Maandelijks archief: september 2011

Igor Štiks: De stoel van Elijah

stoelHet eerste en overgrote deel van deze roman, uitgeroepen tot het beste Kroatische boek van 2006, is ‘Het manuscript van Richard Richter’. Hierin doet een gevestigde schrijver uit Wenen het relaas van mysterieuze gebeurtenissen die zijn leven een noodlottige wending gegeven hebben.

Richard Richter ontdekt op middelbare leeftijd dat hij de zoon is van een joodse communist die in W.O.II door de nazi’s gearresteerd is. Zijn queeste naar de waarheid brengt hem naar Sarajevo ten tijde van de Bosnische burgeroorlog, waar hij zich – bij wijze van alibi – met journalistiek bezighoudt. Samen met zijn tolk, Igor, draait hij een documentaire over een theatergezelschap dat in weerwil van de oorlogswaanzin het stuk Homo faber van Max Frisch opvoert. Richard Richter is meteen onder de indruk van de knappe en eigenzinnige actrice Alma, en begint een amoureuze relatie met haar. Intussen levert zijn speurtocht resultaten op: een zonderlinge oude jood bezorgt hem het adres van zijn vader. Het noodlot slaat toe: de vader van Richard Richter blijkt de vader van Alma te zijn. Vastbesloten om de bloedschande voor zijn halfzus verborgen te houden, verdwijnt de schrijver als een dief in de nacht uit Sarajevo.

De epiloog bestaat uit enkele beschouwingen van Igor, die het manuscript vertaald heeft dat Richard Richter aan hem had nagelaten alvorens zelfmoord te plegen.

Met De stoel van Elijah heeft Igor Štiks (1977, Sarajevo) een intrigerend mythisch verhaal geschreven dat verwantschap vertoont met de Odyssee. De grote thema’s die hem interesseren zijn de zoektocht naar zichzelf, het enigma van het menselijke lot en het recht op de waarheid. Dit recht eist Richard Richter op voor zichzelf, maar ontzegt hij aan Alma onder het mom dat iemand de waarheid verzwijgen als die erdoor vernietigd kan worden, geen misdaad is maar een plicht.

Het verhaal verkrijgt een extra dimensie doordat het zich afspeelt in het verscheurde Sarajevo van de jaren negentig, wat Štiks de gelegenheid verschaft om het zelfgenoegzame, hypocriete West-Europese discours over de Balkanoorlog aan de kaak te stellen. Zo suggereert het personage Alma dat de ware vertegenwoordigers van Europa te vinden zijn in het leger van Karadžić: “zij zijn de boodschappers van de toekomst van het continent, het etnischer worden ervan, van de religieuze haat en de opdeling.”

Om het verhaal aan kracht te doen winnen maakt Štiks gebruik van veelvuldige inwendige echo’s en de truc van het gevonden manuscript, waarbij hij zichzelf de rol van vertaler heeft toebedeeld. De roman zit dan ook goed in elkaar, maar lijdt toch aan enkele euvels. In zijn verwoede pogingen om de spanning op te drijven draait de auteur bijvoorbeeld af en toe rond de pot. Bovendien is Štiks’ zinsbouw her en der overladen – althans in deze Nederlandse vertaling.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Alexander Solzjenitsyn: Eén dag uit het leven van Ivan Denisovitsj

Het debuut van Nobelprijswinnaar Aleksandr Isajevitsj Solzjenitsyn (1918) beschrijft één van de drieduizend zeshonderddrieënvijftig dagen van Ivan Denisovitsj Sjoechov als gevangene s-854 in een Siberisch strafkamp. Deze dag onderscheidt zich niet fundamenteel van de andere dagen; vanaf het ochtendappèl om vijf uur tot de avondcontrole in de barakken, staat iedere étappe van de routine voor Sjoechov in het teken van de strijd om overleving, het vervullen van primaire behoeften en het ontwijken van straf.

Ten prooi aan ontberingen in een klimaat van wreedheid en ruwheid, is timmerman Ivan Denisovitsj veroordeeld om zich op te trekken aan de kleine, banale dingen des levens die hem nog resten. Hier slaagt hij met glans in. Hij geniet met volle teugen van vijf minuten vrije tijd, de nabijheid van een roodgloeiende kachel, de hete damp van een kom waterige soep, een trekje van een sigaret en een schamele tweehonderd gram brood. Zelfs uit het metselen van een muur haalt Ivan Denisovitsj grote voldoening. Hij slaagt er bovendien in een stuk hakmes de kampzone binnen te smokkelen en een extra bakje havermout te bemachtigen. “Sjoechov viel volmaakt tevreden in slaap” – zo schrijft de auteur zonder ironie op de laatste pagina.

Deze klassieker werd geschreven als een soort van monologue intérieur van het eenvoudige en opmerkzame hoofdpersonage, zij het in de derde persoonsvorm. Het oorspronkelijke werk valt op door het volkse taalgebruik, doorspekt met moeilijk verstaanbare kampterminologie. In de vertaling van Theun de Vries is deze taalbarrière enigszins vermeden; een groot aantal uitingen van kamptaal werd gestandaardiseerd of geëxpliciteerd. Vandaar dat de Nederlandse vertaling aanzienlijk omvangrijker is dan het originele werk. De gekozen vertaalstrategie heeft als voordeel dat de vertaling voor een Nederlandse lezer wellicht toegankelijker is dan het originele werk voor een Russische lezer. Hier staat tegenover dat een deel van het koloriet van het sovjetkampleven verloren is gegaan.

Solzjenitsyn werd in 1945 veroordeeld tot acht jaar werkkamp omdat hij zich in brieven aan een schoolkameraad kritisch had uitgelaten over Stalin. In 1957 werd hij gerehabiliteerd. Een jaar later voltooide hij Eén dag uit het leven van Ivan Denisovitsj. Door bemiddeling van partijleider Nikita Chroesjtsjov zelf kon het manuscript in 1962 ondanks de censuur gepubliceerd worden in het sovjettijdschrift ‘Novyj mir’. Het werk – het eerste dat openlijk verhaalde over de Goelag – sloeg wereldwijd in als een bom.

Wie dat wil, kan het relaas van Ivan Denisovitsj lezen als een aanklacht tegen de Stalinterreur of zelfs het communisme. Het is echter zeer de vraag of deze politieke lectuur – die in het nawoord van de Nederlandse vertaling gesuggereerd wordt door Sana Valiulina – voldoende recht doet aan Solzjenitsyns eigenzinnige en gedurfde ode aan het overlevingsinstinct en de banaliteit van het bestaan.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Mihail Sebastian: Dagboek 1935-1944

Dagboek-1935-1944Het dagboek dat de ongelukkige Roemeens-Joodse intellectueel Mihail Sebastian (1907-1945) bijhield van 12 februari 1935 tot 31 december 1944 is een gefragmenteerd amalgaam van allerhande aantekeningen – de ene al belangwekkender dan de andere.

De anachronistische ondertitel van deze uitgave – een toespeling op De banaliteit van het kwaad (1963) waarin Hannah Arendt de diabolisering van Adolf Eichmann aan de kaak stelde – verwijst naar de gemakzucht waarmee zichzelf respecterende burgers hun steentje bijdroegen tot de holocaust. Wie een hoge pet opheeft van de mens en er graag vanaf wil, zal met de lectuur van Dagboek 1935-1944 dus zeker geholpen zijn; Sebastian getuigt met walging hoe de Roemeense samenleving, met inbegrip van haar intelligentsia, het pad effent voor pogroms door met toenemende zelfgenoegzaamheid toevlucht te nemen tot het antisemitische discours dat sinds het begin van de jaren ’30 door de IJzeren Garde werd voorgekauwd. ‘Wij gaan op zekere dag afgeslacht worden als kippen’, zo voorspelde de schrijver aan de vooravond van WO II.

Sebastians angst voor de Shoah in het algemeen en zijn eigen ondergang in het bijzonder neemt toe naarmate de antisemitische repressie wordt opgedreven en vormt vanaf 1941, tezamen met zijn betrokken berichtgeving van de oorlogsontwikkelingen, de rode draad van zijn dagboek.

Voor het uitbreken van WO II komt de Jodenhaat bij Sebastian echter veeleer sporadisch aan bod. In deze periode bericht hij voornamelijk over zijn relatie tot het mondaine milieu van Boekarest, gesprekken met vrienden, politieke praatjes van kennissen, halfslachtige liaisons – waarin hij teleurstellend weinig inzage geeft –, indrukken van klassieke muziek en gelezen literatuur, dromen, geldzorgen, zijn werk als advocaat, skitochtjes, en – wat interessanter is – zijn literaire projecten.

Wat zijn schrijfproces betreft, toont Sebastian zich een kniesoor: hij zucht bij het ter hand nemen van de pen, tandenknarst bij het eigenlijke schrijven en is in de regel achteraf misnoegd over het rendement en resultaat. Pas wanneer hij na enige tijd zijn werk herleest, komt hij tot een genuanceerd oordeel. Het lijkt erop dat schrijven voor Sebastian geen aangenaam tijdverdrijf is, maar een existentiële noodzaak, die toeneemt naarmate zijn levensomstandigheden verslechteren.

Mede dankzij zijn relaties met welgestelde burgerlijke middens die hem gunstig gezind waren, wist Sebastian de ‘Endlösing’ te overleven. Hij werd echter kort na de Sovjetinvasie in Boekarest dodelijk aangereden door een vrachtwagen van het Rode leger. Van zijn literaire nalatenschap werden vooral zijn toneelstukken Vakantiespel (1938) en Ster zonder naam (1944) en romans Sinds tweeduizend jaar (1934) en Het ongeval (1940) op prijs gesteld.

De intieme aantekeningen van Sebastian werden in 1961 door zijn broer uit communistisch Roemenië gesmokkeld en pas in 1996 vrijgegeven voor publicatie. Sindsdien geniet zijn Dagboek 1935-1944 een groeiende internationale belangstelling en erkenning – als stichtelijk historisch tijdsdocument, maar ook als literair werk.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Sandor Marai: De meeuw

Sandor-Marai-De-meeuwTerwijl de oorlog zijn greep om de hals van Europa verstevigt krijgt een hooggeplaatste Hongaarse ambtenaar, die de last van een geheime beslissing van staatsbelang op zijn schouders torst, bezoek van een onbekende, buitenlandse vrouw. Op het eerste gezicht herkent hij in haar de jonge vrouw waarvan hij hield, maar die zichzelf twee jaar voordien naar een betere wereld hielp. Flashbacks en misantropische bespiegelingen over de Europese massamens maken duidelijk dat de protagonist deze zelfmoord niet verwerkt heeft en dat hij aanleg heeft tot doemdenkerij – wat gezien zijn noodlottige tijd te begrijpen is. Het is in eerste instantie dan ook met medelijden dat de lezer kennis neemt van zijn over het boek breed uitgesmeerd astrologisch filosofietje, volgens hetwelk zijn bezoekster als duplicaat van zijn geliefde zelfmoordenares door hogere krachten naar hem toe is gezonden.

