Zwanger van de dood. Oksana Zaboezjko: Veldonderzoek naar Oekraïense seks

Het ligt voor de hand om een kritisch stuk over een literaire vertaling uit het Oekraïens – wat een zeldzaamheid is – in te leiden met een al dan niet welgemeende jeremiade over de nog steeds gebrekkige bekendheid die de Oekraïense literatuur bij ons, en ook wel bij anderen, geniet. Hier zou wel enige nuance bij moeten worden geplaatst, want tenslotte krijgt een hedendaagse Oekraïense schrijver als Andrej Koerkov in het westen behoorlijk wat krediet (hij schrijft natuurlijk wel in het Russisch, dus zo Oekraïens is hij misschien ook weer niet; een volbloed Oekraïener mét Europese aftrek is bijvoorbeeld Joeri Androechovytsj, maar die is dan weer een stuk minder populair). Omdat de perifere positie van de Oekraïense cultuur artistiek gethematiseerd wordt in Veldonderzoek naar Oekraïense seks, en een echo van geweeklaag en tandengeknars hierover sowieso zal weerklinken in de bespreking van dit boek, kan zulk een aanloop echter probleemloos achterwege worden gelaten.

Oksana Stepanovna Zaboezjko werd geboren in 1960 in Loetsk, één van de oudste steden van Oekraïne. Aan de Kiëvse Sjevtsjenko-universiteit studeerde ze filosofie, waarin ze in 1987 promoveerde met een proefschrift over esthetiek in de lyriek. Haar postdoctorale loopbaan ving aan in het Filosofisch Instituut van de Oekraïense Academie der Wetenschappen, maar bracht haar na de implosie van de Sovjet-Unie in de Verenigde Staten. In de eerste helft van de jaren ’90 gaf ze, ook in de hoedanigheid van schrijfster, colleges over de Oekraïense cultuur aan de Pennstate-universiteit, de Harvard-universiteit en de Universiteit van Pitssburg.

Parallel met haar academisch bestaan onderhield Zaboezjko een liefdesrelatie met het geschreven Oekraïense woord. Op amper vijfentwintigjarige leeftijd publiceerde ze haar eerste dichtbundel. Ook werkte ze in eigen land als columnist voor enkele toonaangevende tijdschriften. In 1992 verscheen haar eerste prozabundel, ‘De buitenaardse vrouw’. Twee jaar later kreeg ze als dichteres erkenning met haar bundel ‘Autostop’. Als prozaschrijfster doorbreken, en daar mag men zich iets gewelddadigs bij voorstellen, deed ze in 1994 met haar debuutroman Veldonderzoek naar Oekraïense seks. Sindsdien is haar stem in het literaire en maatschappelijke debat van de Oekraïne niet meer weg te denken. Dit heeft niet in het minst te maken met het feit dat Zaboezjko zich als intellectueel niet te beroerd voelt om zich uit te spreken over politieke kwesties. Zo ontpopte ze zich in 2004 als een gedreven voorvechtster van de zogenaamde Oranje Revolutie.

Enkele jaren geleden werd Veldonderzoek naar Oekraïense seks door de Oekraïeners in een poll uitgeroepen tot “het meest invloedrijke boek in de 15-jarige onafhankelijkheid”. Na vijftien herdrukken hoeft de invloed niet langer beperkt te blijven tot de Oekraïne, want ondertussen is het boek beschikbaar in een groot aantal Centraal- en Oost-Europese talen. In een tweede beweging blijft ook de westerse markt niet gespaard van dit angry-young-woman-relaas. Onlangs verschenen vertalingen in het Duits, Zweeds en Italiaans. Vandaag is het onze beurt, wat we te danken hebben aan de prijzenswaardige vertaalarbeid van Helen Saelman en Marina Snoek.

Zaboezjko’s eersteling heeft geen echt plot. Het is geschreven als een lange, soms langdradige stream of consciousness. De lezer zit gevangen in het getormenteerde hoofd van de protagoniste Oksana – wat dankzij haar schalkse intelligentie verbazend bevrijdend werkt. Zij is een autobiografisch gekleurde Oekraïense academica/dichteres in de VS – dat beschouwd wordt als het nec plus ultra van de westerse beschaving –, die een mislukte relatie met een Oekraïense kunstenaar probeert te verwerken. Zonder hierin al te best te slagen.

Bij wijze van denkoefening, of misschien is het een kwestie van beroepsmisvorming, beeldt Oksana zich in een voordracht te houden voor een publiek van Amerikaanse academici. Op een meestal nuchtere en soms mythisch-religieuze wijze behandelt ze culturele, historische, maatschappelijke en existentiële kwesties. Meestal gaat het over trauma’s.

Het brandpunt van de verbeelde lezing is de relatie tussen man en vrouw. In Zaboezjko’s universum is die bijzonder gecompliceerd. Op sommige bladzijden legt Oksana een grote vrijheidsdrang aan de dag, en lijkt ze te beschikken over een sterke persoonlijkheid. Elders lijkt ze echter bereid om zich met een dochterlijke onderdanigheid aan de man te onderwerpen, in ruil voor een kruimeltje integere liefde. Want “zonder de liefde wordt alles – kinderen, gedichten, schilderijen – zwanger van de dood”.

Bijzondere aandacht besteedt Zaboezjko ook aan de nationale identiteit van de Oekraïne, wat – zoals gesuggereerd werd in de overtollige inleiding van dit stuk – vaak gepaard gaat met een zelfmedelijdend discours over haar “geslagen volk”, of over haar in de schaduw gestelde moedertaal. Zo benadrukt ze bij monde van haar protagoniste met hartstochtelijke verontwaardiging dat Gogol bij zijn leven geen andere keuze had dan in het Russisch te schrijven. In het Oekraïens schrijven in het heden wordt geëvalueerd – ten onrechte, zo is gebleken – als “ongeveer de minst vruchtbare bezigheid onder de zon”.

De schrijfstijl van de roman, zonder twijfel het opvallendste tekstkenmerk, houdt nauw verband met de vorm van de monologue intérieur. Begin en einde van eenzelfde zin worden soms door ettelijke pagina’s, bestaande uit onderbrekingen, bedenkingen, dialogen, heterolinguïstische tussenvoegsels en dichtregels, van elkaar gescheiden. Zaboezjko’s taal is een ongestructureerd weefsel van academische retoriek, spreektaal en idiosyncratische, vaak neologische zegswijzen. De associatieve gedachtegang is zo volmaakt weergegeven dat de lezer deze logica al te gemakkelijk internaliseert, en het zelf soms moeilijk heeft om zijn gedachten bij de tekst te houden.

Belangrijk om weten is dat wie zich als liefhebber van het erotische genre bij de aankoop van dit boek laat leiden door de prikkelende, commercieel verantwoordde titel, niet aan zijn gerief komt. De auteur mag dan wel een ‘enfant terrible’ genoemd worden, ze is verre van de Houellebecq van de Oekraïense vrouwen; haar roman bevat geen enkele passage waarvan onze oortjes gaan flapperen.

Toch is seksualiteit in dit werk prominent aanwezig, zij het steeds in een onaangename, vaak zelfs onappetijtelijke context. De protagoniste, die zichzelf omschrijft als een “castrerende feeks met een bankschroef in de schoot”, is nl. mal baisée. Ze was dit tijdens haar relatie, en is dit ook op het ogenblik dat ze haar denkbeeldig discours op de lezer afvuurt.

Haar frustratie is enerzijds te wijten aan een medisch probleem, painful intercourse, anderzijds aan het zelfingenomen mannetjesdiertje, dat enkel op zijn eigen genot uit is. Post factum wrijft ze dit haar ex aan: “Vind je echt dat als je een stijve kunt krijgen en ook nog niet ogenblikkelijk klaarkomt, dat je dan al een koning bent en dat een vrouw moet kronkelen en kokend vocht spuiten?”. Onder andere door in dit soort passages aandacht op te eisen voor het genot van de vrouw heeft Zaboezjko een cassante bijdrage geleverd tot de opleving van het feministische bewustzijn in de Oekraïne. Dit kan overdreven klinken, maar men mag niet vergeten dat het privilege om het woord ‘clitoris’ in de mond te nemen in de sovjettijd gereserveerd was voor auteurs van anatomische werken.

Behalve over de prestaties van haar ex, is Oksana ontevreden over haar eigen lichaam. Meedogenloos voor anderen, maar ook voor zichzelf als ze is, beschrijft ze in een beeldende taal de degradatie van haar borsten tot ingezakt gistdeeg, met afstotelijke vlekjes bezaaid en met tepelhoven die steeds meer gaan lijken op “de bruine huid van een verschrompelde perzik”. Wanneer op het einde van de roman dan ook nog eens gezinspeeld wordt op incest, verliest de lezer zijn laatste restje geloof in de positieve waarde van seksualiteit.

Veldonderzoek naar Oekraïense seks prikkelt dus de geest, maar niet de zinnen – en dit eerder op een afleidende dan meeslepende wijze. Als lezer ben je je ervan bewust dat Oksana Zaboezjko een interessant vormexperiment tot een goed einde heeft gebracht, maar om de zeven bladzijden bekruipt je de zin om het boek weg te leggen en iets anders te gaan doen (bv. bladeren harken). Dat is nu eenmaal het risico van plotloosheid en vrije associatie. De warrige structuur van het discours wordt niet verholpen door het academische sausje. De consciëntieuze recensent volhardt en wordt hiervoor povertjes beloond met hier en daar een intrigerende gedachte of een smeuïge sneer, maar die wordt al snel weer ondergesneeuwd door het gefragmenteerde gemekker van de ongelukkige protagoniste. Overigens zijn de onderwerpen die zij aansnijdt – (nationale) identiteit, relaties, seksualiteit, literatuur – op zich meer dan belangwekkend genoeg. Toch zal deze roman in onze contreien geen grote invloed uitoefenen. Daarvoor is de vorm te vernieuwend en het feminisme van de auteur, te oordelen naar onze hedendaagse normen, niet vernieuwend genoeg.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Ladislav Klima: Het lijden van vorst Sternenhoch

Van de wijsgeren die de moderne Europese beschaving heeft voortgebracht – al dan niet in weerwil van zichzelf – zijn velen excentriek, maar weinigen in dezelfde mate als Ladislav Klíma (1878-1928). Zijn excentriciteit blijkt niet alleen uit deze groteske roman zelf, maar ook uit het verhelderende nawoord van de vertaler Kees Mercks, die naar goede gewoonte met groot talent een volgend kunstwerk van de Tsjechische literatuur voor ons ontsluierd heeft.

Klíma werd geboren in westelijk Bohemen. In zijn jongvolwassenheid verloor hij zijn moeder aan tyfus, waarna hij onhandelbaar werd. Naar aanleiding van een opstel tegen kerk en staat werd hij van school gestuurd. Zijn intellectuele ontwikkeling zette hij op eigen houtje verder. Boven een kapitalistisch levensproject gaf hij de voorkeur aan armoede. Tegenover de burgerlijke idealen plaatste hij de Absolute Wil, die hij trachtte te bewijzen door bijvoorbeeld bedorven voedsel te eten. Hij geloofde dat de mens zich door dit soort zelfgekozen, absurd lijden kan verheffen tot übermensch. Van zijn voluntaristische, subjectief idealistische filosofie is Het lijden van vorst Sternenhoch doordrenkt.

Deze halfironische, halfernstige horrorroman bestaat uit drie delen, die vooraf gegaan worden door een voorwoord. Hierin stelt de fictieve uitgever de tekst van de twee erop volgende delen voor als een geïntellectualiseerde weergave van het manuscrit trouvé van vorst Sternenhoch, een vertrouweling van de Habsburgse keizer en antiheld zonder gelijke. In het laatste deel worden zijn plots afgebroken dagboeknotities aangevuld met een reconstructie van het verdere verloop van de gebeurtenissen vanwege de uitgever, die nu optreedt als alwetende verteller.

De aantekeningen verhalen hoe Sternenhoch verliefd wordt op een vrouw die hem afschuw inboezemt, Helga, en zich van haar verachting verzekert door haar tegen haar wil te huwen. Het huwelijk wordt slechts één keer geconsumeerd. Het kind dat hieruit voortkomt wordt door Helga eigenhandig vermoord. De vorst wordt steeds verliefder op zijn morbide echtgenote, die echter niets met hem te maken wil hebben. Aangezien ze er behalve haar panters geen minnaars op na houdt, en over duivelse krachten lijkt te beschikken, legt hij haar geen strobreed in de weg. Tot ze een passionele sm-relatie begint met een jonge adonis. Zijne doorluchtigheid neemt haar gevangen en laat haar, nadat hij haar gemarteld en zichzelf op haar gezicht ontlast heeft, langzaam wegrotten. Hier begint het lijden van vorst Sternenhoch: hij wordt geplaagd door spookverschijningen van Helga, die zijn verstand aantast door hem doodsangst in te boezemen, maar hem uiteindelijk helpt om zijn goddelijke potentie in het kosmische bestel waar te maken.

Een weldenkende kapitalistische democratie als de onze heeft voortdurend nood aan geestelijke ontburgerlijking. Met impertinenties als misantropie, infanticide, patricide, sadomasochisme, scatologie, bestialiteit en necrofilie kan Het lijden van vorst Sternenhoch hiertoe een steentje bijdragen. Daarnaast is dit boek, dat schatplichtig is aan schrijvers als Sade, Hoffman, Poe, Baudelaire en Dostojevski, en dat op zijn beurt grote invloed heeft uitgeoefend op Hrabal, ook ontzettend sfeervol en geestig. Bijzonder amusant is bijvoorbeeld Klíma’s satire op de Habsburgse staatslieden. Als filosofische roman is dit onverlicht werk dan weer een bevreemdend curiosum.

Mathieu Lindon: Alleen mijn hart is niet genoeg

Dat Mathieu Lindon (1955) in zijn decennialange carrière als Frans journalist, criticus en schrijver vakmanschap heeft verworven in het meeslepen van zijn publiek, wordt in deze roman geïllustreerd: als een duifje in een straalmotor wordt de onbevooroordeelde lezer vanaf de eerste pagina in dit vlot geschreven verhaal gezogen. Teleurstellend genoeg komt hij er echter totaal ongehavend uit.

De wangen van Mathieu, het autobiografisch getinte ik-personage, worden met schaamrood bedekt wanneer hij in een brief op de hoogte wordt gesteld van het overlijden van een zogezegd intieme vriend, die hij van toeten noch blazen meent te kennen. Hij laat zich overreden om bij de rouwende familieleden een persoonlijke afscheidsbrief op te halen. Hij wordt als een held ontvangen. De ex-vrouw, dochter en kleinkinderen van de overledene schijnen alles over hem te weten en dichten hem de nobelste eigenschappen toe.

