Gertjan-Henriëtte de Kleijn (VPRO Boeken) over Kirill Medvedev

“Rusland is een ingewikkeld land, maar wie dat land iets beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen van de Russische dichter en activist Medvedev.” Aldus Gertjan-Henriëtte de Kleijn (VPRO Boeken), die het helemaal juist heeft (op de naam van de vertaler na). 


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Haast bezwerend’ – Claudia Zeller, Absint

‘Griezelig relevant boek’ – Mark Cloostermans, Boekblad

‘Sterke poëzie’ – Maarten Buser, Literair Nederland

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Dit boek leest als een openbaring’ – Gie Goris, MO*

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

‘Zwarte, alarmerende humor’ – Griet Menschaert, Gonzo (circus)

‘Een onherroepelijke strijdkreet van een rebelse overlever, die zijn inkt heeft vermengd met buskruit’ –Tommy van Avermaete, Irrealisten.blogspot.nl

‘Kirill Medvedev kent u van Alles is slecht’ – Gaea Schoeters, De Standaard der Letteren

‘Voor de geinteresseerden in de politiek van Rusland zeker een must’ – Hati Bell

‘Dikke aanrader’ – Martinus Bender, Avier (Onafhankelijk Literair Vlugschrift)

‘Een onthutsend portret van een hopeloos land’ – Michel Krielaars, NRC Handelsblad Boeken

Getagged , , , , , , , ,

NRC Handelsblad over Kirill Medvedev

Arjen van Veelen in NRC Handelsblad (7/5/2014, p. 9) over Alles is slecht in een stuk over het Marxisme Festival:

[…]

Een sympathieke internationale socialist in mooie rode jas vroeg waar ik precies stond, ze dacht dat ik wel links was, gezien m’n stukjes. Inderdaad voel ik soms aandrang om positie te kiezen, zoals ik soms een tijdje op squash wil gaan; meestal gaat het vanzelf over. Ze raadde aan om Rosa Luxemburg te lezen, als antidotum tegen „postmoderne vertroebeling”.

Maar ik had al een boek, net gekocht, gewoon bij de kassa van de Athenaeum-boekwinkel: de poëziebundel Alles is slecht van de Rus Kirill Medvedev, zojuist verschenen in de vertaling van Pieter Boulogne. Medvedev, die ook een marxistische uitgeverij heeft, ageert tegen Poetin en tegen de intellectuele passiviteit van zijn generatie. Ik vond het inspirerend – misschien omdat de Rus uit een land komt waar dingen echt slecht gaan.

[…]

Alles is slechtKirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO

‘De Russische Bukowski’, ‘Een van de origineelste stemmen van de linkse oppositie’ – Jeroen Zuallaert, Knack

Getagged , , , , ,

Kirill Medvedev in Gent (6/5) en Leuven (7/5)

Medvedev-AllesIsSlecht Boekarest

Naar aanleiding van de publicatie van ‘Alles is slecht’ is de Russische dichter/activist Kirill Medvedev op dinsdag 6 mei om 20u te gast in de Gentse boekhandel Limerick en op woensdag 7 mei om 20u in de Leuvense boekhandel Boekarest.

‘Alles is slecht’ bevat een selectie uit de gedichten, essays en acties die Kirill Medvedev het afgelopen decennium schreef. Van zijn afscheid (uit protest) van de literaire wereld, de oprechte blijdschap bij het vinden van een potje paté in een supermarkt tot politieke overdenkingen tijdens een actie voor het behoud van het Chimkibos bij Moskou – de rauwe, alledaagse, directe, soms absurde of grappige maar altijd radicaal oprechte gedichten van Medvedev schuwen geen enkel onderwerp, en deinzen er niet voor terug stelling te nemen. In zijn essays, waarin hij harde, maar in zijn ogen onvermijdelijke conclusies trekt uit de crisis van de post-Sovjetintelligentsia en de staat van de huidige machthebbers in Rusland, doet hij net als in zijn gedichten een krachtig beroep op de verbeelding, de rechtvaardigheid en de waarheid als tegengif tegen leugens en onderdrukking. Steeds rekent hij hierbij af met het idee dat literatuur een privéaangelegenheid is, die niet in staat is een maatschappelijke of politieke ruimte op te eisen.

Medvedev bewijst met deze bundel het tegendeel. ‘Alles is slecht’ is een onontkoombaar boek voor iedereen die wil weten waarom poëzie ertoe doet, geïnteresseerd is in het Rusland van Poetin, Pussy Riot en Navalny, en radicale antwoorden zoekt op de vragen van deze tijd.

Het interview zal afgenomen worden door de Amsterdamse dichter Frank Keizer, die als redactioneel uitgever nauw betrokken was bij de totstandkoming van ‘Alles is slecht’ en door Pieter Boulogne, die de bundel uit het Russisch vertaalde. Ook het publiek krijgt de kans om vragen stellen, over poëzie, activisme in Rusland, de toestand van de Russische intelligentsia…. Iedereen is van harte welkom.

Getagged , ,

Kirill Medvedev. Mijn fascisme (enkele waarheden)

Op het linkse platform voor kritiek en analyse TENK kan je vanaf heden een voorpublicatie lezen van de bundel Alles is slecht van de Russische dichter en activist Kirill Medvedev: het essay ‘Mijn fascisme (enkele waarheden)’, waarin hij de vloer aanveegt met Poetins Rusland. Dit zijn alvast de spetterende beginregels: 

Ik behoor tot de mensen die ‘groen achter de oren’ genoemd worden. Ik doe geen vlieg kwaad, aan mijn gezicht zie je dat ik het goed bedoel, ik ben inschikkelijk en besluiteloos. Ik ga fatsoenlijk om met mijn medemensen. Ik drink zelden alcohol, leid geen losbandig seksleven en heb de laatste vijf jaar geen drugs gebruikt. Maar ik loop over van idealisme. En dat is veel gevaarlijker dan drugs, alcohol, satanisme, kannibalisme, coprofagie en necrofilie. Ik hoop dat jullie al het bovenstaande verkiezen boven mijn boeken.

Het esthetische klimaat in ons land is afschuwelijk geworden. Het nationale cultuurbewustzijn is een stinkend moeras, half Sovjet en half bourgeois, waarin de lijken van Poesjkin, Dostojevski, Jozef Stalin, Alla Poegatsjova en Jezus Christus liggen te ontbinden. Rusland lijkt op een rottende bal, een misbaksel, van boven bedekt met bladgoud en van binnen propvol afval: pulpvoedsel, pulpideologie, pulpcultuur; de brokstukken van religie, de brokstukken van ons Sovjetwereldje, de brokstukken van ons dode imperium. Dat alles puilt aan alle kanten uit deze bolstaande bal, die aan het rollen is geslagen, steeds sneller en sneller. Klaar om in stukken uiteen te spatten of anders wie in zijn weg loopt plat te walsen.

Lees het vervolg van dit essay bij TENK. Lees hier een uitgebreid auteursportret van Kirill Medvedev en hier de flaptekst van Alles is slecht.

Alles is slecht

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO

‘De Russische Bukowski’, ‘Een van de origineelste stemmen van de linkse oppositie’ – Jeroen Zuallaert, Knack

Getagged , , , , ,

Flaptekst van Kirill Medvedevs Alles is slecht

Alles is slecht

Alles is slecht bevat een selectie uit de gedichten, essays en acties die de Russische dichter en activist Kirill Medvedev het afgelopen decennium schreef. Van zijn afscheid, uit protest, van de literaire wereld, de oprechte blijdschap bij het vinden van een potje paté in een supermarkt tot politieke overdenkingen tijdens een actie voor het behoud van het Chimkibos bij Moskou – de rauwe, alledaagse, directe, soms absurde of grappige maar altijd radicaal oprechte gedichten van Medvedev schuwen geen enkel onderwerp, en deinzen er niet voor terug stelling te nemen.

In zijn essays, waarin hij harde, maar in zijn ogen onvermijdelijke conclusies trekt uit de crisis van de post-Sovjetintelligentsia en de staat van de huidige machthebbers in Rusland, doet hij net als in zijn gedichten een krachtig beroep op de verbeelding, de rechtvaardigheid en de waarheid als tegengif tegen leugens en onderdrukking. Steeds rekent hij hierbij af met het idee dat literatuur een privéaangelegenheid is, die niet in staat is een maatschappelijke of politieke ruimte op te eisen.

Medvedev bewijst met deze bundel het tegendeel. Alles is slecht is een onontkoombaar boek voor iedereen die wil weten waarom poëzie ertoe doet, geïnteresseerd is in het Rusland van Poetin, Pussy Riot en Navalny, en radicale antwoorden zoekt op de vragen van deze tijd.

Kirill Medvedev

Kirill Medvedev

Kirill Medvedev  behoort samen met de feministische punkgroep Pussy Riot en het kunstenaarscollectief Chto Delat uit Sint-Petersburg tot de jongere generatie schrijvers en kunstenaars in Rusland die zich verzet tegen het regime van Vladimir Poetin.

Uit protest tegen het corrupte en ingedutte literaire milieu in zijn land kondigde Medvedev in 2003 het einde aan van zijn literaire carrière. Een jaar later gaf hij ook zijn copyright op, zodat tegenwoordig alleen nog piraatedities van zijn werk kunnen verschijnen.

Een paar jaar geleden begon Medvedev in Moskou een eigen uitgeverij, die voornamelijk door hemzelf verzorgde vertalingen van westerse marxistische auteurs als Pier Paolo Pasolini, Herbert Marcuse en Alain Badiou publiceert. Daarnaast treedt hij regelmatig op met zijn band Arkady Kots, vernoemd naar de Russische dichter die de Internationale in het Russisch vertaalde, waarmee hij teksten van de bekende Russische ‘kunst-terrorist’ Aleksandr Brener ten gehore brengt.

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. ca. 300 p. ISBN 9789491717086. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO

Lees hier een meer uitgebreid auteursportret van Kirill Medvedev.

 

 

Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

De weigering van de dichter. Kirill Medvedev: Alles is slecht

Op 1 mei 2014 brengt uitgeverij Leesmagazijn de bundel Alles is slecht uit met gedichten, acties en essays van de Russische dichter en linkse activist Kirill Medvedev. Samen met Frank Keizer schreef ik voor De Leeswolf (2014, Nr. 2.) het onderstaande auteursportret, een voorproef van de radicale oprechtheid van deze ‘Russische Bukowski’.

GEDICHTEN

op dit moment vertaal ik een detective

voor het tijdschrift buitenlandse literatuur

een detective voor een nieuwe serie

bijlagen van dat tijdschrift

volgens mij heet die serie

‘een boek voor onderweg’

ik heb zo het gevoel

dat ik de laatste tijd

in dienst sta van de bourgeoisie

de detective is geschreven door john ridley

een zwarte amerikaanse schrijver

hij is 32 jaar oud

het is een spectaculaire detective

die ergens doet denken aan de films van quentin tarantino

hij bevat satire op hollywood

en kritiek op de moraal van het hollywood-

establishment

maar tegelijkertijd gebruikt hij

alle bekende hollywoodtrucs;

die roman bevat wel

enkele sterke passages

maar in zijn geheel is het

naar mijn gevoel

gewoon een goed gelukt knutselwerkje

volgens mij zijn vertalers

op een zeldzame uitzondering na

vampiers

die zich voeden

met andermans bloed

want een vertaling

is een zoete droom

terwijl een kunstwerk

een kwelling is

daarom

zal ik waarschijnlijk

nooit meer iets vertalen

Met de bovenstaande slotregels van een lang programmatisch gedicht kondigt de Moskoviet Kirill Medvedev aan het begin van dit millennium zijn dichterschap aan. Op dat moment is hij vijfentwintig jaar oud. Literatuur is er hem met de paplepel ingegoten. Zijn moeder was redactrice bij een grote Sovjetuitgeverij, zijn vader een bibliofiel en journalist die tijdens de perestrojka beroemd werd, maar in de vroege jaren 1990 zijn gezin aan de roulette ruïneerde (hij moest zelfs zijn bibliotheek verkopen). Van 1992 tot 1996 studeerde Medvedev geschiedenis aan de Moskouse Staatsuniversiteit. Wanneer hij in 2000 afstudeert aan het Gorki Instituut voor Literatuur probeert hij in zijn onderhoud te voorzien als journalist en criticus. Hij schrijft recensies en artikels voor kranten en tijdschriften, en maakt literaire vertalingen. Langzaam dringt het besef tot hem door dat hij onmogelijk door kan gaan met dit alles – ook al haalde hij met name uit het vertalen grote voldoening. Zo vertelt hij in dit gedicht dat hij bij het vertalen van Amerikaanse cultschrijver Charles Bukowski het gevoel had volledig samen te smelten met de auteur. Ondanks de markante verschillen in levensstijl en ideeëngoed – tegenover het gezuip van de een staat het engagement van de ander – hebben Medvedev en Bukowski inderdaad veel met elkaar gemeen. Het valt te vermoeden dat Medvedev zich door zijn ervaring als vertaler van Bukowski aangemoedigd heeft gevoeld om Russische poëzie in het vrije vers te schrijven: gedichten zonder rijmschema, regelmatige strofebouw of vast metrum. Ze delen ook een zwak voor onwelvoeglijk taalgebruik, dat in Rusland meer nog dan in het Westen tot de taboesfeer behoort. Voor puristische Russische poëzielezers is Medvedev dan ook een zeikdichter of helemaal géén dichter.