Na een bezoek aan de opera met zijn “Enige Golf” – jawel, zo noemt hij haar – belanden ze in zijn woning, waar hij zijn metafysisch inzicht in hun ontmoeting met veel pathos uit de doeken doet. Dat de vrouw zich dit laat welgevallen is des te merkwaardiger, daar de quatsch die de ironieloze, maar erudiete mond van de man uitbraakt met iedere minuut onverteerbaarder wordt. Een voorbeeld: “Het is mogelijk dat wij elkaar al eerder ontmoet hebben, tweeduizend of drieduizend jaar geleden, ergens tussen Zeus en Odin, heel even, midden in een Keltische of Vandaalse horde: jij op een strijdwagen, vanachter een gordijn naar het gevecht kijkend, en ik tussen de Petsjenegen en de Avaren, hamerend op mijn waarheid.” De plot wordt gered van een al te melige afloop door de suggestie dat de man, die op het punt staat aan zijn bezoekster zijn geheim te verraden, te maken heeft met een spion.

De Wereldbibliotheek koketteert ermee dat deze zoektocht naar een antwoord op het raadsel van de onvermijdelijkheid bestaat uit “woorden en zinnen die men zelf had willen bedenken omdat ze uitdrukken wat diep van binnen door iedere lezer wordt gevoeld”. Enerzijds past de holheid van deze bewering uitstekend bij de roman, die diepgang ambieert en mist. Anderzijds is het waar dat wie mooie zinnen kan appreciëren, in De meeuw rijk bedeeld wordt. Bijzonder bedreven is Márai in beeldspraak. Zo zijn burgervrouwen in een espressobar “op de vlucht voor de verveling van de beschaving die als een vorm van lepra de opperhuid van hun leven wegvreet”.

Als geschiedenisfilosofisch, of liever -theologisch werk, kan De meeuw niet bekoren. Als spirituele ode aan de hoop dat de liefde met behulp van “een onzichtbare hand” graven kan openbreken, is de roman zelfs ergerlijk. Daartegen staat dat de artistieke uitwerking van het thema zelfmoord, een daad die in deze roman wordt afgedaan als “een kinderlijke en onbezonnen wraakoefening”, wel belangwekkend is – tenminste in het licht van Márai’s eigen vergeldingsactie.

Vladimir Makanin: Schrik

makaninIn zijn vorige grote roman Underground, of een held van onze tijd laat Makanins geesteskind Petrovitsj zich ontvallen dat de klassieke schrijvers in de 19e eeuw vroegtijdig een punt hebben gezet achter de literatuur over kleine lieden. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de auteur in zijn laatste roman Schrik (Ispoeg, 2006) het psychologisch portret schetst van een nieuwe wroetende kleine Rus.

Ditmaal betreft het een schandelijk zonderling exemplaar: de oude man Pjotr Petrovitsj Alabin. Ondanks zijn grijze haren, wordt deze datsjadorpeling namelijk met volle overgave verliefd op vrijwel iedere aantrekkelijke jonge vrouw die zijn pad kruist. Deze verliefdheden zijn alles behalve platonisch: wanneer de maan hoog staat, voelt hij de onweerstaanbare drang om heimelijk de datsja van de al dan niet slapende schone binnen te klauteren en de liefde met haar te bedrijven.

Hoewel Pjotr Petrovitsj zelf op vertrouwde voet staat met zijn hyperseksualiteit, wordt deze door sommige bewoners van het datsjadorp – voornamelijk door gehoornde echtgenoten – als problematisch ervaren. Om te ontkomen aan gerechtelijke vervolging, en ook uit nieuwsgierigheid, laat Pjotr Petrovitsj zich enkele weken opnemen in een psychiatrische inrichting. Hier wordt hij doorverwezen naar een jonge arts die de oudemannenkwaal in kwestie behandelt door zijn patiënten schilderijen van op nimfen azende saters te laten beschouwen.

Behalve door zijn nachtelijke escapades haalt Pjotr Petrovitsj voldoening uit zijn oude dag door met zijn uitstervende generatiegenoten te pimpelen en te mijmeren over oudemannetjeszielen. Wanneer hij in de herfst van 1993 toevallig belandt in het door communisten bezette en door democraten belegerde parlementsgebouw te Moskou, zorgt de maanzieke Pjotr Petrovitsj – poedelnaakt – voor de ontknoping van deze historische gebeurtenis.

Het eerste opschrift van de roman maakt duidelijk dat de titel verwijst naar de verwarring waardoor de sater gegrepen wordt wanneer hij de op haar beurt verschrikte nimf besluipt. Door zijn gezegende leeftijd is dit gevoel in het geval van Pjotr Petrovitsj van zulk een hevigheid, dat hij enkel in het donker durft te opereren. Uit het tweede opschrift en de roman zelf blijkt dat schrik ook de drijfveer was voor de Russische grijsaards om in 1993 en masse samen te komen bij de tanks die op het Moskouse Witte Huis vuurden, en “zich aan de loop van de geschiedenis te vergapen”. Kortom, bij de oude Alabin en zijn generatiegenoten zit de schrik er goed in.

Volgens zijn uitgever wilde Makanin met deze roman een asymmetrisch antwoord bieden op Nabokovs Lolita. In Russische literaire kringen veroorzaakte de roman alleszins een gelijkaardige ophef: de auteur werd goedkope provocatie en een gebrek aan smaak ten laste gelegd. Nochtans is het Makanin duidelijk te doen om het existentiële conflict tussen ouderdom en jeugd. De manier waarop dit thema in Schrik is uitgewerkt – de monologue intérieur van een oude, maar lustige man – doet denken aan De schone slaapsters van Kawabata en aan Herinnering aan mijn droeve hoeren van García Márquez. Qua potentie moeten de hoofdpersonages van deze laatste werken echter het onderspit delven voor Pjotr Petrovitsj. Zijn satyriasis getuigt van een ontembare levenshonger, zijn rechtmatige verlangen om te beminnen, maar ook om bemind te worden. Het volstaat hem immers niet dat zijn jonge maanvrouwen hun benen voor hem spreiden, hij wil ook nog eens dat ze het niet louter uit angst of medelijden doen. Pjotr Petrovitsj wil graag geloven dat schoonheid de wereld zal redden, zoals Dostojevski het formuleerde. Zijn eigenzinnige jacht op vrouwelijk schoon ziet hijzelf – althans in een filosofische bui – als een vertraagde en parodiërende wijze waarop hij op de valreep het elan van zijn generatie nog eens tastbaar maakt. Op die manier vormt hij een schril contrast met zijn aan de buis gekluisterde leeftijdsgenoten, of met zijn seksueel onbeholpen neefje, dat sinds zijn militaire dienst gekweld wordt door posttraumatische stress.

Hoewel Schrik op de keper beschouwd handelt over een oude man die zijn onuitgesproken doodsangst tracht te overwinnen, en op sommige bladzijden een rauw beeld wordt ophangen van het leven in het postcommunistische Rusland, is deze roman lichtverteerbaar. Dit is in de eerste plaats te danken aan de levenskunst van Pjotr Petrovitsj – wellicht het meest optimistische personage dat de auteur ooit geschapen heeft. Zo heeft de held het zelfs in een psychiatrische inrichting perfect naar zijn zin. In vergelijking met de andere geesteskinderen van Makanin, legt de oude Alabin bovendien een ongeziene portie mildheid voor zijn medemens aan de dag. Bij de bezetting van het parlementsgebouw ervaart hij bijvoorbeeld medelijden met beide partijen, in de eerste plaats met de onnozele halzen onder de deelnemers (“het grauw van elke opstand”).

Schrik is niet alleen een lichtvoetige, maar ook een geestige roman. De humor komt onder meer voort uit de slinkse wijze waarop Pjotr Petrovitsj omgaat met het conflict tussen zijn liefdesdrang en de maatschappelijke normen. Enerzijds neemt hij er aanstoot aan als zijn wellust wordt afgebeeld als de meelijwekkende kwaal van een aftands opaatje, anderzijds speelt hij met verve de vermoorde onschuld tegenover wie met zijn intimiteiten niet gediend is. Makanin brengt in Schrik ook scherpe maatschappijkritische satire. In het hoofdstuk ‘Op wie stemt de kleine man?’ voert hij bijvoorbeeld een vrouw op die beslist te stemmen op de politicus die op tv in beeld is wanneer Pjotr Petrovitsj in haar klaarkomt.

Net als andere werken van Makanin, is ook deze roman geschreven in een krachtige, beeldrijke taal, die in de vertaling van Gerard Cruys recht wordt aangedaan (bijvoorbeeld: “Nu pas, in het maanduister, besef ik dat lampen de nacht als frontchirurgen in stukken snijden”). Het lijdt dan ook geen twijfel dat Schrik, met zijn vakkundige en luchthartige uitwerking van het dieptragische en universele probleem van de dood, ook in het Nederlandse taalgebied een breed publiek zal aanspreken. Wie zich verwacht aan de diepgang van existentiële beschouwingen van Underground, of een held van onze tijd, riskeert echter een lichte ontgoocheling op te lopen.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

I.S. Toergenjev: Eerste liefde

Van de plejade der Russische realisten die hun literatuur wereldberoemd zouden maken was Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818-1883), met zijn gepolijste lyriek en welopgevoede geesteskinderen, degene die in het westen de minste barrières te overwinnen had. Hiervan getuigt ook Eerste liefde (1860), dat gerekend wordt tot de mooiste liefdesverhalen uit de wereldliteratuur – hoewel het op de keper beschouwd de uitbeelding betreft van een nogal zielige verliefdheid met zurige nasmaak.

Toergenjev begint zijn verhaal daar waar het zich voornamelijk zal afspelen: in de salon. Na het souper verzoekt de gastheer de nog overgebleven genodigden om hun eerste liefde uit de doeken te doen. Vladimir Petrovitsj belooft hem zijn getuigenis neer te pennen. In het resulterende relaas neemt hij de lezer mee naar het zomerhuis van zijn ouders aan de rand van Moskou anno 1833. Het was hier dat hij als onnozele zestienjarige, geholpen door een decor van bloeiende tuinen, paarden, ruines en sterrennachten (zijn hormonen komen er niet zo aan te pas), onder de indruk kwam van het nieuwe buurmeisje, Zinaïda.

