkaardige dubbelzinnige houding als tegenover zijn vertalers, heeft Verhulst ook tegenover de binnen- en buitenlandse kritische receptie van zijn boek. Zo geeft hij duidelijk te kennen dat wat hem betreft DHDD niet per se in het rayon van de typisch Vlaamse boeken thuishoort, waar het vaak wel neergezet wordt. ‘Drankproblematiek is overal ter wereld aanwezig, helaas’. Dat blijkt ook uit de bijdragen over onder meer de Zuid-Koreaanse, de Japanse en de Poolse verspreiding van DHDD: de alcoholproblematiek maakt het boek juist meer herkenbaar voor andere culturen. Aan de andere kant zien we daar ook cultuurspecifieke aspecten opduiken: de voorkeur voor bier en de cafécultuur bijvoorbeeld maken het universele thema weer meer ‘Vlaams’.

Uit de hier verzamelde bijdragen blijkt dat iedere vertaler/bewerker het cultuurspecifieke versus universele karakter van deze roman anders interpreteert en vertaalt: er moeten op dat vlak voortdurend keuzes gemaakt worden. In Rusland werd de verfilming bijvoorbeeld in belangrijke mate ontdaan van het lokale karakter. In Zuid-Korea zijn veel realia (zelfs de plastieken smurf) zonder uitleg of voetnoot overgenomen en mag het boek ‘exotisch’ zijn, terwijl in Japan een vertaling standaard anderhalf keer zo lang wordt, vanwege de talrijke toelichtingen. Toch ziet ook de Japanse vertaalster veel herkenning bij de lezersreacties op het internet: ze plakt op het boek zelfs de ‘typisch’ Japanse termen yagatekanashiki (geleidelijk droevig) en setsunai (pijnlijk/droevig). Technieken van inbedding in de kritiek laten ook zien hoe met cultuurspecificiteit wordt omgesprongen: een vergelijking met Brel of Jeroen Bosch plaatst DHDD in de Lage Landen, een vergelijking met een ‘eigen’ auteur of film speelt in op de herkenbaarheid in de doelcultuur.

Andere belangrijke vertaalkeuzes die met betrekking tot dit boek moesten worden gemaakt en die in deze bijdragen telkens terugkeren, betreffen de vertaling van het dialect dat de personages spreken en de vertaling van de typisch Verhulstiaanse neologismen (bijvoorbeeld ‘de helaasheid’). Verhulst zegt dat hij bij nieuwe boeken toch meer nadenkt over zijn veelvuldig gebruik van neologismen, omdat ‘het begint […] te knagen als je dan ziet dat ze er in al die talen toch maar zelf een eigen potje van maken’. De Franse dubbing heeft geen aanleiding gegeven tot vervlakking van de registers, maar het oorspronkelijke reliëf nog uitvergroot – een mooie illustratie dat standaardisering niet altijd het laatste woord hoeft te hebben. Opvallend is dat vertalers ook worstelen met het Vlaams als variant van het Nederlands. De meeste vertalers uit het Nederlands zijn opgeleid in het Noord-Nederlands en hadden Vlaamse hulp nodig om dit boek te vertalen.

Uit de bijdragen blijkt dat de rol van instituties in het vertaalproces groot is. Dat geldt in de eerste plaats voor het Vlaams Fonds voor de Letteren, maar de Vlaamse Vertegenwoordiging en de Ambassade van België worden ook genoemd, evenals een aantal lokale instituties die vertalingen bevorderen. Ontegensprekelijk wordt de verspreiding van DHDD actief in de hand gewerkt door actoren in de broncultuur – een factor die in de descriptieve vertaalwetenschap, met haar focus op de inbedding van vertalingen in de doelcultuur, doorgaans weinig aandacht krijgt. Andere ‘externe’ factoren die belangrijk blijken zijn het profiel van uitgeverijen die zich specifiek richten op ‘import’, internationale boekenbeurzen, literaire evenementen, auteursbezoeken, filmfestivals. Een belangrijke ingang voor de Vlaamse literatuur in een andere cultuur wordt gevormd door literaire tijdschriften en door bloemlezingen van verhalen en romanfragmenten uit ‘vreemde literaturen’ en natuurlijk ook door het internet. De verfilming blijkt ook soms de weg vrij te maken voor een vertaling van het boek, zoals dat in Frankrijk het geval was.

Ideologische en politieke factoren zijn naast economische en institutionele factoren ook bijzonder belangrijk, zoals onder meer blijkt uit de bijdragen over Tsjechië, Polen en Rusland.

Het is eerder zeldzaam dat in receptieonderzoek ook Oost-Europese landen en Rusland in aanmerking genomen worden. James Brian Baer (2011: 2) spreekt in dit verband van ‘Europe’s internal other – which has largely been ignored in the exploration of alternative translation traditions’4 Nog zeldzamer is het dat vanuit het Westen pogingen ondernomen worden om landen die tot het Aziatische continent behoren te betrekken. Tegelijkertijd worden de concepten ‘het Westen’ en ‘West-Europa’ te weinig geproblematiseerd als identiteit en onderzoeksentiteit (Baer 2011: 1). Als dit webdossier één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat Europa geen homogene receptie- of vertaalzone is, maar dat verschillende tradities naast elkaar bestaan en door elkaar lopen en waarin een veelheid aan idiosyncratische keuzes mogelijk zijn.

Dit dossier van bijdragen werpt een veelzijdige blik op de receptie van DHDD. Die veelzijdigheid betreft de geografische regio’s, de verschillende verschijningsvormen van receptie (literaire kritiek, vertalingen, bewerkingen, filmkritiek in de pers en op internetfora), maar ook de verschillende benaderingen. Maar ondanks de veelzijdige aanpak is hiermee het laatste woord over de receptie van DHDD nog niet gezegd. Om te beginnen is die receptie nog volop bezig, zijn hierin voortdurend nieuwe ontwikkelingen. Ook los daarvan blijven er nog belangrijke lacunes in ons onderzoek: de Hongaarse, Noorse, Deense, Finse, Sloveense, Hebreeuwse, Chinese en Amerikaanse receptie van DHDD moeten nog onderzocht worden. Dat geldt ook voor de non-receptie van DHDD in een aantal receptiegemeenschappen waar je een vertaling zou kunnen verwachten (zoals bijvoorbeeld Zweden). Evenmin zijn de bestaande theaterbewerkingen van DHDD onderzocht.

Tot slot van deze inleiding willen wij uitdrukkelijk onze dank uitspreken aan iedereen die dit dossier mede mogelijk heeft gemaakt – hetzij als onderzoeker, vertaler, interviewer, geïnterviewde of redactielid. Met deze bundel hebben zij een overtuigend bewijs geleverd dat receptieonderzoek extra reliëf krijgt indien het gevoerd wordt door een collectief met leden wier individuele expertise en verankering zich bevinden in verschillende domeinen, praktijken en geografische regio’s.

Noten
1 Rigney, Ann, 2012. The Afterlives of Walter Scott. Memory on the Move. Oxford University Press.
2 Bij wijze van voorproefje op dit dossier werd het stuk ‘Het ontstaan van spijtige dagen’ van Saki Nagayama gepubliceerd in de papieren Filter (21: 4, p. 9–14).
3 Dit interview is te lezen in de papieren Filter (21:4, p. 1–8).
4 Baer, Brian J., ed. 2011. Contexts, Subtexts, and Pretexts. Literary translation in Eastern Europe and Russia. Benjamins Translation Library 89. Amsterdam: John Benjamins.

Getagged , , , , , , ,

Geweldspelletjes van een Russische idealist. ‘HET VIERTAL [HET CHIMKIBOS]’ van Kirill Medvedev

Onderstaande tekst is verschenen in het themanummer Ecce homo ludens van het tijdschrift van de Leuvense alumni Letteren Uit het Erasmushuis (2015, jaargang 5, pp. 98-101). Een Nederlandse vertaling van de integrale bundel Ten oorlog tegen het stadhuis (werktitel) zou in 2015 nog moeten verschijnen bij Leesmagazijn. 

ЧЕТВЕРО [XИМКИНСКИЙ ЛЕС]

Человек, который на пне сидит,

через два часа будет в кровь избит.

А второму, накапливающему злость,

выдвижным ковшом разломают кость.

Ну а с третьего битой собьют всю спесь –

врежут так, что забудет, зачем он здесь.

А четвертый прочь уйдет по лесам:

эту всю игру он придумал сам.

HET VIERTAL [HET CHIMKIBOS]

Van een man die op een stronk is gezeten,

wordt binnen twee uur de kop gespleten.

En een tweede, die door haat wordt verteerd,

wordt dan met een heftruck gefileerd.

En een derde krijgt met een knots om zijn oren,

tot ie vergeet waarom hij ooit werd geboren.

En dan loopt een vierde door bossen heen:

dit spelletje was bedacht door hem alleen.

Deze kwajongensachtige versregels, waarin een luguber spel wordt aangekondigd, werden geschreven door de Moskoviet Kirill Medvedev (1975). Het Chimkibos, dat vermeld wordt in de titel, is een eeuwenoud woud ten noorden van Moskou. In de zomer van 2010 heeft Medvedev samen met andere Russische activisten proberen te verhinderen dat het traject van de nieuwe autosnelweg tussen Moskou en Sint-Petersburg door dit bos zou lopen. Het gevolg daarvan was dat een aantal activisten ontvoerd, gearresteerd en vervolgd werd. Er zijn gevallen bekend waarbij skinheads ingehuurd werden om de activisten een lesje te leren.[1] Medvedev lijkt in dit gedicht de rollen van slachtoffer en dader om te draaien. Zijn de eerste drie mannen boskappers en is de vierde een activist, die het recht in eigen handen neemt om de boskap tegen te gaan? De verteller, die bij Medvedev in de regel autobiografisch gekleurd is, weet precies wat de eerste drie mannen boven het hoofd hangt. Heeft hij met ‘de vierde’ een samenzweerderige relatie, of valt hij ermee samen? Is het niet de dichter zelf, de bedenker van dit gedicht, die het spel in kwestie bedacht heeft?

De omslag van de bundel Pochod na merijoe (Ten oorlog tegen het stadhuis), waarmee Kirill Medvedev in 2014 de Andrej Bely-prijs in de categorie poëzie wegkaapte. De foto, die ook de dichter zelf toont (een van de berenmutsen), werd genomen in 2009 tijdens een demonstratie ter nagedachtenis van de door neonazi’s vermoorde advocaat Markelov en journaliste Baboerova.

De omslag van de bundel Pochod na merijoe (Ten oorlog tegen het stadhuis), waarmee Kirill Medvedev in 2014 de Andrej Bely-prijs in de categorie poëzie wegkaapte. De foto, die ook de dichter zelf toont (een van de berenmutsen), werd genomen in 2009 tijdens een demonstratie ter nagedachtenis van de door neonazi’s vermoorde advocaat Markelov en journaliste Baboerova.