In zijn eerste poëziebundels Alles is slecht (2000) en Invasie (2003) legt Medvedev zijn ervaringen vast in Rusland, dat toen nog enthousiast Poetin achterna holde. Terwijl zijn landgenoten een graantje proberen mee te pikken van de groeiende welvaart, waar zo naar gesnakt was onder het communisme, kijkt Medvedev aan de zijlijn toe. Hij denkt na over zijn eigen positie in en tegenover de consumptiemaatschappij van post-Sovjet Rusland, bijvoorbeeld in het gedicht ‘In de supermarkt Smolenski’, waarin hij, niet gespeend van zelfkritiek, de trance beschrijft waaraan hij ten prooi valt onder invloed van al die prachtig verpakte etenswaren:

een tijdlang staarde ik

naar al die

mooie domme dure

bling bling

die daar verspreid lag

op de rekken

van de supermarkt

en ik begreep

dat dit wellicht

de basisbrandstof was

van onze maatschappij

(niet omdat we allemaal

in een consumptiemaatschappij leven,

maar gewoon omdat

de rest

entourage is

terwijl je van voedsel

kan zeggen wat je wil

maar het zijn proteïnen

het is de basisgarantie

voor gezinsgeluk en welvaart

in wezen wordt alles

veroorzaakt door voedsel,

en daarom hoeft het

misschien niet te verbazen

dat voedsel de oorzaak is

van gezinnen die uiteenvallen

relaties die stuklopen

en van moorden);

na zo nog wat rondgelopen te hebben

drong het besef door

dat mijn verstikkende gevoel van medelijden

met die producten

ook een soort

fetisjisme was

en ook

een vorm

van materialisme was;

want eigenlijk is er geen reden

om te doen te hebben met producten

die dat alles

veroorzaken;

ik betaalde voor een visfilet

en voor de twee potjes

van die verbazingwekkend goedkope paté

die ik bij mezelf

‘de paté der armen’ noemde

en toen ik op straat stond

met die producten

drong het tot me door hoe vaak

mijn afschuw

voor de grimas van de consumptiemaatschappij

omslaat in sentimentaliteit

 

ACTIES

Als jonge dichter staat Medvedev onder hoede van Dmitri Koezmin, een excentrieke literator, uitgever en openlijke homoseksueel (wat in Rusland gezien wordt als een provocatie). Al in 1989 heeft hij onder de naam Vavilon een grootschalig forum opgezet waarop hij de meest uiteenlopende innovatieve Russische dichters onderbrengt. Koezmin helpt Medvedev om zich als dichter op de kaart te zetten, maar na enkele jaren bekoelt Medvedevs belangstelling voor diens literaire project. De rechtstreekse aanleiding voor de breuk is de steun van Koezmin aan de Amerikaanse invasie in Irak. De diepere reden is het besef van Medvedev dat zijn teksten binnen het Vavilonproject dan wel getolereerd en misschien ook geapprecieerd worden, maar dat ze geen echte invloed uitoefenen op de lezer: ze zijn een voorbeeld van repressieve tolerantie. In 2003 besluit Medvedev om de literaire wereld de rug toe te keren. Op zijn website publiceert hij een communiqué waarin hij het volgende verklaart:

Aan literaire projecten die georganiseerd en gefinancierd worden door de overheid of door culturele instanties weiger ik deel te nemen. Ik zal mijn boeken voortaan zelf uitgeven en financieren, en op mijn eigen website publiceren.

Ik zal geen publieke voordrachten meer houden.

Dit is geen heroïsche pose, PR-stunt of verlangen om mijn uitgeverij een duwtje in de rug te geven. Ik leg mezelf deze beperking op omdat ik haar noodzakelijk vind. Ik ben ervan overtuigd dat mijn teksten bestempeld kunnen worden als authentieke mainstreampoëzie. Daarom koester ik de hoop dat, wanneer de mainstream in mijn persoon voor de helft ondergronds gaat en – voor zover dat überhaupt mogelijk is – voor de helft onafhankelijkheid verwerft, dat er in mijn land dan misschien meer eerlijke, compromisloze en authentieke hedendaagse kunst zal komen, die niet besmeurd wordt door de culturele, financiële en politieke macht met haar weerzinwekkend ideologisch revanchisme (of, het omgekeerde, pseudo-liberalisme).

Medvedev voegt daad bij woord en publiceert zijn pornografisch getinte bundel De pikken der vaderen in de zomer van 2004 op zijn website. Enkele maanden later verzilvert hij zijn breuk met de literaire wereld door in een Manifest over het auteursrecht afstand te doen van zijn auteursrecht.

Ik bezit geen auteursrechten op mijn teksten en ik kan ze niet bezitten.

Niettemin verbied ik de publicatie van mijn teksten in bloemlezingen en bundels, omdat ik een dergelijke publicatie voor eens en altijd afdoe als manipulatie door deze of een andere culturele macht.

Mijn teksten mogen wel gepubliceerd worden in Rusland en in het buitenland, in welke taal dan ook, ALS AFZONDERLIJK BOEK, samengesteld en vormgegeven volgens de absolute willekeur van de uitgever en op de markt gebracht als PIRAATEDITIE, dat wil zeggen ZONDER MEDEWETEN VAN DE AUTEUR, ZONDER VOORAFGAANDE CONTACTEN OF AFSPRAKEN MET DE AUTEUR, wat ook vermeld moet worden in het colofon.

Iedereen die mij tot nog toe gepubliceerd heeft ben ik erkentelijk.

Strikt genomen heeft dit manifest enkel artistieke, geen juridische waarde. Niettemin publiceert de prestigieuze uitgeverij NLO in de herfst van 2005 achter de rug van Kirill Medvedev om een bundel met essays en gedichten van zijn hand onder de titel Teksten uitgegeven zonder medeweten van de auteur. Deze uitgave drijft het conflict tussen twee door Medvedev gekoesterde ambities op de spits: enerzijds het natuurlijke verlangen om gelezen te worden en anderzijds de weigering om deel uit te maken van een systeem dat hem in staat stelt zich als dichter te realiseren.

Als dichter overleeft Medvedev in de marge van het literaire systeem: in de jaren 2005 en 2006 schrijft hij voor zijn website de cyclus Voor de eeuwigheid en voor de door hemzelf opgerichte Nieuwe Marxistische Uitgeverij de bundel 3%. Toch gaat hij in de herfst van 2006 opnieuw een stap verder. Hij legt zich zelf een moratorium op: vijf jaar lang zal hij geen nieuwe gedichten publiceren. Behalve een poging om de routine te doorbreken is het een experiment. Zal hij nog de behoefte voelen om gedichten te schrijven in de wetenschap dat ze niet meteen gelezen kunnen worden?

Het moratorium van Medvedev betekent geen terugtrekking uit het openbare leven. Integendeel, vanaf 2006 speelt hij een bijzonder actieve rol in de socialistische beweging Vperjod (Vooruit). Bovendien laat hij zich opmerken met allerhande protestacties. Zo trok Medvedev in het voorjaar van 2007 in zijn eentje de straat op om te protesteren tegen de opvoering van een toneelstuk van Bertolt Brecht door de bekende regisseur Aleksandr Kaljagin. In Sovjetstijl had die in 2005 samen met een vijftigtal andere Russische cultuurprominenten een open brief ondertekend om een schuldigverklaring te vragen voor Poetins aartsvijand Michail Chodorkovski, die toen nog de CEO was van het Yukos olieconcern.

 

ESSAYS

Het moratorium van Medvedev betreft enkel zijn gedichten. Op zijn website en blog gaat hij gewoon verder met het publiceren van gedachten, liederen en in memoriams (van de Russische conceptualistische dichter Dmitri Prigov en de vermoorde mensenrechtenactivist Markelov). De meeste inkt kruipt echter in zijn essays, die stuk voor stuk getuigen van zijn scherp ontwikkelde rechtvaardigheidsgevoel en analytische vermogen. ‘In memoriam Dmitri Koezmin‘ (2006), over zijn breuk met zijn voormalige mentor, is tegelijk een ode en een vadermoord. In ‘De literatuur zal worden doorgelicht’(2007) trekt hij conclusies uit de crisis van de Post-Sovjetintelligentsia, die hij eerder in het essay ‘Mijn fascisme’ (2004) had vastgesteld. Inspiratie puttend uit de geschriften van Bertolt Brecht en Slavoj Žižek legt hij uit waarom de dichter geen privépersoon kan zijn.

In Rusland is dat geen nieuwe gedachte. De dichter Jevtoesjenko schreef al in 1965 dat ‘in Rusland een dichter meer dan een dichter’ is, en Medvedevs eigen teksten zijn soms doordrenkt van een bijna Messiaans aandoend pathos. In het bijzonder viseert Medvedev de figuur van Joseph Brodsky, wiens wens om ‘met rust gelaten te worden’ tijdens zijn proces gerechtvaardigd was, maar na diens verwerving van enorme morele en publieke status huichelachtig is geworden. Origineel is ook de marxistische invulling die Medvedev daaraan geeft. In zijn ogen heeft het leninistische Sovjetexperiment op geen enkele manier het marxisme als theorie in diskrediet gebracht. In de ogen van Medvedev heeft Rusland met name behoefte aan de idealen van het ‘warme’ marxisme, zoals gelijkheid en de idee dat de overheid zoveel mogelijk burgers moet vertegenwoordigen, en niet zoals nu de macht in handen moet laten van een elite wiens belangen diametraal tegenovergesteld zijn aan die van de bevolking. De Russische intelligentsia begaat een kapitale fout wanneer ze weigert in te zien dat de westerse democratieën waarnaar zij opkijkt geen toonbeelden van kapitalisme zijn, maar de vruchten plukken van eerder geleverde socialistische strijd. Tegelijkertijd toont Medvedev zich in zijn politieke denken complex, zelfs tegenstrijdig. Het essay ‘Mijn fascisme’ – Medvedevs zelfverklaarde ‘fascisme’ is zijn onvermogen om te begrijpen wat buiten zijn eigen menselijkheid ligt – eindigt met de aangrijpende wens om volmaakt ongepolitiseerd zijn kunst te kunnen bedrijven, in het besef dat dat op dit moment in Rusland niet mogelijk is.

De essays van Medvedev zijn niet licht verteerbaar, maar ze werpen een nieuw licht op het eenentwintigste-eeuwse Rusland. Voor wie geïnteresseerd is in de cultuurhistorische context waarin Pussy Riot een punkgebed hield in de Christus Verlosserskathedraal van Moskou, de kunstenaar Pjotr Pavlenski uit protest tegen de politieke onverschilligheid van zijn landgenoten zijn scrotum aan het plaveisel van het Rode Plein nagelde en Aleksej Navalny van anticorruptie-blogger uitgroeide tot een voor het Kremlin te duchten oppositieleider, zijn deze essays allicht verhelderender dan alle berichten bij elkaar die hierover in onze traditionele pers verschenen zijn – ook al is Medvedev niet de spreekbuis van Pussy Riot of Pavlenski, en al helemaal niet van Navalny. Keith Gessen, een in Rusland geboren Amerikaanse schrijver en de drijvende kracht achter de publicatie van de Engelstalige editie van Medvedevs geschriften It’s No Good, noemt Medvedev niet voor niets ‘Ruslands eerste echte post-Sovjetschrijver’. Medvedev bood radicale antwoorden op de vragen waar hij zelf mee worstelde.

Inmiddels is de zwijgplicht die Medvedev zichzelf als dichter heeft opgelegd verstreken. Het experiment is gelukt: hij is blijven schrijven. Zijn nieuwe creaties, die hij post op zijn Facebookaccount, zijn politieker dan ooit tevoren. Daarin beschrijft Medvedev bijvoorbeeld verwoede pogingen om van de stad Moskou toestemming te krijgen voor een linkse optocht, of een utopisch visioen van hoe een protestactie voor het behoud van het oude Chimskibos nabij Moskou ontaardt in een slagveld:

Op weg naar een actie voor het behoud van het Chimkibos,

dacht ik na over machteloosheid,

en herkauwde de oude gedachte dat het gebruik van wapens

een teken was van machteloosheid.

Toen in de verte een oproerpolitiebrigade opdoemde en iedereen in paniek raakte, niet uit filosofische machteloosheid,

maar uit heel erg aardse, menselijke machteloosheid.

toen dacht ik geestdriftig terug aan een idee uit een anarchistisch manifest,

dat enkel wie een wapen bezit

zich kan permitteren over pacifisme na te denken,

als we nu een wapen hadden, dacht ik, zouden we pacifisme ernstig kunnen overwegen,

en op het toppunt van onze machteloosheid, verscheen daar plots een wapen:

 

onze gelederen gingen uiteen en te midden van pacifistische studenten,

wanhopige leden van de intelligentsia en plaatselijke gepensioneerden ratelde een mitrailleur.

de agenten van de oproerpolitie vielen bij bosjes neer als de bomen van het Chimkibos.

Wat telt is dat er geen revolutie van komt, zei Jevgenija Tsjirikova,

toen we bij de aanblik van de lijken nadachten over hoe het verder moest.

De gedichten van Medvedev zijn niet elegant, zitten niet vol fraai verwoorde gedachten die een rijk innerlijk gevoelsleven verraden. Het zijn de erupties van een vertwijfeld, woedend, vaak radeloos individu, dat ernaar verlangt opnieuw een band met de wereld en zijn tijd aan te gaan. De poëtische expressie van Medvedev is rauw, onbemiddeld, bijwijlen absurd of grappig, maar altijd radicaal oprecht.


Alles is slecht

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. 314 p. ISBN 978-94-91717-09-3. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman. 

‘Inspirerend’ – Arjen van Veelen, NRC Handelsblad

‘Wie Rusland beter wil proberen te begrijpen moet zeker Alles is slecht lezen.’ – Wim Brands, VPRO Boeken 

‘Ontwapenend alledaags’ – Jeroen Zuallaert, Knack

‘Een boeiende selectie van de gedichten en essays van een onversneden idealist’ – Erik Ziarczyk, De Tijd

‘Een harmonieus geheel van gedichten, essays en acties’ – Obe Alkema, Tzum literair weblog

‘Mooie en tot denken aanmoedigende essays’  – Jesse van Amelsvoort, 8WEEKLY

‘Liefhebbers van Bukowski of auteurs van de beat-generatie kunnen hun geluk niet op’ – Annelies Omvlee, Cutting Edge

Getagged , , , , , , , , , , , , , ,

Sergej Dovlatov. Een paar chauffeurshandschoenen

De onderstaande tekst is een ongepolijste vertaling die ik voor mijn plezier gemaakt heb in 2008, toen ik nog tijd had om voor mijn plezier ongepolijste vertalingen te maken (tegenwoordig werk ik voor de eer aan een gepolijste vertaling). Ik was het bestaan ervan al vergeten, heb het herlezen en minstens een keer gelachen.   

Joeri Schlippenbach ontmoette ik op een conferentie in het Taurische Paleis. Of beter gezegd: op een redacteurenbijeenkomst van de grote kranten. Ik vertegenwoordigde de krant ‘Turbobouwer’, Schlippenbach een grote krant die door de Lenfilmstudio’s uitgegeven werd onder de naam ‘Shot’.

Tweede secretaris van het regionaal partijcomité Bolotnikov hield een lezing. Op het einde zei hij:

‘We hebben een aantal modelkranten, bijvoorbeeld ‘Vaandel der Vooruitgang’. We hebben er ook van het middelmatige type, zoals ‘Admiraliteit’. Of slechte, van het soort als ‘Turbobouwer’. Tot slot hebben we nog het unieke geval ‘Shot’. Qua saaiheid en talentloosheid spant deze krant de kroon.’

Ik kromp zachtjes ineen. Schlippenbach daarentegen richtte zich trots op. Kennelijk zag hij zichzelf als een verdrukte dissident. Daarna riep hij voldaan uit:

‘Volgens Lenin moet kritiek gefundeerd worden!’

‘Jouw krant, beste Joeri, staat beneden alle kritiek,’ antwoordde de secretaris…

In de pauze hield Schlippenbach me staande en vroeg:

‘Excuseer, hoe groot bent u?..’

Ik was niet verbaasd. Ik was dit gewoon. Ik wist dat het volgende absurde gesprek zou volgen: ‘Hoe groot ben je?’ ‘Eén meter vierennegentig.’ ‘Spijtig dat je geen basketbal speelt.’ ‘Hoezo spijtig? Ik spéél basketbal.’ ‘Als ik het niet gedacht had…’

‘Hoe groot bent u?’ vroeg Schlippenbach.

‘Eén meter vierennegentig. Wat is ermee?’

‘Het is zo dat ik een amateurfilm aan het draaien ben. Ik zou u de hoofdrol willen aanbieden.’

‘Ik heb geen acteertalent.’

‘Dat geeft niet. Uw apparentie is zeer geschikt.’

‘Wat betekent apparentie?’

‘Uiterlijk voorkomen.’

We spraken af elkaar de volgende morgen te ontmoeten.

Schlippenbach kende ik al eerder van de krantensector. We kenden elkaar enkel niet persoonlijk. Het was een nerveuze smalle man met nogal vuil lang haar. Volgens eigen zeggen kwamen zijn Zweedse voorouders ter sprake in historische documenten. Overigens vervoerde Schlippenbach in zijn boodschappentas een boekdeel van Poesjkin. Het poëem ‘Poltava’ zat verstopt onder een snoepwikkel.

‘Leest u eens,’ sprak Schlippenbach zenuwachtig.

En zonder een reactie af te wachten schreeuwde hij met blaffende stem uit:

‘Door vuurgeweld liggen de garden,

in het stof geveld, geheel aan flarden.

Rozen is hem uit de slag gesmeerd,

De noeste Schlippenbach capituleert…’

In de krantensector was men beducht voor hem. Schlippenbach gedroeg zich uitermate brutaal. Misschien was dat de noestheid die hij geërfd had van de Zweedse generaal. Maar van concessies of capitulatie wilde Schlippenbach niets weten.

Ik weet nog dat de oude journalist Matjoesjin stierf. Iemand engageerde zich om geld in te zamelen voor de begrafenis. Ze klopten aan bij Schlippenbach. Hij riep uit:

‘Toen Matjoesjin leefde zou ik voor hem nog geen roebel uitgegeven hebben. En aan een dode Matjoesjin wil ik zelfs geen vijfkopekenstuk spenderen. Laat de KGB zijn informanten zelf maar begraven… ’

Ook leende Schlippenbach voortdurend geld van collega’s en betaalde hij schoorvoetend terug. De lijst van schuldeisers besloeg twee pagina’s van zijn journalistieke blocnote. Telkens hij aan een schuld herinnerd werd riep Schlippenbach dreigend uit:

‘Als je gaat zeuren schrap ik je van mijn lijst!’

’s Avonds na de bijeenkomst belde hij me tweemaal op. Zomaar, zonder concrete aanleiding. Zijn lome toon getuigde van onze groeiende intimiteit. Een vriend kan je immers ook opbellen zonder dat je daaraan bijzondere behoefte hebt.

‘Ik voel me down,’ jammerde Schlippenbach. ‘En ik heb geen drank in huis. Ik lig hier op mijn divan eenzaam te wezen, met mijn vrouw…’

Op het einde van het gesprek herinnerde hij me eraan:

‘Morgen bespreken we alles.’

Die ochtend brachten we door in de krantensector. Ik was bezig aan de revisie van een stuk, Schlippenbach bereidde de uitgave van een nieuw nummer voor. Zo nu en dan riep hij nerveus uit:

‘Waar is die schaar gebleven?! Wie heeft mijn liniaal weggenomen?! Hoe schrijft men “Zuid-Afrikaanse Republiek”, aaneen of met een koppelteken?!’

Daarna gingen we lunchen.

In de jaren zestig diende de kantine van het Pershuis als distributiepunt voor kaderleden. Er werden runderworstjes, conserven, kaviaar, marmelade, tong en gerantsoeneerde vis verkocht. In theorie bediende de kantine de medewerkers van het Pershuis. Met inbegrip van journalisten van de grote kranten. In praktijk echter kon eender wie daar bediend worden. Bijvoorbeeld externe auteurs. Dus geleidelijk aan werd het distributiepunt steeds minder gesloten. Met andere woorden, er bleven steeds minder gerantsoeneerde producten over. Uiteindelijk bleef van de aanvankelijke weelde enkel nog bier uit Zjigoeli behouden.

De kantine besloeg de hele noordelijke flank van de zesde verdieping. De vensters gaven uitzicht op de Fontanka-rivier. In de drie zalen konden gelijktijdig meer dan honderd man binnen.

Schlippenbach sleepte me een nis in. Er stond een tafeltje gedekt voor twee. Kennelijk hadden we een door en door confidentieel gesprek in het vooruitzicht.

We bestelden bier en boterhammen. Schlippenbach dempte lichtjes zijn stem en begon:

‘Ik richt me tot u omdat ik intelligente mensen naar waarde weet te schatten. Ikzelf ben ook een intelligente mens. Wij zijn met weinigen. Eerlijk gezegd moeten er van ons nog minder zijn. De aristocraten sterven uit als voorhistorische dieren. Maar ter zake nu. Ik heb besloten om een amateurfilm op te nemen. Het is genoeg geweest mijn beste jaren aan die platte journalistiek te offeren. Ik heb zin in echt creatief werk. Dus morgen begin ik met de opnamen. Het wordt een film van een tiental minuten. Hij is bedacht als satirisch pamflet. Het onderwerp is als volgt. In Leningrad duikt een mysterieuze onbekende op. Hij is makkelijk te herkennen als tsaar Peter. Dezelfde die tweehonderd zestig jaar geleden Petersburg heeft gesticht. Nu is de grote heerser omgeven door de platte sovjetrealiteit. Een agent dreigt hem een boete te geven. Twee dronkenlappen stellen hem voor om met zijn drieën bij te leggen voor een fles. Zwarthandelaars willen de schoenen van de tsaar kopen. Enkele meiden houden hem voor een rijke vreemdeling, KGB-agenten voor een spion. En zo voort. Kortom: één en al gezuip en smeerlapperij. De tsaar roept verbeten uit: “Wat heb ik gedaan?! Waarom heb ik deze hoerenstad ooit gesticht?”

Schlippenbach schoot in zo’n schaterlach dat de papieren servetjes in het rond vlogen. Dan voegde hij toe:

‘De film wordt, zacht uitgedrukt, apolitiek. Hij zal enkel in privékring vertoond kunnen worden. Ik hoop dat westerse journalisten hem te zien krijgen, wat gegarandeerd voor internationale weerklank zou zorgen. Daaruit kunnen de meest onverwachte gevolgen voortvloeien. Zo, overdenk en overweeg het maar. Gaat u akkoord?

‘U heeft toch gezegd het te overdenken.’

‘Hoelang hoef je over zoiets na te denken? Ga maar akkoord.’

‘Hoe gaat u eigenlijk aan de apparatuur komen?’

‘Hierover hoeft u zich geen zorgen te maken. Ik werk toch bij de Lenfilmstudio’s voor iets. Ik heb er iedereen te vriend, te beginnen bij regisseur Herbert Rappoport tot en met de laatste lichtmachinist. Ik heb de techniek ter beschikking. En een camera weet ik al te hanteren vanaf mijn kindertijd. In één woord: denk er over na en hak de knoop door. U bent de geschikte man. Deze rol kan ik immers enkel aan een gelijkgestemde toevertrouwen. Morgen gaan we naar de studio. We rapen de nodige rekwisieten bij elkaar. We overleggen met de grimeur. En we beginnen eraan.

Ik zei:

‘Ik moet er over nadenken.’

‘Ik zal u bellen.’

We betaalden de rekening en begaven ons naar de krantensector.

Acteertalent had ik echt niet. Hoewel mijn ouders tot het theaterwereldje behoorden. Mijn vader was regisseur, mijn moeder actrice. Toegegeven, een diep spoor in de theatergeschiedenis hadden mijn ouders niet nagelaten. Misschien was dat maar goed ook…

Ikzelf had de scene tweemaal betreden. De eerste keer zat ik nog op school. Ik herinner me dat we het verhaal ‘Tsjoek en Gjek’ in scene zetten. Als grootste van iedereen moest ik de rol van de vader/poolreiziger spelen. Ik moest uit de toendra tevoorschijn komen op ski’s, en dan de finale monoloog uitspreken.

De toendra werd achter de coulissen uitgebeeld door zittenblijver Prokopovitsj. Als een bezetene gaf hij zich over aan gekras, gehuil en berengebrul.

Met schuifelende schoenen en zwaaiende armen verscheen ik op het toneel. Zo beeldde ik een skiër uit. Dat was mijn regisseursvondst. Met dank aan mijn theatrale onderbouw.

Spijtig genoeg wisten de toeschouwers mijn formalisme niet op prijs te stellen. Ze aanhoorden het geloei van Prokopovitsj, observeerden mijn mysterieuze bewegingen en maakten uit dat ik een boefje was. Aan geboefte was er geen tekort onder de schoolgaande jeugd van na de oorlog.

De meisjes reageerden verontwaardigd, de jongens applaudisseerden. De schooldirecteur kwam de scene op en sleepte me achter de coulissen. Daardoor was het de lerares literatuur die de finale monoloog uitsprak.

Een tweede gelegenheid om acteur te zijn kreeg ik vier jaar geleden. Ik werkte toen bij de republikeinse partijkrant en werd aangesteld tot Kerstman. Hiervoor werd mij drie dagen vrijaf en vijftien roebel beloofd.

De redactie had een kerstboom geregeld voor het internaat dat ze onder haar hoede had. En weeral was ik de grootste. Ze kleefden me een baard op, gaven me een muts, een bontjas en een mandje met geschenken. En ze zetten me op de scène.

De bontjas zat nauw. De muts rook naar vis. De baard was bijna verbrand toen ik een sigaret probeerde te roken.

Ik wachtte tot het stil werd en zei:

‘Dag lieve jongetjes en meisjes! Herkennen jullie mij?’

‘Lenin! Lenin!’ riepen ze uit de voorste rijen.

Ik schoot in de lach, waarop mijn baard losraakte…

En nu bood Schlippenbach me dus de hoofdrol aan.

Ik kon natuurlijk weigeren. Maar om een of andere reden stemde ik in. Ik ga eeuwig en altijd in op de wildste voorstellen. Het is niet zomaar dat mijn vrouw zegt:

‘Je interesseert je voor alles, behalve voor je echtelijke verplichtingen.’

Mijn vrouw gelooft dat echtelijke verplichtingen in de eerste plaats neerkomen op nuchterheid.

Maar goed, we begaven ons dus naar de Lenfilmstudio’s. Schlippenbach belde naar een man met de naam Tsjipa van het rekwisietenmagazijn. We kregen een doorgangspasje.

De ruimte waarin we stonden was volgestouwd met dozen en kisten. Het rook er naar vocht en naftaline. Boven mijn hoofd flikkerden en knetterden tl-lampen. In de hoek zag ik het donkere silhouet van een opgezette beer. Een kat flaneerde over een lange tafel.

Vanachter een scherm kwam Tsjipa tevoorschijn. Het was een man van middelbare leeftijd met een matrozenhemd aan en een hoge hoed op. Hij keek me lang aan, en vroeg toen nieuwsgierig:

‘Heb je soms gewerkt als bewaker?’

‘Waarom?’

‘Herinner jij je de isoleercel in Roptsja?’

‘Allicht.’

‘En weet je nog dat een kampgevangene zich opgehangen had aan zijn broekriem?’

‘Ik herinner me vaag zoiets.’

‘Dat was ik. Twee uur lang hebben die hufters me gereanimeerd…’

Tsjipa vergaste ons op verdunde alcohol. Overigens toonde hij zich dienstvaardig. Hij zei:

‘Alsjeblieft, mijnheer de opzichter!’

En op tafel stalde hij een hele berg rommel uit. Er zaten hoge zwarte laarzen bij, een lang hemd, een mantel en een hoed. Toen dook Tsjipa ergens een paar handschoenen met kap op. Van het soort dat de eerste Russische autoliefhebbers droegen.

‘En een broek?’ herinnerde Schlippenbach.

Uit een kist trok Tsjipa een fluwelen broek met galonnen.

Lijdzaam trok ik hem aan. Het lukte me niet hem dicht te knopen.

‘Het kan ermee door,’ verzekerde Tsjipa, ‘Je kan hem toebinden met een touwtje.’

Toen we afscheid namen zei hij plots:

‘Toen ik zat hunkerde ik naar de vrijheid. En nu drink ik een glaasje en het kamp lonkt. Dat waren nog eens mensen, onze Grijskop, de Larf en de Locomotief…!’

We stopten de rommel in een koffer en gingen met de lift naar de grimeur beneden. Of beter gezegd naar de grimeuse die Ljoedmila Borisovna genaamd was.

Het was trouwens de eerste maal dat ik in de Lenfilmstudio’s kwam. Ik dacht dat ik een massa belangwekkende zaken te zien zou krijgen, creatieve drukte en befaamde acteurs. Bijvoorbeeld de actrice Tsjoersina die een geïmporteerd zwempak past in het bijzijn van haar collega Tenjakova, groen van jaloezie.

In realiteit deden de Lenfilmstudio’s denken aan een gigantische kanselarij. In de gangen circuleerden weinig appetijtelijke vrouwen met papieren. Van overal weerklonken aanslagen van typemachines. Extravagante persoonlijkheden kregen we niet te zien. Wellicht was Tsjipa met zijn matrozenhemd en hoge hoed nog de extravagantste van al.

De grimeuse Ljoedmila Borisovna liet me plaatsnemen voor de spiegel. Enige tijd stond ze achter mijn rug.

‘En wat denk je?’ informeerde Schlippenbach.

‘Wat het hoofd betreft is het niet denderend. Zes en een half op tien. Maar de apparentie is schitterend.

Daarbij raakte Ljoedmila Borisovna mijn onderlip aan, trok ze aan mijn neus en gaf ze een tikje tegen mijn oren.

Toen zette ze mij een zwarte pruik op. En plakte me een snor op. Met een zachte potloodbeweging gaf ze vorm aan mijn kaken.

‘Onwaarschijnlijk!’ riep Schlippenbach uit. ‘Een typische tsaar! De Arabier van Peter de Grote…’

Daarna verkleedde ik me en bestelden we een taxi. Ik liep doorheen de studio in het vol ornaat van een staatshoofd en imperator. De mensen die ik tegenkwam staarden me na, of toch sommigen.

Schlippenbach liep nog even langs bij een vriend. Die gaf ons twee zwarte kisten met apparatuur. Ditmaal moest er gedokt worden.

‘Hoeveel is het?’ vroeg Schlippenbach.

‘Vier twaalf,’ was het antwoord.

‘Ze hadden me nochtans gezegd dat je was overgestapt op droge wijn.’

‘En jij geloofde dat?’

In de taxi legde Schlippenbach me uit:

‘Het scenario hoef je niet te lezen. We gaan alles improviseren, zoals bij Antonioni. Peter de Grote bevindt zich in het hedendaagse Leningrad. Hij vindt hier alles vreemd en verwerpelijk. Hij stapt binnen in een winkel met voedselwaren. Hij roept uit: waar is hier steur, honing en anijsvodka? Wie heeft ons rijk geruïneerd, goddeloze barbaren?!’ En zo verder. We zijn nu onderweg naar Vasiljevski Ostrov. Verontschuldig me, zeggen we tegen elkaar “u”?’

‘Uiteraard zeggen we “jij”.’

‘We zijn nu onderweg naar Vasiljevski Ostrov. Daar wacht Boekina ons op met een auto.’

‘Wie is Boekina?’

‘Iemand van de besteldienst van Lenfilm. Ze heeft een minibusje van de staat ter beschikking. Ze heeft gezegd na het werk te komen. Een ongelofelijk intelligente vrouw is het. We hebben samen het scenario geschreven. Op kamers bij een vriend… Om kort te gaan, we zijn op weg naar Vasiljevski. We nemen de eerste shots. De tsaar beweegt van de landtong van het eiland in de richting van de Nevski Prospekt. Hij is stomverbaasd. Om de haverklap houdt hij de pas in en kijkt rond. Begrepen? Van de auto’s moet je schrik hebben. De uithangborden bestudeer je. Om de telefooncellen loop je angstig heen. Als ze je toevallig raken trek je het degen. Ga met dit alles om op een creatieve manier…

Het degen rustte op mijn knieën. Het lemmet was eraf gezaagd. Ik kon het voor drie centimeters ontbloten.

Schlippenbach gesticuleerde geestdriftig. De chauffeur bleef echter volmaakt onbewogen. Slechts op het einde vroeg hij geïnteresseerd:

‘Kerel, zeg eens, uit welke dierentuin ben je weggelopen?’

‘Fantastisch!’ bracht Schlippenbach ten berde, ‘Een perfect shot!’

We klauterden met onze kisten de taxi uit. Bij het trottoir aan de overkant stond een minibusje. Ernaast stapte een jonge vrouw in jeans. Zij toonde geen interesse voor hoe ik eruit zag.

‘Galina, je bent één en al bekoring,’ zei Schlippenbach. ‘Binnen tien minuten beginnen we.’

‘Je maakt me depressief,’ reageerde de jonge vrouw.

De volgende twintig minuten waren ze in de weer met de apparatuur. Ik slenterde langs de huizen van het vroegere rariteitenkabinet van Peter de Grote. De voorbijgangers bekeken me met belangstelling.

Van de Neva woei een koude wind. Zo nu en dan verborg de zon zich achter de wolken.

Uiteindelijk zei Schlippenbach dat het gereed was. Galina schonk zichzelf koffie in uit een thermos. De dop van de thermos maakte een afgrijselijk piepend geluid.

‘Ga hier vandaan,’ zei Schlippenbach, ‘tot achter de hoek. Als ik wuif, loop je langs de muur.’

Ik stak de straat over en ging achter de hoek staan. Daartegen waren mijn laarzen finaal doorweekt. Schlippenbach maakte geen haast. Ik zag dat Galina hem een glas koffie aanreikte. En ik moest dus rondlopen met doorweekte laarzen.

Eindelijk wuifde Schlippenbach. Hij hield de camera vast alsof het een hellebaard was. Daarna plaatste hij haar tegen zijn gezicht.

Ik doofde mijn sigaret, kwam vanachter de hoek en stapte in de richting van de brug.

Het bleek niet prettig lopen als je gefilmd wordt. Ik spande me in om niet te struikelen. Toen de wind opzette greep ik mijn hoed vast.

Opeens zette Schlippenbach het op een roepen. Door de wind verstond ik hem niet, ik stopte en stak de weg over.

‘Wat doe je nu?’ vroeg Schlippenbach.

‘Ik verstond het niet.’

‘Wat verstond je niet?’

‘Wat u riep.’

‘Niet u, maar jij.’

‘Wat riep je?’

‘Ik riep: “geniaal!”. Meer niet. Vooruit, opnieuw!’

‘Wilt u koffie?’ vroeg Galina eindelijk.

‘Nu niet,’ hield Schlippenbach haar tegen. ‘Na de derde retake.’

Opnieuw kwam ik vanachter de hoek. Opnieuw stapte ik in de richting van de brug. Opnieuw riep Schlippenbach me iets toe. Ik schonk er geen aandacht aan.

Zo liep ik verder tot aan de borstwering. Toen keek ik om. Schlippenbach en zijn vriendin zaten in de auto. Ik haastte me terug.

‘Slechts één opmerking,’ zei Schlippenbach, ‘wat meer expressie. Je moet je over alles verwonderen. Vol verbazing de plakkaten en uithangborden bestuderen.’

‘Er zijn geen plakkaten.’

‘Maakt niet uit. Ik ga dat alles later monteren. De hoofdzaak is dat je je verbaast. Je loopt drie meter verder, en je klapt in de handen…’

In totaal jaagde Schlippenbach me zeven maal terug. Ik was bekaf. Mijn broek was afgezakt tot onder mijn hemd. Roken met handschoenen aan was niet makkelijk.

Maar aan mijn kwellingen kwam een einde. Galina reikte me de thermos aan. Daarna vertrokken we naar het Taurische Paleis.

‘Daar is een bierkraam,’ zei Schlippenbach, ‘ik geloof zelfs meer dan één. Het loopt er vol met dronkaards. Dat wordt fantastisch. De monarch te midden van zijn onderdanen…’

Ik kende die plaats. Twee bierkramen, met ertussen een proeflokaal. Niet ver van het Theaterinstituut. Er waren inderdaad zoveel dronkaards als je maar wilde.

Het busje zetten we in de doorgang. Daar werden alle voorbereidingen getroffen.

Daarna fluisterde Schlippenbach me enthousiast toe:

‘Een eenvoudige mise-en-scène. Je gaat bij de kraam staan. Verontwaardigd sla je het verzamelde publiek gade. En dan houd je een betoog.’

‘Wat moet ik zeggen?’

‘Wat er in je opkomt. De woorden hebben geen betekenis. Het belangrijkste is je mimiek, je gebaren…’

‘Ze zullen denken dat ik een halvegare ben.’

‘Dat mag. Zeg eender wat. Informeer naar de prijs.’

‘Dan zullen ze me al helemaal voor een halvegare houden. Wie kent er de prijzen nu niet? En dan nog wel van bier.’

‘Vraag hen dan wanneer het jouw beurt is. Als je maar wat met je lippen beweegt, daarna monteer ik het nodige. De tekst wordt later geregistreerd op een geluidsband. Dus, actie graag.’

‘Drink je wat moed in,’ zei Galina.

Ze haalde een fles wodka tevoorschijn. Ze schonk me een glas in dat onder de koffie zat.

Moediger werd ik er niet van. Maar ik klauterde uit de auto. Ik moest nu eenmaal.

De bierkraam, in het groen geschilderd, stond op de hoek van de Belinski- en de Mochovaja-straat. De rij wachtenden strekte zich over het grasperk helemaal tot aan het gebouw voedingsmiddelenfabriek uit.

Bij de toog verdrongen de mensen elkaar. Verderop werd de massa langzaam dunner. Om ten slotte uiteen te vallen in enkele tientallen gesloten sombere figuren.

De mannen droegen grijze kostuums en bodywarmers. Ze stonden er streng en gelaten bij, als bij het graf van een vreemde. Er waren er die bidons en theepotten vasthielden.

In de massa stonden niet veel vrouwen, vijf of zes. Ze gedroegen zich lawaaieriger en ongeduldiger. Eén van hen brulde iets mysterieus:

‘Toon respect voor een oud moedertje, laat me voorgaan!’

Wanneer ze hun doel bereikt hadden gingen de mensen opzij, uitkijkend naar hun gelukzaligheid. Het grasperkje werd bedekt met een grijze schuimkraag.

Eenieder droeg in zichzelf een persoonlijk brandje. Van zodra dat gedoofd was werden de mensen levendig, staken ze een sigaret op, probeerden ze een gesprek aan te knopen.

Wie nog in de rij stond te wachten vroeg:

‘Is het bier te drinken?’

Ten antwoord klonk:

‘Het lijkt erop van wel…’

Ik vroeg me af hoeveel van zulke kramen er in heel Rusland te vinden waren. Hoeveel mensen sterven er dagelijks om opnieuw geboren te worden?

Toen ik dichter bij de massa kwam kreeg ik schrik. Waarom had ik met dit alles ingestemd? Wat had ik te zeggen tegen deze gekwelde, sombere en halfwaanzinnige mensen? Wat kon hen die hele idiote maskerade?!

Ik ging aan de staart van de rij staan. Twee of drie mannen wierpen een blik op mij zonder enige nieuwsgierigheid. De anderen merkten me zelfs niet op.

Voor mij stond een man van het Kaukasische type met een blouse van de spoorwegen. Links naast hem stond een schooier met schoenen gemaakt van zeildoek en losse veters. Op twee passen van mij brak een intellectueel lucifers in een poging een sigaret op te steken. Zijn platte portefeuille knelde hij tussen de knieën.

De toestand werd steeds absurder. Alle mensen zwegen, ze verbaasden zich niet. Niemand stelde me vragen. Waarom zouden ze? Iedereen was slechts door één ding gepreoccupeerd: zijn kater wegdrinken.

Wat zou ik hen zeggen? Zou ik vragen wanneer het mijn beurt was? Na degene voor me in de rij dus.

Trouwens, ik had geen geld bij me. Mijn geld was in mijn gewone mensenbroek gebleven.

Ik kijk om en zie Schlippenbach die vanuit de doorgang met zijn vuisten zwaait, hij geeft instructies. Kennelijk wil hij dat ik handel volgens plan. Hij hoopt met andere woorden dat iemand me een bierkroes tegen het gezicht mept.

Ik wacht. Langzaam begeef ik me naar de toog.

Ik hoor de spoorwegarbeider iemand uitleggen:

‘Ik ben na die kale. Na mij komt de tsaar. En jouw beurt is na de tsaar…’

De intellectueel spreekt me aan:

‘Excuseer, kent u Sjerdakov?’

‘Sjerdakov?’

‘Bent u Dolmatov?’

‘Ongeveer.’

‘Aangenaam. Ik ben u nog een roebel verschuldigd. Herinnert u zich dat we van bij Sjerdakov naar de Dag van de Kosmonaut gingen? Ik heb u toen een roebel gevraagd voor de taxi. Alstublieft.’

Zakken had ik niet. Ik stak het verfomfaaide roebelbiljet in mijn handschoen.

Sjerdakov kende ik inderdaad. Hij was een groot kenner van de marxistisch-leninistische esthetica, hij doceerde aan het theaterinstituut. Een vaste klant van dit proeflokaal…

‘Doe hem mijn groeten,’ zeg ik, ‘als u hem ziet.’

Op dat moment kwam Schlippenbach op ons afgestapt. Achter hem liep Galina, zuchtend.

Daartegen was ik bijna bij mijn doel. De mensenmassa was dichter geworden. Ik was samengeperst tussen de schooier en de spoorwegarbeider. Het uiteinde van mijn degen porde tegen de heup van de intellectueel.

Schlippenbach riep uit:

‘Ik mis de mise-en-scène! Waar is het conflict?! Je moet het antagonisme van de volksmassa’s uitlokken!’

De rij kreeg achterdocht. De energieke man met de filmcamera maakte het volk geïrriteerd en onrustig.

‘Excuseer,’ richtte de spoorwegarbeider zich tot Schlippenbach, ‘Dit is niet uw plaats!’

‘Ik bevind me in staat van uitvoering van dienstverplichtingen,’ reageerde Schlippenbach resoluut.

‘Iedereen is hier in staat van uitvoering,’ klonk het uit de massa.

Het ongenoegen groeide. De stemmen werden steeds agressiever:

‘Die satirici en kuthumoristen lopen hier af en aan…’

‘Ze fotograferen je en voor je het weet sta je op een bord… Met als onderschrift “Ze verstoren de goede orde.”’

‘De mensen, kan je wel zeggen, zijn hier beschaafd hun kater aan het wegdrinken, en hij komt de boel verneuken…’

‘Die verpester hoort thuis naast een strontemmer…’

De energie van de massa stortte zich naar buiten. Maar ook Schlippenbach werd plots kwaad:

‘Jullie hebben Rusland kapotgezopen, tuig! Een geweten hebben jullie al lang niet meer! Jullie zien scheel door de wodka, van ’s morgens vroeg…’

‘Joeri, het is genoeg! Gedraag je niet zo idioot! Kom, we zijn weg!’ trachtte Galina Schlippenbach te overhalen.

Maar hij bleef stokstijf staan. En precies toen was het mijn beurt. Ik haalde de verfomfaaide roebel uit de handschoen. En vraag:

‘Hoeveel moet ik bestellen?’

Schlippenbach kalmeerde op slag en zegt:

‘Voor mij een grote pint en een opwarmertje. Doe onze Galina een kleintje.’

Galina voegde eraan toe:

‘Ik drink geen bier. Maar ik aanvaard het graag…’

Er zat niet al te veel logica in haar woorden.

Iemand begon te morren. Geërgerd legde de schooier uit:

‘De tsaar stond in de rij, dat heb ik gezien. En die klootzak met zijn lantaarn is zijn vriendje. Dus alles is legaal!’

De dronkaards gromden even en verstomden.

Schlippenbach nam de camera over in zijn linkerhand. Hij hief het glas op:

‘Laten we drinken op het succes van onze toekomstige film! Authentiek talent kan niet anders dan vroeg of laat doorbreken.’

‘Gekke jongen van me,’ zei Galina…

Toen we in achteruit uit de doorgang reden zei Schlippenbach:

‘Wat een publiek! Zo is het volk dus! Ik zat zelfs met schrik. Dat was zoiets als…’

‘De slag bij Poltava,’ vulde ik aan.

Me in het busje omkleden was nogal moeilijk. Ik werd thuis afgezet in het ornaat van een staatshoofd en imperator.

De volgende dag ontmoette ik Schlippenbach bij de kassa voor honoraria. Hij liet me weten dat hij zich wilde toeleggen op burgerrechtenactivisme. Op die manier werden de opnames van de amateurfilm stopgezet.

Het theaterkostuum slingerde nog twee jaar rond in mijn woning. De sabel werd toegeëigend door een buurjongetje. Met de hoed dweilden we de grond. Het lange hemd werd in plaats van een demi-saison gedragen door Regina Britterlan, een extravagante vrouw. Van de fluwelen broek maakte mijn echtgenote een rok.

Het paar chauffeurshandschoenen nam ik met me mee toen ik emigreerde. Ik was ervan overtuigd dat ik meteen een auto zou kopen. Dat heb ik niet gedaan. Ik had er geen zin in.

Ik moet mezelf toch op een of andere manier onderscheiden van de massa! Laat heel Forest-Hills weten dat ik “die Dovlatov” ben “die geen auto heeft”!

Getagged ,

Carl Friedman (samenstelling): Bijt me toch, bijt me! De mooiste dierenverhalen uit de Russische Bibliotheek

BijtmetochVoor deze uitgave mocht Carl Friedman (eigenlijk Carolina Klop), die op de achterflap voorgesteld wordt als ‘schrijfster en dierenliefhebster’, de mooiste dierenverhalen opdiepen uit de prestigieuze vijftigdelige reeks ‘de Russische Bibliotheek’ van uitgeverij Van Oorschot. Het resultaat is een bundel van een twintigtal teksten van in totaal zes verschillende klassieke Russische schrijvers.

Bijzonder goed vertegenwoordigd is Tsjechov: aan hem is bijna de helft van deze bundel gewijd. Overigens zal deze voorkeursbehandeling de lezer niet storen, aangezien de verhalen van Tsjechov tot de origineelste van de Russische literatuur, en dus ook van deze bundel behoren. Uitermate geestig zijn ‘Gesprek tussen een man en een hond’, over een dronken man die zich uit onvrede met zijn eigen moraliteit vrijwillig laat bijten door een hond, en het surrealistische verhaal ‘Vissenliefde’, over een karper die wanhopig verliefd is op de jonge vrouw die af en toe in zijn vijver een bad neemt (‘Overigens, wat is hier eigenlijk voor vreemds aan? Is niet de demon van Lermontov verliefd geworden op Tamara, de zwaan op Leda en zien wij het ook af en toe niet gebeuren dat een kanselarijklerk verliefd wordt op de dochter van zijn chef?’). Daarnaast werden vier onderhoudende teksten opgenomen van Boenin, en drie van Babel, die beiden een nogal flegmatieke schrijfstijl hanteren. Het interessantste verhaal van Babel is ‘De geschiedenis van mijn duiventil’, waarin hij terugblikt op de pogrom waarmee de Russische bevolking in 1906 de invoering van de Constitutie vierde. Van Dostojevski werden bij gebrek aan bruikbare korte verhalen fragmenten opgenomen uit De vernederden en gekrenkten, waarin hij op nogal platvloerse wijze de vloer aanveegt met zijn Duitse personages, en uit Aantekeningen uit het dodenhuis. Precies omdat ze losgesneden werden uit de context, komen met name de fragmenten uit dit laatste boek, dat beschouwd kan worden als de eerste Russische strafkampenroman, niet helemaal tot hun recht. Van Toergenjev en Tolstoj is telkens één verhaal in deze bundel beland. In het geval van Toergenjev gaat het om ‘Moemoe’, wat een van de droevigste teksten van de Russische literatuur is. Daarin moet een goedige doofstomme knecht toezien hoe de vrouw waarop hij verliefd is, wordt uitgehuwelijkt aan een ander. Hij vindt troost in het hondje waarover hij zich ontfermt, maar nadat het gegromd heeft tegen de vrouw des huizes, ziet hij zich gedwongen om zijn trouwe vriend eigenhandig te doden.

Bij de selectiecriteria die aan de grondslag lagen van deze bundel kunnen enkele bedenkingen geformuleerd en vragen gesteld worden, waar Carl Friedman in haar voorwoord op deze bundel in een bochtje omheen loopt. ‘De Russische bibliotheek’ is een fantastische reeks, maar niettemin bevat die een aantal blinde vlekken; een schrijver als Garsjin, die fenomenale dierenverhalen als ‘De bereisde kikker’ heeft nagelaten, schittert in deze bloemlezing dan ook door afwezigheid. Daarnaast is het onduidelijk waarom slechts zes verschillende auteurs in deze bundel opgenomen zijn, en waarom de twintigste eeuw zo slecht vertegenwoordigd is. Bijvoorbeeld Boelgakov, die nochtans deel uitmaakt van ‘de Russische bibliotheek’, heeft bijzonder fascinerend proza over dieren geschreven – denk maar aan Het hondenhart. Veel eigenaardiger nog dan de onevenwichtige vertegenwoordiging van de schrijvers is de vaststelling dat dieren niet in alle verhalen van deze bundel een prominente rol is toebedeeld. Dat geldt bijvoorbeeld voor het verhaal ‘Krekel’ van Boenin, waarin het menselijke hoofdpersonage de naam Krekel draagt (die verder niet geduid wordt). In dat verhaal lopen wel wat pluimvee, paarden en een hond rond, maar die hebben niets te maken met waar het in wezen over gaat: een oude man die er getuige van was hoe zijn eigen zoon doodvroor.

Russisch

Een rammenas. Deze groente figureerde onder meer in Gogols rammenassenverhaal ‘Hoe Ivan Ivanovitsj ruzie kreeg met Ivan Nikiforovitsj’

In het algemeen is het niet zo dat deze bloemlezing van zogenaamde dierenverhalen een nieuw licht werpt op de geselecteerde auteurs, of een een dimensie van de Russische literatuur openbaart die daarvoor verborgen was. Dat komt allicht omdat dieren eigenlijk geen belangrijk thema vormen binnen de klassieke Russische literatuur, die bij uitstek over mensen gaat. In de meeste gevallen worden de dierlijke personages in deze bundel door de auteurs behandeld op dezelfde manier als menselijke personages: ze worden geïnstrumentaliseerd om iets te vertellen over de mensheid, zoals dat die dom, lomp, wreed, of kwetsbaar is. In dat licht kan het idee om dierenverhalen te gaan opdiepen uit de Russische bibliotheek enigszins met de haren getrokken lijken. Tegenover die kritiek staat dan weer dat je ook aan een rammenassenliefhebber zou kunnen vragen om een bundel samen te stellen met de mooiste Russische verhalen waarin een rammenas voorkomt (die je dan voor de gelegenheid ‘rammenasverhalen’ noemt); gezien het geweldige verteltalent van de klassieke Russische schrijvers valt te vermoeden dat de bloemlezing die op die manier zou ontstaan niet minder de moeite waard zou zijn om te lezen dan Bijt me toch, bijt me!.

[Recensie  verschenen in Passage. Tijdschrift voor Europese literatuur & cultuur. 2013 ,Nr. 1. pp. 120-121]

Getagged , , , , , , ,

De schrijver met de schaaf. I.E. Babel: De verhalen

Afbeelding

Isaak Babel behoorde tot de categorie Sovjetschrijvers die Trotski bestempelde als fellow travellers: schrijvers die geen lid wilden worden van de Communistische Partij, maar die zich wel enthousiast probeerden te tonen over de Oktoberrevolutie. Hoewel Babel dankzij zijn vriendschap met invloedrijke communisten een uitzondering vormt op de regel dat het sterftejaar van de fellow travellers begint met de cijfers 193, heeft hij de Stalinterreur toch niet overleefd.

Zijn doorbraak als schrijver had de in 1894 in Odessa geboren Joodse intellectueel naar eigen zeggen te danken aan Gorki, die hem in 1917 de raad gaf om ‘onder de mensen’ te komen. Daaraan gevolg gevend, nam hij in 1920 als oorlogscorrespondent samen met ruige kozakken deel aan de veldtocht tegen Polen – die hij na afloop tot ergernis van generaal Boedjonny onopgesmukt beschreef in De Rode Ruiterij. Vanaf 1924 verschenen Babels kortverhalen in avant-gardistische en prestigieuze tijdschriften, wat hem in Moskou prompt literaire roem opleverde.

Onder invloed van de verstrakkende greep van de Partij op de literatuur, probeerde Babel zich in jaren ’30 heruit te vinden tot broodschrijver. Zo beloofde hij een positieve roman te schrijven over de landbouwcollectivisatie, maar de publicatie daarvan werd stopgezet. Op het eerste congres van de Bond der Sovjetschrijvers in 1934 zei Babel dat hij ‘grootmeester was geworden in een nieuw genre: dat van het zwijgen’. Een half decennium later hielp de geheime dienst hem deze kunst volledig te beheersen door hem te executeren.

Wat de kloof tussen Babel en het sociaal realisme onoverbrugbaar maakte, was zijn fixatie op de dierlijke kant van de mens, op zijn wreedaardigheid en seksuele driften – een tijdgenoot schreef dat ‘bloed, tranen, sperma’ Babels eeuwige materiaal uitmaakten.

Niet alleen beschreef Babel ook de wreedheden die de in de burgeroorlog door de Roden begaan waren, bovendien vond hij het onnodig om zich in zijn verhalen over al dat geweld expliciet te verontwaardigen. Zijn verteller is laconiek en beschikt over een scherp observatievermogen, dat zich richt op de meest lugubere details. Zo leert De geschiedenis van mijn duiventil, waarin Babel herinneringen ophaalt aan een pogrom, dat er in zijn opa twee snoekbaarzen waren gestoken: ‘een in zijn gulp en een in zijn mond, en opa Sjoil was wel dood, maar een van de snoekbaarzen leefde en spartelde nog’. De nuchterheid waarmee Babel de door de mens aangerichte destructie beschrijft, valt des te meer op, daar hij zich uitbundig uitlaat over de omringende natuur: ‘Rondom is de vrijheid neergestreken op de velden, in de hele wereld ritselt het gras, de hemel boven me vouwt zich open als een veel-rijige harmonica en de hemel, jongens, kan heel blauw zijn in het gouvernement Stavropol.’

Even taboeloos als Babel schreef over geweld, schreef hij over seksualiteit. Allicht omdat de klassieke Russische literatuur alles bij mekaar nog minder blote borsten telt dan het Noordzeestrand op een huilerige herfstdag, bezorgden passages als de volgende hem de reputatie erotomaan te zijn: ‘Binnen een paar minuten kuste Stanisław haar ononderbroken en in een vlaag van kwade, onbevredigde hartstocht joeg hij haar tengere, gloeiende lichaam de kamer door. Hij scheurde haar blouse en haar lijfje. Rimma, met gebarsten lippen en kringen onder haar ogen, bood hem haar mond om te kussen en verdedigde met een verwrongen, smartelijke grimas haar maagdelijkheid.’ Nog interessanter wordt het wanneer Babel een boekje opendoet over zijn seksuele ervaringen met een Georgische prostituee. Dat doet hij in het kortverhaal ‘Mijn eerste honorarium’, dat begint met de prachtige zinnen ‘In Tiflis wonen in de lente, twintig jaar oud zijn en niet bemind worden – dat is een ramp. Zo’n ramp overkwam mij.’

Babels verhalen putten hun overrompelende kracht uit zijn originele, gebalde schrijfstijl. Om die recht te doen, moet de lezer heel behoedzaam te werk gaan, de tijd nemen om ieder woord te besnuffelen, langs alle kanten op zijn handpalm te observeren, alvorens het in zijn mond te nemen en het op zijn tong te laten smelten. Op een dergelijk onthaaste manier zijn Babels verhalen ook tot stand gekomen. Van zijn schrijfproces bestaat dit verslag: ‘Hij liep rond in de kamer, of, beter gezegd, schreed hij peinzend, helemaal opgaand in zichzelf, van de deur tot zijn bureau langs een nauwkeurig uitgestippelde route, waarbij hij iedere aanraking met zijn stoel, sofa, en kast uit de weg ging. Hij liep met afgemeten stappen, waarbij hij zo nu en dan dieper in gedachten verzonk en halt hield, waarna hij weer verder liep. Soms gebeurde het dat hij halverwege plots omkeerde en naar zijn bureau liep, waarop dunne velletjes papier lagen. Nadat hij daarop iets had geschreven, verwijderde hij zich, als een bij die de korf verlaat op zoek naar honing, opnieuw van zijn bureau om verder rond te lopen.’ Wanneer Babel eindelijk klaar was met de eerste versie van een verhaal, begon hij er als een gek aan te schaven. Alle overbodige woorden werden eruit gehaald, tot er van de oorspronkelijke boom een welgevormde lucifer overbleef. Van het verhaal ‘Loebka de kozak’ zou hij op die manier zesentwintig versies gemaakt hebben.

Omdat bij Babel over ieder woord is nagedacht, is het geen sinecure om zijn proza te vertalen. Dat geldt in het bijzonder voor de met Odessitisch slang, oekraïnismen en Jiddisch doorspekte verhalen over Odessa. Uitgeverij Van Oorschot heeft er goed aangedaan om deze klus te laten klaren door Froukje Slofstra, die zich eerder ontfermde over Leven en lot van Vasili Grossman (zie De Leeswolf). Zonder een radicale breuk te betekenen met de nog altijd erg genietbare vertaling van Charles Timmer, doet haar vertaling, die uitgaat van de in 2006 in Rusland verschenen academische uitgave van het verzameld werk van Babel, het nalatenschap van dit geraffineerde verteltalent alle eer aan.

[Recensie gepubliceerd in De Leeswolf, 2013, Nr. 6, p. 375]

Afbeelding

Isaak Babel. Verhalen. Van Oorschot, 2013. Vertaald en van een nawoord voorzien door Froukje Slofstra. ISBN 9789028240216. 
Getagged , , , , , , , ,

Wil van den Bercken: Christian Fiction and Religious Realism in the Novels of Dostoevsky

Afbeelding

In dit boek balanceert Wil van den Bercken, die in 2011 afscheid nam van zijn leerstoel Russische kerkgeschiedenis te Nijmegen, op het snijpunt van de theologie en de slavistiek, waarin hij allebei thuis is. Het is opgevat als een integere zoektocht naar christelijke aspecten in het rijpe fictionele oeuvre van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski, waarbij diens essayistisch werk bewust buiten beschouwing gelaten wordt. Op overtuigende wijze ontmaskert Van den Bercken de mythe – in leven gehouden door legio westerse en, sinds de implosie van de Sovjet-Unie, ook Russische onderzoekers – dat Dostojevski in zijn proza optreedt als vertegenwoordiger van het Oosterse christendom. Wel is dat proza doordrenkt met evangelische thema’s en waarden, zoals de onschuld van kinderen, vergiffenis en vreugde. Van den Bercken heeft het in dit verband over ‘biblical or evangelic Christianity’. Daarnaast wordt Dostojevski’s religieus realisme gekenmerkt door een sterke spanning tussen geloof en ongeloof en door een mysterieus schoonheidsconcept.

Bij wijze van conclusie onderschrijft Van den Bercken voorzichtig de stelling dat een Christelijk geloof een noodzakelijke voorwaarde vormt om het werk van Dostojevski te begrijpen. Hiermee plaatst hij zich dan toch met een halve voet in het kamp van de Russische Dostojevski-specialisten, die in weerwil van het poststructuralistische inzicht dat literaire teksten in belangrijke mate geconstrueerd worden door de lezer, vasthouden aan de idee van de juiste interpretatie van diens werk. In dezelfde geest vergaloppeert Van den Bercken zich met de uitspraak ‘acknowledged atheists do not like Dostoevsky’. Juister zou het zijn om te beweren dat atheïsten geen boodschap hebben aan de oeverloze stroom theologische studies over Dostojevski. Het onderhoudende werk van Van den Bercken, dat vertrekt van een originele literatuurwetenschappelijke analyse en dat de strijd aanbindt met Hineininterpretierung, vormt hierop een verfrissende uitzondering. Hij is er met verve in geslaagd om het belang aan te tonen dat de theologie, mits beoefend op een zelfkritische manier, kan hebben voor de literatuurwetenschap.

Wil van den Bercken. Christian Fiction and Religious Realism in the Novels of Dostoevsky. London-New York-Delhi: 2011, Anthem Press. 149 p.

[Recensie gepubliceerd in Tijdschrift voor Theologie]

Getagged , , , ,

Redevoering van Nadezjda Tolokonnikova (Pussy Riot) van 26 juli 2013

Afbeelding

De onderstaande tekst is een vertaling uit het Russisch van de op 26 juli 2013 in de rechtbank door Nadezjda Tolokonnikova (een van de veroordeelde leden van de punkrockband Pussy Riot) uitgesproken redevoering, in het kader van haar (opnieuw geweigerde) aanvraag tot vervroegde vrijlating. De Russische tekst werd diezelfde dag gepubliceerd door Radio Svoboda.

“Opnieuw wil ik het hebben over heropvoeding. Voor de zoveelste keer op rij kom ik tot de overtuiging dat authentieke opvoeding in Rusland enkel kan bestaan op autodidactische wijze. Als je jezelf niets aanleert, dan zal niemand je wat aanleren. En als ze je toch iets aanleren, dan is het god weet wat. Met de huidige machthebbers heb ik veel, extreem veel stilistische meningsverschillen. Dat aantal wordt stilaan problematisch.

Wat kunnen ons de organen van de staat aanleren? Hoe kan mij iets worden bijgebracht door de strafkolonie, en jullie door pakweg de televisiezender Rossija-1? Tijdens zijn speech na het ontvangen van de Nobelprijs zei Iosif Brodski: ‘Hoe rijker de esthetische ervaring van het individu is, en hoe sterker zijn smaak is, des te duidelijker zal zijn ethische voorkeur zich manifesteren en des te vrijer zal hij zijn – al betekent dat niet dat hij ook gelukkiger zal zijn.’

Opnieuw zijn we in Rusland in zo’n situatie beland dat verzet – en dat verzet is niet in de laatste plaats van esthetische orde – onze enig mogelijke morele keuze en onze burgerplicht is geworden.

De esthetiek van het regime van Poetin is conservatief. Het is geen toeval dat ze consequent, halsstarrig refereert en nieuw leven geeft aan de esthetische opvattingen van twee historisch voorgaande regimes: de esthetiek van het tsarenrijk en de idioot geïnterpreteerde esthetiek van het socialistisch realisme, met zijn aan de leider loyale arbeiders van de spreekwoordelijke Oeralwagonfabriek. Die reanimatie gebeurt dermate lomp en ondoordacht, dat de ideologische apparaten van het politieke bestel geen enkele lof toekomt. Zelfs een woestenij is, in haar minimalisme, bekoorlijker en aantrekkelijker.

Iedere instelling die in Rusland afhangt van de staat, en zeker een dermate belangrijk onderdeel van de staatsrepressiemachine als de strafkolonie, draagt met kruiperige toegewijdheid bij tot die petieterige esthetiek.

Als je bijvoorbeeld een vrouw bent, zeker als je jong en enigszins aantrekkelijk bent, dan ben je gewoonweg verplicht om deel te nemen aan de schoonheidswedstrijden die in de strafkolonie georganiseerd worden. Als je niet deelneemt, kom je niet in aanmerking voor vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het aan je laten voorbijgaan van de Miss Charming-wedstrijd. Als je niet deelneemt, dan betekent dat, volgens het besluit van de strafkolonie en van de rechtbank die haar napraat, dat je niet actief wil deelnemen aan het leven. Mijn standpunt is net dat mijn principiële en weldoordachte actieve deelname aan het leven zich manifesteert in de boycot van de schoonheidswedstrijd. Mijn actieve levenshouding – die van mij alleen is, en niet samenvalt met de conservatieve houding van de strafkampdirectie – brengt me tot de studie van boeken en kranten, waarvoor ik zoveel mogelijk tijd tracht te maken door naar de afstompende activiteiten van de strafkolonie mijn kat te sturen.

Overal – op de schoolbanken, in de gevangenissen, aan de universiteit, in de kieshokjes en voor televisie – worden we aangeleerd te gehoorzamen, te liegen, op onze tong te bijten, ‘ja’ te zeggen als we zin hebben in ‘nee’. Als we ons willen wagen aan de grote beschavingsopgave zullen we in onszelf, in onze kinderen en in onze vrienden een tegengif moeten ontwikkelen voor deze gedweeheid, die de mens opvreet.

Ik eis dat een kat een kat genoemd wordt. Het klopt dat ik gedeeltelijk gezakt ben voor de toets van de strafkolonie aangaande mijn loyaliteit aan het conservatieve waardensysteem en zijn esthetiek, maar het is ridicuul om te beweren dat ik geen actieve levenshouding aan de dag leg.

Niet minder ridicuul zijn de zogezegde “overtredingen” die mij ten laste worden gelegd. Het is waar dat ik uit mijn eerste cel aantekeningen meegenomen heb waarin de hel en de onmenselijke omstandigheden beschreven worden die de voorlopige hechtenis in Moskou voor mij betekenden. Natuurlijk zijn de medewerkers van die gevangenis vreselijk kwaad op mij geworden, hebben ze me een overtreding aangesmeerd en hebben ze me op volledig illegale grond verbod gegeven om zelfs in mijn eigen cel aantekeningen te maken – met hun eindeloze doorzoekingen van mijn cel hebben ze me al mijn aantekeningen afhandig gemaakt. Het is waar dat ik in het kampziekenhuis tijdens mijn hospitalisatie vanwege hevige hoofdpijnen geen buiging tot op de grond gemaakt heb tegenover een van de plaatselijke medewerkers, die daardoor op zijn tenen was getrapt. Het klopt dat ik in club IK-14 geweest ben. En wat dan nog? Tijdens de behandeling van mijn aanvraag tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling door de rechtbank van het arrondissement Zoebovo-Poljanski, was me gezegd om in de strafkolonie deel te nemen aan het verenigingsleven.

Mijn vriendin Marija Aljochina kreeg een negatief antwoord op haar aanvraag tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling omdat ze – O, wat een onheil! – op haar werkplaats gesignaleerd was zonder wit hoofddoekje. Ik vraag me af of de rechter die een dergelijke verordening uitspreekt beseft waar hij mee bezig is.

Ik weet dat ik in het Rusland dat Poetin achternaholt nooit vervroegd zal vrijkomen. Ik ben naar deze rechtbank gekomen om nogmaals de absurditeit aan het licht te brengen van de olie-gas-en-grondstoffen-rechtspraak, die mensen verdoemt tot een zinloos bestaan in een strafkamp, zogezegd vanwege aantekeningen en hoofddoekjes.

Het is van belang om diegenen die vandaag de kracht en de macht hebben om ons te verpletteren eraan te herinneren dat niemand hen garanties kan geven over waar ze morgen zullen staan. De macht is niet eindeloos – dat is zelfs nog onvermijdelijker dan dat twee maal twee vier is. Als machthebbers – en dat geldt voor hen allemaal – dat inzien, dan moeten ze zichzelf beteugelen. Om hun eigen toekomst veilig te stellen.

De machthebbers krijgen vast nog eens de rekening gepresenteerd voor hun opvoeding van de conformistische massa, voor hun heropvoedingsmaatregelen – over opvoeding gesproken! – om het individu te doen aansluiten bij de gehoorzame massa. Want een macht die gebaseerd is op loyaliteit en bereidheid tot gehoorzaamheid, en niet op de doordachte principes en de overtuigingen van haar onderdanen, is zwak. Als jullie macht gebaseerd is op de indifferentie, of zelfs op de angst van de mensen, dan is dat voor jullie bijzonder slecht nieuws. Morgen zal wie uit conformisme zijn stem aan Poetin gaf aan de kant gaan staan van wie dan de nieuwe macht zal uitmaken.

Vroeger ergerde ik me aan het argument ‘Wie anders dan Poetin?’. Nu haal ik daar plezier uit, steeds meer en meer. Want dat argument impliceert geen getrouwheid aan Poetin, maar wel een latente verwerping. Alternatieven zijn er steeds meer en meer. Hun aantal groeit onder meer vanwege de onbehouwen, paniekerige, repressieve acties van de machthebbers. Ongezien ridicuul is de reactie die ze uit hun hoed getoverd hebben ten overstaan van Aleksej Navalnyj, die daarentegen blijk gegeven heeft van principes, moed en getrouwheid aan zijn overtuigingen. Daardoor is het politiek kapitaal van Navalnyj toegenomen, en niet dat van de machthebbers.

Ik ben trots op iedereen die bereid is op de bres te gaan staan voor zijn principes. Enkel op die manier kunnen er grote politieke, morele en esthetische veranderingen komen. Ik ben trots op iedereen die op een zomeravond uit zijn comfortzone gekomen is, die op 18 juli [NVDV: toen vond een spontane demonstratie plaats tegen het vonnis in de zaak Navalnyj] de straat op is gegaan om zijn rechten op te eisen en zijn waardigheid als mens te verdedigen.

Ik weet dat onze symbolische macht, die voortkomt uit overtuigingen en moed, jaar na jaar sterker wordt, dat ze aan het veranderen is in iets groters. En dan zullen Poetin en wie uit zijn hand eet over de staat de macht verliezen.”

Getagged , , , , , , , , , , , , , ,

Navalnyj kandidaat-burgemeester Moskou

Pieter Boulogne's avatarVan Poesjkin tot Poetin en snel terug

Op 10 juli 2013 heeft Aleksej Navalnyj, bekend van zijn blog over de graaicultuur van de overheidspartij, bij het kiescomité Mosgorizbirkom de nodige handtekeningen neergelegd om zich verkiesbaar te stellen tot burgemeester van Moskou. Ik was in de buurt en kon zien hoe dat in zijn werk ging: de goed vertegenwoordigde politiemacht liet aan het honderdtal mensen dat Navalnyj begeleidde met een megafoon weten dat hun actie (er waren geen spandoeken en er werden aanvankelijk geen slogans gescandeerd) “niet goedgekeurd” was, waarna ze Navalnyj met een man of vijf een politiebusje insleurden. De massa liet zich niet intimideren.

Korte tijd daarop werd Navalnyj weer vrijgelaten – kennelijk werd de politieactie door hogerhand te ijverig bevonden. Toen gaf hij deze korte speech (hij was zo vriendelijk om ditmaal net voor mijn neus te gaan staan):

Daarna trokken Navalnyj en zijn medestanders door Moskou om brochures over zijn programma uit te…

View original post 235 woorden meer

Navalnyj kandidaat-burgemeester Moskou. Kroniek van een aangekondigde veroordeling

Op 10 juli 2013 heeft Aleksej Navalnyj, bekend van zijn blog over de graaicultuur van de overheidspartij, bij het kiescomité Mosgorizbirkom de nodige handtekeningen neergelegd om zich verkiesbaar te stellen tot burgemeester van Moskou. Ik was in de buurt en kon zien hoe dat in zijn werk ging: de goed vertegenwoordigde politiemacht liet aan het honderdtal mensen dat Navalnyj begeleidde met een megafoon weten dat hun actie (er waren geen spandoeken en er werden aanvankelijk geen slogans gescandeerd) “niet goedgekeurd” was, waarna ze Navalnyj met een man of vijf een politiebusje insleurden. De massa liet zich niet intimideren.

Korte tijd daarop werd Navalnyj weer vrijgelaten – kennelijk werd de politieactie door hogerhand te ijverig bevonden. Toen gaf hij deze korte speech (hij was zo vriendelijk om ditmaal net voor mijn neus te gaan staan):

Daarna trokken Navalnyj en zijn medestanders door Moskou om brochures over zijn programma uit te delen aan de Moskouse kiezers. Dit meisje deed dat met een bijzondere hartstocht:

Dit is het filmpje dat het campagneteam van Navalnyj van zijn eerste verkiezingscampagnedag maakte. De lichte toon contrasteert met de grimmige sfeer waarin de campagne begonnen was (van de pogingen tot intimidatie door de politie is niets in het filmpje terecht gekomen – Navalnyj profileert zich niet als martelaar):

Een dikke week later, op 18 juli 2013, werd Navalnyj na een (eerste) schijnproces in Sovjetstijl veroordeeld tot vijf jaar vrijheidsberoving, wat in Rusland behalve een praktisch ook een formeel beletsel vormt om nog een politieke carrière na te streven. Van zodra dat vonnis in werking treedt (dat was 18 juli al het geval, maar na massaal straatprotest van Moskovieten werd die beslissing tot nader order geannuleerd) – wat een administratieve beslissing is – verdwijnt Navalnyj achter slot en grendel.

Navalnyj en zijn echtgenote na het horen van het vonnis van 18 juli 2013.

Navalnyj en zijn echtgenote na het horen van het vonnis van 18 juli 2013.

Voor zijn strijd tegen de overheidscorruptie, die ook effectief vruchten heeft afgeworpen, betaalt Navalnyj een dure prijs. Of het Kremlin ooit de rekening voor zijn lafheid zal worden gepresenteerd, valt moeilijk te voorspellen. In ieder geval komen dergelijke overduidelijk politiek gemotiveerde processen de populariteit van Poetin bij de Moskovieten niet ten goede. Daartegenover staat dan weer dat het charmeoffensief jegens de bevolking, dat een decennium geleden door de machthebbers gelanceerd werd, stapsgewijs vervangen wordt door de vanonder het stof gehaalde duimschroeven – wat voorlopig in het algemeen beschouwd hetzelfde effect oplevert (collectieve gedweeheid).

Getagged , , , , , , , , , , , ,

Anton P. Tsjechov: Toneel

tsjechovDe ‘Russische Bibliotheek’ van uitgeverij Van Oorschot is dit jaar precies zestig jaar geleden opgericht. De bedoeling was om Russen die bij ons nog niet voldoende bekend waren, beschikbaar te stellen van de Nederlandse en Vlaamse lezers. Tegenwoordig lijkt deze pioniersrol begraven, en wordt deze reeks exclusief in het teken gehouden van altijd  dezelfde plejade, die bestaat uit vijftien schrijvers waarvan geen één geboren werd na 1900 (van Poesjkin tot Babel). Het signaal dat hiermee ongewild en volledig onterecht wordt gegeven, is dat andere Russische schrijvers niet hetzelfde niveau halen. Wel moet worden gezegd dat Van Oorschot de in commercieel opzicht veilige consolidatie van de ‘Russische Bibliotheek’ meer dan ernstig neemt: de laatste jaren werd een klein legertje topvertalers ingeschakeld om meesterwerken van Dostojevski, Tolstoj en Gogol te voorzien van gloednieuwe vertalingen. Dat rijtje wordt nu aangevuld met Tsjechov, wiens verzamelde toneelstukken goed zijn voor een 1248 pagina’s tellend zesde deel van zijn ‘Verzamelde werken’.

In een brief aan een tijdgenoot bekende Tsjechov in 1895 dat hij ‘helemaal geen toneelschrijver’ was, maar zelfs 150 jaar na zijn dood staat er in de meeste landen van de wereld nog ieder theaterseizoen een nieuwe uitvoering of bewerking van een van zijn stukken op het programma. De kans is dan ook reëel dat we één van de komende jaren de herboren Nederlandse stem die de vertaalsters Marja Wiebes en Yolanda Bloemen hem hebben gegeven, zullen horen weerklinken in de plaatselijke stadschouwburg. Deze verzameling toneelstukken, die voor het eerst compleet is, stelt theaterregisseurs niet alleen in staat om het gekende te herontdekken, maar ook om minder bekende toneelstukken van Tsjechovs hand te leren kennen. Naast de obligate De meeuw, De kersentuin, Oom Vanja en De drie zusters bevat dit boekdeel namelijk nog zevenentwintig andere toneelteksten – zoals bijvoorbeeld het postuum ontdekte jeugdwerk Vaderloosheid, dat momenteel in Vlaanderen in een bewerking van Perceval te bewonderen is onder de titel Platonov.

Toegegeven, niet alle in deze bundel opgenomen kluchten, komedies, drama’s en andere toneelstukken lenen zich even gemakkelijk voor de scène. Zo beslaat het zogenaamde ‘toneelstuk in twee bedrijven’ Stadslui – waarin provinciale lieden Parijs naar voren schuiven als voorbeeld van efficiëntie, maar tegelijkertijd inefficiëntie als norm omarmen – niet meer dan vijf pagina’s. Bovendien bevat een aantal stukken surrealistisch vertellerscommentaar dat de cast niet perse vergemakkelijkt. Zo lijkt het vrouwelijke hoofdpersonage van de ‘niet-bestaande vaudeville’ Een domme vrouw, of een kapitein in ruste ‘en profil op een slak, en en face op een zwarte spin’. Het feit dat met name sommige vroegere werken van Tsjechov invloeden van de absurde humor van Gogol verraden, en niet perse bedoeld zijn om te worden gespeeld, heeft dan weer een ander voordeel. In tegenstelling tot zijn rijpere, door het existentialisme geannexeerde toneelstukken, die moeilijker te volgen zijn voor wie niet de gewoonte heeft om toneel te lezen, laten ze zich lezen als tot dialogen uitgeschreven kortverhalen – en, zoals bekend, heeft Tsjechov ook daarvan kaas gegeten.

Anton Tsjechov. Toneel, verzamelde werken, deel 6. Van Oorschot. ISBN 9789028242692. Vertaling Yolanda Bloemen en Marja Wiebes. 

[Recensie verschenen in De Leeswolf juni 2013]

Getagged , , , , , , , , , , , , ,

De liefde als blinddoek tegen de dood. Michaïl Sjisjkin: Onvoltooide liefdesbrieven

untitledVolgens de achterflap is Onvoltooide liefdesbrieven ‘diep geworteld in de Russische volksaard en Russische traditie’ – een uitspraak die gewicht krijgt omdat die verschenen is in Times Literary Supplement. Om de een of andere reden vinden critici het feit dat een boek deel uitmaakt van de Russische literatuur bijna altijd belangrijk voor de manier waarop we ernaar moeten kijken. Behoudens het gebruik van het afschuwelijke woord ‘volksaard’, is dat niet geheel onterecht. De hedendaagse Russische schrijvers wentelen zich in hun nationale cultuur met dezelfde gretigheid als varkens in de modder. Al dan niet tussen de regels, hekelen ze typisch Russische toestanden en refereren ze te pas en te onpas aan andere Russische schrijvers. Het gevolg van die onderonsjes is dat heel wat hedendaagse Russische boeken moeilijk toegankelijk zijn westerse lezers die niet geschoold zijn in de Russische letterkunde (en dan nog).

De vaststelling dat veel hedendaagse Russische schrijvers hun nationale cultuur beschouwen als hun natuurlijke biotoop, geldt niet voor Michaïl Sjisjkin. Hij werd geboren in 1961 in Moskou en publiceerde vier in Rusland bekroonde romans in het Russisch, maar vooraleer Russisch schrijver te zijn, is hij schrijver. Zijn vaderland, dat hij onlangs nog een ‘piramide van dieven’ noemde, ruilde hij bijna twee decennia geleden in voor Zwitserland – tot zijn eigen grote tevredenheid. Tijdens een interview werd hem enkele jaren geleden de vraag gesteld hoe je Russisch schrijver kan zijn zonder in Rusland te wonen. Daarop antwoordde hij dat het kapitaal van een schrijver niet bestaat in de plaats waar hij geboren is, maar in de ervaringen die hij opdoet tijdens het leven. In die kosmopolitische geest schreef hij ook Onvoltooide lezersbrieven (de oorspronkelijke titel is Pismovnik, wat eigenlijk zoiets als ‘brievenboek’ betekent). Het feit dat het zich grotendeels in Rusland afspeelt is niet bijzonder relevant. Je komt daarin wel verwijzingen tegen naar klassieke Russische schrijvers, zoals Gogol en Dostojevski, maar die maken behalve van de Russische literatuur ook deel uit van de wereldliteratuur. Bovendien bevat het boek ook een heleboel verwijzingen naar de Europese cultuur in brede zin, zoals Plato, Democritus, Pythagoras, Rousseau, Stendhal, de Mona Lisa. Als je de namen van de hoofdpersonages, die Vladimir (Volodjenka) en Aleksandra (Sasjenka) en heten, zou veranderen in Pablo en Anika, dan zou het moeilijk te raden vallen dat deze roman deel uitmaakt van de Russische literatuur. Het boek overstijgt de grenzen van de Russische literatuur. Het gaat niet over het leven van de Russen of over het leven in Rusland, maar wel over het leven van ons allemaal. Of om preciezer te zijn: over de dood die ons allen te wachten staat.

Sjisjkin is naar eigen zeggen niet geïnteresseerd om een boek te produceren dat ‘gelezen wordt in de metro of in de trein, wanneer de lezer niets te doen heeft’. Omdat hij het in Onvoltooide liefdesbrieven wil hebben over de dood, dat hij als het kernprobleem van het leven beschouwt, schrijft hij over de liefde. Zoals hij een van zijn personages laat zeggen: ‘Alle grote boeken […] doen alleen maar alsof ze over de liefde gaan, om het interessant te maken voor de lezer. Maar in feite gaat het over de dood. Liefde in boeken is zo’n schild, of liever gezegd gewoon een blinddoek. Om niet te hoeven zien. Zodat het niet zo erg is.’ Voor de uitbeelding van die liefde schept Sjisjkin een man en een vrouw: Vladimir en Aleksandra. Beide hoofdpersonages zijn autobiografisch, als we de auteur mogen geloven: ‘Al mijn personages gaan over mij. […] Al mijn mannelijke personages zijn verenigd in het mannelijke “ik”-personage en alle vrouwelijke personages belichamen mijn perceptie van de vrouw. In mijn teksten smelt alles samen, het enige wat overblijft is de grens tussen man en vrouw’. Zowel Vladimir als Aleksandra delen Sjisjkins obsessie met de dood.

Vladimir is een belezen, enigszins nuchtere jongeman, die als soldaat ten oorlog trekt – wat hij doet zonder enig enthousiasme. Omdat hij aanleg heeft voor literatuur, wordt hij in het leger belast om de familieleden van zijn gesneuvelde  wapenbroeders per brief in te lichten over hun verliezen. Aleksandra is een dromerige jonge vrouw, die thuis achterblijft. Als een soort van Abélard en Héloise, maar dan gescheiden door de oorlog, schrijven de verliefden elkaar hartstochtelijke brieven. Het zijn deze brieven die deze roman uitmaken – alles vanuit zijn en haar standpunt, zonder alwetende verteller. Vladimir beschrijft met toenemende depressiviteit de gruwelen van de oorlog, waarbij hij haar maag niet spaart: ‘De verwrongen mond met stukgebeten tong, het weggerolde oog. Een lichaam zonder hoofd is iets onmogelijks, iets wat veel te kort is. Uit de hals van dit lichaam vloeide een donker stroompje. Vreemd, hoor. Je kunt dit alles kennelijk zien zonder gek te worden’. Intussen gaat Aleksandra’s leven verder, in zijn banaliteit, maar toch voldoende gevuld van ellende. Zowel aan het front als thuis heerst de dood – op het eschatologische af.

Op het eerste gezicht is de plot en de structuur van de roman niet baanbrekend. Het lijkt een beetje alsof Oorlog en vrede de vorm van een briefroman heeft aangenomen. Bij nader inzien blijkt het om een pseudo-briefroman te gaan, om een soort van collage. De brieven die Vladimir en Aleksandra elkaar schrijven, staan los van elkaar. Op geen enkel moment is er sprake van echte communicatie, op geen enkel moment wordt er gereageerd op iets wat de ander heeft geschreven. De brieven van Vladimir en Aleksandra zijn intieme dagboekaantekeningen, waarvan niet duidelijk is of ze geschreven zijn in de oprechte veronderstelling dat ze door de andere zullen worden gelezen. Het zijn eenzame zielen, die er hevig naar verlangen een te worden met elkaar, maar die eenwording zou wel eens een droom kunnen zijn (‘Tussen zielen zal er altijd een interval, een leegte zijn’). Surrealistisch wordt het wanneer Aleksandra verneemt dat Vladimir gesneuveld is, waarna hun briefwisseling gewoon doorgaat. In haar brieven haalt zij veel herinneringen op aan haar jeugd, met name aan haar vader, maar ook aan haar ontmaagding, en aan verhuizende moedervlekjes. Daarnaast schrijft ze over haar huwelijk, zwangerschap, miskraam, relatieproblemen, de dood van haar oma, stiefdochtertje, ouders.  Terwijl Aleksandra ouder wordt en vereenzaamt, blijft Vladimir, altijd maar als jongeman, brieven sturen van het front – alsof hij voor eeuwig gevangen zit in die oorlog.

De oorlog waarin Vladimir verzeild is geraakt en omkomt, heeft echt plaatsgevonden. Het is de Bokseroorlog, die uitgevochten werd omstreeks 1900. In de Achtlandenalliantie streed Rusland aan de zijde van Japan, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, de Verenigde Staten, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië tegen de opstandige Chinese nationalisten. Omdat dit conflict vandaag door bijna iedereen vergeten is, en Sjisjkin hierop geen duidelijke inleiding geeft, kan het enige tijd vergen vooraleer de lezer doorheeft over welk conflict het precies gaat. Dat lijkt voor Sjisjkin ook niet zo belangrijk te zijn. De gruwel die in de oorlog gezaaid wordt, is universeel. De eerste woorden van Vladimir zijn: ‘Nu hoefde ik alleen nog maar een oorlog uit te kiezen. Maar daar hoefde ik niet lang op te wachten. Als er iets is waar het vaderland wel pap van lust, dan is dat het wel. En de bevriende naties, je hoeft de krant maar open te slaan, of ze zijn al drukdoende baby’s aan de bajonet te rijgen en oude vrouwen te verkrachten.’

Het antwoord dat Vladimir formuleert op de doodsdreiging die hem voortdurend boven het hoofd hangt, is het geschreven woord. Voor hem is het evident ‘dat de oudste oerstof inkt was’. Die inkt brengt hem, tenminste in gedachten, dichter bij zijn geliefde. Haar kunnen schrijven betekent zijn redding, omdat het hem verbindt met wie hij echt is, met wie hij was voor hij ten oorlog trok. Na verloop van tijd raakt hij toch aan het twijfelen of het woord inderdaad de oplossing is: ‘Ik geloofde dat woorden mijn lichaam zouden zijn wanneer ik er niet meer was. Waarschijnlijk mag je niet zo erg van de woorden houden. Ik hield ervan tot gek wordens toe. Maar achter mijn rug gaven ze elkaar knipoogjes. Ze lachten me uit! Hoe meer ik van mezelf in de woorden legde, des te duidelijker werd de machteloosheid om iets met woorden uit te drukken’.

Op het einde van zijn roman buigt Sjisjkin de verhaallijn om tot een cirkel, en belandt hij terug bij de beelden van de eerste pagina’s, waarin verwezen wordt naar de genesis: ‘Er staat dat in het begin het woord zal zijn’. Zijn laatste geschreven woorden gebruikt Vladimir om zijn Aleksandra gerust te stellen dat de afstand tussen hun zielen zal verdwijnen, dat ‘mensen worden wat ze altijd geweest zijn: warmte en licht’. Sommige critici denken dat Sjisjkin de liefde op die manier laat zegevieren over de dood. Het heeft er meer van weg dat hij de liefde laat zegevieren in de dood, die hij voorstelt als een soort omgekeerde oerknal, want het is daarin dat de geliefden verenigd zullen worden (eerder had Aleksandra geschreven dat de dood van een geliefde altijd ‘een geschenk’ is). De uitdrukking van de hoop dat we uiteindelijk ‘weer allemaal bij elkaar’ zullen zijn, rijmt met de sentimentele rode draad die door Onvoltooide liefdesbrieven loopt. Het is een bewijs van het vakmanschap van de schrijver dat dit sentimentalisme geen geforceerde, maar een oprechte indruk maakt, dat het niet ergerlijk is, maar integendeel aandoenlijk. Sjisjkin is erin geslaagd om een originele, ontroerende roman te schrijven over de hamvraag des levens. Gerard Cruys heeft daarvan een prachtige vertaling gemaakt.

Michaïl Sjisjkin, Onvoltooide liefdesbrieven. Querido. 2013. Vertaald door Gerard Cruys. ISBN10 9021446782, ISBN13 9789021446783.

[Verschenen in De Leeswolf, juni 2013]

Getagged , , , ,