Deze prinses van verarmde adel is lang en slank, heeft liefelijke vingertjes, donzige goudblonde haren, een onschuldige hals, verstandige ogen, tere wangen etc. Interessanter dan haar uiterlijk is haar karaktertje: koketterie en lichtvoetige spotlust à la Manon Lescaut – ze laat de mannen rond zich dansen als poppetjes – combineert ze met een warm hart, dat ze onder meer Vladimir Petrovitsj toedraagt. Wanneer zijn gebiedster hem spelenderwijs benoemt tot haar persoonlijke page, loopt de knaap haar overal achterna met oortjes die flapperen op het ritme van lustig vogelgekwetter. Tot hij beseft dat Zinaïda’s hart (en lichaam) een ander toebehoort. Op dit punt neemt de novelle de vorm aan van een soort detective waarin, zoals de auteur van het nawoord het zo raak formuleert, “de vraag van wie heeft het gedaan, vervangen is door de variatie: wie is het aan het doen”.

Potentieel interessant wordt het wanneer blijkt dat het de gereserveerde vader van het hoofdpersonage is, die zich van de aangename taak kwijt Zinaïda’s liefdeshonger met zijn vlees te stillen. Toergenjev geeft echter beperkte inzage in de ongewone Oedipale crisis die Vladimir moet doormaken, of sterker nog: hij laat deze crisis simpelweg niet plaatsvinden. De enige reactie van de ongelukkige puber met betrekking tot zijn – overigens laattijdige – ontdekking is dat zijn vader nog in zijn achting stijgt. Dit respect bereikt een hoogtepunt wanneer hij getuige is van een kinky scène: zijn anders zo beheerste vader die Zinaïda met zijn rijzweep toetakelt, en zij die de gevormde vuurrode striem kust. Voor Vladimir is deze kus het bewijs van échte hartstocht. Het is precies dankzij dit mysterieuze element dat Eerste liefde, toch behoorlijk ontvleesd en verzadigd van topoi, ook interessant kan zijn voor een publiek van na de seksuele revolutie.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Arkadi Babtsjenko: De kleur van oorlog. Een soldaat in Tsjetsjenië

arkadArkadi Babtsjenko werd geboren in 1977 in Moskou. Hoewel hij als universiteitsstudent het recht had om zijn tweejarige legerdienst uit te stellen, liet hij zich in 1996 als kanonnenvoer naar Tsjetsjenië zenden. Hij overleefde het en keerde terug naar de parallelle, geciviliseerde wereld, maar kon er niet meer aarden. Toen enkele jaren later de Tweede Tsjetsjeense Oorlog uitbrak, voelde hij de onweerstaanbare drang om bij te tekenen – wat hij dan ook deed. Volgens de auteur zelf was het verlangen te schrijven de verborgen beweegreden van deze zeldzaam heroïsche of volslagen idiote daad. Van zijn verslaving aan oorlog is Babtsjenko nog steeds niet afgekickt, maar intussen is hij er wel in geslaagd om deze in oorlogsjournalistieke teksten en oorlogsproza te sublimeren.

In De kleur van oorlog geeft Babtsjenko in een stoere, onopgesmukte taal – doorspekt met in het Hollands vertaald soldatenjargon – verslag van de fysische en morele ontberingen die het autobiografische hoofdpersonage als frontsoldaat in Tsjetsjenië lijden moet. Het centrale thema van deze omgekeerde bildungsroman is de verdierlijking van de soldaten, die binnen de kortste keren ieder normbesef en zelfrespect verliezen. De enige alternatieven zijn desertie en zelfmoord. Vaderlandslievende heroïek en camaraderie zijn ver te zoeken, want in overeenstemming met de traditie in het Russische leger tuigen de soldaten niet alleen de Tsjetsjeense rebellen, maar ook elkaar genadeloos af – tot het bloed en het pus van de pagina’s in het onthutste gezicht van de lezer spat. Waarom er precies gevochten wordt, kan het hoofdpersonage niet vertellen. Hij heeft geen ‘morele, innerlijke rechtvaardiging voor al dat moorden’, maar enkel de hoop het er levend vanaf te brengen en zijn ‘ik’ te behouden. Dit laatste blijkt onmogelijk. Babtsjenko stelt vast: ‘Wij zijn allemaal in deze oorlog gebleven’. Ondanks alle kommer en kwel laat hij deze roman eindigen met een ambigue liefdesverklaring aan de oorlog: hun symbiose is een feit.

Met dit boek heeft Babtsjenko een integer getuigenis afgelegd van de smerigheid van oorlog in het algemeen en van de Russische campagne in Tsjetsjenië in het bijzonder, maar toch schotelt hij zijn lezers geen voorgekauwde aanklacht voor. De waarde van deze tekst, die vanuit literair oogpunt geen meesterwerk is, ligt vooral besloten in zijn bijdrage tot een beter begrip van het zogenaamde Tsjetsjenië-syndroom: posttraumatische stress waar talloze oud-soldaten in Rusland aan lijden. Ironisch genoeg wordt Rusland zelf, met zijn invalide burgermaatschappij, op dit thema liever niet aangesproken: behalve op internetsites is het ontnuchterende oorlogsproza van Babtsjenko in het Russisch nauwelijks beschikbaar. Toegegeven, er is aangenamere literatuur.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Andrej Koerkov: De laatste liefde van de president

koerkovDe Russischtalige Oekraïner Andrej Joerjevitsj Koerkov (1961) is één van de weinige schrijvers van het post-Sovjetlandschap die zijn westerse uitgevers geen boekhoudkundige aftrek opleveren, maar wel integendeel bestsellers. Zijn doorbraak in het Nederlandse taalgebied kende hij met Picknick op het ijs, een surrealistisch verhaal over een depressieve koningspinguïn. Dat de auteur geen gebrek heeft aan originaliteit bewijst hij nog maar eens in De laatste liefde van de president.

Naar eigen zeggen wilde Koerkov met deze roman, geschreven in 2004, een antwoord vinden op de vraag waarom de Oekraïense politici er altijd belabberd bijlopen. Om zichzelf inzage te verschaffen achter de coulissen van de macht, kroop hij in de huid van een fictieve Oekraïense president, Sergej Pavlovitsj Boenin, en schreef hij in zijn naam een autobiografie.

Het resulterende relaas is een matig dynamische collage van ruim tweehonderd hoofdstukken van slechts enkele pagina’s lang. Hoewel het aanvangt in 1975 en eindigt in 2016, is het een chronologische hutspot. De verteller, die niet verlegen zit om een ironische opmerking, belicht afwisselend fragmenten uit voornamelijk drie periodes: zijn adolescentie en jongvolwassenheid in volle Sovjettijd, zijn leven als liefhebbende echtgenoot van middelbare leeftijd (met kinderwens en minnares), en zijn ambtstermijn als staatshoofd van de Oekraïne.

Naarmate de hoop op een gelukkig affectief leven de kop wordt in gedrukt – hoofdschuldige hieraan is de lethargie van zijn goede spermatozoïden – verwerft Boenin meer en meer macht. Op het toppunt van zijn carrière, gedurende zijn presidentschap, kleeft de eenzaamheid aan zijn lijf als een tweede schaduw. Zijn staatszaken bieden Boenin weinig of geen soelaas: zonder bijzondere geestdrift draait hij mee in een doortrapt corrupt systeem, dat enkel gericht is op machtsbehoud. Het doel heiligt alle middelen. Zo laat men tegenstanders ontvoeren door de geheime politie van Rusland, waar anno 2016 nog steeds Poetin de plak zwaait, en wordt het volk zoet gehouden met de canonisatie van niemand minder dan grootmartelaar Vladimir Oeljanov Lenin. In dit alles fungeert Boenin eerder als een handpoppetje van zijn adviseur dan als een bestuurder. Na een harttransplantatie georganiseerd door zijn entourage loopt hijzelf overigens rond met een vitaal orgaan dat hem bespioneert en bovendien uitgeschakeld kan worden per afstandsbediening. De president laat het niet aan zijn hart komen en voert de instructies die hij zijdelings krijgt gedwee uit – ook met betrekking tot zijn privéleven.

Opmerkelijk aan dit geestige, maar toch ietwat langdradige boek is dat enkele scènes ervan na publicatie in 2004 in de Oekraïne werkelijkheid zijn geworden. Boenin wordt bijvoorbeeld tijdens zijn herverkiezing als president vergiftigd, zoals dit eveneens gebeurde met Joesjtsjenko. Volgens Koerkov, die politieke satire schept door bestaande absurde situaties te ontwikkelen tot de volgende fase, is zijn literatuur dan ook in permanente competitie met het leven zelf, dat de fictie inhaalt en overtreft.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Totalitair geweld. György Dragoman: De witte koning

witte koningDe belangstelling van het Nederlandse en Vlaamse leespubliek voor Hongaarse literatuur dateert van de bloederige Hongaarse opstand van 1956. Sedertdien tot de jaren tachtig werden Hongaarse schrijvers bij ons dan ook slechts geapprecieerd voor zover hun land een politiek strijdtoneel vormde waarover ze zich uitspraken ten voordele van de Westerse democratie en waarden. Dit verwachtingspatroon werd in de jaren tachtig en negentig enigszins bevestigd door György Konrád en Péter Nádas, maar tegelijkertijd sijpelden ook minder politiek gekleurde, vaak reeds overleden auteurs door naar de Nederlandstalige markt – zij het aanvankelijk met veel minder succes. Een schrijver als Sándor Márai kreeg geen krediet voor hij in 1989 een kogel door zijn hersenpan had gejaagd. Ironisch genoeg was de echo van dit schot het startsein voor de gestage maar onstuitbare internationale opmars der Hongaarse letteren.

In het Nederlandse taalgebied werd de hernieuwde belangstelling voor Hongaarse literatuur pas goed voelbaar in 2000, toen de kersverse vertalingen van Márai’s roman Gloed als zoete broodjes over de plank gingen. Sinds Imre Kertész bovendien in 2002 als eerste Hongaarse schrijver de Nobelprijs voor literatuur in ontvangst mocht nemen, zijn Hongaarse werken niet meer weg te denken uit de Nederlandse en Vlaamse boekenwinkels. Sinds kort is de indrukwekkende stoet der Hongaarse letteren aangevuld met een nieuwe, veelbelovende naam: György Dragomán.