Behalve dichter is Kirill Medvedev socialistische activist, essayist, uitgever en vertaler van onder meer Charles Bukowski, Pier Paolo Pasolini en hedendaagse marxistische theoretici. Na zijn doorbraak als dichter in 2002, nam hij stapsgewijs afstand van de Russische literaire wereld, om na een zelf opgelegd moratorium van vijf jaar in 2011 een comeback te maken onder zijn eigen voorwaarden.[2] Zijn gedichten publiceert hij voortaan zelf, ofwel op het internet, ofwel in uitgaven van zijn eigen Vrije Marxistische Uitgeverij. Van zijn auteursrechten heeft hij afstand gedaan, waardoor in het buitenland in principe enkel piraatedities van zijn werk kunnen verschijnen. De comeback van Medvedev gaat gepaard met een keuze voor links politiek engagement, wat in een Russische context behoorlijk uitzonderlijk is. De redenen voor die keuze licht Medvedev toe in lange, tot de verbeelding sprekende essays als ‘Mijn fascisme’ en ‘De literatuur zal worden doorgelicht’. Cruciaal daarin staan twee inzichten. Ten eerste dat dichters evenmin als anderen vrij kunnen zijn van politiek, ook niet als ze dat zelf willen of daar prat op gaan. Ten tweede dat de Russische intelligentsia als reactie op het Sovjetverleden een emotioneel begrijpelijke, maar een te scherpe, zelfs zelfdestructieve breuk met het marxisme heeft gemaakt. Samen met een ruime selectie van gedichten geschreven tussen 2000 en 2012, zijn deze essays opgenomen in de in 2014 bij Leesmagazijn verschenen bundel Alles is slecht.[3]

Het gedicht ‘HET VIERTAL [HET CHIMKI-BOS]’ is afkomstig uit de pas in 2014 verschenen, voorlopig nog onvertaalde bundel Pochod na merijoe (Ten oorlog tegen het stadhuis). In die bundel trekt de dichter de kaart van de zwarte humor, de fantasmagorie en het burleske. De lyrische ‘ik’, die in vorige bundels aan de zijlijn toekeek op het Russische maffiakapitalisme en het bijbehorende consumentisme, ontpopt zich nu tot een actieve geweldenaar. Het lijkt erop dat het universum van de schrijver grimmiger wordt naarmate Poetin bij zijn onderdanen de duimschroeven aandraait. Met een knipoog naar de Franse avant-gardist Antonin Artaud beschrijft de Russische criticus Aleksandr Skidan de nieuwe poëtica van Medvedev als ‘een theater van de wreedheid’: ‘een voor iedereen toegankelijk, democratisch straattheater, een blamage aan het adres van de sceptici die niet geloven in de haalbaarheid van het project van de zelfkritische, reflexieve en tegelijkertijd populaire linkse cultuur’.[4] Een andere criticus, Nikita Soengatov, heeft het over ‘een politieke, dialectische houding die toelaat om de speelruimte tussen kritiek en ideologie, politiek en utopie te ontdekken’.[5]

In de herfst van 2014 werd Kirill Medvedev voor Pochod na merijoe (Ten oorlog tegen het stadhuis) in eigen land bekroond met de prestigieuze Andrej Bely-prijs in de categorie poëzie. Dat is de oudste van de overheid onafhankelijke literatuurprijs – nog steeds bestaat het prijzengeld uit een appel, een roebel en een fles wodka. Het is veelzeggend dat deze prijs, die ontstond in een tijdperk toen Russische dichters moesten strijden voor het recht om niet met politiek bezig te zijn, nu naar een politiek geëngageerd dichter gaat. Klaarblijkelijk oordeelde de jury dat de Russische literatuur een kwarteeuw na de implosie van de Sovjetunie opnieuw behoefte heeft aan politisering in plaats van privatisering. Op die manier wordt aangeknoopt bij de aloude Russische traditie, die zegt dat in Rusland ‘een dichter meer is dan een dichter’,[6] en literatuur méér dan een spelletje.


[1] Koens, Olaf. ‘De schrik van het Kremlin.’ One/11. http://www.one11.nl/held/38/Evgenia%20Tsjikirova/ Geraadpleegd op 30/12/2015.

[2] Boulogne, Pieter & Keizer, Frank. ‘De weigering van de dichter. Kirill Medvedev: Alles is slecht.’ In: De Leeswolf. 2014. Nr. 2. pp. 104-107.

[3] Medvedev, Kirill. Alles is slecht. Leesmagazijn. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. z.p., Leesmagazijn, 2014.

[4] Medvedev, Kirill. Pochod na merijoe. Moskva, Svobodnoje marksistskoje izdatelstvo/Translit, 2014. p. 50.

[5] Soengatov, Nikita. ‘Vernoet’sja k politike: rezoel’taty premii Andreja Belogo 2014’. http://syg.ma/@sungatov/viernutsia-k-politikie-riezultaty-priemii-andrieia-bielogho-2014. Geraadpleegd op 30/12/2014.

[6] Bekend citaat, afkomstig uit het gedicht ‘Bratskaja GES’ (1965) van de Russische dichter Jevgeni Jevtoesjenko.

Alles is slecht maakt Filip De Bodt (t’Uilekot) nieuwsgierig en boos

Kirill Medvedevs Alles is slecht is opgemerkt door Filip De Bodt van vzw ’t Uilekot, een Oost-Vlaams cultuur-, jeugd- en actiecentrum dat zich bezighoudt met milieu, internationale solidariteit, jeugdwerking en cultuur:

“Bij Leesmagazijn verscheen het boek ‘Alles is slecht’ van de Russische anti-schrijver Kirill Medvedev. Bij het begin van het boek lees je dat het boek uitgegeven is zonder toestemming van de auteur. Medvedev was het bekrompen, egoïstische schijnwereldje van de Russische (kritische) literatuur beu en stopte met boeken uitgeven in 2003. Een jaar later zegt hij ook zijn copyright op.

De man heeft nog een blog en een facebookpagina waarop hij vooral zijn verfrissende onvrede uitschreeuwt tegen de dictatuur van Poetin en zijn vazallen. Voor Medvedev is de postcommunistische maatschappij in de Sovjetunie verrot. Het verzet van veel intellectuelen ertegen is slechts schijn of elitair: “Deze groep maakt deel uit van de nieuwe middenklasse…

De middenklasse die zich nu dan eindelijk in Rusland heeft ontwikkeld, blijkt niet borg te staan voor de algemene welvaart. De basis van deze middenklasse is een neurotische burgermassa, besmet met sociale en etnische xenofobie, die zich agressief vastklampt aan haar eigen welvaart, bereid om alles op te offeren om die te behouden, zelfs haar eigen vrijheid. “ Hij heeft het gehad met de bedekte kritiek tijdens literaire avonden en bijeenkomsten van intellectuelen.

Medvedev schrijft verder op zijn blog en wordt activist. Hij richt een eenmanspartij op, de Socialistische Beweging Vperjod en een eigen Vrije Marxistische Uitgeverij waarbij hij westerse marxistische auteurs als Paolo Pasolini, Herbert Marcuse, Ernest Mandel, Daniel Bensaïd of Alain Badiou vertaalt. Daarnaast treedt hij regelmatig op met zijn eigen band Arkady Kots, vernoemd naar de Russische dichter die de Internationale in het Russisch vertaalde.

Medvedev gaat in zijn eentje protesteren aan de Russische televisietoren en krijgt daar last met de politie. Als de bekende Rus Kaljagin Bertold Brecht opvoert staat hij opnieuw voor de deur. Een bourgeois als Kaljagin moet Brecht niet gaan naasten, zegt hij: “Denk je soms dat Brecht je tante is?

Onze Medvedev is van de generatie van de bekende feministische groep Pussy Riot en hanteert dezelfde provocante strategie. Hij schudt de goegemeente eens goed door mekaar. In dit bundel publiceert hij gedichten, essays en verslagen van de acties die hij organiseert.

Zijn gedichten dragen de vrije versvorm en zijn vrij rauw, geschreven en op papier gezet zonder al teveel eindredactie. Ze worden regelmatig vergeleken met die van Charles Bukowski. De kern van zijn werk zit in zijn essays waarbij hij de Russische maatschappij haarfijn fileert en de hypocrisie ervan bloot legt. Wie wat wil leren kennen van de zeldzame dissidente scene in Rusland moet dit boekje lezen.

Bovendien geeft Medvedev blijk van een bijzonder ruime cultuur en politieke kennis op wereldvlak. Zijn boek maakt nieuwsgierig, boos en geeft hoop. Of zoals Johan De Boose het zei in de poëziekrant: ‘Medvedev for president!”


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’, ‘Het beste boek van 2014′ Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een zegen voor de literatuur, niet alleen voor de Russische’ – Johan de Boose, Poëziekrant

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

‘Alles is slecht maakt nieuwsgierig, boos en geeft hoop’ – Filip De Bodt, t’Uilekot

Biecht van een vertaler. Waarom ik meegewerkt heb aan O Mundo

Vzw Stichting Lezen vroeg me, in verband met hun gooi naar the International Literary Translation Initiative Award, om een testimonial te schrijven waarom ik voor hun didactisch boekenproject O Mundo het Russische Beroepen-ABC van Joseph Brodsky heb willen vertalen. Hier is het (beetje pathetisch, maar gemeend):

azboekaWhen I was approached to translate the so-called ABC of Professions (Rabochaya Azbuka) by Joseph Brodsky for the Flemish non profit organization “Stichting Lezen” from Russian into Dutch, I did not hesitate to accept the assignment – although the job was badly paid. My motivation was twofold.

On the one hand, the book by Brodsky, consisting of as many poems as the Russian alphabet contains letters, promised to be a challenge. Each poem is about a profession which, in Russian at least, begins with the letter of the Russian alphabet the poem is dedicated to. How can you translate this into Dutch, so that it can be read to children, who may know or not know the Russian language, without undermining the concept of an ABC book? I opted to provide each poem with two translations: one literal, faithful to the denotative meaning of the source text, and the second free, faithful to the poetic function of the source text. I tried to write verses which are equally simple and funny, preserving the seemingly trivial elements and sometimes old-fashioned vocabulary. More importantly, I choose not to translate the Russian word for the profession in question, but rather to give it to the reader, or listener for that matter, in transcription. After all, it is a Russian ABC book. As a result, the translation can be used interactively. It invites children to participate in a guessing game: what profession is meant by the Russian word in question?

This brings me to the other hand, my second motivation for translating this book. As a translator, you are often called a bridge builder, somebody who brings two cultures together. The assumption underlying this cliché is that the borders between cultures are clear. In practice, this is not the case. It is often difficult to say where one culture ends, and where the other begins. The Flemish community is populated by a large variety of people with quite different linguistic, religious, geographical and ethnic backgrounds. This variety is also present in our schools. The project “O Mundo” tries not to dissimulate this variety, which is often perceived as an educational drawback. It rather uses this variety to enrich each other, in a playful manner. Being given the chance to contribute to such an original project targeted towards inclusion – especially in times when the political world divides our community into different social, ethnic, religious and linguistic categories – is nothing less than a privilege.