Het parket waarin Mathieu zich bevindt wordt er niet minder lastig op wanneer hij in de afscheidsbrief tot erfenis geroepen wordt. Warmhartig als hij is, laat hij zich de familiale affectie dan toch maar welgevallen. Nog voor hij er erg in heeft wordt hij met de kleren van de onbekende overledene gepamperd, en in zijn doodsbed te slapen gelegd. Wanneer hij de volgende dag alleen wordt gelaten met de kinderen, overigens obsessionele melomaantjes, en de thuiskomst van hun moeder en grootmoeder door een verkeersongeval wordt verhinderd, gaat zijn gezondheid achteruit. Hij wordt geteisterd door flauwtes en ergert zich, met gevoel voor overdrijving, aan het vreemde taalgebruik van zijn jonge verzorgers.

De filosofische vragen die met het mysterie verbonden zijn, over de perceptie van vriendschap en ons recht op dankbaarheid, worden aangeraakt, maar niet ten gronde uitgewerkt. De nadruk ligt op de sfeer, die bijzonder geladen is. In die mate dat de lezer zich op iets tracht voor te bereiden, al is het hem onduidelijk op wat. Het is in deze ademloze toestand dat het mysterie gestaag wordt ontsluierd, tot er niets van overblijft. L’ordre est rétabli.

Hitchcock heeft ooit gezegd dat een tikkende bom in een verhaal nooit mag afgaan. In Alleen mijn hart is niet genoeg wordt de figuurlijke bom, het mysteriespel waarin zoveel geïnvesteerd werd, simpelweg onschadelijk gemaakt. Nota bene in amper de helft van het boek. Eenmaal de spanning weg is, krijgen we sentimentele koek voorgeschoteld. Die heeft als enige verdienste dat de impliciete belofte van de titel wordt waargemaakt. Lindon probeert de plot te redden door het hoofdpersonage op te zadelen met een ernstige ziekte. Het ware veel passender en interessanter geweest als bv. de kinderen ’s nachts zijn ribben kwamen tellen met een roestig keukenmesje. Goed begonnen is half gewonnen, maar alleen een goed begin is niet genoeg.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Johan de Boose: Het geluk van Rusland. Reis naar het eenzaamste volk op aarde

Als de Russische boerendichter Sergej Jesenin de echtgenoot is geweest van “de Amerikaanse naaktdanseres Eleonore [sic] Duse” en als er een witte nacht was in mei tijdens het 300-jarige jubileum van Sint-Petersburg, dan kan ook een rechtgeaarde slavist van dit verslag van aaneengeknoopte reizen door de Russische ruimte en tijd nog veel leren. Eleonora Duse was echter een Italiaanse actrice, Jesenin was niet met haar, maar met de twee decennia jongere Amerikaanse danseres Isadora Duncan gehuwd – overigens hield zij op het podium haar slipje aan, getuige hiervan een heimelijke ongefilterde zoekopdracht naar afbeeldingen met google – en witte nachten komen pas voor vanaf 11 juni.

Bovenstaande vaststellingen zijn symptomatisch voor het graafwerk van de Boose in de diepten van de veronderstelde “Russische ziel”, overigens een aftands concept. Het probleem is drieledig: nonchalance, speculatie en bewuste mystificatie. Te pas en te onpas manifesteert de schrijver zijn bereidheid om alles wat met Rusland verband houdt en enigszins een anekdotisch karakter heeft in te lepelen bij zijn weerloze lezer, daarbij ad nauseam proclamerende “se non è vero, è ben trovato”. In een poging om zijn boek aan poëzie te doen winnen geeft hij als kers op de taart zijn verbeelding de vrije teugel, waardoor hij zichzelf als een professor Barabas over de grenzen van de tijd heen transporteert naar de literaire kringen van enkele coryfeeën der Russische letteren.

“Ik laat mythe en werkelijkheid door elkaar lopen,” zo waarschuwt de auteur. Met deze vrijbrief zit hij enige bladzijden verder Dostojevski te begluren in de banja (alle Russische gemeenplaatsen, van wodka tot de obligate beren, passeren de revue): “Hij is over zijn hele lichaam behaard en sloft door de modder, waarbij hij nauwelijks moeite doet om zijn lendendoek op zijn plaats te houden. Ik zie hem met enkele dikke, loensende meisjes achter een beschot verdwijnen.” Dit soort expressionistische nonsens is godzijdank ondergeschikt aan het rijke gamma aan onderhoudende achtergrondinlichtingen en impressionistische beschouwingen over de Russische literatuur, geschiedenis, maatschappij en natuur dat de lezer met grote bezieling gepresenteerd wordt. Verveling krijgt geen kans, want alles wordt zo pittig mogelijk voorgesteld: naar Stalin wordt verwezen als “de Georgische ex-seminarist en ex-bankrover”, de dichteres Tsvetajeva is “een hysterische nymfomane”. Wat ook opvalt in dit talentvol gekunstelde reisverslag, is dat alles in Rusland een geur heeft. De Ruslandvaarder van dienst beschikt klaarblijkelijk over een superieur reukorgaan, want hij hoeft zijn treinraampje maar open te schuiven, of hij ruikt “zuurkool, uien, oud vetleer”.

Allemaal goed en wel, ware het niet dat dit relaas inhoudelijk weinig origineels brengt, laat staan dat het tot de diepteanalyse van het moderne Rusland komt die de achterflap belooft. Op sommige pagina’s ontstaat de indruk dat de verslaggever voortdurend het woord aan reële of fictieve personages afstaat, en zijn tekst doorspekt met veelvuldige literaire citaten en onbeduidende petites histoires om te camoufleren dat hijzelf op Rusland geen visie heeft (wat op zich geen schande zou zijn). Spijtig is dat een aantal intrigerende uitspraken, zoals dat in Rusland “het ongeluk in de genen en in de taal zit”, simpelweg niet geduid wordt. Uiteindelijk wordt echter toch de hamvraag beantwoord waarom de Russen “het eenzaamste volk op aarde” zouden zijn. Het komt erop neer dat zolang de nieuwe Russische leiders geen respect voor het individu aan de dag leggen, het in Rusland huilen met de berenmuts op blijft. Voor wie dit antwoord bevredigt, eigenaar is van een romantische ziel en het niet zo nauw neemt met de grens tussen fictie en non-fictie, zal van Het geluk van Rusland ongetwijfeld een grote bekoring uitgaan.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Een lyrische ziel in tijden van communisme. Bengt Jangfeldt: Een leven op scherp. De legendarische dichter Vladimir Majakovski

De biograaf is een knecht van twee meesters wier geboden niet licht te verzoenen zijn. Enerzijds bestaat zijn hoofdtaak in het voeren van nuchter, zeg maar kurkdroog wetenschappelijk onderzoek. Anderzijds mag van deze moeizame bronnenstudie niet al te veel te merken zijn in de resulterende tekst, die bovenal verondersteld wordt pittig, verhalend en gestroomlijnd te zijn. De lezer van een biografie is eerder geïnteresseerd in het karakter en de drijfveren van de behandelde figuur dan in zuiver biografische feiten. Dit veronderstelt soms creatieve invulling van de biograaf. Om toegankelijk te zijn voor een groot publiek zonder verworpen te worden door de vakcritici, moet deze in staat zijn te balanceren op de scheidingslijn tussen nuchtere wetenschap en artistiek entertainment. In deze evenwichtsoefening slaagt de Zweedse literatuurhistoricus Bengt Jangfeldt glansrijk in Een leven op scherp. De legendarische dichter Vladimir Majakovski 1893-1930.

Behalve in alle beschikbare relevante publicaties heeft Jangfeldt zijn neus in een indrukwekkende hoeveelheid stoffige archiefstukken gestoken. Wat zijn onderzoek echter uniek en zelfs baanbrekend maakt, is dat hij zich ook baseert op dagboeken en mondelinge getuigenissen van mensen uit de persoonlijke levenssfeer van Majakovski. Zoals hijzelf aangeeft in het voorwoord, had hij het geluk om velen van hen te kennen, sommigen zelfs heel goed. Bijzonder waardevol is de getuigenis van Lili Brik, die van allen het dichtst bij de dichter stond. Wat de wetenschapper siert, is dat hij het vertikt om haar woorden als zoete koek aan te nemen. Hij vermoedt immers dat ze, koket als ze is, haar rol in de biografie van Majakovski nog groter wil maken dan deze al is. Deze kritische zin is kenmerkend voor het wetenschappelijke titanenwerk dat aan de grondslag ligt van dit boek. Zijn academische ernst ten spijt slaat Jangfeldt de lezer niet om de oren met referenties. Hij maakt geen gebruik van voetnoten en slechts zeer zelden van eindnoten. De bronnen worden niet per uitspraak, maar per hoofdstuk vermeld. Hiermee wordt niet de hoogst mogelijke, maar toch een acceptabele mate van transparantie bereikt.

Jangfeldts dienst aan de lezer gaat echter veel verder dan het verdoezelen van de wetenschappelijke zweetgeur. Om het leesgenot te maximaliseren heeft hij in zijn vlot geschreven verhaal spanningsbogen, vooruitblikken en cliffhangers aangebracht. Bovendien is de auteurstekst doorspekt met geselecteerde poëzie-, proza- en toneeltekstfragmenten van Majakovski, die geanalyseerd worden ter duiding van zijn belevingswereld en maatschappelijke positionering. De nog niet eerder in het Nederlands verschenen gedichten zijn knap vertaald door Suïntha Uiterwaal – uitgeverij Balans heeft de verdienste om beginnende vertalers krediet te geven. Een voorbeeld: “Ik wil / de glans opnieuw doen schitteren / van het majestueuste woord / “PARTIJ”. / Het individu! / Zijn tijd is toch voorbij?! / Piep / is het krachtigste woord dat hij zei. / Wie zal hem nog horen? / Hooguit zijn wijf!” Bijzondere vermelding verdienen de beeldgetuigenissen waarop de lezer met vaste regelmaat getrakteerd wordt: prachtige portretfoto’s, schilderijen, tekeningen, brieven, affiches – in totaal zijn het er meer dan honderdvijftig, waarvan sommige nu voor het eerst gepubliceerd worden. Het resultaat is navenant: deze biografie is onderhoudender en spannender dan de gemiddelde roman. Behalve met vormelijke eigenschappen heeft dit natuurlijk ook te maken met de dankbare inhoud. Majakovski’s korte leven was namelijk tot over de rand gevuld met strijd en romantiek.

Vladimir Majakovski wordt in 1893 geboren in een Georgisch dorpje uit een laag adellijk Russisch geslacht. Na de vroegtijdige dood van zijn vader, waar hij smetvrees aan overhoudt, verhuist zijn gezin naar Moskou. Hij is nog maar een puber wanneer hij als politiek activist de tsaristische repressie over zich heen krijgt. Ten gevolge hiervan heroriënteert hij zich op de schilderkunst – over zijn talent als schrijver is hij aanvankelijk onzeker. Op de Moskouse schilderschool ontmoet hij de kubistische schilder Boerljoek, die hem zelfvertrouwen als dichter geeft en hem in avant-gardistische kringen introduceert. Aan de vooravond van WO I geldt Majakovski als een van de hoofdvertegenwoordigers van de Russische kubo-futuristen, die door revolutionaire esthetiek uiting geven aan hun maatschappelijke onvrede. In 1915 komt Majakovski, zo arm als een kerkrat, de vrouw van zijn leven tegen: Lili Brik. Ze is getrouwd met de mecenas Osip Brik, maar dat, evenmin als de rotte tanden van de herrieschoppende dichter, weerhoudt haar er niet van te zwichten voor zijn charmes. Osip neemt er absoluut geen aanstoot aan. Een krachtig driemanschap tussen dichter, muze en mecenas is geboren. Traditionele voorstellingen over liefde zijn niet van toepassing – vooral niet voor Lili. De tijd is aan de vrijheid.

De Februarirevolutie ervaart Majakovski als een persoonlijke overwinning. Over de staatsgreep van de bolsjewieken is hij aanvankelijk minder euforisch – hij staat dichter bij het mensjewisme. Niettemin treedt hij in de herfst van 1918 toe tot de afdeling beeldende kunst van de communistische partij. Voor de opoffering van zijn onafhankelijkheid stelt hij zichzelf schadeloos met de ijdele hoop dat hij de dichter van de proletariërs zal worden. Terwijl Ivan met de pet zwarte sneeuw ziet en de weerbarstige intellectuelen door Lenin uit de Sovjet-Unie worden gebonjourd, geeft de dichter, die ook wel hard werkt, handenvol geld uit aan feesten, reizen, aan zijn gokverslaving en aan luxeproducten voor Lili. Door haar promiscuïteit of door zijn kleinburgerlijke jaloezie – afhankelijk van het perspectief – bekoelt hun relatie. Majakovski, die begiftigd is met een groot libido, heeft in de jaren ’20 affaires met verscheidene vrouwen – waaraan hij een Amerikaanse dochter dankt die hij nooit zal kennen. Niettemin behoudt Lili haar status als enige muze. Haar monopolie wordt slechts eenmaal doorbroken: in 1928 schrijft Majakovski twee liefdesgedichten voor de emigrante Tatjana Jakovleva, waarmee hij enige tijd verloofd is. De pen van de dichter, die mee gestuurd wordt door de partij, neigt echter steeds meer naar propaganda dan naar lyriek.

Majakovski schrijft vanuit de LEF-groep, die hij met andere Linksfronters heeft opgericht. Ze huldigen de mening dat schrijvers een maatschappelijke opdracht te vervullen hebben. Toch krijgt de groep vanaf 1928 scherpe aanvallen te verduren van de extremistische proletarische schrijversvereniging RAPP, die Majakovski individualisme en onbegrijpelijkheid ten laste legt. De reactie van de dichter, wiens voornaamste opdrachtgever het dagblad Komsomolskaja pravda is, bestaat in een poging tot toenadering. Zijn morele degradatie is een feit, wat ondermeer tot uiting komt in zijn onverschoonbare steun aan de heksenprocessen tegen de schrijvers Piljnak en Zamjatin. In zijn laatste levensjaar groeit bij Majakovski het pijnlijke besef dat hij, in weerwil van zijn bijdragen aan de sociale en politieke educatie van de proletariërs, niet op de dankbaarheid van de Sovjetautoriteiten mag rekenen. Een veelheid aan factoren – de algemene sfeer van culturele verstikking, het gebrek aan erkenning, het verlies van idealisme, een ongelukkige liefde en de afwezigheid van Lili en Osip Brik – drijven de emotioneel labiele Majakovski tot zelfmoord. Over deze revolutionaire anticlimax schreef de dichteres Tsvetajeva: “Twaalf jaar achtereen probeerde de mens Majakovski de dichter Majakovski te doden, daarna kwam de dichter in opstand en doodde de mens.”

