Auteursarchief: Pieter Boulogne

Redevoering van Nadezjda Tolokonnikova (Pussy Riot) van 26 juli 2013

Afbeelding

De onderstaande tekst is een vertaling uit het Russisch van de op 26 juli 2013 in de rechtbank door Nadezjda Tolokonnikova (een van de veroordeelde leden van de punkrockband Pussy Riot) uitgesproken redevoering, in het kader van haar (opnieuw geweigerde) aanvraag tot vervroegde vrijlating. De Russische tekst werd diezelfde dag gepubliceerd door Radio Svoboda.

“Opnieuw wil ik het hebben over heropvoeding. Voor de zoveelste keer op rij kom ik tot de overtuiging dat authentieke opvoeding in Rusland enkel kan bestaan op autodidactische wijze. Als je jezelf niets aanleert, dan zal niemand je wat aanleren. En als ze je toch iets aanleren, dan is het god weet wat. Met de huidige machthebbers heb ik veel, extreem veel stilistische meningsverschillen. Dat aantal wordt stilaan problematisch.

Wat kunnen ons de organen van de staat aanleren? Hoe kan mij iets worden bijgebracht door de strafkolonie, en jullie door pakweg de televisiezender Rossija-1? Tijdens zijn speech na het ontvangen van de Nobelprijs zei Iosif Brodski: ‘Hoe rijker de esthetische ervaring van het individu is, en hoe sterker zijn smaak is, des te duidelijker zal zijn ethische voorkeur zich manifesteren en des te vrijer zal hij zijn – al betekent dat niet dat hij ook gelukkiger zal zijn.’

Opnieuw zijn we in Rusland in zo’n situatie beland dat verzet – en dat verzet is niet in de laatste plaats van esthetische orde – onze enig mogelijke morele keuze en onze burgerplicht is geworden.

De esthetiek van het regime van Poetin is conservatief. Het is geen toeval dat ze consequent, halsstarrig refereert en nieuw leven geeft aan de esthetische opvattingen van twee historisch voorgaande regimes: de esthetiek van het tsarenrijk en de idioot geïnterpreteerde esthetiek van het socialistisch realisme, met zijn aan de leider loyale arbeiders van de spreekwoordelijke Oeralwagonfabriek. Die reanimatie gebeurt dermate lomp en ondoordacht, dat de ideologische apparaten van het politieke bestel geen enkele lof toekomt. Zelfs een woestenij is, in haar minimalisme, bekoorlijker en aantrekkelijker.

Iedere instelling die in Rusland afhangt van de staat, en zeker een dermate belangrijk onderdeel van de staatsrepressiemachine als de strafkolonie, draagt met kruiperige toegewijdheid bij tot die petieterige esthetiek.

Als je bijvoorbeeld een vrouw bent, zeker als je jong en enigszins aantrekkelijk bent, dan ben je gewoonweg verplicht om deel te nemen aan de schoonheidswedstrijden die in de strafkolonie georganiseerd worden. Als je niet deelneemt, kom je niet in aanmerking voor vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het aan je laten voorbijgaan van de Miss Charming-wedstrijd. Als je niet deelneemt, dan betekent dat, volgens het besluit van de strafkolonie en van de rechtbank die haar napraat, dat je niet actief wil deelnemen aan het leven. Mijn standpunt is net dat mijn principiële en weldoordachte actieve deelname aan het leven zich manifesteert in de boycot van de schoonheidswedstrijd. Mijn actieve levenshouding – die van mij alleen is, en niet samenvalt met de conservatieve houding van de strafkampdirectie – brengt me tot de studie van boeken en kranten, waarvoor ik zoveel mogelijk tijd tracht te maken door naar de afstompende activiteiten van de strafkolonie mijn kat te sturen.

Overal – op de schoolbanken, in de gevangenissen, aan de universiteit, in de kieshokjes en voor televisie – worden we aangeleerd te gehoorzamen, te liegen, op onze tong te bijten, ‘ja’ te zeggen als we zin hebben in ‘nee’. Als we ons willen wagen aan de grote beschavingsopgave zullen we in onszelf, in onze kinderen en in onze vrienden een tegengif moeten ontwikkelen voor deze gedweeheid, die de mens opvreet.

Ik eis dat een kat een kat genoemd wordt. Het klopt dat ik gedeeltelijk gezakt ben voor de toets van de strafkolonie aangaande mijn loyaliteit aan het conservatieve waardensysteem en zijn esthetiek, maar het is ridicuul om te beweren dat ik geen actieve levenshouding aan de dag leg.

Niet minder ridicuul zijn de zogezegde “overtredingen” die mij ten laste worden gelegd. Het is waar dat ik uit mijn eerste cel aantekeningen meegenomen heb waarin de hel en de onmenselijke omstandigheden beschreven worden die de voorlopige hechtenis in Moskou voor mij betekenden. Natuurlijk zijn de medewerkers van die gevangenis vreselijk kwaad op mij geworden, hebben ze me een overtreding aangesmeerd en hebben ze me op volledig illegale grond verbod gegeven om zelfs in mijn eigen cel aantekeningen te maken – met hun eindeloze doorzoekingen van mijn cel hebben ze me al mijn aantekeningen afhandig gemaakt. Het is waar dat ik in het kampziekenhuis tijdens mijn hospitalisatie vanwege hevige hoofdpijnen geen buiging tot op de grond gemaakt heb tegenover een van de plaatselijke medewerkers, die daardoor op zijn tenen was getrapt. Het klopt dat ik in club IK-14 geweest ben. En wat dan nog? Tijdens de behandeling van mijn aanvraag tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling door de rechtbank van het arrondissement Zoebovo-Poljanski, was me gezegd om in de strafkolonie deel te nemen aan het verenigingsleven.

Mijn vriendin Marija Aljochina kreeg een negatief antwoord op haar aanvraag tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling omdat ze – O, wat een onheil! – op haar werkplaats gesignaleerd was zonder wit hoofddoekje. Ik vraag me af of de rechter die een dergelijke verordening uitspreekt beseft waar hij mee bezig is.

Ik weet dat ik in het Rusland dat Poetin achternaholt nooit vervroegd zal vrijkomen. Ik ben naar deze rechtbank gekomen om nogmaals de absurditeit aan het licht te brengen van de olie-gas-en-grondstoffen-rechtspraak, die mensen verdoemt tot een zinloos bestaan in een strafkamp, zogezegd vanwege aantekeningen en hoofddoekjes.

Het is van belang om diegenen die vandaag de kracht en de macht hebben om ons te verpletteren eraan te herinneren dat niemand hen garanties kan geven over waar ze morgen zullen staan. De macht is niet eindeloos – dat is zelfs nog onvermijdelijker dan dat twee maal twee vier is. Als machthebbers – en dat geldt voor hen allemaal – dat inzien, dan moeten ze zichzelf beteugelen. Om hun eigen toekomst veilig te stellen.

De machthebbers krijgen vast nog eens de rekening gepresenteerd voor hun opvoeding van de conformistische massa, voor hun heropvoedingsmaatregelen – over opvoeding gesproken! – om het individu te doen aansluiten bij de gehoorzame massa. Want een macht die gebaseerd is op loyaliteit en bereidheid tot gehoorzaamheid, en niet op de doordachte principes en de overtuigingen van haar onderdanen, is zwak. Als jullie macht gebaseerd is op de indifferentie, of zelfs op de angst van de mensen, dan is dat voor jullie bijzonder slecht nieuws. Morgen zal wie uit conformisme zijn stem aan Poetin gaf aan de kant gaan staan van wie dan de nieuwe macht zal uitmaken.

Vroeger ergerde ik me aan het argument ‘Wie anders dan Poetin?’. Nu haal ik daar plezier uit, steeds meer en meer. Want dat argument impliceert geen getrouwheid aan Poetin, maar wel een latente verwerping. Alternatieven zijn er steeds meer en meer. Hun aantal groeit onder meer vanwege de onbehouwen, paniekerige, repressieve acties van de machthebbers. Ongezien ridicuul is de reactie die ze uit hun hoed getoverd hebben ten overstaan van Aleksej Navalnyj, die daarentegen blijk gegeven heeft van principes, moed en getrouwheid aan zijn overtuigingen. Daardoor is het politiek kapitaal van Navalnyj toegenomen, en niet dat van de machthebbers.

Ik ben trots op iedereen die bereid is op de bres te gaan staan voor zijn principes. Enkel op die manier kunnen er grote politieke, morele en esthetische veranderingen komen. Ik ben trots op iedereen die op een zomeravond uit zijn comfortzone gekomen is, die op 18 juli [NVDV: toen vond een spontane demonstratie plaats tegen het vonnis in de zaak Navalnyj] de straat op is gegaan om zijn rechten op te eisen en zijn waardigheid als mens te verdedigen.

Ik weet dat onze symbolische macht, die voortkomt uit overtuigingen en moed, jaar na jaar sterker wordt, dat ze aan het veranderen is in iets groters. En dan zullen Poetin en wie uit zijn hand eet over de staat de macht verliezen.”

Getagged , , , , , , , , , , , , , ,

Navalnyj kandidaat-burgemeester Moskou

Pieter Boulogne's avatarVan Poesjkin tot Poetin en snel terug

Op 10 juli 2013 heeft Aleksej Navalnyj, bekend van zijn blog over de graaicultuur van de overheidspartij, bij het kiescomité Mosgorizbirkom de nodige handtekeningen neergelegd om zich verkiesbaar te stellen tot burgemeester van Moskou. Ik was in de buurt en kon zien hoe dat in zijn werk ging: de goed vertegenwoordigde politiemacht liet aan het honderdtal mensen dat Navalnyj begeleidde met een megafoon weten dat hun actie (er waren geen spandoeken en er werden aanvankelijk geen slogans gescandeerd) “niet goedgekeurd” was, waarna ze Navalnyj met een man of vijf een politiebusje insleurden. De massa liet zich niet intimideren.

Korte tijd daarop werd Navalnyj weer vrijgelaten – kennelijk werd de politieactie door hogerhand te ijverig bevonden. Toen gaf hij deze korte speech (hij was zo vriendelijk om ditmaal net voor mijn neus te gaan staan):

Daarna trokken Navalnyj en zijn medestanders door Moskou om brochures over zijn programma uit te…

View original post 235 woorden meer

Navalnyj kandidaat-burgemeester Moskou. Kroniek van een aangekondigde veroordeling

Op 10 juli 2013 heeft Aleksej Navalnyj, bekend van zijn blog over de graaicultuur van de overheidspartij, bij het kiescomité Mosgorizbirkom de nodige handtekeningen neergelegd om zich verkiesbaar te stellen tot burgemeester van Moskou. Ik was in de buurt en kon zien hoe dat in zijn werk ging: de goed vertegenwoordigde politiemacht liet aan het honderdtal mensen dat Navalnyj begeleidde met een megafoon weten dat hun actie (er waren geen spandoeken en er werden aanvankelijk geen slogans gescandeerd) “niet goedgekeurd” was, waarna ze Navalnyj met een man of vijf een politiebusje insleurden. De massa liet zich niet intimideren.

Korte tijd daarop werd Navalnyj weer vrijgelaten – kennelijk werd de politieactie door hogerhand te ijverig bevonden. Toen gaf hij deze korte speech (hij was zo vriendelijk om ditmaal net voor mijn neus te gaan staan):

Daarna trokken Navalnyj en zijn medestanders door Moskou om brochures over zijn programma uit te delen aan de Moskouse kiezers. Dit meisje deed dat met een bijzondere hartstocht:

Dit is het filmpje dat het campagneteam van Navalnyj van zijn eerste verkiezingscampagnedag maakte. De lichte toon contrasteert met de grimmige sfeer waarin de campagne begonnen was (van de pogingen tot intimidatie door de politie is niets in het filmpje terecht gekomen – Navalnyj profileert zich niet als martelaar):

Een dikke week later, op 18 juli 2013, werd Navalnyj na een (eerste) schijnproces in Sovjetstijl veroordeeld tot vijf jaar vrijheidsberoving, wat in Rusland behalve een praktisch ook een formeel beletsel vormt om nog een politieke carrière na te streven. Van zodra dat vonnis in werking treedt (dat was 18 juli al het geval, maar na massaal straatprotest van Moskovieten werd die beslissing tot nader order geannuleerd) – wat een administratieve beslissing is – verdwijnt Navalnyj achter slot en grendel.

Navalnyj en zijn echtgenote na het horen van het vonnis van 18 juli 2013.

Navalnyj en zijn echtgenote na het horen van het vonnis van 18 juli 2013.

Voor zijn strijd tegen de overheidscorruptie, die ook effectief vruchten heeft afgeworpen, betaalt Navalnyj een dure prijs. Of het Kremlin ooit de rekening voor zijn lafheid zal worden gepresenteerd, valt moeilijk te voorspellen. In ieder geval komen dergelijke overduidelijk politiek gemotiveerde processen de populariteit van Poetin bij de Moskovieten niet ten goede. Daartegenover staat dan weer dat het charmeoffensief jegens de bevolking, dat een decennium geleden door de machthebbers gelanceerd werd, stapsgewijs vervangen wordt door de vanonder het stof gehaalde duimschroeven – wat voorlopig in het algemeen beschouwd hetzelfde effect oplevert (collectieve gedweeheid).

Getagged , , , , , , , , , , , ,

Anton P. Tsjechov: Toneel

tsjechovDe ‘Russische Bibliotheek’ van uitgeverij Van Oorschot is dit jaar precies zestig jaar geleden opgericht. De bedoeling was om Russen die bij ons nog niet voldoende bekend waren, beschikbaar te stellen van de Nederlandse en Vlaamse lezers. Tegenwoordig lijkt deze pioniersrol begraven, en wordt deze reeks exclusief in het teken gehouden van altijd  dezelfde plejade, die bestaat uit vijftien schrijvers waarvan geen één geboren werd na 1900 (van Poesjkin tot Babel). Het signaal dat hiermee ongewild en volledig onterecht wordt gegeven, is dat andere Russische schrijvers niet hetzelfde niveau halen. Wel moet worden gezegd dat Van Oorschot de in commercieel opzicht veilige consolidatie van de ‘Russische Bibliotheek’ meer dan ernstig neemt: de laatste jaren werd een klein legertje topvertalers ingeschakeld om meesterwerken van Dostojevski, Tolstoj en Gogol te voorzien van gloednieuwe vertalingen. Dat rijtje wordt nu aangevuld met Tsjechov, wiens verzamelde toneelstukken goed zijn voor een 1248 pagina’s tellend zesde deel van zijn ‘Verzamelde werken’.

In een brief aan een tijdgenoot bekende Tsjechov in 1895 dat hij ‘helemaal geen toneelschrijver’ was, maar zelfs 150 jaar na zijn dood staat er in de meeste landen van de wereld nog ieder theaterseizoen een nieuwe uitvoering of bewerking van een van zijn stukken op het programma. De kans is dan ook reëel dat we één van de komende jaren de herboren Nederlandse stem die de vertaalsters Marja Wiebes en Yolanda Bloemen hem hebben gegeven, zullen horen weerklinken in de plaatselijke stadschouwburg. Deze verzameling toneelstukken, die voor het eerst compleet is, stelt theaterregisseurs niet alleen in staat om het gekende te herontdekken, maar ook om minder bekende toneelstukken van Tsjechovs hand te leren kennen. Naast de obligate De meeuw, De kersentuin, Oom Vanja en De drie zusters bevat dit boekdeel namelijk nog zevenentwintig andere toneelteksten – zoals bijvoorbeeld het postuum ontdekte jeugdwerk Vaderloosheid, dat momenteel in Vlaanderen in een bewerking van Perceval te bewonderen is onder de titel Platonov.

Toegegeven, niet alle in deze bundel opgenomen kluchten, komedies, drama’s en andere toneelstukken lenen zich even gemakkelijk voor de scène. Zo beslaat het zogenaamde ‘toneelstuk in twee bedrijven’ Stadslui – waarin provinciale lieden Parijs naar voren schuiven als voorbeeld van efficiëntie, maar tegelijkertijd inefficiëntie als norm omarmen – niet meer dan vijf pagina’s. Bovendien bevat een aantal stukken surrealistisch vertellerscommentaar dat de cast niet perse vergemakkelijkt. Zo lijkt het vrouwelijke hoofdpersonage van de ‘niet-bestaande vaudeville’ Een domme vrouw, of een kapitein in ruste ‘en profil op een slak, en en face op een zwarte spin’. Het feit dat met name sommige vroegere werken van Tsjechov invloeden van de absurde humor van Gogol verraden, en niet perse bedoeld zijn om te worden gespeeld, heeft dan weer een ander voordeel. In tegenstelling tot zijn rijpere, door het existentialisme geannexeerde toneelstukken, die moeilijker te volgen zijn voor wie niet de gewoonte heeft om toneel te lezen, laten ze zich lezen als tot dialogen uitgeschreven kortverhalen – en, zoals bekend, heeft Tsjechov ook daarvan kaas gegeten.

Anton Tsjechov. Toneel, verzamelde werken, deel 6. Van Oorschot. ISBN 9789028242692. Vertaling Yolanda Bloemen en Marja Wiebes. 

[Recensie verschenen in De Leeswolf juni 2013]

Getagged , , , , , , , , , , , , ,

De liefde als blinddoek tegen de dood. Michaïl Sjisjkin: Onvoltooide liefdesbrieven

untitledVolgens de achterflap is Onvoltooide liefdesbrieven ‘diep geworteld in de Russische volksaard en Russische traditie’ – een uitspraak die gewicht krijgt omdat die verschenen is in Times Literary Supplement. Om de een of andere reden vinden critici het feit dat een boek deel uitmaakt van de Russische literatuur bijna altijd belangrijk voor de manier waarop we ernaar moeten kijken. Behoudens het gebruik van het afschuwelijke woord ‘volksaard’, is dat niet geheel onterecht. De hedendaagse Russische schrijvers wentelen zich in hun nationale cultuur met dezelfde gretigheid als varkens in de modder. Al dan niet tussen de regels, hekelen ze typisch Russische toestanden en refereren ze te pas en te onpas aan andere Russische schrijvers. Het gevolg van die onderonsjes is dat heel wat hedendaagse Russische boeken moeilijk toegankelijk zijn westerse lezers die niet geschoold zijn in de Russische letterkunde (en dan nog).