Deze veelzijdige literator werd in 1973 als Hongaarse Roemeen geboren onder de dictatuur van Nikolae Ceauşescu. Na een beschuldiging van separatisme verloor zijn vader zijn job als professor in de geneeskunde en werd hij aanhoudend lastiggevallen door de geheime politie. Aangemoedigd door de autoriteiten om Roemenië te verlaten, verhuisde zijn gezin in 1988 naar Hongarije. In Boedapest studeerde Dragomán filosofie en Engelse filologie. Sinds 1998 werkt hij er aan een nog onvoltooid doctoraal proefschrift over Samuel Beckett’s roman Watt. Behalve eeuwige doctorandus is hij ook filmcriticus en literair vertaler van zwaargewichten als Beckett, James Joyce en Ian McEwan.

Zoals bekend is het de natte droom van iedere literatuurwetenschapper en vertaler om zelf schrijver te worden. Dragomán waagde het erop in 2002 met zijn in het Nederlands nog onvertaalde debuutroman Het boek der vernietiging (A pusztítás könyve). Hierin beschrijft hij drie dagen uit het leven van een militair architect die als banneling in een door God verlaten penitentiair oord getuige is van genocidetoestanden. Met deze donkere en extreem gewelddadige roman kaapte Dragomán in Hongarije een resem prijzen weg.

Het is echter met zijn tweede en laatste roman, De witte koning (A fehér király, 2005), dat Dragomán op slechts enkele jaren tijd is doorgedrongen tot niet minder dan een twintigtal literaturen, sinds kort met inbegrip van de Nederlandse. De vroege internationale ontdekking van dit autobiografisch getint proza is wellicht grotendeels te danken aan het feit dat de Hongaarse literatuur tegenwoordig goed in de westerse markt ligt, en dat de auteur voor dit werk in eigen land gelauwerd werd met de prestigieuze Sándor Márai-prijs. Belangrijker is echter dat de roman een geslaagd letterkundig product is.

In De witte koning doet de jongen Dzjata – in één lange ademstoot – het relaas van ruim een dozijn gebeurtenissen die hij meemaakte in een niet bij naam genoemde totalitaire staat. Zoals dit ook het geval is in één van de eerste en betere films van Emir Kusturica, Vader is op zakenreis (Otac na službenom putu, 1985), wordt de vader van het jeugdige hoofdpersonage, tevens de verteller, door “collega’s” opgehaald. Het duurt enige tijd vooraleer Dzjata begrijpt en aanvaardt dat zijn vader gearresteerd is door de veiligheidsdienst om als dwangarbeider bij het Donaukanaal te werken. Ondertussen moeten hij en zijn moeder het met hun tweeën zien te redden, gestigmatiseerd door het regime en zonder nieuws over de eventuele beëindiging van de strafmaatregel.

Het vurige verlangen herenigd te worden met zijn vader, die in zijn ogen de status van held geniet, en de destabiliserende angst dat dit niet zal gebeuren vergezellen Dzjata onafgebroken op zijn pad. In afwachting van betere tijden tracht de elfjarige jongen zijn moeder zoveel mogelijk te steunen. Zo knipt hij op haar huwelijksverjaardag handenvol tulpen bij elkaar uit een openbaar bloemperkje, zich voorhoudend dat zijn vader “het vast ook altijd op deze manier had gedaan”.

Hoewel Dzjata zielsveel van zijn moeder houdt en graag bij zijn grootvader wordt uitgenodigd – deze eer valt hem tweemaal per jaar te beurt: op zijn naamdag en verjaardag –, wordt zijn leefwereld in de eerste plaats bevolkt door zijn mannelijke leeftijdsgenootjes, schoolkameraden en buurkinderen. Hij staat aan het prille begin van de ontluikende puberteit, en bevindt zich dus nog in het stadium waarin hij zich zonder scrupules kan overgeven aan spel en kattekwaad. Hij draait bijvoorbeeld het ventiel los van de motor van een leerkracht met de sprekende bijnaam IJzervuist, speelt oorlogje in een brandend graanveld, gaat op schattenjacht in oude kleigroeven, steelt een ivoren koning uit het schaakspel van een ambassadeur, en kijkt stiekem naar een erotische film in een geheime bioscoopzaal.

Behalve door hun herkenbaarheid worden de avonturen van Dzjata stuk voor stuk getypeerd door het tarten van de maatschappelijke normen. Hierbij lijkt de jongen niet in het minst gehinderd door gewetensproblemen, maar hij steekt wel veel energie in strafontwijking. Nadat Dzjata en een klasgenootje het klassengeld verspeeld hebben, eten ze bijvoorbeeld krijtjes op om koorts te krijgen en vrijgesteld te worden van school. Het enige wat ze ermee bereiken is echter dat hun plas een kleurtje krijgt, dus besluiten ze maar om elk een been te breken door een vervaarlijke sprong op dikke betonnen buizen.

Wat opvalt in de wereld waarin Dzjata de lezer in sneltreinvaart rondleidt, zijn de gewelddadige excessen, die nu eens lachwekkend zijn en dan weer de wenkbrauwen doen fronsen. Zo zit de jongen in een voetbalploeg waarvan de coach de jeugdspelers motiveert met de knoet: “hij liet ons de ijzeren staaf ook zien, en zwaaide hem met zo’n harde knal tegen de houten schutting dat er een plank in stukken brak, en hij zei dat onze botten precies zo versplinterd zou worden”. De huiveringwekkende hyperbolen waarmee de geweldplegingen in De witte koning beschreven worden suggereren dat realiteit en fantasie in het bewustzijn van Dzjata in elkaar overlopen, maar getuigen tegelijkertijd van de sfeer van totalitarisme waarin de jongen opgroeit. De communicatie lijkt ingeruild te zijn voor agressie.

Het is precies aan het corrumperende klimaat van angst dat deze gefragmenteerde roman, waarvan ieder hoofdstuk gelezen kan worden als een autonoom kortverhaal, zijn thematische coherentie dankt. Deze samenhang wordt stilistisch geconsolideerd door het bijna muzikale mondelinge karakter van de roman – een kenmerk van de Hongaarse verteltraditie. Als gevolg van de eindeloze aaneenschakeling van zinnen door komma’s à la Bohumil Hrabal ligt het leesritme ontzettend hoog, wat de monoloog van Dzjata de allures van een haastige biecht verschaft.

Naar eigen zeggen wilde Dragomán met De witte koning een roman schrijven “over vrijheid in een maatschappij waarin vrijheid niet mogelijk zou mogen zijn”. Ondanks alles weet Dzjata zich inderdaad van de dictatoriale logica te vrijwaren. Hoewel hij onder de indruk is van de repressie, lapt hij de regels aan zijn laars. Vertroosting vindt hij in gesprekken met de weinige menslievende figuren die de roman rijk is en in een aantal voorwerpen die bijna een sacrale waarde krijgen, zoals de witte koning, of de eremedaille die hij van zijn grootvader gekregen heeft. Bovendien klampt Dzjata zich vast aan de hoop op de terugkeer van zijn vader. Trouw aan zijn principe om door de geprivilegieerde ogen van een kind inzage te geven in de mensonterende absurditeit van een totalitair regime, doet de auteur deze concessie aan het welgevoelen van de lezer niet: de lang verhoopte gezinshereniging blijft uit. Het is echter aan de lezer zelf om het onrecht en de laconiek beschreven geweldplegingen te veroordelen. Dit maakt dat De witte koning een knap staaltje is van politiek geëngageerde literatuur – in deze zin is het dus een conventioneel Hongaars werk – met een politiek incorrecte verpakking.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Arnon Grunberg: Karel heeft echt bestaan. Over het werk van Karel van het Reve

In dit essay spreekt Arnon Grunberg zijn overdachte bewondering uit voor Karel van het Reve. In die mate dat men kan spreken van een welgemeende reclamebrochure.

Het is niet de eerste maal dat hij zich met Van het Reve associeert. In 2004 publiceerde hij de bloemlezing Grunberg leest Karel van het Reve. Daaruit bleek al dat hij zich verwant voelt met deze “schrijver en denker”, aan wie we volgens hem tot driemaal per jaar mogen refereren als halfgod.

Zo deelt Grunberg Van het Reve’s liefde voor Derrick, al is hij het met hem oneens dat deze in latere afleveringen te psychologisch werd en te weinig in striptenten vertoefde. Door dit soort anekdotes rijst het vermoeden dat Grunberg de gelegenheid om Van het Reve te propaganderen aangrijpt om ook zichzelf interessant te maken. Aangezien hij hierin slaagt, is het een kniesoor die erom maalt.

In dit boekje doet Grunberg ook enkele onnodig straffe uitspraken. Bijvoorbeeld dat een student literatuurwetenschap die niet weet dat Van het Reve in Leiden over deze wetenschapstak een lezing heeft gehouden net zoiets is “als biologie gaan studeren zonder te weten dat Darwin wel eens iets geschreven heeft over jouw vak”. Belangrijker is echter dat Grunberg te midden van loftrompetgeschal een aantal kritische bedenkingen weet te formuleren. Zo beargumenteert hij waarom het “een tikkeltje kortzichtig” was dat Van het Reve alleen maar tegen Freud schreef.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

De Sovjets in hun blootje. Een auteursportret van Karel van het Reve

Karel van het Reve over het Russische communisme: “Economische mislukkelingen, een zeer laag levenspeil, onderdrukking en terreur kunnen gerechtvaardigd worden met een beroep op de toekomst, en de afzonderlijke burger is er zich tot op zekere hoogte op den duur niet meer van bewust. Het systematisch doden van alle echte kunstuitingen en het vervangen ervan door zelfs voor vrij botte geesten onverteerbare rommel schept bij allen die erbij betrokken zijn een gevoel van onbehagen dat slechts bij zeer grote afstomping verdwijnt.”

Nu tussen ons en de levende Karel van het Reve (1921-1999) een kloof gaapt van één decennium en vorig jaar zijn privébibliotheek onder de hamer ging, is de tijd meer dan rijp om zijn nagedachtenis te eren met de uitgave van de volledige verzameling van zijn werken. Het doet eer aan de Nederlandse slavist dat uitgeverij Van Oorschot, onder meer gekend van de prestigieuze Russische Bibliotheek waarvoor ook Van het Reve vertaalde, haar noeste schouders onder dit project zet. Van de zeven voorziene delen zijn er tot nog toe twee gepubliceerd. Behalve het jeugdwerk en autobiografische stukken van Nederlands meest geciteerde essayist bevatten deze begerenswaardige volumes ook de handelseditie van zijn proefschrift, tientallen ongebundelde artikelen, lezingen en boekbesprekingen geschreven tussen 1932 en 1968, twee romans, de opstellenreeks ‘Rusland voor beginners’ en het reisverslag Siberisch dagboek.