Getagged , , , ,

Alles is slecht in eindejaarslijstjes van De Standaard en literair weblog Tzum

2014 ligt in allerlei vormen op zijn sterfbed, ook als boekenjaar. Op de eindejaarslijstjes die het Vlaamse dagblad De Standaard en de Nederlandse literaire weblog Tzum naar aanleiding van dat nakende sterfgeval hebben opgesteld, staat ook Alles is slecht van Kirill Medvedev.

tzumVoor Obe Alkema, recensent van Tzum, was Alles is slecht het beste boek van 2014, en wel hierom:

“Het beste boek van 2014 is voor mij Alles is slecht van Kirill Medvedev. De combinatie van (kritisch) proza, poëzie en activisme zorgt voor een interessant kijkje in het Rusland van nu. Niet alleen de culturele situatie van Rusland wordt zodoende van context voorzien, ook Medvedevs eigen poëtica krijgt diepte. Die definiërende teksten geven de noodzaak van deze dichter weer en ik hoop dat dichters in Nederland ook zulke bundels met verscheidene teksten zullen gaan publiceren om eens los te komen van de vrijblijvendheid die nu zo woekert. Tenslotte is Alles is slecht een fantastische appetizer voor verdere verdieping in de contemporaine Russische literatuur. (Lees de recensie hier)”

de boose over alles is slechtToen De Standaard  (19/12/2014) aan Johan De Boose vroeg ‘Welk boek van 2014 verdient een tweede kans in 2015?’, was dit het antwoord:

“In Alles is slecht. Gedichten, essays, acties waarschuwt Kirill Medvedev (Leesmagazijn) dat de Russische maatschappij een karikaturale uitvergroting is van een totalitaire wijze van denken die ook in het Westen leeft. In Rusland is alles grootser, ernstiger en gevaarlijker: ‘We hebben een nieuw wereldbeeld nodig. Een wereldbeeld waarin het rationele en het emotionele dichter bij elkaar staan. Waarin verschillende sferen – politiek, economie, wetenschap, religie, cultuur, ethiek, natuur, techniek, het gemeenschapsleven en het privéleven – op een evenwichtige manier een worden gemaakt, zonder dat een van die sferen buitenproportioneel groot wordt opgeblazen – want dat kan tot totalitarisme leiden.'”

 


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’, ‘Het beste boek van 2014’ Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een zegen voor de literatuur, niet alleen voor de Russische’ – Johan de Boose, Poëziekrant

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , ,

De Boose in Poëziekrant over Alles is slecht: ‘Een zegen voor de literatuur’

de booseIn zijn bespreking voor Poëziekrant (2014, Nr. 6, pp. 66-67), verschenen onder de titel ‘De nood aan een nieuw wereldbeeld’, noemt de Belgische slavist, schrijver en dichter Johan de Boose de bundel Alles is slecht ‘een zegen voor de literatuur, niet alleen voor de Russische’. De gedichten van Kirill Medvedev beschouwt De Boose niet echt als poëzie, maar in de auteur ziet hij wel ‘een van de grootste Russische dichters’, ‘een ziener’, en zelfs – we mogen al eens fantaseren –  ‘een puike president van de Russische Federatie’:  

De in 1975 geboren Medvedev is een bijzonder man, een buitengewoon scherp auteur en als je het mij vraagt zou hij ook een puike president van de Russische Federatie zijn. Zijn boek met de provocerende titel Alles is slecht is verplichte lectuur voor iedereen die het hedendaagse Rusland wil begrijpen. Hij analyseert haarscherp de huidige politieke en culturele situatie en neemt duidelijk stelling in tegen de gevestigde orde. […]

Medvedevs poëzie is niet hoogdravend, hermetisch of klassiek. Dat laatste is in Rusland uitzonderlijk, want veel dichters en literatuurcritici beschouwen het vrije vers als een westerse mode die wel zal overwaaien – dat heeft de befaamde dichter Aleksander Koesjner, een intimus van Joseph Brodsky, ooit tegen mij gezegd. Rusland is per slot van rekening een in wezen erg behoudzuchtige samenleving. Medvedev gaat daar helemaal tegenin. Zijn gedichten knipogen – vanzelfsprekend – naar de door hem zeer bewonderde Bukowski (waar hij voor de rest niets gemeen mee heeft) en naar Grace Paley (Amerikaanse schrijfster en politieke activiste) en Frank O’Hara (Amerikaanse avant-gardeauteur en criticus). Zijn onderwerpen zijn banaal, bijvoorbeeld verdwalen in Berlijn, meisjes die bij hem in de klas hebben gezeten, paté in een winkeltje of dildo’s, maar soms ook essayistisch, zoals wanneer hij dicht over het vertalen van Bukowski of over de poëzie van andere dichters. Zijn gedichten – je kunt discussiëren over de vraag of het ‘gedichten’ zijn, wat mij betreft zijn ze het niet – zijn in de eerste plaats aantekeningen, gedachten, momentopnames, reflecties. […] Het mooie aan zijn poëzie is dat hij soms erg onverwachte, krachtige conclusies trekt uit een triviaal verhaal.

[…] het zijn vooral Medvedevs essays die hem tot een groot auteur maken. Er staan er vijf in Alles is slecht, en het belangrijkste is zonder twijfel ‘Mijn fascisme (enkele waarheden)’, een tekst die me bijzonder fascineert. Het doet me denken aan de antitotalitaire teksten van de Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Czesław Miłosz. Medvedev analyseert het esthetische klimaat in Rusland na de val van het communisme, vergelijkt de Russische en de westerse situatie, zet zijn ideeën in een verbluffende internationale en literairhistorische context (met verwijzingen naar Ezra Pound, Céline, Brodsky, …), fileert de ideologische versplintering en bekritiseert het genadeloze Russische consumentisme en het ongebreidelde maffiakapitalisme, dat ook de boekenmarkt heeft aangetast, en komt tot wonderbaarlijke conclusies. […]

Ik denk dat we Medvedev ernstig moeten nemen. Hij is misschien niet zo’n groot dichter, maar tegelijk is hij een van de grootste Russische dichters, een ziener, die ziet wat velen nog niet zien.

De volledige recensie kan je lezen in Poeziekrant.


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een zegen voor de literatuur, niet alleen voor de Russische’ – Johan de Boose, Poëziekrant

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , ,

Gogol: Dode zielen (nieuwe vertaling)

dodezielenIn de reeks ‘De Russische Bibliotheek’ komt Van Oorschot op de proppen met een gloednieuwe vertaling van Dode zielen door Aai Prins, die eerder Gogols Avonden op een hoeve nabij Dikanka, Mirgorod en Peterburgse verhalen in een mooie nieuwe mantel stak (zie De Leeswolf 2012, Nr. 6, 375-376). Daar zat niet echt iemand op te wachten, want de versheidsdatum van de Dode zielen die Artur Langeveld twee decennia geleden bij een andere uitgeverij publiceerde is nog lang niet overschreden. Wel is deze verzorgde uitgave een geweldig excuus om Gogols schelmenroman in twee delen (dat wil zeggen: één deel en overgebleven fragmenten van het tweede deel, dat hij tot tweemaal toe verbrandde) te herlezen.

De tragiek die dit boek bevat wordt ondergesneeuwd door Gogols billengeklets, waaraan enorm veel plezier te beleven valt. Alleen al de intrige is hilarisch. Ten tijde van de Russische lijfeigenschap reist ene Tsjitsjikov de Russische provincie af op zoek naar landheren met boeren wier dood nog niet geregistreerd is. Voor een prikje koopt hij grote getalen van deze ‘zielen’ op, zodat hij op papier een belangrijk landheer wordt. Nog vermakelijker is de heerlijke onzin die de intrige niets vooruit helpt: mededelingen van het type ‘In het winkeltje op de hoek, of beter gezegd in het raam ervan, was een honingdrankverkoper gevestigd met een roodkoperen samowar en een gezicht dat even rood zag als zijn samowar, zodat je uit de verte zou kunnen denken dat er in het raam twee samowars stonden, ware het niet dat een ervan een pikzwarte baard had’.

Bijzonder waardevol aan deze uitgave is, naast de onzin, dat ook een aantal belangwekkende parateksten van Gogol vertaald werd: zijn voorwoord bij de tweede druk van het eerste deel, zijn overpeinzingen over de helden, en enkele brieven aan tijdgenoten. Daarin legt de vader van het Russische realisme uit welke stichtende bedoelingen hij had met zijn Dode zielen. In het eerste deel wilde hij ‘de tekortkomingen en gebreken van de Rus’ laten zien. Uit zijn briefwisseling blijkt dat zijn eigen persoonlijkheid daarvoor de grootste inspiratiebron was: hij heeft geprobeerd zich te veredelen door negatieve karaktereigenschappen aan zijn personages af te staan. In zijn notities bij het eerste deel heeft hij het er ook over ‘hoe de leegte en onmachtige ijdelheid van het leven worden opgevolgd door een schimmige, nietszeggende dood’. ‘Niemand die het wat doet’, zo voegt hij eraan toe. Het tweede deel was wat positiever bedoeld. Omdat er zo weinig van bewaard is, blijft het een raadsel of de verbranding ervan gebeurde in een moment van verstandsverbijstering dan wel van helderheid. Meestal wordt het eerste aangenomen, maar zijn motivering maakt een verrassend zinnige en actuele indruk: ‘Een paar fraaie karakters ten tonele voeren die de edele verhevenheid van ons ras tentoonspreiden – dat leidt nergens toe. Zoiets wekt alleen maar holle trots en snoeverij. […] Die opschepperij ruïneert alles. Zij irriteert anderen en brengt de opschepper zelf schade toe’.

In Rusland wordt Dode zielen gelezen zoals het bedoeld was: als een angstaanjagend portret van Rusland. Dat land wordt, overigens net als de lezer, ook expliciet aangesproken. Beroemd is de retorische vraag die de verteller op het einde van het eerste deel proclameert: ‘Mijn Rusland, waar snel je heen?’ (als we dat eens wisten). In werkelijkheid verschillen Russen niet zo gek veel van ons, en komen de gehekelde toestanden (‘banaliteit, domheid, oppervlakkigheid, kleine corruptie, […] en grijs weer’, aldus Langeveld) ook bij ons in meer dan voldoende mate voor. Zelfs de intrige is herkenbaar. Zo verried een collega-academicus die verbonden is aan departement N., dat vanwege de lage studentenaantallen bedreigd wordt met de afschaffing, me onlangs een publiek beroepsgeheim. Het hoofd van departement N. houdt de dreigende afschaffing van het departement, en dus ook van zijn functie, af door tijdens zijn zomervakantie de provincie van een groot Aziatisch land af te reizen. Als een eenentwintigste-eeuwse Tsjitsjikov ronselt hij daar bij de plaatselijke academische autoriteiten grote getalen studenten – hoewel dit vanuit didactisch oogpunt, onder meer vanwege hun gebrek aan kennis van het Nederlands, volmaakte onzin is. Of wat dacht u van onze miljoenenaankoop van schone lucht om de Kyoto-norm te halen? Misschien heeft Gogol zich vergist, en gaat Dode zielen niet over Rusland, maar over ons allemaal?

[Recensie geschreven voor De Leeswolf, dat intussen is opgedoekt.]

Getagged , , , ,

Kirill Medvedev ontvangt Andrej Belyj-prijs voor zijn Ten oorlog tegen het stadhuis

pochodOp maandag 27 oktober 2014 is bekendgemaakt dat de Moskouse dichter en activist Kirill Medvedev voor zijn eerder dit jaar bij de Vrije Marxistische Uitgeverij en Translit verschenen dichtbundel Pochod na merijoe (‘Ten oorlog tegen het stadhuis’) de prestigieuze Andrej Belyj-prijs toegekend wordt in de categorie poëzie. Dat is Ruslands oudste van de overheid onafhankelijke literatuurprijs (het eerste prijzengeld was een appel, een roebel en een fles vodka). 