De vaststelling dat veel hedendaagse Russische schrijvers hun nationale cultuur beschouwen als hun natuurlijke biotoop, geldt niet voor Michaïl Sjisjkin. Hij werd geboren in 1961 in Moskou en publiceerde vier in Rusland bekroonde romans in het Russisch, maar vooraleer Russisch schrijver te zijn, is hij schrijver. Zijn vaderland, dat hij onlangs nog een ‘piramide van dieven’ noemde, ruilde hij bijna twee decennia geleden in voor Zwitserland – tot zijn eigen grote tevredenheid. Tijdens een interview werd hem enkele jaren geleden de vraag gesteld hoe je Russisch schrijver kan zijn zonder in Rusland te wonen. Daarop antwoordde hij dat het kapitaal van een schrijver niet bestaat in de plaats waar hij geboren is, maar in de ervaringen die hij opdoet tijdens het leven. In die kosmopolitische geest schreef hij ook Onvoltooide lezersbrieven (de oorspronkelijke titel is Pismovnik, wat eigenlijk zoiets als ‘brievenboek’ betekent). Het feit dat het zich grotendeels in Rusland afspeelt is niet bijzonder relevant. Je komt daarin wel verwijzingen tegen naar klassieke Russische schrijvers, zoals Gogol en Dostojevski, maar die maken behalve van de Russische literatuur ook deel uit van de wereldliteratuur. Bovendien bevat het boek ook een heleboel verwijzingen naar de Europese cultuur in brede zin, zoals Plato, Democritus, Pythagoras, Rousseau, Stendhal, de Mona Lisa. Als je de namen van de hoofdpersonages, die Vladimir (Volodjenka) en Aleksandra (Sasjenka) en heten, zou veranderen in Pablo en Anika, dan zou het moeilijk te raden vallen dat deze roman deel uitmaakt van de Russische literatuur. Het boek overstijgt de grenzen van de Russische literatuur. Het gaat niet over het leven van de Russen of over het leven in Rusland, maar wel over het leven van ons allemaal. Of om preciezer te zijn: over de dood die ons allen te wachten staat.

Sjisjkin is naar eigen zeggen niet geïnteresseerd om een boek te produceren dat ‘gelezen wordt in de metro of in de trein, wanneer de lezer niets te doen heeft’. Omdat hij het in Onvoltooide liefdesbrieven wil hebben over de dood, dat hij als het kernprobleem van het leven beschouwt, schrijft hij over de liefde. Zoals hij een van zijn personages laat zeggen: ‘Alle grote boeken […] doen alleen maar alsof ze over de liefde gaan, om het interessant te maken voor de lezer. Maar in feite gaat het over de dood. Liefde in boeken is zo’n schild, of liever gezegd gewoon een blinddoek. Om niet te hoeven zien. Zodat het niet zo erg is.’ Voor de uitbeelding van die liefde schept Sjisjkin een man en een vrouw: Vladimir en Aleksandra. Beide hoofdpersonages zijn autobiografisch, als we de auteur mogen geloven: ‘Al mijn personages gaan over mij. […] Al mijn mannelijke personages zijn verenigd in het mannelijke “ik”-personage en alle vrouwelijke personages belichamen mijn perceptie van de vrouw. In mijn teksten smelt alles samen, het enige wat overblijft is de grens tussen man en vrouw’. Zowel Vladimir als Aleksandra delen Sjisjkins obsessie met de dood.

Vladimir is een belezen, enigszins nuchtere jongeman, die als soldaat ten oorlog trekt – wat hij doet zonder enig enthousiasme. Omdat hij aanleg heeft voor literatuur, wordt hij in het leger belast om de familieleden van zijn gesneuvelde  wapenbroeders per brief in te lichten over hun verliezen. Aleksandra is een dromerige jonge vrouw, die thuis achterblijft. Als een soort van Abélard en Héloise, maar dan gescheiden door de oorlog, schrijven de verliefden elkaar hartstochtelijke brieven. Het zijn deze brieven die deze roman uitmaken – alles vanuit zijn en haar standpunt, zonder alwetende verteller. Vladimir beschrijft met toenemende depressiviteit de gruwelen van de oorlog, waarbij hij haar maag niet spaart: ‘De verwrongen mond met stukgebeten tong, het weggerolde oog. Een lichaam zonder hoofd is iets onmogelijks, iets wat veel te kort is. Uit de hals van dit lichaam vloeide een donker stroompje. Vreemd, hoor. Je kunt dit alles kennelijk zien zonder gek te worden’. Intussen gaat Aleksandra’s leven verder, in zijn banaliteit, maar toch voldoende gevuld van ellende. Zowel aan het front als thuis heerst de dood – op het eschatologische af.

Op het eerste gezicht is de plot en de structuur van de roman niet baanbrekend. Het lijkt een beetje alsof Oorlog en vrede de vorm van een briefroman heeft aangenomen. Bij nader inzien blijkt het om een pseudo-briefroman te gaan, om een soort van collage. De brieven die Vladimir en Aleksandra elkaar schrijven, staan los van elkaar. Op geen enkel moment is er sprake van echte communicatie, op geen enkel moment wordt er gereageerd op iets wat de ander heeft geschreven. De brieven van Vladimir en Aleksandra zijn intieme dagboekaantekeningen, waarvan niet duidelijk is of ze geschreven zijn in de oprechte veronderstelling dat ze door de andere zullen worden gelezen. Het zijn eenzame zielen, die er hevig naar verlangen een te worden met elkaar, maar die eenwording zou wel eens een droom kunnen zijn (‘Tussen zielen zal er altijd een interval, een leegte zijn’). Surrealistisch wordt het wanneer Aleksandra verneemt dat Vladimir gesneuveld is, waarna hun briefwisseling gewoon doorgaat. In haar brieven haalt zij veel herinneringen op aan haar jeugd, met name aan haar vader, maar ook aan haar ontmaagding, en aan verhuizende moedervlekjes. Daarnaast schrijft ze over haar huwelijk, zwangerschap, miskraam, relatieproblemen, de dood van haar oma, stiefdochtertje, ouders.  Terwijl Aleksandra ouder wordt en vereenzaamt, blijft Vladimir, altijd maar als jongeman, brieven sturen van het front – alsof hij voor eeuwig gevangen zit in die oorlog.

De oorlog waarin Vladimir verzeild is geraakt en omkomt, heeft echt plaatsgevonden. Het is de Bokseroorlog, die uitgevochten werd omstreeks 1900. In de Achtlandenalliantie streed Rusland aan de zijde van Japan, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, de Verenigde Staten, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië tegen de opstandige Chinese nationalisten. Omdat dit conflict vandaag door bijna iedereen vergeten is, en Sjisjkin hierop geen duidelijke inleiding geeft, kan het enige tijd vergen vooraleer de lezer doorheeft over welk conflict het precies gaat. Dat lijkt voor Sjisjkin ook niet zo belangrijk te zijn. De gruwel die in de oorlog gezaaid wordt, is universeel. De eerste woorden van Vladimir zijn: ‘Nu hoefde ik alleen nog maar een oorlog uit te kiezen. Maar daar hoefde ik niet lang op te wachten. Als er iets is waar het vaderland wel pap van lust, dan is dat het wel. En de bevriende naties, je hoeft de krant maar open te slaan, of ze zijn al drukdoende baby’s aan de bajonet te rijgen en oude vrouwen te verkrachten.’

Het antwoord dat Vladimir formuleert op de doodsdreiging die hem voortdurend boven het hoofd hangt, is het geschreven woord. Voor hem is het evident ‘dat de oudste oerstof inkt was’. Die inkt brengt hem, tenminste in gedachten, dichter bij zijn geliefde. Haar kunnen schrijven betekent zijn redding, omdat het hem verbindt met wie hij echt is, met wie hij was voor hij ten oorlog trok. Na verloop van tijd raakt hij toch aan het twijfelen of het woord inderdaad de oplossing is: ‘Ik geloofde dat woorden mijn lichaam zouden zijn wanneer ik er niet meer was. Waarschijnlijk mag je niet zo erg van de woorden houden. Ik hield ervan tot gek wordens toe. Maar achter mijn rug gaven ze elkaar knipoogjes. Ze lachten me uit! Hoe meer ik van mezelf in de woorden legde, des te duidelijker werd de machteloosheid om iets met woorden uit te drukken’.

Op het einde van zijn roman buigt Sjisjkin de verhaallijn om tot een cirkel, en belandt hij terug bij de beelden van de eerste pagina’s, waarin verwezen wordt naar de genesis: ‘Er staat dat in het begin het woord zal zijn’. Zijn laatste geschreven woorden gebruikt Vladimir om zijn Aleksandra gerust te stellen dat de afstand tussen hun zielen zal verdwijnen, dat ‘mensen worden wat ze altijd geweest zijn: warmte en licht’. Sommige critici denken dat Sjisjkin de liefde op die manier laat zegevieren over de dood. Het heeft er meer van weg dat hij de liefde laat zegevieren in de dood, die hij voorstelt als een soort omgekeerde oerknal, want het is daarin dat de geliefden verenigd zullen worden (eerder had Aleksandra geschreven dat de dood van een geliefde altijd ‘een geschenk’ is). De uitdrukking van de hoop dat we uiteindelijk ‘weer allemaal bij elkaar’ zullen zijn, rijmt met de sentimentele rode draad die door Onvoltooide liefdesbrieven loopt. Het is een bewijs van het vakmanschap van de schrijver dat dit sentimentalisme geen geforceerde, maar een oprechte indruk maakt, dat het niet ergerlijk is, maar integendeel aandoenlijk. Sjisjkin is erin geslaagd om een originele, ontroerende roman te schrijven over de hamvraag des levens. Gerard Cruys heeft daarvan een prachtige vertaling gemaakt.

Michaïl Sjisjkin, Onvoltooide liefdesbrieven. Querido. 2013. Vertaald door Gerard Cruys. ISBN10 9021446782, ISBN13 9789021446783.

[Verschenen in De Leeswolf, juni 2013]

Getagged , , , ,

Stolen goods

On May 8th, 2013 the following items were taken from my house by a thief, whose conscience by now must be in deep trouble:

  • Laptop DELL Vostro 1520 (service tag 3prpqk1; express service code 8088551857)
  • Laptop DELL Latitude E6520 (service tag dx9x6r1)
  • Camrecorder Canon LEGRA HF R36 (Canon Product Number 0036×223)
  • Tablet ASUS E-pad (TF201-1B101A; SN: C40KAS128126; VN: 8652)
  • Smartphone HTC Desire Brown A8181 (IMEI: 357841035270541; S/N: HT05LPL03711; P/N: 99HKZ011-00)

If you happen to come across this desperate message because you have just typed one of the product numbers,  I would greatly appreciate your help in retracing these goods. I am especially interested in refinding my Laptop DELL Latitude, as it contains exclusive personal data that are highly valuable to me (photographs of my baby daughter and literary translations). My e-mail address is pieter.boulogne@gmail.com.

 

Getagged , , , , , , , , ,

Poesjkin in leren jekker. Alexandr Poesjkin: Literair proza. Vertaald door Hans Boland

Pieter Boulogne's avatarVan Poesjkin tot Poetin en snel terug

Wie ooit al Rusland heeft bezocht, zal het niet ontgaan zijn dat de Russen collectief lijden aan een nationale ziekte: Poesjkinmanie. Sinds Dostojevski in 1880 zijn fameuze Poesjkinspeech afstak, waarin de dichter het kleverige label ‘profeet’ kreeg, heeft de bewondering die Poesjkin (1799-1837) bij zijn landgenoten oogst de vorm van een ongebreidelde cultus aangenomen. Als gevolg daarvan kan je in Sint-Petersburg geen boottochtje langs de kanalen maken zonder dat de luidsprekers in je oren schreeuwen over de zogenaamde Poesjkinplaatsen: plekken waar het de Russische halfgod behaagd heeft te vertoeven, of kennissen te hebben. Als je Odessa bezoekt is de kans groot dat de plaatselijke gids je meetorst naar een gereconstrueerde negentiende-eeuwse hotelkamer, waar je in een vitrinekast een ogenschijnlijk banaal lepeltje kan bewonderen waarmee Aleksandr Sergejevitsj in zijn thee heeft geroerd. Als reactie op dit alles besluipt je de zin om Poesjkin naar de duivel te wensen (dit schrijf ik…

View original post 818 woorden meer

Nietes-welles. Waarom vertaalwetenschap wel cruciaal is voor de receptiewetenschap

Nuttig maar niet cruciaal (nietes)

In het vorige nummer van Filter. Tijdschrift over vertalen werd mijn boek Het temmen van de Scyth, waarin de vroege Nederlandse receptie van Dostojevski onder meer vanuit een vertaalwetenschappelijk perspectief onder de loep wordt genomen, diepgaand besproken door Willem G. Weststeijn. In zijn recensie formuleert hij enkele bijzonder pertinente bedenkingen bij de finaliteit van het onderzoek: hoewel hij erkent dat vertaalstudies nuttig kunnen zijn om receptiestudies te ondersteunen, oppert hij in dezelfde adem dat ‘de vertaalwetenschap niet cruciaal is voor de receptiewetenschap’.[1] Omdat je hieruit zou kunnen afleiden dat een literatuurhistoricus bij het onderzoeken van de receptie van een vertaalde schrijver niet noodzakelijk aandacht hoeft te besteden aan de vertalingen, wil ik op deze kwestie dieper ingaan, met als bedoeling een lans te breken voor de descriptieve vertaalwetenschap.

Voor Weststeijn is het een uitgemaakte zaak dat vertalingen geen reële impact hebben op het beeld dat lezers en critici van een auteur hebben. Hij argumenteert dat ze zich voor het vormen van een beeld over Dostojevski eerder richten op inhoudelijke aspecten van diens werk: ‘Dostojevski als schrijver van suspense-romans, Dostojevski als prediker, Dostojevski als diabiolische persoonlijkheid’. Hij concludeert: ‘Voor de receptie als zodanig zijn vertalingen onmisbaar, voor het beeld dat men zich van een schrijver vormt is de inhoud van zijn werk doorslaggevender’.[2] Met deze redenering suggereert hij dat de schrijfstijl van een auteur van weinig tel is voor het beeld dat we van hem hebben, en – merkwaardiger nog – dat de vertaler niet over de inhoud van het werk gaat dat hij vertaalt (hoewel diezelfde inhoud door hem wordt aangereikt).

Dostojevski als satiricus versus zijn vertalers

Indien de inhoudelijke aspecten van een werk per definitie in ongewijzigde vorm terecht zouden komen in de vertaling, dan nog zou de vertaalwetenschap onmisbaar zijn voor de receptiestudie – indien je tenminste aanneemt dat de schrijfstijl van de auteur er ook toedoet. Zo is de gevierde literatuurwetenschapper Michail Bachtin van oordeel dat de essentie van Dostojevski’s oeuvre niet besloten ligt in de inhoudelijke aspecten, maar in zijn polyfone schrijfstijl – waar in zijn vroege Europese vertalingen weinig of niets van over blijft. Belangrijker nog is de vaststelling dat vertalers zich niet altijd gebonden voelen om een inhoudelijk adequate vertaling af te leveren. Nochtans is dat wat we graag willen geloven. Hermans wees er al op dat wanneer we zeggen dat ‘we Dostojevski gelezen hebben’, we eigenlijk bedoelen dat we hem in vertaling hebben gelezen, waarbij we er gemakshalve vanuit gaan dat dit ‘praktisch even goed is als het origineel’.[3]

De idee dat een vertaling inhoudelijk min of meer hetzelfde verhaal brengt als het origineel is een van de redenen waarom vertalingen gedurende het grootste stuk van de twintigste eeuw door academici stiefmoederlijk behandeld werden. Traditioneel opgevatte receptiestudies, zoals bijvoorbeeld de studie van Jan Romein van de Westerse literaire roem van Dostojevski, concentreren zich vrijwel exclusief op de literaire kritiek.[4] Vertalingen worden daarin niet onderworpen aan een doorgedreven analyse, voor zover ze überhaupt in aanmerking worden genomen – terwijl de onderzochte literaire kritiek vaak afkomstig is van critici die zich beroepen op vertalingen. Niet alleen lezers, maar ook onderzoekers gaan er, paradoxaal genoeg, nogal gemakkelijk vanuit dat vertalingen dan wel ‘slechter dan het origineel’ zijn, maar er toch een min of meer getrouw beeld van geven.

Het spreekt voor zich dat ook de inhoudelijke aspecten van een werk kunnen worden gewijzigd door de manier waarop het vertaald wordt. Verschuivingen kunnen wel degelijk leiden tot een grondig verschillend beeld van het werk van de vertaalde auteur dan zou ontstaan op basis van een adequate vertaling. Dat dit ook het lot was dat Dostojevski te beurt is gevallen in de eerste decennia na zijn ontdekking, kan geïllustreerd worden aan de hand van De gebroeders Karamazow (1913), De onderaardsche geest (1887) en Schuld en boete (1885): drie vroege Nederlandse vertalingen die teruggaan op Franse en Duitse intermediaire teksten die elk een niet te onderschatten rol gespeeld hebben in de popularisering van de Russische auteur.[5]

Prent van André Vlaanderen van een door Franse vertalers uitgevonden scène uit De gebroeders Karamazow (circa 1930)

Prent van André Vlaanderen van een door Franse vertalers
uitgevonden scène uit De gebroeders Karamazow (circa 1930)

De eerstgenoemde titel, De gebroeders Karamazow (1913), komt uitgebreid aan bod in de recensie van Weststeijn. De epiloog van deze zwaar ingekorte vertaling gaat terug op de fantasie van de Franse vertalers Halpérine-Kaminsky en Morice, die een happy end hebben verzonnen om de kansen op succes te vergroten. Daarin ontpopt het hoofdpersonage Aljosja Karamazov zich tot een actieheld in hollywoodiaanse zin: met een list en corruptie bevrijdt hij zijn broer uit de gevangenis, waar hij vrijwillig diens plaats inneemt. Hij valt prompt in slaap en krijgt een visioen van zijn overleden mentor Zosima. Met de vingers in de neus wint hij het proces dat tegen hem wordt aangespannen nadat zijn identiteit is vastgesteld. Daarna keert hij huiswaarts, maar niet zonder zich eerst te hebben verloofd met het personage Liza, die op wonderbaarlijke wijze genezen is van haar kreupelheid. Dat de door Anna van Gogh-Kaulbach in het leven geroepen inkortingen en overgenomen verschuivingen een reële impact hadden op het Dostojevski-beeld van de lezers, kan worden afgeleid uit de Dostojevski-enquête, die in de jaren 1920 door het tijdschrift De stem georganiseerd werd. Steunend op de vertaling van Van Gogh-Kaulbach, karakteriseerde bijvoorbeeld de publicist Johannes Diederik Bierens de Haans de laatste roman van Dostojevski als een roman met ‘korte hoofdstukken’, ‘hevige, afgebroken gesprekken’, een ‘al te schetsmatige aanduiding der situatie’ en, meer algemeen, ‘een modern-Europees aandoende emotionaliteit’.[6] Het is zeer de vraag of deze woorden niet eerder slaan op de Nederlandse vertaling dan op het Russische origineel.