Van Pionier tot professor

Een gedetailleerd levensbericht van Karel van het Reve werd na zijn overlijden in 1999 door zijn vriend Robert van Amerongen gepubliceerd in het Jaarboek van de Nederlandse Letterkunde. Uit deze biografische karakterschets, ook opgenomen in zijn Verzameld werk, en het proza van de auteur zelf komt een fatsoenlijke, maar alles behalve saaie man naar voren met een weinig praktisch, maar scherp verstand en een onverzadigbare belangstelling voor alles wat naar de Sovjet-Unie of Rusland ruikt – vooral dan literatuur.

De kiemen voor deze hartstocht werden gezaaid door zijn ouders, die hem en zijn beroemder geworden broertje Gerard het marxisme-leninisme met de paplepel ingaven. Zijn vader, ook een Gerard, had zich van textielarbeider opgewerkt tot redacteur bij de communistische krant De Tribune, maar werd na onkiese verdachtmakingen opzij geschoven. Sindsdien verdiende hij zijn brood met vertaalwerk en het schrijven van romans en kinderboeken. Zijn moeder was huisvrouw en medewerkster van de kinderkrant van De Tribune. Anders dan geconcludeerd zou kunnen worden uit De avonden (1947) was het gezin Van het Reve niet verstikkend. In elk geval genoten de jongens veel vrijheid en kwamen ze in aanraking met intellectuelen.

Zijn eerste passen in het literaire veld zette Karel als verslaggever van de op Sovjetleest geschoeide Pioniers, en later als redacteur van officiële en ‘illegale’ schoolkrantjes. Ook vertaalde hij als scholier twee boeken van Paustovski via het Duits. Aan de vooravond van WO II raakte hij in de ban van de colleges Russische geschiedenis van de Russische emigrant Bruno Becker, die hij later als een vaderfiguur voor de Nederlandse slavisten zou bestempelen. Tijdens de oorlog bleef hij zich onder zijn auspiciën verdiepen in de Russische taal en klassieke literatuur, wat hem ertoe bracht om in 1944 een vertaling op rijm van Poesjkins drama Boris Godoenov te maken. Het einde van WO II was nodig om zijn studie slavistiek regulier af te ronden, wat hij deed als een getrouwd man. Hij kreeg ook twee kinderen. Drie jaar na het behalen van zijn doctorstitel in 1954 werd Van het Reve in Leiden benoemd tot hoogleraar in de Slavische letterkunde, een functie die hij tot zijn emeritaat in 1983 met veel plezier zou vervullen. Met uitzondering van de bestuurstaken dan.

De noodzakelijke afwisseling voor zijn strikt wetenschappelijke arbeid vond Van het Reve in een eerste fase in het maken van literaire vertalingen – voor het vertalen van Toergenjev werd hem in 1979 de Martinus Nijhoffprijs toegekend – en in twee experimenten met het romangenre. Gedurende zijn hoogleraarschap en erna, tot zijn gezondheid het echt niet meer toeliet, schreef hij bovendien stukken over legio onderwerpen die weinig en soms ook helemaal niets met zijn vakgebied te maken hebben. Met even grote bezieling als waarmee hij over Russische schrijvers of over het Sovjetregime sprak, amuseerde hij zijn lezers met maatschappijkritische variaties op de uitspraak van de Franse publicist Pascal “entre nous-même et la mort il n’y a que la vie, et rien n’est plus fragile”, of trapte hij hen op de tenen door de Nederlandse demonstraties tegen de oorlog in Vietnam te herleiden tot het volgen van een Amerikaanse mode. Intelligent entertainment en ontmaskering vormen in zijn werk een doorvlochten rode draad.

“De zegepraal van de rede”

Van Marx en Lenin, waarmee hij in zijn jeugd geïndoctrineerd was zoals de meerderheid met God en Jezus, heeft Van het Reve geleidelijk en bewust afstand genomen. Dit verwijderen – door zijn vriend en historicus Jan Willem Bezemer “de zegepraal van de rede” genoemd – was een logisch gevolg van een nadere kennismaking met het Sovjetregime, zowel praktisch als theoretisch. De eerst twijfel werd gezaaid in zijn jeugd door zijn ontdekking dat de leuze “wees gereed” bij de communistische jeugdbeweging dezelfde was als bij de padvinders van de bourgeoisie. Ook de partijlaster die zich uitstortte over zijn vader speelde een rol in zijn ontmaskering van de Sovjet-Unie als een kwalijke dictatuur. Die verliep echter ook via de literatuurstudie. Zo kwam hij in zijn dissertatie Sovjet-annexatie der klassieken (1954) na een analyse van de criteria die Sovjetliteratuurhistorici hanteerden voor het al dan niet prijzen van de Russische klassieken tot de vaststelling dat om opportunistische redenen zelfs de meest fundamentele leerstellingen van het marxisme met de voeten werden getreden. Waarmee niet gezegd is dat hij daar op dat moment nog bijzondere genegenheid voor koesterde. Erg interessant is bijvoorbeeld ook het essay De brand in Moskou, opgenomen in de bundel ‘Rusland voor beginners’ (1962), waarin Van het Reve de idiotie van de Sovjetgeschiedschrijving blootlegde. Dit doet hij aan de hand van de voor de Russen belangwekkende kwestie of de brand van Moskou in 1812 door Napoleon dan wel door Russische patriotten aangestoken was.

De dissidenten

Van het Reve maakte in verschillende periodes reizen naar de Sovjet-Unie: in 1948 als schaakarbiter, in 1958 als spreker op een slavistencongres, in 1965 maakte hij een reis met de Transsiberische trein, het jaar erop een kampeertocht, en gedurende 1967-1968 verbleef hij in Moskou als correspondent van Het Parool. Van deze laatste periode dateren zijn bijzonder belangwekkende verslagen van het proces achter gesloten deuren tegen Galanskov en Ginzburg. Voor hun protest tegen de eerdere veroordeling van hun collega’s Daniel en Sinjavski werden deze schrijvers veroordeeld tot straffen van respectievelijk zeven en vijf jaar dwangarbeid. Van het Reve spaarde stem noch papier om in het Westen ruchtbaarheid aan deze affaire te geven. Vanzelfsprekend kwam dit zijn relatie met de Sovjetautoriteiten niet ten goede.

Sindsdien was Van het Reve verloren voor de zaak van de sovjetdissidenten. Zijn sympathie voor hun ongelijke strijd bracht hem ertoe om in 1969 samen met Bezemer en de Amerikaanse politicoloog Peter Reddaway de Herzenstichting op te richten. Het doel was het omzeilen van de Sovjetcensuur, het middel was tamizdat (Russische uitgaven in het buitenland, die eventueel de Sovjet-Unie werden binnengesmokkeld). Tot de schrijvers die de Herzenstichting in het Westen gepromoot heeft behoren beroemdheden als Andrej Sacharov en Andrej Amalrik. In 1998 werd de stichting opgeheven. Enigszins voorbarig misschien, want in onze eeuw is de censuur in Rusland de facto niet helemaal afgeschaft, maar geprivatiseerd. In die zin dat weinig Russische uitgevers het wagen de Kremlinkobolden het vuur aan de schenen te leggen. Zo vond de intussen onschadelijk gemaakte Anna Politkovskaja in het grote Rusland niemand bereid om haar boek Poetins Rusland te publiceren.

De literatuurwetenschap

Kwestie van eens een eufemisme te gebruiken: Van het Reve liep niet altijd hoog op met de literatuurwetenschap. In zijn lezing Het raadsel der onleesbaarheid (1979) legde hij deze onder meer onnodig gebruik van moeilijk verstaanbare taal ten laste. Toch genoot hij als onderzoeker en zeker als spreker een goede reputatie. Niet bij iedereen echter, want hij was niet vies van een goed beargumenteerde aanval wanneer hij het met een collega oneens was. Nooit ad hominem, maar het noemen van namen of het gebruik van krachttermen als “literaire kwakzalver” schuwde hij niet. Dit laatste kan in verband gebracht worden met zijn lovenswaardige eigenschap om zich uitstekend te kunnen ergeren aan platitudes, gemeenplaatsen en als zinvol gepresenteerde onzin. Van het Reve zul je dan ook niet licht kunnen betrappen op een bijdrage tot het romantische discours over de zogenaamde Russische ziel, die sinds de negentiende eeuw als pseudoverklaring moet dienen voor wat in Rusland moeilijk te verklaren is.

Bovenal wordt Van het Reve in zijn vakgebied herinnerd als uitermate bedreven in het vulgariseren van zijn liefdevolle kennis over de Russische literatuur. Vooral die van vóór “de staatsgreep van 1917”. Hij was verslingerd aan Poesjkin, Toergenjev en Tsjechov. Voor Tolstoj had hij groot respect, maar wees wel op het opdringerig karakter van zijn proza. Van Dostojevski was hij een bewonderaar sui generis: de boevenstreken van zijn helden vond hij weinig interessant, de deugden van zijn min of meer heilige figuren niet opwindend, de intrige van zijn boeken uiterst banaal, melodramatisch en onwaarschijnlijk, hij was evenmin onder de indruk van de passages met abstract gefilosofeer, maar over de combinatie van dit alles was hij dan weer wel (matig) enthousiast.

Dat zijn vakgebonden publicaties nog steeds graag gelezen worden heeft veel te maken met het feit dat hij ook hier liever dan kille objectiviteit na te streven zijn ongezouten mening gaf, en deze steeds begrijpelijk en gevat verwoordde. Getuige hiervan zijn onderhoudende Geschiedenis van de Russische literatuur. Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov (1985), die ondanks of dankzij zijn anekdotisch karakter tot op de dag van vandaag slavisten en leken aanspreekt. Dat Van het Reve zelfs in een strikt wetenschappelijke tekst grappig uit de hoek durft komen bleek eerder uit zijn proefschrift, waarin hij bijvoorbeeld betoogt dat met de logica van de stalinistische taalwetenschap zelfs bewezen kan worden dat de mens geen blinde darm heeft.

Een andere verdienste van Karel van het Reve als slavist is dat hij zich inzette om de kwaliteit van de literaire vertalingen uit het Russisch te verbeteren. Niet enkel door zelf het goede voorbeeld te geven en in zijn essays en recensies ruimschoots aandacht te besteden aan de door critici in de regel verwaarloosde vertaalproblematiek, maar ook door veel met zijn studenten te vertalen. Bijzonder inspirerend was het vertaalcollege dat hij na zijn emeritaat inrichtte.