Kirill Medvedev begon aan de in Pochod na merijoe opgenomen gedichten te schrijven in de nasleep van de Arabische Lente, die ook de hoop van de Russische activisten deed opflakkeren.  In het najaar van 2015 verschijnt (hopelijk) een Nederlandse vertaling van deze bundel bij uitgeverij Leesmagazijn. Een selectie gedichten van Pochod na merijoe is eerder in Nederlandse vertaling verschenen als onderdeel van het boek Alles is slecht (Leesmagazijn, 2014). Dat geldt ook voor het onderstaande gedicht, getiteld ‘Ten oorlog tegen het stadhuis’:

we hadden een vergunning gekregen
voor een antifascistische betoging,
maar niet voor een mars.
mensenrechtenactivist ponomarjov* en ik trokken naar
het stadhuis om te achterhalen waarom.
ponomarjov was razend. ik hield hem een beetje in toom.
ik zal ze leren de fascisten te laten marcheren, zei hij.
ik had niet het gevoel dat dit goed zou aflopen.
olejnik, vicehoofd van de afdeling grote betogingen,
was een pafferig hummeltje met blozende wangen.
begrijpt u, uw verzoekschrift is al behandeld,
zei hij glimlachend.
bent u in staat om een gesprek in het Russisch te voeren?
vroeg pono somber.
ik praat toch russisch met u, zei olejnik.
nee, als dit de manier is waarop u een gesprek aangaat, dan
bent u daar niet toe in staat.
met dit relletje begon het,
maar alles werd min of meer gladgestreken.
de huichelachtige glimlachjes en de diplomatie
kwamen aan zet.
kom nou, laten we elkaar begrijpen, meneer ponomarjov.
laten we dat doen, meneer olejnik.
iedereen denkt dat de mars doorgaat, zei ik somber.
het is te laat om het af te blazen. olejnik begon ons
te bestoken met decreten.
pono diende hem van repliek,
en ik verzonk een beetje in gedachten, omdat ik wist dat
wanneer twee experts

elkaar beginnen te bestoken met wetten en decreten, dat
alles dan uitdraait
op extreme oplichterij, zoals in onze rechtszalen
(en ik heb een hekel aan die oplichterij).
door het raam zag ik de moskva-rivier.
ik herinnerde me hoe op 2 oktober 1993 tijdens de nacht
voor de bestorming van het stadhuis
door de oppositie**
de smerissen ons een paar huizenblokken verder
arresteerden
zogenaamd vanwege een gebroken ruit
in het stadhuisgebouw.
op het politiebureau had ik met overtuiging verkondigd
dat wij die ruit niet hadden gebroken
en de smerissen hadden ons laten gaan.
later bleek dat ik die ruit toch gebroken had,
maar dat ik dat toen gewoon was vergeten.
o heilige dronkenschap!
wat is het makkelijk en fijn om de waarheid te spreken!
hebben jullie ooit jakhalzen horen lachen?
daar in het stadhuis dacht ik terug aan jakhalzengelach in
een abchazisch dorp.
dat is zelfs geen gelach.
het is alsof er een heel huwelijksfeest over straat rolt.
het rolt en krijst en zingt, zingt, zingt uitbundig!
in dat dorp zijn ze als de dood voor de wasberen
uit het noorden,

ze zouden wel eens de russische grens over kunnen steken.

van dit alles werd ik afgeleid door kabaal op het kantoor…
kabaal, gerinkel, mensen liepen aan,
stoelen werden omgegooid…
plotseling besefte ik dat ik in een bloedige nachtmerrie
terecht was gekomen…
ponomarjov ramde olejnik in elkaar!

ik begon om hem heen te lopen, te schreeuwen:
stop daarmee, lev, stop daarmee,
doe dat toch niet, alsjeblieft, stop daarmee!
dwars door mijn geweeklaag
klonk de stem van olejnik.
hij knorde.
daarna stopte het geknor, omdat ik in gedachten verzonk
het geluid
leek te worden uitgezet, het enige wat overbleef waren
lichtjes vertraagde
beelden.
wat ponomarjov zei heb ik dus evenmin gehoord.
maar wat zegt een man die zijn rechten verdedigt zoal
in trotse razernij?
maar hij sprak.
‘ik ken jullie, geschifte socialisten.
jullie zijn niet in staat jezelf of anderen te verdedigen.
semi-sektarisch en infantiel zijn jullie,
jullie staan niet stil bij jullie rechten.
marginale zeurpieten.
oude bibliotheekwijven.
willen jullie subcultuur of politiek?
het wordt tijd om te kiezen
wat wordt het?’
kadatsjki, de chef van olejnik,
kwam zijn hulpje niet te hulp: hij was in vergadering.
hij had olejnik opgedragen ons te ontvangen.
en hij kwam hem niet te hulp, hij bleef vergaderen.
het stuk stront.
het gevoel rechten te bezitten geeft je lichamelijke kracht,
bedacht ik, terwijl ik toekeek hoe pono

de vloer aanveegde met olejnik.
En wij linkse rakkers,
kennen onze rechten misschien niet echt
behalve misschien ons efemere recht op utopie,
de jarenlange gesprekken over revolutionair geweld hebben
ons bloed verkild
en ons veranderd
in verschraalde mossels die niet eens voor hun eigen rechten
kunnen opkomen,
laat staan voor die van een ander
dacht ik verder, lang nadat ik die hel achter mij had gelaten,
tot laat op de avond;
en die gedachte zou mij heel ver hebben gevoerd,
als ik geen email had ontvangen van ponomarjov
dat voor de mars toch geen vergunning was gegeven;
morgen opnieuw ten oorlog tegen het stadhuis.

* In de Sovjettijd doceerde Lev Ponomarjov (°1941) fysica. In de late jaren tachtig was hij een van de oprichters van de mensenrechtenorganisatie Memorial. Hij werd gesteund door Andrej Sacharov. In 1990 werd hij verkozen tot lid van de Russische doema. De afgelopen tien jaar heeft Ponomarjov hevige oppositie gevoerd tegen Poetin. Zo had hij scherpe kritiek op het proces tegen Chodorkovski, die hij als een politieke gevangene beschouwde. In maart 2009 werd Ponomarjov in de buurt van zijn huis in elkaar geslagen, maar zijn activisme is sindsdien niet verminderd. (Nvdv)

** Op 23 september 1993 ontbond Boris Jeltsin het parlement, dat hem vijandig gezind was. Het parlement beschouwde de ontbinding als ongrondwettelijk en begon een afzettingsprocedure tegen hem. Gewapende medestanders bezetten het parlement en het nabijgelegen stadhuis. Op 2 en 3 oktober braken er bloedige straatgevechten uit. Jeltsin won de slag door de inzet van tanks. Afhankelijk van de bronnen vielen er enkele honderden tot duizenden doden. (Nvdv)


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken


Getagged , , , , , , ,

‘Zeer de moeite waard’ Weststeijn over Alles is slecht in Tijdschrift voor Slavische Literatuur

In het laatste nummer van Tijdschrift voor Slavische Literatuur (Nr. 68, pp. 78-79) bespreekt Willem G. Weststeijn, emeritus hoogleraar Russische letterkunde van de UvA, de bundel Alles is slecht van Kirill Medvedev, die hij herkent als een hedendaagse dissident:

WillemWeststeijn

Met zijn stellingname tegen de heersende orde lijkt Medvedev wel wat op de dissidente schrijvers in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Die streden weliswaar voor iets heel anders: grotere vrijheid, geen censuur, kunnen schrijven wat je wilt, maar ook Medvedev kun je zien als een dissident. Hij is niet tevreden met de situatie waarin de Russische literatuur verkeert en wil daar verandering in brengen. Hij loopt daarbij natuurlijk aanzienlijk minder gevaar dan de dissidenten in de Sovjettijd, die hun verzet tegen de staat vaak met langdurige kampstraf, verbanning of gedwongen emigratie moeten bekopen (denk aan Sinjavski, Brodsky en Solzjenitsyn), maar dat maakt zijn verzet er niet minder interessant om. In zijn gedichten en vooral in zijn essays, weet hij uitstekend onder woorden te brengen wat hij beoogt en wat hem drijft. Juist de manier waarop hij dat doet maakt hem een van de interessantere vertegenwoordigers van Russische literatuur anno 2014.

[…]

Alles is slecht biedt een goede indruk van wat Medvedev de afgelopen tien jaar heeft geschreven.

TSL 68 OMSLAGInteressanter nog dan de gedichten, vindt Weststeijn Medvedevs bloedeerlijke essays, waarin de dichter zijn positie uitlegt:

Hij legt zich niet neer bij de opvatting van veel van zijn mededichters en -schrijvers, dat echte kunst niets te maken zou hebben met ideologie en politiek, maar schaart zich juist achter de ideologisch bevlogenen en dan vooral hen die, zoals bijvoorbeeld Bertolt Brecht, een rechtvaardige, marxistisch-socialistische samenleving nastreven. In zijn teksten is die bevlogenheid duidelijk aanwezig, maar ontbreekt de ideologisch vooringenomenheid en scherpslijperij die zoveel ‘linkse’ literatuur kenmerkt. Zijn analyse van de situatie in de Russische literatuur en cultuur van nu en van zijn eigen positie daarin is haarscherp en verklaart ook veel van de reactie van de Russische intelligentsia op de politiek van Poetin en de recentegebeurtenissen in Oekraïne. Die reactie is er nauwelijks. De ene helft vindt het prachtig wat Poetin doet: Rusland is immers een imperium, en Poetins politiek betekent een terugkeer naar dat door de ineenstorting van de Sovjet-Unie verlore gegane imperium. De andere helft heeft zich gecorrumpeerd met het kapitalistische systeem of richt zich uitsluitend op een privéleven waarin geen plaats is voor politiek. Protest is er nauwelijks, alsof de hele intelligentsia is verlamd.

Het eindoordeel van Weststeijn over Alles is slecht:

Alles is slecht, goed vertaald en van goede noten voorzien, is zeer de moeite waard. Het is geen politiek of historisch verslag, maar literatuur, literatuur die zich richt op de werkelijkheid van nu en een uitstekend beeld geeft van de huidige Russische samenleving en van de moeilijke positie van de eenling die die samenleving wil veranderen en op het juiste spoor wil brengen.

Lees de volledige recensie in het Tijdschrift voor Slavische Literatuur (een abonnement kan je bestellen via de website van TSL, afzonderlijke exemplaren worden te koop aangeboden in boekhandel Pegasus te Amsterdam) of op door onderstaande afbeeldingen te klikken.

20141019_09551520141019_095552


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Zeer de moeite waard’  – Willem G. Weststeijn, Tijdschrift voor Slavische Literatuur

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , , , , ,

Joseph Brodsky. Een Russisch beroepen-abc

azboeka

Op vraag van de Stichting Lezen vertaalde ik voor het schoolproject O mundo, een kleine wereldbibliotheek, dat de mooiste prentenboeken uit de hele wereld wil binnen brengen in multiculturele klassen, het ietwat stoffige, maar bij momenten hilarische Beroepen-ABC van Nobelprijswinnaar Joseph Brodsky uit het Russisch. De vertaling (zowel letterlijk als vrij) dient samen met het door Igor Olejnikov geïllustreerde prentenboek om mee aan de slag te gaan in het lager onderwijs. Ben je zelf lagere schoolleerkracht? Op de webpagina van O mundo over dit boek kan je een heleboel originele en concrete lestips vinden.

Voorwoord van de vertaler

Het Russisch is een taal die gesproken wordt door de inwoners van Rusland, waar heel veel volkeren wonen, en door de Russen, die soms in Rusland wonen en soms erbuiten. De Russische taal wordt niet alleen gesproken, maar ook geschreven.