Met de zelfmoord van Majakovski is het verhaal van Jangfeldt nog niet ten einde gekomen. Hij behandelt ook kort wat hij noemt “de tweede” en “de derde dood” van de dichter: respectievelijk zijn geforceerde canonisering onder Stalin en zijn massale verguizing na de implosie van de Sovjet-Unie. Om de tragedie compleet te maken worden in een eschatologisch post scriptum de belangrijkste nevenpersonages – waaronder verscheidene bekende namen als Gorki, Sjklovski en Jakobson, die stuk voor stuk een gezicht hebben gekregen – naar de dood begeleid. Deze kunstgreep illustreert de nooit aflatende bekommernis van de auteur om het narratieve karakter van zijn biografie. Tegelijkertijd kenmerkt het zijn streven om het lot van de Sovjet-Russische intelligentsia inzichtelijk te maken. Achteraan in dit boek is een auteurscommentaar opgenomen op de bestaande biografische studies over Majakovski, dat ondanks de kleine lettertjes waard is gelezen te worden. Zonder zichzelf op de borst te kloppen, zet Jangfeldt hierin het vernieuwende aspect van zijn onderzoek in de verf. Dit doet hij door te wijzen op de exclusiviteit van zijn bronnen en door de ideologisch gekleurde, vaak hagiografische arbeid van Sovjet-Russische onderzoekers te bekritiseren. Het moge duidelijk zijn dat de biograaf de lof die hem door de internationale pers toegezwaaid wordt naar alle maatstaven verdient.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

De tirannie der dingen. Max Blecher: Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid.

In september 1936 vertrouwt de Roemeense schrijver Mihail Sebastian toe aan zijn dagboek, waarvan Wever & Bergh in 2007 een Nederlandse vertaling heeft uitgebracht (zie De leeswolf 2008 p. 19), welke indrukken hij overhoudt aan zijn bezoek aan zijn vriend en collega Max Blecher (1909-1938): ‘Ik ben er uitgeput vertrokken, versleten. Ik had de indruk dat ik naar de gewone dagelijkse sleur niet terugkeren kon. […] Zou ik ooit nog de moed hebben me nog over wat ook te beklagen? De onbeschaamdheid om grillen te koesteren, luimen, geprikkeldheid?… Hij leeft intiem met zijn dood. Geen abstracte dood, in nevels gehuld, op termijn. Zijn dood, precies afgetekend, die hij in al zijn details kent, als een voorwerp. Wat geeft hem de moed om te leven? Wie ondersteunt hem? Hij is zelfs niet wanhopig. Ik begrijp het niet, ik beken dat ik het niet begrijp. Terwijl ik naar hem keek stond ik herhaaldelijk op het punt in tranen uit te barsten. ’s Nachts heb ik hem in zijn kamer horen kreunen, roepen – ik voelde dat er buiten ons nog iemand in huis was, de dood, het lot, ik weet niet wie. Ik ben ondersteboven vertrokken, versuft.’

De toestand is de volgende: Blecher, die in het joods getto van de Roemeense provinciestad Roman geboren werd als zoon van een succesvol koopman en eigenaar van een porseleinwinkel, lijdt sinds zijn negentiende aan de ziekte van Pott, een ongeneeslijke vorm van tuberculose die het ruggemerg aantast. Na dure kuren gevolgd te hebben in sanatoria in Frankrijk, Zwitserland en Roemenië, installeert hij zich in een door zijn liefhebbende ouders speciaal daartoe ingericht huisje aan de rand van zijn geboortestad. De laatste tien jaar van zijn leven was hij vrijwel volledig geïmmobiliseerd door zijn ziekte. Hij bracht zijn tijd liggend in een gipsen korset op zijn ziekebed door, met als enige compensatie voor zijn gevangenschap en vooruitzicht op een voortijdige dood een houten schrijfplankje. Dit plankje stelde Blecher niet enkel in staat om een briefwisseling te onderhouden met Roemeense en Franse schrijvers en filosofen, onder wie André Breton, André Gide en Martin Heidegger, maar ook om een oeuvre van vertalingen, essays, toneelstukken, kortverhalen, gedichten en romans bijeen te schrijven. Vandaar dat de Nederlandse vertaler Jan H. Mysjkin dit stuk hout evalueert als ‘een groots geschenk aan het lijdende individu, maar ook aan de Roemeens literatuur en de literatuur tout court’. Volgens de blurb hebben we te maken met een schrijver die vergeleken kan worden met eigentijdse zwaargewichten als Franz Kafka, Bruno Schulz en André Breton. De decennialange vertraging in zijn ontdekking in zijn vaderland zou te wijten zijn aan de fascistische en communistische dictaturen, die problemen hadden met zijn joodse respectievelijk burgerlijke roots. De laatste twee decennia is zijn nalatenschap aan een opmars begonnen, ook in West-Europa. Toch was tot voor kort geen enkel werk van Blecher beschikbaar in het Nederlands. Hierin is nu verandering gebracht door L.J. Veen, die de vertaling van één van de twee autobiografische hoofdwerken van de schrijver heeft uitgegeven: Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid.

Onder het aan de romantische dichter Percy Byssche Shelley ontleende motto ‘I pant, I sink, I tremble, I expire’ maakt Blecher zijn lezer in een qua ideeën loodzware, maar qua stijl licht verteerbare monologue intérieur deelgenoot van zijn intrigerend universum, waarin de tegenstelling tussen werkelijkheid en hallucinatie is opgeheven. De rode draad wordt gevormd door de bedwelmende aanvallen waaraan het autobiografisch gekleurde ik-personage, een jongen van een jaar of twaalf die zijn tijd ronddolend door een provinciestad en zittend in kamers doorbrengt, op welbepaalde plekken ten prooi valt. Tijdens deze aanvallen, die door een arts gediagnosticeerd worden als moeraskoorts, ondervindt hij aan den lijve zijn gebrek aan identiteit, alsof hij ‘voor even een compleet vreemde persoon’ is geworden. Ook tasten ze zijn waarneming aan van de ruimtes waarin hij zich bevindt: ‘De dingen hadden hun gebruikelijke zin verloren: ze baadden in een nieuw bestaan. Het was alsof ze plots van hun dunne, doorzichtige verpakking waren ontdaan die ze tot dan toe had omhuld, waarna ze er onuitsprekelijk nieuw uitzagen. Ze leken bestemd voor een nieuw, hoger en fantastisch gebruik dat ik onmogelijk had kunnen ontdekken’. Het enthousiasme dat het ik-personage tijdens een aanval waarneemt in de dingen, slaat over op zichzelf. Dit brengt hem tot hoge existentiële verwachtingen, die steevast met een pijnlijke sisser eindigen.

Het universum van het ik-personage is er één van weemoed en eenzaamheid. Het wordt niet bevolkt door mensen, maar door het materiële. De anderen, ‘kakelbonte uitwassen van vlees, gevuld met ingewikkelde en bederfelijke organen’ die opgesloten zitten in ‘hun trieste en petieterige verplichting om exact te zijn’, zijn slechts aanwezig voor zover ze zintuigelijk waargenomen kunnen worden – dialogen komen in dit boek amper voor. Het hoofdpersonage lijkt in de totale onmogelijkheid te verkeren om op een andere manier dan via het lichaam van de ander toenadering te zoeken tot de ander. In die zin is zijn natuur fundamenteel erotisch.  Het tastbare en bij uitbreiding het zintuigelijk waarneembare heeft voor hem een sacrale waarde. Hij is van de existentie van materiële zaken diep onder de indruk. Als kind verlustigde hij zich aan de aanblik van de plooien in het laken, wat hem later deed denken aan het menselijke oor – Blecher lijkt te suggereren dat de essentie van het bestaan niets te maken heeft met het al dan niet bezield of onbezield zijn van lichamen.

Het ik-personage is van een ongeziene passiviteit, maar hij leidt een onbeteugeld innerlijk leven. Onwillekeurig geeft hij zich over aan beelden, geluiden, geuren en aanrakingen. Ze vormen zijn vreugde, maar ook zijn kwelling – hij is jaloers op de mensen op hem heen, omdat ze zich kunnen afsluiten van ‘de tirannie der dingen’. Terwijl de streling van een vrouwenbeen in kous langs zijn knieën zijn hoogste geluk uitmaakt, en hij er een vilein genoegen in schept door als een varken in de modder te ploeteren, kan een onschuldig hoestje hem tot wanhoop stemmen. Alle zintuiglijke waarnemingen zijn echter het voorwerp van twijfel. Groot is de vertwijfeling van het ik-personage wanneer hij op een dag ondekt dat een tekening die hij altijd beschouwd had als middelmatig blijkt te bestaan uit minuscule letters. Wat hem angst inboezemt is de nachtmerrie waarbij hij droomt dat hij slaapt op dezelfde plaats en op het zelfde tijdstip als werkelijk het geval is. Hij hoopt de strijd tegen de slaap te halen, wakker te schieten, zodat alles hetzelfde is als in de droom, maar ditmaal met de schijn van authenticiteit. Hij is er zich van bewust dat hij bestaat, maar het ontbreekt hem aan iets. Er gaapt een kwellende kloof tussen zijn eerbied voor alles wat is en de banaliteit van zijn bestaan. Dit wakkert de wens aan om ‘de natte, lelijke wereld waarin het zachtjes regent achter te laten’.

De avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid, waarvan het hoofdpersonage door zijn ziekte veroordeeld is tot een uitwendig passief bestaan, kunnen gemakkelijk in verband gebracht worden met de weinig benijdenswaardige toestand van de auteur zelf. Toch roepen ze geen medelijden voor hem op. Hoogstens zelfmedelijden, want de beschreven problematiek betreft tot op zekere hoogte ook de lezer zelf. Die wordt evenwel niet bevangen door dezelfde wanhoop als die Sebastian overhield aan zijn ziekebezoek. Dat komt omdat Blecher ondanks zijn eigen toestand en ondanks het gewicht van zijn vragen altijd een zekere speelsheid behoudt. Die komt tot uiting in pittig geformuleerde, absurde handelingen en bedenkingen van het hoofdpersonage. Wanneer hij te weten komt dat zijn arts, die sprekend op een muis leek, zich op zijn zolder een kogel door het hoofd heeft gejaagd, bedenkt hij bijvoorbeeld dat het absoluut noodzakelijk was ‘dat een horde muizen zich op het lijk had gestort en het had uitgespit, teneinde er de muisachtige substantie aan te ontrekken, die hij tijdens zijn leven van ze had geleend voor zijn illegale bestaan als mens’. Met zijn originele mix van poëzie, filosofie, erotiek, morbiditeit en absurditeit is Blecher geslaagd in zijn opzet ‘om de hoogspanning die de schilderijen van Salvador Dalì uitstralen in literatuur om te zetten’, om de ‘koude, volkomen leesbare en wezenlijke waanzien’ te bereiken. Na de lectuur vergaat het de lezer echter zoals Sebastian na zijn bezoek. Eerst beseft hij dat ‘als de dingen gesanctioneerd zouden worden, consequenties zouden hebben’ hij niet verder zou kunnen leven zoals voordien, waarna hij zich terugrept ‘naar deze lichtzinnige existentie van een min of meer gezonde man.’

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Karel van het Reve: Verzameld werk 5

Hermann Hesse dixit: ‘Ich kann und mag natürlich den Lesern nicht vorschreiben, wie sie meine Erzählung zu verstehen haben. Möge jeder aus ihr machen, was ihm entspricht und dienlich ist!’. Schrijvers, en al zeker de doden onder hen, zijn er om geannexeerd te worden. Karel van het Reve (1921-1999) zou het er roerend mee zijn eens geweest dat de beste en, gezien zijn schrijfstijl, ook de aangenaamste manier iets te weten te komen over het vijfde van zijn in totaal zeven volumes tellende verzameld werk, dit boekdeel zelf lezen is. Wie het echter aan moed of tijd ontbreekt voor een nieuwe mastodont, één van maar liefst 1162 pagina’s, kan zich door het lezen van deze recensie van 600 woorden, waarvan meer dan een vierde verspild is aan de inleiding, de illusie verschaffen bij benadering te weten wat hierin behandeld wordt en op welke wijze.

Net als de vorige delen van Van het Reve’s verzameld werk bevat ook dit deel tientallen essays, recensies en colums over een breed gamma van cultuurproducten en onderwerpen waarvan sommige belangwekkend zijn en andere triviaal, maar waarvan de behandeling steevast getuigt van de scherpe kritische zin, het gevoel voor humor en ook wel van de al dan niet terecht Hollands aandoende zelfingenomenheid van de auteur (die zichzelf soms meer op de voorgrond plaatst dan zijn onderwerp). Het gaat om de bundels Freud, Stalin en Dostojevski en Afscheid van Leiden, en om ongebundeld werk van de jaren 1981-1984. Vooral de eerstgenoemde titel is interessant. Daarin komt de auteur uitgebreid terug op zijn eerder geproclammeerde aversie van Dostojevski – die destijds overigens minder origineel was dan ze ons vandaag toeschijnt. Het beeld dat van deze schijver wordt opgehangen is voorzeker karikaturaal – ‘Hij had drie vaste onderwerpen van gesprek: de gevoelens van iemand die op het punt staat ter dood te worden gebracht, de gevoelens van iemand die op het punt staat een epileptische aanval te krijgen, en de gevoelens van iemand die een tienjarig meisje verkracht’ – maar bevat meer waarheid dan menig theologische studie over de zogenaamde profetische mensenvriend. Via Dostojevski komen we terecht bij Freud, die door Van het Reve op gepatenteerde wijze ingesmeerd wordt met pek en veren omdat hij de epilepsie van de Russische schrijver in verband bracht met een onopgelost Oedipuscomplex. Het is een onderwerp dat ook bestudeerd is door de Amerikaanse slavist Joseph Frank. De vergelijking tussen beide stukken maakt duidelijk dat Van het Reve zelfs in zijn vakpublicaties, die trouwens voor een man die jarenlang een leerstoel heeft bezeten qua totale omvang weinig voorstellen, vooralles een kokette columnist is.

De indruk dat het Van het Reve ook als wetenschapper net iets meer te doen was om de lezer te vermaken met zijn eigen persoonlijkheid dan om hem iets bij te leren, wordt bevestigd bij het lezen van zijn vermaarde Geschiedenis van de Russische literatuur van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov, die eveneens in dit volume is opgenomen. In de inleiding plaatst hij torenhoge vraagtekens bij de verbanden die literatuurhistorici plegen te leggen tussen schrijvers en hun voorgangers of hun maatschappelijke context, om zich daarna vijfhonderd pagina’s lang over te geven aan de meest subjectieve appreciaties en aan anekdotiek van het type: Gogol moet als kind ‘een nogal smerig jongetje, met lopende neus en oren’ zijn geweest. In het begin is dit alles heerlijk verfrissend, zeker voor de slavist die gevormd is met de meer encyclopedisch aandoende Geschiedenis van de Russische literatuur van Emmanuel Waegemans, maar na een paar honderd bladzijden treedt de verzadiging in. Dan is het alsof je straciatella-ijs aan het eten bent met net iets teveel chocolade.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Rachel Polonsky: Molotovs toverlantaarn. Een reis door de Russische geschiedenis

Dit boek dankt zijn internationale bekendheid aan een academisch schandaal. In een venijnige anonieme recensie herkende Rachel Polonsky de hand van Orlando Figes, wiens Natasha’s dance ze scherp had bekritiseerd. De gevierde Ruslandhistoricus reageerde op deze ontmaskering aanvankelijk door het auteurschap te ontkennen en met een proces te dreigen, daarna door zijn arme echtgenote de schuld op zich te laten nemen, om uiteindelijk te bekennen, met als excuus dat zijn onderzoek over de Stalinterreur hem een depressie had bezorgd. Bij nader inzien heeft Figes Polonsky een uitzonderlijke dienst bewezen, want dankzij zijn laakbaar gedrag zijn de verkoopscijfers van haar boek de hoogte ingeschoten. Dat betekent echter niet dat de door de hype gecreëerde verwachtingen ten volle ingelost worden.