Twee romans

Behalve tal van vakgebonden artikelen, essays, recensies, columns en tv-kritieken schreef Van het Reve ook twee romans: Twee minuten stilte (1959) en Nacht op de kale berg (1961). Beide zijn verdienstelijk, maar de eerste meer dan het tweede. Het is een uitgesproken academische sleutel-detectiveroman over het ontrafelen van de moord op een hoogleraar in de fictieve Slobodische letteren, waarvoor Becker model stond. Over zijn dood merkt het hoofdpersonage op: “Het sterven van een superieur, hoe bemind ook, brengt echter welhaast onvermijdelijk een zekere vreugde met zich mee, een gevoel van bevrijding, dat zich laat veroordelen, maar niet ontkennen.” Behalve uit ironische knipoogjes, pijnlijke elleboogstoten en een absurde intrige put deze roman zijn charme uit prachtzinnen als “Dora was nogal dik, en eerst meende ik dat het die dikte was die aan haar afwezigheid iets noodlottigs verleende”. Van het Reve’s tweede roman, over de oprichting van een sekte, heeft eveneens een detectiveachtige inslag, maar is net iets te gekunsteld om geheel te ontsnappen aan saaiheid. Het is niet in fictie dat het talent van de auteur zich het best openbaart.

Voor- en nadelen van het verzameld werk

Uiteraard heeft de volledige verzameling van werken als concept behalve als naslagwerk, eerbetoon aan de auteur en keurig opvulsel voor boekenkasten de onnavolgbare verdienste een niet gemanipuleerd totaalbeeld van de auteur op te leveren. Tenminste als het ook gelezen wordt van a tot z. Er zijn echter ook schaduwzijden aan verbonden, en ook al zijn die bij van het Reve beperkt, toch ontsnapt hij er niet aan. De idee dat alles wat een man geschreven heeft bijeengebracht en gepubliceerd moet worden, zorgt er namelijk voor dat een aantal zaken het licht zien die misschien even goed achterwege gelaten kunnen worden. Het gaat niet zozeer om zijn jeugdschrijfsels, want zelfs die hebben enige literaire waarde en zijn bovendien van belang om de ideologische evolutie van de kindcommunist naar de vrijdenkende intellectueel te kunnen volgen. Wel betreft het hier minder belangwekkende passages, zoals de voorgekauwde grappen die van het Reve gehoord heeft en navertelt. Het zijn moppen van het type ‘er waren eens drie…’, en ook al hebben ze in de regel een maatschappijkritische boodschap, ze ontgoochelen. Het is aan de eeuwige zweem van ironie van de auteur te danken dat de haren die de neiging hebben rechtop te gaan staan toch blijven liggen.
Een tweede neveneffect van het verzameld werk is dat de aandachtige lezer af en toe geconfronteerd wordt met een Karel van het Reve die – zoals de meesten van ons – oude gedachten en zinswendingen recycleert, of botter gesteld, in herhaling valt. Dit ondanks zijn eigen principe om over de Sovjet-Unie nooit iets mee te delen wat hij als gekend beschouwt. Daar staat tegenover dat precies de herhaling zij het een oppervlakkig, maar toch bijzonder inzicht verschaft in de auteur. Hierin openbaren zich namelijk zijn stokpaardjes en lievelingsformules. Zo meldt hij in delen 1 en 2 meermaals dat vazen in de Sovjet-Unie moeilijk te vinden zijn, dat het niet netjes is om je in een gesprek lovend uit te laten over je eigen land, dat ironie niet als geveinsdheid, maar als geveinsde geveinsdheid gedefinieerd moet worden en dat Stalin zichzelf “het grootste genie der mensheid” liet noemen. Ook blijkt zijn voorliefde voor het leenwoord ‘highbrow’, waarmee hij zelfingenomen intellectuelen aanduidt.

Slotbeschouwing met pointe

Hoewel de eerste twee delen van Karel van het Reve’s Verzameld werk bijzonder waardevolle bladzijden bevatten, moet het beste nog komen. Dat geduld een schone zaak is zullen we geweten hebben, want het verschijningsprogramma van de vijf volgende delen loopt tot het voorjaar van 2011. Behalve zijn opus magnum Geschiedenis van de Russische literatuur en een schat aan artikelen geschreven tussen 1969 en 1999 zullen deze beroemde essays bevatten als Het geloof der kameraden (1969) en De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen (1987). In het eerste zet hij de communisten, in het tweede de christenen in hun blootje.

Dat deze veelzijdige literator het anno 2009 verdient om herlezen te worden door wie hem dreigt te vergeten, maar ook om ontdekt te worden door nieuwe generaties lezers, staat buiten kijf. Er is niets dat hem achterhaald maakt. Tussen onszelf en Karel van het Reve ligt enkel maar tijd, en niets wordt bij het lezen van zijn werk gemakkelijker vergeten.

[Gepubliceerd in De leeswolf]
———–
Karel van het Reve. Verzameld werk
DEEL 1 Jeugdwerk, Autobiografische stukken, Sovjet-annexatie der klassieken (1954), Artikelen 1932-1958, Biografische schets door Robert van Amerongen. 831 p.
DEEL 2 Twee minuten stilte (1959), Nacht op de kale berg (1961), Rusland voor beginners (1962), Siberisch dagboek (1966), Artikelen 1959-1968. 960 p.

Laszlo Darvasi: De tranengoochelaars

Laszlo-Darvasi-De-tranengoochelaarsVan de Hongaar László Darvasi (1962), die weinig literaire genres links laat liggen, verschenen eerder in het Nederlands de verhalenbundels Het treurigste orkest van de wereld (1996) en De hondenjagers van Luoyang (2005). Met zijn originele debuutroman De tranengoochelaars doet hij eer aan zijn reputatie een rasverteller te zijn – vooral dan in de zin dat hij uitmunt in het weergaloos verwoorden van verbeeldingsvol gezwam.

Het web van fabelachtige verhaaltjes – of de legende, zoals de auteur het wil – plaatst de lezer in een naargeestig magisch-realistisch universum dat geïnspireerd is op het zestiende en zeventiende-eeuwse Midden-Europa ten tijde van de Ottomaanse bezetting en de Balkanoorlogen.

Te pas en te onpas in het geteisterde landschap duiken de zogenaamde tranengoochelaars op. Het zijn mysterieuze mannen die met een krakkemikkige huifkar het land doortrekken, verhalen vertellen en troost bieden door met hun tranen kunstjes te vertonen. Niemand weet waar ze eigenlijk op uit zijn. Een ander hoofdpersonage is de wees Franz Pillinger, die zich wil aansluiten bij de Hongaarse opstandelingen. Verder wordt de bevreemdende wereld bevolkt door een etnisch en religieus bontgeschakeerde verzameling van ontelbare kleurrijke figuren uit allerhande standen en van verschillend allooi: van pasja’s en edellieden tot simpele ambachtslui, van spionnen en hoeren tot priesters. Ook sprookjesachtige creaturen als dwergen, engelen, elfjes en de dood zijn van de partij. Het meest memorabel is wellicht de vulvatovenares Irina de Notenkraker, die met beren slaapt en onverstoorbaar gelooft “dat ze met haar kutvlees alles kan breken: notendoppen, amandelen, houten kogels, stukjes glas, spijkers en de hoogmoedige trots van de mannelijkheid.”

Darvasi geeft vrijwel iedereen een naam en een gezicht, bericht kort over de opvallendste levensepisodes en eigenschappen van het geviseerde personage, volgt het enkele bladzijden op zijn pad, om uiteindelijk de belangstelling voor hem te verliezen en van personage te wisselen, of uit te zoomen naar grootschalige gebeurtenissen – al dan niet met een historisch karakter. De beeldrijk beschreven oorlogen, opstanden, epidemieën en wreedheden lopen als een stinkende rode draad doorheen de legende. Ook baadt de roman in een spiritualistisch sfeertje – wat de auteur niet weerhoudt om bij tijd en wijle de scatologische toer op te gaan.

Toch ontbreekt in De tranengoochelaars de noodzakelijke samenhang en vooral interne dynamiek om de lezer langdurig te boeien. Het voortdurend wisselen der personages en het jongleren met de tijdslijn doen de aandacht verslappen. De vaak geslaagde poëzie en humoristische beschouwingen worden niet geruggensteund door een interessante intrige en blijven hangen in het luchtledige. Bovendien is van uitgediepte ideeën weinig of geen sprake. Met deze eigenschappen kan de tekst in zijn geheel beschouwd moeilijk uitgroeien tot méér dan een eigenzinnige postmodernistische spielerei, die net iets minder intrigerend is dan irritant.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

‘Zaagmeel zijn wij.’ Aleksej Ivanov: De man die zijn wereld opdronk

De Russische bestsellerauteur Aleksej Viktorovitsj Ivanov werd geboren in 1969 in Gorki, maar woonde het overgrote deel van zijn leven in de industriestad Perm. In het begin van de jaren 1990 publiceerde hij enkele fantasy-verhalen – evenwel zonder het verhoopte succes. Hierna oefende hij een veelheid aan beroepen uit, waaronder journalist, leraar en gids. Zijn doorbraak in de Russische literatuur bereikte Ivanov in 2003 met zijn historische roman Het hart van Parma (Serdtse Parmy), die in Rusland bedolven werd onder de lofbetuigingen. Vandaar dat hij een jaar later de kans kreeg om zijn boek De man die zijn wereld opdronk (Geograf propil globus), dat nota bene in 1998 door alle aangeschreven uitgeverijen geweigerd was, alsnog aan de man te brengen.

De basisgedachte van deze roman – tevens de enige grote gedachte die het boek rijk is – wordt treffend weergegeven door het motto ‘Zaagmeel zijn wij’. Dit citaat van de Poolse schrijver Stanisław Lem, dat de mens voorstelt als tot niets in staat, wordt met verve geïncarneerd door het paljasachtige hoofdpersonage, Viktor Sloezjkin.

Sloezjkin is een jonge bioloog die bij gebrek aan concurrerende kandidaten op een provincieschool wordt aangenomen als leraar aardrijkskunde. Hij is getrouwd met Nadja, die hem veracht en de toegang tot het echtelijke bed ontzegt. Dit brengt hem ertoe haar te koppelen aan zijn beste vriend Hokker, die zijn ambitieuze en succesvolle tegenpool vormt. Ondertussen lijdt Sloezjkin zelf seksuele ontbering. Het ontbreekt hem immers aan wilskracht om in te gaan op de avances van de bedrogen echtgenotes van zijn vrienden. Bovendien is hij doorgaans te dronken om te presteren.