De letters waarin het Russisch geschreven wordt, zijn heel erg mooi. Ze zien er soms een beetje anders uit dan de letters waarin het Nederlands geschreven wordt (of het Engels, of het Frans, …). De Russen hebben ook iets meer letters dan de Vlamingen of de Nederlanders: ze hebben er meer dan dertig, tegenover zesentwintig.

Als je ze uitspreekt, klinken veel Russische letters ook anders. Zo is er een letter die je uitspreekt als ‘sj’, zoals in ‘sjaal’. Een andere Russische letter spreek je uit als ‘ja’, wat ook een woord is in het Russisch: ‘ja’ betekent ‘ik’. De klank of klanken van iedere letter van het Russische alfabet kan je ook weergeven met een of meerdere letters van ons alfabet.

In dit boekje kan je kennismaken met de letters van dat Russische alfabet. Je krijgt telkens een nieuwe tekening met een nieuwe Russische letter en een nieuw Russisch woord, dat met diezelfde letter begint en een beroep betekent. Kunnen jullie de betekenis raden aan de hand van de tekening uit het bijhorende prentenboek en het vertaalde gedichtje? Laat jullie helpen door jullie klasgenootjes die Russisch kennen om het Russische beroep juist uit te spreken.

Met dit boek leren jullie dus heel wat Russische beroepen. Zo kunnen jullie een beetje meepraten wanneer Russen of Russischtaligen het over werk hebben (ook al spreken ze minstens even graag over andere dingen).

Voor wie Russisch kent: op iedere tekening kan je voorwerpen vinden die in het Russisch met dezelfde letter beginnen als het beroep waarover gesproken wordt. Een aantal van deze woorden is opgenomen in de lijst achteraan in het prentenboek. Misschien kan je enkele van deze woorden aanleren aan je klasgenoten?

A

(spreek uit: a)

Тётя занята овсом,

и пшеницею, и льном.

Тётя помнит обо всём.

Эта тётя – АГРОНОМ.

[Tante houdt zich bezig met haver,

en met tarwe, en met vlas.

Tante denkt aan alles.

Tante is AGRONOM (agronoom).]

Onze tante draagt geen das,

Onze tante is niet dom,

ze weet alles van haver en vlas,

ze werkt als AGRONOM.

(Agronóm is Russisch voor ‘landbouwdeskundige’. Dat is iemand die heel veel weet over landbouw.)

Б

(spreek uit: b)

Гонит месяц облака,

тучек пелерину,

чтоб увидеть двойника:

тётю БАЛЕРИНУ.

[De maan verdrijft de wolken,

een schoudermantel van wolkjes,

om haar dubbelganger te zien:

tante BALLERINA.]

De maan beveelt als een tsarina

de wolkjes elders te kamperen

om haar evenbeeld te adoreren:

een slanke BALERINA.

(Een balerína is natuurlijk gewoon een ballerina.)

В

(spreek uit: v)

Если утром у нас

голова горяча

или дёргает глаз –

вызываем ВРАЧА.

[Hebben wij ’s morgens

een gloeiend heet hoofd

of een oog dat trekt,

dan roepen we de VRATSJ.]

Zeggen we ‘auw!’,

‘hatsjie!’ en ‘hatsjoe!’,

dan moeten we gauw

naar de VRATSJ toe.

(Vratsj is Russisch voor ‘dokter’.)

Г

(spreekt uit als een harde g, als in garçon)

Ходит дядя за рудою

путь у дяди долог-долог.

Этот дядя с бородою

называется ГЕОЛОГ.

[Oоm zoekt naar ertsen

De weg van oom is zeer lang.

Die oom met zijn baard

wordt GEOLOG genoemd.]

Ertsen zijn wat waard,

ons oompje zoekt ze vrolijk.

Dat oompje met zijn baard

werkt als GEOLOG.

(Geolog spreek je uit als ‘geólek’. Dat is Russisch voor ‘geoloog’: iemand die de bovenste laag van de aarde onderzoekt.)

Д

(spreek uit: d)

Подворотни и углы

усмехаясь веско,

ДВОРНИК с помощью метлы

доведёт до блеска.

[Gewichtig grijnzend

doet de DVORNIK

met zijn bezem

gangen en hoeken schitteren.]

Straten kunnen stinken.

Dan krijgen ze tik na tik

van de bezem van de DVORNIK,

zodat ze weer gaan blinken.

(Dvórnik is Russisch voor ‘straatveger’)

Е

(spreek uit: jee, als in jeetje)

Жадность букв ужасна, дети!

Я проехал страны все,

но на свете, ах на свете

нет профессии на E.

[Letters zijn inhalig, kinderen!

Alle landen ben ik doorgereisd,

maar op aard, ach, op aard,

begint niet één beroep met ‘JEE’.]

Kindertjes, roep ach en wee!

Ik doorkruiste land en zee,

maar deze letter werkt niet mee:

niet één beroep begint met ‘JEE’.

Ж

(spreek uit: zj, als in journaal)

Друг заполненных вагонов,

враг пустопарожних,

проживает на перронах

ЖЕЛЕЗНОДОРОЖНИК.

[De vriend van propvolle wagons,

de vijand van leeglopers,

hij slijt zijn leven op perrons:

de ZJELEZNODOROZJNIK.]

Leeglopers zien hem als een flik.

Hij is de vriend van volle wagons

en slijt zijn leven op perrons:

de ZJELEZNODOROZJNIK.

(Zjeleznodorózjnik is Russisch voor ‘spoorman’ of ‘spoorwegarbeider’.)

З

(spreek uit: z)

Кто проводит в клетке век

ночью и при свете,

но не зверь, а человек, –

тот ЗООЛОГ, дети.

[Wie is een eeuw lang in een kooi

’s nachts en overdag,

is geen dier, maar mens?

Dat is een ZOÖLOG, kinderen.]

Wie leeft er in een kooi,

loopt alsmaar over hooi,

en is toch geen wild dier?

Over de ZOÖLOG gaat het hier!

(Zoölog spreek je ongeveer uit als zaölek. Het is Russisch voor ‘zoöloog’ of ‘dierkundige’. Dat is iemand die heel veel weet over dieren.)

И

(spreek uit: i)

В пять минут сломать часы

может мой приятель.

Он хитрее лисы

он ИЗОБРЕТАТЕЛЬ.

[Op 5 minuten maakt dit vriendje

een uurwerk stuk.

Hij is sluwer dan een vos.

Hij is IZOBRETATELJ.]

Mijn vriend is o zo leep:

hij helpt uurwerkgeratel

in twee tellen om zeep.

Hij is IZOBRETATELJ.

(Izobretátelj is een moeilijk Russisch woord, dat ‘uitvinder’ betekent.)

К

(spreek uit: k)

И комбайн, и коня,

и блоху под конец

подкуёт, без огня,

не живущий, КУЗНЕЦ.

[Hij beslaat, zonder vuur,

zowel maaidorser als paard

en uiteindelijk ook een vlo,

de vermoeide KOEZNETS.]

Hij beslaat onze merrie,

repareert fondusets,

Zijn hamer maakt herrie.

Bekaf is de KOEZNETS.

(Koeznets is Russisch voor ‘smid’)

Л

(spreek uit: l)

Натянув плотней перчатку,

вас без проволочек

из России на Камчатку

доставляет ЛËТЧИК.

[Met strakke handschoen,

brengt de LJOTTSJIK je

zonder tijd te verliezen

van Rusland naar Kamtsjatka.]

In het Oosten van Rusland

raak je in één ogenblik

dankzij de vaste hand

van de stoere LJOTTSJIK!

(Ljottsjik is Russisch voor ‘piloot’.)

М

(spreek uit: m)

Волны ходят по тельняшке,

дым от папиросы,

якоря блестят на пряжке.

Кто идёт? МАТРОСЫ.

[Hun blouses golven,

hun sigaretten walmen,

ankers schitteren op hun riem.

Wie loopt daar? MATROSY.]

Hun blouses zijn niet roze,

ankertjes vinden ze leuk,

in hun mond hangt een peuk.

Wie zijn het? MATROSY.

(Matros betekent natuurlijk ‘matroos’. Matrosy is meervoud.)

Н

(spreek uit: n)

Мама входит в детский сад.

Щёчки разрумяня,

ей навстречу сто ребят.

Эта мама – НЯНЯ.

[Mama komt de kribbe binnen.

Honderd blozende kinderen

lopen naar haar toe.

Die mama is hun NJANJA.]

Als ze de kribbe binnenkomt

bestormen, blozend, terstond

dozijnen peuters dit mamaatje:

daar is hun NJANJAATJE!

(Njánja is Russisch voor ‘kinderoppas’ of ‘kindermeisje’.)

O

(spreek uit: o)

Где живут стада оленьи,

там и он живёт,

незнакомый с ленью

наш ОЛЕНОВОД.

[Waar hertenroedels leven,

daar leeft ook hij.

Luiheid kent hij niet,

onze OLENOVOD.]

Hij gaat nooit naar concerten,

het is nu eenmaal zijn lot

te leven bij de herten:

hij is OLENOVOD.

(Olenovód betekent ‘hertenfokker’. Dat is iemand die herten kweekt.)

П

(spreek uit: p)

Чтобы чай с молоком

пить в домах добротных,

кто стучит молотком,

словно дятел? ПЛОТНИК.

[Wie klopt als een specht,

om in stevige huizen

thee met melk te drinken,

met zijn hamer? De PLOTNIK.]

Wie bouwt met zijn hamer

stevige kamer na kamer

als een specht, tik-tik-tik?

Dat is onze PLOTNIK.

(Plótnik is Russisch voor ‘timmerman’)

Р

(spreek uit: r)

Тянут воблу и угрей,

вопреки стихии,

из бушуюших морей

РЫБАКИ лихие.

[Tegen de natuurkracht in

worden uit kolkende zeeën

karpers en palingen gehaald

door de dappere RYBAKI.]

Karpers, alen en garnalen

uit woeste zeeën halen

is ook bij storm zijn vak.

Dapper is de RYBAK.

(Rybák is Russisch voor ‘visser’.)

С

(spreek uit: s)

Чтоб луной заблистал

на столе самовар,

выплавляет металл

из печей СТАЛЕВАР.

[De STALEVAR smelt

in een oven metaal uit,

zodat op tafel een samowar

als een maan kan schitteren.]

Een schitterende samowar

is wat hij je kan beloven.

Hij smelt metaal in een oven

want hij is STALEVAR.

(Stalevár is Russisch voor ‘staalgieter’ of ‘staalarbeider’. Een samowar is een Russische theemachine.)

T

(spreek uit: t)

Сонных глаз поутру

под подушку не прячь.

Возвещает зарю

вставший с солнцем ТРУБАЧ.

[Verstop je slaperige ogen

’s morgens niet onder je kussen.

Samen met de zon opgestaan

begroet de TROEBATSJ de dag.]

Voor wie houdt van zijn bedje

is de TROEBATSJ geen pretje.

Samen met de zon opgestaan,

roept hij het ochtendgloren aan.

(Troebátsj is Russisch voor ‘hoornblazer’ of ‘trompettist’.)

У

(spreek uit: oe, als in hoed)

Электричество, газ –

ежедневным трудом

все удобства для вас

создаёт УПРАВДОМ.