Polonsky trok naar Rusland om er wetenschappelijk onderzoek te verrichten naar oriëntalisme in de Russische poëzie, maar kwam terug met een academisch geurende, maar niettemin vulgariserende Russische cultuurgeschiedenis. Haar vertrekpunt en rode draad is van een grote originaliteit: de persoonlijke bibliotheek van Molotov, waar ze tijdens haar verblijf in Moskou toegang tot had. Eerder dan als sadist of opportunist, openbaart een van de organisatoren van de Stalinterreur zich in zijn boekaantekeningen als een theorieminnende idealist, die de gave bezat om weg te dromen bij de creaties van schrijvers wier executie hijzelf beval. Het trekken van nog meer vergaande conclusies over Molotovs persoonlijkheid is moeilijk, aangezien de boekencollectie slechts een deel van zijn eigenlijke bibliotheek bevat en het niet zeker is of hij alles gelezen heeft. Daar is het Polonsky ook niet om te doen. Liever grijpt ze Molotovs boeken aan om de lezer mee te voeren op een ongepamperde, persoonlijke reis doorheen de Russische geschiedenis en ruimte.

Molotovs toverlantaarn is een chaotisch haakwerk van indrukken van ontmoetingen, ontdekkingen, reflecties, sfeerbeelden en uitgediepte achtergrondinformatie. Russische schrijvers, kunstenaars, staatslieden en plaatsen spelen daarin de hoofdrol ‒ voor wie niet wil verzuipen in de grote hoeveelheid namen is een basiskennis Russische cultuur geen overbodige luxe. Met veel eruditie worden feiten samengebracht, tegen het licht gehouden en geïnterpreteerd. Hoewel het verleden de volle nadruk krijgt, wordt het heden niet angstvallig buiten schot gehouden ‒ zo blijkt Polonsky mans genoeg om expliciete stelling in te nemen tegen Poetin. Ze onderscheidt zich ook van andere Ruslandvaarders door niet in de val van de romantische mystificatie te trappen. In plaats van het gekende discours te ontspinnen over de Russische ziel, neemt ze het patriottistische gezwans over de Russische eigenheid van een Dostojevski op de korrel. Behalve aan de gekende coryfeeën, over wie zelfs de specialist nieuwe zaken te weten komt, wordt ruime aandacht besteed aan onbekende Russen die toevallig het pad van de auteur kruisen. Daarbij toont ze zich een stiliserend observator: indien de uitbaatster van een bar witte naaldhakken draagt, dan wordt deze informatie, die bijdraagt tot de couleur locale, de lezer niet onthouden. Niet alles is echter even belangwekkend. Wat Polonsky wat beter begrepen mocht hebben, is dat lezen over iemand die geniet van een Russische treinreis net zoiets is als toezien hoe iemand met smaak een pirog opeet: aan de eigenlijke sensatie neem je niet deel.

[Gepubliceerd in De leeswolf]

Het temmen van de Scyth. Dankwoord

Het is gebruikelijk om deze rubriek te openen met de gedachte dat wetenschappe­lijk onderzoek niet het werk is van één man, en prompt een waslijst met namen te­voorschijn te toveren. Deze subtiele lofzang op de eigen bescheidenheid misstaat ook hier niet, maar het komt mij gepast voor om in de eerste plaats te waarschu­wen voor het gevaar dat aan het schrijven van een proefschrift verbonden is: dat men onder het juk van professionele eenzaamheid met de dag meer begint te lijken op de ondergrondse man of op een ander getormenteerd personage van Dostoevs­kij. Dat deze metamorfose zich in mijn geval slechts ten dele heeft voltrokken, ook al dook op een bepaald ogenblik in de nabije verte een dubbelganger op, is de ver­dienste van één mens: Eva.

Behalve aan haar ben ik erkentelijkheid verschuldigd aan mijn promotor en co­promotor, Emmanuel Waegemans en Reine Meylaerts. Zonder hun aanmoedigend ver­trouwen en waardevolle aanbevelingen zou deze dissertatie niet binnen een rede­lijke termijn tot een goed einde zijn gekomen. Lieven D’hulst komt de niet geringe verdienste toe mijn ogen geopend te hebben dat mijn aanvankelijk plan afstevende op een miskraam. Mijn ouders dank ik voor hun steun en geduld, mijn zus voor de kennismaking met Dostoevskij een dozijn jaar geleden, Benjamin De Mesel voor de aangereikte literatuur, de medewerkers van het Centre for Translation Studies voor de talrijke gelegenheden om inspirerende vertaalwetenschappers te ontmoe­ten, Vladislav Tretjakov en Francis Mus voor het gedeeld cafeïnegebruik, Rita Bueno Maia voor haar buitensporig enthousiasme, Arthur Langeveld en de medewerkers van het Expertisecentrum voor Literair Vertalen voor de kennismaking met de prak­tijk van het literair vertalen, de redactieleden van De leeswolf voor de kennis­making met de praktijk van de literaire kritiek, het personeel van het Interbiblio­the­cair Leenverkeer voor het geleverde speurwerk, Cees Willemsen voor het kopieer­werk, Willem Weststeijn en Irina Michajlova voor de gesuggereerde verbeteringen, en Wim Honselaar voor de eindredactie.

Hoewel aan dit boek lang gesleuteld en geschaafd is, zijn niet alle onvolkomen­heden weggewerkt. Vast staat dat het verwijt van zwaarlijvigheid, dat Dostoevskijs werken met grote regelmaat door zijn vroege westerse critici werd aangewreven, op mijn geesteskind van toepassing is. In dit opzicht is het niet anders dan billijk dat ook u, dat wil zeggen mijn lezer, in mijn dankbaarheid deelt. Ik hoop dat wie de moed en het geduld opbrengt om deze geschiedenis te doorworstelen beloond wordt met inzicht in de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij. Dat was al­thans het opzet van deze studie.

[Gepubliceerd in Pieter Boulogne. Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij. Amsterdam: Pegasus, 2011. 770 p.]

Tintin au pays des soviets. Het succesverhaal van een antibolsjewistisch pamflet

Het is bekend dat Georges Prosper Rémi (1907-1983), alias Hergé, sympathie koesterde voor het rexisme à la Léon Degrelle. Hergé had hem leren kennen op de redactie van Le Vingtième Siècle, de spreekbuis van het ultrakatholieke conservatieve establishment van België. Voor zijn samenwerking met Degrelle –Hergé illustreerde onder meer zijn boeken Les grandes farces de Louvain (1930) en Histoire de la guerre scolaire (1931)– werd Europa’s beroemdste striptekenaar door menigeen verguisd. Anderen benadrukken dan weer dat Hergé zich meer en meer distantieerde van Degrelle naarmate deze afstand nam van het katholisme ten voordele van het fascisme. Zijn samenwerking met het rexisme zou echter voortduren tot aan de vooravond van W.O.II.[1]

Wie dat wil kan van Hergé’s ultrakatholieke en extreemrechtse sympathieën een weerspiegeling vinden in de wijze waarop zijn geesteskind Kuifje zich verhoudt tot de primitieve of minder primitieve, maar in ieder geval vreemde volkeren waarmee hij in aanraking komt doorheen zijn avonturen. In het verleden heeft Kuifje’s neerbuigende houding ten opzichte van joden, indianen en zwarten geleid tot het bestempelen van een aantal strips als ‘racistisch’.[2] In 2007 nog heeft de Britse Commissie voor de Rassengelijkheid de boekenwinkels opgeroepen om Tintin au Congo[3] en de bestaande vertalingen uit de rekken te halen. Als reactie hierop werd het album in veel winkels naar de volwassenenafdeling overgeplaatst. In augustus van hetzelfde jaar diende daarop ook een Kongolese student van de ULB een klacht in bij de Brusselse justitie, met de eis om de verkoop van het album tout court te verbieden. Of dit soort politieke correcte verzoeken om censuur zinvol zijn, laten we in dit artikel buiten beschouwing. Het is echter een feit dat Kuifje niet helemaal vrij te pleiten is van xenofobie–in die zin kan hij dus beschouwd worden als een realistisch West-Europees personage van zijn tijd.

Hergé’s geflirt met het ultrakatholieke en extreemrechtse gedachtegoed ging ook gepaard met een fervente afkeer van het communisme in het algemeen en van het Russische bolsjewisme in het bijzonder. Zoals dit vaak het geval was, leidde Hergé’s angst voor het rode gevaar[4]–een angst die hij overigens deelde met het gros van zijn West-Europese tijdgenoten–tot een bijzondere interesse in het land dat in de jaren ’20 nog openlijk pretendeerde ‘de wereldbrand te hebben aangestoken’. Hij wijdde er dan ook Kuifje’s allereerste avonturenverhaal aan: Les avontures de Tintin, reporter du Petit “Vingtième”, au pays des soviets.

Het initiatief om de jonge lezers van Le Petit Vingtième–de  donderdagse jeugdbijlage van Le Vingtième Siècle–een tekeningenverhaal voor te schotelen over de Sovjetunie kwam niet van Hergé zelf. Het idee was verzonnen door pater Norbert Wallez (1882-1952), directeur van de uitgeverij van Le Vingtième siècle. Wallez –op wiens bureau een gesigneerde foto met opschrift van de Italiaanse Duce pronkte– vond het belangrijk dat de jeugd op een onderhoudende wijze gewaarschuwd werd voor de valstrikken van het communisme.

Hergé, die voor de opdracht stond te berichten over een staat waarin hij nooit één voet had gezet, kreeg van Wallez een boek mee naar huis om inspiratie op te doen: Moscou sans voiles[5] (1928) van Joseph Douillet, voormalig consul van België in Rostov. In dit destijds succesvol werk hangt Douillet, die zesentwintig jaar in tsaristisch Rusland en negen jaar in sovjet-Rusland leefde, een ongenuanceerd vernietigend beeld op van de zogenaamde ‘dictatuur van het proletariaat’. Hij maakt het portret, of eerder de karikatuur, van een land dat geteisterd wordt door economische achtergesteldheid, armoede, honger en vooral terreur en manipulatie vanwege de sovjetautoriteiten. Deze zelfgenoegzame autoriteiten hebben nihil respect voor mensenlevens en zijn enkel uit op hun eigen profijt. Kortom, niet één vooroordeel jegens de Sovjetunie van het ultrakatholieke conservatieve en xenofobische milieu waarin Hergé–niet louter om professionele redenen–vertoefde werd door Douillet onbevestigd gelaten.

Afbeelding 1

Op donderdag 10 januari 1929 is het dan zover. Op die dag publiceert Le Petit Vingtième de eerste aflevering van een groots avontuur dat de lezers langer dan een jaar in haar ban zou houden: Les avontures de Tintin, reporter du Petit “Vingtième”, au pays des soviets. Zoals blijkt uit de titel, heeft Hergé ervoor gekozen om van zijn fictieve held een journalist[6] te maken van de jeugdbijlage waarin het avontuur ook werd gepubliceerd. Met deze kunstgreep werden fictie en werkelijkheid met elkaar vermengd.

Met de publicatie van de eerste aflevering was de geboorte van Kuifje een feit–al was hij oorspronkelijk niet de verschijning waarmee de Kuifje-lezers heden vertrouwd zijn; de eerste prenten van het stripverhaal tonen Kuifje als een koddig ventje, veeleer klein van gestalte en met grote voeten (cf. afbeelding 1). Naarmate het verhaal vordert, neemt Kuifje meer en meer de elegantere vorm aan waarin hij de wereld zou veroveren. Hergé’s geesteskind was niet alleen; al vanaf zijn literaire geboorte werd hij trouw bijgestaan door Milou (in het Nederlands: Bobby), een hond met een (letterlijk) uitgesproken mening.

De luchtige en pseudo-ernstige toon van Kuifje in het land der sovjets wordt gezet vanaf het allereerste prentje :‘Le “Petit XXe”, toujours désireux de satisfaire ses lecteurs et de les tenir au courant de ce qui se passe à l’étranger, vient d’envoyer en Russie Soviétique, un de ses meilleurs reporters: Tintin ! Ce sont ses multiples avatars que vous verrez defiler sous vos yeux chaque semaine. N.B. La direction du “Petit XXe” certifie toutes ces photos rigoureusement authentiques, celles-çi [sic] ayant été prises par Tintin lui-même, aidé de son sympathique cabot : Milou !’

Uiteraard loopt Kuifje’s zoektocht naar de ware aard van stalinistisch Rusland–door Hergé in navolging van Douillet geschetst als een regelrechte hel op aarde–allerminst van een leien dakje. In Duitsland wordt de trein waarop Kuifje en Bobby vanuit Brussel richting Moskou reizen opgeblazen door een Russische bolsjewiek. Het duo schijnt niet veel te merken van de explosie, maar worden er door de Duitse politie van beschuldigd 10 wagons en 218 inzittenden te hebben verduisterd. Vermomd als politieagent en politiehond, slagen Kuifje en Bobby er in om uit de gevangenis te breken en hun reis richting Rusland verder te zetten. Aangekomen in de Sovjetunie, krijgt Kuifje meteen te maken met de Russische geheime politie–door Hergé nu eens ‘Tsjeka’ en dan weer ‘GPU’ genoemd[7]–die hem tracht te elimineren.

Afbeelding 2

De moordpogingen van de bolsjewistische geheime politie ten spijt, gaat de moedige reporter van Le Petit Vingtième met zijn eigenlijke onderzoek van start. Vooreerst dringt hij een ogenschijnlijk werkzame fabriek binnen. Deze fabriek blijkt een ‘Potemkin-dorp’ te zijn; hooi wordt verbrand en er wordt op staal gehamerd om bij Engelse communisten die het land bezoeken de illusie van productiviteit te wekken. Deze scène is sterk geïnspireerd op Moscou sans voiles, waarin Hergé had gelezen: ‘Dans les usines, les machines sont hors d’état de servir’ (Douillet 1928: 45). In het eerste hoofdstuk van dit werk, ‘L’envers et l’endroit de ce que l’on fait voir aux étrangers en Russie soviétique’, wordt ook beschreven hoe toeristen systematisch om de tuin worden geleid door agenten van de geheime dienst.

Afbeelding 3

De moedige reporter, ondertussen al een stuk atletischer gebouwd, weet tal van schermutselingen met de geheime politie telkens weer tot een goed einde te brengen. Deze achtervolgingen en vechtpartijen–waarin  slapstick niet ontbreekt–worden afgewisseld met de ontdekking van wantoestanden. Zo komt Kuifje terecht bij een verkiezingsbijeenkomst waar het volk onder schot wordt gehouden terwijl de communistische lijst geproclameerd wordt als ‘votée à l’unanimité’ (cf. afbeelding 2). Deze scène–die een karikatuur lijkt van de sovjetwerkelijkheid–is een bijzonder getrouwe weergave van Douillet’s verslag over de sovjetverkiezingen: “A main armée, on obligeait les gens à voter pour la liste communiste” (Douillet 1928 : 83). Zelfs de tekst van de voorzitter van het kiescomité werd door Hergé letterlijk overgenomen van Douillet (1928: 84): ‘Que ceux qui s’opposent à cette liste lèvent les mains! […] Qui donc se déclare contre cette liste?’

Afbeelding 4

Kuifje –die er niet voor terugschrikt om zijn vijand krachttermen toe te bedelen (cf. ook afbeelding 3)– noemt het Moskou van de Sovjets ‘un bourbier infect’. De reporter is er getuige van dat straatkinderen een stuk brood krijgen of een pak slaag, afhankelijk van hun bereidheid om zichzelf communist te verklaren. Ook wordt hij geconfronteerd met de wreedheid van de partij ten opzichte van de boeren, die onder het mom van de dekoelakisering[8] beroofd worden van hun graan.

De klopjacht van Solowztenxopztzki en andere bolsjewieken op Kuifje kent geen einde. Dankzij zijn gewiekstheid en een grote portie geluk, slaagt hij er echter steeds weer opnieuw in te ontkomen aan de bolsjewieken–die Hergé meer dan eens Russisch laat spreken (cf. afbeelding 4)–en aan talrijke andere gevaren. Kort daarop gaat Hergé faliekant uit de bocht; hij beschrijft hoe Kuifje gevangen gehouden in een ondergrondse opslagplaats van schatten die Lenin, Trotski en Stalin aan het volk ontstolen hebben. De Brusselse reporter ontsnapt met een vliegtuig, waarmee hij landt in Berlin. Daar wordt hij opnieuw ontvoerd door de GPU. Met de hulp van Bobby vermomd als tijger ontkomt Kuifje aan zijn executie. Terug op vrije voeten, slaagt hij erin om Boustringovitch, een GPU-agent die van plan was om alle hoofdsteden van Europa op te blazen, over te leveren aan de Duitse autoriteiten. Met de 20.000 mark beloning schaft Kuifje zich een sportwagen en nieuwe Russische kleren aan. Zijn plan om terug te keren naar Rusland om verder onderzoek te verrichten stoot bij Bobby op weerstand (cf. afbeelding 5). Door een auto-ongeluk komen Kuifje en Bobby echter terecht in een rijdende trein met bestemming Brussel, waar ze door een grote menigte verwelkomd worden.

Kuifje’s eerste avontuur, dat bijna 140 bladen of 640 zwart-wit prentjes had geduurd, eindigde niet onopgemerkt; nog voor de publicatie in mei 1930 van de laatste aflevering van Les avontures de Tintin au pays des soviets, werd de finale–de aankomst van de reporter in Brussel–in opdracht van Le Vingtième Siècle geënsceneerd en gespeeld door de vijftienjarige padvinder Lucien Peppermans.[9] Deze kunstgreep, die opnieuw de grens tussen fictie en realiteit deed vervagen,[10] miste zijn doel niet: Peppermans werd in Brussel-Noord verwelkomd door honderden juichende lezers. Kuifje was gelanceerd.

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de originaliteit van Tintin au pays des soviets allerminst besloten ligt in het plot. Op dit punt is het stripverhaal gelijkaardig aan de triviale  avonturenromannetjes die destijds in afleveringen in dagbladen gepubliceerd werden; een held en zijn compagnon worden op hun zoektocht gesaboteerd door slechteriken. Deze simpele verhaallijn–getouwtrek tussen de goeden en de slechten–kan naar hartelust gerekt worden, afhankelijk van het commercieel succes. Bovendien biedt het de mogelijkheid om vervolgd te worden. Hergé trachtte er ook in de mate van het mogelijke voor te zorgen dat een stripaflevering op een ‘cliffhanger’ eindigde.

Afbeelding 5

Dat Tintin au pays des soviets naast kinderen ook volwassenen aansprak en ook vandaag nog aanspreekt, heeft in grote mate te maken met de prominent aanwezige humor–voornamelijk slapstick, woordspelingen en spot, waarin de sprekende hond Bobby een belangrijke rol speelt (cf. afbeelding 5)–en de aandoenlijke tekeningen. Het dient wel opgemerkt te worden, dat naarmate het verhaal vordert, Hergé’s primitieve, haast naïeve tekenstijl, waarin achtergrond en landschap amper zijn uitgewerkt, geleidelijk plaats maakt voor een verfijndere stijl, met dunnere lijnen en meer oog voor detail.

De publicatiegeschiedenis van Kuifje’s eerste avontuur verliep enigszins problematisch. Als regulier album verscheen het voor het eerst in september 1930. Het was een groot succes. Toen Casterman in 1936 Тintin au pays des soviets wilde heruitgeven, was Hergé echter niet enthousiast; hij had technische bezwaren. Na W.O.II kreeg Kuifje’s geestelijke vader in de Belgische pers aantijgingen te verduren van kolonialisme, racisme, anticommunisme en rexisme. Hiervan zwaar onder de indruk, nam hij zich voor dat Kuifje zich voortaan nooit meer zou inlaten met politiek. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hergé ook in de jaren vijftig hoegenaamd niets wilde weten van een ingekleurde heruitgave van Kuifje’s allereerste avontuur. Naar eigen zeggen, was hij niet langer tevreden over het scenario en de onhandige tekeningen. Bovendien had hij geen tijd om alles opnieuw ter hand te nemen.

Om de verkoop van piraatversies van Тintin au pays des soviets een halt toe te roepen, wilde Hergé in het begin van de jaren zestig dan toch toestemmen met een integrale uitgave van de oorspronkelijke zwart-wit versie. Omdat de procedure om de herdruk aansleepte –ondertussen was Casterman bang geworden van de linkse pers– besloot Hergé om de strip dan zelf maar uit te geven, in een genummerde oplage van slechts vijfhonderd exemplaren. Een officiële en grootschalige uitgave van het ondertussen mythisch geworden album bleef echter achterwege. Tot ergernis van Hergé, gingen illegale versies van Kuifje’s eersteling ondertussen tegen hoge prijzen als zoete broodjes over de plank. In 1973 werd de originele strip dan toch –voorzichtig– uitgegeven door Casterman, die het tot onderdeel van het bijzonder ernstige project “Archives Hergé” maakte. Het zou echter duren tot de jaren tachtig vooraleer Casterman ook de publicatie van een afzonderlijk facsimilealbum van de omstreden Avontures de Tintin, reporter du Petit “Vingtième”, au pays des soviets zou ondernemen.

[Gepubliceerd in Romaneske 2007]

Noten

[1] In 1937 ontwierp Hergé nog het logo van het rexistisch tijdschrift L’Oasis van Paul Jamin, voormalig medewerker van Le Petit Vingtième.

[2] Hergé is ook beticht geweest van antisemitisme omwille van een personage in L’Étoile mystérieuse (1942). Cf. Assouline 1996: 315-318.

[3] Oorspronkelijk was dit stripverhaal getiteld Les avontures de Tintin, reporter au Congo (1931).

[4] De koelbloedige moord op de tsaristische familie, en in het bijzonder op de tsarevitsj, betekende voor de jonge Hergé ‘un véritable choc psychologique’ (Peeters, Benoît. Hergé. Fils de Tintin. Paris : Flammarion, 63).

[5] Douillet Joseph. Moscou sans voiles. (Neuf ans de travail au pays des Soviets). Paris : Editions Spes, 1928.

[6] Op de keper beschouwd is Tintin au pays des soviets het enige stripverhaal waarin Kuifje ook effectief zijn beroep van journalist uitoefent. Hergé zou het titeldeel ‘Reporter du Petit “Vingtième”’ na Kuifje’s zwart-wit avonturen dan ook definitief achterwege laten.

[7] De Tsjeka werd in 1917 opgericht als ‘Buitengewone Commissie ter Bestrijding van contrarevolutie en sabotage’. In 1922 werd de Tsjeka omgevormd de GPU, en ondergebracht in de NKVD. De term ‘GPU’ werd in het Westen veelvuldig gebruikt in Britse en Hitleriaanse anticommunistische propaganda.

[8] In het kader van de collectivisatiecampagne bond de Sovjetunie in 1928 de strijd aan met de zogenaamde koelakken of ‘rijke boeren’. De wreedheid en willekeur waarmee dit gepaard ging leidde op het Russische platteland tot hevige protesten.

[9] Zie Assouline Pierre. Hergé. Biografie. Amsterdam-Antwerpen: Meulenhof-Kritak, 1996. Uit het Frans vertaald door Désirée Schyns.

[10] Eerder, op 1 april 1930 had Le Petit Vingtième ook al een fictieve brief gepubliceerd waarin de GPU de krant voor de keuze plaatste: “la fin de cette campagne [Tintin au pays des soviets] ou la mort” (Peeters 2003: 69).

Getagged , , , , , , , , ,

Optimisme vanonder het juk. Vasili Grossman: Leven & lot

De Russische Jood Iosif Solomonovitsj Grossman (1905-1964), om redenen van doorgedreven russificatie beter gekend als Vasili Semjonovitsj Grossman, groeide onder Stalin uit tot een gerespecteerd prozaïst en oorlogsverslaggever, maar kreeg na WO II in de partijpers enkele rake klappen te verduren. Zijn gedweeheid maakte plaats voor revolte. Gedurende ruim een decennium werkte hij in het geheim aan zijn opus magnum Leven en lot. Het is een epos over mensen van vlees en bloed die in WO II aan beide zijden van de Duits-Russische fontlinie zuchten onder het juk van totalitarisme. Als burger of soldaat, in vrijheid of gevangenschap, als dader of slachtoffer.


Het is geen geheim dat Grossman voor deze roman zijn mosterd is gaan halen bij Lev Tolstoj, aan wie hij dan ook meer dan eens refereert. De meest voor de handliggende gelijkenis tussen de auteurs van Leven en lot en Oorlog en vredeis dat beiden een groot aantal fictionele romanfiguren in een breed panorama van historische gebeurtenissen plaatsen, met in het centrum de gewapende strijd tussen een Centraal-Europese invasiemacht en de Russische natie. Zoals de geschiedenis het wilde, wordt bij Grossman de noodlottige rol van de Franse troepen door de Duitse legers vertolkt, en die van Napoleon door Hitler.

Een meer fundamentele analogie tussen Leven en lot en Oorlog en vrede is dat beide epen doordrenkt zijn van liefde voor de mens, ook al staat deze aan de wieg van de beschreven destructie. Vooral in het geval van Grossman is dit verbazend, aangezien hij het geschiedenisboek van de mensheid openlegt op precies de smerigste pagina’s – de slag bij Stalingrad, de nazikampen, de goelag –, ieders verantwoordelijkheid voor die smerigheid erkent, en niets tracht te vergoelijken. De auteur is, bij monde van zijn personages, emotioneel betrokken, maar meer geïnteresseerd in de interpretatie van de feiten dan in expliciete verontwaardiging. Hij schrijft bijvoorbeeld over de kampen dat ze ‘de steden van het Nieuwe Europa’ zijn geworden: ‘Ze waren verrezen en gegroeid, met een eigen plattegrond, eigen straten en pleinen, ziekenhuizen en vlooienmarkten, crematoria en stadions. Wat leken de oude gevangenissen, weggestopt in de voorsteden, naïef en gemoedelijk patriarchaal in vergelijking met die kampsteden, in vergelijking met die gekmakende purperrood-zwarte gloed boven de crematoria.’

Het is eveneens naar voorbeeld van Tolstoj dat Grossman het commentaar van de verteller lardeert met essayistische beschouwingen van filosofische, maatschappelijke en antropologische aard, die de handeling vertragen en in een verrassend perspectief plaatsten. Tot de meest belangwekkende passages behoren zijn redeneringen over de menselijke volgzaamheid in een totalitaire staat, en de verdrukking van de aangeboren vrijheidsdrang. Zo vraagt hij zich hardop af of de mens zijn vrijheidsdrang kan verliezen. Op basis van historische gebeurtenissen komt Grossman tot de conclusie dat dit niet het geval is: ‘De natuurlijke menselijke vrijheidsdrang kan worden onderdrukt, maar niet vernietigd. Zonder geweld kan het totalitarisme niet bestaan. Als het afziet van geweld, sterft het.’ De auteur besluit optimistisch: ‘Die conclusie biedt hoop voor onze tijd en voor de toekomst.’

Het is wellicht aan zijn optimisme te danken dat Grossman niet in het minst geneigd is tot ideologische zelfcensuur. Dit blijkt ten eerste uit de waslijst van wandaden van de Sovjetautoriteiten die in dit werk geëtaleerd wordt: het neerslaan van de antileninistische opstand van de matrozen van Kronstadt, de gewelddadige collectivisatie van het platteland, de bloedige processen tegen de zogenaamde oppositie van de partij, de Stalinterreur van 1937, het pact met Hitler over de invasie van Polen, etc. Ten tweede komt Grossmans compromisloze waarheidsdrang tot uiting in de manier waarop hij deze Sovjetmisdaden benadert: niet als accidents de parcours, maar als behorend tot de essentie van totalitarisme, zoals dat ook geldt voor de Holocaust.

Net als zijn klassieke leermeester streeft Grossman er ook naar zijn hoofdpersonages psychologisch uit te diepen tot op het bot, wat bijzonder geloofwaardige exemplaren oplevert. Mooie voorbeelden zijn de bolsjewiek van het eerste uur Mostovskoj, die zich als gevangene in een Duits concentratiekamp meer dan ooit vastklampt aan de juistheid van Lenins zaak, en de kinderloze oude vrouw Sofja Osipovna, die zich net voor haar dood nog moeder voelt, omdat een jongetje waarover ze zich ontfermt in de gaskamer in haar armen één ogenblik eerder sterft dan zij. De meeste aandacht gaat echter naar de autobiografisch gekleurde Viktor Strum, een getalenteerd Sovjetfysicus van Joodse origine met een weinig benijdenswaardig lot. Nadat zijn moeder het slachtoffer is geworden van de massamoord op de Joodse bevolking van de Oekraïne, en de zoon van zijn vrouw is gesneuveld aan het front, degenereert zijn huwelijk tot een kooi van eenzaamheid. Als reactie hierop stort Strum zich op zijn wetenschappelijke arbeid, wat hem tot geniale ontdekkingen brengt. Aanvankelijk wordt hij door zijn collega’s de hemel in geprezen, maar al snel wordt hij het slachtoffer van een antisemitische lastercampagne, op touw gezet door jaloerse etnische Russen. Strum raakt eerst geïsoleerd en wordt daarna onder zware druk gezet om zichzelf publiek te beschuldigen, al is het hem niet duidelijk van wat. Hij wordt verscheurd tussen enerzijds zijn trots en waarheidsliefde en anderzijds angst en pragmatische overwegingen. Wanneer hij er uiteindelijk voor kiest om het totalitair spelletje niet mee te spelen, en zich instelt op een arrestatie, krijgt hij een telefoontje van Stalin die hem – als een deus ex machina – zijn afgepakte glorie terugschenkt. Een vergiftigd geschenk, zo blijkt, want het duurt niet lang vooraleer hij opnieuw onder druk wordt gezet om een bijdrage te leveren aan de totalitaire terreur. Ditmaal toont de man minder moed.