Op school komt Sloezjkins gebrek aan talent voor het leven tot uiting in zijn fenomenale incompetentie om de orde te handhaven, wat de relatie met zijn collega’s verzuurt. Vertroosting vindt hij in zijn eigen flauwe grappen, misplaatste oneliners, drinkgelagen en natuurwandelingen. Ook zijn leerlingen bieden hem soelaas. Hoewel ze zijn les terroriseren, getroost hij zich weinig moeite om bij hen in de smaak te vallen. Dit doet hij door systematisch van de leerstof af te dwalen, zelfgeschreven poëzie voor te dragen en zijn leerlingen mee te nemen op onverantwoorde natuurexpedities in onontgonnen streken van Rusland.

Naarmate zijn persoonlijke relaties een mislukking blijken, raakt Sloezjkin steeds meer in de ban van zijn knapste leerlinge, de veertienjarige Masja. Wat uit had kunnen groeien tot een platonische liefde loopt echter af op een sisser: hij kan zijn handen niet thuishouden en wordt op heterdaad betrapt door de hoofddocent, die tot overmaat van ramp de moeder van Masja blijkt te zijn. De excentrieke geografieleraar wordt de laan uitgestuurd, in de richting van “een lichte en stralende woestijn van eenzaamheid”.

Met dit autobiografisch getint proza heeft Ivanov een afgekookte eigentijdse variatie geschreven op het negentiende-eeuwse thema van de overtollige mens, waarvan Gontsjarovs lijvige geesteskind Oblomov een voorvader is. Wat echter ontbreekt in dit zoveelste portret van een vleesgeworden zak zaagmeel, is de psychologische analyse van de antiheld in kwestie. Kennelijk is het Ivanov enkel te doen om de uiterlijke symptomen van het Oblomovisme van Sloezjkin, en niet om de oorzaken of de innerlijke beleving ervan. De roman moet het dus vooral hebben van de intrieste inertie van een hansworst, die bovendien iedere gave tot zelfbeschouwing mist. Vanzelfsprekend wordt hierdoor de tolerantie van de lezer enigszins op de proef gesteld.

Dit euvel wordt slechts magertjes gecompenseerd door de licht verteerbare, soms humoristische stijl waarin de roman geschreven is. Overigens spreekt de verteller in de derde persoon enkelvoud, met uitzondering van de ruim honderd pagina’s die verhalen over Sloezjkins grootschalige expeditie: in dit hoofdstuk versmelt de stem van de verteller met die van de protagonist. Wellicht omdat Sloezjkin zijn avontuurlijke onderneming intens beleeft en er zowel zijn hoogte- als dieptepunten kent. Men zou de tocht bijna een Bildungsreise kunnen noemen, ware het niet dat hij er niet tot ontwikkeling komt.
De sterkste kant van dit boek wordt onmiskenbaar gevormd door de originele weer- en landschapbeschrijvingen, die de auteur in naam van de natuurvriend Sloezjkin neerschrijft. Daarbij wordt veelvuldig gebruik gemaakt van personificatie, zoals: “gevallen bladeren dreven in de goot als verscheurde brieven, waarin de zomer uitlegde waarom zij naar het andere halfrond was ontsnapt”, “De beide dorpen Retsjniki lagen te midden van de overblijfselen van de winter, met daarboven, als een badende vrouw, een schaamteloze lichtblauwe hemel” of “De wolken zijn met hun zwarte onderbuiken en grijze haarplukken opzij in hopen bij elkaar geharkt”.

Op de achterflap van deze uitgave wordt de auteur een vertegenwoordiger genoemd van de Russische ‘Generation-X’, een westerse term die door zijn vele betekenissen al even problematisch als welklinkend is. Wellicht wordt bedoeld dat het werk van Ivanov gekenmerkt wordt door een ongezouten cynische houding tegenover de waarden en het engagement van de voorgaande generaties. Uit De man die zijn wereld opdronk blijkt inderdaad dat hij nog steeds een rekening te vereffenen heeft met het sovjetverleden. Zo neemt hij in een flashback de lezer terug naar de tijd waarin Sloejzkin zelf een schooljongen was, en de begrafenisplechtigheid van Brezjnjev profaneerde door in plaats van een requiem muziek van ABBA te laten weerklinken.

In een poging om de verkoop te maximaliseren gaat uitgeverij Meulenhoff er verder prat op dat Ivanov vergeleken wordt met Michel Houellebecq, het enfant terrible van de hedendaagse Franse letteren. Deze vergelijking is inderdaad mogelijk, maar de Rus komt er niet ongehavend uit. Een eerste opvallend verschil – wellicht niet onbelangrijk voor de gemiddelde Houellebecq-fan – is dat Ivanov een aanzienlijk minder libidineuze pen heeft dan de Fransman, misschien omdat hij in de wodka is gedrenkt (Sloezjkin verkiest de alcoholroes boven seksuele extase).

Waar Houellebecq gemakkelijk toegankelijk is voor een internationaal publiek, nestelt Ivanov zich bovendien behaaglijk in de schoot van zijn moederland – wat zich onder meer uit in veelvuldige referenties aan de Russische cultuur. Ivanov verwacht bijvoorbeeld van zijn lezer dat hij het Russische spreekwoord ‘Een ongenode gast is erger dan een Tataar’ kent, weet wie (de opstandeling) Poegatsjov en (de bard) Vysotski waren en ook (de slag bij) Borodino kan plaatsen. Bovendien houdt hij zich te pas en te onpas bezig met al dan niet subtiele woordspelingen. Zo legt hij de volgende woorden in de mond van zijn held: “Viktor Sergejevitsj Sloezjkin, de naam zegt het al: dienstbaar voor elk paar.” In dit geval wordt er een allusie gemaakt op het Russische werkwoord voor ‘dienen’ (‘sloezjit’), dat vervat zit in de familienaam van de protagonist. Het driekoppige team van vertalers heeft getracht om de cultuurbarrière in enige mate te overwinnen en de brontekst dichter bij het doelpubliek te brengen. Hiervoor werden bijvoorbeeld tal van Russische sprekende eigennamen en bijnamen vertaald met een Nederlands equivalent, wat personages oplevert als ‘Kwartlitertje’, ‘Beschuitje’ en ‘Zonderhoop’. Dat de vertalers zich bij het naturaliseren van de roman – tot spijt van wie het benijdt – eerder een Hollandse dan een Vlaamse lezer voor ogen hielden, manifesteert zich in bevreemdende woordkeuzes als ‘peuren’, ‘sodeju’ en ‘tiepmiep’.

Het meest fundamentele verschil tussen Ivanov en Houellebecq is echter dat de eerstgenoemde filosofische diepgang mist en niet in staat blijkt om scherpe maatschappelijke analyses te maken. In dit opzicht kan de Rus misschien beter vergeleken worden met Houellebecq in de hoedanigheid van regisseur, die voor de verfilming van zijn eigen roman La possibilité d’une île door critici saaiheid ten laste wordt gelegd. Overigens doen de meeste hoofdstukken van De man die zijn wereld opdronk denken aan uittreksels uit een filmscenario: ze zijn beperkt in omvang, bestaan grotendeels uit visualiseerbare beschrijvingen en dialogen, en eindigen dikwijls op een clou of cliffhanger. De vraagt stelt zich dan ook of de auteur zich niet van medium vergist heeft. In ieder geval wordt van de roman in kwestie in Rusland momenteel een vierdelige tv-serie gemaakt.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Zwanger van de dood. Oksana Zaboezjko: Veldonderzoek naar Oekraïense seks

Het ligt voor de hand om een kritisch stuk over een literaire vertaling uit het Oekraïens – wat een zeldzaamheid is – in te leiden met een al dan niet welgemeende jeremiade over de nog steeds gebrekkige bekendheid die de Oekraïense literatuur bij ons, en ook wel bij anderen, geniet. Hier zou wel enige nuance bij moeten worden geplaatst, want tenslotte krijgt een hedendaagse Oekraïense schrijver als Andrej Koerkov in het westen behoorlijk wat krediet (hij schrijft natuurlijk wel in het Russisch, dus zo Oekraïens is hij misschien ook weer niet; een volbloed Oekraïener mét Europese aftrek is bijvoorbeeld Joeri Androechovytsj, maar die is dan weer een stuk minder populair). Omdat de perifere positie van de Oekraïense cultuur artistiek gethematiseerd wordt in Veldonderzoek naar Oekraïense seks, en een echo van geweeklaag en tandengeknars hierover sowieso zal weerklinken in de bespreking van dit boek, kan zulk een aanloop echter probleemloos achterwege worden gelaten.

Oksana Stepanovna Zaboezjko werd geboren in 1960 in Loetsk, één van de oudste steden van de Oekraïne. Aan de Kiëvse Sjevtsjenko-universiteit studeerde ze filosofie, waarin ze in 1987 promoveerde met een proefschrift over esthetiek in de lyriek. Haar postdoctorale loopbaan ving aan in het Filosofisch Instituut van de Oekraïense Academie der Wetenschappen, maar bracht haar na de implosie van de Sovjet-Unie in de Verenigde Staten. In de eerste helft van de jaren ’90 gaf ze, ook in de hoedanigheid van schrijfster, colleges over de Oekraïense cultuur aan de Pennstate-universiteit, de Harvard-universiteit en de Universiteit van Pitssburg.

Parallel met haar academisch bestaan onderhield Zaboezjko een liefdesrelatie met het geschreven Oekraïense woord. Op amper vijfentwintigjarige leeftijd publiceerde ze haar eerste dichtbundel. Ook werkte ze in eigen land als columnist voor enkele toonaangevende tijdschriften. In 1992 verscheen haar eerste prozabundel, ‘De buitenaardse vrouw’. Twee jaar later kreeg ze als dichteres erkenning met haar bundel ‘Autostop’. Als prozaschrijfster doorbreken, en daar mag men zich iets gewelddadigs bij voorstellen, deed ze in 1994 met haar debuutroman Veldonderzoek naar Oekraïense seks. Sindsdien is haar stem in het literaire en maatschappelijke debat van de Oekraïne niet meer weg te denken. Dit heeft niet in het minst te maken met het feit dat Zaboezjko zich als intellectueel niet te beroerd voelt om zich uit te spreken over politieke kwesties. Zo ontpopte ze zich in 2004 als een gedreven voorvechtster van de zogenaamde Oranje Revolutie.

Enkele jaren geleden werd Veldonderzoek naar Oekraïense seks door de Oekraïeners in een poll uitgeroepen tot “het meest invloedrijke boek in de 15-jarige onafhankelijkheid”. Na vijftien herdrukken hoeft de invloed niet langer beperkt te blijven tot de Oekraïne, want ondertussen is het boek beschikbaar in een groot aantal Centraal- en Oost-Europese talen. In een tweede beweging blijft ook de westerse markt niet gespaard van dit angry-young-woman-relaas. Onlangs verschenen vertalingen in het Duits, Zweeds en Italiaans. Vandaag is het onze beurt, wat we te danken hebben aan de prijzenswaardige vertaalarbeid van Helen Saelman en Marina Snoek.

Zaboezjko’s eersteling heeft geen echt plot. Het is geschreven als een lange, soms langdradige stream of consciousness. De lezer zit gevangen in het getormenteerde hoofd van de protagoniste Oksana – wat dankzij haar schalkse intelligentie verbazend bevrijdend werkt. Zij is een autobiografisch gekleurde Oekraïense academica/dichteres in de VS – dat beschouwd wordt als het nec plus ultra van de westerse beschaving –, die een mislukte relatie met een Oekraïense kunstenaar probeert te verwerken. Zonder hierin al te best te slagen.

Bij wijze van denkoefening, of misschien is het een kwestie van beroepsmisvorming, beeldt Oksana zich in een voordracht te houden voor een publiek van Amerikaanse academici. Op een meestal nuchtere en soms mythisch-religieuze wijze behandelt ze culturele, historische, maatschappelijke en existentiële kwesties. Meestal gaat het over trauma’s.

Het brandpunt van de verbeelde lezing is de relatie tussen man en vrouw. In Zaboezjko’s universum is die bijzonder gecompliceerd. Op sommige bladzijden legt Oksana een grote vrijheidsdrang aan de dag, en lijkt ze te beschikken over een sterke persoonlijkheid. Elders lijkt ze echter bereid om zich met een dochterlijke onderdanigheid aan de man te onderwerpen, in ruil voor een kruimeltje integere liefde. Want “zonder de liefde wordt alles – kinderen, gedichten, schilderijen – zwanger van de dood”.

Bijzondere aandacht besteedt Zaboezjko ook aan de nationale identiteit van de Oekraïne, wat – zoals gesuggereerd werd in de overtollige inleiding van dit stuk – vaak gepaard gaat met een zelfmedelijdend discours over haar “geslagen volk”, of over haar in de schaduw gestelde moedertaal. Zo benadrukt ze bij monde van haar protagoniste met hartstochtelijke verontwaardiging dat Gogol bij zijn leven geen andere keuze had dan in het Russisch te schrijven. In het Oekraïens schrijven in het heden wordt geëvalueerd – ten onrechte, zo is gebleken – als “ongeveer de minst vruchtbare bezigheid onder de zon”.

De schrijfstijl van de roman, zonder twijfel het opvallendste tekstkenmerk, houdt nauw verband met de vorm van de monologue intérieur. Begin en einde van eenzelfde zin worden soms door ettelijke pagina’s, bestaande uit onderbrekingen, bedenkingen, dialogen, heterolinguïstische tussenvoegsels en dichtregels, van elkaar gescheiden. Zaboezjko’s taal is een ongestructureerd weefsel van academische retoriek, spreektaal en idiosyncratische, vaak neologische zegswijzen. De associatieve gedachtegang is zo volmaakt weergegeven dat de lezer deze logica al te gemakkelijk internaliseert, en het zelf soms moeilijk heeft om zijn gedachten bij de tekst te houden.

Belangrijk om weten is dat wie zich als liefhebber van het erotische genre bij de aankoop van dit boek laat leiden door de prikkelende, commercieel verantwoordde titel, niet aan zijn gerief komt. De auteur mag dan wel een ‘enfant terrible’ genoemd worden, ze is verre van de Houellebecq van de Oekraïense vrouwen; haar roman bevat geen enkele passage waarvan onze oortjes gaan flapperen.

Toch is seksualiteit in dit werk prominent aanwezig, zij het steeds in een onaangename, vaak zelfs onappetijtelijke context. De protagoniste, die zichzelf omschrijft als een “castrerende feeks met een bankschroef in de schoot”, is nl. mal baisée. Ze was dit tijdens haar relatie, en is dit ook op het ogenblik dat ze haar denkbeeldig discours op de lezer afvuurt.

Haar frustratie is enerzijds te wijten aan een medisch probleem, painful intercourse, anderzijds aan het zelfingenomen mannetjesdiertje, dat enkel op zijn eigen genot uit is. Post factum wrijft ze dit haar ex aan: “Vind je echt dat als je een stijve kunt krijgen en ook nog niet ogenblikkelijk klaarkomt, dat je dan al een koning bent en dat een vrouw moet kronkelen en kokend vocht spuiten?”. Onder andere door in dit soort passages aandacht op te eisen voor het genot van de vrouw heeft Zaboezjko een cassante bijdrage geleverd tot de opleving van het feministische bewustzijn in de Oekraïne. Dit kan overdreven klinken, maar men mag niet vergeten dat het privilege om het woord ‘clitoris’ in de mond te nemen in de sovjettijd gereserveerd was voor auteurs van anatomische werken.

Behalve over de prestaties van haar ex, is Oksana ontevreden over haar eigen lichaam. Meedogenloos voor anderen, maar ook voor zichzelf als ze is, beschrijft ze in een beeldende taal de degradatie van haar borsten tot ingezakt gistdeeg, met afstotelijke vlekjes bezaaid en met tepelhoven die steeds meer gaan lijken op “de bruine huid van een verschrompelde perzik”. Wanneer op het einde van de roman dan ook nog eens gezinspeeld wordt op incest, verliest de lezer zijn laatste restje geloof in de positieve waarde van seksualiteit.

Veldonderzoek naar Oekraïense seks prikkelt dus de geest, maar niet de zinnen – en dit eerder op een afleidende dan meeslepende wijze. Als lezer ben je je ervan bewust dat Oksana Zaboezjko een interessant vormexperiment tot een goed einde heeft gebracht, maar om de zeven bladzijden bekruipt je de zin om het boek weg te leggen en iets anders te gaan doen (bv. bladeren harken). Dat is nu eenmaal het risico van plotloosheid en vrije associatie. De warrige structuur van het discours wordt niet verholpen door het academische sausje. De consciëntieuze recensent volhardt en wordt hiervoor povertjes beloond met hier en daar een intrigerende gedachte of een smeuïge sneer, maar die wordt al snel weer ondergesneeuwd door het gefragmenteerde gemekker van de ongelukkige protagoniste. Overigens zijn de onderwerpen die zij aansnijdt – (nationale) identiteit, relaties, seksualiteit, literatuur – op zich meer dan belangwekkend genoeg. Toch zal deze roman in onze contreien geen grote invloed uitoefenen. Daarvoor is de vorm te vernieuwend en het feminisme van de auteur, te oordelen naar onze hedendaagse normen, niet vernieuwend genoeg.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Ladislav Klima: Het lijden van vorst Sternenhoch

Van de wijsgeren die de moderne Europese beschaving heeft voortgebracht – al dan niet in weerwil van zichzelf – zijn velen excentriek, maar weinigen in dezelfde mate als Ladislav Klíma (1878-1928). Zijn excentriciteit blijkt niet alleen uit deze groteske roman zelf, maar ook uit het verhelderende nawoord van de vertaler Kees Mercks, die naar goede gewoonte met groot talent een volgend kunstwerk van de Tsjechische literatuur voor ons ontsluierd heeft.

Klíma werd geboren in westelijk Bohemen. In zijn jongvolwassenheid verloor hij zijn moeder aan tyfus, waarna hij onhandelbaar werd. Naar aanleiding van een opstel tegen kerk en staat werd hij van school gestuurd. Zijn intellectuele ontwikkeling zette hij op eigen houtje verder. Boven een kapitalistisch levensproject gaf hij de voorkeur aan armoede. Tegenover de burgerlijke idealen plaatste hij de Absolute Wil, die hij trachtte te bewijzen door bijvoorbeeld bedorven voedsel te eten. Hij geloofde dat de mens zich door dit soort zelfgekozen, absurd lijden kan verheffen tot übermensch. Van zijn voluntaristische, subjectief idealistische filosofie is Het lijden van vorst Sternenhoch doordrenkt.

Deze halfironische, halfernstige horrorroman bestaat uit drie delen, die vooraf gegaan worden door een voorwoord. Hierin stelt de fictieve uitgever de tekst van de twee erop volgende delen voor als een geïntellectualiseerde weergave van het manuscrit trouvé van vorst Sternenhoch, een vertrouweling van de Habsburgse keizer en antiheld zonder gelijke. In het laatste deel worden zijn plots afgebroken dagboeknotities aangevuld met een reconstructie van het verdere verloop van de gebeurtenissen vanwege de uitgever, die nu optreedt als alwetende verteller.

De aantekeningen verhalen hoe Sternenhoch verliefd wordt op een vrouw die hem afschuw inboezemt, Helga, en zich van haar verachting verzekert door haar tegen haar wil te huwen. Het huwelijk wordt slechts één keer geconsumeerd. Het kind dat hieruit voortkomt wordt door Helga eigenhandig vermoord. De vorst wordt steeds verliefder op zijn morbide echtgenote, die echter niets met hem te maken wil hebben. Aangezien ze er behalve haar panters geen minnaars op na houdt, en over duivelse krachten lijkt te beschikken, legt hij haar geen strobreed in de weg. Tot ze een passionele sm-relatie begint met een jonge adonis. Zijne doorluchtigheid neemt haar gevangen en laat haar, nadat hij haar gemarteld en zichzelf op haar gezicht ontlast heeft, langzaam wegrotten. Hier begint het lijden van vorst Sternenhoch: hij wordt geplaagd door spookverschijningen van Helga, die zijn verstand aantast door hem doodsangst in te boezemen, maar hem uiteindelijk helpt om zijn goddelijke potentie in het kosmische bestel waar te maken.

Een weldenkende kapitalistische democratie als de onze heeft voortdurend nood aan geestelijke ontburgerlijking. Met impertinenties als misantropie, infanticide, patricide, sadomasochisme, scatologie, bestialiteit en necrofilie kan Het lijden van vorst Sternenhoch hiertoe een steentje bijdragen. Daarnaast is dit boek, dat schatplichtig is aan schrijvers als Sade, Hoffman, Poe, Baudelaire en Dostojevski, en dat op zijn beurt grote invloed heeft uitgeoefend op Hrabal, ook ontzettend sfeervol en geestig. Bijzonder amusant is bijvoorbeeld Klíma’s satire op de Habsburgse staatslieden. Als filosofische roman is dit onverlicht werk dan weer een bevreemdend curiosum.