[Je hebt elektriciteit, gas,

en alle nutsvoorzieningen

dankzij de dagelijkse zorgen

van de OEPRAVDOM.]

Wie zorgt zonder gegrom

voor je elektriciteit en gas,

en doet zelfs bijna je was?

Dat is de OEPRAVDOM.

(Oepravdóm is Russisch voor ‘huismeester’ of ‘huisbeheerder’.)

Ф

(spreek uit: f)

К разрешению загадки

самой главной близок

начинает с физзарядки

утро каждый ФИЗИК.

[Broedend op een oplossing

voor een belangrijk vraagstuk

doet iedere FYSIK

dagelijks ochtendgymnastiek.]

Hij vindt met een beetje geluk

tijdens zijn ochtendgymnastiek

het antwoord op een vraagstuk.

Ik heb het over de FYSIK.

(Fysik is Russisch voor ‘fysicus’ of ‘natuurkundige’)

Х

(spreek uit: ch, als in chiro)

Кто,  приблизившись к кусту,

в землю ткнув треножник,

водит кистью по холсту?

Кто это? Художник.

[Wie gaat bij een struik staan,

steekt een driepikkel in de grond,

en haalt een borstel over een doek?

Wie dan? De CHOEDOZJNIK.]

Wie gaat met een arendsblik

met een ezel bij een struik staan,

laat zijn borstel heen en weer gaan?

Dat is de CHOEDOZJNIK.

(Choedózjnik is Russisch voor ‘kunstschilder’.)

Ц

(spreek uit: ts, als in tsaar)

Кто, смеясь и хохоча,

лезет в пасть к зверюге?

Мы глядим на ЦИРКАЧА

и дрожим в испуге.

[Wie kruipt er lachend

in de muil van een wild dier?

Wij aanschouwen de TSIRKATSJ

en rillen van angst].

De TSIRKATSJ bekijken wij

meer dan een beetje bedeesd,

want hij kruipt vrolijk en blij

in de muil van een wild beest.

(Tsirkatsj is Russisch voor ‘circusartiest’.)

Ч

[spreek uit: tsj]

Охраняет наш покой,

слыша ветра грозный вой,

над далёкою рекой

верный ЧАСОВОЙ.

[Luisterend naar het gehuil

van de wind boven de rivier

zorgt hij voor onze rust,

de trouwe TSJASOVOJ.]

Hij aanhoort het woeste geloei

van de wind boven de rivier

en nooit vertrekt hij een spier.

Op wacht staat de TSJASOVOJ.

(Tsjasovój is Russisch voor ‘schildwacht’.)

Ш

(spreek uit: sj, zoals in sjaal)

Кто, вступая с птицей в спор,

мчит во тьму во весь опор?

Кто глядит на светофор

с восхищением? ШОФËР.

[Wie rivaliseert met de vogels

en raast ’s nachts in volle vaart?

Wie bekijkt een verkeerslicht

met hartstocht? De SJOFJOR].

Door de nacht raast deze agressor

alsof hij met vogels wil rivaliseren,

maar evengoed kan de SJOFJOR

een knalrood stoplicht vereren.

(Sjofjór is Russisch voor ‘chauffeur’ of ‘bestuurder‘.)

Щ

(spreek uit: sjtsj, zoals in fresh cheese)

Нету должностей на Щ.

Весь вспотеешь, их ища.

[Je zoekt je in het zweet:

er is geen job met ‘SJTSJ’.]

Met ‘SJTSJ’ vind ik niks,

zelfs niet kwaadschiks.

Ы

(Deze klank bestaat niet in het Nederlands, maar lijkt een beetje op een ‘i’.)

К сожалению, увы,

нет профессий и на Ы.

[Hemellief, spijtig genoeg

is er geen beroep met ‘Y’.]

Met deze letter, vrienden,

is ook geen job te vinden.

Э

(spreek uit: e)

Свет погас, не видно пальцев.

Можно кошку съесть живьём,

наглотаться спиц от пяльцев…

Мы ЭЛЕКТРИКА зовём.

[Het licht is uitgegaan, stikdonder.

De kans bestaat dat je je kat opeet

of je naaigerei opvreet…

We roepen de ELEKTRIK.]

Zonder licht hebben we schrik

om per ongeluk naaigerei te eten,

of om de kat levend op te vreten…

Daarom bestaat de ELEKTRIK.

(Het Russische woord eléktrik betekent ‘elektricien’ of ‘elektrotechnicus’.)

Ю

(spreek uit: joe)

У меня сокровищ груды:

и брильянты, и сапфир.

Серебро от изумруда

отличает ЮВЕЛИР.

[Ik heb bergen schatten:

diamanten en saffieren.

Wat zilver is of smaragd

dat ziet de JOEVELIR.]

Wat een praal en pracht:

diamant, robijn en saffier.

Dit is zilver, dat is smaragd,

zo weet de JOEVELIR.

(Een Russische joevelír is, zoals je al kon raden, een juwelier.)

Я

(spreek uit: ja)

Эту азбуку, друзья,

сочинил вам нынче Я.

[Vrienden, dit ABC

schreef JA voor jullie.]

Dit ABC is klaar, hoera!

Wie schreef het? JA!

(De Russische letter ja betekent op zichzelf ‘ik’.)

Getagged , , , ,

J. Brian Baer (ed.): Contexts, Subtexts, and Pretexts. Literary translation in Eastern Europe and Russia

brian baerBaer, Brian J., ed. 2011. Contexts, Subtexts, and Pretexts. Literary translation in Eastern Europe and Russia. Benjamins Translation Library 89. Amsterdam: John Benjamins. xvi + 227 pp. ISBN 978- 978-90-272-2437-8. €95 (HB).

The eighteen contributions that make up this volume provide the reader with a wide but insightful range of approaches to the role of translation in Eastern Europe, a topic that regrettably has received little attention in the Anglophone scholarly literature. Most of the contributors are Slavists affiliated with American universities.

The volume’s editor, Brian James Baer, has grouped the papers in three parts. Whereas the intention of the first part, entitled “Contexts,” is to shed light on the cultural and political contexts that shaped the way literary works were translated and received in Eastern Europe, “Subtexts,” the second part, is presented as a collection of thoughts on the influence of Eastern European politics on translation theory and practice. The contributions of the third part are supposed to challenge the secondary status of translations by engaging with various meanings of the word “pretext.” The division in these three parts surely is stylistically appealing, but on further consideration it turns out to be a rather artificial one – most articles could be moved to a different section without anyone really noticing. An attempt to order the articles along chronological lines might have helped the reader better to see the wood for the trees.

While Eastern Europe is usually thought of as one single translation zone, it is rightly presented here as a plural one. In his “Introduction: Cultures of Translation” (1-15), Baer admits to having neglected Ruthenians, Albanians, Belarusians, Moldovans and Slovaks, and especially regrets not having been able to find suitable contributions on the role of translation in the cultural life of Eastern European Jews, Roma and Muslims, but he has the merit of filling the stage with representative personalities and events from Romanian, Hungarian, Polish, Czech, Ukrainian, Bulgarian, Croatian, Serbian, Slovenian and Latvian culture. It is, however, Russian culture that is given the most attention. Its privileged position in this book can be defended on several grounds. The first set of grounds is obvious: Russian is the biggest of all languages spoken in Eastern Europe, and Russia is its biggest country in terms of inhabitants. The impact of its foreign policy, especially under the Soviet rule, on the written culture of its neighboring countries can hardly be overestimated. More importantly, it is impossible to think of another country that historically has attributed so much weight to literature, both in the way its society is organized and in defining its cultural (self-)image.

Although Russia has a rich tradition of sacred writings, compared to Western European countries, its literature is what Even-Zohar would call “young.” Throughout the 18th and 19th centuries, many a Russian read literature in French and/or German, but the lack of an own national repertoire also favored a massive stream of translations, which obviously influenced the creation of a native literature. For instance, the translator Vasilii Zhukovskii played an important role in “helping Russian critics to define the Russian self and its mission in relation to the European other,” as David L. Cooper demonstrates in his article “Vasilii Zhukovskii as translator and the protean Russian nation” (55-77). About a century later translation still exerted great influence on the Russian literary debate. As Susmita Sundaram shows in her article “Translating India, constructing self: Konstantin Bal’mont’s India as image and ideal in Fin-de-siècle Russia” (97-115), the symbolist poet took inspiration from his translations of ancient Indian drama in an effort to envisage possible solutions for the crisis in contemporary Russian theater.

The contributions by Cooper and Sundaram are the only ones in this volume that concern the young but ambitious literature of pre-revolutionary Russia, where numerous writers searched to obtain, and were given, the status of prophets. In line with this tradition, in communist Russia every official writer was proclaimed an “engineer of the human soul” and every non-official writer risked prosecution for so-called “social parasitism.” It is obvious that in a society that perceives a poet as more than a poet, translation activities too take on quite a different aspect. Like non-translated literature, translated literature was used as an instrument by many to consolidate the Soviet system, and by others to fight it.

The present volume contains numerous interesting case studies which demonstrate that translation norms in Russia and the other republics of the Soviet Union were profoundly affected by communist ideology and by the central position of the Russian member state in general and the Russian Communist Party in particular. Obviously, translation policy was changed in the sense that translation from Russian was privileged in all non-Russian-speaking countries under Soviet rule. Even so, as regards preliminary norms, Susanna Witt shows in her multifaceted survey article “Between the lines. Totalitarianism and translation in the USSR” (149-170) that Soviet time Russian translators dealing with works from the national republics more often than not used interlinear trots. Needless to say, operational norms were also drastically affected as translators, keenly aware of the censor’s eye, were more concerned with ideological acceptability than with adequacy. In his article “Squandered opportunities. On the uniformity of literary translations in postwar Hungary” (205-217), which focuses on literary translations from Spanish, László Scholz suggests that virtually all translations in communist countries were marked by a striking uniformity, which left no space for innovation or experimentation, as a direct consequence of the requirement to pursue specific political objectives. Vitana Kostadinova, whose article “Meaningful absence: Byron in Bulgarian” (219-232) accounts for the non-translation of the English poet in the Bulgarian Romantic Age, gives another interesting example of how the reception of a work could be hindered by communist ideology: the suppression of Manfred in Socialist Bulgaria would be the result of a previously published review that compared Byron’s hero with a Bolshevik who undermined social order.

Confronted with such insights into the widespread manipulation of translation for political purposes in the Soviet Union, one would almost forget the other side of the coin. Actually, as is demonstrated by several articles in this volume, the practice of translation could also offer a way out for people suffering from the regime. First, quite a few Russian writers that would not comply with the dogmas of socialist realism were able to make a living by reinventing themselves as translators. In her beautifully illustrated contribution “The poetics and politics of Joseph Brodsky as a Russian poet-translator” (187-203), Yasha Klots shows that in the case of this Noble Prize winner the poetical and moral implications of this reinvention were particularly strong. Second, because of the fact that translators could hide themselves at least to some extent behind the presumed author, translation offered somewhat more space for deviation from the norms than original writing. It is in these circumstances that Evgenii Zamiatin’s dystopia We was published in 1927 in Prague as a Russian pseudo-translation from the Czech, as Natalia Olshanskaya mentions in “Russian dystopia in exile: Translating Zamiatin and Voinovich” (265-276). Third, translation was also a way out for many writers dealt with in this volume in the sense that being translated was the only effective way to reach a readership.