Ironisch genoeg had de publicatiegeschiedenis van Leven en lot voor hetzelfde geld door Grossman zelf geschreven kunnen zijn: het is een volmaakte illustratie van het fenomeen van totalitarisme waaraan het boek gewijd is. Toen Chroesjtsjov in de zgn. dooi met veel poeha afrekende met enkele uitwassen van het stalinisme, waagde de auteur zijn kans: in 1960 bezorgde hij zijn manuscript aan de redactie van het Sovjettijdschrift Znamja. Naïef, zo bleek, want enkele maanden later werd zijn lijvige geesteskind geconfisqueerd. Het liberale klimaat ten spijt kon Leven en lot niet door de beugel van de ideologie. Curieus is dat Grossman zelf door de KGB ongemoeid werd gelaten. Wel werd de schrijver onder druk gezet om de ‘onjuiste, schadelijke strekking’ van zijn boek te erkennen. In plaats daarvan schreef hij aan Chroesjtsjov een lange brief, waarin hij in niet mis te verstane termen zijn overtuiging uiteen zette dat zijn boek geschreven was in naam van de waarheid en dat het verbod erop in strijd was met de leninistische normen van vrijheid en democratie waar zo prat op gegaan werd. Grossmans bede om zijn roman in vrijheid te stellen was tevergeefs. In 1964 stierf hij in Moskou aan kanker, zwaar ontgoocheld over het lot van zijn boek.

Leven en lot zou een stille dood gestorven zijn, ware het niet dat Grossman – wie noemde hem naïef? – voorzorgsmaatregelen had getroffen. Vooraleer zijn manuscript in te zenden, had hij een kopie toevertrouwd aan een bevriende dichter. In de beste der Sovjettradities werd hiervan in de jaren ’70 met medewerking van mensenrechtenactivisten Vojnovitsj en Sacharov een microfilm vervaardigd en in beetjes naar het buitenland gesmokkeld. Geëmigreerde Russische literatoren reconstrueerden zorgvuldig de tekst. In de mate van het mogelijke, want veel was onleesbaar. In 1980 verscheen dan de eerste Russische versie van Leven en lot bij L’Âge d’Homme, de Zwitserse uitgeverij die zich destijds ontpopt had tot een spreekbuis voor Sovjetdissidenten. Pas in volle perestrojka kon Grossmans epos ook in Rusland verschijnen. Kort daarop kwam uit dat hij ook nog een manuscript had verstopt bij een studievriend in de provincie. Op basis van dit exemplaar, voorzien van de laatste aanvullingen en correcties van de auteur, werd in 1989 de eerste complete Russische versie van Leven en lot uitgegeven. Postuum kreeg Grossman in zijn vaderland dan toch nog de erkenning die hem toekwam.

Het is kenmerkend voor een kleine literatuur als de Nederlandse dat van dit werk bij ons tot voor kort nog geen vertaling bestond. Met deze uitgave van Balans, die eerder een selectie van Grossmans oorlogsnotities publiceerde, is deze gênante lacune eindelijk opgevuld. Dat dit op gepaste wijze is gebeurd is in de eerste plaats de verdienste van Froukje Slofstra, die de bijna duizend bladzijden tellende mastodont van Grossman met veel respect voor het origineel in een onberispelijk en bijzonder genietbaar Nederlands vertaalde. Bovendien heeft ze de moeite genomen om de talrijke Sovjetrealia en verwijzingen naar historische figuren en gebeurtenissen nader toe te lichten. Als gevolg hiervan telt deze roman ruim 350 eindnoten – wat voor sommigen misschien van het goede teveel is. Ook werden achteraan in deze uitgave een stamboom, een lijst van de belangrijkste personages, enkele kaarten, een nawoord van de vertaalster en de fameuze brief van Grossman aan Chroesjtsjov opgenomen.

[Recensie verschenen in De leeswolf]
Getagged , , ,

Sergej Dovlatov: De derde afslag links

Sergej Dovlatov (1941-1999)

Onder de blik van haar man sloeg Lora de krant open.

‘Eens kijken,’ zei ze, ‘welke nieuwtjes er zijn.’

‘Geen,’ zei haar man, ‘Je zal zien. Ze hebben weer een of andere ambassade opgeblazen. Een Turkse diplomaat is doodgeschoten. En ergens in Pakistan is er een schoolbus gekanteld… Alles gaat zijn gangetje.’

Hij deed een wolkje melk in zijn zwarte koffie. Lora las hardop, terwijl ze zonder te kijken een stuk koek afbrokkelde:

‘Schulz verheugd over initiatief president Duarte… Giftige conserven in Japanse winkels…  Eleonor Roosevelt 100 jaar geleden geboren…’

Lora en Alik vormden een gelukkig jong koppel. Geluk zagen ze als natuurlijk en organisch, zoals gezondheid. Het leek hen dat tegenslag voor zieke mensen was weggelegd.

Ze hadden elkaar zes jaar geleden ontmoet in Moskou. Ze waren toen allebei net van de middelbare school af. Lora droomde ervan geschiedenis te studeren. Haar neef zei haar dat de Sovjetgeschiedenis vervalst was. Lora wilde zich verdiepen in de authentieke geschiedenis.

Alik droomde ervan arts te worden. Zijn lievelingsoma was gestorven aan kanker. Alik wilde zich verdiepen in de cancerologie.

Ze zakten allebei op hun toegangsexamen. Al hun kennissen waren ervan overtuigd dat dit te wijten was aan antisemitisme. Misschien was dat ook wel zo.

Lora en Alik beslisten om het over een jaar opnieuw te proberen. Dat jaar zouden ze zorgeloos en vrolijk doorbrengen. Ze hielden allebei erg van uitstapjes buiten de stad, muzikale komedies en lichte wijn. Ze hadden allebei tamelijk vermogende ouders. In feite hoefden Alik en Lora dus niet te werken. Alik kreeg een job op een stookplaats, en Lora zeulde met biljetten voor kindervoorstellingen.

Hun opvattingen waren ongeveer dezelfden. Ze vertelden hun vrienden politiek getinte grappen, ze hielden van spullen uit het buitenland en luisterden naar de BBC.

Alik en Lora woonden bij hun ouders in kleine tweekamerflats. Ze konden elkaar enkel buiten ontmoeten. Vandaar dat ze een jaar lang zoenden op het koertje achter de loodsen.

Alik en Lora bereidden zich niet voor op hun examens. Ze waren te zeer in de ban van de liefde. Bovendien nam het antisemitisme toe. Maar de massale emigratie begon.

Alik en Lora beslisten om weg te gaan. Op die manier konden ze in één klap verschillende problemen oplossen.

Hun ouders waren radeloos. Ten eerste waren hun kinderen van plan te trouwen. En daar kwam bij dat ze het land verlieten.

Alik en Lora stelden hun ouders gerust. Ze zeiden dat ze hen oploskoffie zouden sturen.

Ze leverden hun paspoorten in. Drie weken later kregen ze de toestemming om te emigreren. Ze hadden zich voorbereid op een lange strijd, maar mochten meteen vertrekken. Ze voelden zich zelfs ietwat verongelijkt.

Maar het gevoel verongelijkt te zijn ging snel voorbij.

Emigratie stond voor Alik en Lora gelijk aan een huwelijksreis.

Ze vestigden zich in New York. Na een jaar was hun kennis van de taal best acceptabel. Alik schreef zich in voor een cursus programmeren. Lora volgde een opleiding tot manicure.

Haar neef was intussen ook vertrokken naar het westen. Hij zei dat ook de Amerikaanse geschiedenis vervalst was. En aan kanker stierven hier volgens hem evenveel mensen als in de Sovjet-Unie.

Hij was een mislukkeling en een vlerk. Hij schold op iedereen. Voor hem waren het allemaal idioten, lafaards en oplichters. Op een keer zei Lora:

‘Je hebt aan iedereen een hekel!’

Haar neef antwoordde:

‘Hoezo dan, aan iedereen?’

Daarna ratelde hij:

‘Aikhenvald, Baratynski, Vampilov, Gillespie, Daumier, Jerofejev, Jaurès, Zorgenfrei… ’ Een seconde dacht hij na en vervolgde: ‘Ibsen, Koltsjak, Larionov, Monet, Nostradamus, Olejnikov, Parker, Rimbaud, Swift, Toergenjev, Wells…’ Hij haperde nog eens en rondde af: ‘Fitzgerald, Chodasevitsj, Tsvetajeva, Chaplin, Chagall, Eichenbaum, Joedenitsj en Jaspers!’

‘Tevreden?’ vroeg hij, en dook in een koelkast die niet de zijne was om een flesje gin…

Maar de neef kwam niet vaak.

Het ging Alik en Lora voor de wind.

Enkele maanden later werd Alik programmeur. Twee jaar later projectmanager. En nog een jaar later consultant voor een wel zeer kapitaalkrachtige internationale firma. Hij moest verre dienstreizen maken. Een keer moest hij naar Hawaï.

Lora werkte in een kapsalon met Amerikaanse clientèle. Lora zei altijd maar: “Russen krijgen we nauwelijks over de vloer. Onze prijzen liggen te hoog”. Lora verdiende twintigduizend per jaar. Alik dubbel zoveel.

Het duurde niet lang of ze kochten een huis. Het was een klein bakstenen huis in een van de slaapsteden van New York. Hier woonden vooral Amerikaanse joden, Polen en Chinezen. Russen waren hier absoluut niet.

Alik zei:

‘We hebben nauwelijks omgang met Russen…’

Alik en Lora werden dol op hun huis. Eigenhandig legde Alik de waterleiding en het dak. Daarna elektrificeerde hij de garage. Lora kocht gordijnen en een set porseleinen kookpotten.

Het was een mooi, gezellig en relatief goedkoop huis. In zijn kwaadaardigheid noemde de neef het “een mausoleum”.

Vrienden hadden Alik en Lora niet. Tot hun vrienden rekenden ze iedereen die op bezoek kwam. De neef nodigden ze steeds minder uit. Maar er kwamen steeds vaker Amerikaanse vrienden op bezoek. Bijvoorbeeld Aliks manager, Seth Appelbaum, een jolige dikkerd met veel lawaai. Meer dan een jaar lang kwam hij samen met zijn verloofde Shella Roach. Met hun vieren roosterden ze worstjes bij de veranda achteraan en dronken ze Budweiser.

Op een keer kwam Seth alleen. Op de vraag “Waar is Shella?” antwoordde hij:

‘We zijn uit elkaar. Ik was radeloos. Toen heb ik een nieuwe auto gekocht en ben ik verhuisd. Nu ben ik gelukkig… ’

Lora en Alik leefden comfortabel, maar zuinig. Iedere maand betaalden ze duizend dollar terug aan de bank. Plus de kosten voor telefoon, elektriciteit, gas, ontspanning…

Ze hielden erg van reizen, musicals en lichte cocktails. Ze wilden een hond in huis nemen, maar bedachten zich. Een hond zou de tapijten kunnen beschadigen. En in hun voorstad waren er geen inbrekers.

Lora en Alik hoorden dat sommige emigranten het moeilijk hadden. Waarschijnlijk waren het ongezonde mensen met een rotkarakter. Van het slag als de neef. Of kan je iemand die rechtstreeks uit de fles drinkt gezond noemen?

Alik en Lora gingen vriendelijk met elkaar om. Ze hadden het zo goed dat Lora soms uitriep:

‘Mijn lieve man, ik ben zo gelukkig!’

Ze hadden het zelfs zo goed dat ze zichzelf ergernissen bedachten. Alik zette een somber gezicht en zei:

‘Weet je, vanmorgen had ik bijna een fietser aangereden.’

Lora zette geschrokken ogen op:

‘Wees toch voorzichtiger. Ik smeek je, wees toch voorzichtiger.’

‘Maak je geen zorgen, schat. Ik heb een uitstekend reactievermogen…’

Soms kwam Alik thuis met een schuldig gezicht.

‘Je lijkt ontstemd,’ vroeg Lora, ‘wat scheelt er?’

‘Zal je niet boos worden?’

‘Dat weet ik niet. Zeg me wat er scheelt, of ik begin nog te huilen.’

‘Zweer dat je niet boos zal worden.’

‘Zeg me wat er is. Vertel me de hele waarheid!’

‘Alleen niet boos worden, schat. Ik ben in fout. Ik heb je Italiaanse laarsjes gekocht.’

‘Ben je niet goed snik?! We hadden toch afgesproken dat we zouden bezuinigen! Laat me eens kijken…’

‘Ik had er zo’n ontzettende zin in. En de kleur is origineel. Van dat bruin… Ben je niet boos? Zweer me dat je niet boos bent!’

Alik en Lora hadden de gewoonte om ’s zondags lang te ontbijten, te praten en te roken. Soms las Lora hardop een Russische krant. De problemen waar de emigranten zich druk over maakten vonden ze vergezocht.

‘Is het dan zo moeilijk,’ zei Lora, ‘om een Amerikaanse vakopleiding te volgen?’

‘Inderdaad,’ stemde Alik in, ‘je hebt gelijk. Het enige wat je moet doen is je losrukken uit dat Russische getto…’

Die ochtend namen Alik en Lora een lang ontbijt. Daarna deden ze boodschappen. Daarna keken ze televisie. Daarna vielen ze in slaap op de veranda.

En toen ze wakker werden zette Lora een mysterieuze glimlach op.

Alik veinsde een somber gezicht:

‘Wat is er met jou?’

‘Zal je niet boos worden? Zweer dat je niet boos zal worden.’

‘Wat is er dan gebeurd? Goed dan, ik zweer het.’

‘Ik heb tickets voor “Zorba the Greek”. Ontzettend dure. Ik heb ze overgenomen van Irene Berd. Haar dochtertje is ziek… Ben je niet boos?’

‘Ik was eigenlijk van plan om de garage te verven. Maar als je zin hebt om te gaan…’

‘Ik heb ontzettende zin om te gaan.’

‘Om acht begint het? Dan moeten we ons omkleden en vertrekken.’

‘Mijn lieve man, ik ben zo gelukkig!’

Zo’n veertig minuten later reden ze al over de highway.

Alik reed licht en zelfverzekerd. In zijn rechterhand walmde een sigaret. Lora had zich geïnstalleerd op de achterbank.

Ze reden voorbij het kerkhof, het park en nog voor de brug sloegen ze links af. Boven de daken flikkerde de reclame “Philip Morris” aan en uit. Uit de Buick in de voorste rij klonk een radio.

Het was het eigenaardige tijdstip waarop het nog licht is, maar de lantaarns al branden. De muren van de pakhuizen waren donkerder dan de hemel. De reclamelichtjes brandden onderbroken en ongelijkmatig.

Alik keerde zich naar zijn vrouw:

‘We nemen een binnenweg, door de tunnel. Daarna onder de spoorbrug langs het viaduct. Bij de kerk slaan we nog eens links af. En dan de rivier volgen tot aan Manhattan.’

‘Rij maar zoals je nodig vindt,’ zei Lora.

‘Goed dat je tickets hebt gekocht,’ vervolgde Alik, ‘ik ben heel erg blij. We moeten niet gezapig worden. Morgen nog abonneer ik ons op een kwaliteitskrant.’

‘Eén met wat minder reclame. Of ik verlies mijn humeur. Weet je wat me zo ergert aan Amerika? Hier is altijd wel iets wat zelfs voor vermogende mensen onbetaalbaar is. Zelfs als je zestigduizend per jaar verdient.’

‘Okey! Dan moeten maar we tachtigduizend of negentigduizend verdienen. Maak je maar niet ongerust, dat komt er wel van. Chris en Barney stellen me erg op prijs.’

‘Ik lig ook in een goede lade. Isa nodigt me steeds vaker uit op de lunch. In september heeft ze me parfum gekocht. Of liever, eau de cologne.’

‘De prijs heeft geen betekenis. Het gaat om het gebaar…’

‘Ze stelt me op prijs.’

‘Daar twijfel ik niet aan… Ik heb de indruk dat we de tunnel voorbij zijn gereden. Heb je niet opgelet?’

‘Ik heb er niet aan gedacht.’

‘Okey, de richting zit goed. We zullen slechts een drietal minuten vertraging oplopen.’

‘Wees een beetje aandachtiger…’

Het was donker geworden. De reclamelichtjes waren helderder en opdringeriger. De trottoirs lagen bezaaid met vuilnis. Bij de winkels waren goedkope kleren uitgestald. Rond de bars schoolden dubieuze figuren samen. Vooral zwarten en latino’s.

Lora voelde zich ongemakkelijk worden. Ze had geen zin meer in theater. Ze wilde thuis zijn en televisie kijken. Ze wilde een cocktail drinken en muziek beluisteren. En op dat moment hoorde ze:

‘Zijn we dan werkelijk Harlem binnengereden?’

‘Het kan niet zijn!’

‘Ik vrees dat het zo is. Zonet reden we nog op de Lenox Avenue. Voor ons ligt de honderd éénentwintigste straat. We bevinden ons iets boven Central Park. Kijk eens rond, de sfeer zegt genoeg.’

‘We moeten de weg vragen aan een politieagent.’

‘Ik vrees dat hier geen agenten zijn.’

‘O hemeltje!’

‘Geen paniek. Alles komt goed. Harlem is heus niet zo hels als ze wel zeggen. Kijk, daar loopt een vrouw met kind…’

Ze reden verder. Ze kwamen steeds meer vervallen huizen tegen. De lege vierkante ramen waren opgevuld met duisternis.

Langs de muren zwierven clochards. Op de kruispunten verzamelden groepjes zwarten, bijna niet te onderscheiden van de duisternis. De gesprekken werden overstemd door het gekerm van autoradio’s.

Alik sloeg opnieuw links af en remde.

‘Ik denk dat we een doodlopende straat zijn ingereden. Zie je, daar staan van die borden. Ik moet uitstappen om de weg te vragen.’

‘Vraag de weg zonder uit te stappen.’

‘Dat gaat niet. Zwarten drukken zich uit in een vreselijk jargon. Op afstand is het heel moeilijk om hen te verstaan.’

‘Roep er dan één naar hier.’

‘Dat vinden ze misschien beledigend.’

Alik stapte uit de auto. Hij zei:

‘Vergrendel voor alle zekerheid de deuren van binnenuit.’

‘Ik ben bang.’

‘Dat hoeft niet. Ik kom immers overeen met eender wie. Het schorriemorrie heeft me altijd al gerespecteerd.

‘Kom zo snel mogelijk terug…’

Voor hem strekte zich een bouwterrein uit. Er stond een compressor bedekt met een zeildoek. Achter de triplexpanelen was de donkerte van een diepe put zichtbaar. Op de rand zaten drie of vier schooiers. Dichter bij de auto, bij het scheefgezakte neonuithangbord “Grocery”, stonden er nog twee. De eerste was een gigant met een zeemanspet. Om de schouders van de tweede hing iets dat op een deken leek. De geur van marihuana was te ruiken van op tien passen afstand.

Vriendelijk glimlachend stapte Alik op hen toe:

‘Aangenaam avondje, vrienden, vinden jullie niet? Ik wilde vragen hoe ik hier vandaan kom.’

Vanonder de deken klonk:

‘Hoe ben je hier verzeild geraakt, blanke man?’

‘Mijn vrouw en ik zijn verkeerd gereden, we zijn de weg kwijt… Blank of zwart, wat maakt het uit?’

Nu sprak de gigant met de pet:

‘Een zwart gezicht of een wit gezicht, als dat geen verschil is! Een zwart gezicht of een witte ziel. Een wit gezicht of een zwarte ziel. Ik ben zwart, hoeveel ik me ook was, en jij bent blank, zelfs als je in het slijk ligt…’

‘Alle mensen zijn elkaars broeders,’ zei Alik zonder overtuiging.

‘Fout,’ werd tegengeworpen vanonder de deken, ‘er zijn er zwarte, en er zijn er blanke. Wij zijn zwarten, zielsmensen. Wij hebben de soulmuziek. Blanken hebben geen ziel. Ze hebben enkel maar gedachten, gedachten, gedachten…’

‘Maar ik vroeg toch gewoon de weg. We zijn verdwaald, begrijpen jullie?’

De gigant nam een slok van een flaconnetje en zei:

‘Hoepel op! Want zo meteen zet de wind op en dan waait je hoed nog weg!’

Alik streek zich mechanisch door de haren.

De gigant gaf het flaconnetje aan zijn buur. Ook hij nam een slok en zei:

‘Is dat mannetje soms van de politie?’

De gigant antwoordde:

‘De politie heeft hier niets te zoeken. Ik, Fatty Trucksa, ben hier de politie.’

‘Prince-general Negovia-Sherman,’ stelde het type met de deken zich voor.

De gigant vroeg:

‘Ga je niet weg, blanke man? Wil je dat ik je de weg naar Manhattan wijs? Kom hier, ik zal je de weg wijzen.’

Als gehypnotiseerd stapte Alik naar voren. Het leek hem dat de gigant aan de ritssluiting van zijn jasje prutste. Daarna glom er iets in zijn hand. Mogelijks een korte gummiknuppel. Of een stuk rubberen slang. En op dat moment, plotseling, snapte Alik het. De zwarte bandiet met de glimlach zwaaide met zijn afgrijselijke vlees.

Langzaam stapte Alik achteruit in de richting van de auto. Hij werd niet gevolgd. Vanonder de deken klonk een lach. De zwarte gigant spuwde en maakte een dansje…

Twee seconden later zat Alik in de auto. Zonder een woord te zeggen reed hij achteruit. Lora keek haar man verschrikt aan.

Bij de benzinepomp keerde Alik zich om.

‘We rijden naar huis,’ zei hij, ‘in Godsnaam. Ik denk dat ik me de terugweg wel kan herinneren. We reden juist. Ik heb alleen één verkeerde afslag genomen.’

‘Is er wat gebeurd?’

‘Het heeft niets om het lijf. Goed dat ik me heb weten in te houden. Goed dat ik dat type niet heb afgeslagen.’

‘Waarom dan? Hebben ze je beschimpt? Wat heeft ie dan gedaan? We moeten de politie erbij halen…’

‘Dat heeft geen zin. Het heeft niets om het lijf… Een zwarte bandiet… Ik weet zelfs niet hoe ik het je moet zeggen… In één woord, hij heeft me zijn lid laten zien…’

Lora slaakte een zacht gilletje. Pas twee minuten later begon ze opnieuw te spreken:

‘Waarom heeft ie dat gedaan? Wat wilde hij daarmee zeggen?’

‘Ik weet het niet. Hij toonde het, dat is alles.’

‘Dat vind ik niet prettig!’

‘Denk je soms dat ik het wel prettig vind?’

‘Ik weet het niet… Ik ben ontzet…’

Alik raakte zijn vrouw aan bij de schouder:

‘Ben je boos?’

‘Ik vind het gewoon niet prettig. Ik vind het afgrijselijk. Afgrijselijk en walgelijk vind ik het!’

Lora begon te huilen. Alik probeerde zich de terugweg te herinneren en kon zich nu niet laten afleiden. Hij zei:

‘Volgende keer neem ik een hakmes mee uit de keuken.’

‘Ben je van plan om hier vaak te komen?’ vroeg Lora snikkend.

Tien minuten later kwamen ze uit op de snelweg. Nog een halfuur later waren ze thuis. Alik had thee willen drinken, maar Lora nam een pilletje en viel in slaap. Alik keek wat televisie en legde zich op de veranda.

De volgende ochtend was alles zo goed als vergeten. Alik en Lora waren opnieuw gelukkig.

‘Naar theater,’ zei Lora, ‘hoeven we niet zo nodig.’

‘Zeker niet met kabeltelevisie in huis,’ stemde Alik in…

De neef werd een jaar later in de metro met een metaaldraad bijna doodgewurgd. En dan nog wel in een van de beste wijken van de stad.

[Originele titel: Tretij povorot nalevo. Bron: Vstretilis’, pogovorili. Sankt-Peterburg: Azbuka, 2003. pp. 65-74. Vertaling verschenen in Tijdschrift voor Slavische Literatuur]

Getagged

Anna Politkovskaja: Niets dan de waarheid

Intussen moet je wel heel erg scheel kijken om niet te zien hoe het met de Russische autoriteiten gesteld is, maar tot enkele jaren geleden betekende het journalistieke werk van Anna Politkovskaja (1959-2006) voor vele westerse vooruitgangsdenkers, die dachten dat Rusland zich na de implosie van het communisme stapsgewijs zou ontwikkelen tot een democratische rechtstaat, nog een ontnuchterende ontmoeting met de werkelijkheid. Met haar veldonderzoek maakte ze met gevaar voor eigen leven duidelijk dat ogenschijnlijke groeipijntjes in feite symptomatisch waren voor het nieuwe Russische beleid. Met Niets dan de waarheid brengt uitgeverij De Geus, die eerder Politkovskaja’s essaybundel Poetins Rusland en haar Russisch dagboek publiceerde, een uit het Engels vertaalde bloemlezing van stukken die de auteur schreef voor de oppositiekrant Novaja gazeta.

In Niets dan de waarheid richt Politkovskaja haar pijlen naar goede gewoonte op Poetin. Ze ontmaskert hem als een cynische machtsmens, die over lijken gaat om zijn eigen positie te verstevigen. Dat doet ze in een toegankelijke stijl ‒ simplificaties zijn haar niet geheel vreemd ‒ en met gevoel voor sarcasme. Haar stokpaardje is de Russische oorlogspolitiek in Tsjetsjenië en de zogenaamde strijd tegen het terrorisme, waarvan de radicale verzetsstrijders profiteren en de burgerbevolking de dupe is. Haar casestudies tonen het ware gelaat van de oorlog: ontvoeringen, verkrachtingen, standrechtelijke executies en martelingen. Daarbij wordt de maag van de lezer niet gespaard. Politkovskaja vond dat die de plicht had te weten welke wreedheden begaan werden, al dan niet door de Russische troepen. Ook wanneer ze daarvoor een kadaver met afgehakt hoofd en opengereten buik met daarin een hoofd (al dan niet het bijhorende) moest beschrijven. Wat haar niet kwaad, maar ziedend maakte, dat was dat de daders systematisch met rust werden gelaten. Met de in deze bundel opgenomen publicaties oefende ze ‒ in enkele gevallen met succes ‒ druk uit om de schuldigen te vervolgen. Dit maakte haar niet bepaald populair bij de autoriteiten. Te meer daar veel van de wreedheden gepleegd werden (en nog steeds worden) door de clan van Ramzan Kadyrov, een zwak begaafd psychopaat die in ruil voor loyaliteit aan Moskou van Poetin de controle over Tsjetsjenië gekregen heeft.

Met de in Niets dan de waarheid opgenomen artikelen weekte Politkovskaja in eigen land verscheidene reacties los. Mensenrechtenactivisten beschouwden haar als het verloren geweten van Rusland. Talloze Russische patriotten die een sterke staat verkiezen boven hun eigen burgerrechten, versleten haar voor nestbevuiler. De meeste Russen vonden echter helemaal niets van haar. Om de eenvoudige reden dat ze nog nooit van haar hadden gehoord. In de door de staat gecontroleerde media kwam haar stem niet aan bod. Hoewel ze in het Westen al jaar en dag geboekstaafd staat als heldin, kreeg ze pas algemene bekendheid in Rusland nadat ze brutaal afgemaakt was voor haar woning in Moskou. In die zin had Poetin een punt toen hij koketteerde dat haar dood de Russische overheid meer schade toebracht dan haar publicaties hadden gedaan.

[Recensie verschenen in De leeswolf]

Getagged ,

Het kwaad als melkkoe. Jáchym Topol: De werkplaats van de duivel

In de zomer van 2006 heb ik in de hoedanigheid van toerist Krakau bezocht. Als vanzelfsprekend stond ook het nabij gelegen Oświęcim, beter bekend als Auschwitz, op het programma. Ondanks de rijke materiële getuigenissen werd ik niet overdonderd door de gruwel die er heeft plaatsgevonden. Teleurstellend genoeg, want ik was gekomen en had betaald om me te laten choqueren. Het is aangenaam om te denken dat een zelfbeschermingsmechanisme in werking was gesteld. Uiteindelijk werd ik toch enigszins geraakt, verontrust om preciezer te zijn, door een onverwachte gebeurtenis waarvan ik getuige was: op de centrale executieplaats poseerde een jonge vrouw in volle bekoorlijkheid, haar tanden blootlachend en met de handen in de zij, voor haar geliefde, die er gretig op los vuurde met zijn fototoestel. Deze herinnering drong zich aan me op bij het lezen van De werkplaats van de duivel, een eigenzinnige aanzet tot reflectie over de soms zelfgenoegzame behoefte van de mensheid om de massaslachtingen te gedenken die ze in haar eigen gelederen heeft aangericht.

Het al bij al sympathieke hoofdpersonage, eerder antiheld dan held, wiens taboeloze getuigenissen dit boek uitmaken heeft geen naam. Hij is geboren en getogen in de Tsjechische vestingstad Theresienstadt, die tijdens WO II door de nazi’s was ingericht als concentratiekamp. Zijn moeder was één van de overlevenden en zijn vader één van de bevrijders, een roemrijke majoor in het rode leger. Hij had dan ook geen andere keuze dan militaire school te lopen. Hij leert er niets behalve Engels, deserteert, en gaat geiten hoeden. Deze dieren beschouwt hij als biologische vechtmachines. Zijn vader-majoor vindt de geiten echter te min en sterft tijdens een slaande ruzie. De verteller wordt voor moord veroordeeld tot een lange gevangenisstraf ‒ of hij schuldig is of niet, is niet helemaal duidelijk. In de gevangenis schopt hij het tot het hulpje van meneer Mára, een computerfreak met een hart voor socialisme die op vraag van de gevangenisdirectie terdoodveroordeelden executeert. Het hoofdpersonage treft de voorbereidingen en maakt schoon achteraf. Hij kan het, dus hij doet het. In ruil voor strafvermindering. Het computerspel dat meneer Mára ontwikkelt vergemakkelijkt de verwerking: ‘ik speelde dat prehistorische spel en vergat waar en wie ik was, ik vergat het geschreeuw en gerochel, in de drukte van de stipjes vergat ik de stront die uit de broekspijpen viel en stroomde, ik vergat de gezichten van de gasten die door de dood een pop werden, ik vergat dat ik zelf een pop was geworden’.

Bij zijn vrijlating wordt het hoofdpersonage opgewacht door oom Kops, die hij al kent sinds zijn kindertijd. Deze charismatische man is in het dodenkamp van Theresienstadt geboren en heeft er zijn missie van gemaakt om de periode te gedenken ‘toen de vestigingstad een gevangenis en martelinrichting en executieplaats was’. Daarom leidt hij archeologische excursies in gangen, bunkers en catacomben. Met zijn kennis van het Engels kan het hoofdpersonage de brug slaan tussen Kops en ‘de britsenspeurders’, westerse jongeren die geobsedeerd zijn door de Holocaust, al dan niet omdat hun voorouders erin stierven. Eén van hen is Sára, op wie het hoofdpersonage verliefd wordt. De naïviteit waarmee ze kennis neemt van het kwaad is aandoenlijk. Wanneer ze getuige is van een lynchpartij zegt ze enthousiast: ‘Mijn eerste pogrom. Dat moet ik toch echt in mijn meisjesdagboek noteren’. Haar praktisch talent helpt om de door Kops geïnspireerde beweging op de kaart te zetten: ze trekt de aandacht van de internationale media en vergaart inkomsten door de verkoop van toeristische souvenirs. Bijzonder succesvol is het T-shirt met opschrift Als Kafka zijn eigen dood had overleefd, was hij hier vermoord. Ook de gettopizza ziet het licht. Het hoofdpersonage neemt de computertechnische kant van de beweging op zich. ’s Avonds luisteren de bristenspeurders, waarvan het aantal groeit, naar de verhalen van Kops, die aanbeden wordt als therapeutische goeroe. Daarna zijn er spelen en dansen, met wijn en cannabis. Door een slechte boekhouding en illegale restauratiewerken roept de beweging de fiscus, de politie en bulldozers over zich heen. In de chaos sticht het hoofdpersonage brand om de sporen van zijn betrokkenheid uit te wissen; een nieuwe gevangenisstraf is voor hem geen optie. Met de hulp van Maruška, de tweede vrouw voor wie hij een zwak heeft, vlucht hij naar Wit-Rusland.

Al snel wordt duidelijk dat niet het hoofdpersonage voor Wit-Rusland, maar wel Wit-Rusland voor het hoofdpersonage heeft gekozen. Maruška, die hem vakkundig doorheen de douanecontroles en de volksdemonstraties tegen de dictatuur gidst, is een lokgeitje. Ze heeft van Kagan de opdracht gekregen om hem naar Minsk te halen. Kagan staat aan het hoofd van een ondergrondse Wit-Russische organisatie die de massagraven openlegt. Hun oogst is niet min, aangezien er tijdens WO II met name in Wit-Rusland lelijk is huisgehouden. Het gebied fungeerde een soort van laboratorium waarin het naziregime uittestte in hoeverre het mogelijk was om ook de Slavische bevolking uit te roeien. Ook de plaatselijke bevolking en de Sovjets hebben deelgenomen aan het kwaad, zo verneemt de verteller. Het is de overtuiging van de organisatie dat Chatyn beter nog dan Auschwitz geschikt is om toeristisch geëxploiteerd te worden. Het museum in oprichting is gedoopt ‘De werkplaats van de duivel’. Het hoofdpersonage is er vooral bijgehaald voor de USB-stick die hij bij zich draagt: deze bevat databases met de contacten en sponsoren van Theresienstadt. Met trots geeft een handlanger van Kagan inzage in de toekomstige museumcollectie. Hiertoe behoren tot robots geprepareerde lijken die aan de bezoekers getuigen over wat ze meegemaakt hebben. Groot is de ontsteltenis van het hoofdpersonage wanneer hij ook oom Kops, die in de chaos van Theresienstadt verdwenen was, tussen deze robots ontwaart. Zelfs voor hem, anders zo laconiek, blijkt de dosis gruwelijkheden onverteerbaar geworden. Bovendien vreest hij voor zijn leven. Door moord en brandstichting weet hij aan de organisatie te ontsnappen. Vertroosting vindt hij bij Ula, zijn derde liefje, aan wiens zijde hij sereen de dood tegemoet treedt.

Jáchym Topol (1962)

In het dankwoord van De werkplaats van de duivel verontschuldigt Jáchym Topol (1962) zich dat hij ‘niet volkomen realistisch over demonen kan schrijven’. Toch zijn niet alle groteske gebeurtenissen in dit boek volledig uit de lucht gegrepen, zo verduidelijkte de Praagse dichter, romancier en journalist tijdens een interview in Amsterdam op 13 april. Enkele jaren geleden werd Theresienstadt echt overspoeld door mediagenieke leden van wat men in vakliteratuur bestempelt als de derde Holocaust-generatie. Eén van hen was een meisje dat model stond voor Sára. Hun carnaval zonder einde op de ruines van de dood stootte op onbegrip, waarna ze verjaagd werden. Topol zelf neemt een ambigu houding aan tegenover deze jongeren. Enerzijds deelt hij hun fascinatie voor het aangerichte kwaad, voor de vraag of het opnieuw kan gebeuren. Anderzijds toont hij begrip voor het onbegrip van wie een meer serene manier van gedenken voorstaat. Deze houding is kenmerkend voor zijn schrijverschap: op geen enkel ogenblik zwaait hij met het moraliserende vingertje. Hij roept veel vragen op, maar onthoudt zich van sluitende antwoorden. Hij straalt de overtuiging uit dat het beantwoorden van vragen niet tot zijn takenpakket als schrijver behoort.

Het naar liefde en zelfbehoud strevende, weinig intellectuele hoofdpersonage, dat met zijn selectieve krachtdadigheid wel een neefje van Jaroslav Hašeks brave soldaat Švejk lijkt, is een uiterst geschikt instrument om het thema van het kwaad te bevragen. Wat Topol betreft is hij een exponent van de Oost-Europese opvoeding. Hij is gehard door de totalitaire wreedheden waarmee hij is opgegroeid en heeft geleerd om zijn emoties voor zich te houden. Daarnaast is hij ‘een stamlid’: hij geeft slechts om degenen die deel uitmaken van zijn eigen clan, zoals Kops en de britsenspeurders. Afhankelijk van de omstandigheden is hij assistent van de beul of romanticus. De afwezigheid van een glasheldere oppositie tussen goed en kwaad en van voorgekauwde verontwaardiging verheft dit boek mijlen boven het gros van de Holocaustliteratuur. Het maakt Topol ook een stuk minder toegankelijk dan zijn landgenoot Milan Kundera, die met zijn politiek correcte helden, dissidenten met hersenen en sexappeal, ons aller hart veroverde. Door de Wit-Russische vrienden van Topol zelf wordt De werkplaats van de duivel alvast weinig geapprecieerd, hoewel dit boek de nog weinig bekende gruwelen die in Wit-Rusland tijdens WO II plaatsvonden onder de aandacht brengt. De schrijver wijt dit aan het in Wit-Rusland heersende totalitarisme, dat aan de literatuur een manicheïstische logica opdringt. Het is ook pas na het communistisch debacle in eigen land dat hij zichzelf hiervan heeft weten te bevrijden.

De werkplaats van de duivel is een sterk verontrustend boek, in de meest lovenswaardige betekenis van het woord. Behalve in de originele, fantasierijke uitwerking van de thematiek van het kwaad ligt de hypnotiserende kracht besloten in de vakkundige compositie en in de krachtige vertelstijl. Deze roman bestaat in feite uit twee op elkaar lijkende verhalen, waarvan het tweede een karikaturale reflectie is van het eerste. De in oorsprong goed bedoelde, maar op den duur degoutante toeristische exploitatie van het aangerichte kwaad in Theresienstadt wordt in het tweede deel van dit boek getransponeerd naar Wit-Rusland, waar dit uitmelken nog absurdere vormen aanneemt. Het gedenken van de massale slachtpartijen wordt er de motor voor nieuwe moorden, alsof het kwaad bij uitstek in een totalitaire context een bacterie is, die je besmet als je je er te lang over buigt. De tegenstelling tussen Tsjechië en Wit-Rusland manifesteert zich ook in de architectuur en landschappen, die in dit boek bijna aparte personages te noemen zijn. Tegenover de smalle, kronkelige straten van Praag staan de lijnrechte, brede lanen van Minsk. Tegenover de wallen, bunkers en mangaten van Theresienstadt staan de koude bossen de Chatyn. Beide verhalen eindigen met een door het hoofdpersonage gesticht apocalyptisch vuur. De vertelstijl van De werkplaats van de duivel doet door zijn spreektaligheid denken aan andere meesterwerken uit de Tsjechische literatuur. In het bijzonder aan Bohumil Hrabal, wiens ‘levende taal’ voor Topol destijds een openbaring was. In de vertaling van Edgar de Bruin komt de muzikale, levende taal van Topols verteller, die gedragen wordt door vele komma’s en herhalingen, volledig tot zijn recht. Zijn ironievolle stem zorgt voor een lichtzinnige toets, die wonderbaarlijk genoeg nergens vloekt met de beschreven gruwel. Die maakt van dit boek een zeer genietbaar cultuurproduct. Het is een zeldzame verdienste om dit te bereiken met zo’n zware thematiek, zonder te vervallen in schaamteloze smakeloosheden à la La vita è bella van Roberto Benigni.

[Recensie verschenen in De leeswolf]

Getagged ,

Aleksandr Poesjkin: Demonen

Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Еду, еду в чистом поле;
Колокольчик дин-дин-дин…
Страшно, страшно поневоле
Средь неведомых равнин!
Wolken razen, kringelen omhoog,
de nacht is waas, gelijk de hemel.
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
Verder in het vrije veld rijd ik…
Het klokje is aan het klingelen
en of ik wil of niet – ik heb schrik
van de vlakten die me omsingelen.
“Эй, пошел, ямщик!…” – “Нет мочи
Коням, барин, тяжело;
Вьюга мне слипает очи;
Все дороги занесло;
Хоть убей, следа не видно;
Сбились мы. Что делать нам!
В поле бес нас водит, видно,
Да кружит по сторонам.
‘Komaan, koetsier, wat is dat hier?!’
– ‘Ze zijn ten einde kracht, de paarden.
Door die storm en wind zie ik geen zier,
de weg ligt vol met sneeuw, m’n waarde.
Sla me dood, maar bijster is het spoor;
We zijn goed verdwaald. Wat nu gedaan?
In het veld leidt ons een demon voor,
en wervelt rond. Of is het een waan?
Посмотри; вон, вон играет,
Дует, плюет на меня;
Вон – теперь в овраг толкает
Одичалого коня;
Там верстою небывалой
Он торчал передо мной;
Там сверкнул он искрой малой
И пропал во тьме пустой”.
Kijk daar: hij gooit zijn remmen los!
Hij spuwt op mij en blaast een mist;
Nu daar: een op hol geslagen ros
drijft hij een kloof in met een list.
Als een nooit geziene bonenstaak
verscheen die duivel voor mijn ogen
en fonkelde als een vonkje raak.
Het duister heeft hem opgezogen.’
Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Сил нам нет кружиться доле;
Колокольчик вдруг умолк;
Кони стали… “Что там в поле ?” –
“Кто их знает? пень иль волк?”
Wolken razen, kringelen omhoog.
De nacht is waas, gelijk de hemel;
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
Het klokgetingel dat plots verstomt;
Bijna verschraald zijn onze krachten;
‘Wat zit daar in het veld, verdomd?
Een stronk of wolf?’ – de paarden wachten…
Вьюга злится, вьюга плачет;
Кони чуткие храпят;
Вот уж он далече скачет;
Лишь глаза во мгле горят;
Кони снова понеслися;
Колокольчик дин-дин-дин…
Вижу: духи собралися
Средь белеющих равнин.
Ze snuiven, briesen, voelen wrevel.
De woeste storm raast, huilt en giert;
Kijk daar, hij draaft weg in de nevel,
die door zijn vuuroogjes wordt versierd.
Ze zijn in draf nu, onze beesten;
Klokgetingel terwijl we rijden…
Ik zie: een samenkomst van geesten,
Op wit opflakkerende weiden.
Бесконечны, безобразны,
В мутной месяца игре
Закружились бесы разны,
Будто листья в ноябре…
Сколько их! куда их гонят?
Что так жалобно поют?
Домового ли хоронят,
Ведьму ль замуж выдают?
Het zijn oneindige gedrochten
die in de troebele maneschijn
rondwervelen in kromme bochten
alsof het novemberblaadjes zijn.
Zoveel zijn er! Waarheen gedreven?
Waarom zingen ze zo triest en hol?
Verliet een huisgeest soms het leven,
of is dit het trouwfeest van een kol?
Мчатся тучи, вьются тучи;
Невидимкою луна
Освещает снег летучий;
Мутно небо, ночь мутна.
Мчатся бесы рой за роем
В беспредельной вышине,
Визгом жалобным и воем
Надрывая сердце мне…
Wolken razen, kringelen omhoog,
de nacht is waas, gelijk de hemel.
De maan, onttrokken aan het oog,
verlicht het sneeuwvlokkengewemel.
De demonen razen in een zwerm
onder de eindeloze hemelschijf;
Hun gekrijs en klagerig gekerm
jagen mij de stuipen op het lijf…
Vertaling © 2012 Pieter Boulogne. Een eerdere versie verscheen in Engelen en demonen. Een bloemlezing uit de wereldpoëzie. Samengesteld door Lara Sels & Eric Metz. Gent: Poëziecentrum, 2009. p. 30-33. Oorspronkelijke titel: “Бесы” (1830).
Getagged ,