De onderaardsche geest (1888) is een vertaling van het Franse L’esprit souterrain (1886), eveneens van de hand van Halpérine-Kaminsky en Morice. Deze titel verscheen in Parijs toen Dostojevski nog maar pas was ontdekt door het Europese lezerspubliek. Genealogisch vertaalonderzoek heeft uitgewezen dat het in feite een amalgaam is van twee totaal verschillende werken, die Dostojevski in twee verschillende periodes van zijn leven geschreven heeft (voor en na zijn Siberische dwangarbeid); terwijl het eerste deel een vertaling is van het sentimentalistische verhaal De hospita (1847), over de onmogelijke liefde van een romantische dromer, is het tweede deel een vertaling van Dostojevski’s filosofische Aantekeningen uit het ondergrondse (1864), waarvan het hoofdpersonage een misantropische cynicus is, die zijn gal in het gezicht van de lezer spuwt.

Hoewel het los van de historisch-culturele context moeilijk te begrijpen valt, is dit laatste werk van Dostojevski in feite een venijnige parodie op het werk Wat te doen? (1863) van Dostojevski’s utopisch socialistische tijdgenoot Nikolaj Tsjernysjevski.[7] Met zijn Aantekeningen uit het ondergrondse (1864) wilde Dostojevski op snedige wijze polemiseren met zijn utilitaristische ideaal, door in de karikaturale persoon van de ondergrondse man de uiterste consequenties en paradoxen van het rationele egoïsme aan te tonen. In Frankrijk was er omstreeks het midden van de jaren 1880 geen receptiebereidheid voor een dergelijk werk. De meest toonaangevende criticus, de katholieke burggraaf Eugène-Melchior de Vogüé, had bepaalde werken van Dostojevski aangeprezen als tegenvoorbeeld voor de amorele Franse naturalisten. Voor bepaalde andere werken, zoals Aantekeningen uit het ondergrondse, had hij echter gewaarschuwd dat ze niet te lezen waren. Ely Halpérine-Kaminsky vond het werk te waardevol om het onvertaald te laten. Om de voorspelde barrière te overbruggen, vervaardigde hij samen met de obscure symbolistische dichter Charles Morice een belle infidèle. Dat deed hij door de taaiste, meest filosofische stukken uit de brontekst te lichten en wat overbleef samen te voegen met De hospita. Om de hoofdpersonages van beide verhalen op een min of meer geloofwaardige manier te kunnen gelijkstellen, moest zijn leeftijd worden aangepast en werden enkele pagina’s van eigen uitvinding toegevoegd (om de opvallende karaktermetamorfose te verantwoorden). Op die manier is een meer licht verteerbaar boek ontstaan, met als belangrijkste inhoud de liefdesperikelen van het hoofdpersonage, dat in Frankrijk een gigantisch succes is geworden – zelfs De Vogüé heeft zijn zegen erover uitgesproken. Het werd vele tientallen malen herdrukt, zodat Halpérine-Kaminsky in de jaren 1920 verwijzend naar deze titel met recht kon pronken: ‘notre adaptation française fait désormais figure de l’une des oeuvres classiques de Dostoïevsky’.[8]

De adaptatie van Halpérine-Kaminsky en Morice heeft grote gevolgen gehad voor de westerse geestesgeschiedenis: het was de eerste titel van Dostojevski waarmee Nietzsche in aanraking kwam. Hij tikte het op de kop in een boekenwinkel in de late herfst van 1886 in Nice, las het en was door het dolle heen. In een brief aan een tijdgenoot prees hij met name Dostojevski’s fijnzinnige psychologische kracht. Dat de filosoof met de hamer, die er een totaal ander wereldbeeld dan Dostojevski op nahield, in hem een zielsverwant herkende, kan gemakkelijk verklaard worden aan de hand van de vertaling die hij gelezen had. De door de vertalers in het leven geroepen verschuivingen versterken namelijk de indruk dat Dostojevski niet zozeer een satirische karikatuur heeft gemaakt van het utilitarisme, maar wel een psychologisch portret van een man die er op uit is om zijn medemens te domineren – wat uiteraard veel beter in Nietzsche’s kraam paste.

Het geval van Schuld en boete (1885) is subtieler, maar ook daar is iets mee aan de hand. Deze tekst gaat terug op de Duitse vertaling Raskolnikow (1882), waarmee Dostojevski in de jaren 1880 loeihard doorbrak in Duitsland. De meest in het oog springende verschuivingen situeren zich niet op macrostructureel, maar wel op microtekstueel niveau.[9] Met name de spot die Dostojevski op systematische wijze drijft met alles wat Duits is, werd onschadelijk gemaakt. Dat dit een doelbewuste strategie was, met de bedoeling om de Duitse lezers niet voor het hoofd te stoten, blijkt uit het voorwoord van de vertaler Wilhelm Henckel. Hij garandeerde dat de lezers geen last zouden hebben van de anti-Duitse portretten omdat hij ‘manches zu Grelle gemildert und manches ganz fortgelassen’ had.[10] Als gevolg daarvan werd het beeld van Dostojevski meer in overeenstemming gebracht met de interpretatie die de Duitse naturalisten naar voren schoven: dat van de sociaal voelende kampioen van de vernederden en gekrenkten. Bezorgd om de sociale witwassen die in het door Bismarck met bloed en ijzer eengemaakte Duitsland steeds zichtbaarder werden, omarmde deze nieuwe generatie literatoren de Russische schrijver immers als een model om de Duitse literatuur te vernieuwen in humanistische zin.

Een Spaanse vertaling (circa 1920) van Dostojevski, die teruggaat op de Franse adaptatie L’esprit souterrain.

Een Spaanse vertaling (circa 1920) van Dostojevski,
die teruggaat op de Franse adaptatie L’esprit souterrain.

Wie nu denkt dat het hier om vergezochte excessen gaat die niet representatief zijn voor de manier waarop de receptie van de schrijver is verlopen, heeft het mis: de vertalingen Les frères Karamazov (1888), L’esprit souterrain (1886) en Raskolnikow (1882), waarop de hierboven besproken Nederlandse doelteksten teruggaan, hebben een rol van kapitaal belang gespeeld in de internationale popularisering van Dostojevski. Niet enkel omdat Dostojevski aan de hand van deze teksten gecanoniseerd is geworden in Frankrijk en Duitsland, en omdat ze in een eerste fase op grote schaal buiten de grenzen van deze landen gelezen werden, ook deden ze meermaals dienst als intermediaire vertalingen: Raskolnikow (1882) werd behalve voor het Nederlands ook als brontekst gebruikt voor vertalingen in het Noors en het Zweeds, en de adaptaties Les frères Karamazov (1888) en L’esprit souterrain (1886) werden behalve in het Nederlands ook vertaald in het Italiaans, Portugees en Spaans.[11] Belangwekkend genoeg presenteren deze vertalingen zich in de regel niet als adaptaties, zodat de lezer in de waan wordt gelaten dat hij een werk in handen heeft waarvan de inhoud afkomstig is van Dostojevski.

Het gebruik van intermediaire vertalingen is op zichzelf erg significant. Ik zie dit niet als een eenvoudig gevolg van het feit dat weinigen het Russisch beheersten, maar eerder als een indicatie dat de betrokken uitgeverijen in Dostojevski geïnteresseerd waren voor zover hij een succesvol Frans en Duits literair product was. Het heeft er alle schijn van dat de verschuivingen die onvermijdelijk gepaard gingen met de indirecte vertaling niet enkel getolereerd werden, maar zelfs wenselijk werden bevonden. Indien de uitgeverijen werkelijk een adequate directe vertaling verkozen, dan was binnen een redelijke termijn een rechtstreeks vertaler gevonden of desnoods opgeleid. In plaats daarvan werden de boekenmarkten van Europa’s kleinere literaturen, zoals de Nederlandse, tot diep in het interbellum verrijkt met tweede handsvertalingen van Dostojevski.

Niet alle geobserveerde verschuivingen zijn van precies dezelfde aard of grootteorde, maar toch zijn ze voldoende systematisch om aan te nemen dat er een doordachte strategie achter schuilging, die gericht was op het verhogen van de acceptabiliteit. In sommige gevallen leidde dat tot macrostructurele ingrepen, in andere niet. Dat heeft volgens mij niet zozeer te maken met verschillende vertaalopvattingen van al dan niet capabele vertalers, maar veeleer met de normen die door het gros van de receptiegemeenschap gedeeld werden. Halpérine-Kaminsky heeft zelf expliciet aangegeven dat hij bij het vertalen van Dostojevski’s werken enkel veranderde wat volgens hem veranderd moest worden om het publiek niet voor het hoofd te stoten. Hij voegt daaraan toe dat indien hij dat niet had gedaan: ‘c’est alors que nous aurions certainement retardé pour de longues années la connaissance de l’oeuvre de Dostoïevsky en France’.[12] Dat de eerste Europese vertalingen van Misdaad en straf tenminste op macrostructureel niveau adequater waren dan die van De gebroeders Karamazov en Aantekeningen uit het ondergrondse, heeft dus eerder te maken met het feit dat het eerste boek door de dominante critici, De Vogüé voorop, gezien werd als zeer geslaagd, terwijl de laatste twee werken afgedaan werden als volledig mislukt. Wat acceptabel was an sich werd als zodanig aangeboden aan het publiek, wat doorging voor inacceptabel werd eerst acceptabel gemaakt. Daarin zit geen tegenspraak besloten.[13]

De vastgestelde verschuivingen hebben met elkaar onder meer gemeen dat ze Dostojevski als satiricus, die de spot drijft met zijn filosofische vijanden en etnische minderheden, naar de achtergrond schuiven ten voordele van Dostojevski als psycholoog en als ‘edelen menschenvriend’. Het is wellicht geen toeval dat op die manier een beeld van de schrijver ontstond dat veel beter dan de Russische Dostojevski in het kraam paste van de dominante criticus De Vogüé, die hem expliciet had aanbevolen als evangelisch antigif voor het amorele naturalisme à la Zola. Door hun vertaalstrategieën te enten op de door de critici gecreëerde verwachtingen van de lezers, effenden de vertalers het pad voor de zogenaamde Dostojevski-cultus van jaren 1920, toen de schrijver en zijn werk, of liever de vertalingen ervan, in ons taalgebied uitgroeiden tot het voorwerp van een welhaast religieuze verering.

Niet altijd openbarend, maar onontbeerlijk (welles)

Het is een illusie dat de kristallisatie van een auteur of zijn werk in een bepaalde gemeenschap in een bepaalde periode nauwgezet in beeld kan worden gebracht. Om te beginnen komt een deel van die beeldvorming tot stand los van de eigenlijke teksten – het is perfect mogelijk een bepaalde voorstelling over een schrijver te hebben zonder ooit een werk van  hem in handen te hebben gehad. Bovendien ontsnapt ook de beeldvorming die wel het gevolg is van de lectuur gedeeltelijk aan wetenschappelijk onderzoek. Rekening houdend met het postmodernistische inzicht dat een literaire tekst geconstrueerd wordt in het hoofd van zijn lezer, zijn er evenveel beelden als er lezers zijn – voor zover een lezer een eenduidig beeld vormt van een auteur. Deze ongrijpbaarheid mag echter geen vrijgeleide zijn om al het onderzoek naar beeldvorming te staken. De teksten zelf, die mee aan de basis liggen voor de beeldvorming, kunnen namelijk wel onderzocht worden; verschuivingen in vertalingen, die een bepalende invloed kunnen hebben op de manier waarop een tekst gelezen wordt, kunnen min of meer objectief worden vastgesteld door de vergelijking te maken met de brontekst.

De vergelijking tussen bron- en doelteksten is natuurlijk niet voor ieder receptieonderzoek even belangrijk. Ten eerste is deze vergelijking vooral aan de orde in het geval van een auteur die door het gros van een receptiegemeenschap slechts gelezen kan worden via vertalingen. Voor een schrijver als Proust is dat niet het geval, aangezien die in ons taalgebied ook op grote schaal in het origineel wordt gelezen. Daarom is het best mogelijk dat, zoals Weststeijn meent, ‘de komende vertaling van A la recherche du temps perdu het bestaande beeld van Proust niet zal wijzigen’.[14] Ten tweede is het zo dat hoe meer adequate vertalingen er in omloop raken, hoe meer correcties en nuances er kunnen worden aangebracht in de beeldvorming van een auteur. Vanzelfsprekend is het beeld dat we van een schrijver hebben in een periode dat de weinige beschikbare vertalingen gekenmerkt worden door belangwekkende verschuivingen in veel grotere mate afhankelijk van specifieke vertaalkeuzes, dan wanneer generatie na generatie van nieuwe vertalingen het licht hebben gezien. In dat opzicht leveren De broers Karamazov van Arthur Langeveld en Duivels van Hans Boland allicht geen radicaal nieuw Dostojevski-beeld op. Toch hebben deze vertalingen wel een belangrijke nuance aangebracht: terwijl Langeveld er veel meer dan zijn voorgangers naar streeft om de polyfone schrijfstijl van Dostojevski te reproduceren, rehabiliteert Boland als geen ander Dostojevski als (soms bijzonder platvloerse) humorist. Ten derde is het natuurlijk ook zo dat niet iedere vertaalde schrijver in dezelfde mate het object is van manipulatie. Het is perfect denkbaar dat de vertalingen van een schrijver dermate adequaat zijn, dat min of meer hetzelfde beeld ontstaat als wanneer hij zonder de bemiddeling van vertalingen wordt geconsumeerd. In zo’n geval zal vertaalwetenschappelijk onderzoek geen openbarende resultaten opleveren. Alleen mag je dat als literatuurhistoricus niet aannemen voor zoete koek zonder het eerst geverifieerd te hebben – en van zodra je dat doet, ben je met vertaalwetenschap bezig.

Volgens mij is het voor een literatuurhistoricus niet enkel nuttig, maar noodzakelijk om bij het uitpluizen van een receptie behalve een licht te werpen op de literaire kritiek en de institutionele actoren ook aandacht te besteden aan wat er echt gerecipieerd werd – in het geval van een vertaalde schrijver zijn dat niet de originele teksten, maar de vertalingen. Al was het maar omdat de verschuivingen waardoor vertalingen gekenmerkt worden iets vertellen over de normen van de receptiegemeenschap, moet tenminste een poging ondernomen worden om enkele essentiële vertaalwetenschappelijke vragen te beantwoorden. Het gaat hier niet om de normatieve vragen welke ‘fouten’ gemaakt zijn of in hoeverre deze of gene vertaler ‘capabel’ was (want zoveel zegt dat niet over de receptie), maar wel, om de woorden van Kogut te gebruiken: ‘Was wurde wann, warum, wie übersetzt, und warum wurde es so übersetzt?’[15] Als aanvulling daarop kan gereflecteerd worden over de mogelijke gevolgen van de vastgestelde verschuivingen voor het beeld dat men zich van een schrijver kan vormen, al blijft dat – toegegeven – altijd enigszins speculatief.

[Verschenen in Filter. Tijdschrift over vertalen. 2013, 20:1. pp. 66-72.]

Noten


[1] Mijn cursivering. Willem G. Weststeijn, ‘Recensie van Pieter Boulogne, Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij’, in: Filter, tijdschrift over vertalen. 19: 4. 2012. p. 49-55.  p. 55

[2] Ibidem.

[3] Theo Hermans. ‘Sprekend ’n vertaling’, in: Naaijkens, Ton et al. (red.). 2004. Denken over vertalen. Tekstboek vertaalwetenschap. Nijmegen: Vantilt. p. 191-196. p.191

[4] Jan Romein. Dostojewskij in de Westersche Kritiek. Een hoofdstuk uit de geschiedenis van den literairen roem. Haarlem: Tjeenk Willink & Zoon. 1924.

[5] De hieronder beschreven en vele andere verschuivingen worden uitgebreid behandeld in: Pieter Boulogne. Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Amsterdam: Pegasus. 2011. [Pegasus Oost-Europese Studies 17]

[6] Dirk Coster. ‘Antwoorden op de Dostojevsky-enquête’, in: De stem. Jaargang 1. Deel 2. 1922 Arnhem: Van Loghum. p. 1057-1107. p. 1062, p. 1065.

[7]  Joseph Frank. Dostoevsky. The Stir of Liberation. 1860-1865. Princeton: Princeton University Press. 1986. p. 310-347.

[8] Ely Halpérine-Kaminsky. ‘Comment on a dû traduire Dostoïevsky’, in: Dostoïevsky, Th. L’esprit souterrain. Paris: Plon. 1929. p. i-xxviii. p. xxviii.

[9] Dat Schuld en boete (1885) een adequate vertaling is, zoals Weststeijn (p. 55) schrijft, gaat dus enkel op voor het macrostructurele niveau.

[10] Wilhelm Henckel. ‘Vorwort des Übersetzers’, in: Dostojewskij, F.M. Raskolnikow. Erster Band. Leipzig: Friedrich. 1882. p. v-viii. p. vii-viii),

[11] Pieter Boulogne. ‘Europe’s Conquest of the Russian Novel. The Pivotal role of France and Germany’, te verschijnen in: IberoSlavica, A Peer-Reviewed Yearbook of the International Society for Iberian-Slavonic Studies. Special Issue: Translation in Iberian-Slavonic Exchange. 2013.

[12] Halpérine-Kaminsky, p. ix

[13] Dit als antwoord op de vraag van Weststeijn (p. 55): ‘Maar hoe zit dat dan met een schrijver (zoals Dostojevski) die door verschillende vertalers op heel verschillende manieren werd vertaald, in het geval van Schuld en boete adequaat op grond van de Duitse vertaling, in het geval van De gebroeders Karamazow hoogst inadequaat op grond van slechte Franse vertalingen.’ Overigens is Halpérine-Kaminsky met verve geslaagd in zijn opzet om de cultuurbarrière te overbruggen en in dat opzicht is het anachronistisch om zijn adaptaties uitgaande van de hedendaagse vertaalnormen ‘slecht’ te noemen. Van de Franse vertaler werd in de jaren 1880 niet perse verwacht een brontekstgetrouwe vertaling, maar vooral een leesbaar boek af te leveren.

[14] Weststeijn, p. 55.

[15] Marina Kogut. Dostoevskij auf Deutsch. Vergleichende Analyse fünf deutscher Übersetzungen des Romans Besy. Frankfurt am Main: Peter Lang. 2009. p. 205.

Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

De UA en Rusland

In het laatste nummer van haar huismagazine Universiteit Antwerpen (2013, № 7, pp. 18-19) profileert de Universiteit Antwerpen zich op BRIC-land Rusland.

Het doet de vakgroep Russisch van de integrerende Vertalers & Tolken van de Artesis Hogeschool oprecht plezier dat de Universiteit Antwerpen Rusland in dat stuk erkent als ‘economische wereldmacht’ en als ‘groeiregio’.

Tegelijkertijd willen we onze spijt betuigen dat deze woordelijke erkenning gepaard gaat met de feitelijke afschaffing van de vakgroep Russisch (die is sinds dit academiejaar uitdovend). Als gevolg daarvan kan de Associatie Universiteit & Hogescholen Antwerpen geen Russisch taalonderricht op universitair niveau aanbieden aan haar studenten.

Andere Vlaamse universitaire associaties zetten wel ten volle in op de studie van het Russisch, zowel in de vertaler- en tolkopleidingen als in de taal- en regiostudies. Kennelijk oordelen zij dat dit onderricht geen overbodige luxe vormt om pedagogische, wetenschappelijke en economische samenwerking met Rusland in de hand te werken.

Namens de vakgroep Russisch, Departement Vertalers en Tolken, Artesis Hogeschool Antwerpen,

Pieter Boulogne, hoofd

Greet Vanhassel, werkleider

Nadezhda Zhirovova, docent

Nelly Grebeneva, praktijkassistent

Getagged , , , , , , ,

The Dream Factory by Ehrenburg

The jacket flap of the Dutch translation De Droomfabriek, stocked in the KU Leuven Central Library.

The jacket flap of the Dutch translation De Droomfabriek, stocked in the KU Leuven Central Library.

Ilya Ehrenburg (1891-1967) is an exponent of Russia’s 1920s avant-garde culture. Although he initially raised objections against the bolshevist putsch, his approach toward the Soviet authorities changed in the course of the interwar. He became what Trotsky called “a fellow-traveler” (“попутчик”): a writer who himself was not a member of the Communist Party, but who outwardly sympathized with the October Revolution. For this very reason, he is remembered today as “an arch-opportunist”[1].

Being a fellow-traveler, Ehrenburg was allowed to move freely in foreign countries. On the one hand he acted there as an unofficial cultural ambassador of the Soviet Union. On the other, enjoying his liberty in the West, he produced a large quantity of narrative and journalistic texts designed for the Russian market. During the Great Depression he published a series of novels dealing with capitalist production mechanisms under the umbrella name Chronicle of our days (Хроника наших дней), which includes The Dream Factory (Фабрика снов).

The Dream Factory presents itself as a well-documented report, bombarding the reader with unverifiable figures, but it is in fact a fictionalized pamphlet against the Hollywood film industry. The more specific subject is the bliz-career of Adolph Zuckor (1873-1976), who as a Hungarian-Jewish immigrant in America in the first decades of the twentieth century founded the movie studios Paramount Pictures Corporation.

Although Ehrenburg conceived The Dream Factory in 1931, when he was not labeled as a communist, each one of its circa 260 pages is written from an anti-capitalist angle. Whereas from an idealistic point of view it might be considered a virtue to provide people with dreams, the Paramount pictures are regarded one-sidedly as a lucrative kind of opium for the people:

“Of course, people want to indulge in tasteful food and good clothing. However, people are not animals. This I can assure as an Hungarian, as a Jew, as an artist and as a philosopher. Once in a while people also want to dream about something, something to occupy their minds and their feelings. […] Look at the people – they hunger for illusions. Outrageous money can be squeezed out of that…”[2]

As usual for Russian literature, before appearing in book form, The Dream Factory was published in a literary journal: in 1931 it was spread over three different issues of  Krasnaja nov’ (Red Virgin Soil) – a journal which had been founded under Lenin to give voice to different literary debates, but which from 1927 progressively became the tribune of the Party.[3] This evolution was actively promoted by the Culture and Propaganda Department of the Communist Party’s Central Committee KUL’TPROP, which in response to the publication of The Dream Factory accused the journal of failing in its literary duty by giving the floor to “right-wing-opportunistic or neo-bourgeois authors” (“правооппортунистических и необуржуазных авторов”) such as Ehrenburg.[4]

Apparently, the strong anti-capitalist tone, going hand in hand with black-and-with psychology, did not suffice to make The Dream Factory an acceptable book from a socialist-realistic point of view. It is thus not surprising that the original text was published in book form in Berlin by the publishing house Petropolis, which specialized in narrative that could not be released in the Soviet Union. Interestingly, the West did pay attention to The Dream Factory. Shortly after its publication in Berlin, a Dutch translation was published in Utrecht and Antwerp, respectively by De Haan and De Magneet. It is far from excluded that this confirmed Ehrenburg’s reputation – bestowed upon him by the specialist of Russian Literature Leonid Strakhovsky, who at that time was affiliated with the university of Louvain – as “an author […] who has managed to combine Voltarian skepticism with a Paul de Kock-like triviality”.[5]


[1] Langeveld, Arthur & Weststeijn, Willem G. 2005. Moderne Rusissche literatuur van Poesjkin tot heden. Amsterdam: Pegasus. p. 282.

[2] Translation from Dutch: “Natuurlijk, de menschen willen graag lekker eten en zich goed kleeden. Maar de menschen zijn geen dieren. Ik kan dat verzekeren als Hongaar en als jood, als artist en als filosoof. De menschen willen ook eens ergens over dromen, ergens hun gedachten of gevoelens mee bezig houden. […] Kijk toch naar de menschen – zij verlangen illusies. Daar kun je op een ongehoorde wijze aan verdienen…” Ehrenburg, Ilja. z.j. De Droomfabriek. Utrecht: W. De Haan. Vertaling uit het Russisch van J.C. van Wageningen. pp. 9-10.

[3] Zalambani, Maria. 2011. “Literary policies and institutions”. Dobrenko, Evgeny & Balina, Marina (ed.). The Cambridge Companion to Twentieth-Century Russian Literature. Cambridge: University Press. pp. 153-174. p. 256.

[4] Gusev, A.  1931. “Dokladnaja zapiska Kul’tpropa v adres Orgbjuro CK VKP(b) o sostojanii sovetskich literaturnych žurnalov” In Archiv Aleksandra N. Jakovleva. http://www.alexanderyakovlev.org/fond/issues-doc/1014710

[5] Translation from French : « un auteur […] qui a su joindre un scepticisme voltairien à la banalité d’un Paul de Kock ». Strakhovsky, Léonid. 1927. “Notes sur la littérature russe contemporaine”. In  La Nervie. Revue mensuelle d’arts et de lettres. IV. pp. 29-32.

Getagged , , , , , , ,

Poesjkin in leren jekker. Alexandr Poesjkin: Literair proza. Vertaald door Hans Boland

Afbeelding

© pb

Wie ooit al Rusland heeft bezocht, zal het niet ontgaan zijn dat de Russen collectief lijden aan een nationale ziekte: Poesjkinmanie. Sinds Dostojevski in 1880 zijn fameuze Poesjkinspeech afstak, waarin de dichter het kleverige label ‘profeet’ kreeg, heeft de bewondering die Poesjkin (1799-1837) bij zijn landgenoten oogst de vorm van een ongebreidelde cultus aangenomen. Als gevolg daarvan kan je in Sint-Petersburg geen boottochtje langs de kanalen maken zonder dat de luidsprekers in je oren schreeuwen over de zogenaamde Poesjkinplaatsen: plekken waar het de Russische halfgod behaagd heeft te vertoeven, of kennissen te hebben. Als je Odessa bezoekt is de kans groot dat de plaatselijke gids je meetorst naar een gereconstrueerde negentiende-eeuwse hotelkamer, waar je in een vitrinekast een ogenschijnlijk banaal lepeltje kan bewonderen waarmee Aleksandr Sergejevitsj in zijn thee heeft geroerd. Als reactie op dit alles besluipt je de zin om Poesjkin naar de duivel te wensen (dit schrijf ik in de hoop dat er geen Russen meelezen). Gelukkig zijn er af en toe momenten die de cultus tenminste enigszins vergoelijken. Daarvoor zorgt bijvoorbeeld de Poesjkinvertaling van Hans Boland.

Het zevende deel van het Verzameld werk van Alexandr Poesjkin, waarmee uitgeverij Papieren Tijger de prestigieuze reeks ‘De Russische bibliotheek’ van Van Oorschot de loef afsteekt, omvat een gloednieuwe vertaling van al diens prozawerken. Het boek opent met de onafgewerkte roman De Russische Afrikaan (beter bekend als De Moor van Peter de Grote, maar die titel is niet van Poesjkin zelf). Het is geïnspireerd op de biografie van Poesjkins overgrootvader, die als zwarte slaaf cadeau werd gedaan aan Peter de Grote en het onder zijn bewind schopte tot generaal. De laatste grote tekst is de historische roman De kapiteinsdochter, waarin tegen de achtergrond van een boerenopstand tegen Catharina de Grote de liefdesperikelen van een jonge edelman uit de doeken worden gedaan. Tot slot zijn ook een dozijn fragmenten opgenomen die bij leven van Poesjkin niet gepubliceerd werden, zoals belangwekkende mijmeringen naar aanleiding van diens verloving (vermomd als vertaling uit het Frans). De dominante thema’s zijn, conform de romantische tijdsgeest, liefde, jaloezie, eer, vriendschap en moed. De wetenschap dat Poesjkin zelf op jonge leeftijd om het leven is gekomen als gevolg van een duel met als inzet de eer van zijn echtgenote, geeft deze thematiek extra reliëf.

Ieder van de in deze bundel opgenomen teksten vormt een overtuigend bewijs van het verteltalent van de auteur, ook al heeft die zijn strepen dan vooral verdiend als lyrisch dichter. Dat zijn proza beangstigend universeel is – hoewel het geschreven is in, voor en over het vroeg-negentiende-eeuwse Rusland – kan worden geïllustreerd aan de hand van de volgende passage: ‘Wie heeft nooit een chef van een van onze poststations vervloekt, wie heeft er nooit een uitgescholden? Wie heeft niet ooit, getergd tot het uiterste, geëist dat hem het beruchte schrift werd gebracht waarin je een zinloze klacht kunt noteren over de drieste willekeur, de botheid of de nalatigheid van zo’n stationsopzichter? Wie stelt ze niet op één lijn met de kanselarijklerken uit de middeleeuwen, de struikrovers uit de bossen van Moeron en soortgelijke onmensen?’

Dat dit boek een brandend actuele indruk maakt, heeft in belangrijke mate te maken met de vertaalstrategie die Hans Boland erop heeft toegepast. In slavistenmiddens is al eens gefluisterd dat deze vertaler, die met zijn legendarische Duivels van Dostojevski in 2009 de Filter Vertaalprijs wegkaapte, Russische bronteksten soms leuker maakt dan ze eigenlijk zijn. Een vergelijking met de originele teksten aan de hand van steekproeven toont inderdaad aan dat de eerste bekommernis van Boland niet uitgaat naar denotatieve equivalentie: bij wijlen vertaalt hij nogal vrij wat er staat. Twee kloven zijn versmald: die tussen de Russische cultuur en de onze, en die tussen de vroege negentiende eeuw en deze tijd. Om die reden leest deze vertaling vlotter dan die van Hans Leerink, uitgegeven bij Van Oorschot. Waar de laatstgenoemde schrijft ‘Uit dat huwelijk sprongen negen kinderen voort. Al mijn broers en zusters zijn heel jong gestorven’, lezen we bij Boland ‘Ze kregen negen kinderen; mijn broertjes en zusjes stierven allemaal kort na de geboorte’. Die diminutieven ‘broertjes en zusjes’ staan niet in de originele tekst van Poesjkin. In dezelfde geest krijgt het personage dat bij Van Oorschot een ‘smeerlap’ werd genoemd, bij Papieren Tijger ‘klootzak’ op zijn bord. Boland gaat nog verder dan dat. Zo schrijft hij ‘De vrouw kan haar minnaar onder ede laten verklaren dat hij zich the day after een kogel door het hoofd schiet’, terwijl de brontekst gewoon ‘de volgende dag’ vermeldt, in standaard-Russisch. Bovendien beschouwt Boland de Russische vadersnamen (‘Iwan Petrowitsj Bjelkin’) als overbodige ballast, die hij er dan ook systematisch uitkiepert (‘Ivan Bjelkin’).

Tegenover de kritiek dat Boland de precieze betekenis van de woorden niet altijd tot in de puntjes correct weergeeft, staat het gegeven dat een literair vertaler geen woorden, maar wel literaire teksten vertaalt. En die zijn bedoeld om de lezer te vervoeren. Wat de pragmatische equivalentie betreft, het effect dat Poesjkin op zijn lezer maakt, gaat Boland wél bijzonder brontekstgericht te werk. Misschien nog wel meer dan zijn voorgangers – al is dit een subjectieve materie waarover gediscussieerd kan worden. Bijvoorbeeld valt er veel voor te zeggen om de sprekende namen waarvan Poesjkin gebruik maakt om bepaalde personages te karakteriseren, niet weer te geven in transcriptie (‘Mevr. Prostakova’), maar wel, zoals Boland doet, met een Nederlands equivalent dat de betekenis duidelijk maakt: ‘Mevrouw Simpelmans’. Ook is het legitiem om her en der iets pittiger te maken als compensatie voor onvermijdelijk equivalentieverlies in andere passages. De conclusie luidt dan ook dat Boland de geest van Poesjkin, die in zijn tijd voor sensatie zorgde in de Russische taal, literatuur en zeden, alle eer aandoet door hem een stem in het Nederlands te geven die modern, gedurfd en bovenal ontzettend onderhoudend is.

[Verschenen in De Leeswolf. 2013: 3. p.164]

Getagged , , , , , , ,

Vers la construction d’un Dostoïevski monophonique. Hétéroglossies et langage écorché dans les traductions néerlandaises d’avant-guerre des œuvres de Dostoïevski

Afbeelding1. La notion d’ « hétérolinguisme »

Si en contraste violent avec les années 1980, de nos jours l’hétérolinguisme littéraire se consolide en tant qu’objet de recherche, c’est en grande mesure grâce à la traductologie et aux études postcoloniales – deux domaines relativement neufs qui se veulent fort critiques vis-à-vis du paradigme romantique des cultures dites nationales. Le « tournant culturel » ayant discrédité cette logique monolingue (Meylaerts 2006 : 1), d’autres facteurs moins généraux ont également contribué à l’intérêt actuel pour l’hétérolinguisme. Grutman et Delabastita (2005 : 11) mentionnent par exemple l’étude de Deleuze et Guattari sur le pouvoir déterritorialisant de la langue, ainsi que la fameuse critique de Bachtin[1] sur les tendances monologiques et monoglossiques de la pensée occidentale.

L’hétérolinguisme, tout en étant maintenant un objet de recherche légitime, les nombreux auteurs qui en traitent n’ont cependant pas réussi à établir un consensus terminologique. Il suffit de jeter un coup d’œil sur les résumés du colloque « La traduction dans les cultures plurilingues »[2] pour comprendre que les termes – si, faute de consensus, des termes proprement dits il y a – varient principalement entre « plurilinguisme », « multilinguisme » et « hétérolinguisme ». De plus, leur interprétation est souvent laissée au lecteur. Si, par contre, une définition est donnée, il s’agit dans la plupart des cas d’une conception tellement flexible, que le flou épistémologique persiste.

Grutman (1997 : 37), par exemple, entend l’hétérolinguisme comme « la présence dans un texte d’idiomes étrangers, sous quelque forme que ce soit, aussi bien que de variétés (sociales, régionales ou chronologiques) de la langue principale ». S’appuyant sur cette définition, Grutman et Delabastita (2005 : 15) plaident pour une notion ouverte de multilingualism, qui va de pair avec une notion radicalement ouverte du terme anglais language. Celui-ci ne signifie plus uniquement « a diyalekt mit an armey un a flot »[3] (Weinreich 1945 : 13), mais aussi « the incredible range of subtypes and varieties existing within the various officially recognised languages » (Grutman & Delabastita 2005: 15).

Certes, une définition aussi flexible peut avoir des avantages sur le plan théorique, notamment parce qu’elle permet de relativiser la taxinomie officielle des langues. Toutefois, si l’on veut repérer des « hétéroglossies » – soit des unités d’hétérolinguisme – dans un texte littéraire donné, il est pratique d’en avoir une notion plus stricte. Sinon, on risque de traiter en égaux des phénomènes littéraires qui formellement et fonctionnellement ont peu en commun. Aussi faut-il réaliser que la stratification interne d’une langue est un continu dynamique. La variation entre le langage standard et d’autres langages est donc difficile, voire impossible, à mesurer. Voilà pourquoi dans une étude empirique il vaut peut-être mieux de faire, comme Vlachov et Florin (1986), la nette distinction entre, d’une part, hétéroglossies, qui ne concernent alors que les langues soi-disant officielles, et, d’autre part, langages non-standards, comme le langage vernaculaire, le dialecte, l’argot et les langages déformés tels que le langage de l’enfant ou celui des immigrés. Dans cet article, l’hétérolinguisme est donc exclusivement conçu comme la présence dans un texte littéraire de mots, syntagmes ou phrases dans une autre langue  « officielle » que la langue dominante du texte.[4]

2. Hétérolinguisme et langage écorché chez Dostoïevski 

2.1. L’hétérolinguisme russe dans son aspect formel : Dostoïevski par opposition à Tolstoï

Le fait que les théoriciens bulgares Vlachov et Florin (1986 : 332-343), écrivant leur manuel de traductologie appliquée en russe, de nombreuses illustrations de la littérature russe à l’appui, prêtent tant d’attention à l’hétérolinguisme, n’est pas une simple coïncidence. En effet, ce phénomène littéraire est une importante caractéristique de la littérature russe dite réaliste, qui dès la fin du XIXe siècle a exercé une forte influence non seulement sur les littératures slaves, mais aussi sur les modèles littéraires occidentaux. Prenons comme exemple les premières lignes de Guerre et paix de L.N. Tolstoï (1937 : 3), une épopée qui appartient désormais à la littérature universelle :

– Eh bien, mon prince. Gênes et Lucques ne sont plus que des apanages, des поместья, de la famille Buonaparte. Non, je vous préviens que si vous ne me dites pas que nous avons la guerre, si vous vous permettez encore de pallier toutes les infamies, toutes les atrocités de cet Antichrist (ma parole, j’y crois) – je ne vous connais plus, vous n’êtes plus mon ami, vous n’êtes plus мой верный раб, comme vous dites.

 On dirait un roman français, ne fût-ce que cette impression est visuellement dérangée par  « поместья » et « мой верный раб ». Malgré l’alphabet cyrillique, ces mots russes sont tranquillement imbriqués dans le discours, ce qui indique que, pour le locuteur et ses interlocuteurs, le français et le russe ont tous les deux le statut de langues de communication.

Dans le contexte de la littérature russe classique, l’emploi du français chez Tolstoï est à la fois typique et exceptionnel. D’une part il est typique, parce que les hétéroglossies françaises reflètent tout d’abord le bilinguisme de fait de la haute société russe des XVIIIe et XIXe siècles, comme c’est le cas chez de nombreux autres auteurs russes, à commencer par Pouchkine. Téléchova (2000 : 269) indique que l’emploi de mots français et de locutions françaises dans les œuvres russes a duré près d’un siècle. Que ce procédé soit étroitement lié à la poétique du roman russe réaliste, est affirmé par Polianskaïa (2000 : 264), disant que « le principe essentiel de l’emploi du français est celui de l’historisme littéraire qui est devenu la base de la méthode et du style réaliste de la littérature russe ». D’autre part, l’emploi du français est exceptionnel chez Tolstoï, puisqu’il lui accorde un rôle tellement important. C’est que le lecteur de Guerre et paix se voit fréquemment confronté à des phrases, des paragraphes, parfois même des pages entières écrites en français, langue étrangère qui, comme Polianskaia (2000 : 265) l’indique, occupe seulement en alphabet latin 2,5% de tout le texte.

Les hétéroglossies sont aussi amplement présentes dans les œuvres de F.M. Dostoïevski, surtout dans ses romans écrits après son exil en Sibérie, dont les personnages sont en général plus intellectuels et donc plus polyglottes que les personnages de son œuvre pré-sibérienne. A l’opposé de Tolstoï, les hétéroglossies dostoïevskiennes n’excèdent que très rarement l’ampleur d’une seule phrase, et jamais l’ampleur d’un paragraphe. Cependant, Dostoïevski fait appel à une variété de langues beaucoup plus grande. Le plus souvent il s’agit du français, mais il y a aussi des syntagmes et des mots en allemand, en latin, en italien, en anglais, en polonais, en ukrainien et même en lesghien et en tartare. Cette grande variété d’hétéroglossies contribue substantiellement à la « polyphonie », qui selon Bachtin (1963) fait l’originalité et la quintessence de l’art poétique de Dostoïevski.

Chez Dostoïevski, comme chez d’autres auteurs russes, les hétéroglossies sont, règle générale, rendues dans l’alphabet original de la langue concernée, c’est-à-dire en alphabet latin. Par conséquent, le contraste typographique entre le cyrillique et l’alphabet latin saute aux yeux et surprend le lecteur. Exceptionnellement, Dostoïevski transcrit ses hétéroglossies en cyrillique, ce qui provoque un effet doublement surprenant : les éléments en question n’appartiennent alors ni tout à fait à la langue à laquelle ils sont empruntés, ni tout à fait à la langue dominante du texte littéraire. Elles n’appartiennent qu’au langage du personnage qui les prononce. Ceci vaut d’autant plus pour l’emploi de mots français transcrits en russe avec des terminaisons russes, dont l’on trouve de nombreux exemples chez Dostoïevski (Téléchova 2000 : 269). Qu’on pense, par exemple, au verbe « фраппировать », qui est composé d’une racine dérivée de « frapper » et d’une terminaison verbale russe. Il faut noter que ce procédé est plutôt rare dans la littérature russe ; comme le laisse croire la définition de l’hétérolinguisme de Vlachov et Florin (1986 : 333), les hétéroglossies y sont en général privées de modifications morphologiques ou syntaxiques.

La remarquable tolérance du public russe du XIXe siècle envers l’emploi de l’alphabet latin se comprend par le fait historique qu’avant l’invasion napoléonienne, le français constituait la langue de communication privilégiée de la haute noblesse russe. Téléchova (2000 : 270) précise que le français est resté d’une influence prépondérante en Russie jusqu’à la deuxième moitié du XIXe siècle. Pour les lecteurs instruits, la méconnaissance du français  fut cependant considérée comme barbare jusqu’au coup d’Etat bolcheviste de 1917. Ceci explique aussi pourquoi Dostoïevski enchâssait ses hétéroglossies françaises sans traduction, ni dans le texte, ni dans une note éventuelle. Dans les éditions ultérieures, les hétéroglossies ont été traduites par les éditeurs dans des notes en bas de page. Comme le notent Vlachov et Florin (1986 : 340), Tolstoï, par contre, traduisait lui-même ses hétéroglossies françaises en russe, sans doute parce qu’il visait  un lectorat plus vaste que l’élite intellectuelle contemporaine.

Etant donné que, dans le roman réaliste russe, la vaste majorité des hétéroglossies  a pour but de mettre en évidence la connaissance des langues des personnages russes ou l’appartenance  de tel personnage à  telle communauté linguistique, il n’est pas surprenant de constater que l’hétérolinguisme se situe principalement au niveau du discours direct et du discours indirect libre. Chez Dostoïevski, des hétéroglossies apparaissent aussi, fût-ce dans une moindre mesure, dans le texte du narrateur, qui souvent est lui-même un personnage actif.

Tandis que Tolstoï va parfois  jusqu’à citer ses personnages entièrement en français, Dostoïevski fait plus appel à l’imagination du lecteur. Chez lui, quelques phrases en français, stratégiquement insérées, suffisent pour suggérer que tout le discours direct, pourtant partiellement rendu en russe, a été prononcé en français dans son entièreté. Que l’on pense par exemple au discours direct de mademoiselle Blanche dans Le joueur (Dostoïevski 1973 V: 301-302) :

– Eh bien, que feras-tu, si je te prends avec? Во-первых, je veux cinquante mille francs. Ты мне их отдашь во Франкфурте. Nous allons à Paris; там мы живем вместе et je te ferai voir des étoiles en plein jour. Ты увидишь таких женщин, каких ты никогда не видывал. Слушай…[5]

Le joueur est bourré d’hétéroglossies. La raison en est triple: le roman se déroule hors de Russie, surtout en Allemagne ; les personnages russes appartiennent à la noblesse ou à son entourage, et parmi les principaux personnages, il y un Français, deux Françaises et un Anglais. La lingua franca privilégiée de cette compagnie est le français. Il est donc logique que dans ce roman, la technique hétérolinguistique de Dostoïevski s’avère particulièrement sophistiquée. Par exemple, il suggère qu’un personnage, soi-disant parlant en français, prononce des mots en russe. Cette suggestion est invoquée par l’emploi d’un article français, suivi de la transcription à la française du mot russe en question : « Я, конечно, ‘un outchitel’ и никогда не претендовал на честь быть близким другом этого дома »[6] (Dostoevskij 1973 V : 240). Le contraste typographique renversé, c’est-à-dire le fait que dans cet exemple le français imaginé est rendu en caractères cyrilliques, tandis que le mot russe est suggéré par des caractères latins, crée une nuance ironique.

2.2. Fonctions littéraires

La création d’ironie au niveau du rapport entre le narrateur et le lecteur est en effet une très importante fonction littéraire des hétéroglossies dostoïevskiennes, mais celles-ci en assument encore bien d’autres : elles renforcent la vraisemblance du narratif en donnant de la couleur locale au texte et, aspect plus important, elles dynamisent le discours et singularisent le caractère des personnages ayant la parole. D’une façon plus particulière, l’emploi du français ou du latin peut être la manifestation d’une attitude ironique, d’érudition, de noblesse, de snobisme ou de pédanterie. L’emploi du français et de l’anglais peuvent aussi indiquer que le personnage en question est tout simplement Français ou Anglais, ou qu’il s’est engagé dans une conversation avec un francophone ou un anglophone. Une hétéroglossie en italien témoigne d’une bonne éducation culturelle. L’allemand, le polonais, l’ukrainien et le tartare sont, par contre, plutôt utilisés pour caractériser le discours de personnages respectivement (russo-)allemands, polonais, ukrainiens et tartares.

2.3.  Un russe écorché

Dans le cas fréquent où Dostoïevski porte à la scène des personnages considérés « étrangers » – des Polonais, des Ukrainiens, ainsi que des minorités ethniques telles que des Russo-Allemands ou des Juifs –, l’hétérolinguisme dans le sens strict du terme va souvent de pair avec la suggestion satirique d’une maîtrise aberrante de la langue russe, qui se réalise par des violations de règles grammaticales et par des anomalies d’orthographe. Evidemment, ces violations se déroulent en fonction de la langue maternelle des personnages en question.

Une illustration de ce procédé est le langage semi-russe, semi-ukrainien du personnage juif Isaï Fomitch Boumstein dans Notes de la maison des morts. Traité de Juif galeux, il se défend en disant « Нехай буде такочки. Хоть пархатый, да богатый; гроши ма »[7] (Dostoïevski 1973 IV: 94). Bien que ce langage slave soit compréhensible pour le lecteur russe, il est loin du russe proprement dit. Ce sont surtout les formes verbales qui en sont la cause.

Un procédé semblable s’observe à un stade plus avancé dans le roman Humiliés et offensés. Au premier chapitre, le protagoniste russe entre dans une brasserie tenue par un Russo-Allemand. Les consommateurs, eux aussi, sont pour la majorité des Russo-Allemands. Tels quels, ils sont facilement reconnaissables par le truchement de leur langage, qui est un russe tripatouillé et entremêlé d’hétéroglossies allemandes rendues soit en alphabet latin, soit en cyrillique – parfois les deux dans une seule phrase. A l’exploitant de la brasserie, Dostoïevski (1973 III : 174) attribue par exemple ces paroles: « Aber, гер Шульц очень просил вас прилежно не взирайт на него ».[8] L’accent allemand est suggéré par de nombreuses mutations consonantiques, qui lors d’une analyse s’avèrent quasiment systématiques. Aussi est-il que certains mots russes sont déformés au-delà de leur caractère reconnaissable. L’on pense par exemple au mot russe « чучела » [tchoutchela], qui dans la prononciation russo-allemande devient « шушель » [chouchel]. L’impéritie allemande de parler un russe approprié implique aussi la grammaire russe, dont les règles de conjugaison et déclinaison sont violées de façon flagrante.

Pour bien comprendre la fonction littéraire du langage écorché russe entrelardé d’hétéroglossies, il faut réaliser que c’est seulement un procédé parmi toute une gamme que Dostoïevski, notoirement xénophobe, met en œuvre pour faire de ses personnages étrangers l’objet d’une satire virulente. Pour autant que les Russo-Allemands sont concernés, leur sont imposés non seulement un langage ridicule, mais aussi une apparence caricaturale, des noms drolatiques, une personnalité peu aimable et une conduite socialement inappropriée qui mène à des situations grotesques. En plus, le narrateur énonce des généralisations ainsi que des stéréotypes négatifs à propos de la nature allemande.

Certes, comme Bachtin (1963) l’a démontré avec conviction, Dostoïevski s’est inventé une poétique romanesque à part, selon laquelle les personnages s’émancipent en parlant non pas le langage du narrateur, mais un langage à eux. A ce jeu polyphonique, les maintes hétéroglossies ainsi que l’écorchement du russe participent de façon fondamentale. Cependant, il faut aussi relativiser l’originalité du style discursif de Dostoïevski. Ainsi peut-on noter que dans la littérature russe classique, il n’est pas le premier, ni le seul à se moquer des Allemands (entre autres) en recourant à un langage baragouiné ; il s’agit là d’une tradition d’images qui a commencé avec Fonvizine, le célèbre auteur de théâtre du dix-huitième siècle, en passant par Pouchkine et Gogol.[9]

3. Options du traducteur face à l’hétérolinguisme et au langage écorché

3.1. Traduire l’hétérolinguisme : maintenance ou naturalisation ?

Face à des hétéroglossies dans un texte russe, le traducteur peut mettre en œuvre grosso modo sept procédés différents de traduction. Il va sans dire que ces procédés n’atteignent pas tous au même degré d’adéquation. Néanmoins, la liste suivante, qui est le résultat d’une étude descriptive, ne vise nullement à recommander tel ou tel procédé en général. Après tout, c’est en fonction d’un grand nombre de variables,  tels l’effet littéraire, le genre, le lectorat visé, ainsi que la position du texte et de l’auteur dans la littérature-cible, que le traducteur décide dans quelle mesure une hétéroglossie doit être préservée telle quelle.

Les procédés (1), (2) et (3) préservent l’hétérolinguisme littéralement, (4) et (5) visent respectivement la modification de l’hétéroglossie et la suggestion d’hétérolinguisme, et (6) et (7) entraînent sa neutralisation totale. Il faut noter que cette liste ne prétend pas à l’exhaustivité ; il ne s’agit que des procédés trouvés dans un corpus de recherche composé de deux douzaines de traductions allemandes, françaises et néerlandaises de Dostoïevski publiées avant 1914. Les exemples avec lesquels les procédés sont illustrés, sont tous repris de ce corpus.

(1) Si l’adéquation la plus haute est visée, il s’impose de littéralement reprendre l’hétéroglossie telle qu’elle est présente dans le texte-source. (1a) S’il y a un contraste alphabétique et donc typographique dans l’original entre la langue dominante et l’hétéroglossie, le traducteur peut opter pour sa préservation en recourant à une écriture différente. Ecrivant en caractères gothiques, les traducteurs allemands de Dostoïevski du dix-neuvième siècle pouvaient parfaitement conserver le contraste typographique entre les caractères cyrilliques et romains en le transformant dans un contraste typographique entre les caractères gothiques et romains :

Чтобы помогать,  надо  сначала  право  такое иметь, не то: “Crevez chiens, si vous n’êtes pas contents!” (Dostoïevski 1973 VI : 174) Um zu helfen, muss man zuvor ein gewisses Recht haben, und hat man das nicht, nun dann[10]: “Crevez, chiens si vous n’êtes pas contents!” (Dostojewskij 1882 II : 56)

(1b) Si l’écriture de la langue-cible est la même que celle de l’hétéroglossie du texte-source, le traducteur peut néanmoins reproduire le contraste typographique original en se servant des caractères italiques, espacement entre les caractères, petites capitales ou une autre police. D’une part, ce procédé conserve le caractère marquant de l’hétéroglossie. D’autre part, cette facticité tient l’insertion hétérolinguistique plus à distance que le contraste typographique naturel le fait au sein du texte-source. Dans l’exemple suivant, le traducteur néerlandais de Crime et châtiment, traduisant de l’allemand, a reproduit le contraste typographique à l’aide d’espacement entre les caractères :

Um zu helfen, muss man zuvor ein gewisses Recht haben, und hat man das nicht, nun dann : “Crevez, chiens si vous n’êtes pas contents!” (Dostojewskij 1882 II : 56) Om te helpen moet men een zeker recht hebben en heeft men dat niet, dan, in Godsnaam: C r e v e z,   c h i e n s,   s i   v o u s  n ’ ê te s  p a s  c o n t e n t s ! ” (Dostojewsky 1885 II : 43)

(2) Tout en maintenant à la lettre une hétéroglossie donnée, le traducteur peut décider de laisser tomber le contraste typographique. Si l’écriture du texte-cible se prête à une conservation naturelle du contraste typographique, ce procédé n’atteindra pas un degré maximal d’adéquation. Dans la traduction allemande suivante du fragment du Joueur, contraste typographique est annulé. On peut croire qu’en conséquence, l’effet hétérolinguistique original est affaibli. Cependant, pour Suchet (2009: 37) il s’agit là d’une question de balance: ‘si un emprunt surbalisé a de fortes chances de n’être pas intégré au concert polyphonique du texte, un emprunt parfaitement assimilé ne fait pas entendre davantage une autre voix’.

Я начал с десяти гульденов и опять с passe.  (Dostoïevski 1973 V : 321) Ich fing mit zehn Gulden an und letzte auf Passe. (Dostojewski 1980 : 274)

(3) Dans le cas où le traducteur décide de préserver l’hétéroglossie littéralement, avec ou sans contraste typographique, il peut y ajouter une traduction supplémentaire sous forme de commentaire dans le texte du narrateur, ou dans une note en bas de page. Ce dernier procédé est par exemple choisi par Bienstock et Torquet dans leur traduction des Frères Karamazow. Ainsi, ils ont rendu l’hétéroglossie « An die Freude! »  (Dostoïevski 1973 XIV : 98) comme « An die freude [sic]», avec dans une note en bas de page la traduction « A la joie » (Dostoïevski 1906 : 68).

(4) Un autre procédé possible est celui, moins adéquat, qui consiste à reprendre l’hétéroglossie à traduire en forme modifiée. Le texte hétérolinguistique peut être raccourci, élargi ou réécrit.

Sprich französisch mit mir, parlez-moi français. (Dostojewskij 1882 III: 119) spreek fransch met mij, parle-moi en français. (Dostojewsky 1885 III : 95)

(5) Si le traducteur décide de ne pas reprendre l’hétéroglossie, ni en forme originale, ni en forme modifiée, mais bien de la traduire dans la langue-cible, il lui est toujours possible de suggérer au lecteur qu’il s’agit d’hétérolinguisme. Ceci se fait soit de manière implicite en mettant les mots soi-disant hétérolinguistiques en caractères italiques, soit de manière explicite en ajoutant un commentaire dans une note ou dans le texte du narrateur. Dans l’exemple suivant, le traducteur allemand a opté pour le dernier :

– Madame la baronne, – проговорил я отчетливо вслух. (Dostoïevski 1973 V : 234)  “Frau Baronin,” sagte ich absichtlich laut auf französisch. (Dostojewski 1890 : 74)

(6) L’effet hétérolinguistique disparaît entièrement dans le cas où l’hétéroglossie est traduite dans la langue-cible sans aucune suggestion compensative – ni implicite, ni explicite – à propos du caractère hétérolinguistique des mots en question. Ce procédé a été mis en œuvre dans la traduction allemande suivante d’un fragment du Joueur :

Вас спасло, что вы объявили себя варваром и еретиком, – заметил, усмехаясь, французик. – «Cela n’était pas si bête» (Dostoïevski 1973 V : 211) “Dass Sie sich selbst als Barbar und Ketzer bezeichneten, das hat Sie gerettet,” bemerkte der Franzos, “das war gar nicht so dumm!”   (Dostojewski 1890 : 11)

(7) Pour finir, la neutralisation la plus drastique d’une hétéroglossie consiste à la supprimer, sans la moindre compensation.

Les procédés énumérés ci-dessus concernent tous la traduction d’hétérolinguisme dans une autre langue que celle de l’hétéroglossie en question. Cependant, s’il faut traduire en français un texte russe contenant des hétéroglossies françaises, un problème important surgit : si l’hétéroglossie est tout simplement maintenue, elle perd automatiquement son statut hétérolinguistique. Une des manières les plus adéquates de « rapatrier » une hétéroglossie par voie de traduction est donc de signaler supplémentairement son statut hétérolinguistique au lecteur. Ceci peut se faire soit en mettant l’hétéroglossie en italiques, soit en ajoutant une note en bas de page du type «en français dans le texte». Néanmoins, Procenko (2005 : 126) remarque à juste titre que ces procédés ne suffisent guère à préserver les fonctions littéraires auxquelles Dostoïevski avait prédestiné ses hétéroglossies.

3.2. Traduire le langage écorché : reproduction ou standardisation ?

Plus compliquée et moins prédictible que la traduction d’hétérolinguisme est la traduction du langage écorché dostoïevskien, par exemple des allochtones. Si le traducteur désire le préserver plutôt que de le standardiser, il lui faut une certaine connaissance de linguistique comparative. Plus exactement, après avoir analysé le langage estropié de l’original, le traducteur pourra le reproduire dans la langue-cible en violant dans une certaine mesure ses règles de grammaire et d’orthographie – ceci en fonction des différences entre la langue maternelle des personnages concernés et la langue-cible. Concernant les procédés aptes à suggérer tel ou tel accent étranger, Vlachov et Florin (1986 : 329) notent aussi l’importance de la tradition littéraire.

Extrêmement problématique, par contre, est le « rapatriement » du langage roué des migrants. Comment traduire en allemand les dialogues pseudo- ou semi-russes des personnages Allemands de Dostoïevski ? Certes, l’on pourrait au moins signaler au lecteur que leur maîtrise de la langue russe laisse à désirer, en ajoutant dans le texte du narrateur un commentaire du type « dit-il dans un russe barbouillé » ou « cria-t-il avec un accent allemand ridicule ». Cependant, l’effet satirique d’une telle explicitation n’est point équivalent à celui de l’original.

4. Etude descriptive de l’hétérolinguisme et du langage écorché dans les traductions néerlandaises de Dostoïevski d’avant-guerre 

Dans les études de réception traditionnelles sur Dostoïevski, ses traductions n’ont reçu qu’une attention passagère et non systématique. Partant de l’observation d’Even-Zohar (1978 : 45) selon laquelle les traductions jouent pourtant un rôle primordial dans la cristallisation d’un auteur donné dans la littérature réceptive, le projet de recherche auquel cet article est lié, portant sur la réception néerlandaise de Dostoïevski de 1881 jusqu’à 1914, se concentre sur ses traductions. Les premiers traducteurs néerlandais ayant traduit Dostoïevski indirectement, le corpus des traductions est entre autres composé de 9 textes-source russes et 11 textes-cible néerlandais, ainsi que de 4 traductions intermédiaires françaises et 8 traductions intermédiaires allemandes. Le volet traductologique de cette recherche vise à divulguer et interpréter les glissements macrostructuraux et microtextuels dans les traductions de Dostoïevski.[11] Au niveau micro-textuel, cette étude descriptive se focalise entre autres sur la manière dont le langage écorché et l’hétérolinguisme de Dostoïevski ont été traduits. Dans le corpus donné, la traduction de ce dernier phénomène a été étudiée de façon exhaustive.[12]

4.1. Glissements constatés

 En ce qui concerne le langage baragouiné des personnages étrangers de Dostoïevski, il résulte que dans les traductions néerlandaises du corpus de recherche, il a été standardisé de façon systématique, en règle générale sans compensation pour la perte de l’effet satirique. Il faut mentionner que dans la plupart des cas la standardisation était effectuée par le traducteur intermédiaire allemand ou français, mais dans les rares cas où il restait encore des vestiges d’un langage tripatouillé dans la traduction intermédiaire, le traducteur néerlandais s’est efforcé à rendre tout l’énoncé en néerlandais standard.

Les hétéroglossies dostoïevskiennes, par contre, ont été traduites avec plus de variation. Cependant, en général l’on peut constater une nette tendance vers la neutralisation de l’hétérolinguisme, aux moyens des procédés (6) et (7), respectivement la naturalisation absolue et l’omission de l’hétéroglossie.[13] Dans trois textes-cible néerlandais, notamment Arme Nelly, Uit het doodenhuis et Witte nachten, aucune hétéroglossie n’a survécu telle quelle à la traduction du russe au néerlandais – éventuellement en passant par l’allemand.[14] Dans De gebroeders Karamazow, traduction faite à base de deux traductions françaises,[15] des centaines d’hétéroglossies de l’original russe seulement une douzaine ont survécu telles quelles. Notamment la langue polonaise, marquant le discours ridicule des personnages polonais, a complétement disparu du roman lors de la traduction du russe en néerlandais, en passant par le français. Dans quatre textes-cible néerlandais, c’est-à-dire De speler, De echtgenoot, De onderaardsche geest et De misleide, entre 50 et 80% des hétéroglossies originales ont été neutralisées. Dans seulement deux textes-cible néerlandais, moins de 40% (mais toujours plus de 25%) des hétéroglossies ont été neutralisées : Uit Siberië et Schuld en boete. De plus, même dans le cas où les hétéroglossies n’ont pas été neutralisées, leur traduction n’est pas toujours la plus adéquate possible : sauf aux procédés (1), (2) et (3), maintenant l’hétéroglossie littéralement, les traducteurs intermédiaires et néerlandais ont fréquemment recouru aux procédés (4) et (5), visant une maintenance respectivement modifiée et suggérée de l’hétérolinguisme. Il faut aussi noter que l’emploi de tel ou tel procédé semble dépendre entre autres de la langue de l’hétéroglossie en question. Ainsi, tous les traducteurs ont fait preuve d’une tolérance-zéro vis-à-vis des langues soi-disant exotiques ; de la langue polonaise, ukrainienne, lesghienne et tartare, aucune hétéroglossie n’a été conservée telle quelle.

Vu que les premières traductions néerlandaises de Dostoïevski sont toutes (sauf une) des traductions de deuxième main, il est logique que la neutralisation de son hétérolinguisme relève aussi d’une responsabilité partagée entre, d’une part, les traducteurs allemands et français et, d’autre part, les traducteurs néerlandais. Ne pouvant pas lire le russe, ces derniers ne savaient même pas dans quelle la mesure le langage dostoïevskien était hétéroglossique. Ceci dit, là où l’hétérolinguisme était encore présent dans les traductions intermédiaires, la plupart des traducteurs néerlandais ont toutefois renforcé sa neutralisation en adoptant à maintes reprises les procédés (6) et (7).

Prenons l’exemple extrême mais tout de même symptomatique du texte-cible Arme Nelly. Dans la traduction intermédiaire Erniedrigte und Beleidigte, environ 29% des hétéroglossies du texte-source russe Humiliés et offensés ont disparu en conséquence de coupures (7) et 44% ont été neutralisées par voie de naturalisation (6). Le traducteur néerlandais, à son tour, a effectué de nombreuses coupures (7) suite auxquelles encore 24% des hétéroglossies originelles ont disparu. L’hétérolinguisme subsistant, chiffré à 3%, a entièrement été naturalisé par le traducteur néerlandais (6). De cette manière, aucune hétéroglossie de l’original n’a survécu au transfert de la littérature russe à la littérature néerlandaise.

4.2. Effets littéraires

Evidemment, la standardisation du langage écorché et la neutralisation des hétéroglossies affectent fortement la manière dont le texte littéraire est mentalement construit par le lecteur ainsi que les effets qu’il engendre. Le personnage russo-allemand barbouillant à propos d’un chien décédé « можно кароши сделать шушель »[16] (Dostoïevski 1973 III : 175), perd sur-le-champ une bonne partie de sa ridiculité si cet énoncé est rendu en allemand standard comme « Mann kann ihn ausstopfen » (Dostojewski 1890 : 8), ou en néerlandais standard comme « Als ik u was, zou ik hem laten opzetten »[17] (Dostojewsky 1891 : 11). La neutralisation des hétéroglossies fonctionnede la même manière. Par exemple dans Humiliés et offensés, le docteur montre subtilement son irritation à propos de la conduite outrecuidante de Nelly, sa petite patiente, en l’appelant en français « mademoiselle » (Dostoïevski 1973 III : 381). Ce terme d’adresse français étant traduit en néerlandais dans Arme Nelly comme « beste meid »[18] (Dostojewsky 1891 : 128), la nuance d’ironie est dissipée. Les Russo-Allemands du même roman s’écriant l’un à l’autre « вас-фюр-эйне-гешихте ! »[19] (Dostoïevski 1973 III : 175),  deviennent moins étrangers et étranges dans la traduction allemande et néerlandaise, où leur exclamation collective est traduite respectivement comme « Eine merkwürdige Geschichte ! » (Dostojewski 1890 : 9) et « Dat is me een rare historie ! »[20] (Dostojewsky 1891 : 12) – sans note au lecteur allemand ou néerlandais qu’il s’agissait dans le texte-source d’une hétéroglossie.

Les effets littéraires de la standardisation du langage roué et la neutralisation de l’hétérolinguisme concernent en effet tout d’abord les personnages, qui deviennent moins diversifiés, voire plus égaux. Notamment les notions d’ironie, d’érudition, de snobisme se perdent. Défaits de leur langage estropié entrelardé d’hétéroglossies, les étrangers et les minorités ethniques sont plus difficilement reconnaisables tels quels, et moins risibles. Plus généralement parlant, le texte littéraire perd une grande partie de son caractère étonnant, de sa dynamique ainsi que de son humour. En standardisant systématiquement le langage écorché et en neutralisant considérablement l’hétérolinguisme de Dostoïevski, les premiers traducteurs allemands, français et néerlandais ont contribué à la construction d’un Dostoïevski sensiblement plus monophonique que celui que Bachtin appréciait pour sa polyphonie. D’ailleurs, ces observations ne concernent que la réception allemande, française et néerlandaise de Dostoïevski, attendu que ses premières traductions allemandes et françaises ont joué un rôle pivot dans la réception de Dostoïevski au sein de nombreuses littératures de l’Europe occidentale – dans le sens où elles ont été utilisées comme traductions intermédiaires.

4.3. Causes sous-jacentes

Pour conclure cet article, il reste à tenter d’expliquer la standardisation du langage tripatouillé et la neutralisation de l’hétérolinguisme dostoïevskiens. Ayant constaté que l’hétérolinguisme français a disparu d’une traduction allemande de Guerre et paix faite par L.A. Hauff – un traducteur allemand qui a aussi fait plusieurs traductions de Dostoïevski – Bogaert (2006 : 139) remarque que ceci peut s’expliquer « aussi bien par le choix [personnel] du traducteur que par des facteurs extratextuels ». Plus particulièrement, il suggère que les relations diplomatiques entre l’Allemagne et la France au seuil de la Grande Guerre ont poussé le traducteur à contenir la langue française. Cependant, si l’on examine l’œuvre du traducteur Hauff – d’ailleurs déjà actif plusieurs décennies avant la Grande Guerre –, on constate qu’il montre peu de tolérance envers les hétéroglossies en général, qu’elles soient en français ou dans une autre langue. Au demeurant, l’hypothèse de Bogaert semble ne pas suffisamment tenir compte de l’autonomie relative de la littérature.

En effet, si les premiers traducteurs occidentaux de Dostoïevski ont neutralisé l’hétérolinguisme et standardisé le langage baragouiné, ceci concerne avant tout la pratique littéraire, dans sa dimension technique ainsi que dans sa dimension socioculturelle. Sur le plan technique, deux explications sont évidentes. Tout d’abord, une banale négligence du traducteur vis-à-vis de l’observation et la reproduction des hétéroglossies. D’autre part, les difficultés antérieurement mentionnées de « rapatrier » l’hétérolinguisme et le langage écorché.

Sur le plan socioculturel, les glissements observés s’expliquent par le conflit entre les normes littéraires de la forme et du contenu des différents systèmes polysystémiques, à savoir d’une part la littérature russe et d’autre part les littératures allemande, française et néerlandaise. Il est clair que la remarquable tolérance russe envers l’emploi de langues étrangères et de langages écorchés était largement absente dans les littératures de l’Europe occidentale d’avant-guerre. Pour ce qui est du contenu, si l’on prend en considération que dans l’Europe occidentale d’avant 1918, Dostoïevski n’avait pas encore le prestige littéraire dont il jouit de nos jours, il est par exemple compréhensible que les traducteurs allemands se soient avérés réticents à traduire adéquatement sa moquerie sur ses personnages allemands. Ainsi, la standardisation systématique du langage écorché et la neutralisation à grande échelle des hétéroglossies de Dostoïevski constituaient des tentatives simples et efficaces de rendre l’auteur russe plus acceptable aux yeux de son lectorat occidental. De fait, comme il ressort d’une analyse de la critique littéraire française, allemande et néerlandse (Boulogne 2011), dans une première instance, c’était pour sa philanthropie chrétienne et sa psychologie plutôt que pour son style polyphonique ou sa satire que l’auteur russe était apprécié en Occident.

Bibliographie

Œuvres primaires[21]  

Dostoïevski, F.M. 1973. Polnoe sobranie sočinenij v tridcati tomach. Chudožestvennye proizvedenija. Toma I-XVIII. Leningrad: Nauka.

Tolstoï, L.N. 1937. Polnoe sobranie sočinenij. Tom 9. Vojna i mir. Tom pervyj. Moskva : Chudožestvennaja literatura.

Œuvres secondaires

Bogaert, Maarten. 2006. “A la recherche de la traduction convenable. Oorlog en Vrede in het Nederlands”. Waegemans, Emmanuel (red.). De taal van Peter de Grote. Russisch-Nederlandse contacten en contrasten. Leuven-Voorburg: Acco. pp. 133-144.

Boulogne, Pieter. 2008. “The Early Dutch Construction of F.M. Dostoevskij: From Translational Data to Polysystemic Working Hypotheses”. In Boulogne, Pieter (ed.). Translation and Its Others. Selected Papers of the CETRA Seminar in Translation Studies 2007. http://www.kuleuven.be/cetra/papers/papers.html. Consulté le 22 juin 2011

Boulogne, Pieter. 2009. ‘The French Influence in the Early Dutch Reception of F.M. Dostoevsky’s Brat’ja Karamazovy.’ In Babel.The International Journal of Translation. 55:3. John Benjamins Publishing Company. p. 264-284.

Boulogne, Pieter. 2011. Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Pegasus Oost-Europese Studies 17. Amsterdam: Pegasus.

Bachtin, Michail. 1963. Problemy poetiki Dostoevskogo.

Even-Zohar, Itamar. 1990. “The Position of Translated Literature within the Literary Polysystem”. Poetics Today 11:1. Polysystem Studies. Tel Aviv: The Porter Institute for Poetics and Semiotics – Durham: Duke University Press. Pp. 45-51

Grutman, Rainier. 1997. Formes et fonctions de l’hétérolinguisme dans la littérature québécoise entre 1837 et 1899. Université de Montréal.

Delabastita, Dirk & Grutman, Rainier. 2005. “Fictional representations of multilingualism and translation”. Delabastita, Dirk & Grutman, Rainier (ed.). Linguistica Antverpiensia. Nr. 4. Pp. 11-34.

Meylaerts, Reine. 2006. “Heterolingualism in/and translation. How legitimate are the Other and his/her language? An introduction”. Target. 18:1. Pp. 1-15.

Polianskaia, Ludmila. 2000. “Le français chez les écrivains russes”. Felici, Isabelle (ed.).  Bilinguisme. Enrichissements et conflits. Paris : Honoré Champion. Pp. 263-266.

Procenko, E.A. 2005. “Vozmožna li repatriacija pri perevode?”. Vestnik VGU, Serija Lingvistika i mežkul’turnaja kommunikacija. Nr. 2. Pp. 124-128.

Suchet, Myriam. 2009. Outils pour une traduction postcoloniale: Littératures hétérolingues. Paris: Editions des archives contemporaines.

Téléchova, Raïssa. 2000. “Le lexique franco-russe dans les œuvres littéraires de deux pays”. Felici, Isabelle (ed.). Bilinguisme. Enrichissements et conflits. Paris: Honoré Champion. Pp. 267-271.

Vlachov, Sergej & Florin, Sider. 1986. Neperevodimoe v perevode. Moskva: Vysšaja škola.

Weinreich, Max. 1945. “Der YIVO un di problemen fun undzer tsayt”. YIVO-bleter. 25:1. Pp. 3-18.

Notes

[1] Dans cet article, les titres des œuvres secondaires russes, ainsi que les noms de leurs auteurs seront transcrits en accordance avec ISO. Les noms des auteurs littéraires russes, par contre, seront translitérés phonétiquement. Les titres de leurs œuvres seront traduits en français dans le texte, mais scientifiquement transcrits dans la bibliographie. Quant au yiddish, il est translitéré en caractères latins dans le texte ainsi que dans la bibliographie.

[2] Colloque international tenu à Louvain en mai 2009.

[3] Traduction : « Une langue est un dialecte avec une armée de terre et une marine. »

[4] Il va sans dire que les emprunts fixés et linguistiquement assimilés constituent une catégorie à part.

[5] Traduction : « Eh bien, que feras-tu, si je te prends avec? D’abord, je veux cinquante mille francs. Tu me les donneras à Francfort. Nous allons à Paris; on y vivra ensemble et je te ferai voir des étoiles en plein jour. Tu verras de telles femmes, que tu n’a jamais vues. Ecoute… »

[6] Traduction : « Evidemment, je ne suis qu’un « outchitel » [précepteur] et je n’ai jamais prétendu à l’honneur d’être un ami intime de cette maison. »

[7] Traduction dénotative :  « Que je sois ainsi. Peut-être galeux, mais riche ; j’ai des kopecks. »

[8] Essai de libre traduction:  « Aber, herr Schulz wous a prié avec application ne pas le déwisagieren. »

[9] Pour plus de précisions sur les images de l’Allemand dans la littérature russe classique en général et dans l’œuvre de Dostoïevski en particulier, se reporter à Boulogne (2011).

[10] Dans cet exemple, ainsi que dans les suivants, l’écriture gothique est suggérée par des caractères italiques.

[11] Pour une présentation très générale du projet de recherche sur la réception néerlandaise de Dostoïevski d’avant-guerre, cf. Boulogne (2008). La thèse de doctorat en question a récemment été publiée, cf. Boulogne (2011).

[12] Sauf toutes les hétéroglossies dostoïevskiennes traduites dans des notes en bas de page dans l’édition académique, bon nombre d’autres hétéroglossies, rencontrées lors de la lecture des œuvres concernés, ont aussi été prises en considération.

[13] Il faut noter que l’omission d’hétérolinguisme apparaît souvent en conséquence d’une grande coupure. Dans ce cas, il n’est pas clair dans quelle mesure il s’agit d’une omission d’hétérolinguisme voulue ou soi-disant latérale.

[14] La traduction Arme menschen, pourtant incluse dans le corpus de recherche, n’est pas mentionnée ici pour la simple et bonne raison que le texte-source russe correspondant, Pauvres gens, ne contient aucune hétéroglossie.

[15] De gebroeders Karamazow est un amalgame de la belle infidèle Les frères Karamazov (1888) de Halpérine-Kaminksy et Morice et de la traduction macrostructurellement plus adéquate Les frères Karamazov (1906) de Bienstock et Torquet. Cf. Boulogne (2009).

[16] Essai de libre traduction : « On pfeut bien l’empfaillieren. »

[17] Traduction : « Si j’étais à votre place, je le ferais empailler. »

[18] Traduction: « chère fille »

[19] Transcription française : « vas-fjour-eine-gechikhte ! »

[20] Traduction : « Me voilà une drôle d’histoire ! »

[21] Pour les références bibliographiques des traductions allemandes, néerlandaises et françaises mentionnées dans cet article, se reporter à la bibliographie de Boulogne (2008 ou 2011).

[Article publié dans: La revue canadienne de littérature comparée. 39: 1 (March 2012). pp. 47-62.]

Getagged , , , , , , , , , , , , , , ,

Critici over Het temmen van de Scyth

Boulogne, Pieter. 2011. Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Pegasus Oost-Europese Studies 17. Amsterdam: Uitgeverij Pegasus. 770 p. ISBN 978 90 6143 356 9.

  • Net verschenen: recensie van Orsolya Varga in Internationale Neerlandistiek. (2013, Nr. 3, pp. 277-280):

“Boulogne verricht systematisch onderzoek naar vertalingen en hun cultureel-historische omstandigheden; in zijn werk komen vertaalwetenschap en literatuurwetenschap (in het bijzonder receptiestudies) bij elkaar. […]

De auteur gebruikt een imposant aantal bronnen, maakt een vergelijking tussen de internationale en Nederlandse canonisering, en bespreekt alle Nederlandse vertalingen van voor de Eerste Wereldoorlog in hun publicatiecontext. […]

Het vierde hoofdstuk, ‘De vertalingen’ […] vormt de kern van het onderzoek. Bij de vertaalwetenschappelijke analyse gebruikt Boulogne de modellen van Toury (descriptieve vertaalwetenschap), Genette (semiotiek) en Leerssen (imagologie). […] Alle mogelijke aspecten van de vertalingen komen aan bod: de genealogie, de periteksten, de titelpagina, het voorwoord, de macrostructurele dimensie. Vervolgens worden de teksten ook op microtekstueel niveau bekeken: couleur locale, persoonsnamen, aanspreekvormen, realia, linguïstische context, intertekstualiteit, heterolinguïsme, afwijkend taalgebruik, spot met etnische minderheden. Elk onderwerp wordt nauwkeurig onder de loep genomen. […]

In een bijzonder waardevol deel van dit hoofdstuk [IV. De vertalingen] over de spot met etnische minderheden en buitenlanders (pp. 638-692) dwaalt de auteur wat af van de vertalingen, en neemt een bepaald aspect van de werken van Dostojevski onder de loep. Het is als het ware een uitputtende studie oevr Dostojevski’s xenofobie en de germanofobie in het bijzonder, die zonder meer als een aparte essay gepubliceerd zou kunnen worden. Deze imposante studie wordt in een historisch kader geplaatst, en schetst een beeld van de Duitser en de buitenlander in de Russische folklore, en in de literatuur vanaf Fonvizin over Puskin tot Gogol. Boulogne bewijst hiermee dat zijn onderwerp veel meer inhoudt dan gedacht. Het omvat niet alleen kennis van het werk van Dostojevski, maar ook van de Franse en Duitse literatuurbeschouwing van die tijd, de Franse en Duitse vertalingen, en de hele Russische literatuur en geschiedenis. […]

Boulogne ontwikkelt een originele en erg bruikbare vertaalwetenschappelijke methodiek die als voorbeeld zou kunnen dienen voor verder onderzoek. Hij laat zien dat vertaalwetenschap een belangrijke bijdrage levert aan de receptiewetenschap. Het zou interessant zijn als iemand ook de latere receptie van Dostojevski zou kunnen vergelijken met de vroegere ontvangst, en ook de latere vertalingen zou kunnen onderzoeken wat aanvaardbaarheid versus adequaatheid betreft – dit alles met dezelfde deskundigheid en nauwkeurigheid als de auteur van deze imposante studie.”

Klik om hier om de volledige recensie van O. Varga te lezen.

  • Mathijs Sanders in Spiegel der Letteren. Tijdschrift voor Nederlandse Literatuurgeschiedenis en voor Literatuurwetenschap (2012, Nr. 3, pp. 381-384):

“Op 21 mei 2011 promoveerde de slavist Pieter Boulogne aan de KU Leuven op een vuistdikke studie naar de vroege receptie van het werk van Fëdor Dostoevskij in Nederland. De handelsuitgave verscheen nog datzelfde jaar in de reeks ‘Oost-Europese Studies’ van de Amsterdamse uitgeverij Pegasus. Deze wetenschappelijke reeks, waarin tussen 2003 en 2012 twintig delen zijn verschenen, vormt een overtuigend bewijs van de vitaliteit van de slavistiek in de Lage Landen en van het belang dat inzichten die binnen dat domein worden ontwikkeld kunnen hebben voor de geesteswetenschappen in bredere zin. Dat geldt in het bijzonder voor het proefschrift van Boulogne, dat zich op het snijpunt beweegt van slavistiek, neerlandistiek, literatuur- en vertaalwetenschap. […]

Via de polysysteemtheorie ontsnapt Boulogne aan enkele beperkingen van het traditionele receptieonderzoek. Terwijl dat onderzoek vaak niet verder kwam dan het inventariseren en beschrijven van bronnen, worden deze door Boulogne telkens beschouwd in hun uiteenlopende literaire en extraliteraire contexten. Bovendien stelt dit theoretisch denkkraam hem in staat om de receptie van Dostoevskij in Nederland te interpreteren in relatie tot de ontvangst en vertalingen van ‘de Scyth’ in de dominante naburige systemen Duitsland en Frankrijk. […]

Boulogne beschrijft zeer gedetailleerd de dynamiek en verwevenheid van de Duitse en Franse receptie, de belangrijkste actoren (critici, uitgevers, vertalers) en instituties van de ruimere literaire en culturele context van die receptie. Dankzij deze contextualisering bevat het boek waardevolle inzichten in onder meer het naturalisme in Duitsland, de cruciale rol van de Franse katholieke diplomaat burggraaf Eugène-Melchior de Vogüé (wiens spraakmakende boek Le roman russe uit 1886 ook invloed uitoefende buiten Frankrijk en dan vooral in Duitsland) en het internationale succes van een westers georiënteerde schrijver als Turgenev (in menig opzicht de rivaal en tegenvoeter van Dostoevskij). Met samenvattende en synthetiserende paragrafen voorkomt Boulogne dat zijn lezers verdrinken in de minutieuze, soms encyclopedische maar altijd onderhoudende beschrijvingen. Wat goed uit de verf komt is hoe de receptie van Dostoevskij werd gestuurd door een voortdurend proces van collectieve beeldvorming in bredere zin, waarbij individuele critici en vertalers hun visie op elkaar afstemden of juist tegen elkaar uitspeelden. […]

Boulognes analyse van de Nederlandse receptie overtuigt, al zijn sommige conclusies moeilijk te onderbouwen. […]

Dit hoofdstuk [Hoofdstuk IV. De vertalingen] is in letterlijke zin voorbeeldig. Met behulp van een combinatie van inzichten uit de descriptieve vertaalwetenschap (vooral Toury’s onderzoek naar normatieve regulering), de semiotiek (in het bijzonder Genettes theorie over parateksten) en de imagologie (Leerssen) worden zowel macrostructurele en microtekstuele aspecten van de vertalingen beschreven en geïnterpreteerd. […]

De ‘eigenzinnige bezweerder van de morele chaos’ (p. 725) moest in Nederland wachten tot na de Grote Oorlog. Het is te hopen dat ook die latere receptie en vertaalgeschiedenis nog eens worden beschreven met dezelfde deskundigheid en accuratesse als die welke Boulogne aan de dag legt in deze indrukwekkende studie.”

Klik hier om de volledige recensie van M. Sanders te lezen.

  • Willem Weststeijn in Filter, tijdschrift over vertalen (2012, Nr. 4, p. 49-55):

“De massieve studie van Pieter Boulogne […] richt zich op een niet erg courant onderwerp van de vertaalwetenschap: de vertalingen van het werk van een schrijver gedurende een bepaalde periode en in een bepaald taalgebied. […] Systematisch onderzoek naar wat er allemaal van een schrijver is vertaald en hoe dat is gebeurd, is nogal zeldzaam. Alleen al daarom is Boulognes boek de moeite waard. Het laat zien hoe zulk een onderwerp kan worden aangepakt en wat het oplevert: anders dan bij de bespreking van een aparte vertaling gaat het niet alleen om vertaalproblemen en vertaalstrategieën, maar komen, veel breder, ook cultureel-historische omstandigheden aan de orde en wordt een relatie gelegd tussen vertalingen en de tijd waarin de vertalingen tot stand komen. Vertaalwetenschap en receptiewetenschap komen zo op een interessante manier bij elkaar. Je zou zelfs kunnen spreken van een symbiose. […]

Vertaalwetenschap is niet cruciaal voor de receptiewetenschap, maar kan die wel in belangrijke mate ondersteunen. Boulogne is erin geslaagd dat te laten zien; zijn voorbeeld verdient navolging.”

Klik hier om de volledige recensie van W. Weststeijn te lezen. Lees hier mijn reactie op de vraagtekens die W. Weststeijn plaatst bij de noodzaak van vertaalstudies in receptieonderzoek.

  • Irina Michajlova in Новое литерятурное  обозрение [Novoje Literatoernoje Obozrenie] (2012, Nr. 3, p. 403-406):

“Работа […] дает широкую и многогранную панораму восприятия произведений Достоевского в Нидерландах и Фландрии на рубеже XIX-XX вв. […]

Сопоставив нидерландские переводы с исходными русскими текстами, П. Булонь обнаружил весьма значительные расхождения. […] П. Булонь обнаруживает, что эти изменения носят системный характер и преследуют одну цель: адаптировать русского писателя к ожиданиям западноевропейских читателей, упростить чтение, сделать его более занимательным. Отсюда ­– название книги П. Булоня, основанное на игре с цитатой о Достоевском из знаменитой книги Эжена Мельхиора де Вогюэ «Русский роман» (1886): «Вот грядет скиф, истинный скиф, который перевернет все наши интеллектуальные привычки». […]

Читая «Укрощение скифа», слышишь как бы два голоса автора: голос объективного ученого-филолога и голос влюбленного в русскую литературу и художественно одаренного писателя, эмоционально вжившегося в изображаемых им персонажей, сумевшего подметить в каждом из них нечто уникальное и изложить свои наблюдения живым и афористичным языком.”

[Dit onderzoek […] biedt een breed en veelzijdig panorama op de ontvangst van Dostojevski’s werken in Nederland en Vlaanderen op de grens van de 19e en 20e eeuw. […]

Op basis van een vergelijking van de Nederlandse vertalingen met de Russische bronteksten heeft P. Boulogne uiterst belangwekkende afwijkingen ontdekt. […] P. Boulogne stelt vast dat deze verschuivingen een systematisch karakter hebben en gericht zijn op één doel: het aanpassen van de Russische schrijver aan de verwachtingen van de West-Europese lezers, de lectuur vereenvoudigen en hem onderhoudender maken. Vandaar de titel van het boek van P. Boulogne, dat een woordspel bevat met een citaat over Dostojevski uit het beroemde boek van Eugène-Melchior de Vogüé Le roman russe (1886): ‘Voici venir le Scyth, le vrai Scyth, qui va révolutionner toutes nos habitudes intelectuelles’. […]

Bij het lezen van Het temmen van de Scyth hoor je als het ware twee auteursstemmen: de stem van de objectieve filoloog en de stem van een op de Russische literatuur verliefde, artistiek begiftigde schrijver, die zich inleeft in de door hem afgebeelde personages, die in ieder van hen iets unieks bespeurt en die zijn observaties uiteenzet in een levendige en aforistische taal.]

Klik hier om de volledige recensie van I. Michajlova te lezen.

  • Jooris Van Hulle in De leeswolf (2012, Nr. 1, p. 28):

“Boulogne bespreekt zorgvuldig en uitvoerig de vertalingen (vaak uit tweede hand, uit het Frans of het Duits) van Dostoevskij’s werken en de reacties die erop volgen. Interessant is daarbij dat hij de kritiek ook in een internationale context situeert. […] Pieter Boulognes boek [770 p.] is niet langdradig. Zijn opzet was: ‘dat wie de moed en het geduld opbrengt om deze geschiedenis te doorworstelen beloond wordt met inzicht in de vroege Nederlandse receptie van Dostoevskij’. Daarin is hij met verve geslaagd.”

  • Uit het syntheseverslag van de doctoraatsjury (2011):

“Het proefschrift van Pieter Boulogne is een pionierswerk dat de schaarse bestaande inzichten in de vroege Nederlandse receptie van FM Dostoevskij niet alleen substantieel aanvult maar ook grondig bijstelt.”

“Wie zich in het algemeen bezig houdt met receptie van literatuur en vertaalonderzoek zal profijt hebben van Boulognes werk: zijn uitvoerige, uiterst gedetailleerde behandeling van het gekozen onderwerp, waarbij bestudering van feitenmateriaal is ingebed in zinvolle theorievorming, kan als voorbeeld dienen voor een geslaagde receptiestudie.”

Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Het temmen van de Scyth: inhoudsopgave

Proefschrift

Handelsuitgave (Pegasus)

Boulogne, Pieter. Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Pegasus Oost-Europese Studies 17. Amsterdam: Uitgeverij Pegasus, 2011. 770 p. ISBN 978 90 6143 356 9.

Lijst met afbeeldingen, grafieken en figuren
Noot over de toegankelijkheid
I. ALGEMENE INLEIDING
1. Ten geleide
2. Status quaestionis
3. Theoretisch kader
4. Afbakening onderzoek
II. INTERNATIONALE CONTEXT
Inleiding
IIa. DE DUITSE CANONISERING
1. De voorgeschiedenis (1845-81)
2. Von Reinholdt of het Balticum als voorbode (1882)
3. Henckel en Raskolnikow (1882-84)
4. De popularisering van Dostoevskij door Zabel (1884-85)
5. Von Reinholdt als Duits criticus (1885-86)
6. Naturalistische stellingname (1887-90)
7. De hype voorbij (1891-1905)
IIb. DE FRANSE CANONISERING
1. De voorgeschiedenis (1840-77)
2. Ontluikende interesse (1874-81)
3. Le crime et le châtiment en de eerste kritiek (1884-85)
4. Het plan van De Vogüé (1885-86)
5. Parijs in de greep van de russomanie (1885-87)
6. Groeiende weerstand (1887-96)
7. De hype voorbij (1895-1913)
Besluit
III. DE NEDERLANDSE ACTOREN EN KRITIEK
Inleiding
1. De voorgeschiedenis (1789-1881)
2. Pioniers vs. ‘een Chinese muur’ (1881-85)
3. Schuld en boete: publicatie en recensies (1885-86)
4. De directe impact van Ten Brink (1886-87)
5. Een voorlopig hoogtepunt (1887-91)
6. Ten prooi aan vergetelheid (1892-1903)
7. De herontdekking (1904-07)
8. Het voorwerp van studie (1907-10)
9. De gebroeders Karamazow (1911-WOI)
Besluit
IV. DE VERTALINGEN
Inleiding
1. Genealogie
2. Technische periteksten
3. De titelpagina
4. Opdracht en motto
5. Het voorwoord
6. Macrostructuur
7. Couleur locale
8. Heteroglossen en gebroken taal
9. Spot met minderheden en buitenlanders
10. Fatsoenerende ingrepen
Besluit
V.SLOTBESCHOUWING
VI.EPILOOG
BIBLIOGRAFIE
1. Primaire literatuur
2. Secundaire literatuur

Getagged , , , , , , , , , , , , , , , ,

Ten minste leesbaar tot… N.V. Gogol: Verzamelde werken deel 1. Avonden op een hoeve nabij Dikanka, Mirgorod, Peterburgse verhalen

De streek van de Russische bibliotheek

De consciëntieuze verzamelaar van de prestigieuze reeks Russische bibliotheek, waarmee Van Oorschot in 1953 tot plezier van de verzamelde Nederlandse en Vlaamse liefhebbers van de klassieke Russische literatuur op de proppen kwam, wordt de laatste vijf jaren in toenemende mate door diezelfde uitgeverij tot wanhoop gedreven: in plaats van zich te richten op nog onvertaalde Russische meesterwerken, geeft zij sinds 2005 de ene na de andere nieuwe vertaling uit van werken die al eerder waren verschenen in dezelfde reeks. Na hervertalingen van A.P. Tsjechovs Verzamelde verhalen en F.M. Dostojevski’s De gebroeders Karamazov, voor de gelegenheid herdoopt tot De broers Karamazov, werd L.N. Tolstoj voorzien van een verse Oorlog en vrede. Het is een dodendans waaraan ten langen leste niemand zal ontsnappen: onlangs verscheen een volledig nieuw eerste deel van de Verzamelde werken van N.V. Gogol, dat behalve de bundels Avonden op een hoeve nabij Dikanka en Mirgorod ook zijn Peterburgse verhalen bevat.

 Gogols opkomst en ondergang 

Nikolaj Vasiljevisj Gogol (Russisch voor brileend) werd als zoon van een kleine landeigenaar in 1809 geboren in de Oekraïne – toen nog een uithoek van Rusland, vandaar het lidwoord, net als in de Kongo of de Limburg. Toen hij een jaar of twintig was debuteerde hij met een verhalend gedicht, dat door de literaire kritiek onthaald werd op hoongelach. Hij zat daar zo mee verveeld, dat hij naar het schijnt de nog onverkochte exemplaren van zijn Hanz Küchelgarten opkocht en enige tijd onderdook in Duitsland.

Na zijn terugkomst in de hoofdstad Sint-Petersburg probeerde hij het als prozaïst. In 1831 en 1835 verschenen zijn bundels Avonden op een hoeve nabij Dikanka en Mirgorod, die omdat ze zich afspelen in de Oekraïne, doorspekt zijn met Oekraïense leenwoorden en bevolkt worden door jodenhatende kozakken ook wel zijn ‘Oekraïense verhalen’ genoemd worden. Het succes dat Gogol met deze titels oogstte maakte het voor de Petersburgse universiteit, die hem als stuntelige docent geschiedenis had aangenomen, gemakkelijker om zich van hem te ontdoen. Vanaf dat moment tot zijn dood in 1852 voorzag hij in zijn onderhoud door van vrienden geleend geld terug te betalen met honoraria en, als die niet toereikend waren, met geld dat hij van vrienden leende. Hun half-vrijwillig mecenaat stelde hem in staat om de Russische literatuur, die toen nog niet veel meer voorstelde dan wat Poesjkin en Lermontov ervan gemaakt hadden, nog verder te verrijken: in 1836 werd tot vermaak van de tsaar zelf zijn komedie De revisor opgevoerd en in 1842 verschenen zijn toneelstuk Het huwelijk, het eerste deel van zijn magnum opus Dode zielen, en zijn verhalenbundel Peterburgse vertellingen.

Na 1842 verscheen er niets meer van waarde. Gogol viel ten prooi aan een depressie, die door literatuurhistorici geduid wordt als een diepe geestelijke crisis. Hij nam enkel nog de pen ter hand om, het liefst nog vanuit het buitenland, bloedernstige zedenpreken af te steken over de schoonheid van het juk van de Russische autocratie. Zijn in 1847 gepubliceerde Bloemlezing brieven met mijn vrienden werd uitgekotst door de progressieve literatoren, die aangevoerd werden door de sociaal criticus Belinski. De laatste jaren van zijn leven staan in het teken van een allesverwoestende religieuze behoefte. Na een bedevaart naar Palestina zweert hij onder invloed van een orthodoxe goeroe de kunst af ten voordele van de ascese. Hij sterft in Moskou in 1852 in ontbering, na het ongepubliceerde tweede deel van zijn Dode zielen verbrand te hebben.

 ‘Vanonder De mantel van Gogol’

Onder de Russen neemt Gogol een prominente plaats in: hij wordt beschouwd als de vader van de natuurlijke school, waarvan het merendeel van de schrijvende Russen na hem, waaronder Dostojevski en Tolstoj, een diepe stempel dragen. In dit verband vermelden vrijwel alle naslagwerken het citaat ‘Allen zijn we vanonder Gogols Mantel gekropen’. Verwoede pogingen om de oorsprong van dit gevleugeld woord vast te stellen komen niet verder dan de essaybundel Le roman russe (1886) van de Franse criticus Eugène-Melchior de Vogüé, aan wie de Russische literatuur haar doorbraak in het Westen te danken heeft. Of de zin werkelijk is uitgesproken door een Russisch schrijver blijft onduidelijk, maar in ieder geval is Gogols talent veelzijdig genoeg om hem in verband te brengen met een veelheid aan literaire stromingen.

Uit modebewustzijn was Gogol begonnen als auteur van folkloristische spookverhalen, over heksen en duivels die het Oekraïense land onveilig maken, bijvoorbeeld om de maan te stelen. Niet minder succesvol waren zijn historische verhalen, die alles behalve historisch betrouwbaar waren, maar wel bladzijden over het kozakkenbestaan bevatten die duizendmaal griezeliger waren dan zijn spookverhalen. Indien hij het hierbij had gelaten, zouden we vandaag wellicht niet over Gogol spreken. Hij bleef echter evolueren, wat culmineerde in de meeslepende schelmenroman Dode zielen en de soms absurdistische verhalen die terecht zijn gekomen in de bundel Peterburgse vertellingen. Meer proza in dezelfde stijl zou Gogol ongetwijfeld nog meer roem gebracht hebben, en ons meer uren leesplezier, maar nu ging hij op zoek naar een literaire uitlaatklep voor zijn spiritualiteit – en hier stootte hij op de grenzen van zijn talent.

Op de overgang van de 19e naar de 20e eeuw schreef de Russische literator Andrej Belyj: ‘Ik weet niet wat Gogol is: een realist, symbolist, romanticus of classicist. […] Gogol is een genie, dat helemaal niet benaderd kan worden met schoolse begrippen: ik neig naar het symbolisme; bijgevolg zie ik gemakkelijker de trekken van Gogol de symbolist; een romaticus zal in hem een romantisch schrijver zien; een realist, een realistisch schrijver.’ Wat de beoefenaars van het Russisch realisme aan Gogol te danken hebben, is dat hij aan de wieg stond van hun traditie om de kleine lieden in de schijnwerpers te zetten. Hoewel zijn werken door tijdgenoten onder invloed van de progressieve criticus gelezen werden als kritiek op het maatschappelijke onrecht dat deze lieden werd aangedaan, drijven zij op meesterlijke wijze de spot met hun kleine kantjes.

De tsaar van de Russische lach

Op één punt is Gogol onnavolgbaar: hoewel er heel wat Russische schrijvers de gave hebben om een glimlach op het gezicht van hun lezer te toveren, slaagt geen één erin om zijn lezer zo luid te doen schaterlachen dat deze de noodzaak voelt om zich gegeneerd te verontschuldigen tegenover wie hiervan toevallig getuige was en zich terug te trekken naar een plek waar hij zich onbespied kan wanen. Aan dit effect dankt Gogol zijn bijnaam ‘tsaar van de Russische lach’– al moet hij die wel delen met de vaak in zijn stukken opgevoerde acteur Konstantin Varlamov (1848-1915).

De technieken die Gogol met het oog op deze lach gebruikt zijn niet de meest subtiele, maar effectief zijn ze wel. Ten eerste roept hij een pseudo-ernstige vertellersinstantie in het leven, die een samenzweerderige relatie aangaat tot de lezer. Deze stem kan ook een metaperspectief aannemen, waardoor ze niet alleen het verhaalde, maar ook het verhaal zelf in het belachelijke kan trekken. Zo begint het verhaal De mantel met de inmiddels beroemde zinnen: ‘Op het departement van… maar laat ik het departement liever niet noemen. Nergens zijn ze zo lichtgeraakt als in al die departementen, regimenten, burelen – kortom in alle mogelijke ambtelijke klassen. […] Laten we ter vermijding van allerlei onaangenaamheden het departement in kwestie liever een zeker departement noemen.’ Ten tweede verzint Gogol voor zijn personages de meest belachelijke uiterlijke en innerlijke kenmerken, die op hoogst originele wijze in detail geschilderd worden. Zo wordt Agafia Fedosejevna uit de bundel Mirgorod opgezadeld met de volgende beschrijving: ‘Agafia Fedosejevna droeg op het hoofd een kapje, drie wratten op haar neus, en verder een koffiekleurige kamerjas met gelige bloemen. Haar hele gestalte had iets van een tobbe, zodat het even moeilijk was haar taille te vinden als zonder spiegel je eigen neus te zien. Ze had korte beentjes, gemodelleerd naar twee kussens.’

Terwijl Gogol zijn absurdisme aanvankelijk nog aan banden hield, geeft hij die in de loop van zijn carrière steeds meer vrije teugel. Wereldberoemd is het in 1835 geschreven verhaal De neus, waarin een man op wonderlijke wijze ontwaakt zonder neus, om hem (zijn neus), die de gedaante heeft aangenomen van een achtenswaardige ambtenaar, later op de dag te achtervolgen door de straten van Petersburg. Veel minder bekend, maar niet minder hilarisch is het Verhaal over hoe Ivan Ivanovitsj ruzie kreeg met Ivan Nikiforovitsj. De intrige is even eenvoudig als onnozel: op een dag merkt Ivan Ivanovitsj volmaakt gelukkig op dat hij niets tekort komt, waarna hij zijn oog laat vallen op een verroest geweer van zijn buurman en beste vriend, die het geweer echter niet van de hand wil doen. Het komt tot een woordenwisseling waarin Ivan Ivanovitsj door Ivan Nikiforovitsj ‘een ganzerik’ wordt genoemd, waarna de ruzie ontaardt. Het leukste aan dit verhaal zijn de passages die de intrige hoegenaamd niet vooruit helpen. Zo worden Ivan Ivanovitsj en Ivan Nikiforovitsj in het begin uitgebreid met elkaar vergeleken. Deze vergelijking begint onschuldig: ‘Ivan Ivanovitsj heeft de bijzondere gave extreem aangenaam te praten’ terwijl ‘Ivan Nikiforovitsj het tegengestelde is; hij zwijgt meer’. Al snel krijgt de lezer ook te horen dat ‘het hoofd van Ivan Ivanovitsj op een rammenas lijkt met de punt naar beneden’ terwijl het hoofd van Ivan Nikiforovitsj lijkt op ‘een rammenas met de punt omhoog’. Op het einde van de vergelijking raakt de logica helemaal zoek: ‘Ivan Ivanovitsj is een beetje angstig van aard. Ivan Nikiforovitsj daarentegen heeft een pofbroek met zulke wijde plooien dat je, als je ze zou opblazen, er het hele erf met alle voorraadschuren en bebouwing in kwijt zou kunnen’.

De kwaliteit van vertalingen

In hoeverre Gogols humor werkt heeft behalve met de smaak van de lezer te maken met de kwaliteit van de vertaling, maar je daarover als recensent uitspreken is dansen op glad ijs. In een onlangs in De leeswolf verschenen stuk had ik mijn teleurstelling laten blijken over het feit dat het in Rusland meest obscene gebaar denkbaar, namelijk het steken van de duim tussen de wijs- en middelvinger, vertaald was als een opgestoken middelvinger, hoewel in de beschreven periode evenmin in Rusland als in het Nederlandste taalgebied middenvingers opgestoken werden. Na het lezen van deze kritiek heeft de vertaler in kwestie,… maar laat ik de vertaler liever niet noemen. Niemand is zo lichtgeraakt als een vertaler. Laten we ter vermijding van allerlei onaangenaamheden de vertaler in kwestie een zekere vertaler noemen. Welnu, na het lezen van mijn kritiek heeft een zekere vertaler mij gemaild om te weten te komen hoe die duim volgens mij dan wel moet vertaald worden. Het is een pertinente vraag, waarop geen eenduidig antwoord bestaat.

Het vertalen van een Russische tekst, waarin volwassen mannen met onuitspreekbare, om de haverklap veranderende namen nu eens kvas en dan weer zjoebroevka drinken, elkaar aanspreken als ‘duifje’ en vreemdsoortige ambtelijke rangen gebruiken om hun maatschappelijke status aan te duiden, is inderdaad een heikele onderneming. Voortdurend moet de vertaler principiële keuzes maken: ofwel brengt hij de brontekst dichter bij de lezer door een equivalent of gelijkaardige term uit de doelcultuur te gebruiken, wat in vakliteratuur wordt aangeduid met de term naturalisering. Ofwel brengt hij de lezer dichter bij de brontekst door de realia te handhaven, wat neerkomt op exotisering. Zowel voor het ene als voor het andere valt wat te zeggen: over het algemeen maken naturaliserende vertaalkeuzes de doeltekst vlotter leesbaar, maar voor wie iets wil bijleren over de cultuur van de brontekst, is een zekere dosis exotisering aantrekkelijker.

Hoewel het een subjectieve aangelegenheid is, mag de lezer tevreden zijn met de Gogol-vertaling van Aai Prins. Zij heeft bijzonder genietbare teksten afgeleverd, die toch  voldoende respect tonen voor de typisch Russische eigenheid. Hierover getuigt bijvoorbeeld haar oplossing voor de tussen wijs- en middenvinger geklemde duim: die is als zodanig vertaald, maar met de nodige toelichting in een eindnoot. Op sommige punten zou je nog dichter bij de brontekst kunnen komen dan is gebeurd. Bijvoorbeeld luidt de eerste zin van het derde hoofdstuk van De neus in de vertaling van Prins ‘Op aarde gebeuren de raarste dingen’, terwijl een meer letterlijke vertaling van het origineel zou zijn: ‘Op aarde vindt volmaakte onzin plaats’, wat minder clichématig is. De Vlaamse lezer die daar aanleg toe heeft, kan zich bovendien ergeren aan een aantal woordkeuzes die bijzonder Hollands aandoen. Zo is de eerste zin van dit boek: ‘Wat is dat voor malligheid’. Hier tegenover staat dat er in de verhalen van Avonden op een hoeve nabij Dikanka ook Vlaams terecht is gekomen, zij het om woorden die Gogol uit het Oekraïens had ontleend mee te vertalen. Het is echter zeer de vraag of ook de Vlaamse lezers woorden als ‘sjmautebollen’ [sic] en ‘vrouwke’, respectievelijk toegelicht als ‘deeggerecht’ en ‘echtgenote’, willen associëren met het achterlijke platteland.

Wat er ook van zij: steekproeven bewijzen dat qua getrouwheid aan de brontekst de vertaling van Aai Prins een grote vooruitgang betekent ten opzichte van de vorige Gogol-vertaling van Hans Leerink, die voor het eerst verscheen in 1959. Zo klinkt de zin van de vorige editie ‘De filosoof was een van die mensen die, als ze goed te eten krijgen, in een buitengewoon welwillende stemming geraken’ bij Prins, die hem adequater vertaald heeft, een stuk geestiger: ‘De filosoof was een van die mensen die, als je ze te eten geeft, ongemeen filantropisch gestemd raken’.

De leesbaarheidsdatum

Prins mag met haar vertaling dan wel een kwaliteitssprong gemaakt hebben, dit wil niet zeggen dat de Nederlandse vertalers over Gogol nu het laatste woord hebben gesproken. Aangezien de normen over hoe vertaald moet worden af en toe worden bijgesteld, en de Nederlandse taal sneller evolueert dan de Russische, is de leesbaarheidsduur voor vertalingen uit het Russisch sowieso beperkter dan die van originele teksten. Denk dus tweemaal na voordat u uw Russische bibliotheek begint te hernieuwen – het is niet zeker dat uw kleinkinderen er om zullen vechten.

[Recensie verschenen in De leeswolf]

Getagged , , , , , , , , ,