Prominent representatives of the Russian avant-garde Marina Tsvetaeva and Daniil Kharms were among the first victims of Russian censorship. However, as Sibelan Forrester argues in her article “The water of life: Resuscitating Russian avant-garde authors in Croatian and Serbian translations” (117-136), enforced Soviet adulation figuratively killed Mayakovsky even more effectively than it killed the other two writers. In a more literal sense, too, the three of them are believed to owe their deaths to the Soviets. Whereas Mayakovsky and Tsvetaeva committed suicide, Kharms was allegedly executed in a prison. However, on the basis of recently discovered documents, it is now believed that he died of starvation in a psychiatric hospital in Leningrad during the German blockade. Forrester shows herself unaware of this version, but this is compensated by the brilliant way in which she elaborates on the popularization of Russian avant-garde authors by the Yugoslav authors Josip Sever, Danilo Kiš, Irena Vrkljan and Dubravka Ugrešić.

While some writers under the Soviet yoke had to content themselves with being read abroad in translation, others managed to go abroad themselves. Such was the enthralling case of Vladimir Nabokov, who after his flight from the Bolsheviks ended up with two oeuvres: one originally written in Russian, which he translated into English, and one originally written in English, which he translated into Russian. It is Brian James Baer who pays tribute to this unique writer in his article “Translation theory and cold war politics: Roman Jakobson and Vladimir Nabokov in 1950s America” (171-186), by playing him off in the context of the Cold War against Jakobson, the other influential agent of translation of Russian origin.

Theorists of translation originating from minor cultures are also abundantly represented in this volume. In his article “Romania as Europe’s translator: Translation in Constantin Noica’s national imagination” (79-95), Sean Cotter sheds light on the somewhat obscure thoughts on translation developed by this Romanian philosopher and poet during different periods of his life. Not surprisingly, the exiled writer Milan Kundera also receives a fair deal of attention. In “Shifting contexts: The boundaries of Milan Kundera’s Central Europe” (19-31), Charles Sabatos explores the Czech novelist’s claim to a transnational Central European identity, while Jan Rubeš in his article “Translation as condition and theme in Milan Kundera’s novels” (317-323) examines the paradox of why after being canonized in the West as the humoristic, libidinous champion of the Prague Spring thanks to French translations, the writer refused to authorize the Czech translation of his books written in French.

The implosion of the USSR, announced by a period of cultural liberty under Gorbachev, radically reshaped the literary polysystems of all the nations involved. The writer lost his prophetic status. Entertainment being the new stake of literature, Russian translation policy radically changed in less than a decade’s time, allowing now for massive importation of genres and works that previously had been banned as bourgeois. This page of Russian literary history is explored in a very original way by Vlad Strukov. His article “Translated by Goblin: Global challenge and local response in Post-Soviet translations of Hollywood films” (235-248) reveals the reasons why Dmitrii Puchkov’s witty voice-over is so appreciated by the Russian audience. But then, Aleksei Semenenko underlines the fact that the transition from communism into capitalism did not consign all literary traditions to oblivion; his article “No text is an island: Translating Hamlet in twenty-first-century Russia” (249-263) demonstrates that the Russian translations of Shakespeare’s tragedy published in the 1999-2008 period rely on previous interpretations rather than on the source text.

For the dominated literatures of Eastern Europe, the decline of the communist regimes brought new opportunities. It is logical that, especially for the former full members of the Soviet Union, the disappearance of the restrictions on the use of national languages resulted in a radical change in translation policies. The impact of the post-Soviet search for a national identity through translation activities is elaborated for Ukraine by Vitaly Chernetsky in his article “Nation and translation: Literary translation and the shaping of modern Ukrainian Culture” (33-53), and for Latvia by Gunta Ločmele and Andrejs Veisbergs in their article “The other polysystem: The impact of translation on language norms and conventions in Latvia” (295-316). The new cultural environment that countries like Poland and Slovenia find themselves in as new members of the European Union, is explored by Allen J. Kuharski and Suzana Tratnik. The former concentrates on Polish theater translations of classical tragedy in his article “Between cosmopolitanism and hermeticism” (277-294). The latter’s article “Translating trouble: Translating sexual identity into Slovenian” (137-146) – which is among the most readable ones in this volume, maybe because the author is a writer herself – shows that translating gay, transgendered and queer literature into Slovenian language is especially challenging, for it lacks the necessary vocabulary.

In his “Introduction” to Contexts, Subtexts and Pretexts. Literary Translation in Eastern Europe and Russia, Baer explains that the book’s aim is to contribute to the scholarly mapping of translation in a spirit of challenging both the hegemony of Western models and any simple notion of Western identity itself by exposing “Europe’s internal other” (1). After reading the more often than not compelling illustrations of the role translation played and keeps playing in Eastern Europe, one must conclude that this mission has been accomplished. The notion itself of Eastern Europe remains of course problematic, especially because a country like Poland perceives itself as Central European. In that sense, it is strange that this volume rather systematically differentiates between Eastern Europe and Russia, as if these were two different, non-overlapping entities. Also, the message of challenging Western models would have been even more convincing if more researchers affiliated with universities from Eastern Europe had been involved in this beautiful project.

[Review by Pieter Boulogne (University of Leuven, University of Antwerp, University of Ghent)]

Getagged , , , , , ,

Michaïl Sjisjkin. Het sociaal contract van Poetin

De onderstaande tekst is een vertaling van een opiniestuk van de Russische schrijver Michaïl Sjisjkin (de auteur van onder meer Onvoltooide liefdesbrieven), dat op 18 september 2014 in het Russisch verscheen in The Guardian.

sjisjkin

“Ik herinner me de angst die ik als kind voelde na het lezen van een vulgariserend artikel over zwarte gaten in de ruimte. De gedachte dat die heelalbreuken ons universum opzuigen bleef me ongerust maken tot ik inzag dat dit alles ver van ons bed gebeurde, dat wij er niet mee te maken zouden krijgen.

En nu heeft een zwart gat een bres in onze wereld geslagen, niet zo ver van ons. Het begint huizen, wegen, auto’s, vliegtuigen, mensen, volledige landen op te zuigen. Rusland en Oekraïne zijn al opgeslokt. Zienderogen verdwijnt Europa in het zwarte gat.

Dat gat in ons universum is de ziel van een heel eenzame, ouder wordende man. Dat zwarte gat is zijn angst.

Het fatum zond hem groeten uit exotische landen: televisiebeelden die het einde van Hoessein, Moebarak en Kaddafi vastlegden. De straatprotesten waarmee honderdduizenden Moskovieten het plezier van zijn plechtige zelfkroning verpestten, waren een signaal dat het gevaar naderde. De schandelijke vlucht van Janoekovitsj deed het alarm afgaan: als de Oekraïners hun bende konden verjagen, dan zou hun broedervolk daar wel eens inspiratie uit kunnen putten. Prompt werd zijn instinct tot zelfbehoud geactiveerd. Om zich te redden gebruikt iedere dictatuur hetzelfde recept: vijanden creëren. Ten oorlog gaan. De staat van oorlog is het levenselixer van het regime. In een roes van patriottisme gaat de bevolking op in haar ‘nationale leider’, en wie niet akkoord gaat is een ‘landsverrader’.

Onder het oog van de kijkers is de Russische televisie van een medium voor entertainment en desinformatie veranderd in een massavernietigingswapen. Journalisten hebben zich ontpopt tot een apart soort strijdtroepen, dat er allicht het meeste toe doet, meer nog dan langeafstandsraketten. Het wereldbeeld dat op bestelling van bovenaf wordt ingeplant bij de hersendood gemaakte natie, is er een van ‘Oekrofascisten’ die het Westen naar de pijpen dansen en oorlog voeren om de ‘Russische wereld’ te vernietigen.

‘Er zijn geen Russische soldaten op de Krim,’ zo werd deze lente met scheve grijns wereldkundig gemaakt. Het Westen begreep er niets van: hoe is het mogelijk je eigen bevolking zo flagrant te beliegen? Maar de Russische bevolking zag dit niet als een leugen: ‘Wij, Russen onder elkaar, hebben alles door. Je vijand een rad voor de ogen draaien, is uiteraard geen kwalijke zaak, maar net een bewijs van je onverschrokkenheid.’ Met grote trots werd achteraf erkend: ‘Er waren wél Russische soldaten op de Krim!’

Opnieuw zijn we aanbeland in het Sovjettijdperk van de totale leugen. De autoriteiten hadden met de bevolking een ‘sociaal contract’ afgesloten, waaronder we decennialang hebben geleefd: ‘We weten dat we liegen en dat jullie liegen, en we gaan door met liegen, zodat we overleven.’ Onder dat sociaal contract zijn generaties groot geworden. Die leugen kan je zelfs niemand kwalijk nemen; het is de samenballing van levenslust, overlevingskracht. Om in een gevangenis te overleven heb je bepaalde eigenschappen nodig, een specifieke geestesgesteldheid. De autoriteiten logen omdat ze de bevolking vreesden. De bevolking nam deel aan de leugen omdat ze de autoriteiten vreesde. De leugen biedt een samenleving die gebaseerd is op geweld en angst een kans op overleving.

Maar voor zo’n alomvattende leugen volstaan enkel geweld en angst niet.

Hoe komt een vader van een Russische militair die zonder benen uit Oekraïne terugkeerde erbij om op Facebook te schrijven: ‘Mijn zoon is soldaat, hij heeft een bevel uitgevoerd. Dus sowieso, wat er ook gebeurd is, heeft hij gelijk en ben ik trots op hem.’? Het menselijke bewustzijn verjaagt de gedachte dat je zoon is gaan moorden bij een broedervolk, dat hij niet invalide geworden is omdat hij het vaderland beschermde tegen zijn ware vijanden, maar vanwege de panische angst om de macht te verliezen van een grijzige aanvoerder, vanwege de ambities van over de troon krioelende dieven. Hoe erkennen dat jouw land, jouw vaderland de agressor is, en jouw zoon de fascist? Het vaderland staat altijd aan de kant van het goede. Dus wanneer Poetin zijn land flagrant beliegt, dan weet iedereen dat hij liegt, en hij weet ook zelf dat iedereen dat weet, maar het electoraat gaat ermee akkoord.

Wanneer Poetin westerse politici voor het oog van de wereld brutale leugens vertelt, kijkt hij met brandende nieuwsgierigheid en niet zonder genoegen naar hun reactie, laaft hij zich aan hun verwardheid en hulpeloosheid.  Hij wil dat Kiev zich als de Verloren Zoon op zijn knieën terug in de vaderlijke omhelzingen van het imperium sluit. Hij gelooft dat Europa even zal koken van verontwaardiging en daarna bedaren, na Oekraïne overgeleverd te hebben aan zijn verkrachtende broer. Hij stelt het Westen voor om het Sociaal Contract van de Leugen mee te ondertekenen. Het volstaat te zeggen: ‘Poetin is een pacificator’, en akkoord te gaan met zijn volledige vredesplan.

De sancties die westerse landen tegen Rusland treffen drukken de timide hoop uit dat economische problemen de Russen onwelwillend jegens hun regime zouden stemmen en tot actieve protesten zouden bewegen. Helaas is die hoop ijdel. Een bekend Russisch gezegde luidt: ‘Sla je eigen mensen zodat anderen je vrezen’. In Berlijn of Parijs is het onvoorstelbaar dat van de ene dag op de andere een wet zou worden uitgevaardigd die prompt de invoer van levensmiddelen aan banden legt. Diezelfde dag nog zou een storm aan protest het land doen ontploffen. In Rusland had zo’n wet als enige effect dat de sowieso onstuitbare populariteit van de leider nog toenam. Poetin kent het verschil tussen zijn macht en die van de Europese democratieën. Democratische regeringen dragen verantwoordelijkheid voor mensen en hun toekomst, terwijl in een dictatuur enkel verantwoording afgelegd wordt voor de uitvoering van bevelen. Iedere dictator hoopt onsterfelijk te zijn, en als dat onmogelijk is, dan is hij bereid om iedereen die hij veracht met zich mee te slepen in het zwarte gat. En verachten doet hij iedereen, zowel zijn eigen mensen als de anderen.

Poetin weet dat het Westen de rode lijn die hijzelf al lang achter zich heeft gelaten niet kan overtreden. Die lijn is de bereidheid tot een militair conflict. De menselijke psyche heeft het moeilijk om vanuit de naoorlogse tijd de vooroorlogse tijd binnen te stappen. In Rusland hebben de massaterreurmedia de Russen geholpen om deze stap te zetten. Bovendien is Rusland al in oorlog. Een nog niet openlijk verklaarde oorlog tegen het Westen. In Russische steden zijn al kisten met lijken van Russische soldaten uit Oekraïne toegekomen. Psychologisch loopt Europa  achter, nog altijd koestert het zich in zijn ontspannen vooroorlogse wereldje. Man will weiter seinen Spass haben. Aber es ist Schluss mit der Spassgesellschaft.

De Europeanen zijn niet klaar voor de nieuwe realiteit. ‘Laat ons met rust! We hadden het toch goed voorheen: arbeidsplaatsen, gas, vrede! Geen wapens leveren aan Oekraïne! In tijden van kernwapens ga je toch geen gewapend conflict beginnen vanwege een of ander Marioepol! De wereld moet toch niet in een catastrofe ten onder gaan omdat Oekraïne deel van Europa wil uitmaken? En daarbij spreekt Poetin prachtig Duits! Hoe kan hij een monster zijn als een Europees staatshoofd met hem in een slee zat en hem ‘ein lumpenreiner Demokrat’ heeft genoemd? Het zijn de Amerikanen die ons tegen de Russen opzetten! De schuld voor alles ligt bij de Amerikaanse imperialisten en de Europese bureaucraten! Wat hebben we aan sancties als ze ook ons schade berokkenen? Kijk, de Fransen staan klaar om de straat op te gaan uit protest tegen ‘het Amerikaanse dictaat dat Frankrijk dwingt om af te zien van de levering van zijn Mistral-oorlogsschepen aan Rusland’. Moskou verdedigt de Russische belangen in Oekraïne! En wie zegt dat er in Kiev echt geen fascisten aan de macht zijn? Wie weet is de Majdan begonnen als een volksopstand, maar is de macht daarna in handen geraakt van een nazistische junta. Dus waarom zouden we hun steun verlenen en ruzie maken met Rusland? Poetin stelt vrede voor! Wij willen vrede!’

De berekeningen van Poetin kloppen: het is waarschijnlijker dat de bevolking van het Westen uit angst voor economische chaos en de mogelijkheid van een oorlog nieuwe regeringen verkiest en Poetin-haters door Poetin-begrijpers vervangt, dan dat economisch verval en de prijsstijging van levensmiddelen de Russen tot protesten bewegen.

Poetin biedt Europa zijn sociaal contract aan. En telkens wanneer nog iemand zich bereid toont het te ondertekenen, dijt het zwarte gat uit.

Het wordt tijd dat we het inzien: het naoorlogse Europa is nu al vooroorlogs geworden.”

[Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Oorspronkelijke titel: Черная дыра Путина (Het zwarte gat van Poetin)]

Getagged , , , ,

‘Dit boek leest als een openbaring’ MO* over Alles is slecht

In zijn stuk ‘Dichtbundels tegen de stilstand. Poëzie dient nergens toe’, te vinden in het hersftnummer van MO* (4 september 2014, pp. 96-97), brengt Gie Goris drie dichtbundels met elkaar in verband: Alles is slecht van de Rus Kirill Medvedev, Gedichten van de Deen met Palestijnse roots Yahya Hassan en Liefde en aarde van Tom van de Voorde. Centraal staat de vraag hoe de dichter omgaat met de wetenschap dat zijn teksten over de maatschappij die hem tegen de borst stuit die maatschappij niet veranderen:

Kirill Medvedev debuteerde in 2000 met Alles is slecht, een uitermate programmatische bundel waarin hij het literaire wereldje en de links-radicalen in Moskou op de hak nam: ‘ik ben al heel wat mensen tegengekomen / die, omdat ze zichzelf haten / vanwege hun intellectuele passiviteit, / uit alle macht proberen / haar in zichzelf te verdelgen…’ Daarmee definieerde hij meteen zijn eigen kleine oorlog, die hij ook in de jaren daarna zou blijven voeren. In Mijn fascisme schrijft hij: ‘Volgens mij mag de intelligentsia zich niet opsluiten in elitaire reservaten, niet samensmelten met de overheid of kerk, en niet opgaan in de middenklasse.’

In een later essay, In memoriam Dmitri Koezmin, vat de Russische dichter de overwegend positieve reacties op zijn gedichten en polemieken als volgt samen: ‘We mogen je wel, je bent cool, grappig, anders getalenteerd, we waarderen en respecteren je. Maar je moet niet denken dat je onze levens beïnvloedt.’ De dichter raakt de lezer, die ‘oprecht, adequaat en emotioneel omgaat met mijn tekst’, maar dat heeft niet het minste effect op oorlog of vrede, op politiek of maatschappij. ‘De invloed van de tekst op de lezer is nul komma nul’

Die vaststelling maakt Medvedev radeloos, want rondom zich ziet hij Rusland afglijden naar een nieuw autoritarisme. De “intelligentsia” laat zich al te graag gebruiken door het Kremlin onder Poetin, of ze verliest zich in impotent gedweep met het Westen. Medvedev wil die schijnbaar onvermijdelijke gang van de Russische geschiedenis openbreken met een poëtica die radicaal individueel én politiek is, die de avant-garde in het begin van de 21e eeuw opnieuw wil uitvinden. Maar dat lukt niet: zijn woeste gedichten krijgen applaus, hij wordt gepubliceerd, en daarmee houdt het op.

Als reactie op die impasse besluit Kirill Medvedev te breken met de literaire kringen waarin hij bekendheid verwierf. Hij trekt zijn verzet tegen de greep van het het [sic] systeem zelfs door tot in de radicale consequentie dat hij zijn eigen auteursrecht verwerpt, omdat het literaire establishment afhankelijk is van het oligarchenkapitalisme. De boekenindustrie noemt hij ‘een enorme business in handen van mensen die “amnestie” hebben gekregen voor hun lucratieve criminele verleden’ en ‘in belangrijke mate gesubsidieerd wordt door de olie- en gasindustrie’.

[…] het boek leest als een openbaring, althans voor wie de Russische politiek niet al jaren op de voet volgt. De afrekeningen en discussies onder literaire Russen leggen de angst en de uitzichtloosheid bloot die onder Poetin groeiden, maar die aanvaard werden als alternatief voor de angst en de chaos van de overgangsjaren onder Jeltsin. Het is geen opbeurende lectuur, zoals de titel al doet vermoeden, maar bevat louter door zijn radicale strijdbaarheid meer hoop dan alle zelfhulpboeken bij elkaar. […]

Lees hieronder de volledige bespreking (klikken om te vergroten).

MO over KirillMedvedev


 

 

Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , ,

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ NRC Handelsblad Boeken over Alles is slecht

page3-480x688

Op vrijdag 15 augustus besprak Ruslandkenner Michel Krielaars voor NRC Handelsblad Boeken (p. 3) de bundel Alles is slecht. In zijn recensie ‘Het is de schuld van de intelligentsia’ besteedt hij vooral aandacht aan Kirill Medvedevs ‘heel scherpe’ essays, waarin hij beschrijft ‘hoe verdorven het intellectuele, morele en esthetische klimaat in Rusland is geworden’:

Poesjkins vrijheidspoëzie, Pasternaks Dokter Zjivago en de anti-Poetinpunk van Pussy Riot hebben met elkaar gemeen dat ze tegengif zijn voor de onderdrukking door de staat en de waarheid laten zien in een woud van leugens. De schrijver en dichter Kirill Medvedev (Moskou, 1975) doet dat ook. In zijn onlangs vertaalde bundel gedichten en essays Alles is slecht fileert hij zijn tijd en schetst hij een onthutsend portret van een hopeloos land.

Medvedevs gedichten doen aan de poëzie van Charles Bukowski denken, wiens werk hij heeft vertaald. Ze zijn geschreven in de vorm van het vrije vers en gaan over alledaagse dingen, zoals het kopen van twee potjes sprotpaté, ziek zijn, het ontdekken van een rubberen piemel in een kiosk, de arrogantie van snobistische filmcritici. Ze laten het alledaagse Rusland in de meest uiteenlopende kleurschakeringen zien, van lieflijk en chaotisch tot barbaars en wreed.

Heel scherp zijn Medvedevs essays ‘Mijn fascisme’ (2004) en ‘De literatuur zal worden doorgelicht’ (2007). Hierin beschrijft hij hoe verdorven het intellectuele, morele en esthetische klimaat in Rusland is geworden. Niet alleen de huidige machthebbers krijgen ervan langs, maar ook de post-Sovjetintelligentsia.

Volgens Medvedev heeft de liberale intelligentsia na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 verzaakt om een verenigende humanistische ideologie te ontwikkelen waarmee een evenwichtige samenleving kon worden opgebouwd, omdat ze alles wat niet met haar mensbeeld strookte weigerde te begrijpen. Daarentegen hebben nationalisten, conservatieven en extremisten van links en rechts elkaar gevonden in hun afkeer van het chaotische liberalisme van de jaren negentig en wél een nieuwe ideologie gevonden, zoals de reactionaire en pattriotistische denker Aleksandr Doegin laat zien. Zijn filosofie van het ‘Euraziatische imperium’ presenteert vage esoterische en zuiver racistische concepten als ‘hapklare sacrale waarheden’, die veel Russen aanspreken. Niet voor niets heeft de kleurloze Poetin Doegin tegenwoordig als huisfilosoof.

Dat de situatie in Rusland ronduit rampzalig is, blijkt ook uit Medvedevs omschrijving van de ‘vergeldingsmythe’, die veel Russen obsedeert. Opnieuw raakt hij daarbij de kern van de zaak: ‘De afgelopen vijftien jaar is de werkelijkheid zo vaak gebroken, verminkt, verkracht, zijn er zo veel juridische morele en domweg menselijke geboden en regels overtreden, hebben zo veel mensen – door het gebruik van hun intellect, macht, kennis of gewoon door hun domheid, talentloosheid en cynisme – hun handen vuil gemaakt aan allerlei stinkende zaakjes, dat het hierna nooit meer goed kan komen.’

Voor de meeste Russen en het Kremlingetrouwe deel van de intelligentsia is het daarom van belang dat alles bij het oude blijft, zodat de afrekening tot na hun dood kan worden uitgesteld.

Abonnees van NRC Handelsblad kunnen de volledige recensie lezen via deze link.


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , , , ,